BOPA Lange Brugstraat_Herbergierstraat te Etten-Leur dd 7-1-2026
Tekst van het document
Pagina 30 van 73
3.4.3 Verordening doelgroepen sociale woningbouw en middeldure huur gemeente Etten-Leur Onderdeel van de nieuwbouw voor de komende jaren is een programma sociale huur, middeldure huur en sociale koop. Het programma wordt via omgevingsplannen of anterieure overeenkomsten vastgelegd. Op 12 november 2018 heeft de gemeenteraad de Verordening doelgroepen sociale woningbouw en middeldure huur gemeente Etten-Leur vastgesteld. Via de doelgroepenverordening is het mogelijk om voorwaarden rondom de realisatie van sociale woningbouw en middeldure huur vast te leggen. Zo is in artikel 4 van de verordening vastgelegd hoe de huurprijsgrenzen moeten worden bepaald en bevat artikel 5 instandhoudingstermijnen voor sociale huurwoningen, middeldure huurwoningen en sociale koopwoningen. Als onderdeel van (de toelichting op) de doelgroepenverordening is een beleidsnotitie toegevoegd. In deze notitie staan diverse relevante feiten, cijfers en beleidsmatige conclusies en aanbevelingen. Op 30 augustus 2022 is de laatste versie van de doelgroepenverordening vastgesteld en gepubliceerd. Er zijn door de gemeenteraad twee grenzen voor betaalbare koopwoningen in de gewijzigde doelgroepenverordening opgenomen. De grens van € 270.000,- is voor 'Betaalbaar laag' (en € 355.000,- voor 'Betaalbaar hoog').
Inmiddels is het prijspeil voor ‘betaalbaar hoog’ in 2025 opgeschoven tot een maximale verkoopprijs van €405.000 euro. Beoordeling Binnen het plangebied bestaat op grond van de geldende wijzigingsbevoegdheid de mogelijkheid om aan de Herbergierstraat in twee vrijstaande woningen te realiseren. Daarnaast biedt de planologische regeling ruimte om aan de Lange Brugstraat één vrijstaande woning te bouwen. Het voorliggende plan voorziet binnen dezelfde plangebied in de realisatie van zes woningen. Deze ontwikkeling sluit aan bij de gemeentelijke ambitie om kleinere, toekomstbestendige woningen toe te voegen die inspelen op de lokale woonvraag. Uit de analyse van de woningmarkt blijkt dat de beoogde woningen, gelet op hun situering, omvang en opzet, bij uitstek geschikt zijn voor senioren. De woningen zijn minder geschikt voor starters op de woningmarkt, onder meer vanwege de hogere bouwkwaliteit, het woonprogramma en de verwachte prijscategorie. De gemeentelijke doelgroepenverordening schrijft echter voor dat nieuw gerealiseerde goedkope woningen in beginsel eerst aan starters (huurders) moeten worden aangeboden. Aangezien deze woningen naar hun aard en uitvoering niet aansluiten bij de behoefte en mogelijkheden van deze doelgroep, heeft het college gemotiveerd besloten af te wijken van de doelgroepenverordening.
Dit besluit houdt in dat de woningen primair mogen worden aangeboden aan senioren, zodat beter wordt aangesloten bij de lokale behoefte en de doorstroming binnen de woningmarkt wordt bevorderd. Deze afspraak is tevens vastgelegd in de gesloten anterieure overeenkomst, waarin daarnaast ook is bepaald dat een zelfbewoningsplicht geldt. Tevens is opgenomen dat de gerealiseerde betaalbare seniorenwoningen gedurende maximaal tien jaar in stand moeten worden gehouden, conform de gemaakte afspraken tussen initiatiefnemer en gemeente. Met deze regeling wordt de toevoeging van passende, betaalbare en toekomstbestendige woningen gewaarborgd, terwijl tegelijkertijd de gewenste differentiatie en kwaliteit van het woningaanbod binnen het gebied wordt versterkt. Conclusie De beoogde ontwikkeling is passend binnen relevante gemeentelijke beleidsuitgangspunten, zoals vastgelegd in de Verordening doelgroepen sociale woningbouw en middeldure huur gemeente EttenLeur. 3.4.4 Groenplan gemeente Etten-Leur Openbaar groen draagt bij aan de leefbaarheid en kwaliteit van de leefomgeving. Etten-Leur wordt er een aantrekkelijkere plek door. Bij duurzaamheid, klimaat en biodiversiteit is groen een onmisbaar Pagina 31 van 73
onderdeel. Ook is groen, vaak in combinatie met water, belangrijk bij ontmoeten, gezondheid, recreatie en herkenbaarheid van de leefomgeving. De gemeente wil daarom alle voordelen van groen in Etten-Leur behouden en uitbreiden. Hiervoor is het Groenplan ‘Etten-Leur’ opgesteld. De vastgestelde groennorm uit het Groenplan is de belangrijkste randvoorwaarde vanuit groen betreffende herontwikkelingen, grootschalig onderhoud en uitbreidingslocaties. Gezien de ligging van de planlocatie in een ‘woongebied’ dient er minimaal 1 m² openbaar groen per 1m² bebouwd oppervlak ingepast te worden. Gegeven de beoogde ontwikkeling een inbreidingslocatie is met een hoog bebouwingspercentage ten midden van een druk woongebied, waar geen openbare ruimte bij betrokken is, is het halen van de groennorm niet mogelijk. In deze situatie is het dus van belang om aan te geven in hoeverre de groennorm benaderd kan worden. In overleg met de gemeente Etten-Leur is daarom gekozen voor een kwalitatieve benadering. Hierbij is niet alleen in de wijze van inrichting van belang, maar ook een onderbouwing van de toe te passen soorten groen. De kwalitatieve benadering voor de planlocatie zal zijn gericht op: - Meer biodiversiteit; en - Klimaatbestendigheid.
Daarbij dient opgemerkt te worden dat er voor de ‘kwalitatieve toetsing’ binnen de gemeente EttenLeur nog geen groenscorekaart of ander beoordelingsbeleid is vastgesteld met een groenwaardering. Hierdoor betreft onderhavig groenplan maatwerk en dient het samen in overleg met de gemeente tot stand te komen. Beoogd bouwplan in relatie tot aanwezig openbaar groen Voor de realisatie van de patiowoningen georiënteerd aan de Herbergierstraat dient voor de toegankelijkheid van de woningen middels een voetpad een strook van 1 meter breed en een lengte van 40 meter aan bestaande laaggroeiende haag te worden verwijderd. Beoogde groenplan Als tegenprestatie voor bovenstaande ‘kwantitatieve’ verwijdering van openbaar groen wordt tot de volgende ‘haalbare’ maatregelen gekomen gelet op biodiversiteitsverbetering en klimaatbestendigheid. Gelet op de beperkte beschikbare ruimte is gekomen tot onderstaande ‘groene’ oplossing in het kader van een kwalitatieve benadering. Deze is verder uitgewerkt in de plattegrondtekening in de bijlage. Patiowoningen De platte daken van de vier westelijk gelegen patiowoningen worden voorzien van een sedum dak zoals opgenomen in bijlage 8. Aan de voorgevel en insteken van de patiowoningen zal een groenblijvende haag worden gerealiseerd, rekening houdend met de doorsteken van de voordeuren.
Tevens zullen er drie extra bomen worden geplant tussen de patiowoningen welke bijdraagt aan biodiversiteit en klimaatbestendigheid: - Sedum dak op de aanbouw van de patiowoningen welke in het stedelijke gebied van EttenLeur een 'stepping stone' vormt voor onder andere insecten tussen groenvoorzieningen. Sedumdaken nemen regenwater op en geven dit vertraagd weer af. Dit vermindert piekbelasting op het riool en voorkomt wateroverlast; - een laaggroeiende haag creëert micro klimaten voor vogels, insecten en kleine zoogdieren en fungeert het als ecologische corridor ter versterking van de biodiversiteit; - het plaatsen van bomen met een zo groot mogelijk kroonvolume draagt beter bij aan het voorkomen van hittestress door een grotere schaduwwerking en meer verdamping. De kroonvolume van de boom aan de linkerzijde is kleiner dan de overige twee gelet op de beperkte ruimte door naastgelegen bestaande patiowoning;
Pagina 32 van 73
-
door de drie bomen als een lijnvormige element in te steken en onderdeel te laten vormen van de aanwezige laanbeplanting zorgt dit voor een belangrijk biotoop voor aan zomen gebonden fauna in de omgeving.
Vrijstaande woning Door de parkeerplaatsen te situeren aan de oostzijde van de voorgestelde woning hoeft er géén openbaar groen te verdwijnen. Hiermee wordt er tevens geen afbreuk gedaan aan het straatbeeld. Daarnaast neemt met de sloop van de huidige schuur, garageboxen en bestaande erfverharding het totaal aan verhard oppervlak af wat ten goede komt aan de klimaatbestendigheid en biodiversiteit nu er meer ruimte is ontstaan om in de achtertuin en aan de westzijde extra groen aan te planten waar bijvoorbeeld overtollig hemelwater kan infiltreren. Ook is er aan de voorzijde ruimte voor een siertuin. Daarnaast kan zowel de noordelijke- als westelijke perceelsgrens met een (groenblijvende) knip- en scheerhaag worden ingericht waarmee een groene afscheiding met de buren wordt gecreëerd. Middels deze maatregelen is aangetoond dat er ruimte is voor voldoende ‘kwalitatief ’groen. Met name in vergelijking met de bestaande situatie waarbij het terrein voor circa 90% uit verhard oppervlak bestaat. 3.4.5 Omgevingsplan gemeente Etten-Leur In de huidige planologische situatie is het omgevingsplan gemeente Etten-Leur van toepassing op het projectgebied. Voornoemd omgevingsplan is op 1 januari 2024 gelijktijdig met de inwerkingtreding van de Omgevingswet in werking getreden, waarna op 29 januari 2024 de Bruidsschat technisch in beheer is genomen.
Dit betreft een zogenaamd omgevingsplan van rechtswege. Een dergelijk omgevingsplan van rechtswege bestaat uit (ruimtelijke) regels uit verschillende instrumenten, zoals bestemmingsplannen, en rijksregels over activiteiten (de bruidsschat). Gelet hierop maakt het voormalige bestemmingsplan “Schoenmakershoek” (vastgesteld 28 september 2015) onderdeel uit van het tijdelijke omgevingsplan. Het projectgebied kent op grond van voornoemd bestemmingsplan “Schoenmakershoek” de bestemming “Wonen – Vrijstaand”. Het bestemmingsvlak ter plaatse van de beoogde patiowoningen kent verder nog de ‘archeologische verwachtingswaarde 6’ (op 21 oktober 2024 is een wijziging van het omgevingsplan in werking getreden waarbij de bepaling uit het voormalig bestemmingsplan vervangen is door verwachtingswaarde uit het omgevingsplan) en de gebiedsaanduiding ‘wetgeving – wijzigingsgebied 5’. Het bestemmingsvlak ter plaatse van de beoogde vrijstaande woning kent een ‘archeologische verwachtingswaarde 1’ en de gebiedsaanduiding ‘wetgeving – wijzigingsgebied 4’. Ten slotte is aan de zuidzijde van het projectgebied, aansluitend op de Lange Brugstraat, een tuinbestemming toegekend. In het onderstaande is een afbeelding van de vigerende planologische situatie binnen het projectgebied opgenomen.
Pagina 33 van 73
Afbeelding 15 Uitsnede omgevingsplan ‘Schoenmakershoek’ (projectlocatie indicatief aangeduid met blauwe omlijning)
Het bestemmingsvlak “Wonen – Vrijstaand” laat een gebruik ten behoeve van vrijstaande woningen toe. Verder schrijft het bestemmingsplan (als onderdeel van het tijdelijk deel van het omgevingsplan) voor dat een woning uitsluitend binnen het bouwvlak dient te worden gebouwd. Nu het projectgebied, zowel aan de noordelijke zijde aan de Herbergierstraat als aan de zuidelijke zijde aan de Lange Brugstraat niet is voorzien van een bouwvlak, is de beoogde ontwikkeling in strijd met het huidige planologisch kader. Voor het woonperceel aan de Lange Brugstraat geldt een vrijstaande woonfunctie maar het perceel beschikt echter niet over een bouwvlak. De vrijstaande woning passend is binnen voorwaarden van binnenplanse wijzigingsbevoegdheid waardoor dit mogelijk gemaakt kan worden met een omgevingsplanactiviteit (OPA). Echter, de patiowoningen zijn niet passend binnen wijzigingsbevoegdheid aangezien hier alleen kan worden voorzien in vrijstaande woningen. Om de totale ontwikkeling mogelijk te maken dient derhalve met een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (verder: BOPA) van het omgevingsplan gemeente Etten-Leur afgeweken te worden. Met de onderhavige onderbouwing wordt aangetoond om welke reden met de beoogde ontwikkeling sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Pagina 34 van 73
4 PLANOLOGISCH RELEVANTE (MILIEU)ASPECTEN 4.1 Inleiding Aspecten ten aanzien van de fysieke leefomgeving worden steeds meer geïncorporeerd in andere beleidsvelden. Verbreding van milieubeleid naar andere beleidsterreinen is dan ook een belangrijk uitgangspunt. Ook in de ruimtelijke planvorming is structureel aandacht voor milieudoelstellingen nodig. De milieudoelstellingen worden daartoe integraal en vanaf een zo vroeg mogelijk stadium in het planvormingsproces meegewogen. Een duurzame ontwikkeling van de gemeente Etten-Leur is een belangrijk beleidsuitgangspunt dat zijn doorwerking heeft in meerdere beleidsterreinen. In dit hoofdstuk wordt aangetoond dat in milieutechnisch opzicht geen belemmeringen bestaan voor het projectvoornemen. Achtereenvolgens worden behandeld: • • • • • • • • • • • • • • • • •
Bodem (4.2) Cultureel erfgoed, landschap en stedenbouw (4.3); Archeologie (4.4); Natuur (4.5); flora en fauna (4.6); wegverkeerslawaai (4.7); bedrijven en milieuzonering (4.8); geurhinder en veehouderij (4.9); omgevingsveiligheid (4.10); luchtkwaliteit (4.11); volksgezondheid (4.12); kabels en leidingen (4.13); waterhuishouding (4.14); milieueffectrapportage en vormvrije m.e.r.-beoordeling (4.15); welstand (4.16); duurzaamheid (4.17); trillingen (4.18).
4.2 Bodem Toetsingskader Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan (art. 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde (zie art. 5.89i Bkl) is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (art. 5.89K Bkl, art. IIIa onder 2 Aanvullingsbesluit Bodem). Daarnaast zijn er specifieke regels over bodem opgenomen in het Aanvullingsbesluit Bodem en de activiteiten zijn opgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving: • Regels over nazorg van de bodem na saneren op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving, het omgevingsplan, een omgevingsvergunning of een maatwerksvoorschrift (artikel IIIa, paragraaf 2.3.6a.2); • Regels over graven in de bodem (paragraaf 3.2.21 en 3.2.22Bal); • Regels over activiteiten op een locatie met historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar risico (paragraaf 2.3.6a.4);
Pagina 35 van 73
• Maatwerkregels over het saneren van de bodem in het zinkassengebied De Kempen, (paragraaf 2.3.6a.5). Bij wijzigingen van activiteiten geldt dat de bodem geschikt moet zijn voor het beoogde gebruik. Dit kan betekenen dat een onderzoek moet worden verricht naar de bodem- en grondwaterkwaliteit. Beoordeling De beoogde ontwikkeling laat zich uitsplitsen in een tweetal delen, te weten de herontwikkeling van het perceel in gebruik als tuin (heeft woonbestemming) naar een vijftal geschakelde patiowoningen aan de Herbergierstraat en de herontwikkeling van een perceel waarbij een bestaand bijgebouw en vier garageboxen wordt vervangen door een vrijstaande woning aan de Lange Brugstraat. In de huidige planologische situatie rust binnen het totale projectgebied de bestemming “wonen – Vrijstaand”. Hierbinnen is het gebruik ten behoeve van ‘vrijstaand wonen’ toegestaan. Gelet hierop is in de huidige planologische situatie binnen het projectgebied reeds een gevoelige functie toegestaan, nu er zich binnen het projectgebied aan de in permanente mate (meer dan twee uur per dag) mensen kunnen begeven. Vanwege het permanente gebruik van de gronden behorende tot het projectgebied in de huidige planologische situatie, kan geconcludeerd worden dat de beoogde ontwikkeling geen andere bodemkwaliteit behelst dan in de huidige situatie.
Dit maakt dat geconcludeerd kan worden dat de bodemkwaliteit geschikt is voor het beoogde woongebruik. Aangezien in de huidige situatie geen bouwvlak van toepassing is mag er ook geen woning aanwezig zijn. Met de beoogde ontwikkeling worden woningen mogelijk gemaakt waardoor er een intensivering van het woongebruik van toepassing is mét de komst van gevoelige functies. Hierdoor dient alsnog inzichtelijk te worden gemaakt of de bodemkwaliteit geschikt is voor de woonfunctie. Hiertoe is een verkennend bodemonderzoek en tevens een asbestonderzoek uitgevoerd waaruit onderstaande conclusies zijn gegeven. Het verkennend bodemonderzoek is als bijlage bij onderhavige onderbouwing toegevoegd. ‘’Bodemonderzoek NEN5740: Analyseresultaten (meng-)monsters De gemeten gehalten van alle stoffen liggen onder de interventiewaarde bodemkwaliteit. Analyseresultaten grondwater In het grondwater ter plaatse van peilbuis 1 zijn geen gehaltes aan onderzochte stoffen uit het standaardpakket aangetoond boven de voorkeurswaarde. Conclusie De waarden van de onderzochte stoffen van de geanalyseerde mengmonsters en het grondwater voldoen aan de gestelde criteria uit Omgevingswet en Omgevingsverordening Noord-Brabant voor het beoogde gebruik. De aangetroffen sporen puin ter plaatse van meetpunten 16 en 17 vormen aanleiding voor het verrichten van asbestonderzoek conform NEN5707.
Asbestonderzoek NEN5707: Veldwaarnemingen asbestonderzoek De weersomstandigheden worden omschreven als droog met voldoende zicht. Het geïnspecteerde maaiveld is niet begroeid. De inspectiegraad wordt beoordeeld op 90%. Tijdens de inspectie is geen asbestverdacht (plaat-)materiaal aangetroffen op maaiveld. In de onderzochte bodem zijn eveneens geen asbestverdachte fragmenten aangetroffen.
Pagina 36 van 73
Analyseresultaten asbest In het samengestelde mengmonster is geen asbest aangetroffen. Het asbestgehalte wordt vastgesteld op minder dan 2 mg/kg d.s.. Conclusie Ter plaatse van de gedempte sloot is geen sprake van een asbestverontreiniging. De bodem voldoet aan de gestelde eisen in de omgevingswet voor het beoogde gebruik.’’ Naar aanleiding van het uitgevoerde bodemonderzoek zijn er enkele aanbevelingen ingebracht door de gemeente Etten-Leur welke eventueel als voorwaardelijke verplichting in de omgevingsvergunning opgenomen kunnen worden: - Het is aan te bevelen om de grond met fysieke verontreinigingen te ontgraven en te zeven. Het uitgezeefde materiaal kan worden afgevoerd; - Gezien de analyseresultaten van met name het dempingsmateriaal in de voormalige sloot, alsook de bovenste laag van boring 5 is het nodig om van de grond na zeven grondmonsters te analyseren op NEN-pakket (1x dempingsmateriaal, 1x boring 5; geen mengmonsters)., Mocht de initiatiefnemer overgaan tot uitgraven en zeven dan kunnen inderdaad monsters genomen worden. Tot slot geeft de gemeente aan dat de grondmonsters niet zijn geanalyseerd op PFAS-stoffen. Het verdient aanbeveling dat aanvullend nog te doen. In principe is een PFAS-stoffen onderzoek in dit gebied geen verplichting bij een verkennend bodemonderzoek.
Wordt er in een later stadium (waaronder de bouwactiviteit) grond afgevoerd dan moet deze gekeurd worden en is PFAS onderzoek verplicht. Dat kan te zijner tijd gedaan worden middels een AP04 partij keuring door de afvoerder van de grond. Conclusie Gelet hierop staat het aspect bodem de ruimtelijke uitvoerbaarheid van het project niet in de weg. 4.3 Cultureel erfgoed, landschap en stedenbouw In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening is gehouden met binnen of buiten de locatie van de activiteit aanwezig cultureel erfgoed en werelderfgoed. Daarnaast wordt besproken op welke wijze het project landschappelijk of stedenbouwkundig wordt ingepast. Gezien de aspecten landschap, stedenbouw en cultureel erfgoed vaak met elkaar verwezen zijn, kunnen deze het beste gezamenlijk besproken worden. Onderwerpen: • Landschappelijke waarden; • Ruimtelijke kwaliteit / omgevingskwaliteit; • Beeldkwaliteit / architectuur; • Archeologie. De Erfgoedwet en de Omgevingswet zorgen samen voor een integrale bescherming van het cultureel erfgoed in Nederland. Het Europees beleid is verankerd in de Nederlandse wetgeving. Het voornaamste doel hiervan is om het cultuurhistorische karakter van Nederland op gebiedsniveau te behouden en te versterken.
Onder cultureel erfgoed vallen: archeologie, cultuurhistorie, monumenten, karakteristieke panden, beschermde gezichten, monumentale bomen, landschap etc. De essentie van het Europees beleid is dat voorafgaand aan de uitvoering van ruimtelijke ontwikkelingen het behoud van archeologisch erfgoed in de bodem en de bescherming van cultureel erfgoed en landschap verplicht moet worden meegewogen in de besluitvorming. Als voor het aspect Pagina 37 van 73
archeologie behoud in de bodem niet mogelijk is, moet het bodemarchief met zorg worden ontsloten via archeologisch onderzoek. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn in artikel 5.130 beginselen geformuleerd voor de bescherming van cultureel erfgoed. Deze beginselen gaan over de omgang met gemeentelijke monumenten (beschermd via het omgevingsplan), archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast staan in afdeling 8.8 van het Bkl regels voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteiten en voor het verplaatsen van gebouwde monumenten. Het gemeentelijk beleid op het gebied van archeologie en cultuurhistorie is doorgaans vastgelegd op een archeologische beleidskaart en een cultuurhistorische waardenkaart. Deze waarden en verwachtingen zijn in veel gevallen doorvertaald naar archeologische en cultuurhistorische functieaanduidingen in het omgevingsplan / archeologische dubbelbestemmingen in het bestemmingsplan. Wat onder cultureel erfgoed wordt verstaan is opgenomen in bijlage A (begrippen) van de Omgevingswet.
Het gaat hierbij om monumenten, archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschappen en, voor zover dat voorwerp is of kan zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het omgevingsplan, ander cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet. De Erfgoedwet bevat de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Het is op basis hiervan verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. Voor de bescherming van het landschap geldt voor Nederland het Europees landschapsverdrag. Dit verdrag erkent dat landschappen een onderdeel zijn van de fysieke leefomgeving. In artikel 1.2 lid 1 sub g Omgevingswet worden ‘landschappen’ als onderdeel van de fysieke leefomgeving aangemerkt. Het landschapsbeleid kan door Rijk, provincie of gemeente in een omgevingsvisie zijn vastgelegd. Deels zijn landschapswaarden in instructieregels van het Bkl verankerd. Artikel 5.129 Bkl bevat bijvoorbeeld een instructieregel over het behoud van uitzicht op de vrije horizon van de zee. Een ander voorbeeld is de instructieregel over het cultureel erfgoed over onder andere bescherming van cultuurlandschappen.
4.3.1 Archeologie Zoals gezegd, is in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) artikel 5.130, lid 1 bepaald dat in een (tijdelijk) omgevingsplan rekening wordt gehouden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed met inbegrip van bekende en/of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. De gemeente kan in het belang van archeologische monumentenzorg regels stellen in het omgevingsplan over behoud van archeologische vindplaatsen in de bodem of archeologisch onderzoek. Om het archeologisch erfgoed te kunnen beschermen heeft de gemeente daarom een gemeentelijke archeologiekaart opgesteld. Beleid gemeente Etten-Leur In april 2024 heeft de gemeenteraad een actualisatie van het archeologiebeleid opgenomen in het wijzigingsbesluit omgevingsplan gemeente Etten-Leur 2024-WB02. Het wijzigingsbesluit stelt regels vast ter behoud van bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. Door middel van een onderzoeksrapport is aantoonbaar gemaakt welke verwachting er is voor het volledige Etten-Leurse grondgebied op het gebied van archeologie. De regeling van de gemeente Etten-Leur stelt de verwachtingswaarden vast voor het gemeentelijk grondgebied en stelt regels voor uit te voeren activiteiten in aanvulling op de ontgrondingsactiviteiten die de provincie heeft vastgelegd in zijn omgevingsverordening.
Het wijzigingsbesluit is in lijn met het beleid dat de gemeenteraad op 22 april 2024 heeft vastgesteld. Deze wijziging van het omgevingsplan is daar de vertaling van.
Pagina 38 van 73
Beoordeling In het geldende omgevingsplan is voor het projectgedeelte, voor de bouw van vijf patiowoningen, de archeologische verwachtingswaarde 6 toegekend. Hiertoe geldt geen verplichting tot een verkennend archeologisch onderzoek. Voor de archeologische verwachtingswaarde 1 geldt dat indien op deze gronden het daadwerkelijk te verstoren gebied groter is dan 100,00 m² en de bodemingreep dieper is dan 0,40 m, de aanvrager een rapport dient te overleggen waarin de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag zullen of kunnen worden verstoord, naar oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate zijn vastgesteld. Ter plaatse van de beoogde vrijstaande woning is sprake van archeologische verwachtingswaarde 1 en hoewel er sprake is van bestaande bebouwing, is niet duidelijk in hoeverre dit voor diepe verstoring heeft gezorgd. Daarom wordt de archeologische monumentenzorg opgestart met een archeologisch bureauonderzoek. Hieruit moet blijken in hoeverre er nog sprake is van een archeologische vindplaats en of vervolgonderzoek noodzakelijk is en in welke fase van de planvorming en vergunningverlening dit uitgevoerd moet worden. Voorafgaand aan het archeologisch onderzoek mogen geen graafwerkzaamheden op het perceel plaatsvinden en mag de bestaande schuur alleen bovengronds gesloopt worden.
Ondergrondse gebouwdelen mogen pas na afronding van het archeologisch onderzoek worden verwijderd of vinden plaats onder archeologische begeleiding als dat nodig blijkt te zijn op basis van het bureauonderzoek. Het archeologisch bureauonderzoek heeft vervolgens plaats gevonden en een rapportage daarvan, welke is beoordeeld door de RWB op 21-10-2025, is opgenomen als bijlage bij deze onderbouwing. De conclusie en het advies voortkomend uit het bureauonderzoek is als volgt: ‘’Conclusie Op basis van het bureauonderzoek is vastgesteld dat het plangebied een hoge verwachting heeft voor de periodes Laat-Paleolithicum – Midden IJzertijd en voor de Late Middeleeuwen B en de Nieuwe tijd. Deze verwachting is gebaseerd op de veronderstelde ligging van het plangebied op een terrasafzettingswelving afgedekt met dekzand nabij een beekdal, die gedurende het LaatPaleolithicum tot en met de Midden IJzertijd gunstige omstandigheden voor bewoning heeft gehad. Uit deze periodes kunnen nederzettingsterreinen worden aangetroffen (zowel jachtkampen als boerenerven) in de top van de pleistocene afzettingen. Er zijn geen aanwijzingen om te veronderstellen dat deze afzettingen verstoord zijn. Gedurende de Late IJzertijd is het plangebied overgroeid door een veenpakket, waardoor het gebied ongeschikt is geworden voor bewoning.
Dit veenmoeras heeft blijven bestaan tot in de Late Middeleeuwen A, waarna het veen is gewonnen voor turf. De turfwinning neemt een vlucht in de 13e eeuw, wanneer nabijgelegen dorpen en buurtschappen ontstaan (Leur en Attelaken). Vanuit het Leurse Vaartstelsel op 300 m ten westen van het plangebied ontstaat het historische lint van de Lange Brugstraat en de Attelakenseweg. Het plangebied ligt aan dit lint. Op het Kadastraal Minuutplan is zichtbaar dat in elk geval in de late 18e of vroege 19e eeuw reeds een gebouw aan de zuidzijde van het plangebied aanwezig is. Het is onduidelijk of dit gebouw gesloopt is om plaats te maken voor de bestaande bebouwing of dat de historische bebouwing is opgenomen in het grotere geheel van schuren. Advies Voor het plangebied is een hoge verwachting op de aanwezigheid van archeologische resten vastgesteld. De voorgenomen ingrepen in het plangebied, de bouw van een woning, zal naar verwachting zorgen voor de aantasting van het archeologisch relevante niveau. Met name aan de Pagina 39 van 73
zuidzijde van het terrein, waar verwacht wordt resten van historische bebouwing aan te treffen, is het risico op verstoring van historische funderingsresten groot. Daarom adviseren wij tot het uitvoeren van een archeologisch vervolgonderzoek in het plangebied. Het vervolgonderzoek kan het beste worden uitgevoerd in de vorm van een archeologische begeleiding van de sloop van de funderingen en het uitgraven van de nieuwe bouwkuip. Daarbij kunnen de funderingen van de bestaande bebouwing worden bestudeerd, om inzicht te krijgen in de datering van de fundering en de wijze van funderen. Bovenstaande vormt een advies. Op grond van de resultaten van het rapport en het advies zal de bevoegde overheid (de gemeente Etten-Leur) een besluit nemen over de daadwerkelijke omgang met eventueel aanwezige archeologische waarden binnen het plangebied.’’ Op basis van het uitgevoerde onderzoek is onderstaande advies voor selectiebesluit genomen: Het advies aan de gemeente Etten-Leur is om in te stemmen met het advies van Transect om binnen het plangebied een vervolgonderzoek uit te voeren. Dit onderzoek omvat een aantal stappen: • Het verdient sterk de aanbeveling om voorafgaand aan bovengrondse de sloop van de bestaande bebouwing een bouwhistorisch onderzoek aan de schuur uit te laten voeren. De bevindingen hiervan kunnen de bevindingen van het archeologisch onderzoek ondersteunen en aanvullen.
Bovendien is het niet logisch om de bestaande schuur eerst te slopen, en diezelfde schuur vervolgens archeologisch te onderzoeken. Dan blijft het plaatje incompleet. • Na de bovengrondse sloop van de schuur en de overige bebouwing wordt een archeologisch onderzoek uitgevoerd. Dit kan eventueel gecombineerd worden met het uitgraven van de bouwput van de geplande nieuwbouw. De schuur zelf vormt, als mogelijk relict uit het begin van de 19e eeuw, expliciet onderdeel van dit onderzoek. De ondergrondse gebouwdelen dienen dus integraal archeologisch gedocumenteerd te worden. Tevens worden eventuele eerdere bouwfases/verbouwingen/in onbruik geraakte gebouwdelen gedocumenteerd. Als laatste wordt een vlak aangelegd in de top van de natuurlijke ondergrond, om na te gaan of archeologische resten uit vroegere periodes aanwezig zijn. • Op basis van de bevindingen wordt bepaald of het onderzoek moet worden uitgebreid naar de rest van het plangebied. Vanwege de verwachte geringe diepte waarop de archeologische resten zich bevinden (vanaf direct onder maaiveld) en om versnippering van het bodemarchief tegen te gaan, is het niet per definitie voldoende om alleen de bouwput zelf te onderzoeken. Hierover dient tijdens het veldwerk een besluit te worden genomen, gebaseerd op de bevindingen ter plaatse van de bestaande schuur.
Pagina 40 van 73
Omdat het vervolgonderzoek zoals hierboven omschreven de laatste stap in de Archeologische Monumentenzorg (zijnde een opgraving) omvat, kan dit als voorwaarde in de omgevingsvergunning worden opgenomen. Conclusie Het aspect ‘archeologie’ vormt geen belemmering voor de planologische gebruikswijziging. 4.4 Natuur Toetsingskader Natuur/stikstofdepositie is geregeld in artikel 22.20 van de Omgevingswet. De regels van artikel 5.5a van de Wet natuurbescherming (Wnb) blijven gelden tot een bij koninklijk besluit te bepalen datum. Hier vindt, vooralsnog, dus geen verandering plaats ten opzichte van oorspronkelijke wet- en regelgeving. Na de -nog te bepalen- datum dient stikstof te worden gemonitord als omgevingswaarde. Derhalve wordt in het onderstaande getoetst aan de voormalige Wnb. Relevante emissies Natura 2000-gebieden kunnen schade ondervinden wegens diverse aspecten, zoals verdroging, oppervlakteverlies, verontreiniging, versnippering, optische verstoring, verzuring en vermesting. Gelet op de aard van onderhavig initiatief is er geen sprake van relevante emissies of verstorende activiteiten. Bovendien is de afstand tot de beschermde gebieden dermate groot dat relevante deposities of overige effecten op de beschermde natuurgebieden zijn uitgesloten. De afstand van het projectgebied tot omliggende Natura 2000-gebieden is weergeven op onderstaande afbeelding.
Pagina 41 van 73
Afbeelding 16 Ligging projectlocatie ten opzichte van het Natura 2000-gebied ‘Ulvenhoutse Bos’ (projectlocatie is indicatief aangeduid met zwarte cirkel)
Het projectgebied is op circa 10,2 kilometer afstand gelegen van het dichtstbijzijnde gelegen Natura 2000-gebied ‘Ulvenhoutse Bos’. Gezien de ruime afstand van het projectgebied ten opzichte van het dichtstbijzijnde gelegen Natura 2000-gebied is enkel de verstoring door mogelijke stikstofdepositie ten aanzien van het projectvoornemen relevant. Andere negatieve aspecten, zoals verstoring en versnippering en dergelijke, zijn hierdoor op voorhand uit te sluiten. Een AERIUS-berekening is uitgevoerd om te bepalen of de bouw-/aanlegfase een noemenswaardige stikstofdepositie op omringende Natura 2000-gebieden tot gevolg heeft. Naar aanleiding van de uitspraak van de Raad van State van 18 december 2024 is ervoor gekozen om hierbij geen referentiesituatie te hanteren. Een al dan niet noodzakelijk omgevingsvergunning ‘Natura 2000-activiteit’ wordt indien nodig separaat aangevraagd en is niet onlosmakelijk verbonden met onderhavige aanvraag. Aanleg-/bouwfase Bij de berekening van de stikstofdepositie in de aanleg-/bouwfase is zowel ten aanzien van het aantal verkeersbewegingen als ten aanzien van de inzet van mobiele bronnen uitgegaan van een absoluut worst-case scenario. Dit om met absolute zekerheid te kunnen duiden dat de beoogde aanlegfase met Pagina 42 van 73
zekerheid geen noemenswaardige stikstofdepositie op omringende Natura 2000-gebieden tot gevolg heeft. In werkelijkheid zal zowel het aantal verkeersbewegingen als de inzet van mobiele bronnen beduidend minder bedragen. Voor de aanlegfase (bouwfase) worden de verkeersbewegingen onderverdeeld in licht, middelzwaar verkeer (zoals personenauto’s, bestelbussen en vrachtwagens met 4 wielen) en zwaar verkeer (zoals vrachtwagens en trekkers). Voor wat betreft deze verkeersbewegingen is uitgegaan van 224 lichte verkeersbewegingen per jaar, 224 middelzware verkeersbewegingen per jaar en 56 zware verkeersbewegingen per jaar. De verkeersaantrekkende bewegingen is vanuit twee richtingen beredeneerd waarbij de lijnbron zodanig is aangehouden totdat het verkeer opgaat in het heersend verkeersbeeld aan de Lange Brugstraat. Ten aanzien van de mobiele bronnen is uitgegaan van de inzet van onderstaande werktuigen.
Afbeelding 17 Ingevoerde parameters mobiele bronnen
De uitgevoerde AERIUS-berekening laat zien dat ook in het geval van bovenstaand ‘worst-case’ scenario de aanlegfase geen noemenswaardige stikstofdepositie (niet meer dan 0,00 mol/ha/jaar) op omringende Natura 2000-gebieden tot gevolg heeft. Deze AERIUS-berekening is als bijlage aan de onderhavige onderbouwing opgenomen. Gebruiksfase Ten aanzien van de gebruiksfase dient opgemerkt te worden dat de beoogde projectwijziging gepaard gaat met de toevoeging van zes wooneenheden. In zijn totaliteit bevinden zich binnen het projectgebied een vijftal patiowoningen en één vrijstaande woning. Deze woningen zullen in de beoogde situatie gepaard gaan met circa 46 verkeersbewegingen per etmaal. Wanneer dit geringe aantal verkeersbewegingen in de gebruiksfase wordt afgezet tegen de berekening van de stikstofdepositie als gevolg van de aanlegfase, waarbij is uitgegaan van een absoluut ‘worst-case’ scenario, kan met zekerheid geconcludeerd worden dat ook de gebruiksfase geen noemenswaardige stikstofdepositie (niet meer dan 0,00 mol/ha/jaar) op omringende Natura 2000-gebieden tot gevolg heeft. Volledigheidshalve en wellicht ten overvloede is een en ander doorgerekend middels een AERIUS-berekening. Aangezien de woningen gasloos worden uitgevoerd is enkel de vrijkomende Pagina 43 van 73
emissies door verkeersaantrekkende bewegingen opgenomen in de berekening. De uitgevoerde AERIUS-berekening laat zien dat ook de gebruiksfase geen noemenswaardige stikstofdepositie (niet meer dan 0,00 mol/ha/jaar) op omringende Natura 2000-gebieden tot gevolg heeft. Deze AERIUSberekening is als bijlage aan de onderhavige onderbouwing opgenomen. Conclusie Gelet op de aard van onderhavig initiatief is er geen sprake van een relevante toename van emissies of verstorende activiteiten. Bovendien is de afstand tot de beschermde gebieden dermate groot dat relevante deposities of overige effecten op de beschermde natuurgebieden zijn uitgesloten. Onderhavige ontwikkeling heeft met zekerheid geen mogelijk effect tot gevolg op de Natura 2000gebieden en derhalve zijn er geen belemmeringen voor onderhavige project. 4.6 Flora en fauna Toetsingskader De Wet natuurbescherming (Wnb) is opgegaan in de Omgevingswet: de Aanvullingswet natuur, het Aanvullingsbesluit natuur en de Aanvullingsregeling natuur. Er is sprake van een beleidsneutrale overgang. Het huidige normenkader, de instrumenten en de bevoegdheidsverdeling voor het natuurbeschermingsrecht blijft ongewijzigd. Artikel 4.38 van de Omgevingswet bevat de Rijksregels voor wat betreft flora- en fauna-activiteiten: 1. De in artikel 4.3 bedoelde regels over flora- en fauna-activiteiten worden gesteld met het oog op de natuurbescherming. 2.
De regels strekken er in ieder geval toe dat mogelijke nadelige gevolgen voor de staat van instandhouding van van nature in het wild voorkomende dier- of plantensoorten worden voorkomen. Op grond van het voorgestelde gewijzigde artikel 4.3, derde lid, onder d, in samenhang met het voorgestelde artikel 4.38, kunnen algemene rijksregels worden gesteld over flora- en faunaactiviteiten. In beginsel is voorzien in een vergunningplicht (voorgesteld gewijzigd artikel 5.1, tweede lid, van de Omgevingswet), maar het kan nodig zijn om in aanvulling daarop algemene regels te stellen ter bescherming van diersoorten of plantensoorten die als gevolg van onttrekking aan de natuur of exploitatie in hun staat van instandhouding worden bedreigd. Dit geschiedt ter uitvoering van artikel 14 van de Habitatrichtlijn. Verwezen wordt naar de paragrafen 4.2.1, onderdeel b, onder 2, en 4.2.3, onderdeel a, onder 2, van deze memorie van toelichting. Op grond van artikel 4.4, in samenhang met het voorgestelde artikel 4.38, van de Omgevingswet kan een meldingsplicht worden ingevoerd voor activiteiten die nadelige gevolgen hebben of kunnen hebben voor dieren of planten van soorten die worden beschermd op basis van nationaal beleid. Beoordeling In Nederland komen ongeveer 30.000 soorten dieren en planten voor.
De Wet Natuurbescherming regelt de bescherming van circa 500 in het wild voorkomende soorten inheemse planten en dieren. In de Wet Natuurbescherming is onder meer bepaald dat beschermde diersoorten niet gedood, gevangen of verontrust mogen worden en plantensoorten niet geplukt, uitgestoken of verzameld mogen worden. Bovendien dient iedereen voldoende zorg in acht te nemen voor in het wild levende dieren en planten. Daarnaast is het niet toegestaan om hun directe leefomgeving, waaronder nesten en holen, te beschadigen, te vernielen of te verstoren. Bij het beoordelen van de in het projectgebied voorkomende beschermde soorten gaat het primair om soorten die door de ingreep direct beïnvloed worden, doordat: Zij fysiek aangetast worden (doden/verwonden van dieren, verwijderen van planten); Zij verstoord worden (toename van geluid of licht); Hun vaste verblijfplaatsen c.q. groeiplaatsen aangetast of verstoord worden.
Pagina 44 van 73
Afhankelijk van de voorgestane activiteiten op het projectgebied en de aangetroffen soorten geldt een vrijstelling of dient een ontheffing te worden aangevraagd. Hierbij geldt dat de regeling strikter is bij een zeldzame soort en ingrijpende activiteit. Vogels zijn in Nederland op gelijke wijze beschermd, waarbij geldt dat vooral in het broedseizoen (15 maart – 15 juli) sprake kan zijn van verontrusten, doden of verstoren van nestplaatsen. De soorten beschermende werking is dus rechtstreeks opgenomen in de Wet natuurbescherming. Gelet op de aard van het projectinitiatief, dient met name bepaald te worden of ter plaatse van het projectgebied beschermde natuurwaarden (rode lijst soorten) bevinden, die verstoord zouden kunnen worden door de sloop van de agrarische bedrijfsbebouwing. Verboden handelingen dienen desondanks zoveel mogelijk te worden voorkomen en handelingen mogen niet leiden tot aantasting van de gunstige staat van instandhouding. Het (onopzettelijk) doden, verwonden of verontrusten van deze soorten dient zo veel mogelijk voorkomen te worden. Beoordeling Het projectgebied is gelegen binnen bestaand stedelijk gebied en wordt aan alle zijden omgeven door stedelijke functies, bebouwing en intensief gebruikte gronden.
Ook dient opgemerkt te worden dat het projectgebied zich nabij een betrekkelijk druk dorpscentrum van de voormalige kern ‘Leur’ bevindt en aan een tweetal doorgaande wegen is gelegen, te weten de Lange Brugstraat en de Herbergierstraat. Daarnaast is het relevant te vermelden dat het projectgebied momenteel bestaat uit een intensief gebruikte achtertuin. De tuin bestaat dan ook in hoofdzaak kort gemaaid gras en andere groenstructuren wat intensief en dagelijks gebruikt wordt als achtertuin. De groenstructuren bestaan uit intensief onderhouden kleinschalige heesters. Van vermeldenswaardige beplanting, groen of anderszins is in de huidige situatie geen sprake. Hierdoor is het voorkomen van habitat of verblijfsgebieden onwaarschijnlijk. Wel dient hierbij in ogenschouw genomen te worden dat met het projectvoornemen de bestaande schuur aan de oostzijde van het projectgebied wordt gesloopt. Het voorkomen van beschermde soorten aldaar is, vanwege de aard van de bebouwing alsmede het gebruik, een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet uitgesloten. Hierdoor is het niet verzekerd dat er geen habitat of verblijfsgebieden verloren gaan als gevolg van de beoogde ontwikkeling. Hiertoe is een quickscan flora en fauna uitgevoerd en is een rapportage opgenomen in de bijlagen bij onderhavige onderbouwing.
Hierin is het volgende advies opgenomen: ‘’Vrijgestelde soorten kunnen mogelijkerwijs worden aangetroffen. Hiervoor hoeft in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen geen ontheffing meer te worden aangevraagd. Het voorkomen van deze soorten wordt door de geplande ontwikkelingen niet in gevaar gebracht. Het is echter wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor de aanwezige individuen en al het redelijkerwijs mogelijke dient gedaan te worden om het doden van individuen te voorkomen. Hierbij valt te denken aan het uitvoeren van de meest verstorende werkzaamheden in de maanden september en oktober. Van gebouw bewonende soorten zoals huismussen, gierzwaluwen, uilen of vleermuizen zijn geen nestof verblijfslocaties in de te slopen of te renoveren structuren aangetroffen. Er worden geen vaste nestof verblijfslocaties aangetast. Nader onderzoek hiernaar is niet nodig. Ter voorkoming van het verstoren van broedende vogels wordt aangeraden eventuele kapwerkzaamheden tussen half juli en half maart (buiten het broedseizoen) te verrichten. Het verstoren van broedende vogels is verboden. Voor het verstoren van broedende vogels wordt geen ontheffing verleend. In het broedseizoen kan ook gekapt worden, alleen dient het dan onder begeleiding van een ter zake kundige te worden uitgevoerd.
Initiatiefnemer dient rekening te houden dat de ontwikkelingen geen fysieke verstoring van nestlocaties van broedende vogels (zoals vernietiging, verplaatsing of bewuste verjaging) tot gevolg heeft.’’ Pagina 45 van 73
Daarnaast geldt onverminderd de zorgplicht voor de flora en fauna-activiteiten.
Pagina 46 van 73
Zorgplicht Voor alle soorten geldt een zorgplicht. Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer passende maatregelen nemen om schade aan deze soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om het niet verontrusten of verstoren in de kwetsbare perioden zoals de winterslaap, de voortplantingstijd en de periode van afhankelijkheid van de jongen. De kwetsbare perioden zijn niet voor alle verschillende soortgroepen gelijk. Als “veilige” periode voor alle groepen geldt in het algemeen de periode van half oktober tot eind november, de periode waarin de voortplantingstijd achter de rug is en dieren als de egel en amfibieën nog niet in winterslaap zijn. Bovendien zijn de houtduiven uit het laatste legsel dan ook uitgevlogen. Indien vooraf bekend is dat werkzaamheden moeten worden uitgevoerd binnen de kwetsbare perioden van de betreffende soorten, is het zaak ervoor te zorgen dat het gebied tegen die tijd ongeschikt is als leefgebied voor die soorten. Zo kunnen bijvoorbeeld struiken gedurende het groeiseizoen kort gesnoeid worden, zodat er geen vogels gaan broeden. Indien tijdens de uitvoering van de werkzaamheden beschermde soorten worden waargenomen dienen maatregelen te worden genomen om schade aan deze individuen zo veel mogelijk te beperken (bijvoorbeeld wegvangen en verplaatsen).
Conclusie Het aspect flora en fauna staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg. 4.7 Wegverkeerslawaai Toetsingskader De aanvaardbaarheid van de geluidsbelasting onder de Omgevingswet is vooral een decentrale afweging. Gemeenten geven met het omgevingsplan voor elke locatie in de gemeente de gewenste geluidskwaliteit vorm. Geluid kan van grote invloed zijn op het woon- en leefklimaat van mensen en op hun gezondheid. Het Bkl (gelet op artikel 5.1.4.2a.4) bevat geluidsregels die via het omgevingsplan zullen gelden voor geluidgevoelige gebouwen in geluidaandachtsgebieden. Voor de andere belangrijke geluidsbronnen zoals industrieterreinen, wegen en spoorwegen worden via de Aanvullingswet geluid en het Aanvullingsbesluit geluid regels toegevoegd aan de Omgevingswet en het Bkl. De regels voor geluid hebben een tweezijdige werking om de bescherming tegen geluidsbelasting vorm te geven. Enerzijds bij de aanleg of aanpassing van spoorwegen of industrieterreinen en anderzijds bij het mogelijk maken van nieuwe geluidsgevoelige gebouwen en locaties nabij een geluidsbron.
De geluidinhoudelijke doelstellingen zijn: • het voorkomen van een onbeheerste groei van de geluidsbelasting op en in geluidsgevoelige gebouwen en locaties; • het reduceren van geluidbelastingen op en in geluidsgevoelige gebouwen en locaties die blootstaan aan zeer hoge geluidsbelastingen; • het bevorderen van bronmaatregelen; • het scheppen van een beter toegankelijk en minder complex geheel van regels: • het beperken van de lasten bij de uitvoering van de regels. Beoordeling In paragraaf 4.8 vindt een nadere toetsing plaats aan geluid afkomstig vanuit industrieterreinen en andere bedrijvigheid. Verder bevindt het projectgebied zich op dermate ruime afstand van een spoorweg dat van enige geluidhinder afkomstig vanuit spoorwegen geen sprake is. Dit maakt dat in deze paragraaf enkel inzicht wordt gegeven in het aspect wegverkeerslawaai. De te realiseren wooneenheden zijn zowel gelegen aan de Lange Brugstraat als de Herbergierstraat waar een maximaal snelheidsregime van 30 km/u geldt, de betreffende waarden van de voormalige Wet geluidhinder hoeven derhalve niet in acht te worden genomen. Aangezien de voormalige Wet Pagina 47 van 73
geluidhinder niet van toepassing is voor 30 km/u wegen, omdat hier geen zones gelden, zou een nadere beoordeling van de akoestische situatie niet noodzakelijk zijn onder de voormalige Wet geluidhinder. Dit omdat dergelijke 30 km/u wegen geen geluidsbelastingen tot gevolg hebben boven de voorkeusgrenswaarde. Gelet hierop kan worden aangenomen dat ter plaatse van het projectgebied sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ten aanzien van het aspect wegverkeerslawaai. Echter, met de inwerkingtreding van de Omgevingswet is de Wet geluidhinder komen te vervallen en hebben 30 km/u wegen geen specifieke status meer. Ook in het geval sprake is van 30 km/u wegen is een geluidaandachtsgebied van 100 meter van toepassing. Het projectgebied bevindt zich binnen voornoemd geluidsaandachtsgebied. Dit betekent dat de geluidsbelasting langs deze beoordeeld moet worden volgens de algemene regels. Derhalve is in het onderstaande een afbeelding weergegeven waarop de geluidsbelasting binnen het projectgebied afkomstig vanuit wegverkeer is weergegeven. Deze afbeelding laat zien dat de geluidsbelasting binnen het projectgebied (de gevel van het hoofdgebouw aan de zijde van de Lange Brugstraat) circa 51 dB bedraagt. De geluidsbelasting aan de toekomstige voorgevel van de patiowoningen bedraagt circa 43 dB.
Op beide gevels wordt de standaardwaarde van 53 dB uit het Bkl niet wordt overschreden. Ook op basis hiervan kan geconcludeerd worden dat binnen het projectgebied sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ten aanzien van geluid afkomstig vanuit wegverkeer.
Afbeelding 18 Geluidsbelasting wegverkeer (voorgevel vrijstaande woning is indicatief aangeduid met blauwe marker)
Pagina 48 van 73
Afbeelding 19 Geluidsbelasting wegverkeer (voorgevel patiowoningen is indicatief aangeduid met blauwe marker)
Conclusie Het aspect wegverkeerslawaai vormt geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling. 4.8 Bedrijven en milieuzonering Toetsingskader Door het aanbrengen van een zone tussen bedrijvigheid en milieugevoelige bestemmingen (zoals woningbouw) kan de overlast ten gevolge van bedrijfsactiviteiten zo laag mogelijk gehouden worden. Zonering is met name van toepassing bij nieuwbouw van woningen en andere gevoelige functies in de directe omgeving van een bedrijf en bij vestiging van een nieuw bedrijf in de directe omgeving van gevoelige bestemmingen. Op basis van de VNG-handreiking 'Bedrijven en Milieuzonering 2009' (hierna: VNG-handreiking) wordt onder milieugevoelige functies verstaan: woningen, woongebieden, ziekenhuizen, scholen en verblijfsrecreatie. Sommige functies kunnen zowel milieubelastend als milieugevoelig zijn (bijvoorbeeld ziekenhuizen en scholen). De richtafstanden gelden tussen de grens van de bestemming en de uiterste grens van de gevel van een woning die volgens het omgevingssplan of via vergunning vrij bouwen mogelijk is. De richtafstanden zijn afgestemd op twee omgevingstypen: ‘rustige woonwijk/rustig buitengebied’ en ‘gemengd gebied’. Beoordeling Beoordeling omgevingstype Het projectgebied bevindt zich binnen de bebouwde kom en het stedelijk gebied van de kern EttenLeur en is gelegen nabij het centrumgebied.
De omgeving van het projectgebied laat zich verder omschrijven als een gemengde omgeving. In de directe omgeving komt namelijk een veelvoud aan functies voor. Ter plaatse van diverse panden in westelijke richting aan de Lange Brugstraat is een gemengde bestemming van toepassing waarbinnen een variëteit aan functies is toegestaan, waaronder woningen, detailhandel, bedrijvigheid, dienstverlening en kantoren. Ook is ten noordwesten van het projectgebied een maatschappelijke functie gelegen. Verder zijn in overwegend noordelijke en noordoostelijke richting gronden gelegen waar een woonfunctie van toepassing is. Ook zijn ten zuidoosten van het projectgebied diverse gronden gelegen met een woonbestemming met daarachter op enige afstand een bedrijventerrein met bedrijfsfuncties en gemengde functies. Ook dient opgemerkt te worden dat het projectgebied nabij diverse betrekkelijk drukke ontsluitingswegen is gelegen, waaronder de Lange Brugstraat, de Geerkade en het Van Bergenplein. Gelet op het Pagina 49 van 73
vorenstaande laat de ligging van het projectgebied zich typeren als gemengd gebied. Dit betekent dat de richtafstanden met één afstandsmaat verlaagd mogen worden. Gevoelig object De beoogde ontwikkeling betreft het toevoegen van zes wooneenheden op een inbreidingslocatie binnen de bebouwde kom van Etten-Leur. Gelet hierop bevinden zich binnen het projectgebied in de beoogde situatie een zestal milieugevoelige functies en geen milieubelastende functies. Hierdoor dient inzichtelijk gemaakt te worden of binnen het projectgebied sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en of de beoogde ontwikkeling een beperking tot gevolg heeft voor de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijvigheid. Omliggende bedrijvigheid Bedrijvigheid in de directe omgeving van het projectgebied betreft onder meer: Adres
Type bedrijvigheid
Milieucategorie
Lange Brugstraat 63
Museum en andere 2 maatschappelijke voorzieningen
Grootste Feitelijke richtafstand afstand (minus één ‘afstandsstap’) 10 meter 46 meter
In het onderstaande is een uitsnede opgenomen van de huidige planologische situatie waarop de omliggende bedrijvigheid is weergegeven.
Pagina 50 van 73
46 m Ten hoogste milieucategorie 2 (gemengd- historisch lint)
Binnen een straal van 160 meter enkel woonfuncties aanwezig
Afbeelding 20 Ligging projectlocatie ten opzicht van bedrijvigheid in de directe omgeving (projectlocatie is indicatief voorzien van een blauwe omlijning)
Beoordeling woon- en leefklimaat/beperking omliggende bedrijvigheid Wanneer bovenstaande bedrijvigheid met bijbehorende richtafstanden wordt afgezet tegen de daadwerkelijke afstanden wordt tot de conclusie gekomen dat ten aanzien van de omliggende bedrijvigheid wordt voldaan aan de geldende richtafstand. Hierdoor kan worden geconcludeerd dat binnen het projectgebied sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en dat de beoogde ontwikkeling geen beperking van de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijvigheid tot gevolg heeft. Volledigheidshalve kan worden aangemerkt dat er reeds woonbestemmingen mét bebouwing tussen het projectgebied en voornoemde bedrijvigheid zijn gelegen waar de omliggende bedrijvigheid reeds door wordt belemmerd. Conclusie Het aspect bedrijven en milieuzonering staat niet in de weg aan het projectvoornemen. 4.9 Geurhinder en veehouderijen Geur kan hinder veroorzaken in de leefomgeving. Wanneer deze hinder inderdaad ondervonden wordt, kan dit zelfs invloed hebben op de gezondheid. Het is derhalve zaak geurhinder zoveel mogelijk te beperken, door regels te stellen aan de uitstoot van geuremissies en afstanden ten opzichte van geurgevoelige objecten. Woningen zijn aan te merken als geurgevoelige objecten. Gezien het
Pagina 51 van 73
vigerende beleid is het belangrijk onderscheid te maken tussen geurhinder uit de agrarische sector en industriële geurhinder (geurhinder van bedrijven die niet behoren tot de agrarische sector). Van industriële geurhinder is geen sprake. In de directe omgeving van het projectgebied zijn geen nietagrarische bedrijven gelegen die geurhinder tot gevolg hebben. Toetsingskader Na inwerkingtreding van de Omgevingswet dienen de activiteiten allereerst te voldoen aan de regels die in het tijdelijk omgevingsplan staan. Indien er nog geen aanpassing heeft plaatsgevonden van het tijdelijk omgevingsplan en sprake is van een activiteit/inrichting die/dat voorheen onder het Activiteitenbesluit milieubeheer viel, dan gelden de regels uit de Bruidsschat. De Bruidsschat bevat regels over: • Geur door het houden van landbouwhuisdieren en paarden en pony’s voor het berijden in een dierenverblijf (par. 22.3.6.2 BS); • Geur door het houden van fokteven van nertsen (par. 22.3.6.3 BS); • Geur door andere agrarische activiteiten, zoals o.a. het opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie en het composteren of opslaan van groenafval (par. 22.3.6.4 BS); • Geur door het exploiteren van zuiveringstechnische werken (par. 22.3.6.5 BS). Voor een aantal milieubelastende activiteiten geldt een vergunningplicht op basis van hoofdstuk 3 van het (Bal).
In afdeling 8.5 ‘Omgevingsvergunning milieubelastende activiteit’ van het (Bkl) staan beoordelingsregels. Het bevoegd gezag gebruikt deze beoordelingsregels bij het beoordelen van de vergunningaanvraag. In het Bkl staan algemene beoordelingsregels en specifieke beoordelingsregels voor geur. De vergunningverlener moet bij het beoordelen van het aanvaardbaar geurhinderniveau rekening houden met het omgevingsplan. Zo staat in het omgevingsplan wat de geurgevoelige gebouwen en locaties zijn. Ook kunnen in het omgevingsplan andere regels voor geur staan (of een omgevingswaarde voor geur). In het omgevingsplan staan bijvoorbeeld geurregels voor veehouderijen. De vergunningverlener moet dan rekening houden met deze regels. Voor de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) geldt overgangsrecht voor het instrument ‘verordening’. Een regel over geurbelasting door veehouderij op een geurgevoelig object in een gemeentelijke verordening (artikel 6, Wgv) wordt bij inwerkingtreding van de Omgevingswet onderdeel van het tijdelijk deel van het omgevingsplan. Dit volgt uit artikel 4.6, lid 1, van de Invoeringswet Omgevingswet. Als het gaat om geurhinder vanwege dierverblijven van veehouderijen vormt het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) het toetsingskader voor vergunningverlening.
In het Bkl staat met instructieregels voor gemeenten beschreven hoe ze de geurregels in het Omgevingsplan moeten opnemen. Deze instructieregels staan in paragraaf 5.1.4.6.3 'Geur door het houden van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf'. De instructieregels in paragraaf 5.1.4.6.3 gelden alleen voor geur door het houden van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf in een geurgevoelig gebouw. Ze gelden niet voor andere activiteiten bij veehouderijen. Er zijn ook instructieregels voor geur door bijvoorbeeld opslagen bij veehouderijen. Deze instructieregels staan in paragraaf 5.1.4.6.4 'Geur door andere agrarische activiteiten'. De instructieregels voor geur door het houden van landbouwhuisdieren gaan over: • geurnormen in het omgevingsplan • rekenen • afstandseisen Pagina 52 van 73
• randvoorwaarden • overschrijdingssituaties • cumulatie en aanvaardbaarheid van geur Daarnaast is ook de bruidsschat en toekomstig geurbeleid van belang. 4.9.1 Geurgevoelige objecten De beoogde ontwikkeling voorziet in de toevoeging van zes wooneenheden. Gelet hierop gaat de beoogde ontwikkeling gepaard met de toevoeging van zes geurgevoelige objecten. Daarom dient inzichtelijk gemaakt te worden in hoeverre deze beoogde woningen een beperking van de ontwikkelingsmogelijkheden voor omliggende veehouderijen tot gevolg heeft en in hoeverre sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. 4.9.2 Cumulatieve geurhinder (achtergrondbelasting) Middels de geurkaart van de Omgevingsdienst Zuidoost Brabant kan de achtergrondbelasting van het projectgebied worden achterhaald. Op basis van de geurkaart, zie onderstaand, is sprake van een ‘zeer goed’ woon- en leefklimaat met een geurbelasting van circa 0-1,5 ouE/m3 ter plaatse van het projectgebied. Hierdoor kan geconcludeerd worden dat binnen het projectgebied sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
Afbeelding 21 Kaart achtergrondbelasting projectlocatie (bron: ODZOB, peildatum juni 2023) (projectlocatie is indicatief voorzien van een rode omlijning)
4.9.3 Voorgrondbelasting (individuele geurhinder) Er bevinden zich in de directe nabijheid van het projectgebied geen veehouderijen waar dieren met een geuremissiefactor worden gehouden. De dichtstbijzijnde veehouderij met een geuremissiefactor is gelegen op circa 920 meter (Donkerstraat 29). Dit maakt dat een toetsing aan de voorgrondbelasting voor onderhavig projectvoornemen niet aan de orde is. Vanwege voornoemde aanmerkelijke afstand van veehouderijen met dieren met een geuremissiefactor tot het projectgebied wordt niet toegekomen aan een toetsing aan de voorgrondbelasting.
Pagina 53 van 73
4.9.4 Ontwikkelingsmogelijkheden omliggende veehouderijbedrijven De meest dichtstbijzijnde veehouderij betreft de melkveehouderij aan de Donkerstraat 29 te EttenLeur op circa 920 meter in overwegend noordoostelijke richting. Dit betreft een veehouderij waar zowel dieren met geuremissiefactor worden gehouden. Ten aanzien van de dieren zonder geuremissiefactor is enkel een vaste afstandsmaat van 100 meter van toepassing. Hier wordt ruimschoots aan voldaan. Betreffende de dieren met geuremissiefactor dient opgemerkt te worden dat hiervoor geen vaste afstandsmaat van toepassing is. Vanwege de aanmerkelijke afstand van het projectgebied ten opzichte van voornoemde veehouderij heeft de beoogde ontwikkeling geen beperking van de ontwikkelingsmogelijkheden tot gevolg. Immers, er zijn reeds een groot aantal geurgevoelige objecten op kortere afstand van deze veehouderij gesitueerd. Deze geurgevoelige objecten zijn reeds maatgevend voor de ontwikkelingsmogelijkheden van voornoemde veehouderij, waardoor met zekerheid geconcludeerd kan worden dat de beoogde ontwikkeling geen beperking van de ontwikkelingsmogelijkheden tot gevolg heeft. Conclusie Er is geen sprake van belemmeringen voor veehouderijen in de omgeving van het projectgebied. Tevens is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ten aanzien van het aspect ‘geur’.