CConstaterende datEtten-Leur
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 3a. Toelichting bestemmingsplan Midden Donk 2

Raad debatteert 4 maart 2024, gemeente Etten-LeurBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan Midden Donk 220.564 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Bestemmingsplan toelichting | 07-12-2023

Pagina 23 van 49

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

4.4.2

Bestemmingsplan ‘Buitengebied’ Etten-Leur

Figuur 8: Uitsnede bestemmingsplankaart bestemmingsplan ‘Buitengebied geconsolideerd’

Op de planlocatie Midden Donk 2 te Etten-Leur is het bestemmingsplan ‘Buitengebied’ van kracht. Het vigerende bestemmingsplan ‘Buitengebied’ is op 30 september 2013 vastgesteld. Op 20 mei 2015 is het bestemmingsplan grotendeels onherroepelijk geworden. De gedeelten die niet onherroepelijk zijn geworden hebben geen betrekking op de ontwikkelingen die met deze herziening beoogd worden. Verder gelden de planregels van de ‘Partiële herziening Buitengebied’ welke is vastgesteld op 24 januari 2022’. Daarnaast gelden de planregels van het ‘Paraplubestemmingsplan Vergroten inhoudsmaat burgerwoningen Buitengebied’. Dit paraplubestemmingsplan is vastgesteld op 27 mei 2019. Het bestemmingsplan ‘Buitengebied’ omvat vrijwel het gehele buitengebied van de gemeente Etten-Leur. Het plan is mede opgesteld op basis van de Structuurvisie ruimtelijke ordening Noord-Brabant en de Verordening ruimte Noord-Brabant (de voorlopers van de Omgevingsvisie en Interim omgevingsverordening NoordBrabant). Gemeente Etten-Leur heeft voor de leesbaarheid van de bestemmingsplannen op een locatie een geconsolideerd bestemmingsplan opgesteld, het bestemmingsplan ‘Buitengebied geconsolideerd’. Een geconsolideerd bestemmingsplan heeft geen juridische status, maar betreft een werkversie waarin onder andere bovengenoemde bestemmingsplannen zijn gecombineerd tot één leesbare versie.

In figuur 8 is de huidige bestemmingsplankaart van het bestemmingsplan ‘Buitengebied geconsolideerd’ weergegeven. De planlocatie heeft de bestemming ‘Agrarisch’ met een bijbehorend bouwvlak. Daarnaast ligt over het plangebied de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 1 t/m 3’. Tevens gelden voor de planlocatie de gebiedsaanduidingen ‘geluidzone – industrie’ en ‘luchtvaartverkeerzone’. Binnen de vigerende bestemmingen is het niet rechtstreeks mogelijk om de beoogde ontwikkeling mogelijk te maken. Het vigerende bestemmingsplan moet partieel worden herzien middels een bestemmingsplanprocedure ex. artikel 3.1 Wet ruimtelijke ordening, waarmee het ter plaatse vigerende bestemmingsplan partieel wordt herzien.

Bestemmingsplan toelichting | 07-12-2023

Pagina 24 van 49

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

Hoofdstuk 5 5.1

Milieu- en overige aspecten

Algemeen

Op de planlocatie Midden Donk 2 is momenteel een langgevelboerderij met daarbij een cultuurhistorische Vlaamse schuur aanwezig. Het betreft een voormalige agrarische bedrijfslocatie waarbij al enige tijd geen agrarische activiteiten meer worden uitgevoerd. De bestemming wordt gewijzigd naar de bestemming ‘Wonen’. Daarbij wordt de gehele langgevelboerderij in gebruik genomen als woning en wordt in de Vlaamse schuur een nieuwe woning gerealiseerd. Het huidige bestemmingsplan dient te worden herzien door middel van een bestemmingsplanprocedure ex. artikel 3.1 Wet ruimtelijke ordening. In onderstaande paragrafen zijn de ruimtelijke-milieu hygiënische aspecten welke betrekking hebben op het plangebied uiteengezet. 5.2

Cultuurhistorie en archeologie

5.2.1

Cultuurhistorie

Wettelijk toetsingskader In de toelichting van het bestemmingsplan dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening wordt gehouden (artikel 3.1.6, lid 5 Bro). De opsteller en vaststeller van het bestemmingsplan is daarmee dus verplicht om breder te kijken dan alleen naar het facet archeologie. Ook de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. Beleid provincie Noord-Brabant Voor het bepalen van de cultuurhistorische elementen van het plangebied is de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Noord-Brabant geraadpleegd. In de provincie Noord-Brabant dienen in het kader van het behoud van waardevolle cultuurhistorische elementen en archeologische vindplaatsen, bestemmingsplannen te worden getoetst aan de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW). Hierop staan de bepalende cultuurhistorische elementen aangegeven. Deze kaart is eveneens via de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant een verplicht te raadplegen onderdeel.

Figuur 9: Uitsnede Cultuurhistorische Waardenkaart (bron: brabant.nl)

Bestemmingsplan toelichting | 07-12-2023

Pagina 25 van 49

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

Op de Cultuurhistorische Waardenkaart (figuur 9) van de provincie Noord-Brabant is te zien dat het planlocatie is gelegen binnen een historische stedenbouw ‘Buurtschap Middendonk’. De ontsluiting Midden Donk is gemarkeerd als ‘historische geografie – lijn van zeer hoge waarde’ (klinkerwegen Midden Donk, Lage Donk en Goorstraat). Historische stedenbouw De planlocatie is gelegen in een historische stedenbouw en wel ‘Buurtschap Middendonk’. Buurtschap Middendonk is een gaaf voorbeeld van een uitgedunde voormalige veennederzetting, in de vorm van een onregelmatig bebouwd lineair wegdorp. De Midden Donk is een weg met klinkerbestrating en resten van laanbeplanting (eik). De bebouwing bestaat uit hoofdzakelijk haaks op de weg gebouwde langgevelboerderijen (circa 1700-1850, 1930) met enkele schuren. De ontwikkeling aan Midden Donk 2 staat in het teken van het behoud van aanwezige cultuurhistorische bebouwing. De Vlaamse schuur op de planlocatie is door gemeente Etten-Leur aangewezen als gemeentelijk monument. Het voornemen is om in de Vlaamse schuur een woning te realiseren met als doen het behoud en herstel van het monumentaal gebouw. Het behoud van de Vlaamse schuur draagt bij aan een meerwaarde voor de historische stedenbouw van Buurtschap Middendonk. Historische geografie Midden Donk is aangeduid als historische geografie (lijn) van zeer hoge waarde.

Het betreft hier een in elkaars verlengde gesitueerde oude wegenstructuur, noord-zuid getraceerd, parallel aan de Kibbelvaart en doorsneden door de Hoevensche Weg, voorzien van een historische bestrating met oude, gebakken klinkers. De provincie wil de geografische lijnen, net als de overige cultuurhistorische waarden, behouden, verder ontwikkelen en toeristisch-recreatief ontsluiten. De historische lijnen blijven door de ontwikkelingen op de planlocatie onaangeroerd. Het bestaande beeld aan de Midden Donk blijft behouden en gewaarborgd door de ontwikkeling binnen het plangebied. De ontwikkeling binnen het plangebied doet geen afbreuk aan cultuurhistorische waarden binnen of in de nabije omgeving van het plangebied. 5.2.2

Archeologie

Wettelijk toetsingskader Het Europese verdrag betreffende de bescherming van het archeologische erfgoed is in 1992 in Valletta (Malta) ondertekend door de ministers van Cultuur van de landen aangesloten bij de Raad van Europa. Dit verdrag wordt het ‘Verdrag van Malta’ genoemd. Het verdrag van Malta heeft als hoofddoel archeologische resten in Europa te beschermen als onvervangbaar onderdeel van het culturele erfgoed. In Nederland heeft het rijk dit Verdrag in 2007 verankerd in nationale wet- en regelgeving middels de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz). De Wamz is geen zelfstandige wet, maar een Wijzigingswet en betreft onder meer een herziening van de Monumentenwet 1988. De belangrijkste wijziging voor gemeenten is het feit dat archeologie sinds de invoering van de wet archeologie moet verankeren in het bestemmingsplan. Dit is niet veranderd met de inwerkingtreding van de Erfgoedwet (1-7-2016). Sindsdien is het behoud en beheer van het Nederlandse erfgoed geregeld door één integrale Erfgoedwet. De omgang met archeologie in de fysieke leefomgeving zal in de nieuwe Omgevingswet worden geregeld. De Omgevingswet zal naar verwachting in 2022 in werking treden. Het uitgangspunt is dat de beschermingsniveaus zoals die in de eerdere wetten en regelingen golden, worden gehandhaafd.

Beoordeling De gemeenteraad van Etten-Leur heeft op 11 oktober 2010 het beleid ter bescherming van het archeologisch erfgoed vastgesteld, inclusief een gemeentelijke archeologische beleidskaart. Het archeologisch beleid en de beleidskaart zijn in onderhavig bestemmingsplan door vertaald. Aan de in het plangebied aanwezige gebieden met archeologische verwachtingswaarden is een dubbelbestemming toegekend. De gemeente Etten-Leur heeft in het bestemmingsplan “Buitengebied” de archeologische verwachtingswaarde verbeeld. In dit bestemmingsplan zijn ter plaatse van Midden Donk 2 en de aangrenzende gronden de dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie 1’, ‘Waarde – Archeologie 2’ en ‘Waarde – Archeologie 3’ opgenomen. Het betreft hier gronden met een middelhoge tot hoge archeologische verwachtingswaarde. De volgende ontheffingscriteria zijn op deze dubbelbestemmingen van toepassing: ▪ Archeologie 1: o Diepte ondergrens 40 cm -MV o Omvang ondergrens 100 m²

Bestemmingsplan toelichting | 07-12-2023

Pagina 26 van 49

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

▪

▪

Archeologie 2: o Diepte ondergrens 40 cm -MV o Omvang ondergrens 1.000 m² Archeologie 3: o Diepte ondergrens 40 cm -MV o Omvang ondergrens 2.500 m²

Het voorliggende plan heeft betrekking op het wijzigen van de agrarische bestemming naar een woonbestemming. De langgevelboerderij wordt geheel in gebruik genomen als woning en er wordt een woning gerealiseerd in de bestaande Vlaamse Schuur. Op de planlocatie vinden naar aanleiding van het wijzigingen van de bestemming geen grondroerende activiteiten plaats. Het aspect archeologie staat het voorgenomen initiatief niet in de weg. Er dient met betrekking tot het bestemmingplan geen archeologisch onderzoek uitgevoerd te worden. 5.3

Wegverkeerslawaai

Bij het ontwikkelen van een ruimtelijk plan is het belangrijk rekening te houden met geluidsbronnen en de mogelijke hinder of overlast daarvan voor mensen. De beoordeling van het aspect geluid in ruimtelijke plannen vindt zijn grondslag in vooral de Wet geluidhinder en daarnaast in de Wet ruimtelijke ordening, op basis van het voorzien in een goed woon- en leefklimaat. In het kader van de Wet geluidhinder (Wgh) zijn de objecten; woningen, geluidsgevoelige terreinen en andere geluidsgevoelige gebouwen beschermt tegen wegverkeerslawaai, industrielawaai, spoorweglawaai en omgevingslawaai. Onder geluidsgevoelige terreinen wordt verstaan: terreinen behorend bij andere gezondheidszorggebouwen dan algemene categorale en academische ziekenhuizen, alsmede verpleeghuizen en woonwagenstandplaatsen. Geluidsgevoelige gebouwen zijn onder andere onderwijsgebouwen, ziekenhuizen, verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen. In het kader van de Wet geluidhinder (Wgh) is een woning een geluidsgevoelig object. Langs alle wegen - met uitzondering van 30 km/h-wegen en woonerven- bevinden zich op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) geluidszones waarbinnen de geluidhinder vanwege de weg getoetst moet worden. De breedte van de geluidszone is afhankelijk van het aantal rijstroken en van een binnen- of buiten stedelijke ligging.

Het berekenen van de geluidbelasting heeft tot doel te bepalen of de voorkeursgrenswaarde van Lden – 48 dB uit de Wet geluidhinder wordt overschreden. Is dit het geval dan dient een hogere waarde verleend te worden om realisatie van het bouwplan mogelijk te maken en dienen bouwkundige voorzieningen te worden bepaald om aan de binnen niveaus van de Wet geluidhinder en de geluidweringseisen van het Bouwbesluit te voldoen. In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt voor de nieuwe woning in de Vlaamse schuur de geluidsbelasting van de aan het plangebied gelegen wegen onderzocht door middel van een akoestisch onderzoek. De geluidsbelasting van deze wegen zal worden berekend op de nieuwbouw en worden getoetst aan (kwalitatieve) eisen voor een goede ruimtelijke ordening. Op 24 februari 2023 is door Kraaij Akoestisch Adviesbureau een akoestisch onderzoek uitgevoerd voor de herontwikkeling van de bestaande Vlaamse schuur aan de Midden Donk. Het volledige onderzoek is als afzonderlijke bijlage toegevoegd aan onderhavige toelichting. Hieronder is de korte samenvatting en advies uit het onderzoek weergegeven. Voor de volledige onderzoeksresultaten wordt kortheidshalve verwezen naar de bijlage.

Samenvatting en advies akoestisch onderzoek Na uitvoering van het akoestisch onderzoek naar de geluidbelasting vanwege wegverkeerslawaai op de gevels van de tot woning te verbouwen Vlaamse schuur aan de Midden Donk 2 in Etten-Leur kan gesteld worden dat: ▪ de geluidbelasting vanwege de N640 ten hoogste 52 dB bedraagt en daarmee niet overal voldoet aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB in navolging van de Wgh. De overschrijding van 2 – 4 dB plaatsvindt op met name de noordgevel, maar in mindere mate ook op de west- en zuidgevel van de woning.

Bestemmingsplan toelichting | 07-12-2023

Pagina 27 van 49

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

▪ ▪ ▪ ▪ ▪

▪

▪ ▪

▪ ▪

de geluidbelasting vanwege de Midden Donk ten hoogste 48 dB bedraagt en daarmee overal voldoet aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB uit de Wgh. de geluidbelasting vanwege de Lage Donk ten hoogste 30 dB bedraagt en daarmee overal voldoet aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB uit de Wgh. De geluidbelasting vanwege industrielawaai bedraagt ten hoogste 46 dB(A). De voorkeursgrenswaarde van 50dB(A) uit de Wgh wordt niet overschreden. de maximale geluidbelasting voor het aanvragen van een hogere waarde (53 dB) vanwege de N640 niet wordt overschreden. uit maatregelenonderzoek blijkt dat bron- en overdrachtsmaatregelen niet doelmatig zijn of stuiten op overwegende bezwaren van financiële, praktische, stedenbouwkundige of verkeers- en vervoerskundige aard. er geen of slechts in beperkte mate sprake is van toename in geluid na cumulatie (<= 3 dB), omdat er slechts één geluidbron in het onderzoek relevant is, namelijk de N640, maar de geluidbelasting vanwege de Midden Donk bij cumulatie van geluid nog wel invloed uitoefent op de geluidbelasting. het akoestisch woon- en leefklimaat bij de verbouw overwegend als goed tot redelijk dient te worden beoordeeld. Alleen op de verdiepingshoogte aan de oostzijde is net sprake van een matig woonmilieu.

uit de rekenresultaten blijkt dat er bij de woning zondermeer twee geluidluwe gevels aanwezig zijn, evenals dito geluidluwe buitenruimten, te weten aan de west- en zuidzijde van de woning (geluidbelasting na cumulatie ten hoogste 53 dB). In dit geval is dus sprake van een goede ruimtelijke ordening. er voor het verbouwplan een hogere waarde van 52 dB kan worden aangevraagd bij de gemeente Etten-Leur vanwege de geluidbelasting van de N640. Geadviseerd wordt de karakteristieke geluidwering bij de aanvraag om een Omgevingsvergunning Bouwen te laten beoordelen door een akoestisch adviseur.

De geluidbelasting vanwege de N640 bedraag ten hoogste 52 dB en voldoet daarmee niet overal aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB in navolging van de Wgh. De overschrijding van 2 – 4 dB vindt met name plaats op de noordgevel, maar in mindere mate ook op de west- en zuidgevel van de woning. Ten behoeve van deze overschrijding wordt bij gemeente Etten-Leur een hogere waarde van 52 dB aangevraagd vanwege de geluidsbelasting van de N640 op de gevels van de bestaande Vlaamse schuur. De maximale geluidsbelasting voor het aanvragen van een hogere waarde (53 dB) wordt niet overschreden. Ten tijde van de aanvraag voor omgevingsvergunning voor de verbouwwerkzaamheden van de Vlaamse schuur zal de karakteristieke geluidwering worden beoordeeld. 5.4

Hinder en bedrijven

5.4.1

Richtafstanden bedrijven

Algemeen Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient rekening te worden gehouden met eventuele milieuhinder als gevolg van (bedrijfs-)activiteiten. Uitgangspunt daarbij is dat bedrijven niet in hun bedrijfsvoering worden beperkt en dat ter plaatse van woningen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-publicatie ‘Bedrijven en Milieuzonering’ gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstand geldt tussen enerzijds de bestemming die bedrijven (of andere milieubelastende functies) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunningsvrij bouwen mogelijk is. De gegeven afstanden zijn in het algemeen richtafstanden en geen harde afstandseisen.

Op basis van het aspect met de grootste afstand zijn de bedrijven in de volgende categorieën ingedeeld: ▪ categorie 1: grootste afstand 10 meter; ▪ categorie 2: grootste afstand 30 meter; ▪ categorie 3: grootste afstanden 50 en 100 meter;

Bestemmingsplan toelichting | 07-12-2023

Pagina 28 van 49

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

▪ ▪ ▪

categorie 4: grootste afstanden 200 en 300 meter; categorie 5: grootste afstanden 500, 700 en 1.000 meter; categorie 6: grootste afstand 1.500 meter.

Omgevingstype In de VNG-publicatie is een gebied ingedeeld in twee typen: rustige woonwijk/rustig buitengebied of gemengd (buiten)gebied. Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied beschouwd worden. Indien sprake is van een gemengd gebied kan de richtafstand met één afstandsstap worden verlaagd. De omgeving van het plangebied kan gezien worden als, door de VNG-publicatie aangegeven, ‘gemengd gebied’. Het plangebied is gelegen in het ‘Gemengd - Landelijk gebied’ zoals aangewezen in de Interim omgevingsverordening. Daarnaast betreft de bebouwing aan de Midden Donk een lintbebouwing met een sterke functiemenging van (agrarische)bedrijven. Tevens is de planlocatie op korte afstand gelegen van de N640 waardoor reeds een hogere achtergrondbelasting op basis van geluid van toepassing is. Doordat het gebied getypeerd wordt als ‘gemengd gebied’ mogen de richtafstanden worden teruggebracht met één afstandsstap. Richtafstanden In de omgeving zijn diverse (agrarische) bedrijven gevestigd. Alle bedrijven gelegen binnen een straal van circa 200 meter van de planlocatie zijn beoordeeld.

In onderstaande tabel is de afstand weergegeven ten opzichte van het plangebied, uitgaande van een gebiedstypering ‘gemengd gebied’.

Stof

Geluid

Gevaar

Grondgebonden teeltbedrijf Nutsvoorziening Grondgebonden teeltbedrijf met nevenactiviteit kamerverhuur Grondgebonden veehouderij Grondgebonden teeltbedrijf Horeca – café Grondgebonden teeltbedrijf Glastuinbouwbedrijf

Afstand bouwvlak (omliggend bedrijf) tot de planologische mogelijkheid voor het oprichten van een gevoelig object binnen het plangebied

Geur

Tabel 2: Richtafstanden bedrijven, omgevingstype ‘gemengd gebied’ Bedrijfsomschrijving Adres Milieucat. Richtafstand omgevingstype ‘gemengd gebied’ in meters

2

0 0 0

0 0 0

10 10 10

10 10 10

21 m 30 m 115 m

3.2 2 1 2 2

50 0 0 0 0

10 0 0 0 0

10 10 0 10 10

0 10 10 10 10

220 m 129 m 95 m 135 m 160 m

Midden Donk 1 Midden Donk 2a Midden Donk 6

2

Midden Donk 8 Hoevenseweg 45a Hoevenseweg 48 Hoevenseweg 44c Lage Donk 12

In bovenstaande tabel zijn alle bedrijven in een straal van 200 meter in beeld gebracht. De aanwezige bedrijven rondom het plangebied liggen op een dermate afstand dat hinder van deze bedrijven uitgesloten kan worden. Uit bovenstaande blijkt dat voldaan wordt aan de richtafstanden zoals beschreven in de VNG-publicatie. Op een afstand van 350 meter van de planlocatie is het bedrijventerrein ‘Vosdonk’ gelegen. Binnen het bestemmingsplan ‘Herziening 1 Bedrijventerrein Vosdonk’ zijn aan de zijde van de planlocatie bedrijven in milieucategorie 4.2 toegestaan. Deze bedrijven hebben, gelet op de gebiedstypering ‘gemengd gebied’, een richtafstand van 200 meter ten opzichte van gevoelige objecten. Er wordt hiermee voldaan aan de richtafstanden zoals beschreven in de VNG-publicatie.

Bestemmingsplan toelichting | 07-12-2023

Pagina 29 van 49

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

5.4.2

Geurhinder en veehouderij

Toetsingskader De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) betreft een wet waarmee de nationale regels inzake geurhinder ten opzichte van de tot veehouderijen behorende dierenverblijven vastgesteld staan. De Wet geurhinder en veehouderij heeft tot doel het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van geurbelasting, onder andere als gevolg van emissies door veehouderijen. Met minimumafstanden en maximale waarden voor geurbelasting krijgen geurgevoelige objecten bescherming tegen geurhinder. Met de in de Wet geurhinder en veehouderij opgenomen grenswaarden moet rekening gehouden worden bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen zoals het wijzigen van een bestemming. De Wet geurhinder en veehouderij vormt vanaf 1 januari 2007 het toetsingskader voor de milieuvergunning. Indirect heeft de Wet geurhinder en veehouderij ook consequenties voor de totstandkoming van geurgevoelige objecten en dus voor de ruimtelijke ordening, dit wordt ‘omgekeerde werking’ genoemd.

Voor wat betreft geurhinder van veehouderijen betekent dit dat de volgende aspecten in oogschouw moeten worden genomen: ▪ Wordt er een onevenredige inbreuk gemaakt op de mogelijkheden voor bedrijfsontwikkeling van de nabijgelegen veehouderijen? ▪ Is ter plaatse van het plangebied een goed woon- en leefklimaat gegarandeerd? Een geurgevoelig object is een gebouw dat is bestemd voor en geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf. Het gebouw moet hiervoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze worden gebruikt. De bestaande voormalige bedrijfswoning (langgevelboerderij) en de woning in de Vlaamse schuur aan Midden Donk 2 kunnen gezien worden als een geurgevoelig object. Voor de planlocatie dient te worden uitgegaan van een goed woon- en leefklimaat. Bij de beoordeling of het leefklimaat ter plaatse van het plangebied aan de Midden Donk acceptabel is, dient de geurbelasting veroorzaakt door alle in de buurt gelegen veehouderijen samen (achtergrondbelasting) en de geurbelasting op de planlocatie door de individuele bedrijven (voorgrondbelasting en vaste afstand) veroorzaakt in beeld te worden gebracht. Beoordeeld moet worden of de belasting acceptabel is. De Wet geurhinder en veehouderij geeft de gemeenten de bevoegdheid om, binnen gestelde marges, bij verordening afwijkende geurnormen op te stellen in een gebiedsvisie.

De gemeente Etten-Leur kent voor het gebied waarin de planlocatie is gelegen geen geurverordening, voor het bepalen van een goed woon- en leefklimaat worden daarom de geurnormen uit de Wet geurhinder en veehouderij gehanteerd. Woon- en leefklimaat op basis van geuremissie In de Wet geurhinder en veehouderij zijn in artikel 3 grenswaarden opgenomen voor de geurbelasting van een veehouderij op een geurgevoelig object. Deze grenswaarden worden weergegeven in odour units per kubieke meter (ouE/m3). Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen de ligging binnen of buiten concentratiegebieden en de bebouwde kom. De gemeente Etten-Leur is conform bijlage 1 van de Meststoffenwet gelegen buiten een concentratiegebied. Het plangebied aan Midden Donk, is gelegen buiten de bebouwde kom, waardoor conform artikel 3, lid 1d van de Wgv een geurbelasting van 8 odour units (ouE/m³) op een gevoelig object is toegestaan. Verder worden eisen gesteld aan de afstand tussen een veehouderij met dieren zonder een geuremissiefactor en een geurgevoelig object. De norm van 8 ouE/m³ geldt altijd, tenzij het gaat om het houden van dieren waarvoor geen geuremissiefactoren zijn vastgesteld in de Wet geurhinder en veehouderij. Dan geldt een vaste afstand.

De langgevelboerderij en de woning in de Vlaamse schuur kunnen gezien worden als geurgevoelige objecten in het kader van de Wet geurhinder en veehouderij voor omliggende bedrijven. Gekeken moet worden of binnen het plangebied een acceptabel woon- en leefklimaat aanwezig is en of de ontwikkeling op de planlocatie (het omzetten van de huidige bestemming naar ‘Wonen’) geen beperkende werking heeft voor omliggende veehouderijen. Het woon- en leefklimaat als het gevolg van de geurbelasting van omliggende veehouderijen is in onderstaande afbeelding weergegeven. De Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant heeft voor heel Noord-Brabant, op basis van een export van de bronnen uit KRD Noord Brabant met behulp van V-Stacks Gebied, de achtergrondbelasting bepaald. De gehanteerde emissiegegevens dateren van juni 2023 en zijn daarmee actueel. De emissie van elk bedrijf is geconcentreerd op de x- en y-coördinaat zoals die in het KRD Noord-Brabant is ingevoerd. Hierdoor

Bestemmingsplan toelichting | 07-12-2023

Pagina 30 van 49

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

geeft de onderstaande kaart een indicatie van het woon- en leefklimaat. Opgemerkt dient te worden dat in de directe nabijheid van een veehouderij de achtergrondbelasting net anders kan zijn. Als uit deze kaart blijkt dat er overbelaste situaties aan de orde zijn, is een gedetailleerde achtergrondberekening benodigd.

Figuur 10: Uitsnede achtergrondbelastingkaart ODZOB

Uit figuur 10, een uitsnede van de achtergrondbelastingkaart van de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant, blijkt dat de kwaliteit van de leefomgeving voor de planlocatie Midden Donk 2 op basis van de achtergrond belasting als ‘zeer goed’ is aan te merken. Op de planlocatie is er geen sprake van een overbelaste situatie. Een aanvullende berekening voor het bepalen van de achtergrondbelasting of voorgrondbelasting is in deze situatie dan ook niet noodzakelijk. Op de planlocatie is de achtergrondbelasting zo laag dat niet te verwachten is dat er op basis van de voorgrondbelasting van een afzonderlijke veehouderij belemmeringen optreden. Er is derhalve sprake van een goed woon- en leefklimaat op basis van geuremissie. Woon- en leefklimaat op basis van vaste afstanden In de Wet geurhinder en veehouderij worden daarnaast eisen gesteld aan de afstand tussen een veehouderij met dieren zonder geuremissiefactor en een geurgevoelig object. Conform artikel 4.1 van de Wet geurhinder en veehouderij gelden voor agrarische bedrijven met dieren zonder geuremissiefactor vaste afstanden tussen het dierverblijf en geurgevoelige objecten. De minimale afstand buiten de bebouwde kom betreft 50 meter. Daarnaast dient op grond van artikel 5.1 van de Wet geurhinder en veehouderij een minimale afstand aangehouden te worden van 25 meter van de gevel van het dierenverblijf tot het geurgevoelig object.

Het dichtstbijzijnde veehouderijbedrijf waarbij de vaste afstanden van toepassing zijn, is het veehouderijbedrijf aan de Midden Donk 8 te Etten-Leur. Het betreft een melkveehouderij waar rundvee gehouden wordt. De melkveehouderij ligt op een afstand van circa 220 meter afstand ten zuiden van de planlocatie, en ligt daarmee op een grote afstand van de planlocatie. Alle overige veehouderijen met dieren waarbij de vaste afstanden gelden zijn op een grotere afstand vanaf de planlocatie gelegen. De ontwikkelingen op de planlocatie aan Midden Donk 2 vinden hierdoor plaats op een ruime afstand van bestaande veehouderijbedrijven. De hiervoor genoemde afstanden worden hiermee ruimschoots behaald. Er is derhalve sprake van een goed woon- en leefklimaat op basis van de vaste afstanden. Gelet op voorgaande kan geconcludeerd worden dat het aspect geur geen belemmering vormt voor de ontwikkelingen binnen het plangebied, en andersom ook geen beperkende werking hebben op eventuele toekomstige uitbreiding mogelijkheden van veehouderijbedrijven in de omgeving. 5.4.3

Gezondheidsaspecten

Toetsingskader Het gezondheidsaspect heeft de laatste jaren steeds meer aandacht als het gaat om veehouderijen in de nabijheid van woningen en woonkernen. Met name komst of de aanwezigheid van intensieve veehouderijen

Bestemmingsplan toelichting | 07-12-2023

Pagina 31 van 49

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

kan onrust veroorzaken over de gezondheid bij omwonenden. Mogelijke risico's voor de gezondheid kunnen worden veroorzaakt door fijnstof, stank, endotoxinen en zoönose. Endotoxinen zijn deeltjes van bacteriën of schimmels die zitten in agrarisch stof. Zoönose zijn infectieziekten die van dieren op mensen overdraagbaar zijn. Voorbeelden hiervan zijn de vogelgriep, MRSA, BSE en Q-koorts. De huidige onderzoeken – bekend gemaakt vanuit Ministeries, Rivm, Gezondheidsraad of GGD - maken duidelijk dat er nog veel onbekend is en dat daarom nauwkeurige uitspraken over een eventuele directe relatie tussen nabijheid van veehouderij en effecten op de gezondheid van omwonenden nog niet mogelijk zijn. Voor zover echte verbanden tussen gezondheidseffecten en veehouderij worden gevonden, hebben deze betrekking op de afstand tussen veehouderij en bewoning en op het aantal bedrijven binnen een zekere straal rond bewoonde gebieden. Uit de resultaten van huidige onderzoeken kan echter niet simpelweg worden geconcludeerd om welke afstand het gaat en bij welke concentraties gezondheidseffecten optreden. Omdat veel mensen zich afvragen of het (on)gezond is om in de buurt van een veehouderij te wonen heeft het Rijksinstituut voor volksgezondheid en milieu (RIVM) onderzoek laten verrichten.

Dit heeft geresulteerd in twee onderzoeksrapporten “Veehouderij en Gezondheid Omwonenden”, kortweg VGO 1 uit 2016 en VGO 2 uit 2017. De belangrijkste resultaten uit deze onderzoeken zijn: ▪ Rond pluimveehouderijen en geitenhouderijen komen iets vaker longontstekingen voor; ▪ Bij mensen die dicht bij een veehouderij wonen komen astma en neusallergie minder voor; ▪ Mensen die in de buurt van veel veehouderijen wonen kunnen een verminderde longfunctie hebben. Uit het VGO 2-rapport volgt verder dat er een verhoogde kans (29%) op longontsteking is binnen een straal van 1,5 tot 2 km van geitenveehouderijen en 1 km van pluimveehouderijen. De precieze oorzaak van deze verhoogde risico`s kan echter niet worden aangegeven door de GGD. Op dit moment gaat men ervan uit dat pas binnen enkele jaren meer concreet aangegeven kan worden of er oorzakelijke verbanden bestaan en wat deze inhouden. In maart 2016 is de eerste versie van de Handreiking veehouderij en volksgezondheid verschenen. De handreiking bestaat uit een algemene onderbouwing op grond waarvan volksgezondheid meegenomen dient te worden in de ruimtelijke besluitvorming en besluitvorming in het kader van milieu.

Vervolgens is een wijze van beoordeling uitgewerkt (‘het stappenplan’) om tot een zorgvuldige, praktische en uniforme beoordeling te komen of er een dusdanig verhoogd risico voor de volksgezondheid bestaat dat advisering vanuit de GGD wenselijk is. Op deze manier wordt gestreefd om in Brabant, totdat er meer duidelijkheid is over een toe te passen (wettelijk) beoordelingskader, dan wel dat zich andere ontwikkelingen voordoen, gezamenlijk tot een breed gedragen werkwijze te komen die recht doet aan het belang van de volksgezondheid voor de burgers in de provincie. Inmiddels is de handreiking van maart 2016 geactualiseerd in de Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0. Beoordeling In het stappenplan zijn aspecten meegenomen in de afweging of voor een specifieke situatie er een dusdanig verhoogd risico voor de volksgezondheid bestaat dat advisering vanuit de GGD wenselijk is. Dit stappenplan is in principe ook te gebruiken voor ruimtelijke plannen. In het stappenplan wordt onder andere getoetst aan de aspecten geur en fijnstof zoals deze staan beschreven in paragraaf 5.4.2 en 5.6. Daarnaast wordt er aan de hierboven benoemde afstanden getoetst of er binnen deze afstanden bepaalde veehouderijen zijn gelegen. Stappenplan 2.0: Beoordeling of advisering vanuit de GGD door het OT geadviseerd wordt 1.

Endotoxine (varkens-/pluimveehouderijen): door de Gezondheidsraad is een advieswaarde van 30 EU/m³ voorgesteld, welke door de GGD en het Ondersteuningsteam is overgenomen. Rondom 500 meter van individuele pluimveehouderij is een overschrijding van deze advieswaarde mogelijk. Bij individuele varkenshouderijen is deze overschrijding tot op een afstand van 200 meter mogelijk.

Voldoet? Nee.

Opvragen advies GGD Nee, zie verdere beschrijving onder tabel.

Op circa 410 meter van de planlocatie is een pluimveehouderij gelegen. Deze pluimveehouderij is gesitueerd aan Midden Donk 11. Overige veehouderijen zijn buiten de aan te houden afstanden gelegen.

Bestemmingsplan toelichting | 07-12-2023

Pagina 32 van 49

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

2. Emissies: de ontwikkeling leidt tot een toename in de emissie voor geur, fijnstof en/of ammoniak. Uit het Volksgezondheidsonderzoek komt naar voren dat diverse gezondheidseffecten gerelateerd lijken te zijn aan de blootstelling van omwonenden aan de emissie van fijnstof, micro-organismen en ammoniak afkomstig van veehouderijen. Indien sprake is van een toename van de emissie is dit in principe vanuit het streven naar omgevingsbewust handelen geen gewenste situatie. In dit geval kan om advies aan de GGD gevraagd worden. De beoogde ontwikkeling op de planlocatie leidt niet in een toename van fijnstof, micro-organismen en ammoniak. 3a. Geur, toetsen aan aanvaardbaar woon-/leefklimaat a.d.h.v. het wettelijk kader: op grond van de Wet geur- en veehouderij kan er sprake zijn van overbelasting voor wat betreft geur. Indien er sprake is van overbelasting, wordt een locatie-specifiek advies door de GGD geadviseerd. Er dient een acceptabel geurbelasting met betrekking tot de voorgrond- en achtergrondbelasting te zijn en er moet worden voldaan aan het principe ‘vaste afstanden’. De dichtstbijzijnde inrichting waar dieren worden gehouden betreft Midden Donk 8 te Etten-Leur. Deze melkveehouderij is gelegen op een afstand van minimaal 220 meter van de planlocatie. In paragraaf 5.4.2 is nader toegelicht dat deze situatie acceptabel is en niet leidt tot een onevenredige (geur)hinder. 3b.

Ten aanzien van het aspect geur kan ook worden gekozen voor gezondheidskundige uitgangspunten: De GGD hanteert het standpunt dat het onderzoek van Geelen et al. (2015) het best beschikbare beeld van de relatie tussen achtergrondbelasting geur van veehouderij en mate van geurhinder geeft. Bij de beoordeling van de geurbelasting hanteert de GGD het uitgangspunt dat maximaal 12% van de woonkern geur gehinderd. Voor de achtergrondbelasting houdt dit dat een norm van 5 ouE/m³ in. Daarnaast geldt voor diersoorten zonder wettelijke geuremissiefactor een aan te houden afstand vanaf de rand van een bedrijf tot de dichtstbijzijnde gevoelige bestemming van 100 meter. In paragraaf 5.4.2 is nader toegelicht dat deze situatie acceptabel is en niet leidt tot een onevenredige (geur)hinder. Er wordt voldaan aan deze uitgangspunten van de GGD wat betreft geur gehinderde en de achtergrondbelasting-norm. 4. De aanwezige diersoort(en) binnen een veehouderij: Het gecombineerd houden van dieren kan van invloed zijn op eventuele risico’s op de volksgezondheid. Dit heeft te maken met een verhoogde infectiedruk en het risico op vermenging van bacteriën/ virussen. Nieuwe situaties met gemengde dieren zijn vanuit volksgezondheid niet gewenst. Het voorgaande kan ook gelden als een varkensbedrijf en pluimveebedrijf dicht bij elkaar liggen.

De minimaal gewenste onderlinge afstand tussen de inrichtingsgrenzen van veehouderijen bedraagt 100 meter. Het planvoornemen maakt geen nieuwe veehouderij mogelijk. 5. Afstand geitenhouderijen, pluimveebedrijven en overige veehouderijen: In oktober 2011 is door de GGD Nederland het standpunt naar buiten gebracht dat bij nieuwe ontwikkelingen (gevoelige bestemmingen of nieuwe veehouderijen) een afstand van minimaal 250 meter aangehouden moet worden tussen veehouderijen en een bebouwde kom of gevoelige bestemmingen. Voor geitenhouderijen geldt een aan te houden afstand van 2 kilometer, voor pluimveebedrijven een aan te houden afstand van 1 kilometer en voor overige veehouderijen een aan te houden afstand van 250 meter. Indien een ontwikkeling op kortere afstand ligt dan 250 meter van een bebouwde kom, is het advies een aanvullende risicobeoordeling te laten uitvoeren.

Ja.

Nee.

Ja.

Nee.

Ja.

Nee.

Ja.

Nee.

Nee

Nee, zie nadere onderbouwing onder tabel

Op circa 220 meter van de planlocatie is een melkveehouderij gelegen. Het bouwvlak van de meest dichtblij gelegen pluimveehouderij is gelegen op een

Bestemmingsplan toelichting | 07-12-2023

Pagina 33 van 49

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

afstand van circa 410 meter van de planlocatie. Er zijn geen geitenhouderijen gelegen binnen 2 km van de planlocatie. De aanwezigheid van de melkveehouderij binnen 250 meter van de planlocatie leidt niet tot gezondheidsklachten, zie voorgaande paragrafen. Na deze tabel is uitgewerkt dat de aanwezigheid van de pluimveehouderij binnen 1 kilometer van de planlocatie niet leidt tot onevenredige gezondheidsklachten.

6. Er is sprake van bewerking of verwerking van mest of als zelfstandige activiteit, Het planvoornemen maakt geen activiteiten met betrekking tot het bewerken of verwerken van mest mogelijk. 7. Bij omwonenden is sprake van ongerustheid over de volksgezondheid.

Ja.

Nee.

Ja.

Nee.

Er zijn geen signalen die duiden op een (significante) ongerustheid met betrekking tot de volksgezondheid in de omgeving van het plangebied. Het bovenstaande stappenplan is doorlopen. Het planvoornemen voldoet aan alle voorwaarden, met uitzondering van dat er één pluimveehouderij binnen 500 meter/1 kilometer van de planlocatie is gelegen. In onderstaande onderbouwing wordt aangetoond dat het niet noodzakelijk is om een GGD-advies aan te vragen voor onderhavige ontwikkeling. Beoordeling pluimveehouderij De windrichting speelt een voorname rol bij de verspreiding van de uitstoot van een veehouderij. Windrichting en windsterkte spelen een rol bij de verspreiding van fijnstof (inclusief endotoxinen, ammoniak en microorganismen) en geur. Omdat de overwegende windrichting in Nederland uit het zuidwesten komt zal de verspreiding van geur en fijnstof zich doorgaans verplaatsen uit de richting van de planlocatie. Om de relatie bronsterkte fijnstof en aan te houden afstand om te voldoen aan de door de Gezondheidsraad geadviseerde endotoxinegrenswaarde van 30 EU/m3 te kunnen berekenen zijn voor vleeskuikens, legkippen en vleesvarkens formules afgeleid uit het rapport van Erbrink (2016). Omgekeerd kan met deze formules voor de ontwikkeling van een gevoelig object worden berekend of ter plaatse voldaan wordt aan de adviesgrenswaarde van 30 EU/m3.

Voor de varkenshouderijen wordt aangesloten bij de correlatie behorende bij vleesvarkens. Voor de pluimveehouderijen wordt aangesloten bij de correlatie behorende bij vleeskuikens, zie hieronder de betreffende vergelijking(en). Vleesvarkens Y = P1 * ln(x) – P2 P1 = 60,0608184 P2 = 231,712643 X = PM10 emissie (kg/jaar) Y = afstand (m)

Vleeskuikens Y = P1 * x ^P2 P1 = 6,46065585 P2 = 0,49242746 X = PM10 emissie (kg/jaar) Y = afstand (m)

Aan de hand van de fijnstofemissie PM10 van het bedrijf kan met deze formule worden berekend op welke afstand wordt voldaan aan de adviesgrenswaarde. De totale fijnstofemissie van het pluimveebedrijf resulteert in de volgende richtafstand: 6,46065585 * 1.328,03 kg/j ^ 0,49242746 = 223 m De dichtstbijzijnde punt van het agrarisch bouwvlak van het adres Midden Donk 8 ligt op een werkelijke afstand van 410 meter van het woonbestemmingsvlak van Midden Donk 2. Het werkelijke emissiepunt van de veehouderij ligt op een nog grotere afstand van de langgevelboerderij en Vlaamse schuur. Daarmee kan worden geconcludeerd dat voldaan kan worden aan de adviesgrenswaarde voor endotoxinen van 30 EU/m3 ter plaatse van de langgevelboerderij en de Vlaamse schuur.

Bestemmingsplan toelichting | 07-12-2023

Pagina 34 van 49

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

Bovendien moet iedere veehouderij voldoen aan wet- en regelgeving voor diverse milieuaspecten, zoals ammoniakuitstoot, geur, fijnstof, aanwezigheid en gebruik van gevaarlijke stoffen, aan- en afvoer van meststoffen, geluid, brandveiligheid, etc. Indien een veehouderij niet voldoet, zal een vergunning dus niet verleend worden. Er mag vanuit worden gegaan dat de grenswaarden die in de wet zijn opgenomen de volksgezondheid in voldoende mate beschermen. Verder kunnen er nog een aantal overwegen worden gegeven waarom de in de nabijheid gelegen pluimveehouderij niet leidt tot een onevenredig gezondheidsrisico ter plaatse van de woningen aan Midden Donk 2 te Etten-Leur. ▪ Midden Donk 2 betreft een bestaande locatie met een reeds bestaande woning in de langgevelboerderij. ▪ In de omgeving is geen sprake van ongerustheid bij omwonenden over het aspect volksgezondheid gerelateerd aan de betreffende pluimveehouderij of andere veehouderijen in de omgeving; ▪ De pluimveehouderij is de meest bepalende veehouderij voor wat betreft geuremissie in de omgeving. De achtergrondbelasting geur ter plaatse van de planlocatie is te typeren als ‘zeer goed’. De geuremissie rijkt dan ook nauwelijks tot de planlocatie. ▪ De relatieve concentratie aan (intensieve) veehouderijen in de omgeving is laag, waardoor cumulatie van geur, stof en endotoxinen nauwelijks aan de orde is.

▪ Daarnaast speelt de windrichting een voorname rol bij de verspreiding van de uitstoot van een veehouderij. Windrichting en windsterkte spelen een rol bij de verspreiding van fijnstof (inclusief endotoxinen, ammoniak en micro-organismen) en geur. Omdat de overwegende windrichting n Nederland uit het zuidwesten komt zal de verspreiding van geur en fijnstof zich doorgaans verplaatsen uit de richting van de planlocatie. Het gezondheidsaspect ten aanzien van de omliggende veehouderijen geeft geen belemmering voor het initiatief. 5.5

Bodem

Met het oog op een goede ruimtelijke ordening dient de bodemkwaliteit ter plaatse te worden onderzocht. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de betreffende functiewijziging. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. Door Moerdijk Bodemsanering B.V. is een rapportage uitgebracht ten behoeve van het uitgevoerde verkennend bodem- en asbestonderzoek. Het doel van dit verkennend bodemonderzoek is het vaststellen van de bodemkwaliteit (in relatie tot mogelijke verontreinigingen in de bodem). Hiertoe is de kwaliteit van zowel de grond als het grondwater beoordeeld op basis van een steekproef, waarbij een beperkt aantal boringen is verricht en een aantal grond(meng)monsters en grondwatermonsters chemisch-analytisch zijn onderzocht. In onderstaande paragraaf is de conclusie uit het rapport weergegeven. Voor het volledige onderzoek wordt kortheidshalve verwezen naar de afzonderlijke bijlage (bijlage 2). Conclusie en aanbevelingen uit het onderzoek Op de planlocatie Midden Donk 2 te Etten-Leur is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd.

De locatie bestaat uit een woning met schuren. Uit de resultaten van het vooronderzoek (inclusief locatie inspectie) blijkt dat de locatie als onverdacht beschouwd dient te worden ten aanzien van bodemverontreiniging. Uit de veld- en analyseresultaten kan het volgende worden geconcludeerd: ▪ Tijdens de uitvoering van de veldwerkzaamheden zijn zintuiglijk (geur, kleur en samenstelling) geen afwijkingen waargenomen. Er zijn visueel in de bodem geen asbestverdachte (plaat)materialen aangetroffen. ▪ In bovengrondmengmonster M01 zijn licht verhoogde gehalten aan PCB en PAK aangetroffen. De nader onderzoekswaarden worden niet overschreden. ▪ In bovengrondmengmonster M02 zijn geen verhoogde gehalten aangetroffen. ▪ In bovengrondmengmonster M03 is een licht verhoogd gehalte aan PCB aangetroffen. De nader onderzoekswaarde wordt niet overschreden.

Bestemmingsplan toelichting | 07-12-2023

Pagina 35 van 49

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

▪

In grondwatermonster GW01 zijn geen verhoogde concentraties aangetroffen.

De tevoren gestelde hypothese ‘onverdachte’ locatie dient formeel gezien te worden verworpen. De verhogingen in de grond overschrijden de nader onderzoekswaarden echter niet. Nader onderzoek en/of nadere maatregelen worden derhalve niet noodzakelijk geacht. De resultaten van het verrichte onderzoek dienen geen belemmering te vormen voor de voorgenomen functiewijziging naar wonen. 5.6

Luchtkwaliteit

Conform de Wet Luchtkwaliteit kan elk project dat NIBM (niet in betekenende mate) bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Als het plan NIBM aan de luchtkwaliteit bijdraagt, hoeft geen uitgebreid luchtonderzoek meer uitgevoerd te worden. Op 1 augustus 2009 is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) in werking getreden. Het NSL zorgt ervoor dat Nederland binnen de door Europa gestelde termijn zal voldoen aan de Europese grenswaarden op het gebied van fijn stof en stikstofdioxide. In het NSL is een lijst met ruimtelijke infrastructurele projecten opgenomen met een maatregelenpakket, dat ervoor gaat zorgen dat de huidige overschrijdingen van de luchtkwaliteit worden opgelost en de negatieve effecten van geplande ruimtelijke ontwikkelingen worden gecompenseerd. Een plan is vanaf 1 augustus 2009 NIBM als het een toename van de concentratie van fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2) veroorzaakt die niet meer bedraagt dan 3 % van de jaargemiddelde concentratie van die stof. Dit komt overeen met een toename van maximaal 1,2 microgram/m³ voor zowel PM10 en NO2. De categorieën die altijd NIBM zijn, de volgende: Woningbouw: ▪ 1500 woningen (netto) bij minimaal één ontsluitingsweg; ▪ 3000 woningen (netto) bij minimaal twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling.

Er vindt op de planlocatie een toevoeging van één nieuwe woning plaats in de Vlaamse schuur. De bestaande langgevelboerderij wordt geheel in gebruik genomen als woning. De locatie wordt omgezet van een voormalige agrarische bedrijfslocatie naar een burgerwoonlocatie. Gesteld kan worden dat de beoogde ontwikkeling binnen het plangebied een ‘niet in betekenende mate’ bijdrage levert die beschouwd kan worden als verslechtering van de luchtkwaliteit. Het omzetten van de bestemming van de voormalige bedrijfswoning (langgevelboerderij) en het realiseren van een woning in de Vlaamse schuur, zal niet resulteren in een significante toename van het verkeer op de Midden Donk te Etten-Leur. Het zal eerder een afname van vrachtverkeer met zich meebrengen omdat het agrarisch bedrijf niet meer bevoorraad dient te worden en er geen agrarische vervoersbewegingen meer plaats vinden. Voor het onderhavige plan geldt een grens van 3 %. De verkeersbewegingen als gevolg van de ontwikkeling op de planlocatie zal naar verwachting geen invloed hebben op de luchtkwaliteit ter plaatse en derhalve de 3 % grens niet overschrijden. Een nader onderzoek naar het aspect luchtkwaliteit wordt daarom niet noodzakelijk geacht. Omdat bij de beoogde ontwikkeling sprake is van een nieuwe woonfunctie, dient ook een beoordeling plaats te vinden of voldaan wordt aan de wettelijke luchtkwaliteitseisen c.q.

inzicht te worden gegeven in de heersende concentraties. De coördinaten van de planlocatie aan de Midden Donk 2 zijn bij benadering: ▪ X = 100583 ▪ Y = 398784 De Grootschalige Concentratie- en Depositiekaart Nederland (GCN) van het RIVM tonen ter hoogte van deze coördinaten, de volgende achtergrondconcentraties: Jaartal: 2022 2025 2030

PM2,5 8,53 7,729 6,888

PM10 15,50 14,30 13,53

NO2 13,50 12,81 10,85

Bestemmingsplan toelichting | 07-12-2023

Pagina 36 van 49

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

Om het woon- en leefklimaat met betrekking tot de luchtkwaliteit in het plangebied te bepalen wordt gebruik gemaakt van de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaart Nederland (GCN). Deze waarden liggen ruim beneden de EU-grenswaarde van PM10 en NO2 van 40 µg/m3 en de EU-grenswaarde van PM2,5 van 25 µg/m3. Hiermee vormt het aspect luchtkwaliteit geen belemmering voor de ontwikkeling van de planlocatie.

Figuur 11: Uitsnede kaart luchtkwaliteit, fijnstof 2020 PM10 (jaargemiddelde), (Bron: www.atlasleefomgeving.nl)

5.7

Water

5.7.1

Beleid waterschap Brabantse Delta

Het waterschap Brabantse Delta is verantwoordelijk voor het waterbeheer In de gemeente op basis van de volgende wettelijke kerntaken: het zuiveringsbeheer, watersysteembeheer, beheer van dijken en beheer van vaarwegen. Het watersysteembeheer -waaronder grondwater- heeft daarbij twee doelen: zowel de zorg voor gezond water als de zorg voor voldoende water van voldoende kwaliteit. Het beleid en de daarmee samenhangende doelen van het waterschap zijn opgenomen In het waterbeheerplan 2016-2021, wat tot stand is gekomen In samenspraak met de waterpartners. Zo zijn bijvoorbeeld relevante waterthema's gekoppeld aan de belangrijkste ruimtelijke ontwikkelingen in de regio. Daarnaast heeft het waterschap waar nodig nog toegespitst beleid en beleidsregels op de verschillende thema’s/speerpunten uit het waterbeheersplan en heeft het waterschap een eigen verordening; De Keur en de Legger. De Keur bevat gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. De legger geeft aan waar de waterstaatswerken plus bijbehorende beschermingszones liggen, aan welke afmetingen en vorm die moeten voldoen en wie onderhoudsplichtig is. Veelal is voor deze ingrepen een watervergunning van het waterschap benodigd. In sommige gevallen vallen de werkzaamheden onder een Algemene regel.

Dan kan er onder voorwaarden sprake zijn van vrijstelling van de vergunningsplicht. De Keur en de Algemene regels zijn te raadplegen via de site van waterschap Brabantse Delta. Het waterschap hanteert bij nieuwe ontwikkelingen het principe van waterneutraal bouwen, waarbij gestreefd wordt naar het behoud of herstel van de 'natuurlijke' waterhuishoudkundige situatie. Vanwege dit principe wordt bij uitbreiding van verhard oppervlak voor de omgang met hemelwater uitgegaan van de voorkeursvolgorde infiltreren, bergen, afvoeren. De technische eisen en uitgangspunten voor het ontwerp van watersystemen zijn opgenomen In de 'beleidsregel Afvoer hemelwater door toename en afkoppelen van verhard oppervlak en de hydrologische uitgangspunten bij de keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen'.

Bestemmingsplan toelichting | 07-12-2023

Pagina 37 van 49

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

5.7.2

Grondwaterbeschermingsgebied

Figuur 12: Uitsnede Keurkaart Waterschap Brabantse Delta

Uit de beoordeling van de Keurkaart blijkt dat de planlocatie Midden Donk 2 niet ligt in een grondwaterbeschermingsgebied, beperkt grondwaterbeschermingsgebied, waterwingebied of in het invloedsgebied Natura 2000. De ontwikkeling op de planlocatie heeft geen invloed op de bovengenoemde gebieden. 5.7.3

Waterlopen

Figuur 13: Uitsnede Leggerkaart Waterschap Brabantse Delta

Uit beoordeling van de Leggerkaart blijkt dat aan de perceel randen rondom de gronden van de planlocatie diverse waterlopen categorie B zijn gelegen. Er zijn geen categorie A waterlopen in de directe omgeving van de planlocatie gelegen. De bestaande waterlopen blijven behouden en worden niet belemmerd door de beoogde ontwikkeling op de planlocatie.

Bestemmingsplan toelichting | 07-12-2023

Pagina 38 van 49

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

5.7.4

Riolering en infiltratie

Uitgangspunt voor de waterhuishouding in met name nieuwbouwprojecten, is een duurzaam gescheiden systeem. Dit betekent dat schoon hemelwater, wat valt op daken en terreinverharding, zoveel mogelijk in het gebied opgevangen en geïnfiltreerd dient te worden en alleen het vervuilde afvalwater via het riool wordt afgevoerd naar de rioolwaterzuiveringsinstallatie. De hoeveelheid afvalwater, die getransporteerd wordt naar de rioolwaterzuiveringsinstallatie zal hiermee afnemen, wat uit het oogpunt van milieu een positieve ontwikkeling betekent. Het waterschap is geen voorstander van het toepassen van uitlogende bouwmaterialen zoals lood, koper, zink en zacht PVC. Met de beoogde planologische ontwikkeling op de locatie Midden Donk 2 worden geen nieuwe aansluitingen op de bestaande riolering gemaakt. Het Waterschap Brabantse Delta heeft in de Keur opgenomen dat in principe verboden is om zonder vergunning hemelwater door toename van verhard oppervlak of door afkoppelen van bestaand oppervlak, tot afvoer naar een oppervlaktewaterlichaam te laten komen. Dit verbod is van toepassing tenzij: a. het afkoppelen van verhard oppervlak maximaal 10.000 m² is, of; b. de toename van verhard oppervlak maximaal 500 m² is, of; c. de toename van verhard oppervlak bestaat uit een sedum dak. d.

de toename van verhard oppervlak tussen de 500 m² en 10.000 m² is en compenserende maatregelen zijn getroffen om versnelde afvoer van hemelwater tegen te gaan, in de vorm van een voorziening met een minimale retentiecapaciteit conform de rekenregel: Benodigde retentiecapaciteit (in m³) = toename verhard oppervlak (in m²) x gevoeligheidsfactor x 0,06. Het Waterschap Brabantse Delta heeft in haar beleid aangegeven dat bij afgekoppeld verhardoppervlak voor locaties kleiner dan 500 m², het is toegestaan het water direct af te voeren op het oppervlaktewater of op het in de omgeving aanwezige bestaande rioolstelsel. Er hoeft dan geen infiltratie dan wel retentie toegepast te worden. Er is geen toename van het verhard oppervlak. Het nieuwe bestemmingsvlak ‘Wonen’ wordt verkleind ten opzichte van het bestaande agrarisch bouwvlak en er wordt geen nieuwe bebouwing opgericht. Het is niet nodig om te voorzien in extra infiltratie of retentie. 5.7.5

Watertoets

Het watertoetsproces is een belangrijk instrument om het waterbelang in ruimtelijke plannen en besluiten te waarborgen. Het gaat daarbij om alle waterhuishoudkundige aspecten, waaronder veiligheid, wateroverlast, watertekort, waterkwaliteit en verdroging, en om alle wateren: rijkswateren, regionale wateren en grondwater. De watertoets zorgt ervoor dat bij alle ruimtelijke plannen aandacht is voor de kwaliteit én kwantiteit van water. De watertoets is verplicht bij alle plannen voor landelijk én stedelijk gebied. De gemeente doorloopt met het waterschap het watertoetsproces, dat bestaat uit advisering, toetsing en goedkeuring door het waterschap. Dit bestemmingsplan wordt voorgelegd aan het waterschap Brabantse Delta. Het Waterschap zal in het kader van het overleg ex. artikel 3.1.1 Bro een wateradvies uitbrengen. 5.8

Ecologie

5.8.1

Algemeen

Vanuit Europa is de bescherming van (plant en dier) soorten en gebieden geregeld in de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. In Nederland is de natuurwetgeving verankerd in de Wet Natuurbescherming zie paragraaf 4.2.4. Bij ruimtelijke ontwikkelingen kunnen wettelijk beschermde dieren en plantensoorten in hun algemeenheid of wettelijk beschermde gebieden in het geding zijn. Om de natuurwaarden van de projectlocatie te kunnen beoordelen moet er getoetst worden aan wat beschreven staat in de Wet natuurbescherming. Daarnaast is het beleid aangaande het Natuurnetwerk van belang.

Bestemmingsplan toelichting | 07-12-2023

Pagina 39 van 49

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

5.8.2

Gebiedsbescherming

Op grond van de Wet natuurbescherming is het verboden activiteiten te verrichten die leiden tot aantasting van wettelijk beschermde soorten en van hun voortplantingsplaats, vaste rustplaats of vaste verblijfplaats. De Wet natuurbescherming regelt de bescherming van gebieden die om hun ecologische waarde beschermd moeten worden. Daaronder vallen onder andere de zogenaamde Natura 2000 gebieden. De planlocatie ligt niet in een speciale beschermingszone als bedoeld in de Wet natuurbescherming of binnen het Natuurnetwerk Nederland/ EHS. De planlocatie ligt op circa 13 kilometer van het dichtstbijzijnde Natura 2000 gebied op Nederlands grondgebied ‘Ulvenhoutse Bos’. Het dichtstbijzijnde Natura 2000 gebied op Belgisch grondgebied ligt op circa 16 kilometer, het betreft het gebied ‘Schietvelden’. Op de planlocatie wordt de agrarische bestemming gewijzigd naar wonen. De agrarische activiteiten zijn op de planlocatie stopgezet. Op de planlocatie kunnen na de wijziging van de bestemming geen agrarische activiteiten meer plaats vinden waardoor de invloed op de Natura 2000 gebieden en op speciale beschermingszones afneemt. De ontwikkelingen zijn beperkt tot de planlocatie zelf en met dit bestemmingsplan is slechts sprake van het omzetten van de bestemming en het toevoegen van een woonfunctie in de Vlaamse schuur.

Externe werking op korte afstand Alle Natura 2000 gebieden liggen op voldoende ruime afstand om geen negatieve invloeden verwacht worden van factoren met een externe werking die met een korte reikwijdte op afstand werken, als bodemtrillingen, geluids- en lichtbelasting. Redelijkerwijs kan gesteld worden dat de geluids- en lichtbelasting die de planontwikkeling gebruiksfase genereert, niet van een dusdanige reikwijdte is die tot 13 km ver, de afstand tot de meest nabije Natura 2000-gebieden, reiken en daar tot een verslechtering leiden. Bodemtrillingen zijn in dit geval alleen relevant indien sprake zou zijn van heiwerkzaamheden. Dit is niet aan de orde. Zover bekend is eveneens geen sprake van grondwateronttrekking, diepe graafwerkzaamheden, lozen van afvalstoffen of van andere zaken die van invloed kunnen zijn op de waterhuishouding binnen Natura 2000-gebied. Stikstof De factor stikstofuitstoot is in dit geval de enige mogelijke factor die een externe werking op grotere afstand kan genereren. Er is met het initiatief sprake van een uitvoerende en gebruiksfase. Naast de omzetting van de bestemming naar ‘Wonen’, wordt in de bestaande Vlaamse schuur een woning gerealiseerd. Enkel voor de realisatie van deze woning in de Vlaamse schuur vinden verbouwwerkzaamheden plaats.

Indien het vroegere bedrijfsmatig gebruik van de locatie als referentiekader wordt gebruikt betekent de bestemmingsplanwijziging feitelijk een sanering van een bron van stikstofuitstoot. Er zal geen sprake meer zijn van vervoersbewegingen afkomstig van bedrijfsverkeer. Het verkeer welke tot het gebruik van twee woningen kan worden toegekend, blijft nagenoeg ongewijzigd. De verbouwwerkzaamheden op de planlocatie leiden niet tot een onevenredige bron van stikstofuitstoot op de dichtstbijzijnde Natura 2000 gebieden. Een nader onderzoek naar de invloed op Natura 2000 gebieden (in de vorm van een Aerius berekening) is voor onderhavig bestemmingsplan dan ook niet relevant. Daarnaast worden er geen effecten verwacht die de wezenlijke waarden en kenmerken van de NNN/NNB aantasten gelet op de aard en schaal van de voorgenomen ingrepen. Een toetsing aan het NNN/NNB-beleid wordt niet noodzakelijk geacht. Het plangebied is niet gelegen binnen de Groenblauwe mantel. Op basis van de aard van de voorgenomen ingreep en planontwikkeling kunnen overtredingen met betrekking tot de Groenblauwe mantel uitgesloten worden. 5.8.3

Beschermde soorten

Het is in theorie mogelijk dat op de locatie dier- en plantensoorten van de Habitatrichtlijnen voorkomen of dier- en plantensoorten die beschermd zijn op grond van de Wet natuurbescherming. Dit kunnen verschillende dier- en plantensoorten betreffen, bijvoorbeeld zoogdiersoorten, amfibieën, reptielen, vissen, vogels en vleermuizen. De habitat van amfibieën, reptielen en vissen bestaat voornamelijk uit stromend dan wel stilstaand water. Op dit moment is er geen water op de planlocatie aanwezig. Het is dan ook nagenoeg uitgesloten dat er op de locatie één of meer van deze beschermde soorten voorkomen.

Bestemmingsplan toelichting | 07-12-2023

Pagina 40 van 49

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=EttenLeur&id=c461ef63-0f8d-4412-a847-901aebf2be5a