Bijlage 3 Bestemmingsplan Zundertseweg 38 (vastgesteld-concept)
Tekst van het document
Het plan is hierdoor niet in strijd met de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant.
Bestemmingsplan toelichting 202330 | 27-01-2023
Pagina 24 van 49
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
4.4
Gemeentelijk beleid
4.4.1
StructuurvisiePlus 2020, Etten-Leur in bloei, 2005
Op 23 mei 2005 heeft de gemeenteraad de StructuurvisiePlus 2020 vastgesteld. In de visie wordt op hoofdlijnen de ruimtelijke ontwikkeling van de gemeente Etten-Leur voor de periode tot 2020 vastgelegd en weergegeven. De structuurvisie Plus omvat een integraal beleid voor zowel de kern als het buitengebied van de gemeente. De visie voor het buitengebied voor glastuinbouw, ecologische verbindingszones, bosgebieden etc. zijn, in lijn met het provinciale beleid, van een goede bestemming en zo nodig bescherming voorzien in het bestemmingsplan Buitengebied (2013). Inmiddels is een aanvang gemaakt met de opstelling van een ‘Omgevingsvisie’ voor de periode tot 2030. Actief landschapsbeleid De gemeente Etten-Leur voert een actief landschapsbeleid. Dat beleid is gebaseerd op de in 2005 vastgestelde ‘StructuurvisiePlus 2020, Etten-Leur in Bloei’. De daarin opgenomen visie op het gebied van landschap vormt nog steeds een goed uitgangspunt. Belangrijke onderdelen van de landschapsvisie zijn het project Groene Schakel, agrarisch en particulier landschapsbeheer en de realisatie van ecologische verbindingszones (enkele tientallen kilometers): ▪ Het project Groene Schakel - een robuuste groenstructuur van zo’n 25 hectare tussen de bos- en natuurgebieden het Liesbos, de Hooiberg, de Berk en de Haagse Dijk - is gerealiseerd.
▪ Agrarisch en particulier landschapsbeheer is structureel vormgegeven via een apart project, inclusief financiering daarvan. ▪ De ecologische verbindingszones in Etten-Leur zijn voor ongeveer de helft gerealiseerd. Er is nog een forse restopgave. Ecologische verbindingszones zijn een belangrijk bestedingsdoel van de middelen uit het gemeentelijk Groenfonds. Etten-Leur is doende met de opstelling van een Omgevingsvisie, een vooruitblik voor de komende 10 jaar. Het beleid uit de StructuurvisiePlus zal daarin op hoofdlijnen voortgezet worden. Aan de Omgevingsvisie zullen ook uitvoeringsprogramma’s gekoppeld worden. Landschapsontwikkeling zal daarin ook een plaats krijgen. Naast de restopgave aan ecologische verbindingszones wordt gedacht aan andere bestedingsdoelen die goed aansluiten bij het begrip ‘kwaliteitsverbetering landschap’ zoals dat in het provinciaal en gemeentelijk planologisch beleid gehanteerd wordt. Behalve aan landschap valt te denken aan verbetering van aanwezige en potentiële kwaliteiten van natuur, cultuurhistorie, bodem of water en verbetering van de extensieve recreatieve mogelijkheden van het buitengebied. De middelen die beschikbaar zijn en nog komen via de regeling kwaliteitsverbetering landschap zullen ook daarvoor ingezet worden.
Deze middelen zijn in de gemeentelijke financiële administratie geoormerkt en mogen alleen voor kwaliteitsverbetering van het landschap ingezet worden. 4.4.2
Bestemmingsplan ‘Buitengebied’ Etten-Leur
Op de planlocatie Zundertseweg 38 en Galgepad 4 te Etten-Leur is het bestemmingsplan ‘Buitengebied’ van kracht. Het vigerende bestemmingsplan ‘Buitengebied’ is op 30 september 2013 vastgesteld. Op 20 mei 2015 is het bestemmingsplan grotendeels onherroepelijk geworden. De gedeelten die niet onherroepelijk zijn geworden hebben geen betrekking op de ontwikkelingen die met deze herziening beoogd worden. Daarnaast gelden de planregels van het ‘Paraplubestemmingsplan Vergroten inhoudsmaat burgerwoningen Buitengebied’. Dit paraplubestemmingsplan is vastgesteld op 27 mei 2019. Het bestemmingsplan ‘Buitengebied’ omvat vrijwel het gehele buitengebied van de gemeente Etten-Leur. Het plan is mede opgesteld op basis van de Structuurvisie ruimtelijke ordening Noord-Brabant en de Verordening ruimte Noord-Brabant (de voorlopers van de Omgevingsvisie en Interim omgevingsverordening NoordBrabant). In figuur 12 is de huidige bestemmingsplankaart van het bestemmingsplan ‘Buitengebied’ weergegeven. De planlocatie heeft de bestemming ‘Horeca’ met een bijbehorend bouwvlak en functieaanduiding ‘kamerverhuur’. Daarnaast ligt over het plangebied de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 4’.
Bestemmingsplan toelichting 202330 | 27-01-2023
Pagina 25 van 49
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
Binnen de vigerende bestemmingen is het niet rechtstreeks mogelijk om de beoogde ontwikkeling mogelijk te maken. Het vigerende bestemmingsplan moet partieel worden herzien middels een bestemmingsplanprocedure ex. artikel 3.1 Wet ruimtelijke ordening, waarmee het ter plaatse vigerende bestemmingsplan partieel wordt herzien.
Figuur 12: Uitsnede bestemmingsplankaart bestemmingsplan ‘Buitengebied’
4.4.3
Beleidslijn Incidentele Ruimte voor Ruimte, Etten-Leur (juli 2021)
De gemeente behoudt een eigen afwegingsruimte om al dan niet medewerking te verlenen aan verzoeken die worden ingediend waarbij sprake is van de aankoop van een ruimte-voor-ruimtekavel. Dit afwegingskader is opgenomen in de gemeentelijke beleidslijn “Incidentele Ruimte voor Ruimte”. Deze beleidslijn is vastgesteld om te voorkomen dat op basis van een bouwtitel van de provincie een burgerwoning wordt gebouwd zonder dat een kwaliteitsverbetering wordt behaald in het buitengebied van Etten-Leur. Ook bij het bouwen op basis van een bouwtitel voor een ruimte-voor-ruimtekavel van de provincie moet daarom sprake zijn van een meerwaarde c.q. kwaliteitswinst binnen de gemeente Etten-Leur. In 2009 is de Beleidslijn Incidentele Ruimte voor Ruimte, Etten-Leur vastgesteld. Er is geen gebruikgemaakt van dit beleid. Door het beleid te herzien, wil de gemeente de drempel om gebruik te maken van de Ruimte voor Ruimte-regeling verlagen. Daarnaast is geconstateerd dat het beleid niet volledig toepasbaar is op het buitengebied. Dit is met de herziening aangevuld. De voorwaarden uit de beleidslijn zijn: 1. Er moet sprake zijn van een duidelijke kwaliteitswinst binnen de gemeente Etten-Leur. Dat houdt in dat er binnen het plangebied bebouwing gesloopt moet worden.
Kwantitatief betekent dit de sloop van minimaal 1.000 m2 (voormalige) agrarische bedrijfsbebouwing (anders dan kassen), minimaal 5.000 m2 kas, 600 m2 niet-agrarische bedrijfsbebouwing of 750 m2 bedrijfsbebouwing ten behoeve van een horecabedrijf. Het volledige bedrijf moet in de planvorming worden gesaneerd. Voor overige bestemmingen geldt maatwerk in lijn met dit RvR-beleid. 2. De locatie van de nieuw te bouwen woning moet voldoen aan de locatie-eisen zoals gesteld door de provincie;
Bestemmingsplan toelichting 202330 | 27-01-2023
Pagina 26 van 49
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
3. De locatie van de nieuw te bouwen woning moet planologisch aanvaardbaar zijn en de realisatie van de woning moet passen in de visie voor dit gebied. Voor de voorwaarden onder 1 geldt dat een veelvoud van genoemde oppervlaktematen niet direct betekent dat er meerdere woningen mogelijk zijn; 4. Wanneer er voldoende kwaliteitswinst plaats vindt op basis van de voorwaarden onder 1, dan mag één extra RvR-woning wordt toegevoegd in het buitengebied, mits de locatie planologisch aanvaardbaar is en er een kwaliteitsbijdrage wordt gestort in de reserve Landschapsbeleid, onderdeel Kwaliteitsverbetering van het landschap, ter waarde van de benodigde kwaliteitswinst (€ 25.000, -, prijspeil 2021). 5. Eventuele resterende bebouwing die niet wordt ingezet voor de toevoegen van een RvR-woningen mag ingezet worden voor de reguliere sloop-bonusregeling die geldt bij de omzetting van een bedrijfswoning naar een burgerwoning; 6. De nieuw te bouwen woning moet voldoen aan de standaardbepalingen uit het bestemmingsplan ‘Buitengebied’ (maximale standaard inhoudsmaat van de woning en maximale standaardoppervlakte van bijgebouwen en overkappingen); 7. Het plangebied moet landschappelijk worden ingepast. Het initiatief op de planlocatie betreft naast het omzetten van de bestaande voormalige bedrijfswoning naar een burgerwoning, het oprichten van twee Ruimte voor Ruimte-woningen.
Voor de planlocatie betekent dit conform de beleidslijn van gemeente Etten-Leur het volgende: Ad 1)
Op de locatie wordt in totaal 770 m² aan voormalige bedrijfsgebouwen ten behoeve van het voormalige horecabedrijf gesloopt. De bestemming op de locatie wordt omgezet naar ‘Wonen’ en ‘Groen – Houtsingel’ waardoor is geborgd dat er in de toekomst geen horecabedrijf meer gevestigd kan worden. Het saneren van het voormalige horecabedrijf brengt een duidelijke kwaliteitswinst met zich mee.
Ad 2)
In paragraaf 4.3 is het beleidskader vanuit de provincie uiteengezet. De planlocatie is gelegen binnen een bebouwingsconcentratie, en wel een bebouwingscluster. Conform de voorwaarde vanuit het provinciaal beleid past de ontwikkeling binnen deze voorwaarde.
Ad 3)
De planlocatie is gelegen op een aanvaardbare locatie binnen een bebouwingsconcentratie. Direct grenzend aan de planlocatie zijn meerdere woonlocaties gelegen.
Ad 4)
Op basis van de minimale verplichte sloopbijdrage wordt één Ruimte voor Ruimte-woning opgericht. Voor het oprichten van de tweede Ruimte voor Ruimte-woning wordt een kwaliteitsbijdrage geleverd door het storten van € 25.000, - in het gemeentelijke reserve Landschapsfonds. Op dit bedrag zal € 500,- (20 m² x € 25,-) in mindering worden gebracht, met betrekking tot de resterende te slopen bebouwing. Het plangebied heeft een dermate omvang dat het oprichten van twee Ruimte voor Ruimte-woningen naast de bestaande woning aanvaardbaar wordt geacht. De kavel waarop de twee Ruimte voor Ruimte-woningen kunnen worden opgericht heeft een oppervlakte van circa 3.640 m² waarvan 2.840 m² bestemd wordt als ‘Wonen’. De overige m² krijgen de bestemming ‘Tuin’ of ‘Groen – Houtsingel’.
Ad 5)
Zoals hiervoor beschreven zal € 500,- op het af te storten bedrag in het gemeentelijk reserve Landschapsfonds in mindering gebracht worden met betrekking tot de resterende bebouwing van 20 m² die gesloopt wordt.
Ad 6)
In de regels van onderhavig bestemmingsplan zijn de standaardbepalingen met betrekking tot de bouw van de Ruimte voor Ruimte-woningen overgenomen uit het bestemmingsplan ‘Buitengebied’ en ‘Parapluplan Vergroten inhoudsmaat burgerwoningen Buitengebied’.
Ad 7)
Het plangebied wordt conform het afsprakenkader ‘Kwaliteitsverbetering van het landschap in de regio West-Brabant’ en de Interim omgevingsverordening landschappelijk ingepast. Het landschapsplan is toegevoegd aan de regels van onderhavig bestemmingsplan en geborgd in de regels en op de planverbeelding.
Bestemmingsplan toelichting 202330 | 27-01-2023
Pagina 27 van 49
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
Hoofdstuk 5 5.1
Milieu- en overige aspecten
Algemeen
Op de planlocatie wordt de voormalige horecabedrijfslocatie her ontwikkeld. De bestaande voormalige bedrijfswoning wordt omgezet naar een burgerwoning. Op het vrijgekomen terrein worden twee Ruimte voor Ruimte-woningen gerealiseerd. De locatie is niet meer in gebruik ten behoeve van een horecabedrijf. Het huidige bestemmingsplan dient te worden herzien door middel van een bestemmingsplanprocedure ex. artikel 3.1 Wet ruimtelijke ordening. In onderstaande paragrafen zijn de ruimtelijke-milieu hygiënische aspecten welke betrekking hebben op het plangebied uiteengezet. 5.2
Cultuurhistorie en archeologie
5.2.1
Cultuurhistorie
Wettelijk toetsingskader In de toelichting van het bestemmingsplan dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening wordt gehouden (artikel 3.1.6, lid 5 Bro). De opsteller en vaststeller van het bestemmingsplan is daarmee dus verplicht om breder te kijken dan alleen naar het facet archeologie. Ook de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. Beleid provincie Noord-Brabant Voor het bepalen van de cultuurhistorische elementen van het plangebied is de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Noord-Brabant geraadpleegd. In de provincie Noord-Brabant dienen in het kader van het behoud van waardevolle cultuurhistorische elementen en archeologische vindplaatsen, bestemmingsplannen te worden getoetst aan de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW). Hierop staan de bepalende cultuurhistorische elementen aangegeven. Deze kaart is eveneens via de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant een verplicht te raadplegen onderdeel.
Figuur 13: Uitsnede Cultuurhistorische Waardenkaart (bron: brabant.nl)
Op de Cultuurhistorische Waardenkaart (figuur 13) van de provincie Noord-Brabant is te zien dat het planlocatie is gelegen in een cultuurhistorisch landschap ‘West-Brabantse Venen’. De Zundertseweg is gemarkeerd als ‘historische geografie – lijn van redelijk hoge waarde’.
Bestemmingsplan toelichting 202330 | 27-01-2023
Pagina 28 van 49
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
Cultuurhistorische landschappen Het plangebied is gelegen in de regio ‘West-Brabantse Venen’, zoals aangegeven op de Cultuurhistorische Waardenkaart van de provincie Noord-Brabant. De West-Brabantse Venen maken deel uit van het zwak golvende dekzandlandschap. Anders dan in Oost-Brabant waren hier geen beeklopen, waardoor de dekzandkommen een slechte ontwatering hadden. Hierdoor ontstond op grote schaal veen. Stormvloeden hebben grote delen van het West-Brabantse veen weggeslagen. Grote delen van de resterende venen zijn door de mens afgegraven en ontgonnen. In de ‘West- Brabantse Venen’ heeft de winning en het transport van turf het landschap eeuwenlang beheerst. Hieraan herinneren de (relicten van) turfvaart en de turfhoofden. De ontginning van het veen heeft ontwikkeling van het gebied mogelijk gemaakt. Op de afgeveende gronden worden nieuwe dorpen gesticht, landgoederen, landbouwgronden en productiebossen aangelegd. Het onderhavig plan is op de schaal van de hele regio echter een kleinschalige ruimtelijke ontwikkeling die geen specifieke aanknopingspunten biedt om invulling te geven aan het beleid voor de regio. Historische geografie De Zundertseweg is aangeduid als historische geografie (lijn) van redelijk hoge waarde. Het betreft hier herkenbare en relatief gave elementen van het historisch landschap.
De lijnen zijn representatief voor de diverse soorten lijnvormige landschapselementen in Noord-Brabant. De provincie wil de geografische lijnen, net als de overige cultuurhistorische waarden, behouden, verder ontwikkelen en toeristisch-recreatief ontsluiten. De historische lijnen blijven door de ontwikkelingen op de planlocatie onaangeroerd. Het plangebied wordt stedenbouwkundig ingepast in het bestaande karakter van het gebied. Het bestaande beeld aan de Zundertseweg blijft behouden. De ontwikkeling binnen het plangebied doet geen afbreuk aan cultuurhistorische waarden binnen of in de nabije omgeving van het plangebied. 5.2.2
Archeologie
Wettelijk toetsingskader Het Europese verdrag betreffende de bescherming van het archeologische erfgoed is in 1992 in Valletta (Malta) ondertekend door de ministers van Cultuur van de landen aangesloten bij de Raad van Europa. Dit verdrag wordt het ‘Verdrag van Malta’ genoemd. Het verdrag van Malta heeft als hoofddoel archeologische resten in Europa te beschermen als onvervangbaar onderdeel van het culturele erfgoed. In Nederland heeft het rijk dit Verdrag in 2007 verankerd in nationale wet- en regelgeving middels de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz). De Wamz is geen zelfstandige wet, maar een Wijzigingswet en betreft onder meer een herziening van de Monumentenwet 1988. De belangrijkste wijziging voor gemeenten is het feit dat archeologie sinds de invoering van de wet archeologie moet verankeren in het bestemmingsplan. Dit is niet veranderd met de inwerkingtreding van de Erfgoedwet (1-7-2016). Sindsdien is het behoud en beheer van het Nederlandse erfgoed geregeld door één integrale Erfgoedwet. De omgang met archeologie in de fysieke leefomgeving zal in de nieuwe Omgevingswet worden geregeld. De Omgevingswet zal naar verwachting in 2022 in werking treden. Het uitgangspunt is dat de beschermingsniveaus zoals die in de eerdere wetten en regelingen golden, worden gehandhaafd.
Beoordeling De gemeente Etten-Leur heeft in het bestemmingsplan “Buitengebied” de archeologische verwachtingswaarde verbeeld. In dit bestemmingsplan is ter plaatse van de Zundertseweg 38 en de aangrenzende gronden de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 4’ opgenomen. Het betreft hier gronden met een lage tot middelhoge archeologische verwachtingswaarde. Blijkens de bouwregels is een archeologisch onderzoek benodigd zodra bouwwerken worden gerealiseerd met een oppervlakte groter dan respectievelijk 50.000 m² en grondwerkzaamheden dieper dan 0,4 m. Het totale plangebied aan de Zundertseweg 38 en Galgepad 4 heeft een oppervlakte van circa 5.758 m². Hiermee blijft het plangebied onder de gestelde ondergrens van 50.000 m². Op basis van deze ondergrens is geen archeologisch onderzoek benodigd. Op dit moment is echter nog niet bekend hoe de twee nieuwe woningen aan de Zundertseweg gefundeerd gaan worden en of deze fundering dieper is dan de gestelde ondergrens van 0,4 m. Ten tijde van de aanvraag omgevingsvergunning zal getoetst worden of de graafwerkzaamheden ten gevolge van de realisatie van de woningen onderzoek plichtig zijn ten aanzien van archeologie. De bestemming ‘Waarde – Archeologie 4’ wordt op de gehele planlocatie gehandhaafd. Het aspect archeologie staat het voorgenomen initiatief niet in de weg.
Er dient met betrekking tot onderhavig bestemmingplan geen archeologisch onderzoek uitgevoerd te worden.
Bestemmingsplan toelichting 202330 | 27-01-2023
Pagina 29 van 49
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
5.3
Wegverkeerslawaai
Bij het ontwikkelen van een ruimtelijk plan is het belangrijk rekening te houden met geluidsbronnen en de mogelijke hinder of overlast daarvan voor mensen. De beoordeling van het aspect geluid in ruimtelijke plannen vindt zijn grondslag in vooral de Wet geluidhinder en daarnaast in de Wet ruimtelijke ordening, op basis van het voorzien in een goed woon- en leefklimaat. In het kader van de Wet geluidhinder (Wgh) zijn de objecten; woningen, geluidsgevoelige terreinen en andere geluidsgevoelige gebouwen beschermt tegen wegverkeerslawaai, industrielawaai, spoorweglawaai en omgevingslawaai. Onder geluidsgevoelige terreinen wordt verstaan: terreinen behorend bij andere gezondheidszorggebouwen dan algemene categorale en academische ziekenhuizen, alsmede verpleeghuizen en woonwagenstandplaatsen. Geluidsgevoelige gebouwen zijn onder andere onderwijsgebouwen, ziekenhuizen, verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen. In het kader van de Wet geluidhinder (Wgh) is een woning een geluidsgevoelig object. Langs alle wegen - met uitzondering van 30 km/h-wegen en woonerven- bevinden zich op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) geluidszones waarbinnen de geluidhinder vanwege de weg getoetst moet worden. De breedte van de geluidszone is afhankelijk van het aantal rijstroken en van een binnen- of buiten stedelijke ligging.
Het berekenen van de geluidbelasting heeft tot doel te bepalen of de voorkeursgrenswaarde van Lden – 48 dB uit de Wet geluidhinder wordt overschreden. Is dit het geval dan dient een hogere waarde verleend te worden om realisatie van het bouwplan mogelijk te maken en dienen bouwkundige voorzieningen te worden bepaald om aan de binnen niveaus van de Wet geluidhinder en de geluidweringseisen van het Bouwbesluit te voldoen. In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt voor de twee Ruimte voor Ruimte-woningen de geluidsbelasting van de aan het plangebied gelegen wegen onderzocht door middel van een akoestisch onderzoek. De geluidsbelasting van deze wegen zal worden berekend op de nieuwbouw en worden getoetst aan (kwalitatieve) eisen voor een goede ruimtelijke ordening. Op 14 december 2021 is door Kraaij Akoestisch Adviesbureau een akoestisch onderzoek uitgevoerd voor de nieuwe Ruimte voor Ruimte-woningen aan de Zundertseweg. Het volledige onderzoek is als afzonderlijke bijlage toegevoegd aan onderhavige toelichting. Hieronder is de korte samenvatting en advies uit het onderzoek weergegeven. Voor de volledige onderzoeksresultaten wordt kortheidshalve verwezen naar de bijlage.
Samenvatting en advies akoestisch onderzoek Na uitvoering van het akoestisch onderzoek naar de geluidbelasting vanwege wegverkeerslawaai op de grenzen van het bouwvlak voor de ruimte-voor-ruimte ontwikkeling aan de Zundertseweg 38 in Etten-Leur kan gesteld worden dat: ▪ De geluidbelasting op de grenzen van het bouwvlak vanwege de rijksweg A58 ten hoogste 53 dB bedraagt en daarmee niet overal voldoet aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB in navolging van de Wgh. De overschrijding van 1 – 5 dB vindt op nagenoeg alle rekenpunten plaats, maar voornamelijk op de verdiepingshoogten. ▪ De geluidbelasting op de grenzen van het bouwvlak vanwege de Zundertseweg ten hoogste 41 dB bedraagt en daarmee overal voldoet aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB uit de Wgh. ▪ De geluidbelasting op de grenzen van het bouwvlak vanwege de Sprundelsebaan ten hoogste 41 dB bedraagt en daarmee overal voldoet aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB uit de Wgh. ▪ De maximale geluidbelasting voor het aanvragen van een hogere waarde (53 dB) vanwege de rijksweg A58 niet wordt overschreden. ▪ Uit maatregelenonderzoek blijkt dat bron- en overdrachtsmaatregelen niet doelmatig zijn of stuiten op overwegende bezwaren van financiële, praktische, stedenbouwkundige of verkeers- en vervoerskundige aard.
▪ Er geen of in slechts in beperkte mate sprake is van toename in geluid na cumulatie, omdat er slechts één geluidbron in het onderzoek relevant is, namelijk de rijksweg A58, en de geluidbelasting vanwege de overige twee ▪ Wegen op de nieuwbouw dermate laag is dat deze geen of nauwelijks invloed meer uitoefenen op het akoestisch woon- en leefklimaat.
Bestemmingsplan toelichting 202330 | 27-01-2023
Pagina 30 van 49
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
▪
▪
▪ ▪
Het akoestisch woon- en leefklimaat bij de nieuwbouw overwegend als goed tot redelijk dient te worden beoordeeld. Alleen op de tweede verdiepingshoogte is sprake van een matig woonmilieu, maar alleen aan de noordelijke en westelijke gevelzijde. Gelet op de ligging van het plangebied ten opzichte van de maatgevende weg en de rekenresultaten op de grenzen van het bouwvlak, het aannemelijk is dat er bij elke nieuwbouwwoning zondermeer één geluidluwe gevel aanwezig zal zijn, evenals een geluidluwe buitenruimte. Dit zal in ieder geval op de begane grondhoogte zo zijn (geluidbelasting na cumulatie ten hoogste 53 dB). In dit geval is dus sprake van een goede ruimtelijke ordening. Volgens het hogere waarde beleid van gemeente Etten-Leur is een geluidluwe gevel pas vereist bij een geluidbelasting boven de 53 dB. Er voor de ontwikkeling een hogere waarde van 53 dB kan worden aangevraagd bij de gemeente Etten-Leur vanwege de geluidbelasting van de rijksweg A58.
Een bouw akoestisch onderzoek naar de karakteristieke geluidwering van de uitwendige gevelconstructie van de nieuwbouwwoningen wordt op voorhand niet noodzakelijk geacht, aangezien in onderhavige situatie de benodigde geluidwering slechts 23 dB bedraagt en deze bij de nieuwbouw van tegenwoordig vrijwel zeker wordt behaald, zeker als gebruik gemaakt wordt van een gebalanceerd ventilatiesysteem. Daarbij het verzoek aan de gemeente Etten-Leur om voor de wooneenheden aan de Zundertseweg conform de resultaten uit het akoestisch onderzoek een hogere waarde besluit te nemen. 5.4
Hinder en bedrijven
5.4.1
Richtafstanden bedrijven
Algemeen Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient rekening te worden gehouden met eventuele milieuhinder als gevolg van (bedrijfs-)activiteiten. Uitgangspunt daarbij is dat bedrijven niet in hun bedrijfsvoering worden beperkt en dat ter plaatse van woningen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-publicatie ‘Bedrijven en Milieuzonering’ gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstand geldt tussen enerzijds de bestemming die bedrijven (of andere milieubelastende functies) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunningsvrij bouwen mogelijk is. De gegeven afstanden zijn in het algemeen richtafstanden en geen harde afstandseisen.
Op basis van het aspect met de grootste afstand zijn de bedrijven in de volgende categorieën ingedeeld: ▪ categorie 1: grootste afstand 10 meter; ▪ categorie 2: grootste afstand 30 meter; ▪ categorie 3: grootste afstanden 50 en 100 meter; ▪ categorie 4: grootste afstanden 200 en 300 meter; ▪ categorie 5: grootste afstanden 500, 700 en 1.000 meter; ▪ categorie 6: grootste afstand 1.500 meter. Omgevingstype In de VNG-publicatie is een gebied ingedeeld in twee typen: rustige woonwijk/rustig buitengebied of gemengd (buiten)gebied. Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied beschouwd worden. Indien sprake is van een gemengd gebied kan de richtafstand met één afstandsstap worden verlaagd. De omgeving van het plangebied kan gezien worden als, door de VNG-publicatie aangegeven, ‘gemengd gebied’. Het plangebied is gelegen in het ‘Landelijk gebied’. Daarnaast kent het gebied een sterke
Bestemmingsplan toelichting 202330 | 27-01-2023
Pagina 31 van 49
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
functiemenging van (agrarische)bedrijven, recreatie en wonen. Doordat het gebied getypeerd wordt als ‘gemengd gebied’ mogen de richtafstanden worden teruggebracht met één afstandsstap. Richtafstanden In de omgeving zijn diverse (agrarische) bedrijven gevestigd. Alle bedrijven gelegen binnen een straal van circa 200 meter van de planlocatie zijn beoordeeld. In onderstaande tabel is de afstand weergegeven ten opzichte van het plangebied, uitgaande van een gebiedstypering ‘gemengd gebied’.
Stof
Geluid
Gevaar
Recreatie - Paardensport Nutsvoorziening Agrarisch bedrijf (niet zijnde veehouderij) Agrarisch bedrijf (niet zijnde veehouderij) Bedrijf - aannemersbedrijf Recreatie – Tennisbanen
Afstand bouwvlak (omliggend bedrijf) tot de planologische mogelijkheid voor het oprichten van een gevoelig object binnen het plangebied
Geur
Tabel 2: Richtafstanden bedrijven, omgevingstype ‘gemengd gebied’ Bedrijfsomschrijving Adres Milieucat. Richtafstand omgevingstype ‘gemengd gebied’ in meters
2
0 0 0
0 0 0
30 10 10
0 10 10
35 m 25 m 80 m
Hogeweg 4
2
0
0
10
10
48 m
Sprundelsebaan 101 Hogeweg 17
3.1 3.1
0 0
10 0
30 30
10 0
131 m 152 m
Galgepad 9/13 Galgepad 9 Hogeweg 18
3.1
In bovenstaande tabel zijn alle bedrijven in een straal van 200 meter in beeld gebracht. De aanwezige bedrijven rondom het plangebied liggen op een dermate afstand dat hinder van deze bedrijven uitgesloten kan worden. Uit bovenstaande blijkt dat voldaan wordt aan de richtafstanden zoals beschreven in de VNG-publicatie. 5.4.2
Geurhinder en veehouderij
Toetsingskader De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) betreft een wet waarmee de nationale regels inzake geurhinder ten opzichte van de tot veehouderijen behorende dierenverblijven vastgesteld staan. De Wet geurhinder en veehouderij heeft tot doel het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van geurbelasting, onder andere als gevolg van emissies door veehouderijen. Met minimumafstanden en maximale waarden voor geurbelasting krijgen geurgevoelige objecten bescherming tegen geurhinder. Met de in de Wet geurhinder en veehouderij opgenomen grenswaarden moet rekening gehouden worden bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen zoals het wijzigen van een bestemming. De Wet geurhinder en veehouderij vormt vanaf 1 januari 2007 het toetsingskader voor de milieuvergunning. Indirect heeft de Wet geurhinder en veehouderij ook consequenties voor de totstandkoming van geurgevoelige objecten en dus voor de ruimtelijke ordening, dit wordt ‘omgekeerde werking’ genoemd.
Voor wat betreft geurhinder van veehouderijen betekent dit dat de volgende aspecten in oogschouw moeten worden genomen: ▪ Wordt er een onevenredige inbreuk gemaakt op de mogelijkheden voor bedrijfsontwikkeling van de nabijgelegen veehouderijen? ▪ Is ter plaatse van het plangebied een goed woon- en leefklimaat gegarandeerd? Een geurgevoelig object is een gebouw dat is bestemd voor en geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf. Het gebouw moet hiervoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze worden gebruikt. De bestaande voormalige bedrijfswoning aan Galgepad 4 en de twee nieuwe Ruimte voor Ruimtewoningen aan de Zundertseweg kunnen gezien worden als een geurgevoelig object. Voor de planlocatie dient te worden uitgegaan van een goed woon- en leefklimaat. Bij de beoordeling of het leefklimaat ter plaatse van het plangebied aan de Zundertseweg en Galgepad acceptabel is, dient de geurbelasting veroorzaakt door alle in de buurt gelegen veehouderijen samen
Bestemmingsplan toelichting 202330 | 27-01-2023
Pagina 32 van 49
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
(achtergrondbelasting) en de geurbelasting op de planlocatie door de individuele bedrijven (voorgrondbelasting en vaste afstand) veroorzaakt in beeld te worden gebracht. Beoordeeld moet worden of de belasting acceptabel is. De Wet geurhinder en veehouderij geeft de gemeenten de bevoegdheid om, binnen gestelde marges, bij verordening afwijkende geurnormen op te stellen in een gebiedsvisie. De gemeente Etten-Leur kent voor het gebied waarin de planlocatie is gelegen geen geurverordening, voor het bepalen van een goed woon- en leefklimaat worden daarom de geurnormen uit de Wet geurhinder en veehouderij gehanteerd. Woon- en leefklimaat op basis van geuremissie In de Wet geurhinder en veehouderij zijn in artikel 3 grenswaarden opgenomen voor de geurbelasting van een veehouderij op een geurgevoelig object. Deze grenswaarden worden weergegeven in odour units per kubieke meter (ouE/m3). Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen de ligging binnen of buiten concentratiegebieden en de bebouwde kom. De gemeente Etten-Leur is conform bijlage 1 van de Meststoffenwet gelegen buiten een concentratiegebied. Het plangebied aan Zundertseweg en Galgepad, is gelegen buiten de bebouwde kom, waardoor conform artikel 3, lid 1d van de Wgv een geurbelasting van 8 odour units (ouE/m³) op een gevoelig object is toegestaan.
Verder worden eisen gesteld aan de afstand tussen een veehouderij met dieren zonder een geuremissiefactor en een geurgevoelig object. De norm van 8 ouE/m³ geldt altijd, tenzij het gaat om het houden van dieren waarvoor geen geuremissiefactoren zijn vastgesteld in de Wet geurhinder en veehouderij. Dan geldt een vaste afstand. De bestaande voormalige bedrijfswoning en de twee nieuwe Ruimte voor Ruimte-woningen in het plangebied kunnen gezien worden als geurgevoelige objecten in het kader van de Wet geurhinder en veehouderij voor omliggende bedrijven. Gekeken moet worden of binnen het plangebied een acceptabel woon- en leefklimaat aanwezig is en of de ontwikkeling op de planlocatie (het omzetten van de huidige bestemming naar ‘Wonen’) geen beperkende werking heeft voor omliggende veehouderijen. Het woon- en leefklimaat als het gevolg van de geurbelasting van omliggende veehouderijen is in onderstaande afbeelding weergegeven. De Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant heeft voor heel Noord-Brabant, op basis van een export van de bronnen uit Web-BVB met behulp van V-Stacks Gebied, de achtergrondbelasting bepaald. De gehanteerde emissiegegevens dateren van het jaar 2021 en zijn daarmee actueel. De emissie van elk bedrijf is geconcentreerd op de x- en y-coördinaat zoals die in het Web-BVB is ingevoerd. Hierdoor geeft de onderstaande kaart een indicatie van het woon- en leefklimaat.
Opgemerkt dient te worden dat in de directe nabijheid van een veehouderij de achtergrondbelasting net anders kan zijn. Als uit deze kaart blijkt dat er overbelaste situaties aan de orde zijn, is een gedetailleerde achtergrondberekening benodigd.
Figuur 14: Uitsnede achtergrondbelastingkaart, Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant
Bestemmingsplan toelichting 202330 | 27-01-2023
Pagina 33 van 49
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
Uit figuur 14, een uitsnede van de achtergrondbelastingkaart van de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant, blijkt dat de kwaliteit van de leefomgeving voor de planlocatie Zundertseweg 38 en Galgepad 4 op basis van de achtergrond belasting als ‘zeer goed’ is aan te merken. Op de planlocatie is er geen sprake van een overbelaste situatie. Een aanvullende berekening voor het bepalen van de achtergrondbelasting of voorgrondbelasting is in deze situatie dan ook niet noodzakelijk. Op de planlocatie is de achtergrondbelasting zo laag dat niet te verwachten is dat er op basis van de voorgrondbelasting van een afzonderlijke veehouderij belemmeringen optreden. Er is derhalve sprake van een goed woon- en leefklimaat op basis van geuremissie. Woon- en leefklimaat op basis van vaste afstanden In de Wet geurhinder en veehouderij worden daarnaast eisen gesteld aan de afstand tussen een veehouderij met dieren zonder geuremissiefactor en een geurgevoelig object. Conform artikel 4.1 van de Wet geurhinder en veehouderij gelden voor agrarische bedrijven met dieren zonder geuremissiefactor vaste afstanden tussen het dierverblijf en geurgevoelige objecten. De minimale afstand buiten de bebouwde kom betreft 50 meter.
Daarnaast dient op grond van artikel 5.1 van de Wet geurhinder en veehouderij een minimale afstand aangehouden te worden van 25 meter van de gevel van het dierenverblijf tot het geurgevoelig object. Het dichtstbijzijnde veehouderijbedrijf waarbij de vaste afstanden van toepassing zijn, is het veehouderijbedrijf aan de Sprundelsebaan 52 te Etten-Leur. Het betreft een melkveehouderij waar rundvee gehouden wordt. De melkveehouderij ligt op een afstand van circa 560 meter afstand ten oosten van de planlocatie, en ligt daarmee op een grote afstand van de planlocatie. Alle overige veehouderijen met dieren waarbij de vaste afstanden gelden zijn op een grotere afstand vanaf de planlocatie gelegen. De ontwikkelingen op de planlocatie aan Zundertseweg 38 en Galgepad 4 vinden hierdoor plaats op een ruime afstand van bestaande veehouderijbedrijven. De hiervoor genoemde afstanden worden hiermee ruimschoots behaald. Er is derhalve sprake van een goed woon- en leefklimaat op basis van de vaste afstanden. Gelet op voorgaande kan geconcludeerd worden dat het aspect geur geen belemmering vormt voor de ontwikkelingen binnen het plangebied, en andersom ook geen beperkende werking hebben op eventuele toekomstige uitbreiding mogelijkheden van veehouderijbedrijven in de omgeving. 5.4.3
Gezondheidsaspecten
Toetsingskader Het gezondheidsaspect heeft de laatste jaren steeds meer aandacht als het gaat om veehouderijen in de nabijheid van woningen en woonkernen. Met name komst of de aanwezigheid van intensieve veehouderijen kan onrust veroorzaken over de gezondheid bij omwonenden. Mogelijke risico's voor de gezondheid kunnen worden veroorzaakt door fijnstof, stank, endotoxinen en zoönose. Endotoxinen zijn deeltjes van bacteriën of schimmels die zitten in agrarisch stof. Zoönose zijn infectieziekten die van dieren op mensen overdraagbaar zijn. Voorbeelden hiervan zijn de vogelgriep, MRSA, BSE en Q-koorts. De huidige onderzoeken – bekend gemaakt vanuit Ministeries, Rivm, Gezondheidsraad of GGD - maken duidelijk dat er nog veel onbekend is en dat daarom nauwkeurige uitspraken over een eventuele directe relatie tussen nabijheid van veehouderij en effecten op de gezondheid van omwonenden nog niet mogelijk zijn. Voor zover echte verbanden tussen gezondheidseffecten en veehouderij worden gevonden, hebben deze betrekking op de afstand tussen veehouderij en bewoning en op het aantal bedrijven binnen een zekere straal rond bewoonde gebieden. Uit de resultaten van huidige onderzoeken kan echter niet simpelweg worden geconcludeerd om welke afstand het gaat en bij welke concentraties gezondheidseffecten optreden.
Omdat veel mensen zich afvragen of het (on)gezond is om in de buurt van een veehouderij te wonen heeft het Rijksinstituut voor volksgezondheid en milieu (RIVM) onderzoek laten verrichten. Dit heeft geresulteerd in twee onderzoeksrapporten “Veehouderij en Gezondheid Omwonenden”, kortweg VGO 1 uit 2016 en VGO 2 uit 2017. De belangrijkste resultaten uit deze onderzoeken zijn: ▪ Rond pluimveehouderijen en geitenhouderijen komen iets vaker longontstekingen voor; ▪ Bij mensen die dicht bij een veehouderij wonen komen astma en neusallergie minder voor; ▪ Mensen die in de buurt van veel veehouderijen wonen kunnen een verminderde longfunctie hebben. Uit het VGO 2-rapport volgt verder dat er een verhoogde kans (29%) op longontsteking is binnen een straal van 1,5 tot 2 km van geitenveehouderijen en 1 km van pluimveehouderijen. De precieze oorzaak van deze verhoogde risico`s kan echter niet worden aangegeven door de GGD. Op dit moment gaat men ervan uit dat
Bestemmingsplan toelichting 202330 | 27-01-2023
Pagina 34 van 49
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
pas binnen enkele jaren meer concreet aangegeven kan worden of er oorzakelijke verbanden bestaan en wat deze inhouden. In maart 2016 is de eerste versie van de Handreiking veehouderij en volksgezondheid verschenen. De handreiking bestaat uit een algemene onderbouwing op grond waarvan volksgezondheid meegenomen dient te worden in de ruimtelijke besluitvorming en besluitvorming in het kader van milieu. Vervolgens is een wijze van beoordeling uitgewerkt (‘het stappenplan’) om tot een zorgvuldige, praktische en uniforme beoordeling te komen of er een dusdanig verhoogd risico voor de volksgezondheid bestaat dat advisering vanuit de GGD wenselijk is. Op deze manier wordt gestreefd om in Brabant, totdat er meer duidelijkheid is over een toe te passen (wettelijk) beoordelingskader, dan wel dat zich andere ontwikkelingen voordoen, gezamenlijk tot een breed gedragen werkwijze te komen die recht doet aan het belang van de volksgezondheid voor de burgers in de provincie. Inmiddels is de handreiking van maart 2016 geactualiseerd in de Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0. In het stappenplan zijn aspecten meegenomen in de afweging of voor een specifieke situatie er een dusdanig verhoogd risico voor de volksgezondheid bestaat dat advisering vanuit de GGD wenselijk is. Dit stappenplan is in principe ook te gebruiken voor ruimtelijke plannen.
In het stappenplan wordt onder andere getoetst aan de aspecten geur en fijnstof. Deze aspecten zijn elders in het bestemmingsplan omschreven. Daarnaast wordt voor het plangebied aan de hierboven benoemde afstanden getoetst of er binnen deze afstanden bepaalde veehouderijen zijn gelegen. Beoordeling Doormiddel van het bovenbeschreven stappenplan is bekeken of er voor de planlocatie een dusdanig verhoogd risico voor de volksgezondheid bestaat dat advisering vanuit GGD wenselijk is. In het voorliggend bestemmingsplan zijn de gezondheidsrisico’s naar verwachting erg laag. Er is geen sprake van een hoge concentratie van veehouderijen in de directe omgeving. Daarnaast spelen de grootste gezondheidsrisico’s bij de intensieve veehouderijen. De planlocatie aan de Zundertseweg 38 en Galgepad 4 is niet gelegen binnen een cirkel van 2 kilometer van een geitenveehouderij, binnen een cirkel van 1 kilometer van een pluimveehouderij of binnen 250 meter van een overige intensieve veehouderij. De bestaande intensieve veehouderijen hebben in het vigerende bestemmingsplan ‘Buitengebied’ daarnaast slechts beperkt de ruimte om uit te breiden, namelijk alleen binnen hun geldende bouwvlak. Gezondheid en duurzame ontwikkeling zijn daarbij belangrijke voorwaarden, die al in de BZV zijn verwerkt. Ook voor de melkveehouderijen geldt dat deze moeten voldoen aan de BZV.
Het onderhavig bestemmingsplan laat overigens geen nieuwe ontwikkelingen toe in de vorm van meer of ander type veehouderijen dan reeds in het vigerend bestemmingsplan ‘Buitengebied’ bestemd die eventueel zouden kunnen bijdragen aan een verslechtering van het bestaande gezondheidsklimaat ter plaatse van de planlocatie. Er is daarmee geen toename in emissie voor geur, fijnstof of ammoniak op de planlocatie of omgeving. Het VGO-onderzoek gaat uit van een endotoxine risicogebied indien 15 veehouderijen (of meer) zijn gelegen binnen een kilometer van een gevoelig object. Endotoxinen zijn vanuit gezondheid bezien een betere parameter dan fijnstof (PM10) omdat endotoxinen een betere voorspellende waarde hebben om gezondheidseffecten te duiden. De blootstelling aan endotoxine (gebonden aan stofdeeltjes) heeft een directe relatie met de in het VGO-onderzoek aangetoonde negatieve effecten op de luchtwegen en de verlaagde longfunctie rond veehouderijbedrijven. Uit onderzoek blijkt dat tot 500 meter rondom individuele pluimveebedrijven een overschrijding mogelijk is van de advieswaarde. Dit betekent dat wanneer omwonenden in een straal van 500 meter van een pluimveehouderij wonen, zij door de huidige geur- en fijnstofnormen onvoldoende beschermd kunnen worden tegen een verhoogd risico door endotoxinen.
Bij individuele varkenshouderijen is deze overschrijding tot op een afstand van circa 200 meter mogelijk. De fijnstof emissie van andere veehouderijsectoren is voor zover bekend relatief laag. Daarom verwacht het Ondersteuningsteam dat de bijdrage van dit type veehouderijbedrijven aan een overschrijding van de endotoxinenorm beperkt zal zijn. De geur- en fijnstofnormen zijn doorgaans voldoende om een overschrijding van de endotoxine advieswaarde te voorkomen. Zoals aangegeven in paragraaf 5.4.2 ‘geurhinder en veehouderij’ en paragraaf 5.6 ‘luchtkwaliteit’ wordt ruimschoots voldaan aan de geur- en fijnstofnormen in het plangebied en vindt er geen
Bestemmingsplan toelichting 202330 | 27-01-2023
Pagina 35 van 49
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
overschrijding plaats van de normen. Daarbij is het plangebied niet gelegen in een gebied met een hoge concentratie aan veehouderijbedrijven. De afstanden zoals hierboven beschreven voor het plangebied ten opzichte van de intensieve veehouderijbedrijven worden ruimschoots behaald. Op basis hiervan is er voor het plangebied geen verhoogd risico door endotoxinen en daarmee geen verhoogd risico voor de volksgezondheid door de ontwikkelingen binnen het plangebied. Alles in ogenschouw nemende en de ruime afstand tot aan de veehouderijbedrijven wordt de ontwikkeling aan de Zundertseweg 38 en Galgepad 4 op gebied van gezondheid passend geacht. Door het stappenplan te doorlopen, blijkt dat er geen verhoogde gezondheidsrisico’s te verwachten zijn en ter plaatse van het plangebied een goed woon- en leefklimaat te garanderen is op basis van de gezondheidsaspecten. Er is geen advies van de GGD benodigd voor onderhavige planlocatie. Het aspect volksgezondheid zal dan ook niet leiden tot een belemmering voor het beoogde initiatief. 5.5
Bodem
Met het oog op een goede ruimtelijke ordening dient de bodemkwaliteit ter plaatse te worden onderzocht. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de betreffende functiewijziging. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. Door Moerdijk Bodemsanering B.V. is een rapportage uitgebracht ten behoeve van het uitgevoerde verkennend bodem- en asbestonderzoek. Het doel van dit verkennend bodemonderzoek is het vaststellen van de bodemkwaliteit (in relatie tot mogelijke verontreinigingen in de bodem). Hiertoe is de kwaliteit van zowel de grond als het grondwater beoordeeld op basis van een steekproef, waarbij een beperkt aantal boringen is verricht en een aantal grond(meng)monsters en grondwatermonsters chemisch-analytisch zijn onderzocht. In onderstaande paragraaf is de conclusie uit het rapport weergegeven. Voor het volledige onderzoek wordt kortheidshalve verwezen naar de afzonderlijke bijlage (bijlage 2).
Conclusie en aanbevelingen uit het onderzoek De locatie heeft een oppervlakte van 5.758 m2 en betreft een vrijstaande woning met tuin en twee leegstaande panden met braakliggend terrein. Rondom de bebouwing is in het verleden mogelijk een boomgaard aanwezig geweest. Op twee panden is in het verleden asbesthoudende dakbedekking aanwezig geweest waarvan een pand begin 2020 is afgebrand. Vervolgens is in april/mei 2020 al het asbesthoudende materiaal op de locatie en het afgebrande gebouw volledig gesloopt/verwijderd/gesaneerd door een erkend saneringsbedrijf en is de locatie asbestvrij verklaard. Behoudens de vrijstaande woning wordt alle nog aanwezige bebouwing volledig gesloopt. Op het braakliggend terrein worden vervolgens twee vrijstaande woningen gerealiseerd. Uit de resultaten van het vooronderzoek (inclusief locatie-inspectie) blijkt dat de gehele locatie als heterogeen verdacht beschouwd dient te worden ten aanzien van PAK, asbest en organo chloorbestrijdingsmiddelen in de (boven)grond. Uit de veld- en analyseresultaten kan het volgende worden geconcludeerd: ▪ Tijdens de uitvoering van de veldwerkzaamheden zijn plaatselijk bijmengingen met puin aangetroffen. Tevens is op het braakliggend terrein een asfaltgranulaat/splitlaag aangetroffen.
Voor het overige zijn tijdens de uitvoering van de veldwerkzaamheden zintuiglijk (geur, kleur en samenstelling) geen afwijkingen waargenomen. Er zijn visueel in de bodem en het asfaltgranulaat/splitlaag geen asbestverdachte (plaat)materialen aangetroffen. ▪ In het zwak puinhoudende bovengrondmengmonster M01 is een licht verhoogd gehalte aan PAK aangetroffen. De nader onderzoekswaarde wordt niet overschreden. ▪ In het zintuiglijk ‘schone’ bovengrondmengmonster M02 (direct onder het asfaltgranulaat/split) zijn licht verhoogde gehalten aan PCB, PAK en minerale olie aangetroffen. De nader onderzoekswaarden worden niet overschreden. ▪ In het zintuiglijk ‘schone’ bovengrondmengmonster M03 zijn geen verhoogde gehalten aangetroffen. ▪ In het zintuiglijk ‘schone’ ondergrondmengmonster M04 zijn geen verhoogde gehalten aangetroffen. ▪ In de bovengrondmengmonsters M05 en M06 zijn geen verhoogde gehalten aan organo chloorbestrijdingsmiddelen aangetroffen.
Bestemmingsplan toelichting 202330 | 27-01-2023
Pagina 36 van 49
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
▪ ▪ ▪ ▪
In het asfaltgranulaat/split puinmengmonster AM01 is geen verhoogd gehalte aan asbest aangetroffen. In het zwak puin houdende grondmengmonster AM02 is geen verhoogd gehalte aan asbest aangetroffen. In het zintuiglijk ‘schone’ grondmengmonster AM03 is geen verhoogd gehalte aan asbest aangetroffen. In grondwatermonster GW01 zijn geen verhoogde concentraties aangetroffen.
De tevoren gestelde hypothese heterogeen ‘verdachte’ locatie dient formeel gezien te worden geaccepteerd. De verhogingen in de grond overschrijden de nader onderzoekswaarden echter niet. Nader onderzoek en/of nadere maatregelen worden derhalve niet noodzakelijk geacht. De resultaten van het verrichte onderzoek dienen geen belemmering te vormen voor de voorgenomen bestemmingswijziging en de aanvraag van een omgevingsvergunning voor de nieuwbouw op de locatie. 5.6
Luchtkwaliteit
Conform de Wet Luchtkwaliteit kan elk project dat NIBM (niet in betekenende mate) bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Als het plan NIBM aan de luchtkwaliteit bijdraagt, hoeft geen uitgebreid luchtonderzoek meer uitgevoerd te worden. Op 1 augustus 2009 is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) in werking getreden. Het NSL zorgt ervoor dat Nederland binnen de door Europa gestelde termijn zal voldoen aan de Europese grenswaarden op het gebied van fijn stof en stikstofdioxide. In het NSL is een lijst met ruimtelijke infrastructurele projecten opgenomen met een maatregelenpakket, dat ervoor gaat zorgen dat de huidige overschrijdingen van de luchtkwaliteit worden opgelost en de negatieve effecten van geplande ruimtelijke ontwikkelingen worden gecompenseerd. Een plan is vanaf 1 augustus 2009 NIBM als het een toename van de concentratie van fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2) veroorzaakt die niet meer bedraagt dan 3 % van de jaargemiddelde concentratie van die stof. Dit komt overeen met een toename van maximaal 1,2 microgram/m³ voor zowel PM10 en NO2. De categorieën die altijd NIBM zijn, de volgende: Woningbouw: ▪ 1500 woningen (netto) bij minimaal één ontsluitingsweg; ▪ 3000 woningen (netto) bij minimaal twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling.
Er vindt op de planlocatie een toevoeging van twee nieuwe Ruimte voor Ruimte-woningen buiten de bestaande voormalige bedrijfswoning. De bestaande voormalige bedrijfswoning wordt omgezet naar een burgerwoning. Daarnaast worden ter plaatse van het voormalige horecabedrijf twee Ruimte voor Ruimte-woningen opgericht. De locatie wordt omgezet van een voormalige horecalocatie naar een burgerwoonlocatie. Gesteld kan worden dat de beoogde ontwikkeling binnen het plangebied een ‘niet in betekenende mate’ bijdrage levert die beschouwd kan worden als verslechtering van de luchtkwaliteit. Het omzetten van de bestemming van de voormalige bedrijfswoning en het realiseren van twee Ruimte voor Ruimte-woningen, zal niet resulteren in een significante toename van het verkeer op de Zundertseweg of Galgepad te Etten-Leur. Het zal eerder een afname van verkeer met zich meebrengen omdat het horecabedrijf definitief ophoudt te bestaan. Voor het onderhavige plan geldt een grens van 3 %. De verkeersbewegingen als gevolg van de ontwikkeling op de planlocatie zal naar verwachting geen invloed hebben op de luchtkwaliteit ter plaatse en derhalve de 3 % grens niet overschrijden. Een nader onderzoek naar het aspect luchtkwaliteit wordt daarom niet noodzakelijk geacht.
Omdat bij de beoogde ontwikkeling sprake is van een nieuwe woonfunctie, dient ook een beoordeling plaats te vinden of voldaan wordt aan de wettelijke luchtkwaliteitseisen c.q. inzicht te worden gegeven in de heersende concentraties. De coördinaten van de planlocatie aan de Zundertseweg 38 en Galgepad 4 zijn bij benadering: ▪ X = 103514 ▪ Y = 396403 De Grootschalige Concentratie- en Depositiekaart Nederland (GCN) van het RIVM tonen ter hoogte van deze coördinaten, de volgende achtergrondconcentraties: ▪ 2020: PM10: 15,33 μg/m3 en NO2: 17,12 μg/m3
Bestemmingsplan toelichting 202330 | 27-01-2023
Pagina 37 van 49
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
▪ ▪
2025: PM10: 15,55 μg/m3 en NO2: 15,87 μg/m3 2030: PM10: 13,53 μg/m3 en NO2: 13,02 μg/m3
Om het woon- en leefklimaat met betrekking tot de luchtkwaliteit in het plangebied te bepalen wordt gebruik gemaakt van de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaart Nederland (GCN). Hieruit volgt dat ter plaatse van de planlocatie zowel in de huidige situatie als voor 2030 de jaargemiddelde concentraties van NO2 en PM10 ruimschoots onder de grenswaarden van 40 microgram per kubieke meter lucht liggen. Hiermee vormt het aspect luchtkwaliteit geen belemmering voor de ontwikkeling binnen het plangebied. 5.7
Water
5.7.1
Beleid waterschap Brabantse Delta
Het waterschap Brabantse Delta is verantwoordelijk voor het waterbeheer In de gemeente op basis van de volgende wettelijke kerntaken: het zuiveringsbeheer, watersysteembeheer, beheer van dijken en beheer van vaarwegen. Het watersysteembeheer -waaronder grondwater- heeft daarbij twee doelen: zowel de zorg voor gezond water als de zorg voor voldoende water van voldoende kwaliteit. Het beleid en de daarmee samenhangende doelen van het waterschap zijn opgenomen In het waterbeheerplan 2016-2021, wat tot stand is gekomen In samenspraak met de waterpartners. Zo zijn bijvoorbeeld relevante waterthema's gekoppeld aan de belangrijkste ruimtelijke ontwikkelingen in de regio. Daarnaast heeft het waterschap waar nodig nog toegespitst beleid en beleidsregels op de verschillende thema’s/speerpunten uit het waterbeheersplan en heeft het waterschap een eigen verordening; De Keur en de Legger. De Keur bevat gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. De legger geeft aan waar de waterstaatswerken plus bijbehorende beschermingszones liggen, aan welke afmetingen en vorm die moeten voldoen en wie onderhoudsplichtig is. Veelal is voor deze ingrepen een watervergunning van het waterschap benodigd. In sommige gevallen vallen de werkzaamheden onder een Algemene regel.
Dan kan er onder voorwaarden sprake zijn van vrijstelling van de vergunningsplicht. De Keur en de Algemene regels zijn te raadplegen via de site van waterschap Brabantse Delta. Het waterschap hanteert bij nieuwe ontwikkelingen het principe van waterneutraal bouwen, waarbij gestreefd wordt naar het behoud of herstel van de 'natuurlijke' waterhuishoudkundige situatie. Vanwege dit principe wordt bij uitbreiding van verhard oppervlak voor de omgang met hemelwater uitgegaan van de voorkeursvolgorde infiltreren, bergen, afvoeren. De technische eisen en uitgangspunten voor het ontwerp van watersystemen zijn opgenomen In de 'beleidsregel Afvoer hemelwater door toename en afkoppelen van verhard oppervlak en de hydrologische uitgangspunten bij de keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen'. 5.7.2
Grondwaterbeschermingsgebied
Figuur 15: Uitsnede Keurkaart Waterschap Brabantse Delta
Bestemmingsplan toelichting 202330 | 27-01-2023
Pagina 38 van 49
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
Uit de beoordeling van de Keurkaart blijkt dat de planlocatie Zundertseweg 38 en Galgepad 4 niet ligt in een grondwaterbeschermingsgebied, beperkt grondwaterbeschermingsgebied, waterwingebied of in het invloedsgebied Natura 2000. De ontwikkeling op de planlocatie heeft geen invloed op de bovengenoemde gebieden. 5.7.3
Waterlopen
Figuur 16: Uitsnede Leggerkaart Waterschap Brabantse Delta
Uit beoordeling van de Leggerkaart blijkt dat aan de noordoostzijde een waterloop categorie B is gelegen die direct grenst aan het plangebied. De overige waterlopen in categorie B zijn in de verdere omgeving gelegen. Er zijn geen categorie A waterlopen in de directe omgeving van de planlocatie gelegen. De bestaande waterlopen blijven behouden en worden niet belemmerd door de beoogde ontwikkeling op de planlocatie. 5.7.4
Riolering en infiltratie
Uitgangspunt voor de waterhuishouding in met name nieuwbouwprojecten, is een duurzaam gescheiden systeem. Dit betekent dat schoon hemelwater, wat valt op daken en terreinverharding, zoveel mogelijk in het gebied opgevangen en geïnfiltreerd dient te worden en alleen het vervuilde afvalwater via het riool wordt afgevoerd naar de rioolwaterzuiveringsinstallatie. De hoeveelheid afvalwater, die getransporteerd wordt naar de rioolwaterzuiveringsinstallatie zal hiermee afnemen, wat uit het oogpunt van milieu een positieve ontwikkeling betekent. Het vuile water van de huidige bedrijfswoning en de twee nieuwe woningen wordt geloosd op de aanwezige riolering. Daarbij zal zoveel mogelijk gebruik gemaakt worden van milieuvriendelijke bouwmaterialen en worden uitlogende bouwmaterialen, zoals lood, koper, zink en zacht PVC zoveel mogelijk achterwegen gelaten. De bedrijfsvoering van het horecabedrijf is opgeheven waardoor er minder afvalwater via de riolering afgevoerd wordt. Het waterschap is geen voorstander van het toepassen van uitlogende bouwmaterialen zoals lood, koper, zink en zacht PVC. Deze stoffen kunnen zich ophopen in het water(bodem-)systeem en hebben hierdoor een zeer nadelige invloed op de water(bodem-)kwaliteit en ecologie. De initiatiefnemer is hierop gewezen.
Het Waterschap Brabantse Delta heeft in de Keur opgenomen dat in principe verboden is om zonder vergunning hemelwater door toename van verhard oppervlak of door afkoppelen van bestaand oppervlak, tot afvoer naar een oppervlaktewaterlichaam te laten komen. Dit verbod is van toepassing tenzij: a. het afkoppelen van verhard oppervlak maximaal 10.000 m² is, of; b. de toename van verhard oppervlak maximaal 500 m² is, of; c. de toename van verhard oppervlak bestaat uit een sedum dak. d. de toename van verhard oppervlak tussen de 500 m² en 10.000 m² is en compenserende maatregelen zijn getroffen om versnelde afvoer van hemelwater tegen te gaan, in de vorm van een voorziening
Bestemmingsplan toelichting 202330 | 27-01-2023
Pagina 39 van 49
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
met een minimale retentiecapaciteit conform de rekenregel: Benodigde retentiecapaciteit (in m³) = toename verhard oppervlak (in m²) x gevoeligheidsfactor x 0,06. Het Waterschap Brabantse Delta heeft in haar beleid aangegeven dat bij afgekoppeld verhardoppervlak voor locaties kleiner dan 500 m², het is toegestaan het water direct af te voeren op het oppervlaktewater of op het in de omgeving aanwezige bestaande rioolstelsel. Er hoeft dan geen infiltratie dan wel retentie toegepast te worden. Het plangebied heeft een oppervlakte van circa 0,6 ha. De voormalige bedrijfsgebouwen met een oppervlakte van 770 m² worden gesloopt. Tevens wordt de totale erfverharding (bestrating horecabedrijf) met een oppervlakte van circa 1.100 m² verwijderd. Daarnaast werd het open terrein ten noorden van het café gebruikt als parkeerterrein bij het horecabedrijf. Het volledige voormalige parkeerterrein is voorzien van puinverharding en heeft een oppervlakte van circa 2.400 m². De bedrijfswoning wordt bestemd als ‘Wonen’, maximaal 200 m² aan bijgebouwen zijn hierbij toegestaan. De twee nieuwe Ruimte voor Ruimte-woningen hebben een inhoud van maximaal 750 m² en een bijgebouw van maximaal 200 m² per woning.
De bebouwing van de Ruimte voor Ruimte-woningen is mogelijk binnen twee woonpercelen met een totale oppervlakte van circa 2.840 m², hiervan zal een groot gedeelte ook ingericht worden als tuin (onverhard). De overige gronden binnen het plangebied krijgen de bestemming ‘Tuin’ en ‘Groen – Houtsingel’ (circa 1.415 m²). Er zal dus spraken zijn van een afname van verhard oppervlak. Het is niet nodig om te voorzien in extra infiltratie of retentie. 5.7.5
Watertoets
Het watertoetsproces is een belangrijk instrument om het waterbelang in ruimtelijke plannen en besluiten te waarborgen. Het gaat daarbij om alle waterhuishoudkundige aspecten, waaronder veiligheid, wateroverlast, watertekort, waterkwaliteit en verdroging, en om alle wateren: rijkswateren, regionale wateren en grondwater. De watertoets zorgt ervoor dat bij alle ruimtelijke plannen aandacht is voor de kwaliteit én kwantiteit van water. De watertoets is verplicht bij alle plannen voor landelijk én stedelijk gebied. De gemeente doorloopt met het waterschap het watertoetsproces, dat bestaat uit advisering, toetsing en goedkeuring door het waterschap. Dit bestemmingsplan is voorgelegd aan het waterschap Brabantse Delta. Het Waterschap heeft in het kader van het overleg ex. artikel 3.1.1 Bro een wateradvies uitgebracht. In bijlage 6 is het positief advies toegevoegd als bijlage bij onderhavig bestemmingsplan. 5.8
Ecologie
5.8.1
Algemeen
Vanuit Europa is de bescherming van (plant en dier) soorten en gebieden geregeld in de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. In Nederland is de natuurwetgeving verankerd in de Wet Natuurbescherming zie paragraaf 4.2.7. Bij ruimtelijke ontwikkelingen kunnen wettelijk beschermde dieren en plantensoorten in hun algemeenheid of wettelijk beschermde gebieden in het geding zijn. Om de natuurwaarden van de projectlocatie te kunnen beoordelen moet er getoetst worden aan wat beschreven staat in de Wet natuurbescherming. Daarnaast is het beleid aangaande het Natuurnetwerk van belang. 5.8.2