CConstaterende datEtten-Leur
Koppel je AI →
Document · PDF

Goede onderbouwing van de fysieke leefomgeving 'Markt 89'

Raad besluit 11 mei 2026, gemeente Etten-LeurBij agendapunt: . Het afgeven van een bindend advies voor het plan Markt 8929.975 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Bij de voorgenomen werkzaamheden zal grondverzet plaatsvinden, waardoor de oorspronkelijke bodem en daarmee eventueel aanwezige archeologische resten in het gebied kunnen worden verstoord. Resultaten Tijdens het veldonderzoek is vastgesteld dat de ondergrond in het plangebied uit dekzand bestaat. Het dekzand wordt afgedekt door een historisch ophogingslaag met daarboven een verstoorde ophogingslaag en/of recente bouwvoor. De top van deze historisch ophogingslaag is tussen een diepte van 15-55 cm -Mv (8,0 tot 7,5 +NAP). Daaronder ligt de top van het dekzand op een diepte tussen 50- 85 cm -Mv (7,5 tot 7,3 m +NAP). De top van het dekzand is in het plangebied grotendeels intact aangetroffen. In een van de boringen is waarschijnlijk een archeologisch relevant niveau aangetroffen vanaf een diepte van 80 cm -Mv, hetgeen waarschijnlijk een grondspoor betreft. Op basis van deze bevindingen kan de verwachting op resten uit de periode Laat-Paleolithicum-Mesolithicum naar laag worden bijgesteld. De hoge archeologische verwachting voor de periode Neolithicum-Nieuwe Tijd is door de vondst bevestigd voor het hele plangebied. Conclusie Op basis van het archeologisch vooronderzoek geldt een hoge archeologische verwachting voor de periode Neolithicum-Nieuwe Tijd. Het archeologisch niveau wordt gevormd door de historisch ophogingslaag en in de top van het dekzand.

Dit is op een diepte van 15cm -Mv in het noorden en 55cm -Mv in het zuiden. Een vervolgonderzoek door middel van het graven van proefsleuven is noodzakelijk. Aan de hand van dit onderzoek zal de archeologische waarde van van de planlocatie worden bepaald. Vanwege de bestaande loods zal dit onderzoek worden uitgevoerd na de sloop van de huidige bebouwing. Een door het bevoegd gezag goedgekeurd PvE voor het proefsleuvenonderzoek met een optie tot doorstart naar een opgraving wordt als voorwaarde opgenomen in de omgevingsvergunning. 4.2.2 BEELDKWALITEIT EN ARCHITECTUUR De architectuur van de bestaande woningen in de directe omgeving kenmerkt zich door eenvoudige volumes in overwegend 1 tot 2 bouwlagen met een kap. De nokrichtingen variëren en liggen zowel evenwijdig aan de straat de Markt als haaks daarop. De rooilijnen liggen overwegend in lijn met elkaar. De bestaande woningen bestaan uit gevelmetselwerk. Hierbij is er een variatie zichtbaar van witgepleisterde gevels, wit geschilderd metselwerk en schoon metselwerk in kleurvariaties van geel tot bruin. De kappen zijn afgedekt met antracieten of rode dakpannen. De kozijnen zijn overwegend licht, veelal wit van kleur. Opvallende

27

details aan de omliggende woningen zijn de accenten in het metselwerk boven de kozijnen, schoorstenen en kleine dakkappelen. Het plan dient aan te sluiten op de ruimtelijke en historische karakteristiek van de bestaande woonbuurt, met een dorpse schaal. Uitgangspunten daarbij zijn: • • • • •

Ingetogenheid en kleinschaligheid Bagijnhof opzet gericht op collectief groen Bebouwing in 1 laag met kap Bij de hoekwoningen: oriëntatie van de woning naar twee zijden, twee voorgevels Zorgvuldige overgangen privé - openbaar

Voor de Markt, waar de locatie onderdeel vanuit maakt, geldt het welstandsniveau 'Hoog' uit de Nota Ruimtelijke kwaliteit. De typologiekaart van de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit duidt de locatie met '2.9 Historische dorpse bebouwingslinten'. Toetsing van de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit is in dit geval aan de orde. 4.2.3

DUURZAAMHEID EN GEZONDHEID

Toetsingskader Het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit is een van de maatschappelijke doelen van de Omgevingswet. Hierbij gaat het om het beschermen van gezondheid (is er sprake van bijzondere omstandigheden waardoor het verlenen van de vergunning leidt tot ernstige nadelige of mogelijk ernstige nadelige gevolgen voor de gezondheid?) en het bevorderen van de gezondheid, zoals bevorderen sport en ontspanning (positieve gezondheid). In artikel 1.3 van de Omgevingswet worden de volgende maatschappelijke doelen geformuleerd: •

het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede

•

omgevingskwaliteit, ook vanwege de intrinsieke waarde van de natuur, en; het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften.

Door de leefomgeving gezonder in te richten kan veel gezondheidswinst worden geboekt. Een gezonde leefomgeving is een leefomgeving die bewoners als prettig ervaren, waar gezonde keuzes gemakkelijk en logisch zijn, en waar negatieve invloed op gezondheid zo klein mogelijk is. In dit kader heeft de Raad van Directeuren Publieke Gezondheid en de directie van GGD GHOR Nederland op 9 februari 2018 het document ‘Kernwaarden voor een Gezonde Leefomgeving’ vastgesteld. Naast het kernwaardendocument zijn ook aparte documenten opgesteld (Woonomgeving, Mobiliteit, Gebouwen) met daarin de context en verantwoording, uitwerkingen van principes en maatregelen die bijdragen aan het realiseren van de kernwaarden en dienen als inspiratiebron. Het kernwaardendocument en de bijbehorende uitwerkingen bieden handvatten aan iedereen die betrokken is bij de inrichting van de leefomgeving en publieke gezondheid een warm hart toedraagt. De stukken zijn tevens bruikbaar bij het uitwerken van ander beleid met betrekking tot de leefomgeving en/of gezondheid.

28

Goede onderbouwing van de fysieke leefomgeving, Markt 89 Etten-Leur, 30 januari 2026

Aspecten die in de kernwaarden documenten worden besproken gaan onder ander in op: 1. Woonomgeving: • • • • •

Kinderen groeien op in een rookvrije omgeving; Voor iedereen zijn er- dichtbij en toegankelijk - aantrekkelijke plekken; De leefomgeving draagt bij aan een gezond gewicht; Wonen en druk verkeer zijn gescheiden; Functies (wonen, werken, voorzieningen) zijn goed gemengd, overlast gevende bedrijven staan op afstand.

2. Mobiliteit • •

Actief vervoer (lopen en fietsen is in beleid, ontwerp en gebruik de standaard); Tussen kernen zijn goed (e-)fiets- en OV-verbindingen.

3. Gebouwen • • •

Het binnenklimaat is prettig en gezond; Minimaal één zijde (gevel) van een woning is aangenaam; Er zijn voldoende betaalbare levensloopgeschikte woningen.

De Kernwaarden voor een Gezonde Leefomgeving zijn niet compleet, allesomvattend of vaststaand, en zijn zo ook niet bedoeld. De meest effectieve advisering wordt namelijk behaald door mee te denken, samen te werken met andere disciplines en organisaties en bovenal maatwerk te leveren. Dit kan ook betekenen dat de kernwaarden worden aangepast in een specifieke situatie, bijvoorbeeld in landelijk of stedelijk gebied. De verschillende kernwaarden hebben daarnaast onderlinge verwantschap, het wordt aangeraden deze verwantschap ook bij de uitwerking in concrete maatregelen te onderkennen. Verder kunnen maatregelen in de fysieke ruimte en meer sociale initiatieven (organisatie van activiteiten, educatie, etc.) elkaar vaak versterken. Beoordeling Door de leefomgeving gezonder in te richten kan veel gezondheidswinst worden geboekt. Een gezonde inrichting van de leefomgeving beschermt tegen negatieve omgevingsinvloeden en bevordert de gezondheid. Een gezonde leefomgeving is een leefomgeving die bewoners als prettig ervaren, waar gezonde keuzes gemakkelijk en logisch zijn, en waar negatieve invloed op gezondheid zo klein mogelijk is.

Belangrijke elementen voor een gezonde leefomgeving zijn uitnodigen tot bewegen (wandelen, fietsen, spelen), elkaar ontmoeten, ontspannen, een goede milieukwaliteit (lucht, geluid), klimaatbestendigheid (zoals meer groen voor tegengaan hitte- en wateroverlast) en een goede toegang tot voorzieningen. De planlocatie is gelegen aan de groen ingerichte Markt. Daarbij ligt de locatie in het centrum van de kern Etten-Leur en op loopafstand dichtbij verschillende voorzieningen. Het plan voorziet in levensloopbestendige woningen voor senioren. De ambitie is om de nieuwe woningen energieneutraal te ontwikkelen. Woningen worden gasloos gebouwd volgens de huidige eisen. De woningen zijn gericht naar de collectieve groenplek. De bewoners worden gestimuleerd om contact te leggen met elkaar, wat vervolgens de saamhorigheid onder de bewoners onderling stimuleert. Dit heeft een positieve uitwerking op het woongenot. In het kader van de voorgenomen ontwikkeling zijn daarnaast verschillende milieutechnische aspecten die invloed hebben op een gezonde leefomgeving onderzocht. Het gaat hierbij om aspecten als bodemkwaliteit, geluidhinder van (spoor)wegen, stikstofdepositie en geur- en geluidhinder van eventuele bedrijven in de omgeving. In de volgende paragrafen zijn deze aspecten inclusief (eventueel) extern onderzoek, conclusies en eventuele maatregelen uitgebreid beschreven.

Bij het verlenen van de omgevingsvergunning zullen de nieuwe woningen getoetst worden om te bezien of er een prettig binnenklimaat gerealiseerd wordt. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat zowel binnen als in de directe omgeving van het plangebied sprake is van een gezonde leefomgeving.

29

4.3

FYSIEKE LEEFOMGEVING

4.3.1

Verkeersgeneratie, verkeersafwikkeling & parkeren

Toetsingskader Een toevoeging of wijziging van functies op locaties zorgt vaak voor een verandering van de parkeerbehoefte en verkeersgeneratie van een gebied. Bij het toelaten van een nieuwe functie moet daarom worden aangetoond of er sprake is van een (extra) parkeerbehoefte voor auto’s en fietsen en wat het effect is op de bereikbaarheid en de verkeersafwikkeling. Er mag geen onaanvaardbaar effect op de omgeving optreden. Dit geldt ook bij omgevingsvergunningen voor buitenplanse omgevingsplanactiviteiten. om te bepalen wat de effecten van de activiteit op de verkeersaantrekkende werking van het projectgebied zijn, kan gebruik worden gemaakt van de kengetallen van het CROW publicatie 744 ‘Parkeerkencijfers 2024’. Deze kengetallen zijn algemeen erkend en geven een indicatie van de met de ontwikkeling gepaard gaande extra verkeersgeneratie. Ook bieden ze richtlijnen voor het aantal te realiseren parkeerplaatsen. De CROW-kengetallen zijn richtlijnen waarvan afgeweken kan worden. Gemeenten kunnen ervoor kiezen om zelf parkeerbeleid met parkeernormen vast te stellen waar nieuwe ontwikkelingen aan moeten voldoen.

De activiteit dient in dit geval aan het gemeentelijk beleid te worden getoets Beoordeling Verkeersgeneratie De gemeente Etten-Leur hanteert bij de berekening van de verkeersgeneratie en aantallen parkeerplaatsen wordt uitgegaan van het gemiddelde van de bandbreedte van de verkeersgeneratie en parkeerkencijfers zoals opgenomen in de meest recente versie van de CROW. Daarbij is voor deze locatie het uitgangspunt ‘sterk stedelijk’ en ‘centrum’. Wonen Met de voorgenomen ontwikkeling neemt de verkeersgeneratie toe. Als gevolg van de nieuwe woningen neemt het aantal verkeersbewegingen met circa 23 motorvoertuigen per etmaal (mvt/etm) toe (30-7). In onderstaande tabel is het aantal verkeersbewegingen in de bestaande en de nieuwe de nieuwe woningen berekend. Huidige verkeersgeneratie

Verkeersgeneratie

aantal

Verkeersgeneratie totaal

Bedrijfsloods

6,1

1

6,1

1

6,1 (7)

Totaal mogelijk aantal verkeersbewegingen als gevolg van de bestaande bedrijfsloods Toekomstige verkeersgeneratie

Verkeersgeneratie per woning

aantal woningen

Verkeersgeneratie totaal

Koophuis, tussen/hoek

4,9

6

29,4

6

29,4 (30)

Totaal aantal verkeersbewegingen als gevolg van de 6 nieuwe koopwoningen

Conclusie Op basis van het bovenstaande kan geconcludeerd worden dat met de ontwikkeling van 6 woningen het aantal verkeersbewegingen beperkt toenemen met circa 23 mvt/etm. Een toename van deze grootte zal geen negatieve gevolgen hebben op de verkeersafwikkeling van het omliggende wegennet. Parkeren Huidige parkeerbehoefte Als gevolg van de herontwikkeling is er een parkeerbehoefte voor de nieuwe woningen. De gemeente EttenLeur hanteert de meest recente parkeerkencijfers van de CROW, gerelateerd aan het type woningen. In

30

Goede onderbouwing van de fysieke leefomgeving, Markt 89 Etten-Leur, 30 januari 2026

onderstaande tabel is de huidige parkeerbehoefte en het aantal aanwezige parkeerplaatsen in de huidige situatie weergegeven 98 Huidige parkeerbehoefte Oppervlakte in m2 CROW-kencijfer Huidige herontwikkelingslocatie

t

Bedrijf arbeidsintensief/bezoekersextensief

500

Totaal

500

Huidig aantal parkeerplaatsen 1 1A herontwikkelingslocatie 3

A

93

Oprit

Totaal

per 100m2 BVO A behoefte 6 -9 6,5 96 6,5 (7)

1,3

Aantal parkeerplaatsen

4

-9

92

93

4

90

4 91A

88

91

89

87

t rk Ma

86 84

A

85

85

12

83

80

6 4

78

A

1 -8

81

2

79

8 Parkeerplaatsen

Figuur 4.3: parkeerplaatsen (8) in de nieuwe situatie

2 4 ruimte voor 4 parkeerplaatsen aanwezig. In de huidige situatie is er voor de bedrijfsloods Daarmee wordt de 73 6 1 parkeerbehoefte van 7 parkeerplaatsen niet gehaald. Er wordt in de huidige 7 situatie gebruik gemaakt van 3 8 6A 0 9 1 n 6 parkeerplaatsen2 in openbaar gebied. 1 7 laa 6 n 14 se Parkeerbehoefte nieuwe ontwikkeling 65 16 us h 3 6 c Met de ontwikkeling worden in totaal Ro 6 seniorenwoningen gerealiseerd. Om de toekomstige parkeerbehoefte inzichtelijk te maken is in onderstaande tabel weergegeven met welke parkeeraantallen er ten minste rekening gehouden dient te worden in de nieuwe situatie. 43 Parkeerbehoefte toe te voegen Aantal woningen CROW-kencijfer Toekomstige behoefte 1 45 6 7 3 koopwoningen 4 5 49 41 Koophuis, tussen/hoek 6 1,1 51 6,6 531,3 Koophuis, vrijstaand 1 1,3

Totale parkeerbehoefte

7

C

82

82

7,9 (8)

Het aandeel bezoekersparkeren (0,1 parkeerplaats x 7 woningen) van 0,7 (1) parkeerplaats wordt opgelost in het openbaar gebied van de Markt. Conclusie Met de herontwikkeling worden de woningen gesitueerd in een u-vorm. Door deze u-vorm komt er ruimte vrij op de locatie. De vrijgekomen gronden worden ingezet om groen toe te voegen en om te voorzien in

31

de parkeerbehoefte. Er is ruimte voor tenminste één parkeerplaats per nieuw te realiseren woning en één parkeerplaats voor de bestaande woning. De nieuwe parkeerplaatsen worden ontsloten via toegang vanaf de Markt, zoals in de huidige situatie. In totaal wordt er met het planvoornemen voorzien in 8 parkeerplaatsen. Daarmee wordt voldaan aan de parkeerbehoefte. Op figuur 4.2 is de parkeeroplossing af te lezen. In de maatvoering van de parkeerplaatsen is rekening gehouden met extra brede eindvakken (2,75 meter), zodat het mogelijk is om in- en uit te stappen daar waar de eindvakken grenzen aan een haag of erfafscheiding. In het plan wordt voldaan aan de parkeerbehoefte. 4.3.2

BODEM

Toetsingskader Voldoende land en gezonde bodems zijn essentieel voor onze welvaart en ons welzijn. Conflicten om ruimte en bodemgebruik zijn nu al aan de orde van de dag. De toekomstplannen van Nederland eisen nog meer van ons land en onze bodems. Het wordt tijd dat we bewust met ons land en onze bodems omgaan. Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan. Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen. Bij wijzigingen van activiteiten geldt dat de bodem geschikt moet zijn voor het beoogde gebruik. Dit kan betekenen dat een onderzoek moet worden verricht naar de bodemen grondwaterkwaliteit. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bijlage XIIa bij artikel 5.89i) zijn waarden per stof opgenomen waaraan de bodem dient te voldoen. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen. Beoordeling Onderzoek Certicon Kwaliteitskeuringen B.V. heeft een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (Verkennend bodemonderzoek, Certicon Kwaliteitskeuringen B.V., projectnummer P2022-1288, versie 2, 22 oktober 2022).

Aanleiding voor het onderzoek is de voorgenomen herontwikkeling van de locatie, waarbij de huidige bebouwing zal worden gesloopt en nieuwbouw zal worden gerealiseerd. Doel van het onderzoek is het vaststellen van de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem (grond en grondwater) om te bepalen of op de locatie sprake is van bodemverontreiniging die mogelijk een belemmering kan vormen voor de voorgenomen herontwikkeling. Op basis van de resultaten van het verkennend onderzoek is een nader bodemonderzoek verricht. Resultaten Tijdens het verkennend onderzoek is uit analyse gebleken dat de bovengrond hoofdzakelijk licht verontreinigd is met zware metalen PAK en/of PCB. Daarnaast is bij een boring een sterke loodverontreiniging geconstateerd. In het grondwater zijn barium en tetrachlooretheen boven de streefwaarde gemeten. De gehalten tetrachlooretheen zijn mogelijk te herleiden aan de aangetroffen verontreiniging in het grondwater ten zuiden van de onderzoekslocatie. Voor het licht verhoogde gehalte barium is geen locatiespecifieke bron aan te wijzen. Het wordt verondersteld dat dit het gevolg is van verhoogde achtergrondwaarden. Uit nader onderzoek is gebleken dat uitsluitend bij een boring de interventiewaarden worden overschreden. Ondanks dat de oorzaak bekend is, kan niet worden uitgesloten dat dit mogelijk is ontstaan door de voormalige bedrijfsactiviteiten op de locatie.

De omvang van de loodverontreiniging is ingeschat op 12,5 m3: een oppervlak van circa 25 m2 is verontreinigd tussen 0,2 tot 0,7 -Mv. Conclusie Tijdens het onderzoek is een aantal lichte verontreinigingen vastgesteld. In het grondwater zijn barium en tetrachlooretheen boven de streefwaarde gemeten. De verhoogde waarde tetrachlooretheen kan worden herleid naar een locale verontreiniging van het grondwater ten zuiden van de locatie. Voor de licht verhoogde

32

Goede onderbouwing van de fysieke leefomgeving, Markt 89 Etten-Leur, 30 januari 2026

waarde aan barium wordt verondersteld dat dit het gevolg is van een verhoogde achtergrondwaarde. De bovengrond is hoofdzakelijk licht verontreinigd met zware metalen PAK en/of PCB. Daarnaast is bij een boring een sterke loodverontreiniging gevonden boven de interventiewaarde van ca. 12,5 m3 grond. Omdat er minder dan 25 m3 grond is verontreinigd boven de interventiewaarde, is geen sprake van een ernstige verontreiniging en dus ook niet van potentieel onaanvaardbare risico's. Wel wordt door Certicon geadviseerd de met lood verontreinigde grond te saneren wanneer deze wordt geroerd vanwege de bouwactiviteit. 4.3.3

NATUUR

Toetsingskader De Omgevingswet regelt activiteiten die met natuur te maken hebben. Deze natuuractiviteiten gaan over dieren en planten in het wild en gebieden waarin ze leven. Het doel van de regels is onder meer het beschermen van soorten en gebieden. Daarbij worden worden verschillende activiteiten onderscheiden: • • • • • • • • • •

Natura 2000-activiteit; Geen Natura 2000-activiteit, wel nadelig voor Natura 2000-gebied; Flora- en fauna-activiteit; Vellen en beheren van houtopstanden; Jachtgeweeractiviteit; Vakeniersactiviteit; Middelen, installaties, methoden voor vangen; Jacht; Invasieve exoten; Handel en bezit dieren en planten.

Ter bescherming van de natuur zijn in het Besluit activiteiten leefomgeving algemene regels opgenomen. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die zijn opgenomen in de voormalige Wet natuurbescherming. In onderhavige situatie zijn de algemene regels voor de activiteiten Natura 2000, Flora- en fauna en vellen en beheren van houtopstanden van toepassing.Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Gebiedsbescherming Als er naar aanleiding van ruimtelijke ingrepen mogelijkerwijs significante effecten optreden op natuurgebieden, dienen deze bij de voorbereiding van een omgevingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: • •

Alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden; Het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale

•

of economische aard; en De noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft.

Soortenbescherming Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het natuurnetwerk Nederland. Het kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een

33

soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hierover actief beleid voeren. Hierbij kan worden gedacht aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming. Door strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of er soorten aanwezig zijn, en welke soorten dat zijn. Natura 2000 - activiteit Nederland heeft ruim 160 Natura 2000-gebieden. In Nederland is het Programma Aanpak Stikstof opgezet om de doelen van Natura 2000 te realiseren en ook tegelijkertijd ruimte voor economische ontwikkeling toe te staan. 133 gebieden kennen een te hoge stikstofdepositie. De regels over de nationale Programmatische Aanpak Stikstof (PAS) zijn met de inwerkingtreding van de Omgevingswet komen te vervallen. In de Omgevingswet zijn regels opgenomen over een stikstofregistratiesysteem voor woningbouwprojecten en enkele rijkswegen. Dat systeem houdt bij hoeveel ruimte er aan stikstofdepositie is voor (nieuwe) projecten zonder dat Natura 2000-gebieden daaronder lijden. De Wet stikstofreductie en natuurverbetering regelt de structurele stikstofaanpak in het stelsel van de Omgevingswet.

Om de mogelijke toename van stikstofdepositie op de voor stikstofgevoelige Natura 2000gebieden inzichtelijk te maken, is voor de beoogde ontwikkeling een berekening stikstofdepositie opgesteld. Beoordeling Berekening stikstofdepositie Het dichtsbijzijnde stikstofgevoelige habitat is natura 2000-gebied 'Ulvenhoutsebos', gelegen op circa 11,7 kilometer van de herontwikkelingslocatie. Om de stikstofdepositie op de natuurgebieden te bepalen is door Tritium Advies een berekening stikstofdepositie uitgevoerd (Berekening stikstofdepositie, Tritium Advies B.V., documentkenmerk: 2500501MHO-01, versie A, 12 januari 2026). Voor het berekenen van de stikstofdepositie op de relevante Natura 2000-gebieden in de omgeving van het plangebied is gebruik gemaakt van AERIUS Calculator 2025.0.1. In de berekeningen zijn de emissies van NOX, NO2 en NH3 van de relevante bronnen meegenomen. Het gaat hierbij om: • • •

verkeersbewegingen binnen en buiten het plangebied (gebruiks- en aanlegfase); manoeuvreren en stationair draaien van vrachtwagens (aanlegfase); sloop- en aanlegwerkzaamheden (aanlegfase).

Conclusie Uit de rekenresultaten blijkt dat er geen sprake is van stikstofdepositie waarbij significant negatieve effecten in Natura 2000-gebieden kunnen plaatsvinden ten gevolge van de activiteiten in zowel gebruiksfase als de aanlegfase van het onderhavige planvoornemen. Een vergunning ten aanzien van het aspect stikstofdepositie is derhalve niet aan de orde. De berekening toont aan dat het aspect stikstofdepositie geen beperkingen oplevert. Flora en fauna - activiteit Beoordeling Om de natuur te beschermen zijn in het Besluit activiteiten leefomgeving regels voor flora- en fauna-activiteiten opgenomen. Dat zijn activiteiten die gevolgen kunnen hebben voor dieren en planten in het wild. Degene die zo'n activiteit uitvoert, moet voldoen aan die regels, zoals de specifieke zorgplicht. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als om bepaalde soorten van nationaal belang. Quickscan flora en fauna Door Tritium Advies is een quickscan flora en fauna uitgevoerd (Quickscan flora en fauna, Tritium Advies B.V., documentkenmerk: 2500799-01, versie 0, 22 april 2025). Het veldbezoek heeft plaatsgevonden op 11 april 2025. De planlocatie is niet in of nabij Natura 2000 en niet in NNN-gebied gelegen.

Omdat het plangebied niet in of nabij van deze gebieden ligt is geen sprake van oppervlakteverlies, kwaliteitsverlies of versnippering.

34

Goede onderbouwing van de fysieke leefomgeving, Markt 89 Etten-Leur, 30 januari 2026

Effecten op beschermde gebieden zijn hierdoor op voorhand uitgesloten. Vogels In het plangebied en de omgeving van het plangebied zijn tijdens het veldbezoek vogels zoals houtduif, kauw, koolmees en pimpelmees waargenomen. Ook zijn er mogelijke nestplaatsen gevonden voor de huismus en gierzwaluw. Bovendien benut een aantal algemeen voorkomende vogelsoorten het plangebied als foerageer- en broedgebied. Voor de voorgenomen verbouwing is een nader onderzoek voor (jaarrond) beschermde vogels noodzakelijk. Vleermuizen Vleermuizen bewonen gebouwen en/of bomen en hebben hun verblijfplaatsen in (kleine) gaten, kieren, scheuren. Het voorkomen van vleermuizen kan op basis van de quickscan niet worden uitgesloten. Voor het voorgenomen slopen van de bedrijfsloods is een nader onderzoek naar de aanwezigheid van vleermuizen noodzakelijk. Kleine zoogdieren Op de planlocatie zijn geen vaste verblijfs- of voortplantingsplaatsen vastgesteld van soorten die zijn beschermd via de Habitatrichtlijn of van soorten die niet zijn vrijgesteld door de provincie. Door het toepassen van het zorgvuldig handelen principe kunnen negatieve effecten op deze soorten worden voorkomen/verminderd. Uiteraard moet wel de zorgplicht in acht worden genomen.

Vervolgonderzoek flora en fauna Vleermuizen Binnen het plangebied zijn geen verblijfplaatsen, essentiële foerageergebieden of vliegroutes van vleermuizen waargenomen. Voor het plangebied zijn er geen vervolgstappen omtrent vleermuizen benodigd, anders dan de zorgplicht bestaan er vanuit de Omgevingswet geen verplichtingen. Huismus Binnen het plangebied zijn geen vaste verblijfplaatsen en geen essentieel leefgebied van huismussen aanwezig. Voor het plangebied zijn er geen vervolgstappen omtrent de huismus benodigd, anders dan de zorgplicht bestaan er vanuit de Omgevingswet geen verplichtingen. gierzwaluw Binnen het plangebied zijn geen vaste verblijfplaatsen van gierzwaluwen aanwezig. Voor het plangebied zijn er geen vervolgstappen omtrent de gierzwaluw benodigd, anders dan de zorgplicht bestaan er vanuit de Omgevingswet geen verplichtingen. Conclusie Uit het vervolgonderzoek naar de vleermuizen, huismus en gierzwaluw is gebleken dat er voor de onderzochte soorten binnen de planlocatie geen vaste verblijfplaatsen, essentieel leef- of fourageergebied of vliegroutes zijn. Vervolgstappen anders dan de zorplicht zijn niet benodigd. Soortenmanagementplan Etten-Leur De gemeente Etten-Leur beschikt over een gebiedsontheffing (soortmanagementplan) voor gebouwbewonende soorten.

Het gebruik van de ontheffing is vanwege het ontbreken van jaarrond beschermde vogelnesten en van potentiële vleermuisverblijven niet aan de orde Vellen en beheren van houtopstanden In het Besluit activteiten leefomgeving zijn regels opgenomen over het vellen van houtopstand en herbeplanten om bossen te beschermen. Een houtopstand is een zelfstandige eenheid van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend. Het (deels) vellen ervan zorgt ervoor dat die verdwijnen of beschadigd raken. Voor het vellen van houtopstanden kan een meldingsplicht of gedragscode gelden. Te rooien houtopstanden In het kader van de voorgenomen herontwikkeling hoeven er geen bomen gerooid te worden. 35

Conclusie Er is binnen dit planvoornemen geen te vellen houtopstand groter dan 1.000m2 in oppervlakte of rijbeplanting die meer dan 20 bomen bevat. Hierdoor bestaan er geen verplichtingen vanuit het Besluit activiteiten leefomgeving. De activiteit vellen en beheren van houtopstanden vormt geen belemmering voor het planvoornemen. 4.3.4

WATER

Toetsingskader Ruimtelijke ontwikkelingen kunnen van grote invloed zijn op de waterhuishouding. Ze kunnen gevolgen hebben voor de waterkwantiteit, de waterkwaliteit en de waterveiligheid. Overheden hebben in programma’s maatregelen opgenomen om een goede waterhuishouding te waarborgen. De maatregelen zijn gebaseerd op beleid dat in omgevingsvisies is vastgelegd. Artikel 5.37 van het Besluit kwaliteit leefomgeving stelt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Naast de specifieke regels als gesteld in paragraaf 5.1.3 van het Besluit kwaliteit leefomgeving over onderdelen van het watersysteem in het omgevingsplan, worden voor een duiding van de gevolgen voor het beheer van het watersysteem, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken. Beleid Waterschap Brabantse Delta Het waterschap Brabantse Delta is verantwoordelijk voor het waterbeheer in de gemeente op basis van de volgende wettelijke kerntaken: het zuiveringsbeheer, watersysteembeheer, beheer van dijken en beheer van vaarwegen. Het watersysteembeheer, waaronder grondwater, heeft daarbij twee doelen: zowel de zorg voor gezond water als de zorg voor voldoende water van voldoende kwaliteit.

Het beleid en de daarmee samenhangende doelen van het waterschap zijn opgenomen in het waterbeheerprogramma 2022-2027, wat tot stand is gekomen door middel van een participatietraject en in samenspraak met de waterpartners.Zo zijn bijvoorbeeld relevante waterthema’s gekoppeld aan de belangrijkste ruimtelijke ontwikkelingen in de regio. Daarnaast heeft het waterschap waar nodig nog toegespitst beleid en beleidsregels op de verschillende thema’s/speerpunten uit het waterbeheersplan en heeft het waterschap een eigen verordening; De Keur en de Legger. De Keur bevat gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. De legger geeft aan waar de waterstaatswerken plus bijbehorende beschermingszones liggen, aan welke afmetingen en vorm die moeten voldoen en wie onderhoudsplichtig is. Veelal is voor deze ingrepen een watervergunning van het waterschap benodigd. In sommige gevallen vallen de werkzaamheden onder een Algemene regel. Dan kan er onder voorwaarden sprake zijn van vrijstelling van de vergunningsplicht. De Keur en de Algemene regels zijn te raadplegen via de site van waterschap Brabantse Delta.

Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater De drie Brabantse waterschappen (Aa en Maas, De Dommel en Brabantse Delta) hanteren sinds 1 maart 2015 dezelfde (beleids)uitgangspunten voor het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak toeneemt. Deze (beleids)uitgangspunten zijn geformuleerd in de ‘Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen’. Bij een toename en afkoppeling van het verhard oppervlak geldt het uitgangspunt dat plannen zoveel mogelijk hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. De waterschappen maken bij het beoordelen van plannen met een toegenomen verhard oppervlak onderscheid tussen grote en kleine plannen. Hoewel er relatief veel kleine plannen zijn, veroorzaken deze op deelstroomgebiedsniveau nauwelijks een toename van de maatgevende afvoer. In de keur is opgenomen dat het in beginsel verboden is om zonder vergunning neerslag door toename van verhard oppervlak of door afkoppelen van bestaand oppervlak, tot afvoer naar een oppervlaktewaterlichaam te laten komen. Dit verbod is van toepassing tenzij: •

het afkoppelen van verhard oppervlak maximaal 10.000 m² is, of;

36

Goede onderbouwing van de fysieke leefomgeving, Markt 89 Etten-Leur, 30 januari 2026

• • •

de toename van verhard oppervlak maximaal 500 m² is, of; de toename van verhard oppervlak bestaat uit een groen dak; de toename van verhard oppervlak tussen 500 m² en 10.000 m² is en compenserende maatregelen zijn getroffen om versnelde afvoer van hemelwater tegen te gaan, in de vorm van een voorziening met een minimale retentiecapaciteit conform de rekenregel.

Daarbij dient de voorziening te voldoen aan de volgende voorschriften: • •

•

de bodem van de voorziening dient boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) te liggen; de afvoer uit de voorziening via een functionele bodempassage naar het grondwater en/of via een functionele afvoerconstructie naar het oppervlaktewater plaatsvindt. Indien een afvoerconstructie wordt toegepast, dient deze een diameter van 4 cm te hebben; daarnaast moet er altijd een overloopconstructie zijn, om uitspoeling naar de sloot te voorkomen.

Gemeente Etten-Leur Voor de volksgezondheid en een prettige leefomgeving is een goed werkend (afval)watersysteem essentieel. Om dit te waarborgen heeft de gemeente Etten-Leur het Waterplan Etten-Leur 2024-2028 opgesteld. De gemeente Etten-Leur heeft haar beleid ten aanzien van de waterhuishouding hierin vastgelegd, samen met de Hemelwaterverordening. In de Hemelwaterverordening is opgenomen dat enkel het bebouwings- en verhardingsoppervlak wat op het riool afgekoppeld wordt, gecompenseerd dient te worden in het openbaar gebied. De waterbergingsopgave is van toepassing bij nieuwe bebouwing, ingrijpende renovatie van bestaande gebouwen en een toename van 75m2 aan verhard oppervlak. Daarmee is het gemeentelijk beleid strenger dan het Waterschapsbeleid. Waterbergingseis De gemeente Etten-Leur heeft een toepassingsbereik vastgesteld voor het soort ontwikkelingen waar de waterverondening op van toepassing is. Dit geldt voor: • • •

Nieuwe gebouwen; Bestaande gebouwen indien er een ingrijpende renovatie (artikel 5.6, lid 4 van het Bouwbesluit 2012) wordt uitgevoerd na de inwerkingtreding van de Hemelwaterverordening; Verhard oppervlak met een toename van (in totaal) meer dan 75m2 per perceel.

Voor dergelijke ontwikkelingen geldt een waterbergingseis met de volgende voorwaarden: • •

de hemelwaterberging heeft een capaciteit van minimaal 60 liter per m2 bebouwd en/of verhard oppervlak de hemelwaterberging loost maximaal 2 liter per m2 bebouwd en/of verhard oppervlak per uur op een

•

openbaar riool de hemelwaterberging is na 60 uur leeg.

Beoordeling Huidige situatie plangebied De oppervlakte aan verharding bedraagt in de huidige situatie ca. 260 m2 (oprit). In de huidige situatie bedraagt de oppervlakte aan bebouwing ca. 495 m2 (bedrijfsloods). De totale oppervlakte aan bebouwing en verharding bedraagt in de huidige situatie ca. 755 m2 (260 + 495m2). In onderstaande tabel zijn de verschillende oppervlaktes uiteengezet. Bebouwd en verhard oppervlak bestaande situatie

Oppervlakte

Verharding

Oprit

ca. 260 m2

ca. 260 m2

Bebouwing

Dakoppervlak bebouwing

ca. 495 m2

ca. 495 m2

Totale oppervlakte bebouwing en verharding

ca. 755 m2

37

Onderzoek Voor het infiltreren van het water in de bodem dient te worden aangetoond dat dit mogelijk is. Door middel van een oriënterend infiltratie- en doorlatendheidsonderzoek heeft Tritium Advies de doorlatendheid van de grond op de planlocatie onderzocht. Het onderzoek is in de bijlagen opgenomen. (Oriënterend infiltratie- en doorlatendheidsonderzoek Markt 89 te Etten-Leur, Tritium Advies B.V., 2600038TM-01 , versie 0, 27 januari 2026). Resultaten Uit de meetresultaten blijkt dat de doorlatendheid van de verschillende grondlagen matig is. Op circa 1,80 m-mv bevindt zich een matig fijne, zwak siltige zandlaag met een slechte doorlatendheid, dit heeft naar alle waarschijnlijkheid te maken met de aanwezige leemlaag om de locatie, welke globaal aanwezig is vanaf circa 1,90 m-mv. Infiltratie is wel mogelijk, maar er dient rekening gehouden te worden met de slecht doorlatende leemlaag welke de infiltratie van hemelwater kunnen verstoren. Nieuwe situatie plangebied Het voornemen voor de locatie is de sloop van de bedrijfsloods en de ontwikkeling van 6 nieuwe seniorenwoningen. Parkeren wordt op de achterterreinen opgelost. De parkeerplaatsen voor de nieuwe woningen worden groen ingericht met open verharding en omzoomd door een haag. In onderstaande tabel zijn de verschillende oppervlaktes in de nieuwe situatie uiteengezet. Bebouwd en verhard oppervlak nieuwe situatie Verharding

Oprit

Oppervlakte ca. 318 m2

ca. 370,5 m2

Parkeerplaatsen open verharding ca. 52,5 m2 (50% van 105)* Bebouwing

Dakoppervlak bebouwing

ca. 455 m2

Totale oppervlakte bebouwing en verharding

ca. 455 m2 ca. 825,5 m2

*De doorlatendheid van de bodem is aangetoond met bovengenoemd onderzoek De totale oppervlakte aan bebouwing en verharding bedraagt in de nieuwe situatie ca. 825 m2. Het verhard en bebouwd oppervlak neemt als gevolg van de ontwikkeling toe met ca. 70 m2 (825,5-755m2). Conclusie Waterbergingsopgave als gevolg van beleid waterschap Brabantse Delta In de nieuwe situatie zal het bebouwd en verhard oppervlak toenemen met ca. 70 m². Omdat er een toename aan verhard oppervlak van minder dan 500 m2 is is er geen sprake van een minimale bergingseis of een waterbergingsopgave. Waterbergingsopgave als gevolg van beleid gemeente Etten-Leur Gelet op het beleid van de gemeente Etten-Leur geldt er een strengere waterbergingseis dan die van het waterschap Brabantse Delta. Bij nieuwe bebouwing geldt een bergingseis van 60 mm per m2 bebouwing/verharding en daarmee komt de waterbergingsopgave op ca. 50 m3 (825,5 m2 x 0,06 m). Deze waterbergingsopgave dient op eigen terrein van de ontwikkeling aangelegd en in stand gehouden te worden. Er is voldoende ruimte in de groene ruimte om deze bergingsopgave te realiseren. In de anterieure overeenkomst die de initiatiefnemer met de gemeente is aangegaan is de realisatie waterbergingsopgave gewaarborgd. In de wijk is een gemengd rioolstelsel aanwezig. Het VWA (vuilwater) mag worden afgevoerd naar het gemengd stelsel.

Bij voorkeur wordt het HWA (hemelwater) op eigen terrein opgevangen, vastgehouden om vervolgens te infiltreren in de bodem. Uit het oriënterend infiltratie- en doorlatendheidsonderzoek is gebleken dat infiltratie op de locatie mogelijk is. 38

Goede onderbouwing van de fysieke leefomgeving, Markt 89 Etten-Leur, 30 januari 2026

4.3.5

GELUID

Toetsingskader Veel functies in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid. Ze maken geluid of ze worden eraan blootgesteld. Het betreft geluid door verschillende activiteiten: • • • •

standaardactiviteiten, alle activiteiten behalve: specifieke activiteiten (windturbines, windparken, civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen) activiteiten op industrieterrein met een geluidproductieplafond (gpp) 'activiteiten in de openbare buitenruimte' en evenementen

Besluit kwaliteit leefomgeving Bij toelaten van een activiteit, lokale (spoor)weg of geluidgevoelig gebouw op een locatie voorziet het bevoegd gezag in een aanvaardbaar geluid op aangewezen geluidgevoelige gebouwen. Wat aanvaardbaar is, volgt uit een belangenafweging over beschermen en benutten van de leefomgeving en de (on)mogelijkheden die er zijn om maatregelen te treffen. De regels in het Omgevingsplan borgen de geluidkwaliteit van de geluidgevoelige gebouwen. Daarnaast mogen nieuwe geluidgevoelige gebouwen de mogelijkheden van andere activiteiten niet al te zeer beperken, zoals bijvoorbeeld bedrijven. De Omgevingswet beschermt via instructieregels geluidgevoelige gebouwen tegen geluid. Deze instructieregels zijn in het Besluit kwaliteit leefomgeving opgenomen onder de paragraaf 5.1.4.2. Het bevoegd gezag beoordeelt geluid van de bronnen bij geluidgevoelige gebouwen aan de hand van de opgesteld instructieregels. Toepassingsbereik Voor de beoordeling van geluid gelden instructieregels bij het toelaten van een: • • • • • •

geluidgevoelig gebouw in een geluidaandachtsgebied geluidgevoelig gebouw bij een activiteit locatiegebonden activiteit bij een geluidgevoelig gebouw gemeenteweg, waterschapsweg of lokale spoorweg bij een geluidgevoelig gebouw (spoor)weg met een geluidproductieplafond industrieterrein met een geluidproductieplafond

Overheden passen de instructieregels voor het beoordelen van geluid toe bij het vaststellen van een omgevingsplan, omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit of een projectbesluit. In onderhavige situatie zijn de instructieregels voor een geluidgevoelig gebouw in een geluidaandachtsgebied en geluidgevoelig gebouw bij een activiteit van toepassing. Geluidgevoelige gebouwen De geluidgevoelige gebouwen worden aangewezen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (artikel 3.21). Een geluidgevoelig gebouw is een gebouw of een gedeelte van een gebouw met een: • • • •

woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan; onderwijsfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan; gezondheidszorgfunctie met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan; of bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan.

Geluid door verkeer en industrie Geluidaandachtsgebied Bij het toelaten van geluidgevoelige gebouwen die geheel of gedeeltelijk in een geluidaandachtsgebied

39

komen te liggen, houdt het bevoegd gezag rekening met het geluid afkomstig van die weg, spoorweg of dat industrieterrein. Bij een wijziging van een weg, spoorweg of industrieterrein beoordeelt het bevoegd gezag het geluid op geluidgevoelige gebouwen in het geluidaandachtsgebied. Met het geluidaandachtsgebied wordt een koppeling gelegd tussen de geluidbron en de geluidgevoelige functies in de omgeving. Een geluidaandachtsgebied ligt langs een weg of spoorweg of rond een industrieterrein. Het is het gebied waarbinnen het geluid door die geluidbron hoger kan zijn dan de standaardwaarde. De omvang van het geluidaandachtsgebied is afhankelijk van de bron. Alleen binnen het geluidaandachtsgebied zijn de geluidregels uit het Besluit kwaliteit leefomgeving van toepassing. Provinciale wegen, (bestaande) hoofdwegen en hoofdspoorwegen, bij omgevingsverordening aangewezen lokale spoorwegen en industrieterreinen hebben een geluidproductieplafond (gpp) (artikel 3.5 Omgevingsregeling). Lokale wegen hebben een geluidaandachtsgebied aan weerszijden van de weg dat is gebaseerd op vaste afstanden: • • •

voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken en een maximumsnelheid van 30 km/u of minder geldt: 100 m; voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken, waarvoor een onbekende maximumsnelheid van meer dan 30 km/u geldt, en een spoorweg, bestaande uit een of twee sporen: 200 m; en voor een weg, bestaande uit drie of meer meer rijstroken, en een spoorweg, bestaande uit drie of meer sporen: 350 m

Standaardwaarden en grenswaarden Het Besluit kwaliteit leefomgeving (artikel 5.78t) bevat standaardwaarden en grenswaarden voor geluid door activiteiten (wegen, spoorwegen en industrieterreinen) op een geluidgevoelig gebouw. Deze waarden zijn van toepassing op het geluid door alle geluidbronnen van een geluidbronsoort. Voldoen aan de standaardwaarde is de hoofdregel. Als het geluid op een geluidgevoelig gebouw voldoet aan de standaardwaarde, is het geluid in ieder geval aanvaardbaar en de kans op gezondheidsschade klein. Het bevoegd gezag mag meer geluid dan de standaardwaarde als aanvaardbaar beoordelen. Beoordeling Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Rondom het plangebied zijn verschillende lokale/gemeente wegen gelegen met een 30 km/uur regime. Het plangebied is gelegen in het geluidsaandachtsgebied van de verschillende wegen waardoor akoestisch onderzoek naar de geluidsbelasting als gevolg van wegverkeerslawaai uitgevoerd dient te worden. Tritium Advies heeft een akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai uitgevoerd (Akoestisch onderzoek wegverkeers- en spoorweglawaai, Tritium Advies B.V., 2500805RJ-01 , versie 0, 15 juli 2025). Een omgevingsplan dat een nieuw geluidgevoelig gebouw toelaat, voorziet erin dat het geluid op dat gebouw niet hoger is dan de standaardwaarde, zoals bedoeld in onderstaande tabel. Tabel normwaarden geluidgevoelige gebouwen geluidbronsoort

standaardwaarde

grenswaarde

provinciale wegen rijkswegen

50 Lden

60 Lden

gemeentewegen waterschapswegen

53 Lden

70 Lden

lokale spoorwegen hoofdspoorwegen

55 Lden

65 Lden

Het onderzoek wijst uit dat voor de spoorweg Breda - Roosendaal het geluid op de gevels van de nieuwe woningen de standaardwaarde van 55 dB nergens wordt overschreden. Het onderzoek wijst daarnaast uit dat voor de gemeentewegen het geluid op de gevels van de nieuwe woningen de standaardwaarde van 53 dB nergens wordt overschreden.

40

Goede onderbouwing van de fysieke leefomgeving, Markt 89 Etten-Leur, 30 januari 2026

Gecumuleerd geluid Om te voorzien dat het geluid op de nieuwe woningen aanvaardbaar is, dient het gecumuleerd geluid op de gevels van de nieuwe woningen te worden beoordeeld. Het gecumuleerde geluid is het geluid door geluidbronsoorten en andere activiteiten tegelijk, opgeteld met een correctie voor de verschillen in hinderlijkheid (conform artikel 3.25 van de Omgevingsregeling). Aangezien voor onderhavige woningen de standaardwaarde nergens wordt overschreden, is het beoordelen van het gecumuleerde geluid niet noodzakelijk. Gezamenlijk geluid Bij een overschrijding van de standaardwaarde dient het gezamenlijk geluid op de gevels van de nieuwe woningen te worden bepaald. Het gezamenlijk geluid is het geluid door geluidbronsoorten en andere activiteiten tegelijk, energetisch opgeteld, zonder correctie voor verschillen in hinderlijkheid (conform artikel 3.26 van de Omgevingsregeling). Het gezamenlijk geluid wordt gebruikt bij de beoordeling van het binnenniveau, danwel het bepalen van de eisen aan de geluidswering van de gevel. Dit geluid dient te worden vastgelegd in het omgevingsplan. De nieuwe woningen worden beoogd in het geluidaandachtsgebied van gemeentewegen en spoorwegen. Het gezamenlijk geluid op de gevels van de beoogde nieuwe woningen bedraagt maximaal 45 dB.

Conclusie Voor de spoorweg Breda - Roosendaal en de gemeentewegen geldt dat het geluid op de gevels van de nieuwe woningen de standaardwaarde van respectievelijk 55 dB en 53 dB nergens overschrijdt. Derhalve kan worden geconcludeerd dat het geluid op de nieuwe woningen ten gevolge van deze geluidbronsoort aanvaardbaar is. Mits bij toepassing van standaard geluidwerende materialen en maatregelen kan worden voldaan aan de minimaal vereiste van 20 dB, is reeds een aanvaardbaar geluidbinnenniveau gewaarborgd. Derhalve wordt een aanvullend onderzoek ter bepaling van de geluidwering van de gevels niet noodzakelijk geacht. 4.3.6

ACTIVITEITEN EN MILIEUZONERING

Toetsingskader Bij toelaten van een geluidgevoelig gebouw bij een activiteit moet geluid op het geluidgevoelig gebouw aanvaardbaar zijn. De regels over geluid door (bedrijfs)activiteiten werken twee kanten op. De instructieregels voor bereiken van een aanvaardbare geluidsbelasting door een activiteit gelden zowel voor het toelaten van een activiteit, als het toelaten van een geluidgevoelig gebouw. Om te komen tot een ruimtelijk relevante toetsing van activiteiten op milieuhygiënische aspecten wordt het begrip milieuzonering gehanteerd. Onder milieuzonering wordt verstaan een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds een activiteit en anderzijds een milieugevoelig gebied, zoals een rustige woonwijk of gemengd gebied. De Verening van Nederlandse Gemeenten (VNG) heeft hiervoor de VNG-brochure opgesteld. Bedrijven zijn hierin opgenomen in een tabel, die is ingedeeld in milieucategorieën, waarbij per bedrijf is aangegeven wat de afstand tot een rustige woonwijk dient te zijn (de zogenaamde afstandentabel). Deze afstanden kunnen als basis worden gehanteerd, maar zijn indicatief. Er kan (enigszins) van afgeweken worden in situaties waarin geen sprake is van een rustige woonwijk of bij afwijkende bedrijven.

De richtafstanden gelden tussen enerzijds de grens van de bestemming die bedrijven (of andere milieubelastende functies) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een woning die volgens het omgevingsplan of via vergunningsvrij bouwen mogelijk is. Rustige woonwijk Er zijn daarnaast gebieden waar slechts (incidenteel) activiteiten (anders dan wonen) plaatsvinden. Denk aan een rustige woonwijk. Enerzijds gaat het om aan huis verbonden beroepen en bedrijven. Voor het bepalen van de inpasbaarheid daarvan hebben de meeste gemeenten inmiddels eigen beleid vastgesteld en veelal in bestemmingsplannen verankerd. Daarnaast zijn in rustige woonwijken soms incidentele bedrijfslocaties

41

aanwezig. De inpasbaarheid daarvan is maatwerk. De rustige woonwijken blijven in deze uitgave verder buiten beschouwing. Gemengde gebieden met wonen (functiemenging) Binnen een gemengd gebied met wonen kunnen naast wonen verschillende andere functies worden toegelaten. Dat kunnen functies als detailhandel, kantoren en horeca zijn, maar ook (mede) bedrijfsfuncties zijn (bedrijf: ‘een onderneming gericht op het produceren, bewerken, herstellen, installeren of inzamelen van goederen, alsmede verhuur, opslag en distributie van goederen’). In gemengd gebied met wonen kunnen alleen bedrijven zich vestigen, die naar aard en invloed op de omgeving geschikt zijn voor ligging in een gebied met functiemenging inclusief wonen. Bij een goede bouwkundige constructie is het mogelijk de bedrijfsactiviteiten uit te voeren in hetzelfde gebouw als de woningen, bijvoorbeeld in de plint. Contactgeluid, geurdoorslag en trillingen worden hierbij in voldoende mate voorkomen. Beoordeling (Bedrijfs)activiteiten in de omgeving

Markt 82 Markt 80 Markt 79

Bruininghuizen 2-4

Figuur 4.4: planologische situatie t.o.v. toekomstige situatie

In de directe omgeving van het plangebied zijn planologisch enkele activiteiten mogelijk. De herontwikkelingslocatie ligt in het gemengd gebied van het centrum van Etten-Leur. Hierdoor is het voorstelbaar dat er functies anders dan wonen aanwezig zijn in de wijk. In de directe omgeving van de nieuwe woningen zijn in de huidige situatie een aantal andere activiteiten dan wonen aanwezig (detailhandel, bedrijvigheid,maatschappelijke voorzieningen en een kerk). Hierdoor is de buurt aan te wijzen als een gebied met functiemenging. Bij het gebiedstype 'gemengd gebied' kunnen de richtafstanden met 1 afstandsstap verkleind worden. In onderstaande tabel zijn de activiteiten in de directe omgeving gecategoriseerd en zijn de richtafstanden in relatie tot nieuwe geluidgevoelige gebouwen (woningen) weergegeven.

42

Goede onderbouwing van de fysieke leefomgeving, Markt 89 Etten-Leur, 30 januari 2026

Adres

Omschrijving Maximale Richtafstand activiteit categorie rustige VNG woonwijk in meters (VNG)

Richtafstand gemengd gebied in meters (VNG)

Afstand in meters (grens activiteiten tot dichtsbijzijnde gevel kwetsbaar object)

Markt 79

Horeca

FM

10

0

ca. 25 meter

voldoet

Markt 82

Horeca

FM

10

0

ca. 60 meter

voldoet

Markt 80

Horeca

FM

10

0

ca. 68 meter

voldoet

Bruininkhuizen 2-4 Horeca

FM

10

0

ca. 105 meter

voldoet

Uit de tabel kan geconcludeerd worden dat voor alle bedrijven in de omgeving van het plangebied wordt voldaan aan de richtafstand voor FM (Functie Menging) uit de VNG-brochure. Gelet op het feit dat er op kortere afstand van de bedrijven al burgerwoningen zijn gelegen worden de bedrijven door de beoogde ontwikkeling niet verder in zijn bedrijfsvoering en uitbreidingsmogelijkheden beperkt. Conclusie In de directe omgeving van de nieuw te realiseren woningen zijn planologisch verschillende activiteiten anders dan wonen mogelijk. Er kan geconcludeerd worden dat wordt voldaan aan de richtafstanden voor de mogelijke activiteiten, zoals genoemd in de handleiding ‘Bedrijven en milieuzonering’ van de VNG. Gelet op bovenstaande kan er vanuit het aspect geluid geconcludeerd worden dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en een evenwichtige toedeling van functies. 4.3.7

GEUR

Toetsingskader De Omgevingswet vormt het toetsingskader als het gaat om geurhinder afkomstig van dierenverblijven van (individuele) veehouderijen. De geuremissie is afhankelijk van het aantal en soort dieren dat binnen de inrichting aanwezig is. Een veehouderij kan dieren houden met geuremissiefactor (bijvoorbeeld varkens en kippen) en dieren zonder geuremissiefactor (bijvoorbeeld melkrundvee). Bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet heeft elke gemeente een omgevingsplan met regels die eerst in de rijksregels stonden, de bruidsschat. Hierin staan ook de geurregels voor veehouderijen vanuit de voormalige Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) en het Activiteitenbesluit. In de aan de voormalige Wgv gekoppelde Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv) is per diercategorie een geuremissiefactor vastgesteld, uitgedrukt in Europese odour units per tijdseenheid per dier (ouE/s/dier). De totale geuremissie van een veehouderij is de som van alle geuremissies van de verschillende diercategorieën die binnen de inrichting aanwezig zijn. Voor bedrijven waarvoor een geuremissie is vastgesteld geldt dat geurberekeningen moeten uitwijzen of aan de geurnormen voldaan kan worden. Er zijn ook diercategorieën waarvoor geen geuremissiefactor is vastgesteld. Hiervoor gelden minimaal aan te houden afstanden. De minimale afstandseisen zijn van toepassing: • •

100 meter bij ontwikkelingen gelegen binnen de bebouwde kom 50 meter bij ontwikkelingen gelegen buiten de bebouwde kom

Bij het onderscheid binnen de bebouwde kom/buiten de bebouwde kom gaat het om de ligging van het geurgevoelige object. De planlocatie is gelegen binnen de bebouwde kom. Gemeenten mogen van bovenstaande normen en afstanden afwijken middels een gemeentelijke verordening. In de Wgv is in artikel 6.1 opgenomen dat gemeenten middels deze verordening binnen bepaalde bandbreedte mogen afwijken van de wettelijke standaardnormen. De gemeente Etten-Leur heeft geen gemeentelijke geurverordening vastgesteld.

43

Beoordeling Veehouderijen in de omgeving Melkrundvee Haansberg 27 Melkrundvee Haansberg 25 Melkrundvee Hoevenseweg 28

Figuur 4.5: Veehouderijen, herontwikkelingslocatie rood omlijnd

Hoevenseweg 28 Op circa 925 meter ten westen van de herontwikkelingslocatie ligt een melkveehouderij (Hoevenseweg 28). Het gaat om een rundveehouderij, met diercategorieën met een geuremissiefactor namelijk zeugen. Haansberg 25 Op circa 1 km ten noorden van de herontwikkelingslocatie ligt een melkveehouderij (Hoevenseweg 28). Het gaat om een rundveehouderij, met diercategorieën met een geuremissiefactor namelijk zeugen. Haansberg 27 Op circa 1,1 km ten noorden van de herontwikkelingslocatie ligt een melkveehouderij (Hoevenseweg 28). Het gaat om een rundveehouderij, met diercategorieën met een geuremissiefactor namelijk zeugen. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat de afstand tot de veehouderijen in de omgeving voldoende groot is. Er wordt voldaan aan de adviesafstand van 100m binnen de bebouwde kom. Volgens de kaart ‘Achtergrondbelasting geur 2024’ van de provincie Noord-Brabant is er op de locatie sprake van een zeer goede luchtkwaliteit als het gaat om achtergrondbelasting van geur, zie figuur 4.6.

Figuur 4.6: Achtergrondbelasting, locatie rood omlijnd

44

Goede onderbouwing van de fysieke leefomgeving, Markt 89 Etten-Leur, 30 januari 2026

4.3.8

LUCHTKWALITEIT

Toetsingskader De overheid toetst en monitort de luchtkwaliteit vooral in de zogenoemde aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) of fijnstof (PM10). Soms wordt hier een rijksomgevingswaarde overschreden. Of de achtergrondconcentratie is zo hoog, dat bij toevoeging van een nieuw project alsnog een rijksomgevingswaarde overschreden kan worden. De vergunningverlener beoordeelt een aanvraag op het effect op de luchtkwaliteit in de leefomgeving. In een aandachtsgebied moet de overheid de omgevingswaarden in acht nemen. Dit geldt voor de besluiten, als deze zorgen voor een verhoging van de concentraties binnen een aandachtsgebied. Als de gemeente activiteiten toelaat, die leiden tot gebruik van wegen, vaarwegen of spoorwegen (verkeersaantrekkende werking) of waarvoor luchtregels staan in het Besluit activiteiten leefomgeving moet worden voldaan aan de omgevingswaarden. Dit volgt uit artikel 5.51 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Hierbij gaat het om activiteiten binnen het aandachtsgebied. Maar het kan ook gaan om activiteiten in de buurt van een aandachtsgebied, als deze activiteiten zorgen voor een verhoging van de concentraties binnen het nabijgelegen aandachtsgebied. Dit betekent dat een gemeente een initiatief soms moet toetsen aan de omgevingswaarden in een nabijgelegen aandachtsgebied.

Het gaat dan om een locatie van een initiatief dat zelf buiten het aandachtsgebied ligt. Dit kan nodig zijn bij activiteiten die relatief veel luchtvervuiling veroorzaken en over een grotere afstand effect hebben. Denk aan extra verkeer of bedrijfsemissies. De vergunningverlener toetst aan de omgevingswaarden, tenzij de activiteit niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de stikstofdioxide- (NO2) of fijnstof- (PM10) concentraties. De specifieke beoordelingsregels voor luchtkwaliteit staan in artikel 8.17 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

Figuur 4.7: Uitsnede Atlas van de leefkwaliteit: PM2,5, PM10 en NO2, luchtkwaliteit is matig

Beoordeling Inzichtelijk is gemaakt wat de heersende luchtkwaliteit ter plaatse is. Op de Actuele luchtkwaliteitsindex van de Atlas Leefomgeving blijkt dat de heersende luchtkwaliteit op de planlocatie goed is (2,5-3,0). Zie figuur 4.7. Conclusie Uit de kaarten van de Atlas van de leefomgeving blijkt dat de huidige luchtkwaliteit goed is. Met de voorgenomen ontwikkeling worden 6 woningen toegevoegd. Een inschatting van het aantal verkeersbewegingen, op basis van de CROW kencijfers, leidt voor het initiatief tot een toename van ca. 30 motorvoertuigbewegingen per etmaal, zie ook paragraaf 2.4.4 onder 'verkeer'. Het plan is dermate beperkt van omvang dat het niet in betekenende mate bijdraagt aan verandering/verslechtering van de luchtkwaliteit. Ten aanzien van luchtkwaliteit zijn er derhalve geen bezwaren voor de beoogde ontwikkeling.

45

4.3.9

OMGEVINGSVEILIGHEID

Toetsingskader Omgevingsveiligheid beschrijft de risico’s die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Besluit kwaliteit leefomgeving gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een Buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Plaatsgebonden risico Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare

Figuur 4.8: Externe veiligheid, herontwikkelingslocatie rood omlijnd

locaties (art. 5.7 lid 1 Besluit kwaliteit leefomgeving) worden in een Omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (art. 5.11 Besluit kwaliteit leefomgeving). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Besluit kwaliteit leefomgeving). Groepsrisico Bij groepsrisico is sprake van ‘aandachtsgebieden’. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (art. 5.12 Besluit kwaliteit leefomgeving). Het opnemen van aandachtsgebieden in een omgevingsplan is niet verplicht. Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen (RIVM a, z.d.). Aandachtsgebieden zijn er voor brand, explosie en gifwolk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Besluit kwaliteit leefomgeving). Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico’s (REV). Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=EttenLeur&id=852d6b94-e8c2-4c32-bd4a-a490d5a18acb