Bijlage 3 Bestemmingsplan Zundertseweg 38 (vastgesteld-concept)
Tekst van het document
1.121 teeltondersteunende voorzieningen, permanent: teeltondersteunende voorzieningen, geen kassen of andere gebouwen zijnde, die op een locatie voor onbepaalde tijd worden gebruikt, zoals containervelden, stellingen en dergelijke. 1.122 teeltondersteunende voorzieningen, tijdelijk: teeltondersteunende voorzieningen die op dezelfde locatie gebruikt kunnen worden zo lang de teelt dit vereist, doch maximaal 6 maanden per kalenderjaar. Deze tijdelijke voorzieningen hebben een directe relatie met het grondgebruik, zoals folies, insectengaas, acryldoek, wandelkappen, schaduwhallen, hagelnetten en dergelijke. 1.123 teeltondersteunende voorzieningen, overig: teeltondersteunende voorzieningen niet zijnde permanente en / of tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen, bedoeld ter ondersteuning of bescherming van teelten die rechtstreeks in de open grond plaatsvinden, zoals een hekwerk ten behoeve van boomteelt, teeltgeleidende en / of -ondersteunende palen en dergelijke. 1.124 ter zake deskundige: de AAB of een andere door het bevoegd gezag aangewezen deskundige. 1.125 torensilo: veelal cilindervormig bouwwerk voor de opslag van stoffen met bijbehorende constructie en randapparatuur. 1.126 tuincentrum: detailhandel met een al dan niet geheel overdekt verkoopvloeroppervlak, waarop de volgende categorieën artikelen te koop worden aangeboden: a.
Boomkwekerijproducten, buitenplanten en bloembollen; b. Artikelen voor de inrichting, het onderhoud en de verfraaiing van particuliere tuinen en daarbij noodzakelijke hulpmiddelen dan wel daarmee rechtstreeks samenhangende artikelen; waarbij in daaraan ondergeschikte mate ook de volgende categorieën artikelen te koop kunnen worden aangeboden: 1. binnenplanten en bloemen en daarvoor bestemde potten en vazen; 2. tuinmeubelen en barbecues; 3. diervoer en kleine huisdieren geschikt voor verblijf buitenshuis; c. Branchevreemde artikelen, te weten: 1. artikelen voor decoratie binnenshuis;
Bestemmingsplan regels 202330 | 27-01-2023
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
2. seizoensgebonden artikelen; 3. kleine huisdieren die in het algemeen binnenshuis verblijven en dierbenodigdheden; 4. kookartikelen, zoals keukengerei, kookboeken, luxe eetproducten (zoals olie, azijn, tapas) en serviezen; 5. algemene schoonmaakproducten voor in het huis; 6. kleding anders dan voor werken in de tuin; 7. en daarmee gelijk te stellen artikelen; d. Waarbij ook ondersteunende horeca is toegestaan; een en ander met inachtneming van de in de planregels opgenomen percentages. 1.127 tuinmeubelen: meubelen die volgens algemeen gebruik onmiskenbaar bedoeld zijn voor gebruik in de tuin. 1.128 veiligheidszone: gebied waar beperkingen ten aanzien van gebruik en / of bouwen gelden ter bescherming van personen tegen een aanwezig plaatsgebonden risico. 1.129 verbrede landbouw: specifieke vorm van een nevenfunctie. De activiteit hangt samen met de agrarische bedrijfsvoering of staat ten dienste van het bedrijf, zoals kleinschalig kamperen, agrarisch natuurbeheer, informatieve en educatieve activiteiten, bewerking en waardevermeerdering van ter plaatse geproduceerde producten, huisverkoop en zorgfunctie.
1.130 vereveningseffect: toename van stikstofemissie binnen een inrichting terwijl binnen een of meerdere andere inrichting(en), al dan niet in hetzelfde plangebied, een afname van de stikstofemissie plaatsvindt zodat de totale stikstofdepositie op een voor stikstof overbelast Natura 2000 - gebied ten opzichte van de voor het betreffende gebied relevante referentiedatum aantoonbaar niet toeneemt, of door de initiatiefnemer wordt aangetoond dat er concreet zicht is op het verkrijgen van een vergunning in het kader van de Natuurbeschermingswet, dan wel indien aangetoond wordt dat de toename past binnen bij of krachtens de Natuurbeschermingswet opgestelde regels. 1.131 verkoopvloeroppervlakte: de voor het publiek zichtbare en toegankelijke winkelruimte ten dienste van de detailhandel, inclusief de etalageruimte en de ruimte achter de toonbank. 1.132 verkoopvloeroppervlak tuincentrum: het totale vloeroppervlak (overdekt en niet overdekt) van de voor het publiek toegankelijke en zichtbare (winkel)ruimte in een detailhandelsvestiging waarop artikelen aan particulieren te koop worden aangeboden, waarbij het vloeroppervlak op de begane grond, eventuele verdiepingen en/ of verhogingen en eventueel ondergronds vloeroppervlak, elk afzonderlijk voor het totaal, wordt meegerekend en waarbij ook de gangpaden als verkoopvloeroppervlak worden aangemerkt.
1.133 vervangende nieuwbouw: het vervangen van bebouwing. 1.134 voeder- en watervoorzieningen: een bouwwerk, geen gebouw, overkapping of torensilo zijnde, eventueel met opstaande randen of aarden wal, voor het opslaan van veevoeder dan wel water. 1.135 volkstuin: perceel grond dat zich niet in de onmiddellijke nabijheid van de woning van de gebruiker bevindt, waarop de gebruiker gewassen teelt voor eigen gebruik. 1.136 volwaardig agrarisch bedrijf: agrarisch bedrijf met de omvang van ten minste één volwaardige arbeidskracht met een daarbij passende arbeidsomvang en een daaruit te verwachten redelijk inkomen, waarvan de continuïteit ook op langere termijn gewaarborgd is. Zonodig kan ter beoordeling advies worden gevraagd bij de AAB dan wel een andere door het
Bestemmingsplan regels 202330 | 27-01-2023
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
bevoegd gezag aangewezen ter zake deskundige. Voor het beoordelen van de volwaardigheid van een paardenhouderij wordt dit begrip overeenkomstig toegepast. 1.137 vormverandering van een bouwvlak: wijziging van de begrenzing van een bouwvlak zonder dat dit gepaard gaat met een vergroting van de totale oppervlakte. 1.138 voorgevel: de naar het openbaar toegankelijk gebied gekeerde gevel van een gebouw of, indien meerdere gevels naar het openbaar toegankelijk gebied gericht zijn, de als zodanig door het bevoegd gezag aan te wijzen gevel. 1.139 voorkeursgrenswaarde: de bij het bestemmingsplan in acht te nemen maximale waarde voor de geluidsbelasting van geluidsgevoelige objecten, zoals deze rechtstreeks kan worden afgeleid uit de Wet geluidhinder, het Besluit grenswaarden binnen zones rond industrieterreinen, het Besluit grenswaarden binnen zones langs wegen en / of het Besluit geluidhinder spoorwegen. 1.140 vrijstaand: bouwwerk dat geheel los staat van andere bouwwerken. 1.141 vrijwaringszone: gebied waar beperkingen gelden ten aanzien van het bouwen en / of gebruik ten behoeve van een goed functioneren van bijvoorbeeld een weg of molen. 1.142 water: alle water dat zichtbaar (oppervlaktewater) aanwezig is in bijvoorbeeld waterlopen, poelen, vijvers, meren en vennen, of onzichtbaar (grondwater) aanwezig is zoals freatisch grondwater direct beneden het maaiveld.
1.143 waterhuishoudkundige voorzieningen: voorzieningen die nodig zijn ten behoeve van een goede waterkering, wateraanvoer, waterafvoer, waterretentie, waterberging, waterinfiltratie en waterkwaliteit. 1.144 weg: alle voor het openbaar rij- of ander verkeer openstaande wegen of paden, daaronder begrepen de daarin gelegen bruggen en duikers, de tot de wegen of paden behorende bermen, bermsloten en zijkanten, alsmede de aan de wegen liggende en als zodanig kenbare parkeervoorzieningen. 1.145 werkzaamheid: op zich staande activiteiten al dan niet ter uitvoering van een werk, zoals bestraten, beplanten, dempen van sloten, graven, heien en dergelijke. 1.146 windturbine: een bouwwerk bestaande uit een mast met bijbehorende fundering en de rotor met rotorbladen bedoeld voor het opwekken van electriciteit door middel van windenergie. 1.147 woning: een gebouw dat dient voor de huisvesting van één huishouden. 1.148 woonunit: een (tijdelijke) woonunit voor huisvesting ten behoeve van mantelzorg of seizoenarbeiders bestaande uit een demontabel en / of relatief eenvoudig verwijderbaar gebouw, onder welke benaming ook aangeduid, doch in het spraakgebruik als woonunit wordt aangemerkt, bestaande uit één bouwlaag, geschikt en ingericht ten dienste van woon-, dag- en / of nachtverblijf.
Bestemmingsplan regels 202330 | 27-01-2023
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
1.149 zoekgebied voor behoud en herstel van watersystemen: gebied naast een waterloop waar maatregelen op het gebied van morfologie en inrichting nodig zijn om de doelstellingen uit het provinciaal waterbeleid op het gebied van de ecologische kwaliteit van oppervlaktewateren te behalen. 1.150 zoekgebied voor ecologische verbindingszone: gebied waarbinnen een ecologische verbindingszone wordt gerealiseerd. 1.151 zoekgebied doorgroeigebied glastuinbouw: gebied waar een beperkt aantal glastuinbouwbedrijven aanwezig is dat zich verder kan ontwikkelen. 1.152 zoekgebied vestigingsgebied glastuinbouw: gebied waar nieuwvestiging van en omschakeling naar glastuinbouwbedrijven mogelijk zijn, tenzij anders bepaald. 1.153 zorgfunctie: een ondergeschikte nevenfunctie ten behoeve van dagbesteding van mensen op het fysieke, psychische en / of sociale vlak in het kader van de verbetering van hun welzijn, met uitzondering van mantelzorg. Overnachting valt hier niet onder.
Bestemmingsplan regels 202330 | 27-01-2023
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
Artikel 2 2.1
Wijze van meten
Meten
Bij de toepassing van deze regels wordt loodrecht gemeten, tenzij anders is aangegeven. 2.2
Bouwwerken
2.2.1 de bepaling van het peil: de gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkte maaiveld. 2.2.2 de goothoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeiboord, of een daarmee te vergelijken constructiedeel. 2.2.3 de bouwhoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen. 2.2.4 de hoogte van een windturbine: vanaf het peil tot aan de as en / of de tiphoogte van de windturbine. 2.2.5 de bouwdiepte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan het laagste punt van een gebouw met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals rioleringen, kabels en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen. 2.2.6 de oppervlakte van een bouwwerk: tussen de buitenwerkse gevelvlakken en / of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk, waarbij uitstekende delen van ondergeschikte aard tot maximaal 0,5 m buiten beschouwing blijven. 2.2.7 de inhoud van een bouwwerk: tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en / of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen.
Ondergronds bouwen wordt niet meegerekend voor het bepalen van de inhoud van een bouwwerk. Bijgebouwen tellen niet mee voor het bepalen van de inhoud van de woning. 2.2.8 de dakhelling: langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak. 2.2.9 de afstand tot de perceelsgrens: vanaf de perceelsgrens tot aan het gevelvlak van een bouwwerk, daar waar de afstand het kleinste is.
Bestemmingsplan regels 202330 | 27-01-2023
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
Hoofdstuk 2 Artikel 3 3.1
Bestemmingsregels
Groen – Houtsingel
Bestemmingsomschrijving
De voor ‘Groen - Houtsingel’ aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. houtwallen, houtopstanden en bosschages; b. behoud, versterking en / of ontwikkeling van de in lid a genoemde natuur- en landschapswaarden; alsmede voor bijbehorende: c. duikers, dammen en overkluizingen; d. water en waterhuishoudkundige voorzieningen. 3.2
Bouwregels
Op en in deze gronden mag niet worden gebouwd. 3.3
Afwijken van de bouwregels
Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 3.2 voor het bouwen van erf- en terreinafscheidingen met een open constructie, waarbij moet worden voldaan aan de volgende voorwaarden: a. De bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 1,5 m. 3.4
Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
3.4.1 Verbod Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren: a. Het verwijderen van houtgewas en het vellen of rooien van houtopstanden alsmede het verwijderen van kleine natuurelementen zoals poelen, moerasjes en verwilderde terreintjes. b. Het verlagen, vergraven, ophogen en / of egaliseren van de bodem waarbij het gaat om ingrepen die grond verzetten met hoogteverschillen van meer dan 0,40 m. c. Het aanbrengen of verbreden van onverharde paden. 3.4.2 Uitzonderingen Het in 3.4.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden welke: a. Het normale onderhoud en / of gebruik betreffen, dan wel van ondergeschikte betekenis zijn. b. Reeds in uitvoering zijn krachtens een verleende omgevingsvergunning, dan wel krachtens een verleende omgevingsvergunning reeds mogen worden uitgevoerd op het tijdstip van de inwerkingtreding van dit bestemmingsplan. 3.4.3 Toelaatbaarheid De in 3.4.1 genoemde omgevingsvergunning kan worden verleend voor werken, geen bouwwerken zijnde, en / of werkzaamheden die de natuur- en landschapswaarden niet in onevenredige mate aantasten, dan wel de mogelijkheden voor behoud, versterking en / of herstel van die waarden niet in onevenredige mate verkleinen.
Alvorens te beslissen wint het bevoegd gezag advies in bij een deskundige op het gebied van natuur- en landschapswaarden.
Bestemmingsplan regels 202330 | 27-01-2023
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
Artikel 4 4.1
Tuin
Bestemmingsomschrijving
De voor ‘Tuin’ aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. tuinen en erven met bijbehorende voorzieningen; b. groenvoorzieningen; c. tuinpaden, terrassen, rechtstreekse toegangspaden tot gebouwen en overkappingen en in- en uitritten; d. duikers, dammen en overkluizingen; e. water en waterhuishoudkundige voorzieningen. 4.2
Bouwregels
Op en in deze gronden mag uitsluitend ten dienste van de in 4.1 bedoelde bestemmingsomschrijving worden gebouwd, waarbij de volgende regels gelden: 4.2.1 Gebouwen en overkappingen Op en in deze gronden mogen geen gebouwen en overkappingen worden gebouwd. 4.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde, gelden de volgende regels: a. De bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer bedragen dan 2 m, met dien verstande dat de bouwhoogte vóór (het verlengde van) de voorgevel van het hoofdgebouw niet meer mag bedragen dan 1 m. b. De bouwhoogte van hekwerken ten behoeve van paardenbakken mag niet meer bedragen dan 1,5 m. c. De bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde, mag niet meer bedragen dan 1 m. 4.3
Afwijken van de bouwregels
Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde: a. In 4.2.2 onder a voor het bouwen van erf- en terreinafscheidingen met een hoogte van maximaal 2 m vóór de voorgevel van de woning, mits dit stedenbouwkundig en landschappelijk aanvaardbaar is en de verkeersveiligheid niet wordt aangetast. b. In 4.2.2 onder c voor het bouwen van overige bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde, met een hogere bouwhoogte tot maximaal 2 m, mits dit stedenbouwkundig en landschappelijk aanvaardbaar is. 4.4
Specifieke gebruiksregels
4.4.1 Aanleggen van verhardingen Het aanleggen van verhardingen is niet toegestaan, met uitzondering van het aanleggen van verhardingen voor tuinpaden, terrassen, rechtstreekse toegangspaden tot gebouwen en overkappingen en in- en uitritten. 4.5
Wijzigingsbevoegdheid
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd deze bestemming te wijzigen in de bestemming ‘Agrarisch’ en / of ‘Agrarisch met waarden’ met bijbehorende aanduidingen, waarbij moet worden voldaan aan de volgende voorwaarden: a. De gronden worden niet langer als tuin ten behoeve van de bijbehorende woning gebruikt. b. De aanwezige waarden worden niet onevenredig aangetast.
Bestemmingsplan regels 202330 | 27-01-2023
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
Artikel 5 5.1
Wonen
Bestemmingsomschrijving
De voor ‘Wonen’ aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. Wonen in woningen, met dien verstande dat 1. per bestemmingsvlak maximaal één woning is toegestaan, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding ‘maximum aantal wooneenheden’ ten hoogste het op de planverbeelding aangegeven aantal woningen is toegestaan. b. aan-huis-gebonden-beroepen; c. bed & breakfast; alsmede voor bijbehorende: d. tuinen, erven en verhardingen; e. duikers, dammen en overkluizingen; f. water en waterhuishoudkundige voorzieningen. 5.2
Bouwregels
Op en in deze gronden mag uitsluitend ten dienste van de in 5.1 bedoelde bestemmingsomschrijving worden gebouwd, waarbij de volgende regels gelden: 5.2.1 Algemeen Voor het bouwen van gebouwen en overkappingen geldt de volgende regel: a. De afstand van gebouwen en overkappingen tot de perceelsgrenzen met derden mag niet minder bedragen dan 5 m. b. Het aantal woningen per bestemmingsvlak mag niet meer bedragen dan één, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding ‘maximum aantal wooneenheden’ ten hoogste het op de planverbeelding aangegeven aantal woningen is toegestaan. c. Vervangende nieuwbouw, met uitzondering van herbouw, van woningen is niet toegestaan. 5.2.2 Hoofdgebouwen Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende regels: a. De inhoud van een woning mag niet meer bedragen dan 750 m³. De ondergrondse wordt niet meegerekend voor het bepalen van de inhoud. b. De goothoogte van het hoofdgebouw mag niet meer bedragen dan 6 m. c. De bouwhoogte van het hoofdgebouw mag niet meer bedragen dan 10 m. d. De dakhelling van het hoofdgebouw mag niet minder bedragen dan 12° en niet meer dan 50°. e. De afstand van het hoofdgebouw tot de as van de openbare weg mag niet minder bedragen dan 15 m, met dien verstande dat, indien de afstand van het bestaande hoofdgebouw tot de as van de weg minder bedraagt dan 15 m, deze kleinere afstand als minimale afstand geldt.
5.2.3 Bijgebouwen en overkappingen Voor het bouwen van bijgebouwen en overkappingen gelden de volgende regels: a. De gezamenlijke oppervlakte van bijgebouwen en overkappingen mag niet meer bedragen dan 200 m² per woning. b. De gronden die zijn gelegen achter (het verlengde van) de voorgevel van het hoofdgebouw, uitgezonderd de gronden onder het hoofdgebouw, mogen voor maximaal 50% worden bebouwd. c. Bijgebouwen en overkappingen mogen uitsluitend worden gebouwd op een afstand van ten minste 1 meter achter (het verlengde van) de voorgevel van het hoofdgebouw, met dien verstande dat, indien deze afstand in de bestaande situatie minder dan 1 meter bedraagt, de bestaande afstand als minimale afstand geldt. d. De goothoogte van bijgebouwen en overkappingen mag niet meer bedragen dan 3,25 m. e. De bouwhoogte van bijgebouwen en overkappingen mag niet meer bedragen dan 5,5 m. f. De dakhelling mag niet meer bedragen dan 50°. 5.2.4 Bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde, gelden de volgende regels:
Bestemmingsplan regels 202330 | 27-01-2023
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
a.
De bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer bedragen dan 2 m, met dien verstande dat de bouwhoogte vóór (het verlengde van) de voorgevel van het hoofdgebouw niet meer mag bedragen dan 1 m. b. De bouwhoogte van hekwerken ten behoeve van paardenbakken mag niet meer bedragen dan 1,5 m. c. De bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde, mag niet meer bedragen dan 3 m. 5.3
Afwijken van de bouwregels
5.3.1 Afwijken algemene bouwregels Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 5.2.1 onder a: a. Voor het bouwen op een afstand minder dan 5 m van dan wel op de perceelsgrenzen met derden, waarbij moet worden voldaan aan de volgende voorwaarden: 1. het bouwen dient stedenbouwkundig en landschappelijk aanvaardbaar te zijn; 2. de belangen van derden mogen niet onevenredig worden geschaad. 5.3.2 Afwijken vervangende nieuwbouw woning Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 5.2.1 onder c voor vervangende nieuwbouw van een woning, al dan niet op dezelfde locatie, waarbij moet worden voldaan aan de volgende voorwaarden: a. Vervangende nieuwbouw dient plaats te vinden binnen het bestemmingsvlak. b. De afstand van de woning tot de as van de openbare weg dient minimaal 15 m te bedragen. Deze afstand mag minder bedragen, mits: 1. de verkeersveiligheid niet onevenredig wordt geschaad; 2. er geen sprake is van een verslechtering van het woon- en leefklimaat. c. De bouw van de woning mag geen onevenredige beperking opleveren voor de bedrijfsvoering en / of bedrijfsontwikkeling van omliggende agrarische en andere bedrijven. d. De afwijking dient aanvaardbaar te zijn uit een oogpunt van een milieu hygiënisch verantwoord woonen leefklimaat. e. De afwijking dient stedenbouwkundig en landschappelijk aanvaardbaar te zijn.
5.3.3 Afwijken bouwregels bijgebouwen en overkappingen Bij sloop van overtollige (voormalige) bedrijfsgebouwen, bijgebouwen en overkappingen kan het bevoegd gezag bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 5.2.2 onder a en / of 5.2.3 onder a, voor het vergroten van de oppervlakte aan bijgebouwen en overkappingen en/of voor het vergroten van de inhoud van het hoofdgebouw, waarbij moet worden voldaan aan de volgende voorwaarden: a. De sloop van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing is niet toegestaan. b. Indien de sloop wordt ingezet voor het vergroten van de oppervlakte van bijgebouwen en overkappingen gelden de volgende regels: 1. Als op het perceel in de bestaande situatie minder dan 400 m 2 aan bestaande, legaal opgerichte, (voormalige) bedrijfsgebouwen, bijgebouwen en overkappingen aanwezig is, geldt de bestaande oppervlakte van deze gebouwen en overkappingen als maximale oppervlakte die kan worden toegestaan. 2. Als op het perceel 400 m2 of meer aan bestaande, legaal opgerichte (voormalige) bedrijfsgebouwen, bijgebouwen en overkappingen aanwezig is, bedraagt de maximale oppervlakte die kan worden toegestaan 400 m 2. 3.
Indien bij toepassing van het bepaalde onder 2 sprake zou zijn van een situatie waarbij in redelijkheid niet kan worden verlangd dat een bestaand gebouw gedeeltelijk wordt gesloopt, of de gedeeltelijke sloop van dat gebouw zou tot een onaanvaardbare ruimtelijke situatie leiden, bedraagt de maximale oppervlakte die kan worden toegestaan 500 m 2. 4. De maximaal toegestane oppervlakte aan bijgebouwen en overkappingen mag ofwel behouden blijven ofwel nieuw gebouwd worden. c. Indien de sloop (tevens) wordt ingezet voor het vergroten van de inhoud van het hoofdgebouw gelden de volgende regels: 1. Voor iedere 100 m2 te slopen bebouwing mag de inhoud van het hoofdgebouw worden vergroot met 50 m3 tot een maximale inhoud van 850 m3.
Bestemmingsplan regels 202330 | 27-01-2023
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
2. Indien (een deel van de) te slopen bebouwing wordt ingezet voor vergroting van het hoofdgebouw, wordt de maximale oppervlakte voor bijgebouwen en overkappingen die kan worden toegestaan op grond van het bepaalde onder b, teruggebracht met 5 m 2 voor iedere 10 m3 waarmee het hoofdgebouw wordt vergroot. d. Indien de bestaande oppervlakte aan cultuurhistorisch waardevolle (voormalige) bedrijfsgebouwen, bijgebouwen en overkappingen meer bedraagt dan kan worden toegestaan op grond van het bepaalde onder b, geldt deze bestaande oppervlakte als maximum. e. Alle overtollige bebouwing moet worden gesloopt, zodat de totale hoeveelheid bebouwing wordt teruggebracht tot hetgeen op grond van het bepaalde onder b, c en/of d is toegelaten. f. Er dient te worden voorzien in een zorgvuldige landschappelijke inpassing op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd beplantingsplan tot realisatie, beheer en instandhouding van de landschappelijke inpassing. g. Indien op grond van het bepaalde onder b.3 meer dan 400 m2 aan bijgebouwen en overkappingen wordt toegestaan, dient tevens te worden voorzien in een aantoonbare en uitvoerbare verbetering van de aanwezige of potentiële kwaliteiten van bodem, water, natuur, landschap of cultuurhistorie of van de extensieve recreatieve mogelijkheden van het plangebied van dit bestemmingsplan.
Indien een fysieke verbetering ter plaatse niet mogelijk of niet wenselijk is, kan kwaliteitsverbetering plaatsvinden door een passende financiële bijdrage in het gemeentelijk landschapsfonds. 5.3.4 Afwijken situering bijgebouwen en overkappingen Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 5.2.3 onder c voor het bouwen van een bijgebouw of overkapping op een afstand van minder dan 1 m achter (het verlengde van) de voorgevel van het hoofdgebouw, of voor het bouwen van een bijgebouw of overkapping vóór (het verlengde van) de voorgevel van het hoofdgebouw, waarbij moet worden voldaan aan de volgende voorwaarden: a. Het bouwen dient stedenbouwkundig en landschappelijk aanvaardbaar te zijn. b. De belangen van derden mogen niet onevenredig worden geschaad. 5.3.5 Afwijken ten behoeve van een tijdelijke woonunit voor mantelzorg Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 5.2.3 onder a voor de plaatsing van een tijdelijke woonunit, waarbij moet worden voldaan aan de volgende voorwaarden: a. De woonunit is noodzakelijk ten behoeve van huisvesting in het kader van mantelzorg. b. Er is sprake van een zorgbehoefte welke tijdelijk van aard is. c. De zorgbehoefte is aangetoond door een door het bevoegd gezag aangewezen deskundige. d. De oppervlakte van de woonunit mag niet meer bedragen dan 100 m². e.
De goothoogte van de woonunit mag niet meer bedragen dan 3,25 m. f. De bouwhoogte van de woonunit mag niet meer bedragen dan 5,5 m. g. De dakhelling van de woonunit mag niet meer bedragen dan 50°. h. Een verblijfsgebied als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van het Bouwbesluit 2012 is uitsluitend toegestaan op de begane grond. i. De woonunit dient minimaal 1m achter (het verlengde van) de voorgevel van het hoofdgebouw te worden geplaatst. j. Zodra de zorgbehoefte niet meer aanwezig is dient de woonunit te worden verwijderd. k. De plaatsing van de woonunit mag geen onevenredige beperking opleveren voor de bedrijfsvoering en/of bedrijfsontwikkeling van omliggende agrarische en andere bedrijven. l. De afwijking dient aanvaardbaar te zijn uit een oogpunt van een milieu hygiënisch verantwoord woonen leefklimaat. 5.3.6 Afwijken bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde: a. In 5.2.4 onder a voor het bouwen van erf- en terreinafscheidingen met een hoogte van maximaal 2 m vóór de voorgevel van de woning, mits dit stedenbouwkundig en landschappelijk aanvaardbaar is en de verkeersveiligheid niet wordt aangetast. b.
In 5.2.4 onder c voor het bouwen van overige bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde, met een hogere bouwhoogte tot maximaal 5 m, mits dit stedenbouwkundig en landschappelijk aanvaardbaar is.
Bestemmingsplan regels 202330 | 27-01-2023
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
5.4
Specifieke gebruiksregels
5.4.1 Strijdig gebruik Naast het bepaalde in artikel 9 wordt onder strijdig gebruik in ieder geval verstaan: a. Het gebruik van bijgebouwen als zelfstandige woning. b. Het gebruik van vrijstaande bijgebouwen voor bewoning, al dan niet als afhankelijke woonruimte. c. Het gebruik van gebouwen ten behoeve van de huisvesting van seizoenarbeiders. 5.4.2 Aan-huis-gebonden-beroep Het gebruik van het hoofdgebouw en/of een bijgebouw ten behoeve van een aan-huis-gebonden-beroep is toegestaan, waarbij de volgende regels gelden: a. Het gebruik heeft een kleinschalig karakter en zal dat behouden en is naar aard met het woonkarakter van de omgeving in overeenstemming. b. Uitsluitend toegestaan zijn aan-huis-gebonden-beroepen die zijn opgenomen op de Lijst van aan-huisgebonden-beroepen zoals opgenomen in bijlage 12 bij deze regels. Indien in de lijst nadere voorwaarden zijn gesteld voor specifieke aan-huis-gebonden-beroepen, zijn deze aan-huis-gebondenberoepen uitsluitend toegestaan indien wordt voldaan aan de nadere voorwaarden. c. De vloeroppervlakte die wordt gebruikt voor een aan-huis-gebonden-beroep bedraagt maximaal 50 m2. d. Het gebruik ondersteunt de woonfunctie, dat wil zeggen dat diegene die de activiteit uitvoert tevens hoofdbewoner van de woning is en dat er ter plaatse geen personeel werkzaam is. e.
Het betreft niet zodanige verkeersaantrekkende activiteiten die kunnen leiden tot een nadelige beïnvloeding van de normale afwikkeling van het verkeer, dan wel tot een onevenredige parkeerdruk op de openbare ruimte. f. Er vindt geen uitoefening van detailhandel plaats, met uitzondering van ter plaatse vervaardigde producten. g. Buitenopslag ten dienste van het aan-huis-gebonden-beroep is niet toegestaan. 5.4.3 Bed & breakfast Het gebruik van de woning ten behoeve van bed & breakfast is toegestaan, waarbij de volgende regels gelden: a. De exploitatie van de bed & breakfast wordt uitgeoefend door de hoofdbewoner van de woning. b. De woonfunctie van de woning blijft behouden. c. Per woning is sprake van maximaal 2 bed & breakfast kamers en maximaal 4 slaapplaatsen. d. De vloeroppervlakte aan logeereenheden en zelfstandige sanitaire voorzieningen mag niet meer bedragen dan 50 m². e. Parkeren geschiedt op eigen terrein. 5.4.4 Landschappelijke inpassing De gronden en bouwwerken ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van wonen - voorwaarde landschappelijke inpassing’ mogen uitsluitend worden gebruikt ten behoeve van wonen, indien de landschappelijke inpassing is gerealiseerd, wordt beheerd en in stand wordt gehouden conform het beplantingsplan zoals opgenomen in bijlage 1 bij deze regels, dan wel een door de gemeente goedgekeurd gelijkwaardig beplantingsplan. 5.5
Afwijken van de gebruiksregels
5.5.1 Afwijken ten behoeve van mantelzorg Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 5.4.1 onder b en toestaan dat een vrijstaand bijgebouw gebruikt wordt als afhankelijke woonruimte, waarbij moet worden voldaan aan de volgende voorwaarden: a. De afwijking is noodzakelijk ten behoeve van huisvesting in het kader van mantelzorg. b. Er is sprake van een zorgbehoefte welke tijdelijk van aard is. c. De zorgbehoefte is aangetoond door een door het bevoegd gezag aangewezen deskundige. d. De oppervlakte voor afhankelijke woonruimte mag niet meer bedragen dan 100 m2. e. Zodra de zorgbehoefte niet meer aanwezig is dient het gebruik te worden beëindigd. f. Het gebruik als afhankelijke woonruimte mag geen onevenredige beperking opleveren voor de bedrijfsvoering en/of bedrijfsontwikkeling van omliggende agrarische en andere bedrijven.
Bestemmingsplan regels 202330 | 27-01-2023
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
g.
De afwijking dient aanvaardbaar te zijn uit een oogpunt van een milieuhygiënisch verantwoord woonen leefklimaat.
5.5.2 Afwijken ten behoeve van bed & breakfast in een vrijstaand bijgebouw Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 5.4.5 en toestaan dat een vrijstaand bijgebouw gebruikt wordt als bed & breakfast, waarbij moet worden voldaan aan de volgende voorwaarden: a. De exploitatie van de bed & breakfast wordt uitgeoefend door de hoofdbewoner van de woning. b. De woonfunctie van de woning blijft behouden. c. Per woning is in totaal sprake van maximaal 2 bed & breakfast kamers en maximaal 4 slaapplaatsen, inclusief kamers/slaapplaatsen in het hoofdgebouw en aangebouwde bijgebouwen. d. De totale vloeroppervlakte aan logeereenheden en zelfstandige sanitaire voorzieningen in het hoofdgebouw, aangebouwde bijgebouwen en vrijstaande bijgebouwen mag niet meer bedragen dan 50 m². e. Parkeren geschiedt op eigen terrein. f. Het gebruik als bed & breakfast mag geen onevenredige beperking opleveren voor de bedrijfsvoering en/of bedrijfsontwikkeling van omliggende agrarische en andere bedrijven. g. De afwijking dient aanvaardbaar te zijn uit een oogpunt van een milieuhygiënisch verantwoord woonen leefklimaat.
5.5.3 Afwijken ten behoeve van huisvesting van seizoenarbeiders in bestaande woning Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 5.4.1 onder c ten behoeve van de huisvesting van seizoenarbeiders in een bestaande woning, waarbij moet worden voldaan aan de volgende voorwaarden: a. De huisvesting vindt plaats in een bestaande woning, waarbij de gebruiksoppervlakte niet minder bedraagt dan 12 m² per seizoenarbeider. b. er mogen niet meer dan 6 seizoenarbeiders per woning gehuisvest worden. c. Er mag geen sprake zijn van zelfstandige wooneenheden. d. De huisvesting voldoet aan de normenset van de Stichting Normering Flexwonen of aan de normenset van het Agrarisch Keurmerk Flexwonen, zoals die normensets luiden op het tijdstip van ontvangst van de ontvankelijke omgevingsvergunningaanvraag, of heeft ten minste een daarmee vergelijkbare kwaliteit. 5.5.4 Afwijken ten behoeve van statische binnenopslag Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 5.1 ten behoeve van statische binnenopslag, waarbij moet worden voldaan aan de volgende voorwaarden: a.
Statische binnenopslag is uitsluitend toegestaan indien de gezamenlijke oppervlakte van bijgebouwen en overkappingen niet meer bedraagt dan de oppervlakte die is toegestaan ingevolge artikel 5.2.3 sub a, dan wel de oppervlakte die is toegestaan met gebruikmaking van artikel 5.3.3. b. Opslag ten behoeve van een bedrijf is niet toegestaan. c. De opslag mag geen onevenredige publieks- en/of verkeersaantrekkende werking tot gevolg hebben. d. Detailhandel is niet toegestaan.
Bestemmingsplan regels 202330 | 27-01-2023
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
Artikel 6 6.1
Waarde – Archeologie 4
Bestemmingsomschrijving
De voor ‘Waarde - Archeologie 4’ aangewezen gronden zijn, naast de daarvoor aangewezen andere bestemming(en) mede bestemd voor doeleinden ter bescherming en veiligstelling van de te verwachten archeologische waarden. Indien strijd ontstaat tussen het belang van de bescherming van de te verwachten archeologische waarden als benoemd in dit artikel en het bepaalde in de overige artikelen, prevaleert de bestemming ‘Waarde Archeologie 4’. 6.2
Bouwregels a.
Bij het aanvragen van een omgevingsvergunning voor het bouwen overeenkomstig de regels voor de andere op deze gronden voorkomende bestemmingen waarbij het daadwerkelijk te verstoren gebied groter is dan 50.000 m² en de bodemingreep dieper is dan 0,40 meter dient de aanvrager een rapport te overleggen waarin de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag zullen of kunnen worden verstoord, naar oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate zijn vastgesteld. b. De verplichting zoals genoemd onder a is eveneens van toepassing bij een kleinere oppervlakte van het te verstoren gebied indien daarmede kennelijk de bedoeling is om bouwwerkzaamheden te splitsen om onder de gestelde ondergrens van 50.000 m² te blijven. c. In afwijking van het bepaalde onder a over de diepte van de bodemingreep geldt ter plaatse van de aanduiding ‘archeologie - opgehoogd’ de verplichting tot het overleggen van bedoeld rapport voor bodemingrepen dieper dan 1,40 meter. d. Het overleggen van een rapport is niet noodzakelijk indien naar oordeel van het bevoegd gezag: 1. op basis van andere informatie in voldoende mate is aangetoond dat ter plaatse reeds in relevante mate verstoring heeft plaatsgevonden; of 2. op basis van andere informatie in voldoende mate is aangetoond dat als gevolg van de ingreep geen verstoring plaatsvindt. e.
Indien uit het onder a genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning zullen of kunnen worden verstoord, kan het bevoegd gezag één of meerdere van de volgende voorschriften verbinden aan de omgevingsvergunning: 1. het doen van nader archeologisch onderzoek; 2. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; 3. de verplichting tot het doen van opgravingen; 4. de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de omgevingsvergunning te stellen kwalificaties. 6.3
Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
6.3.1 a.
Verbod Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning op en in de gronden als bedoeld in 6.1 werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren of uit te laten voeren waarbij het daadwerkelijk te verstoren gebied groter is dan 50.000 m² en de bodemingreep dieper is dan 0,40 meter. b. Het verbod zoals genoemd onder a is eveneens van toepassing bij een kleinere oppervlakte van het te verstoren gebied indien daarmede kennelijk de bedoeling is om werken, geen bouwwerken zijnde, en/of werkzaamheden te splitsen om onder de gestelde ondergrens van 50.000 m² te blijven. c. In afwijking van het bepaalde onder a over de diepte van de bodemingreep geldt ter plaatse van de aanduiding ‘archeologie - opgehoogd’ het verbod voor bodemingrepen dieper dan 1,40 meter.
Bestemmingsplan regels 202330 | 27-01-2023
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
6.3.2
Uitzonderingen
Het in 6.3.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden welke: a. Het normale onderhoud en beheer betreffen. b. Reeds in uitvoering zijn krachtens een verleende omgevingsvergunning op het tijdstip van de inwerkingtreding van dit bestemmingsplan. c. Mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning. d. In het kader van archeologisch onderzoek en het doen van opgravingen worden uitgevoerd mits verricht door een daartoe bevoegde deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg. 6.3.3 a.
Toelaatbaarheid De in 6.3.1genoemde omgevingsvergunning kan worden verleend nadat door aanvrager een rapport is overgelegd waarin de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag zullen of kunnen worden verstoord, naar oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate zijn vastgesteld, danwel indien naar oordeel van het bevoegd gezag: 1. op basis van andere informatie in voldoende mate is aangetoond dat ter plaatse reeds in relevante mate verstoring heeft plaatsgevonden; of 2. op basis van andere informatie in voldoende mate is aangetoond dat als gevolg van de ingreep geen verstoring plaatsvindt. b. Indien uit het onder a genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning zullen of kunnen worden verstoord, kan het bevoegd gezag één of meerdere van de volgende voorschriften verbinden aan de omgevingsvergunning: 1. het doen van nader archeologisch onderzoek; 2. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; 3. de verplichting tot het doen van opgravingen; 4.
de verplichting de werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de omgevingsvergunning te stellen kwalificaties.
6.4
Wijzigingsbevoegdheid
6.4.1 Wijzigingsregels Burgemeester en wethouders zijn bevoegd dit bestemmingsplan te wijzigen door de dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie 4’ geheel of gedeeltelijk te verwijderen, waarbij moet worden voldaan aan de volgende voorwaarden: a. uit nader onderzoek is gebleken dat ter plaatse geen archeologische waarden aanwezig zijn; b. het wordt niet meer noodzakelijk geacht dat het bestemmingsplan voorziet in bescherming van deze waarden.
Bestemmingsplan regels 202330 | 27-01-2023
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
Hoofdstuk 3 Artikel 7
Algemene regels
Antidubbeltelregel
Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
Artikel 8 8.1
Algemene bouwregels
Ondergronds bouwen
Voor het bouwen van ondergrondse bouwwerken gelden de volgende regels: a. Ondergrondse bouwwerken zijn uitsluitend toegestaan binnen de contouren van legaal opgerichte bovengrondse gebouwen, met uitzondering van toegangen tot gebouwen zoals laaddocks, hellingbanen en trappen, welke tevens buiten de genoemde contouren mogen worden gebouwd, waarbij geldt dat indien een bouwvlak is opgenomen deze uitsluitend binnen het bouwvlak mogen worden gebouwd. b. De bouwdiepte van ondergrondse bouwwerken mag niet meer bedragen dan 4 meter onder peil. 8.2
Bestaande maten en andere maten
8.2.1 Maximaal toelaatbaar Voor: ▪ de inhoud van woningen; ▪ het aantal bedrijfswoningen; ▪ de goot- en bouwhoogte van bouwwerken; die gebouwd zijn krachtens een vergunning, geldt dat wanneer zij op het tijdstip van inwerkingtreding van dit bestemmingsplan meer bedragen dan in deze planregels is voorgeschreven, deze maten en hoeveelheden - ook in geval van vervangende nieuwbouw - als maximaal toelaatbaar mogen worden aangehouden. 8.3
Onoverdekte zwembaden
Voor het bouwen van onoverdekte zwembaden bij een woning / bedrijfswoning gelden de volgende regels: a. Onoverdekte zwembaden zijn uitsluitend toegestaan binnen het bestemmingsvlak waar de woning/bedrijfswoning is gelegen, het bestemmingsvlak van de bestemming 'Tuin' dan wel binnen het bouwvlak van agrarische bedrijven. b. Het zwembad dient te worden gebouwd op een afstand van ten minste 2,5 m achter (het verlengde van) de voorgevel van de (bedrijfs)woning en op een afstand van ten minste 1 m van de perceelsgrenzen met derden. c. Het zwembad mag uitsluitend voor hobbymatig gebruik worden benut. d. Per perceel mag maximaal 1 zwembad worden gebouwd. e. De oppervlakte van een zwembad mag niet meer bedragen dan 100 m². 8.4
Radarverstoringsgebied a.
Al dan niet in afwijking van het bepaalde in de afzonderlijke bestemmingen, is het niet toegestaan om een nieuwe windturbine te bouwen dan wel een bestaande windturbine te wijzigen indien de tiphoogte van de windturbine hoger is dan 90 meter boven NAP. b. Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde onder a voor het toestaan van nieuwbouw of wijziging van een windturbine met een tiphoogte die hoger is dan 90 meter boven NAP, mits: 1. wordt voldaan aan de regels voor de ashoogte en tiphoogte van een windturbine zoals opgenomen in de afzonderlijke bestemmingen; 2. geen sprake is van onaanvaardbare gevolgen voor het radarbeeld van de radarstations die in beheer zijn bij het Ministerie van Defensie;
Bestemmingsplan regels 202330 | 27-01-2023
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
3. vooraf schriftelijk advies wordt ingewonnen bij de beheerder van de radarstations.
Artikel 9
Algemene gebruiksregels
a.
Het is verboden de in dit bestemmingsplan begrepen gronden, alsmede gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde, te gebruiken, te doen of te laten gebruiken op een wijze of tot een doel strijdig met de in dit bestemmingsplan aan de grond gegeven bestemming. b. Tot een strijdig gebruik wordt in ieder geval gerekend het gebruik en / of laten gebruiken van gronden en / of bouwwerken voor: 1. seksinrichtingen, escortbedrijf of prostitutie; 2. evenementen; 3. het opslaan, opgeslagen houden, storten of lozen van puin, vuil of andere vaste of vloeibare afvalstoffen, tenzij behorend bij dan wel onderdeel van de betreffende toegestane bedrijfsvoering; 4. detailhandel tenzij expliciet toegestaan; 5. het plaatsen of het geplaatst houden van onderkomens, waaronder begrepen kampeermiddelen, tenzij expliciet toegestaan.
Artikel 10 10.1
Algemene afwijkingsregels
Algemene afwijkingen
Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van de regels in dit bestemmingsplan en toestaan dat: a. Nutsvoorzieningengebouwtjes ten behoeve van agrarische bedrijven buiten het agrarische bouwvlak worden gebouwd, mits: 1. De oppervlakte niet meer bedraagt dan 10 m². 2. De bouwhoogte niet meer bedraagt dan 3 m. b. Geluidwerende voorzieningen worden gebouwd indien deze in het kader van de Wet geluidhinder noodzakelijk zijn, mits: 1. De bouwhoogte niet meer bedraagt dan 6 m. c. Waterkerende voorzieningen en sluizen ter voorkoming van wateroverlast worden gebouwd, mits: 1. De bouwhoogte niet meer bedraagt dan 3 m. d. Bestemmingsgrenzen en bouwvlakgrenzen worden overschreden indien dit nodig is in verband met afwijkingen en onnauwkeurigheden op de verbeelding ten opzichte van de feitelijke situatie, dan wel nodig is in verband met de juiste inpassing van de gebouwen, waarbij de grenzen met niet meer dan 2 m mogen worden overschreden. e. De voorgeschreven maatvoeringen met maximaal 10% worden overschreden, met dien verstande dat: 1. Deze afwijkingsbevoegdheid niet mag worden toegepast voor het vergroten van de inhoud van het hoofdgebouw van (bedrijfs)woningen. 10.2
Afwijken ten behoeve van evenementen
Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van de regels in dit bestemmingsplan voor het toestaan van evenementen, waarbij moet worden voldaan aan de volgende voorwaarden: a. Het evenement duurt maximaal 15 dagen, inclusief opbouwen, inrichten, afbreken en opruimen. b. Er vindt geen horeca plaats, anders dan ondergeschikt en inherent aan het toegestane evenement. c. Er vindt geen detailhandel plaats, anders dan ondergeschikt en inherent aan het toegestane evenement. d. Er treden geen onomkeerbare gevolgen voor het landschap op. e. Er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden. f. Er vindt geen onevenredige aantasting plaats van in de omgeving aanwezige cultuurhistorische, landschappelijke of natuurwaarden. g. De belangen van in de nabijheid gelegen functies verzetten zich niet tegen het gebruik van de betreffende bestemming voor het evenement.
Bestemmingsplan regels 202330 | 27-01-2023
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
10.3 Afwijken ten behoeve van paardenbakken Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van de regels in dit bestemmingsplan voor het toestaan van paardenbakken, waarbij moet worden voldaan aan de volgende voorwaarden: a. Situering binnen het bouwvlak dan wel bestemmingsvlak van de bijbehorende woning is niet mogelijk. b. De paardenbak grenst direct aan een agrarisch bouwvlak of een bestemmingsvlak van de bestemming 'Bedrijf', 'Wonen' en/of 'Tuin' van de bijbehorende woning en is niet toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'leefgebied kwetsbare soorten'. c. De afstand tot de meest nabijgelegen woning/bedrijfswoning van derden mag niet minder bedragen dan 25 m. d. De totale oppervlakte van de paardenbak mag niet meer bedragen dan 800 m². e. De bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 1,5 m. f. Lichtmasten zijn niet toegestaan. g. Paardenbakken zijn uitsluitend toegestaan ten behoeve van particulier gebruik. h. De afwijking mag niet leiden tot onevenredige aantasting van de gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van de naastgelegen percelen. i. Er dient sprake te zijn van een zorgvuldige landschappelijke inpassing op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd beplantingsplan tot realisatie, beheer en instandhouding van de landschappelijke inpassing.
Artikel 11 11.1
Overige regels
Nadere eisen a.
Het bevoegd gezag kan nadere eisen stellen aan de situering van gebouwen en overkappingen en bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde, ter voorkoming van onevenredige ruime situering van de bebouwing binnen het bouwvlak of bestemmingsvlak. b. De onder a genoemde nadere eisen mogen slechts worden gesteld indien zulks noodzakelijk is ten behoeve van zorgvuldig ruimtegebruik en/of ruimtelijke kwaliteit.
Bestemmingsplan regels 202330 | 27-01-2023
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
Hoofdstuk 4 Artikel 12 12.1
Overgangs- en slotregels
Overgangsrecht
Overgangsrecht bouwwerken a.
Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot: 1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd; 2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan. b. Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het bepaalde onder a een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in het bepaalde onder a met maximaal 10%. c. Het bepaalde onder a is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan. 12.2
Overgangsrecht gebruik a.
Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet. b. Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het bepaalde onder a, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind. c. Indien het gebruik, bedoeld in het bepaalde onder a, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten. d. Het bepaalde onder a is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.
Artikel 13
Slotregel
Deze regels worden aangehaald als: Regels van het bestemmingsplan "Zundertseweg 38 te Etten-Leur".
Bestemmingsplan regels 202330 | 27-01-2023
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
Bijlagen Bestemmingsplan regels 202330 | 27-01-2023
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
1. Beplantingsplan Zundertseweg 38 en Galgepad 4 te Etten-Leur
Bestemmingsplan regels 202330 | 27-01-2023
Landschappelijke inpassing Zundertseweg 38 - Galgepad 4 - Etten Leur
Nieuwmoerseweg 3a 4885 KJ ACHTMAAL info@plangroen.nl
www.plangroen.nl
Colofon Opdrachtgever
Schoenmakers Advies BV Molenzicht 2 4881 BW Zundert
Datum
11 december 2021
Contactpersoon
Martijn Aarts info@plangroen.nl
PLANgroen Nieuwmoersweg 3a 4885 KJ ACHTMAAL info@plangroen.nl www.plangroen.nl
-2-
LANDSCHAPPELIJKE INPASSING - ZUNDERTSEWEG 38 - GALGEPAD 4 - ETTEN LEUR
Inhoud
-3-
Inleiding
4
Beleidskader Kwaliteitsverbetering van het landschap
5
Huidige analyse
6-7
Landschappelijke inpassing
8-12
Beheer landschappelijke elementen
13
Referentiebeelden
14
LANDSCHAPPELIJKE INPASSING - ZUNDERTSEWEG 38 - GALGEPAD 4 - ETTEN LEUR
Inleiding De locaties Zundertseweg 38 / Galgepad 4 maken onderdeel uit van één horeca locatie. Het voornemen is om de bestaande bedrijfswoning aan Galgepad 4 om te zetten naar burgerwoning. Op het overige terrein aan de Zundertseweg 38 worden twee ruimte-voor-ruimte woningen gerealiseerd, waarvoor de bestemming naar ‘wonen’ wordt gewijzigd. In het voorliggend plan is de landschappelijke inpassing voor de ontwikkeling opgenomen en daarnaast onderbouwt hoe deze ontwikkeling zich verhoudt tot de regeling kwaliteitsverbetering van het landschap van de provincie Noord-Brabant. Het landschapsplan is als volgt opgebouwd: • • • • •
Beleidskader Kwaliteitsverbetering van het landschap Huidige analyse Landschappelijke inpassing Beheer landschappelijke elementen Referentiebeelden
Planlocaties
-4-
LANDSCHAPPELIJKE INPASSING - ZUNDERTSEWEG 38 - GALGEPAD 4 - ETTEN LEUR
Beleidskader Kwaliteitsverbetering van het landschap Om de kwaliteit van het landschap te versterken heeft de provincie Noord- Brabant in haar ‘Structuurvisie ruimtelijke ordening’ en de ‘Interim omgevingsverordening Noord-Brabant’ het principe van kwaliteitsverbetering van het landschap geïntroduceerd. Voor ruimtelijke plannen buiten bestaand stedelijk gebied is in de ‘Interim omgevingsverordening Noord-Brabant’ bepaald dat de ontwikkeling gepaard dient te gaan met zorgvuldig ruimte gebruik (artikel 3.8) en kwaliteitsverbetering van het landschap (artikel 3.9). Om invulling te geven aan de kwaliteitsverbetering van het landschap heeft de provincie Noord-Brabant de handreiking ‘Kwaliteitsverbetering van het landschap: de rood-met-groen koppeling’ opgesteld. Deze handreiking geeft een aanzet, hoe invulling kan worden gegeven aan de omvang van de basisinspanning, die vanuit het ruimtelijk kwaliteitsbeleid gevraagd wordt. Voor de regio West-Brabant zijn nadere afspraken gemaakt in de notitie ‘Afsprakenkader Kwaliteitsverbetering van het landschap in de regio West-Brabant’. In deze notitie zijn drietal categorieën opgesteld om te bepalen onder welke methodiek de omvang bepaald wordt van de investering die gedaan moet worden ten behoeve van de kwaliteitsverbetering van het landschap.
De categorieën zijn als volgt onderverdeeld: Categorie 1 Ruimtelijke ontwikkelingen met nauwelijks tot geen landschappelijke invloed en waarbij geen (extra) kwaliteitsverbetering van het landschap wordt geëist. Categorie 2 Ruimtelijke ontwikkelingen met weinig landschappelijke invloed, dan wel ruimtelijke ontwikkelingen die van nature aan het buitengebied zijn gebonden, of plaatsvinden in hiervoor aangewezen gebieden. De kwaliteitsverbetering vindt plaats in de vorm van landschappelijke inpassingsmaatregelen. Deze categorie is niet limitatief. Categorie 3 Ruimtelijke ontwikkelingen welke niet tot categorie 1 of 2 behoren. De kwaliteitsverbetering wordt berekend op basis van de bestemmingswinst. De beoogde ontwikkeling (bestemming ‘Horeca’ ter plaatse van de voormalige bedrijfswoning omzetten naar ‘Wonen’) op de planlocatie wordt niet als zodanig benoemd binnen de specifieke ontwikkelingen die opgenomen zijn bij categorie 1 en 2 en in het afsprakenkader. De ontwikkeling valt daardoor onder categorie 3, maar gelet op het feit dat de ruimtelijke ontwikkeling vergelijkbaar is met een bestemmingswijziging van een agrarisch bedrijf naar een woonbestemming kan gesteld worden dat de ontwikkeling gelijk te stellen is met categorie 2
-5-
LANDSCHAPPELIJKE INPASSING - ZUNDERTSEWEG 38 - GALGEPAD 4 - ETTEN LEUR
Huidige analyse Gebiedsbeschrijving Het plangebied ligt in het buitengebied aan de Zundertseweg 38/Galgepad 4 ten zuiden van de kern Etten-Leur. Het buitengebied van Etten Leur bestaat hier uit Zandlandschap wat zich kenmerkt door zijn halfopen karakter met elementen die bestaan uit bomenrijen, (struweel)hagen en klein bosjes. Ook uit de historische kaarten blijkt dat het landschap in de omgeving van het plangebied uit cultuurgronden met kleine bosjes en hagen bestond Locatie beschrijving De planlocatie ligt in een gebied waar de cultuurgronden domineren en bestaat uit agrarische percelen met summiere beplanting. De meeste beplanting is terug te vinden rondom de erven. Vrijstaande woningen en boerderijen wisselen elkaar af, waarbij de erf- en bedrijfsbebouwing vaak geclusterd staat.
-6-
LANDSCHAPPELIJKE INPASSING - ZUNDERTSEWEG 38 - GALGEPAD 4 - ETTEN LEUR
-7-
1920
1950
1990
2020
LANDSCHAPPELIJKE INPASSING - ZUNDERTSEWEG 38 - GALGEPAD 4 - ETTEN LEUR
Landschappelijke inpassing Te realiseren knip- scheerheg 42M Te Realiseren Struweelhaag 100M lang
Zundert se
R-V-R Woning
weg
R-V-R Woning
Nr. 4
Galg
Te realiseren knip- scheerheg 56M met daarboven landschapsbomen in bomenrij
epad
N
-8-
LANDSCHAPPELIJKE INPASSING - ZUNDERTSEWEG 38 - GALGEPAD 4 - ETTEN LEUR
Beeldkwaliteit:
Landschappelijke inpassing
De landschappelijke inpassing moet een kwaliteitsverbetering zijn voor het landschap. Gemeente Etten-Leur heeft in zijn structuurvisie de potentie aangegeven om de bestaande groenstructuur tussen kern en landschap te versterken. Op planlocatie Zundertseweg 38 en Galgepad 4 worden de landschapspakketten ‘Knip-scheerheg’, ‘Landschapsbomen in bomenrij’ en ‘Struweelhaag’ gerealiseerd. De Knip-scheerheggen worden aan de noord- en zuidelijke perceelsgrens van Zundertseweg 38 aangeplant. Aan de zuidelijke perceelsgrens van Zundertseweg 38 ( noordelijke perceelsgrens voor Galgepad 4) worden ook Landschapsbomen boven gezet. De westelijke perceelsgrens van de Zundertseweg 38 en Galgepad 4 wordt een struweelhaag aangeplant. Deze elementen versterken de al robuuste uitstraling van het landschap zonder de karakteristieke elementen te beperken in zicht of omvang. Landschapspakketten: Aangegeven bij ieder landschapspakket wordt: Normen en eisen van het pakket bepaald door provincie Noord-Brabant. Oppervlakten, plantafstanden, aantallen en soorten. Beplanting: Om de beeldkwaliteit te verhogen is er gekozen voor inheemse boom en struiksoorten. Gezien de bestaande landschapselementen en de structuurvisie van de gemeente Etten Leur wordt hierop de keuze van de beplanting aangepast. Per landschappakket wordt aangegeven welke soorten worden gebruikt.
-9-
LANDSCHAPPELIJKE INPASSING - ZUNDERTSEWEG 38 - GALGEPAD 4 - ETTEN LEUR
Knip- Scheerhaag (98 Meter): Het landschapselement ‘Knip-Scheerhaag’ valt onder het landschapspakket L7 (STIKA). Het is een vrijliggende lijnvormig landschapselement, met aaneengesloten begroeiing van inheemse bomen- en struiken, dat regelmatig wordt geknipt of geschoren. Algemene eisen ten aanzien van inrichting en beheer: -
-
Het element is tenminste 25 meter lang en is ten minste 1 meter en ten hoogste 3 meter breed; Het element wordt minimaal eenmaal per 2 jaar en maximaal eenmaal per jaar geknipt of geschoren en de haag heeft in geschoren toestand een hoogte van minimaal 1 meter; Bij verbranden van het takhout (indien dit mogelijk is in kader van APV) geen vuur maken in of binnen 5 meter vanaf het element; Het gebruik van chemische bestrijdingsmiddelen in het element is niet toegestaan m.u.v. pleksgewijze bestrijding van akkerdistel, ridderzuring, Jacobskruiskruid en Japanse duizendknoop en van ongewenste houtsoorten (Amerikaanse vogelkers, Amerikaanse eik en Robinia) middels een stobbenbehandeling; Bij beweiding van de aanliggende gronden is een raster aanwezig waardoor schade door vraat stammen en hakhoutstobben en betreding van het element wordt voorkomen. Het raster mag niet bevestigt zijn aan stammen van het element zelf; Grondbewerking van de aanliggende gronden wordt zodanig uitgevoerd dat schade aan het element wordt voorkomen; Snoeiwerkzaamheden worden alleen verricht in de periode tussen 1 juni en 15 maart.
Voor de knip-scheerhaag worden vier planten per meter gebruikt.
-10-
Soort Latijnse naam
Nederlandse naam
Fagus sylvatica
gewone beuk
maat
Aantal
150/175 1+2
392
LANDSCHAPPELIJKE INPASSING - ZUNDERTSEWEG 38 - GALGEPAD 4 - ETTEN LEUR
Landschapsbomen in bomenrij (10 stuks): Het landschapselement ‘Landschapsbomen in bomenrij’ valt onder het landschapspakket L8B (STIKA). Een bomenrij is een één-, twee of meerrijigge beplanting van bomen, niet zijnde knotbomen, die meestal van ongeveer gelijke leeftijd zijn. Een laan is een specifieke vorm van een bomenrij. Er is sprake van een laan als aan beide zijden van een weg één of meer rijen bomen in een regelmatig plantverband geplant zijn. Een bomenrij rij bestaat uit minimaal 10 inheemse loofbomen en de bomen staan in een langgerekte en relatief smalle zone zonder agrarisch gebruik. Algemene eisen ten aanzien van inrichting en beheer -
-
-11-
De bomen kunnen periodiek worden gesnoeid, waarbij de kroon (onderste dikke tak tot de top) na het snoeien altijd meer dan 50% van de lengte van het takvrij stamstuk bedraagt; Bij versnipperen van het takhout mogen de snippers niet in de strook zonder agrarisch gebruik worden verwerkt; Bij verbranden van het takhout (indien dit mogelijk is in kader van APV) geen vuur maken onder de kronen van de bomen; Het gebruik van chemische bestrijdingsmiddelen in het element is niet toegestaan m.u.v. pleksgewijze bestrijding van akkerdistel, ridderzuring, Jacobskruiskruid en Japanse duizendknoop en van ongewenste houtsoorten (Amerikaanse vogelkers, Amerikaanse eik en Robinia) middels een stobbenbehandeling; Bij beweiding van de aanliggende gronden is een raster aanwezig waardoor schade door vraat stammen en betreding van het element wordt voorkomen. Het raster mag niet bevestigt zijn aan stammen van het element zelf; Grondbewerking van de aanliggende gronden wordt zodanig uitgevoerd dat schade aan het element wordt voorkomen; Snoeiwerkzaamheden worden alleen verricht in de periode tussen 1 augustus en 15 maart.