BOPA Lange Brugstraat_Herbergierstraat te Etten-Leur dd 7-1-2026
Tekst van het document
4.10 Omgevingsveiligheid Toetsingskader Omgevingsveiligheid beschrijft de risico’s die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Omgevingsveiligheid of externe veiligheid bestaat uit twee onderdelen: het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Plaatsgebonden risico Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een Omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (art. 5.11 Bkl).
Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl). Groepsrisico Bij groepsrisico is sprake van ‘aandachtsgebieden’. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (art. 5.12 Bkl). Het opnemen van aandachtsgebieden in een omgevingsplan is niet verplicht. Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen (RIVM a, z.d.). Aandachtsgebieden zijn er voor brand, explosie en gifwolk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl). Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico’s (REV).
Pagina 54 van 73
Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied. Een gemeente kan in het Omgevingsplan afzien van aanwijzing van een brand- of explosievoorschriftengebied of een kleiner brand- of explosievoorschriftengebied aanwijzen (art. 5.14 Bkl). Als het initiatief ligt in een voorschriftengebied, dan gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (art. 4.90 tot en met 4.96 Bbl. Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen, kinderdagopvang, en verzorgingstehuizen, geldt altijd een voorschriftengebied, en gelden dus aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (art. 5.14 Bkl). Los van een eventueel voorschriftengebied kan een gemeente aanvullende eisen stellen, bijvoorbeeld aan vluchtroutes en de bereikbaarheid van het gebied door hulpdiensten. Dergelijke eisen worden dan opgenomen in de omgevingsvergunning. Een berekening van het groepsrisico is onder de Omgevingswet optioneel; het is niet meer verplicht om het groepsrisico te bepalen, maar een gemeente mag hier nog wel om vragen (via een voorschrift) om de toelaatbaarheid van de situatie te beoordelen. Naast bovengenoemde regels over veelvoorkomende situaties zijn voor een aantal specifieke situaties nog de volgende delen van het Bkl van belang: • Beperkingen in het belemmeringengebied (voormalige belemmeringenstrook in de huidige regelgeving) van buisleidingen: par.
5.1.2.3 Bkl; • Veiligheid rond opslaan, herverpakken en bewerken van vuurwerk en pyrotechnische artikelen voor theatergebruik: par 5.1.2.4 Bkl; • Veiligheid rond het bewerken en opslaan van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik en op militaire objecten (par. 5.1.2.5 Bkl); • Veiligheid rond luchthavens (par. 5.1.2.6 Bkl). Beoordeling Met de beoogde ontwikkeling worden zes wooneenheden toegevoegd. Gelet hierop bevinden zich binnen het projectgebied in de beoogde situatie zes gevoelige functies. Hierdoor dient inzicht gegeven te worden in het aspect omgevingsveiligheid. Het projectgebied is, zoals weergegeven in onderstaande afbeelding, niet gelegen in een invloedsgebied van een risicobron en/of transportroute. In de omgeving van het projectgebied zijn nagenoeg geen risicobronnen gelegen. Op circa 255 meter is een buisleiding gelegen. Daarnaast is een opslagplaats voor gevaarlijke stoffen gelegen op een ruime afstand van circa 950 meter, de bijbehorende risicocontour reikt niet over het projectgebied. Tot slot is de spoorlijn aangewezen als een transportroute voor gevaarlijke stoffen en deze ligt op een afstand van circa 600 meter. Echter ook hier reikt de risicocontour niet over het projectgebied.
Pagina 55 van 73
Afbeelding 22 Uitsnede risicokaart Atlas leefomgeving (projectlocatie is indicatief aangeduid met blauwe marker)
Groepsrisico/bestrijdbaarheid/zelfredzaamheid De verantwoordingsplicht voor het groepsrisico moet doorlopen worden voor ruimtelijke ontwikkelingen wanneer deze (gedeeltelijk) binnen 200 meter van risicovolle infrastructuur liggen. Het projectgebied ligt op een afstand van meer dan 200 meter van risicovolle infrastructuur. Dit betekent dat vanwege de afstand tot de plaats van het mogelijke incident en de aard van incident (blootstelling toxisch gas) het groepsrisico niet significant zal toenemen ten opzichte van de bestaande situatie. Aangezien het projectgebied niet valt binnen 200 meter van risicovolle infrastructuur behoeft daarom geen inzicht te worden gegeven in het groepsrisico. Volstaan kan worden met een beschrijving van de aspecten bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. Beperking, bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid Een verantwoording van de mogelijkheden voor bestrijding en beperking van de omvang van een ramp en de zelfredzaamheid van mensen dient plaats te vinden indien een projectgebied binnen het invloedsgebied van een transportroute gelegen is waarover vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Uit raadpleging van de Atlas leefomgeving volgt dat het projectgebied niet is gelegen binnen het invloedsgebied van een transportroute waarover vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt.
Daarbij wordt het projectgebied in de beoogde situatie in beginsel enkel gebruikt door personen die goed zelfredzaam zijn (geen kwetsbare doelgroepen). Daarbij is voldoende ruimte om te schuilen in geval van een toxisch scenario én mag worden aangenomen dat de bebouwing voldoet aan het Besluit bouwwerken leefomgeving. Gezien het voorgaande kan worden gesteld dat met de voorgenomen ontwikkeling geen belemmeringen of aanvullende risico’s op het gebied van externe veiligheid optreden. Pagina 56 van 73
Conclusie Omdat de onderhavige projectlocatie niet is gelegen binnen een risicoaanduiding of binnen veiligheidsafstanden zijn er geen onaanvaardbare risico’s met betrekking tot het aspect omgevingsveiligheid. Vanuit het oogpunt van omgevingsveiligheid worden geen belemmeringen voor de voorgestane ontwikkeling verwacht. 4.11 Luchtkwaliteit Toetsingskader Voor een aantal milieubelastende activiteiten geldt een vergunningplicht op basis van hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). In afdeling 8.5 Omgevingsvergunning milieubelastende activiteit van het Bkl staan beoordelingsregels. Het bevoegd gezag gebruikt deze beoordelingsregels bij het beoordelen van de vergunningaanvraag. In het Bkl staan algemene beoordelingsregels. De specifieke beoordelingsregels voor lucht staan in artikel 8.17, 8.21 en 8.24 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Deze gaan over: • beoordeling luchtkwaliteit en toetsing aan de rijksomgevingswaarden • ammoniakemissies van veehouderijengeologische opslag van CO2 De vergunningverlener beoordeelt een aanvraag op het effect op de luchtkwaliteit in de leefomgeving. Dit moet ook buiten de zogeheten aandachtsgebieden. Uitgezonderd hiervan zijn plaatsen waar de bescherming van de gezondheid niet of nauwelijks relevant is. Bijvoorbeeld op plekken waar burgers niet (mogen) komen.
De vergunningverlener toetst aan de omgevingswaarden, tenzij de activiteit niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de stikstofdioxide- (NO2) of fijnstof- (PM10) concentraties. De specifieke beoordelingsregels voor luchtkwaliteit staan in artikel 8.17 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Soms heeft de gemeente in een eerdere fase (toelaten van bedrijven in het omgevingsplan) al getoetst of het omgevingsplan voldoet aan de luchtkwaliteitsregels. Deze ‘voortoets’ is verplicht als het omgevingsplan in een aandachtsgebied ligt. Bij de daadwerkelijke aanvraag van een omgevingsvergunning moet het bevoegd gezag vervolgens beoordelen of deze aanvraag voldoet aan de luchtkwaliteitseisen. De vergunningverlener toetst de aanvraag aan de rijksomgevingswaarden voor • zwaveldioxide (SO2) • stikstofoxiden (NOx), waaronder stikstofdioxide (NO2) • fijnstof (PM10 en PM2,5) • benzeen (C6H6) • lood (Pb) • koolmonoxide (CO) Bij deze beoordeling tellen ook de bijdragen mee die veroorzaakt zijn door gebruik van wegen, vaarwegen en spoorwegen van en naar de activiteit. Het Bkl geeft aan welke specifieke voorschriften voor lucht de vergunningverlener in de omgevingsvergunning moet opnemen. Deze gaan over: • geologische opslag van CO2 (artikel 8.37 Bkl) Pagina 57 van 73
• • • •
voorkomen van verspreiding van asbestvezels (artikel 8.52 Bkl) eisen aan stortgas (artikel 8.53 Bkl) broeikasgassen (artikel 8.71 Bkl) CO2-emissies glastuinbouw (artikel 8.72 Bkl)
Voor vergunningplichtige activiteiten kunnen ook algemene regels gelden uit het Bal. Zo kunnen bijvoorbeeld de emissiegrenswaarden voor lucht uit de luchtmodule van het Bal gelden. De vergunningverlener kan hier van afwijken met maatwerk. Dit maatwerk regelt de vergunningverlener in de vergunning met een vergunningvoorschrift. Ook geldt de specifieke zorgplicht uit het Bal voor vergunningplichtige activiteiten. De vergunningverlener moet ook rekening houden met mogelijke luchtregels in het omgevingsplan of de omgevingsverordening. Daar kunnen bijvoorbeeld lokale omgevingswaarden voor de buitenlucht staan. De vergunningverlener hoeft de vergunning niet altijd te weigeren als dit in strijd is met het omgevingsplan. Wel is dan ook een vergunning voor een omgevingsplanactiviteit nodig. 4.11.1 Standaardgevallen niet in betekende mate luchtkwaliteit (artikel 5.54 Bkl) In artikel 5.54 van het Bkl is voor bepaalde categorieën projecten met getalsmatige grenzen vastgesteld dat deze 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Het gaat hierbij om de navolgende gevallen: a.
gebouwen met een kantoorfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan, met: 1°.één ontsluitingsweg: een bruto-vloeroppervlakte van ten hoogste 100.000 m2; of 2°.twee ontsluitingswegen: een gelijkmatige verkeersverdeling en een brutovloeroppervlakte van ten hoogste 200.000 m2; b. gebouwen met een woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan, met: 1°.één ontsluitingsweg: ten hoogste 1.500 woningen; of 2°.twee ontsluitingswegen: ten hoogste 3.000 woningen; c. zowel gebouwen met een kantoorfunctie als gebouwen met een woonfunctie en nevengebruiksfuncties van die gebruiksfuncties, met: 1°.één ontsluitingsweg: het aantal woningen maal 0,0008 en een bruto-vloeroppervlakte van kantoorfuncties en nevengebruiksfuncties daarvan in vierkante meter maal 0,000012 dat samen opgeteld kleiner is dan of gelijk is aan 1,2; of 2°.twee ontsluitingswegen: een evenredig aantal woningen en een evenredig grote brutovloeroppervlakte van kantoorfuncties; d. het telen van gewassen in kassen, bedoeld in artikel 3.205 van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het gaat om: 1°.niet-verwarmde kassen; of 2°.verwarmde kassen niet groter dan 2 ha; e. het telen van gewassen in de open lucht en het behandelen van gewassen direct voor of na de teelt, bedoeld in artikel 3.208 van het Besluit activiteiten leefomgeving; f.
het telen van gewassen in een gebouw, anders dan een kas, bedoeld in artikel 3.211 van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het gaat om: 1°.witloftrek; of 2°.teelt van eetbare paddenstoelen; of f. het exploiteren van een spoorwegemplacement, bedoeld in artikel 3.295b van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het gaat om het begin van de activiteit of een wijziging die leidt tot een toename van het aantal dieseltractie-uren van ten hoogste 7.500 per jaar.
Pagina 58 van 73
Beoordeling In onderhavig geval is sprake van woningbouw aangezien zes wooneenheden worden toegevoegd, wanneer het vergeleken wordt met een ontsluitingsweg met 1.500 woningen kan met zekerheid geconcludeerd worden er geen sprake is van een project dat in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. 4.11.2 Blootstelling aan verontreiniging In paragraaf 2.2.1.1 zijn in het Bkl omgevingswaarden opgenomen die als richtlijn gelden voor de luchtkwaliteit. Voor stikstofdioxide gelden de volgende ten hoogste toelaatbare concentraties: a. 200 μg/m3 uurgemiddelde, dat ten hoogste achttien maal per kalenderjaar wordt overschreden; en b. 40 μg/m3 als kalenderjaargemiddelde. Voor stikstofoxiden geldt een ten hoogste toelaatbare concentratie van 30 μg/m3 als kalenderjaargemiddelde. De omgevingswaarden voor stikstofdioxide en stikstofoxiden zijn resultaatsverplichtingen. Voor PM10 gelden de volgende ten hoogste toelaatbare concentraties: a. 50 μg/m3 als 24-uurgemiddelde, dat ten hoogste 35 maal per kalenderjaar wordt overschreden; en b. 40 μg/m3 als kalenderjaargemiddelde. Voor PM2,5 gelden de volgende ten hoogste toelaatbare concentraties: a. 25 μg/m3 als kalenderjaargemiddelde; b. 20 μg/m3 als over drie kalenderjaren berekend voortschrijdend gemiddelde van de kalenderjaargemiddelden; en c.
14,4 μg/m3 als over drie kalenderjaren berekend voortschrijdend gemiddelde van de kalenderjaargemiddelden. De omgevingswaarden voor PM10, bedoeld in het eerste lid, en de omgevingswaarden voor PM2,5, bedoeld in het tweede lid, onder a en b, zijn resultaatsverplichtingen. De omgevingswaarde voor PM2,5, bedoeld in het tweede lid, onder c, is een inspanningsverplichting. De omgevingswaarden, bedoeld in het tweede lid, onder b en c, gelden op stedelijke achtergrondlocaties, zijnde stedelijk gebied waar de concentraties representatief zijn voor de blootstelling van de stedelijke bevolking in het algemeen. Beoordeling Op basis van de kaarten van de Atlas leefomgeving met peildatum 2022 blijkt dat ter plaatse van het projectgebied sprake is van een jaargemiddelde concentratie PM10 van 16,7 μg/m³. De jaargemiddelde concentratie PM2,5 bedraagt 9,1 μg/m³. Hiermee wordt ruimschoots binnen de grenswaarden gebleven. Zie onderstaande afbeeldingen.
Pagina 59 van 73
Afbeelding 23 Uitsnede https://www.atlasleefomgeving.nl/kaarten (PM10-2022) (projectlocatie is indicatief voorzien van een blauwe marker)
Afbeelding 24 Uitsnede https://www.atlasleefomgeving.nl/kaarten (PM2,5-2022) (projectlocatie is indicatief voorzien van een blauwe marker)
Verder is in het onderstaande eveneens een afbeelding opgenomen waarop de concentratie van stikstofdioxide binnen het projectgebied is weergegeven. Een en ander laat zien dat de concentratie van NO2 binnen het projectgebied circa 14,6 μg/m3 bedraagt, waardoor ter plaatse sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Immers, de grenswaarde bedraagt circa 40 μg/m3.
Pagina 60 van 73
Afbeelding 25 Uitsnede https://www.atlasleefomgeving.nl/kaarten (N02-2022) (projectlocatie is indicatief voorzien van een blauwe marker)
Conclusie Geconcludeerd kan worden dat de beoogde ontwikkeling in het kader van blootstelling aan luchtverontreiniging geen bezwaar is. 4.12 Volksgezondheid Toetsingskader Het beschermen van de gezondheid en van het milieu is geregeld in paragraaf 5.1.4 van het Bkl. Beoordeling Het projectinitiatief betreft in hoofdzaak de toevoeging van zes wooneenheden binnen de bebouwde kom. Gelet hierop gaat de beoogde ontwikkeling gepaard met de komst van zes gevoelige functies, waardoor een toetsing aan het aspect volksgezondheid dient plaats te vinden. Vanuit een evenwichtige toedeling van functies aan locaties bezien, is het woon- en leefklimaat binnen het projectgebied in het kader van volksgezondheid in relatie tot omliggende veehouderijen relevant. Ten aanzien van eventuele gezondheidsrisico’s in relatie tot veehouderijen in de nabijheid van het projectgebied is een aantal aspecten van belang. In het bijzonder gaat het om eventuele risico’s als gevolg van varkens-, pluimveebedrijven (endotoxinen) en geitenhouderijen. 4.12.1 Endotoxinen (varkens- en pluimveehouderijen) De intensieve veehouderijen binnen de agrarische sector dragen bij aan de emissies van fijn stof PM10 in Nederland. Dit geëmitteerde fijn stof bestaat uit een aantal stoffen, waarvan endotoxinen onderdeel uit (kunnen) maken.
Op 7 juli 2016 zijn onderzoeksrapporten gepubliceerd waarin wordt aangetoond dat omwonenden rond veehouderijen gezondheidsrisico’s lopen door de blootstelling aan emissies uit veehouderijen. Endotoxine is voor luchtwegklachten een relevante component in de (fijn)stof emissie uit veehouderijen. De ontwikkeling van een landelijk toetsingskader voor endotoxine door het Rijk, op advies van de Gezondheidsraad, is nog niet afgerond. Vooruitlopend daarop is door het Ondersteuningsteam Veehouderij en Volksgezondheid van het Bestuurlijk Platform Omgevingsrecht de ‘Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: Endotoxine toetsingskader 1.0’ opgesteld. Pagina 61 van 73
Inmiddels is ook de Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 vastgesteld. Deze handreiking verwijst op zijn beurt weer naar de notitie die inhaakt op de lopende ontwikkeling van het landelijke endotoxinetoetsingskader en maakt gebruik van de daaruit voortkomende onderzoeksresultaten. De voorlopige onderzoekresultaten zijn voor de Gezondheidsraad in 2012 aanleiding geweest om voor de algemene bevolking een gezondheidskundige advieswaarde voor endotoxine van 30 EU/m³ aan het Rijk te adviseren. Deze advieswaarde wordt tevens gehanteerd in de notitie. Uitgangspunt in de evenwichtige toedeling van functies aan locaties is dat sprake moet zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en derhalve de advieswaarde van 30 EU/m³ niet wordt overschreden. Door de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant (ODZOB) is een berekeningsmodel opgesteld waarmee de individuele afstandscontour of endotoxine-risicocontour van 30 EU/m³ eenvoudig bepaald kan worden. De rekentabel hanteert enkel afstanden ten aanzien van varkens- of pluimveehouderijen. Op basis van deze rekentabel volgt dat bij afstanden van meer dan 200 meter, overschrijdingen van de advieswaardes voor endotoxinen bij varkenshouderijen (tot circa 1.400 kg PM10/jaar, dus bedrijven met een zeer hoge fijnstof-uitstoot), niet meer voorkomen.
Bij grootschalige pluimveehouderijen is deze afstand, afhankelijk van de bedrijfsomvang, het type pluimvee en de uitstoot, circa 300 – 650 meter. Beoordeling Binnen 250 meter, respectievelijk 650 meter, van het projectgebied zijn geen actieve varkens of pluimveehouderijbedrijven gelegen. Een verdere beoordeling op grond van het aspect ‘gezondheid in relatie tot veehouderijbedrijven’ is derhalve niet aan de orde. Conclusie Het onderdeel ‘volksgezondheid’ in relatie tot endotoxinen vormt geen belemmeringen voor het projectvoornemen. 4.12.2 Geitenhouderijen Met de voorgenomen ontwikkeling is er sprake van het toevoegen van een gevoelige functie. Uit het onderzoek veehouderij en gezondheid omwonenden (VGO) van het RIVM onderzoek in 2017 is gebleken dat zich in een straal tot tussen 1,5 en 2 kilometer rond geitenbedrijven een verhoogd aantal gevallen van longontsteking voordoet. Het is nog onbekend waardoor dit precies komt. Van belang is wat nog toegestaan kan worden binnen de invloedssfeer van een geitenhouderij. Zolang nog niet duidelijk is waardoor het verhoogde risico bij geitenhouderijen ontstaat heeft het Bestuurlijk Platform Omgevingsrecht een advies memo opgesteld.
Daarin wordt gesteld dat de goede ruimtelijke ordening (nu: evenwichtige toedeling van functies aan locaties) vraagt om aanhouding van besluitvorming over het toevoegen van gevoelige functies binnen 2 km van een geitenhouderij totdat meer duidelijk is over de oorzaak van de gezondheidsrisico’s. Binnen de gemeente Etten-Leur zijn geen geitenhouderijen aanwezig. De geitenhouderij gelegen aan de Haansberg 146 is omgeschakeld naar vleesstieren. Hierdoor zijn er geen gezondheidsrisico’s ter plaatse van het projectgebied te verwachten. Conclusie Het aspect ‘geitenhouderijen’ staat de projectvorming niet in de weg. 4.12.3 Spuitzones Er is geen vigerend beleid om te toetsen aan het aspect spuitzones. Uit jurisprudentie van de Afdeling volgt dat zij een afstand van 50 meter tussen gevoelige functies en agrarische bedrijvigheid waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, in het algemeen niet onredelijk vindt. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 23 juni 2004 (ECLI:NL:RVS:2004:AP3436). Daarnaast is er een Pagina 62 van 73
uitspraak van de Afdeling geweest op 5 november 2024 (ECLI:NL:RBLIM:2024:7860) waar is besloten dat een spuitzone van minder dan 50 meter niet is verboden, maar wel een solide en locatie toegespitst onderzoek vergt. Wanneer de situatie nabij het projectgebied locatie-specifiek in ogenschouw wordt genomen, wordt tot de conclusie gekomen dat binnen een afstand van 50 meter van het projectgebied geen agrarische gronden zijn gelegen waar het mogelijk is om (bedrijfsmatig) gewasbeschermingsmiddelen te gebruiken. Het projectgebied is gelegen ten midden van het stedelijk gebied en omringd door burgerwoningen. Dit betekent dat geconcludeerd kan worden dat binnen het projectgebied sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat gelet op spuitzones. 4.12.4 Gezonde wijken met een goede omgevingskwaliteit In de omgevingsvisie van de gemeente Etten-Leur wordt gesteld dat bij de herontwikkeling of eventuele verdichting van het aantal woningen uit moet worden gegaan van een bepaalde kwaliteitsverbetering (invulling per locatie kan verschillen). Middels een groenplan is aangetoond in welke mate groen wordt toegevoegd, niet alleen voor de uitstraling maar ook voor meer schaduwwerking en verkoeling bij warmte in het kader van hittestress en leefbaarheid in de wijk.
4.13 Kabels en leidingen Toetsingskader Ondergrondse kabels en leidingen zijn belangrijk voor het transport van data, elektriciteit en stoffen zoals gas en water. Sommige ondergrondse (hoogspannings)leidingen kunnen een risico opleveren voor de omgeving. De Omgevingswet bevat regels en instrumenten om dit te voorkomen of om dit zoveel mogelijk te beperken. In het omgevingsplan kunnen de locaties en kenmerken van kabels en leidingen staan om de omgeving te beschermen tegen de risico's van deze kabels en leidingen. De hierna volgende leidingen zijn planologisch relevant: a. hoogspanningsverbindingen van 50 kV en hoger; b. buisleidingen voor transport van aardgas met een uitwendige diameter van meer dan 50 mm en een druk van meer dan 16 bar; c. buisleidingen voor transport van aardolieproducten met een uitwendige diameter van meer dan 70 mm en een druk van meer dan 16 bar; d. buisleidingen met een diameter van 400 mm of meer buiten de bebouwde kom; e. buisleidingen voor transport van andere stoffen dan aardgas en aardolieproducten, die risico's met zich meebrengen voor mens en/of leefomgeving wanneer deze leidingen beschadigd raken. Beoordeling Ter plaatse van het projectgebied zijn geen planologisch relevante kabels en leidingen aanwezig. Conclusie Er zijn geen belemmeringen met betrekking tot de aanwezigheid van kabels en leidingen.
4.14 Waterhuishouding Artikel 5.37 van het Bkl stelt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Naast de specifieke regels als gesteld in paragraaf 5.1.3 Bkl over onderdelen van het watersysteem in het omgevingsplan, worden voor een duiding van de gevolgen voor het beheer van het watersysteem, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken. Denk bijvoorbeeld aan (instructie)regels (al dan niet ter nastreving van omgevingswaarden) uit de provinciale omgevingsverordening en de waterschapsverordening. Daarnaast bevatten de artikelen 5.38 t/m 5.49 Bkl rijksregels.
Pagina 63 van 73
Gemeenten en waterschappen dienen hun waterbeleid te baseren op de uitgangspunten die de provincie stelt. Beleid Waterschap Brabantse Delta Het waterschap Brabantse Delta is verantwoordelijk voor het waterbeheer in de gemeente. Het beleid van het waterschap is opgenomen in het 'Waterbeheerprogramma 2022 2027', welke is vastgesteld op 1 december 2021. De 'Waterschapsverordening Waterschap Brabantse Delta 2024' bevat vervolgens regels met daarin verboden en verplichtingen ten aanzien van het oppervlaktewater en grondwater. De drie Brabantse waterschappen (Aa en maas, De Dommel en Brabantse Delta) hanteren sinds 1 maart 2015 dezelfde uitgangspunten voor het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak toeneemt. Deze uitgangspunten zijn geformuleerd in de 'beleidsregel Hydrologische uitgangspunten voor afvoeren van hemelwater'. Bij toename en afkoppeling van het verhard oppervlak geldt het uitgangspunt dat de plannen zoveel mogelijk hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. Bij een toename van het verhard oppervlak van meer dan 500 m2 is er vanuit het waterschap een compensatieverplichting. Tot 500 m2 is de gemeente het bevoegd gezag. Hemelwaterverordening gemeente Etten-Leur Op 6 december 2022 is de 'Hemelwaterverordening Etten-Leur' vastgesteld door de raad van de gemeente Etten-Leur.
Deze nieuwe verordening gaat in op het gemeentelijke beleid met betrekking tot de opvang en verwerking van hemelwater en vervangt daarmee het Verbreed Gemeente Rioleringsplan 2019-2024 (VGRP). De hemelwaterverordening past een nieuwe compensatieregel toe, waarmee in principe 60 liter waterberging per vierkante meter verharding moet worden gerealiseerd. De regels omtrent hemelwaterberging, zoals opgenomen in artikel 5, worden in het onderstaande weergegeven. Artikel 5. Vereisten hemelwaterberging 1.Een hemelwaterberging: a. heeft ten minste een capaciteit van 60 liter per m2 bebouwd en/of verhard oppervlak; b. loost maximaal 2 liter per m2 bebouwd en/of verhard oppervlak per uur op een openbaar riool; en c. is na 60 uur leeg. 2.Een hemelwaterberging met hergebruiksysteem: a. heeft ten minste een capaciteit van 60 liter per m2 bebouwd en/of verhard oppervlak; b. loost maximaal 2 liter per m2 bebouwd en/of verhard oppervlak per uur op een openbaar riool; c. is na 60 uur voor ten minste 33% leeg en na 14 dagen voor ten miste 66%; en d. leegt het restant op basis van het gebruik van het hergebruiksysteem. 3.Voor een waterberging met een centraal besturingssysteem geldt alleen het vereiste uit het eerste lid, onder a. 4.Het eerste lid is niet van toepassing op een gebouw dat zonder omgevingsvergunning voor bouwen kan worden gebouwd met een groen dak.
5.Het geborgen hemelwater wordt in de ondergrond geïnfiltreerd. Als dat niet of maar deels mogelijk is, kan in het openbare riool worden geloosd. 6.Het hemelwater dat na toepassing van het eerste, tweede of derde lid niet kan worden geborgen, kan worden geloosd in het openbare riool of op de openbare ruimte. 7.Bij uitbreiding van een bestaand bebouwd oppervlak en/of bestaand verhard oppervlak wordt voor de berekening van de noodzakelijke capaciteit van een hemelwaterberging uitsluitend rekening gehouden met de oppervlakte waarop de betreffende uitbreiding ziet. Beoordeling Pagina 64 van 73
Door het planvoornemen ontstaat extra verharding waarvoor drie verschillende manieren van het “verwerken” van het water zijn overeengekomen: 1. de realisatie van 4 patiowoningen zorgt voor 321,9 m2 verharding en 143,31 m2 sedumdak 2. de realisatie van 1 patiowoning met toegangspad zorgt voor 271,66 m2 verharding o waarvan 17,45 m2 sedumdak 3. de realisatie van de vrijstaande woning zorgt voor 197,45 m2 verharding 4 betaalbare patiowoningen Bij de 4 patiowoningen is sprake van een berekende verharding van 321,9 + (50% 143,31) = 393,55 m2 welke gecompenseerd moet worden. Het college heeft middels collegebesluit besloten om voor de vier betaalbare patiowoningen af te wijken van de hemelwaterverordening. Deze vier woningen kunnen dus direct op het in Schoenmakershoek aanwezige gescheiden stelsel worden aangesloten. Voor de 4 betaalbare patiowoningen is een berekende waterberging van 393,55 x 0,06 = 23,61 m3 benodigd. De in Schoenmakershoek aanwezige waterberging (de centrale waterpartij, zie afbeelding hieronder) beschikt nog over voldoende capaciteit beschikt om deze vereiste hoeveelheid op te kunnen vangen. Het aansluiten van de vier betaalbare patiowoningen zal niet tot capaciteitsproblemen van de bestaande waterpartijen in Schoenmakershoek leiden.
Figuur 3 planlocatie ten opzichte van centrale waterpartij Schoenmakershoek
Bij het bestemmingsplan Schoenmakershoek-Noordoost (2023) is als onderdeel van de watertoets opnieuw de overcapaciteit van de bovenstaande waterberging berekend. De gemeente heeft in een brief aan het waterschap de bergingscapaciteit van de huidige retentie van bepaald, namelijk 9.798 m3 (T=10). De tweede waterpartij heeft een bergingscapaciteit van 3.347 m³ (T=10) en 5.062 m³ (T=100). Dit betekent dat de berging van geheel Schoenmakershoek groter is dan benodigd. Bij T=100 blijft een berging over van 3.893 m³.
Pagina 65 van 73
Ondanks de afwijking van de hemelwaterverordening moeten de 4 betaalbare patiowoningen wel worden voorzien van groene daken (hiermee wordt het gescheiden stelsel verder ontlast). 1 patiowoning met toegangspad De noordoostelijke patiowoning met toegangspad zorgt voor 254,21 m2 verharding en 17,45 m2 sedumdak. Hierdoor is sprake van een berekende verharding van 254,21 m2 + (50% 17,45 m2) = 263 m2. Over het nieuw te bouwen oppervlak dient 60 mm berging aangelegd te worden. Binnen het projectgebied van de patiowoning dient derhalve 16 m3 te worden geborgen. Vrijstaande woning De vrijstaande woning zorgt voor 197,45 m2 verharding. Over het nieuw te bouwen oppervlak dient 60 mm berging aangelegd te worden. Binnen het projectgebied van de vrijstaande woning dient derhalve 12 m3 te worden geborgen. Een en ander maakt dat binnen het projectgebied een infiltratie- of een retentievoorziening benodigd is met deze inhouden. Aan deze bergingseis kan worden voldaan middels de realisatie van ondergrondse elementen waaronder infiltratieboxen aan de achterzijde van de toekomstige woningen. Aangezien de realisatie van een bergingsvoorziening met een minimale bergingscapaciteit per toe te voegen m2 als voorwaarde wordt gesteld in de beschikking van de omgevingsvergunning, is verzekerd dat een en ander wordt aangelegd en duurzaam in stand wordt gehouden.
In het onderdeel ‘bouwen’ is de wateropvangvoorziening nader gespecificeerd. Conclusie Aangezien met de beoogde ontwikkeling sprake is van een toename van het verhard oppervlak, zijn compenserende maatregelen noodzakelijk. Het plangebied kan voorzien in voldoende compenserende maatregelen. 4.15 Milieueffectrapportage en vormvrije m.e.r.-beoordeling Toetsingskader De wetgeving rond de milieueffectrapportage (mer, ook wel m.e.r.) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Net als onder de Wet milieubeheer (Wm) en het Besluit milieueffectrapportage (Besluit mer), wordt onder de Ow gewerkt met een gesloten lijstenstelsel voor de project-mer(-beoordeling). Dit betekent dat de projecten, gevallen en (op enkele uitzonderingen na) besluiten die project-mer-(beoordelings)plichtig zijn, in de lijst zijn opgenomen. Op grond van artikel 16.43 van de Ow en artikel 11.6 van het Ob is de lijst met project-mer-plichtige en project-mer-beoordelingsplichtige projecten opgenomen in bijlage V van het Ob. Ten aanzien van het aanwijzen van mer-(beoordelings)plichtige projecten is het navolgende opgenomen in artikel 11.6 van het Omgevingsbesluit: 1.
Bijlage V, kolom 2 in samenhang met kolom 1, bevat de projecten, bedoeld in artikel 16.43, eerste lid, onder a, van de wet die aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben en waarvoor bij de voorbereiding van het besluit een milieueffectrapport moet worden gemaakt. 2. Bijlage V, kolom 3 in samenhang met kolom 1, bevat de projecten, bedoeld in artikel 16.43, eerste lid, onder b, van de wet waarvoor moet worden beoordeeld of zij aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben en, als dat het geval is, waarvoor bij de voorbereiding van het besluit een milieueffectrapport moet worden gemaakt. 3. Als benodigde besluiten als bedoeld in artikel 16.43, eerste lid, van de wet, die betrekking hebben op de projecten, bedoeld in het eerste en tweede lid, worden aangewezen:
Pagina 66 van 73
a. een projectbesluit als bedoeld in artikel 5.44 van de wet, met uitzondering van een projectbesluit dat wordt vastgesteld door het dagelijks bestuur van een waterschap; b. het opnemen van regels in een omgevingsplan die zijn gericht op het uitvoeren van een project van publiek belang als bedoeld in artikel 5.55 van de wet; de besluiten, bedoeld in bijlage V, kolom 4; en d. de besluiten, bedoeld in artikel 11.8. Beoordeling De beoogde ontwikkeling wordt niet genoemd in bijlage V van het Omgevingsbesluit. In bijlage V van het Omgevingsbesluit wordt enkel gesproken over de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject respectievelijk een geheel industrieterrein. Het projectinitiatief betreft in hoofdzaak het toevoegen van zes wooneenheden. Dergelijke kleinschalige woningbouw wordt niet gezien als een stedelijk ontwikkelingsproject of de aanleg, wijziging of uitbreiding van een industrieterrein in de zin van bijlage V van het Omgevingsbesluit. Gelet hierop geldt zowel geen mer-plicht conform artikel 16.43, eerste lid, aanhef en onder a, van de wet en geen mer-beoordelingsplicht conform artikel 16.43, eerste lid, aanhef en onder b, van de wet.
Ten aanzien van het tweede criterium inzake een mogelijke MER-plicht, geldt dat er bij onderhavige situatie geen sprake is van een project waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. Onderhavige ontwikkeling heeft met zekerheid geen mogelijk significant effect op de Natura 2000-gebieden. Er is dus geen sprake van de verplichting tot het opstellen van een MER en het doorlopen van de bijbehorende procedure. Conclusie Zoals beschreven is er bij onderhavig project geen sprake van een verplichting tot het opstellen van een MER en het doorlopen van de m.e.r.-procedure o.g.v. het Besluit m.e.r. 4.16 Welstand Toetsingskader Artikel 22.29 lid 1 onder b, bepaalt dat een omgevingsvergunning met betrekking tot een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van te bouwen bouwwerken alleen wordt verleend als het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk niet in strijd is met de redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota. Tijdelijke bouwwerken, niet zijnde seizoensgebonden werken zijn uitgesloten van deze welstandstoets. Beoordeling Onderhavig projectvoornemen gaat gepaard met het component ‘bouwen’.
De te realiseren patiowoningen zijn uitgewerkt door een professioneel architectenbureau welke gedurende de aanvraagprocedure conform de procedure zijn getoetst aan de welstand binnen de gemeente EttenLeur. Voor de te realiseren vrijstaande woning zijn nog geen bouwtekeningen voorhanden. Dit zal tijdens de bouwaanvraag verder worden voorgelegd aan welstand. Conclusie Het aspect ‘welstand’ staat vooralsnog niet in de weg aan het projectvoornemen. 4.17 Duurzaamheid Toetsingskader Gelet op de bruidsschat artikel 22.52 Bkl, wordt in onderstaande onderbouwd welke duurzame aspecten aanwezig zijn of waar het plan aan bijdraagt. Het voorgestelde initiatief omvat allerlei Pagina 67 van 73
duurzame aspecten die zich richten op energie-efficiëntie, milieubewustzijn en bevordering van een duurzame leefomgeving. Hieronder worden de belangrijkste duurzame elementen uiteengezet. Energieneutraal (BENG) Vanaf 1 januari 2020 moeten alle nieuwe gebouwen in Nederland bijna energieneutrale gebouwen (BENG) zijn. Dit vloeit voort uit het Energieakkoord voor duurzame groei en uit de Europese richtlijn EPBD. De vastgestelde niveaus voor woningen gelden als volgt: • Een maximaal energiebehoefte van 25 kWh/m2/jr gebruiksoppervlak; • Een maximaal primair fossiel energiegebruik, eveneens in 25 kWh/m2/jr gebruiksoppervlak; • Een minimaal aandeel hernieuwbare energie van 50%. • Het voorgaande houdt concreet een EPC tussen 0 en 0,2 in. Aardgasvrij (Wet VET) In de Wet voortgang energietransitie (VET) is bepaald dat per 1 juli 2018 nieuw te bouwen bouwwerken niet meer aangesloten worden op het gasnet. In uitzonderlijke gevallen kan de gemeente, bij zwaarwegende redenen van algemeen belang, een ontheffing verlenen. De omgevingsvergunning voor nieuwe bouwwerken wordt afgekeurd als in de bouwaanvraag geen rekening is gehouden met aardgasvrij bouwen. Milieuprestatie Gebouwen (MPG) Voor nieuwbouwwoningen en nieuwe kantoorgebouwen die groter zijn dan 100 m² is bij elke aanvraag voor een omgevingsvergunning een Milieuprestatie Gebouwen (MPG) verplicht.
De MPG geeft aan wat de milieubelasting is van de materialen die in een gebouw worden toegepast. Per 1 januari 2018 geldt voor de MPG een maximum schaduwprijs van 1,00 euro per m2 BVO per jaar. Voor een MPG berekening kan het instrument GPR Gebouw gebruikt worden. GPR Gebouw is opgebouwd uit vijf verschillende thema’s: energie, milieu, gezondheid, gebruikskwaliteit en toekomstwaarde. Scores variëren van 0 t/m 10. Het is gebruikelijk om uit te gaan van een gemiddelde GPR Gebouw score van 8. GPR Gebouw is een bruikbaar instrument om tot een duurzaam ontwerp te komen voor onder andere woningbouw. Hittestress Bij bebouwing in stedelijke gebieden is er sprake van het zogenaamde stedelijk hitte-eiland effect, waarbij bebouwde gebieden warmer blijven dan omliggende landelijke gebieden. Bij een woonperceel kan hittestress optreden door: • Verharding: Grote oppervlakken van beton, asfalt of steen absorberen en behouden warmte, waardoor het lokaal warmer blijft, vooral ’s nachts. • Gebrek aan groen: Weinig of geen vegetatie beperkt schaduw en verdamping, die anders zouden helpen om de omgeving af te koelen. • Oriëntatie en bouwmaterialen van de woning: Donkere of slecht geïsoleerde gevels en daken kunnen de warmteabsorptie en straling verhogen.
Beoordeling Ten aanzien van duurzaamheid worden voor de beoogde woningen de volgende maatregelen toegepast: • Aansluiten bij EPC ontwerpuitgangspunten vanuit het gemeentelijk beleid (en de strengere BENG normen); • Realisatie van zonnepanelen; • Geen aansluiting op gasnet; • Toepassing van luchtwarmtepompen. Met de voorgaande maatregelen wordt invulling gegeven aan de geldende eisen ten aanzien van onder meer de EPC en de Wet VET. Ten aanzien van het tegengaan van hittestress worden de volgende maatregelen genomen: Pagina 68 van 73
•
• •
Groenvoorziening: Aanplanten van bomen, struiken en gras als tuin zijnde om schaduw te bieden en de omgeving af te koelen door verdamping. In de huidige situatie is er op het huidige perceel waar de vrijstaande woning is beoogd, sprake van volledige erfverharding. Hierdoor neemt het aandeel groen met de beoogde ontwikkeling toe. Reflecterende materialen: Gebruik van lichte, reflecterende bouwmaterialen voor gevels en daken om warmteabsorptie te beperken. Oriëntatie van de woning en ramen optimaliseren om oververhitting te voorkomen en natuurlijke ventilatie te bevorderen.
Conclusie Binnen het projectgebied wordt op meerdere manieren invulling gegeven aan het aspect duurzaamheid. 4.18 Trillingen Toetsingskader Het onderdeel Trillingen is geregeld in paragraaf 22.3.5 van de Bruidsschat. Daarin worden regels gesteld aan trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz door een activiteit in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw, die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Er gelden maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen. De maximale waarden zijn opgenomen in de tabellen in artikel 22.88 en 5.87a van de Bruidsschat. Beoordeling Het project gaat gepaard met de toevoeging van zes gevoelige functies. Nadelig effecten door trillingen zijn echter niet te verwachten gezien de grote afstand tot aan drukke infrastructurele werken zoals een spoorlijn. Conclusie Het aspect trillingen staat niet in de weg aan het projectvoornemen.
5 PARTICIPATIE 5.1 Verplichte participatie Op 13 april 2023 heeft de initiatiefnemer een concept aanvraag ingediend. Vervolgens is per brief d.d. 16 mei 2023 gereageerd dat het project in 2024 gezamenlijk verder opgepakt kan worden door de gemeente. Op 2 september 2024 heeft de gemeenteraad ingestemd met de startnotitie waarin de participatie aanpak is opgenomen. De benodigde omgevingsdialoog in de vorm van een informatiebijeenkomst voor omwonenden heeft op 30 september 2024 plaatsgevonden. De beoogde herontwikkeling naar wonen binnen bestaande bebouwing heeft op basis van de ‘Handreiking participatie’ een beperkte impact (niveau 2) voor de omgeving. Hiermee bedraagt het participatieniveau ‘informeren’. Voor dergelijke ontwikkelingen is daarom een omgevingsdialoog benodigd door de initiatiefnemer. De omgevingsdialoog is uitgevoerd in de vorm van een informatiebijeenkomst en het gespreksverslag is bijgevoegd als bijlage bij onderhavige onderbouwing. Naar aanleiding van de gevoerde omgevingsdialoog is op verzoek van de belanghebbende woonachtig aan Herbergierstraat 10 te Etten-Leur gekozen om in de blinde zijgevel drie glaskozijnen op te nemen met licht doorlatend glas. Hiermee zijn beide partijen akkoord gegaan. Dit is tevens opgenomen in de afgesloten anterieure overeenkomst tussen de initiatiefnemer en de gemeente Etten-Leur.
Verder waren er geen bezwaren van belanghebbenden en kan het project doorgang vinden.
Pagina 69 van 73
5.2 Advies van de gemeenteraad De raad heeft gevallen aangewezen waarin het college bij een omgevingsvergunning voor afwijking van het omgevingsplan (BOPA) de raad om bindend advies moet vragen. In de gevallen waarvoor het bindend advies moet worden gevraagd is ook participatie verplicht. Participatie is in die gevallen een verplicht aanvraagvereiste. Deze participatie moet ook van enige betekenis zijn. Dit ter beoordeling van het bevoegd gezag. Een van de gevallen waarin de gemeenteraad gebruik maakt van zijn adviesrecht is het toevoegen van meer dan drie woningen binnen de bebouwde kom. Het bouwen van de 5 patiowoningen en één vrijstaande woning valt dus binnen het adviesrecht van de raad. Nadat de definitieve aanvraag omgevingsvergunning door initiatiefnemer is ingediend, zal het initiatief voor bindend advies aan de raad worden voorgelegd. Dit gebeurt binnen de termijn van 8 weken (met eventueel 6 weken verlenging).
Pagina 70 van 73
6 FINANCIELE HAALBAARHEID 6.1 Inleiding In dit hoofdstuk wordt de wijze van bekostiging van het initiatief beschreven. Uitgangspunt is dat de kosten die gemaakt worden voor het opstellen van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit voor rekening komen van de initiatiefnemer. 6.2 Kostenverhaal De initiatiefnemer fungeert als de financiële drager voor onderhavig project. Voor de uitvoering worden de benodigde financiële middelen gereserveerd. Hiermee is de financiële haalbaarheid voor de gemeente gegarandeerd. De gemeente beperkt zich tot het verlenen van planologische medewerking aan de uitvoering van het project en de gemeente Etten-Leur draagt geen financiële risico’s voor de realisatie. Voor verkoop van de patiowoningen geldt een verkoopprijs van maximaal € 405.000. Bij verkoop gelden de regels van de Doelgroepenverordening. Verder moeten de woningen minimaal 10 jaar in stand worden gehouden als een betaalbare koopwoning. Dat leggen we net als de zelfbewoningsplicht vast in een anterieure overeenkomst. Tevens worden voor het in behandeling nemen van en de procesbegeleiding legeskosten gerekend. Immers, nu sprake is van een bouwplan conform artikel 8.13 van het Omgevingsbesluit is de gemeente Etten-Leur hiertoe ook verplicht. De projectkosten worden verhaald via een tussen de gemeente Etten-Leur en de initiatiefnemer gesloten anterieure overeenkomst.
Dit project heeft daarmee geen financiële consequenties voor de gemeente. De economische uitvoerbaarheid is hiermee voldoende aangetoond.
Pagina 71 van 73
7 CONCLUSIE Zoals in het vorenstaande reeds uitvoerig is beschreven, is de initiatiefnemer voornemens om binnen het projectgebied een vijftal patiowoningen en één vrijstaande woning te realiseren. De beoogde woningen zijn beoogd ter plaatse van gronden waar op grond van het vigerende omgevingsplan woongebruik van toepassing is, en het toevoegen van woningen onder meer niet wordt toegelaten. Nu de beoogde ontwikkeling in strijd is met het huidige planologische kader, dient derhalve met een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit van het omgevingsplan gemeente Etten-Leur afgeweken te worden. Middels onderhavige goede onderbouwing van de effecten op de fysieke leefomgeving is onder meer aan de hand van een toetsing aan relevant beleid en relevante aspecten voor de fysieke leefomgeving en het milieu uitvoerig gemotiveerd om welke reden met de beoogde ontwikkeling sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De conclusie luidt dan ook dat het initiatief in overeenstemming is met relevante beleidskaders en dat met de beoogde ontwikkeling sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Pagina 72 van 73
BIJLAGEN 1. AERIUS-berekening aanlegfase 2. AERIUS-berekening gebruiksfase 3. Archeologisch bureauonderzoek 4. Verkennend bodem- en asbestonderzoek 5. Quickscan flora en fauna 6. Verslag omgevingsdialoog 7. Beoogde situatie plattegrond 8. Groenplan en groendaken
Pagina 73 van 73