Bijlage 1 Ruimtelijke onderbouwing Zwartenbergseweg 17.pdf
Tekst van het document
De beoogde uitbreiding aan bebouwing vindt aansluitend plaats aan het bestaande bouwvlak.
f.
De wijziging dient milieuhygiënisch inpasbaar te zijn.
In hoofdstuk 4 is getoetst aan de milieuhygiënische aspecten. Hieruit blijkt dat qua milieutechnisch oogpunt geen bezwaren zijn. Derhalve kan worden geconcludeerd dat de ontwikkeling milieuhygiënisch inpasbaar is.
Ruimtelijke onderbouwing Zwartenbergseweg 17 te Etten-Leur
24
g. Vergroting van het bouwvlak is niet toegestaan indien dit leidt tot een toename van de stikstofemissie vanuit de betreffende inrichting, tenzij sprake is van: 1. een bestaand gebruik zoals bedoeld in de Natuurbeschermingswet; 2. bestaande activiteiten die stikstofemissie veroorzaken en vergund zijn; 3. bestaande activiteiten waarvoor een vergunning op grond van de Natuurbeschermingswet is verleend; 4. een vereveningseffect, zoals bedoeld in artikel 1. De beoogde ontwikkeling betreft het oprichten van een vleeskalverenhouderij waarbij in een aparte procedure een intensieve veehouderij wordt gesaneerd. Hierdoor is het vereveningseffect, zoals bedoeld in artikel 1, van toepassing. Conform het vigerende bestemmingsplan wordt onder het vereveningseffect het volgende verstaan;
‘’toename van stikstofemissie binnen een inrichting terwijl binnen een of meerdere andere inrichting(en), al dan niet in hetzelfde plangebied, een afname van de stikstofemissie plaatsvindt zodat de totale stikstofdepositie op een voor stikstof overbelast Natura 2000 - gebied ten opzichte van de voor het betreffende gebied relevante referentiedatum aantoonbaar niet toeneemt, of door de initiatiefnemer wordt aangetoond dat er concreet zicht is op het verkrijgen van een vergunning in het kader van de Natuurbeschermingswet, dan wel indien aangetoond wordt dat de toename past binnen bij of krachtens de Natuurbeschermingswet opgestelde regels’’. De ontwikkeling leidt tot een toename van ammoniak. Deze toename leidt tevens tot een toename in stikstofdepositie. Omdat iedere toename in stikstofdepositie niet is toegestaan zal gebruik worden gemaakt van verevening. Doordat het bedrijf aan de Zundertsewg 67a zal worden gesaneerd, wordt de beschikbare ammoniak van deze locatie gebruikt om er voor te zorgen dat geen sprake zal zijn van een toename in stikstofdepositie. Hiervoor is een AERIUSverschilberekening gemaakt welke is toegevoegd aan de bijlage. Omdat sprake is van extern salderen, dient een vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming te worden verleend. Een vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming is inmiddels aangevraagd.
h. De in het gebied aanwezige waarden mogen niet onevenredig worden aangetast.
In hoofdstuk 4 van onderhavige ruimtelijke onderbouwing is tevens getoetst aan de planologische aspecten waaronder de aanwezige waarden binnen het gebied. Uit toetsing is gebleken dat de aanwezige waarden binnen het gebied niet onevenredig worden aangetast.
i.
Ten minste 10% van het bouwvlak wordt aangewend voor een goede landschappelijke inpassing op basis van een door burgemeester en wethouders goedgekeurd beplantingsplan tot realisatie, beheer en instandhouding van de landschappelijke inpassing. Deze inspanning telt mee voor de invulling van het bepaalde onder j.
In bijlage 5 is een landschappelijk inpassingsplan opgesteld. Dit betreft een groenstrook van in totaal 2.496 m2 rondom het aanwezige bouwvlak. Hiermee is aangetoond dat ten minste 10% van het bouwvlak landschappelijk wordt ingepast.
j.
De wijziging gaat gepaard met een aantoonbare en uitvoerbare fysieke verbetering van de aanwezige of potentiële kwaliteiten van bodem, water, natuur, landschap of cultuurhistorie of van de extensieve recreatieve mogelijkheden van het plangebied van dit bestemmingsplan.
In hoofdstuk 4 is getoetst aan de bovenstaande planologische aspecten. Hieruit blijkt dat de ontwikkeling bijdraagt aan de verbetering van de aanwezige en potentiële kwaliteiten.
k. De verwezenlijking, het behoud en het beheer van (het zoekgebied voor) een ecologische verbindingszone, ter plaatse van de aanduiding ‘zoekgebied ecologische verbindingszone’ en / of een zoekgebied voor behoud en herstel van watersystemen ter plaatse van de
Ruimtelijke onderbouwing Zwartenbergseweg 17 te Etten-Leur
25
aanduiding ‘zoekgebied behoud en herstel watersystemen’, worden niet belemmerd of aangetast.
Onderhavige locatie is niet gelegen in één van de bovenstaande aanduidingen. Derhalve worden de genoemde aanduidingen niet belemmerd of aangetast. In het bovenstaande is, ondanks dat het een aanvraag omgevingsvergunning betreft, getoetst aan de wijzigingsbevoegdheid zoals opgenomen in artikel 4.6.4 van het vigerende bestemmingsplan. Hierin is, onder voorwaarden, opgenomen om meer dan 5.000 m2 aan bedrijfsgebouwen in gebruik te nemen. Uit toetsing is gebleken dat, met uitzondering van a onder 4, wordt voldaan aan deze bevoegdheid. Voor aanhef a onder 4 geldt dat de ontwikkeling gepaard gaat met een uitbreiding van geur- en fijnstofemissie, maar dat door de sanering van het bedrijf aan de Zundertseweg 67a het woon- en leefklimaat binnen de gemeente Etten-Leur verbeterd. Daarnaast dient te worden opgemerkt dat de uitbreiding van meer dan 5.000 m2 aan bedrijfsgebouwen niet leidt tot extra emissies afkomstig van de vleeskalverenhouderij. De extra bebouwing (810 m2) zal worden ingezet t.b.v. het akkerbouwbedrijf en ter ondersteuning van de intensieve veehouderij. Hierin worden machines en werktuigen in gestald bedoeld voor de exploitatie van het bedrijf. De loods leidt daarbij niet tot een toename van geur, ammoniak en fijnstof. Deze emissies zijn in zijn geheel toe te schrijven aan de te huisvesten vleeskalveren welke zijn beperkt tot een omvang van 5.000 m2.
Daarmee wordt voldaan aan de voorwaarde voor vergroting van de oppervlakte aan bedrijfsgebouwen boven de 5.000 m2. Derhalve kan worden geconcludeerd dat het in gebruik nemen van meer dan 5.810 m2 aan bedrijfsgebouwen, waarvan 810 m2 wordt uitgesloten voor het huisvesten van dieren, planologisch gezien aanvaardbaar is. Tot slot is de locatie gelegen in de dubbelbestemming ‘Waterstaat – Attentiegebied EHS’. Deze dubbelbestemming komt overeen met het werkingsgebied uit de Iov (attentiezone waterhuishouding) Binnen deze bestemming is het, conform artikel 30.2.1, verboden of in afwijking van een omgevingsvergunning werken, geen gebouwen zijnde, of werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren:
a. Het verzetten van grond van meer dan 100 m³ of op een diepte van meer dan 0,6 m beneden maaiveld, voor zover geen vergunning is vereist in het kader van de Ontgrondingenwet. b. De aanleg van drainage ongeacht de diepte, tenzij het gaat om vervanging van een al bestaande drainage. c. Het verlagen van de grondwaterstand anders dan door middel van het graven van sloten of het toepassen van drainagemiddelen, met uitzondering van grondwateronttrekkingen. d. Het aanbrengen van verhardingen.
Zoals aangegeven komen de bovenstaande regels overeen met het werkingsgebied uit de Iov. In paragraaf 3.1.3 is getoetst aan de regels zoals opgenomen in de Iov. Hierin is aangegeven dat ter compensatie voor het aanleggen van extra verharding, een retentievoorziening zal worden aangelegd. In paragraaf 4.2.3. wordt hier verder op ingegaan. Derhalve leidt de ontwikkeling niet tot nadelige gevolgen ten aanzien van de waterhuishouding. Om verhardingen binnen deze dubbelbestemming te mogen aanbrengen zal een aanlegvergunning worden aangevraagd.
Ruimtelijke onderbouwing Zwartenbergseweg 17 te Etten-Leur
26
4. Milieuhygiënische en planologische aspecten Op grond van het bepaalde in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is het verplicht om inzicht te bieden in de relevante milieuhygiënische en planologische aspecten. In dit hoofdstuk worden deze aspecten beschreven. 4.1 Milieueffectrapportage en vormvrije m.e.r.-beoordeling Een milieueffectrapportage (MER), en de bijbehorende procedure (m.e.r.), is een hulpmiddel om de belangen van het milieu volwaardig te betrekken bij de besluitvorming over plannen en projecten. Het gaat hierbij enkel om plannen en projecten die kunnen leiden tot initiatieven waarmee het milieu mogelijk nadelig kan worden beïnvloed. Voor de beoogde bedrijfsopzet dient een omgevingsvergunning, met o.a. de activiteit projectafwijkingsbesluit, te worden verleend. Een omgevingsvergunning wordt in het kader van het Besluit milieueffectrapportage aangemerkt als een project. In hetzelfde besluit staat vervolgens beschreven wanneer een project onder de m.e.r.-plicht of m.e.r.-beoordelingsplicht valt. Voor verschillende diercategorieën worden hier aantallen weergegeven wanneer dergelijke plichten van toepassing zijn bij een oprichting, wijziging of uitbreiding van een installatie voor het fokken, mesten of houden van dieren (categorie C 14 en D 14 Besluit m.e.r.).
Bij de volgende dieraantallen (oprichting, wijziging of uitbreiding) geldt een m.e.r.-plicht of m.e.r.beoordelingsplicht: M.e.r.-beoordelingsplicht (D14): - 1.200 stuks vleeskalveren. In de beoogde bedrijfsopzet is sprake van een uitbreiding met 1.504 vleeskalveren. Er is daarom sprake van een m.e.r.-(beoordelings)plichtig besluit. Voorafgaand aan de aanvraag omgevingsvergunning is een mer-beoordelingsnotitie ingediend bij de gemeente Etten-Leur. Het college van Burgemeester en wethouders heeft op 15 oktober 2020 besloten dat er geen milieueffectrapportage opgesteld hoeft te worden. 4.2 Waterhuishouding Sinds 1 november 2003 is het verplicht om bij ruimtelijke ingrepen de watertoets toe te passen. Deze verplichting is wettelijk geregeld in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Door middel van deze watertoets moet inzicht worden geboden in de effecten van het initiatief op de waterhuishouding. In het kader van de watertoets dient de gemeente voorafgaand aan de procedure het voornemen van de ruimtelijke ingreep aan het waterschap te verzenden. De gemeente en het waterschap kunnen afspraken maken over de wijze waarop het aspect water in het ruimtelijk plan is opgenomen. In deze waterparagraaf komen de volgende onderdelen aan bod: - Beschrijving waterrelevant beleid; - Bestaande waterhuishoudkundige situatie; - Beoogde waterhuishoudkundige situatie.
4.2.1
Waterrelevant beleid
De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) is vanaf 22 december 2000 van kracht. De KRW heeft als doel om te komen tot schone, ecologisch gezonde stroomgebieden, waarin water op een duurzame manier wordt gebruikt. Om dit doel te bereiken is een systematiek opgesteld die alle Europese lidstaten in de nationale wetgeving moeten implementeren en uitvoeren. De Nederlandse regering heeft invulling aan de KRW gegeven door middel van de Waterwet, die in werking is getreden op 22 december 2009. De Waterwet regelt het beheer van het oppervlakte- en grondwater en verbetert ook de samenhang tussen het waterbeleid en ruimtelijke ordening. De visies met betrekking tot het waterbeleid worden door de verschillende bestuurslagen in diverse plannen beschreven.
Ruimtelijke onderbouwing Zwartenbergseweg 17 te Etten-Leur
27
4.2.1.1 Provinciaal Het beleid van de provincie Noord-Brabant richt zich op het bereiken en in stand houden van watersystemen die ruimte bieden aan een gezond leefmilieu voor mens, dier en plant. Daarbij zijn economische en ecologische ontwikkelingen met elkaar in evenwicht en is het hebben en houden van een veilige en bewoonbare provincie een randvoorwaarde. Dit beleid is vertaald in de Omgevingsvisie en Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. De belangrijkste aspecten zijn: - Een robuust en veerkrachtig water- en natuursysteem; - Een betere waterveiligheid door preventie; - Koppeling van waterberging en droogtebestrijding; In de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant zijn ook instructieregels opgenomen voor waterschappen. Op de kaart behorende bij deze instructieregels is het plangebied gelegen in ‘Aangewezen gebied voor peilbesluit’, ‘Attentiezone waterhuishouding’, ‘Normen wateroverlast’ en ‘Normvrij gebied’ zie afbeelding 10.
Afbeelding 10: Uitsnede ‘instructie regels voor waterschappen’, ‘grondwaterbeschermingsgebied’, ‘waterwinning’ en ‘waterberging’ Iov.
Ruimtelijke onderbouwing Zwartenbergseweg 17 te Etten-Leur
28
Zoals te zien is in afbeelding 10 zijn meerdere aanduidingen van toepassing op deze locatie. In paragraaf 3.1.3 is reeds getoetst aan de aanduiding ‘Attentiezone waterhuishouding’ en ‘Reservering waterberging’. Uit toetsing is gebleken dat beide aanduidingen geen belemmeringen vormen voor de gewenste ontwikkeling. Daarnaast is de locatie gelegen binnen de aanduidingen ‘Normen wateroverlast’ (artikel 4.4), ‘Normvrij gebied’ (artikel 4.6) en ‘Aanwijzing gebieden voor peilbesluiten’ (artikel 4.16). Binnen artikel 4.4 zijn normen opgenomen met betrekking tot wateroverlast. De omliggende gronden rondom het perceel zijn in gebruik als grasland en akkerbouw. Voor deze gronden geld een norm wateroverlast van respectievelijk 1/10 jaar en 1/25 jaar. Indien hieraan niet kan worden voldaan dienen compenserende maatregelen getroffen te worden in de vorm van retentievoorzieningen. Hierdoor kan het water langer vastgehouden worden zodat de kans op wateroverlast wordt verlaagd. Voor de gronden die binnen de aanduiding ‘Normvrij gebied’ liggen, geldt deze verplichting niet. Deze gronden zijn immers al bestemd voor het bergen van water bij een eventuele overstroming. In paragraaf 4.2.3 van deze onderbouwing wordt de beoogde waterhuishoudkundige situatie uiteengezet.
Hierin wordt tevens een toelichting gegeven op de beoogde retentievoorziening die zal worden aangelegd om de kans op wateroverlast te verminderen. Tot slot is de locatie gelegen binnen de aanduiding ‘Aanwijzing gebieden voor peilbesluiten’. Binnen deze gebieden zijn waterstanden vastgesteld of brandbreedten opgenomen welke een inspanningsverplichting opleveren voor de beheerder. Deze vastgestelde peilen dienen zoveel mogelijk gehandhaafd te blijven gedurende een aangegeven periode. Hierdoor wordt voorkomen dat de ecologische kwaliteit van watersystemen en de aan watersystemen toegekende functies worden aangetast.
Watertoets
De watertoets en de wijze waarop de provincie daar mee omgaat, is beschreven in het Provinciaal Milieu en Waterplan (PMWP). Provinciale Staten hebben op 18 december 2015 het Provinciaal Milieu- en Waterplan 2016 – 2021 ‘Samen naar een duurzaam gezonde en veilige leefomgeving in Brabant vastgesteld (PMWP). Hiermee zijn twee aparte provinciale plannen samengevoegd, te weten het voormalige ‘PWP 2010-2015’ en het ‘Provinciale Milieuplan 2012-2015’. Het doel van dit plan is het creëren van een gezonde leefomgeving voor mens, dier en plant, waarin we veilig kunnen wonen en waar ruimte is voor economische, maatschappelijke en ecologische ontwikkelingen. Het aspect water maakt hier onderdeel van uit. Kort gezegd gaat het PMWP voor: - Voldoende water voor mens, plant en dier; - Schone en gezonde leefomgeving (bodem, water en lucht); - Bescherming van Brabant tegen overstromingen en externe risico’s; - Verduurzaming van de grondstoffen-, energie- en voedselvoorziening.
Ruimtelijke onderbouwing Zwartenbergseweg 17 te Etten-Leur
29
Afbeelding 11: Uitsnede Provinciaal milieu- en waterplan 2016 - 2021 Noord-Brabant, locatie weergegeven met blauwe pijl Gemeenten en waterschappen dienen hun waterbeleid te baseren op de uitgangspunten die de provincie in hun PMWP stelt. De PMWP is enkel voor de provincie Noord-Brabant zelf bindend. Zoals weergegeven is in afbeelding 11 heeft het plangebied in het PMWP de waterhuishoudkundige functie ‘Water voor het gemengd landelijk gebied’ toegekend gekregen. Deze aanduiding komt overeen met de aanduiding ‘gemengd landelijk gebied’ uit de Structuurvisie ruimtelijke ordening en de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. Het waterbeheer richt zich op een goede waterhuishouding voor een duurzame en concurrerende landbouw. Randvoorwaarden zijn de verplichtingen uit de Kaderrichtlijn Water en afstemming met de maatregelen voor de Natura 2000gebieden en de Natte natuurparels. Voor het overige geldt geen specifiek beschermingsbeleid. Op de kaart 2 en 3 behorende bij de PMWP heeft het plangebied geen aanduiding gekregen. Volgens het beleidskader van de PMWP is dus geen specifiek beschermingsregime van toepassing binnen het plangebied. Hiermee past het initiatief binnen het beleidskader van de PMWP.
4.2.1.2 Waterschap Het waterschap Brabantse Delta is verantwoordelijk voor het waterbeheer in de gemeente op basis van de volgende wettelijke kerntaken: het zuiveringsbeheer, watersysteembeheer, beheer van dijken en beheer van vaarwegen. Het watersysteembeheer -waaronder grondwater- heeft daarbij twee doelen: zowel de zorg voor gezond water als de zorg voor voldoende water van voldoende kwaliteit. Het beleid en de daarmee samenhangende doelen van het waterschap zijn opgenomen in het waterbeheerplan 2016-2021, wat tot stand is gekomen in samenspraak met de waterpartners. Zo zijn bijvoorbeeld relevante waterthema’s gekoppeld aan de belangrijkste ruimtelijke ontwikkelingen in de regio. Daarnaast heeft het waterschap waar nodig nog toegespitst beleid en beleidsregels op de verschillende thema’s/speerpunten uit het waterbeheersplan en heeft het waterschap een eigen verordening; De Keur en de Legger. De Keur bevat gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. De legger geeft aan waar de waterstaatswerken plus bijbehorende beschermingszones liggen, aan welke afmetingen en vorm die moeten voldoen en wie onderhoudsplichtig is. Veelal is voor deze ingrepen een watervergunning van het waterschap benodigd. In sommige gevallen vallen de werkzaamheden onder een Algemene regel.
Dan kan er onder voorwaarden sprake zijn van vrijstelling van de Ruimtelijke onderbouwing Zwartenbergseweg 17 te Etten-Leur
30
vergunningsplicht. De Keur en de Algemene regels zijn te raadplegen via de site van waterschap Brabantse Delta. Het waterschap hanteert bij nieuwe ontwikkelingen het principe van waterneutraal bouwen, waarbij gestreefd wordt naar het behoud of herstel van de ‘natuurlijke’ waterhuishoudkundige situatie. Vanwege dit principe wordt bij uitbreiding van verhard oppervlak voor de omgang met hemelwater uitgegaan van de voorkeursvolgorde infiltreren, bergen, afvoeren. De technische eisen en uitgangspunten voor het ontwerp van watersystemen zijn opgenomen in de ‘beleidsregel Afvoer hemelwater door toename en afkoppelen van verhard oppervlak en de hydrologische uitgangspunten bij de keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen’.
4.2.2
Bestaande waterhuishoudkundige situatie
Rondom de locatie liggen categorie A en B oppervlaktelichamen. Het uitvoeren van werkzaamheden in deze oppervlaktewaterlichamen is in beginsel vergunningplichtig op basis van de Keur. De beoogde ontwikkeling heeft echter geen invloed op de bestaande oppervlaktelichamen. Daar waar de beoogde stallen en voorzieningen worden gerealiseerd zijn op voldoende afstand van de oppervlaktelichamen gelegen.
Afbeelding 12: Legger Brabantse Delta, A- en B-waterlopen In de bestaande waterhuishoudkundige situatie wordt het bedrijfsafvalwater van huishoudelijke aard geloosd op het gemeentelijk riool. Voor het overige wordt er uit de inrichting enkel nietverontreinigd hemelwater geloosd. Dit hemelwater is afkomstig van regenwater dat op de daken en erfverharding valt. Gemiddeld valt er jaarlijks 0,8 m 3 niet-verontreinigd hemelwater per m2 verhard oppervlak. Dit hemelwater wordt door middel van afschot van daken en erfverharding geloosd op omliggende perceelsloten. Op het bedrijf wordt aandacht besteed aan het schoonhouden van het verhard oppervlak. Er is sprake van good-house-keeping management. De erfverharding en de daken worden zo vaak als voor de goede orde noodzakelijk is schoon gehouden. Op het bedrijf vinden geen bijzondere activiteiten plaats die ertoe kunnen leiden dat er stoffen in aanraking kunnen komen met het hemelwater. Het niet-verontreinigde hemelwater kan dus zonder problemen worden geloosd op de omliggende perceelsloten.
Ruimtelijke onderbouwing Zwartenbergseweg 17 te Etten-Leur
31
4.2.3
Beoogde waterhuishoudkundige situatie
Zoals aangegeven is waterschap Brabantse Delta de beheerder van de kwaliteit en kwantiteit van het grond- en oppervlaktewater binnen het plangebied. Doormiddel van de Keur van Waterschap Brabantse Delta, die in werking is getreden op 1 maart 2015, is bepaald bij welke ontwikkelingen mitigerende maatregen getroffen moeten worden. Deze mitigerende maatregelen kunnen onder andere bestaan uit het treffen van een retentievoorziening. De handreiking watertoets van Waterschap Brabantse Delta schrijft voor dat bij bouwwerkzaamheden mitigerende maatregelen nodig zijn indien sprake is van een toename van het verhard oppervlak. Verder zijn deze mitigerende maatregelen van toepassing bij elke toename van het verhard oppervlak, indien de locatie in een keurbeschermingsgebied of attentiegebied ligt. De planlocatie ligt niet in een keurwaterbeschermingsgebied of attentiegebied. Bij bovengenoemde geldt steeds dat het om een toename van het verhard oppervlak gaat na de datum van de inwerkingtreding van de Keur 2009 (22-12-2009). In de beoogde situatie is er een toename van circa 5.900 m2 verhard oppervlak, zie situatietekening. Omdat er een toename van verharding is dient er een compenserende maatregel getroffen te worden om het hemelwater op te vangen.
De grootte van de retentievoorziening wordt berekend conform de rekenregel die in de nieuwe Algemene regels van de Keur van de waterschappen is geïntroduceerd. Deze rekenregel luidt als volgt: Benodigde compensatie (in m3) ‘gevoeligheidsfactor’ x 0,06 (m)
=
toename
verhard
oppervlak
(m2)
x
De gevoeligheidsfactor is af te leiden uit de kaart die bij de nieuwe Keur is gevoegd. Hierbij is het grondgebied van het desbetreffende waterschap, in dit geval Brabantse Delta, verdeeld in drie categorieën. Naarmate de gevoeligheid van een gebied of oppervlaktewatersysteem voor de gevolgen van piekafvoeren lager is, is minder compensatie nodig. Er worden drie waarden voor de gevoeligheidsfactor gehanteerd: ¼ (Laag), ½ (Gemiddeld) en 1 (Hoog). Zoals uit afbeelding 13 blijkt is er voor de locatie aan de Zwartenbergseweg 17 een gevoeligheidsfactor van 1 (Hoog) van toepassing.
Afbeelding 13: Uitsnede gevoeligheidskaart De factor 0,06 (m) vertegenwoordigt een waterschijf van 60 mm (600 m 3/ha) die de hoeveelheid water aangeeft die onder maatgevende omstandigheden daadwerkelijk op het watersysteem terecht zou komen als er geen voorziening wordt aangelegd. Deze is door het waterschap Ruimtelijke onderbouwing Zwartenbergseweg 17 te Etten-Leur
32
vastgelegd op basis van eigen onderzoek en toekomstscenario’s. Dit is een vast gegeven in de formule. Alle onderdelen van de rekenregel zijn bekend. Dit betekent dat de volgende rekensom gemaakt kan worden. Benodigde compensatie = 5.900 m2 x 1 x 0,06 = 354 m3 Uit de bovenstaande rekensom blijkt dat er retentievoorziening aanwezig moet zijn dat minimaal 354 m3 water vast kan houden. De oppervlakte en diepte van een dergelijke retentievoorziening is afhankelijk van de gemiddelde hoogste grondwaterstand. Uit de onderstaande afbeelding is te zien dat de gemiddelde hoogste grondwaterstand varieert tussen de 40-60 cm en 60-80 cm.
Afbeelding 14: Uitsnede GHG-kaart De beoogde retentievoorziening zal bestaan uit een sloot waarin het water opgevangen kan worden en langzaam in de bodem kan infiltreren. Deze sloot zal ten zuidoosten en oosten van het plangebied, nabij de beoogde loods t.b.v. akkerbouw, worden aangelegd. In het beplantingsplan, zie bijlage 5, is de exacte locatie weergegeven. Bij de nieuwbouw zal gebruik worden gemaakt van milieuvriendelijke bouwmaterialen en niet van uitlogende bouwmaterialen, zoals lood, koper, zink en zacht PVC. Deze stoffen kunnen zich ophopen in het water(bodem)systeem en hebben hierdoor een zeer nadelige invloed op de water(bodem)kwaliteit en ecologie.) Verder zullen de beschermingszones ten opzichte van omliggende watergangen in acht worden genomen. Binnen 5 meter van de oppervlaktelichamen worden geen nieuwe obstakels, zijnde bebouwing dan wel landschapselementen, mogelijk gemaakt. Hieruit kan worden geconcludeerd dat er ten aanzien van het aspect water geen belemmeringen zijn voor het initiatief. 4.3 Natuur Voorafgaand aan de beoogde wijziging dient onderzocht te worden of er sprake is van een aantasting van wettelijk beschermde natuurwaarden op basis van de groene wet- en regelgeving. Onderstaand zijn de diverse aspecten ten aanzien van natuurwaarden beschreven.
Ruimtelijke onderbouwing Zwartenbergseweg 17 te Etten-Leur
33
4.3.1
Natuurnetwerk Nederland (NNN)
In de twintigste eeuw is veel Nederlandse natuur verdwenen. De overgebleven gebieden zijn vaak klein en liggen veelal ver uit elkaar. Hierdoor hebben bepaalde organismen moeite om gebieden te bereiken en zich er te handhaven, waardoor de diversiteit van planten, dieren en micro-organismen (de biodiversiteit) ook sterk achteruit gaat. Om de biodiversiteit te behouden en te versterken is het Natuurnetwerk Nederland opgericht. De Natuurnetwerk Nederland is een netwerk van natuurgebieden en verbindingszones. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is in de eerste plaats belangrijk als netwerk van leefgebieden voor veel planten en dieren. In het NNN liggen: - Bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken; - Gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; - Landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; - Ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de kustzone van Noordzee en de Waddenzee; - Alle Natura 2000-gebieden. Het Rijk heeft het algemene NNN-beleid in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) vastgelegd. Op grond van artikel 2.10.2 van het Barro moeten provincies bij provinciale verordening de NNN-gebieden aanwijzen en nauwkeurig begrenzen. Op grond van artikel 2.10.3 Barro moeten zij ook de wezenlijke kenmerken en waarden van die gebieden vastleggen. Daarnaast wijzen de provincies de natuurdoelen in de NNN aan.
Elk NNN-gebied heeft een zogenaamd natuurdoel. Een natuurdoel beschrijft een bepaalde natuurkwaliteit en wordt gebruikt als een toetsbare doelstelling voor een natuurgebied. Natuur Netwerk Brabant (NNB) Vanaf 2014 zijn de provincies verantwoordelijke voor de begrenzing en de ontwikkeling van het NNN. De provincie Noord-Brabant heeft in zijn Interim omgevingsverordening (Iov) de gebieden opgenomen als Natuur Netwerk Brabant. Men wil in 2027 alle gaten in het netwerk hebben gedicht met nieuwe natuur. Ongeveer 90% van het Natuur Netwerk Brabant wordt gevormd door bestaande natuurgebieden. Tussen deze gebieden is men voornemens om verbindingen te leggen in de vorm van Ecologische verbindingszones. Door deze verbindingen tussen natuurgebieden kunnen dieren van het ene gebied naar het andere foerageren. De concrete ambities van de provincie Noord-Brabant staan in het Natuurbeheerplan NoordBrabant 2016. De begrenzing van het netwerk is daarnaast ook opgenomen in de Iov. Het NNB kent geen specifiek beschermingsregime, anders dan via het ruimtelijke spoor. Conform de kaart ‘Instructieregels gemeenten: natuur en stiltegebieden’ van de Iov is binnen het plangebied geen NNB aanwezig, zie afbeelding 15. De beoogde ontwikkelingen hebben daarom geen invloed op de concrete ambities uit het Natuurbeheerplan 2016.
Daarbij wordt opgemerkt dat door de aanleg van de zorgvuldige landschappelijke inpassing de ecologische waarden in de omgeving versterkt zullen worden.
Ruimtelijke onderbouwing Zwartenbergseweg 17 te Etten-Leur
34
Afbeelding 15: Uitsnede kaart ‘Instructieregels gemeenten: natuur en stiltegebieden’ Iov 4.3.2
Wet natuurbescherming
In de Wet natuurbescherming zijn regels gesteld met betrekking tot gebiedsbescherming, soortenbescherming en bescherming van houtopstanden. In deze paragraaf wordt getoetst of de ontwikkeling invloed heeft op de beschermde gebieden en soorten die zijn opgenomen in de Wet natuurbescherming. 4.3.2.1 Gebiedsbescherming De gebiedsbescherming is beperkt tot de Natura 2000-gebieden en eventueel buiten het Natuur Netwerk liggende bijzondere provinciale natuurgebieden. De bescherming van het Natuur Netwerk Nederland is al beschermd in het Barro en provinciale verordening. In Nederland zijn 164 Natura 2000-gebieden aangewezen. Voorbeelden van de Natura 2000-gebieden zijn Hollands Diep, Ulvenhoutse Bos en Biesbosch. De provincie Noord-Brabant heeft geen bijzondere provinciale natuurgebieden vastgesteld. Per Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten, gelet op de instandhoudingdoelen, nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben, is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken. Het bevoegd gezag kan schadelijke activiteiten beperken en eisen dat een vergunning in het kader van Wet Natuurbescherming (Wnb) wordt aangevraagd. Regulier beheer en bestaand gebruik zijn (of worden) opgenomen in Natura 2000-beheerplannen.
Na vaststelling van de beheerplannen hoeft daarvoor geen vergunning aangevraagd te worden. Het dichtstbij liggende Natura 2000-gebied betreft Hollands diep, dat op een afstand van circa 10 kilometer ligt. De uitbreiding van de veehouderij kan negatieve effecten hebben op de Natura 2000-gebieden. Er zijn verschillende factoren die kunnen leiden tot de verstoring van beschermde vogel- en habitattypen en soorten. Vooral de storingsfactoren verzuring en vermesting door stikstof uit de lucht zijn van toepassing bij de ontwikkeling van veehouderijen. Daarnaast kunnen andere factoren eveneens leiden tot een verstoring van habitattypen en soorten, indien een ontwikkeling op korte afstand van een gebied plaatsvindt.
Ruimtelijke onderbouwing Zwartenbergseweg 17 te Etten-Leur
35
4.3.2.2 Verzuring en vermesting door stikstof uit de lucht Middels het rekenprogramma AERIUS kan de stikstofdepositie op omliggende Natura 2000gebieden worden berekend. Hiermee wordt het effect op verzuring en vermesting in beeld gebracht. Wanneer met het rekenprogramma AERIUS kan worden aangetoond dat een initiatief geen toename in stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden tot gevolg heeft, kan de ontwikkeling doorgang vinden. Indien er wel sprake is van een toename in stikstofdepositie op Natura 2000gebieden moet onderbouwd worden hoe deze toename in depositie ongedaan wordt gemaakt (door het treffen van maatregelen of extern salderen). Het bedrijf is niet in het bezit van een Wet natuurbescherming. Om die reden dient te worden uitgegaan van de vergunde ammoniakemissie ten tijde dat een Natura 2000-gebied is aangewezen als vogelrichtlijngebied dan wel habitatrichtlijngebied of indien op een later moment een vergunning is afgegeven met een lagere ammoniakemissie, dan dient de laagste ammoniakemissie aangehouden te worden. Voor de Zwartenbergseweg 17 geldt dat er in het verleden drie vergunningen zijn afgegeven op 05-08-1992, 20-05-2005 en 02-09-2009. De laatst verleende vergunning (02-05-2009) blijkt te beschikken over de laagste ammoniakemissie waardoor dit de uitgangsituatie is. Op 02-05-2009 is een vergunning afgegeven voor in totaal 572 kg ammoniak.
In de beoogde situatie zal sprake zijn van een ammoniakemissie van 797,12 kg ammoniak. Dit betekent dat er een toename zal plaatsvinden van 225,12 kg ammoniak. Een dergelijke toename zal tevens leiden tot een toename van stikstofdepositie. Aangezien een toename van stikstofdepositie niet is toegestaan zal middels extern salderen worden gezorgd dat er geen toename van stikstofdepositie zal plaatsvinden. Aangezien het bedrijf aan de Zundertseweg 67a zal worden gesaneerd, wordt gebruik gemaakt van de vergunde ammoniakrechten van deze locatie. Conform de beleidsregels mag 70% van de vergunde ammoniakrechten worden gebruikt in het kader van extern salderen en dient uit gegaan te worden van de feitelijk gerealiseerde capaciteit. In de onderstaande tabel zijn voor beide locaties de vergunde, gerekende en beoogde kg ammoniak weergegeven.
Tabel 3: Overzicht kg ammoniak per situatie Locatie
Vergunde kg ammoniak
Zwartenbergseweg 17 Zundertseweg 67a
572 1.575
Berekende kg ammoniak in Wnb 572 975,1
Totaal
2.147
1.547,1
Beoogde kg ammoniak 797,12 0
797,12
Om aan te tonen dat middels extern salderen geen toename van ammoniakemissie zal plaatsvinden, is een depositieberekening gemaakt tussen de referentiesituatie en de beoogde situatie. Uit deze berekening, zie bijlage 6, blijkt dat met toepassing van extern salderen geen toename in stikstofdepositie zal plaatsvinden. In bijlage 7 is een toelichting gegeven op de invoergegevens. Voor de beoogde situatie is een vergunning conform art 2.7, lid 2 van de Wnb aangevraagd. Bijlage 6 en bijlage 7 maken onderdeel uit van deze aanvraag. Tot slot is een berekening gemaakt van de aanlegfase. De aanlegfase betreft de sloop- en bouwwerkzaamheden die op locatie plaatsvinden. Als gevolg van de te gebruiken mobiele werktuigen in combinatie met de vervoersbewegingen kan stikstofdepositie ontstaan. Uit de berekening, zie bijlage 8, blijkt dat de gedurende de aanlegfase geen sprake zal zijn van stikstofdepositie. 4.3.2.3 Overige storingsfactoren Vanwege de ruime afstand van het plangebied tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied Hollands diep leidt het initiatief verder niet tot andere voorkomende storende factoren op omliggende Natura 2000-gebieden zoals oppervlakteverlies, versnippering, verontreiniging, verdroging, verstoring Ruimtelijke onderbouwing Zwartenbergseweg 17 te Etten-Leur
36
door geluid, optische verstoring, verstoring door mechanische effecten en bewuste verandering soortensamenstelling.
Conclusie
Gezien het vorenstaande kan geconcludeerd worden dat negatieve effecten op soorten en habitattypen in beschermde Natura 2000-gebieden zijn uitgesloten. Er is derhalve op grond van de Wet natuurbescherming geen omgevingsvergunning in het kader van gebiedsbescherming noodzakelijk. 4.3.2.4 Bescherming van soorten De soortenbeschermende werking is rechtstreeks opgenomen in de Wnb. In hoofdstuk 3 van de Wnb zijn de beschermingsregimes in drie aparte paragrafen neergelegd. Per beschermingsregime is bepaald welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Hieronder zijn de drie beschermingsregimes weergegeven: 1. Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn; Dit zijn alle van nature in Nederland in het wild levende vogels (zoals bedoelt in artikel 1 van de Vogelrichtlijn). 2. Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn; Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage II van het Verdrag van Bonn. In de bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd. 3. Beschermingsregime andere soorten. Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage onderdeel A en B van de Wet natuurbescherming.
Het gaat hier om de bescherming van zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland. In Nederland komen ongeveer 30.000 soorten dieren en planten voor. De Wnb regelt de bescherming van circa 300 in het wild voorkomende soorten inheemse planten en dieren. In de Wnb is onder meer bepaald dat beschermde diersoorten niet gedood, gevangen of verontrust mogen worden en plantensoorten niet geplukt, uitgestoken of verzameld mogen worden. Bovendien dient iedereen voldoende zorg in acht te nemen voor in het wild levende dieren en planten. Daarnaast is het niet toegestaan om hun directe leefomgeving, waaronder nesten en holen, te beschadigen, te vernielen of te verstoren. Bij het beoordelen van de in het plangebied voorkomende beschermde soorten gaat het primair om soorten die door de ingreep direct beïnvloed worden, doordat: - Zij fysiek aangetast worden (doden/verwonden van dieren, verwijderen van planten); - Zij verstoord worden (toename van geluid of licht); - Hun vaste verblijfplaatsen c.q. groeiplaatsen aangetast of verstoord worden. Gelet op de aard van het initiatief aan de Zwartenbergseweg 17 dient met name bepaald te worden of ter plaatse van de te slopen en nieuw te realiseren bedrijfsgebouwen beschermde natuurwaarden voorkomen, die verstoord zouden kunnen worden.
Verboden handelingen dienen te worden voorkomen en handelingen mogen niet leiden tot aantasting van de gunstige staat van instandhouding. Het (onopzettelijk) doden, verwonden of verontrusten van deze soorten is zonder ontheffing niet toegestaan. Op dit moment wordt ter plaatse een kalverenhouderij geëxploiteerd voor het opfokken van vrouwelijk jongvee dat bestemd is voor de melkveehouderij. Ter plaatse zijn twee stallen en een aantal sleufsilo’s aanwezig welke intensief worden gebruikt voor de verzorging van het aanwezige jongvee. Gezien het huidige intensieve gebruik van het perceel en de akkerbouwgronden aangrenzend aan het bouwvlak is de aanwezigheid van beschermde of bijzondere soorten echter niet te verwachten. Echter kan de aanwezigheid van beschermde soorten niet geheel worden uitgesloten. Om deze reden is een quickscan flora-fauna uitgevoerd om te onderzoeken of zich in de aanwezige te slopen gebouwen beschermde soorten voorkomen.
Ruimtelijke onderbouwing Zwartenbergseweg 17 te Etten-Leur
37
4.3.2.4.1
Vleermuizen
Uit onderzoek is gebleken dat, gezien de omstandigheden, er geen vleermuizen binnen het plangebied worden verwacht. Ook is niet de verwachting dat er sprake is van een essentieel foerageergebied dan wel een essentiële vliegroute binnen het plangebied. Door de ontwikkeling kan sprake zijn van een negatief effect op vleermuizen. Omdat niet met zekerheid kan worden gesteld dat er vleermuizen aanwezig zijn binnen het plangebied, wordt aanvullend onderzoek noodzakelijk geacht.
4.3.2.4.2
Vogels
Binnen het plangebied is onderzoek gedaan naar de aanwezigheid van broedvogels (nesten jaarrond beschermd). Uit inspectie is gebleken dat er geen sporen zijn gevonden die kunnen duiden op de aanwezigheid van boombewonende broedvogels in de stallen. Ook zijn geen typische ‘stalbewoners’ zoals uilen aangetroffen dan wel sporen van uilen. Omdat het woonhuis is bekleed met dakpannen, kan de aanwezigheid van de huismus en de gierzwaluw niet worden uitgesloten. Aanvullend onderzoek is noodzakelijk om aan te tonen of het huis een functie heeft voor de huismus en/of gierzwaluw.
4.3.2.4.3
Bescherming van houtopstanden
De bescherming van houtopstanden zoals die is vastgelegd in de Wnb vloeit voort uit de voormalige Boswet. Voorwaarden zijn gericht op de instandhouding van het bosareaal. Bij houtopstanden groter dan 10 are of 20 rijbomen en gelegen buiten de bebouwde kom geldt een meldplicht, herplantplicht en mogelijke oplegging van een kapverbod. In de quickscan wordt kort aandacht besteed aan de bescherming van houtopstanden. Geadviseerd wordt om na te gaan of voor de te kappen houtopstanden een meldplicht, herplantplicht of mogelijk een kapverbod geldt. In het onderzoek wordt verwezen naar een link van de provincie Noord-Brabant waaruit kan worden nagegaan of er een meldplicht, herplantplicht of een kapverbod geldt. Uit informatie afkomstig van deze link blijkt dat er een meldplicht en herplantplicht geldt wanneer het bos minimaal 1.000 m2 groot is of wanneer het gaat om een bomenrij van minimaal 21 bomen. Binnen het plangebied zijn aan de noord en zuidkant van het perceel bomen aanwezig. De aanwezige bomen hebben geen oppervlakte van meer dan 1.000 m2. Daarnaast gaat het om twee afzonderlijke bomenrijen waarop niet meer dan 20 bomen aanwezig zijn. Hierdoor geldt er geen meldplicht, herplantplicht of een mogelijk kapverbod geldt.
4.3.2.4.4
Conclusie quickscan Flora-Fauna
Uit het onderzoek komt naar voren dat er geen vleermuizen te verwachten zijn. Omdat het woonhuis is bekleed met dakpannen, kunnen er huismussen en gierzwaluwen aanwezig zijn. Omdat het niet is uit te sluiten dat er vleermuizen, huismussen en gierzwaluwen aanwezig zijn, is vervolgonderzoek noodzakelijk. De quickscan is als bijlage 15 toegevoegd aan de aanvraag. Ten aanzien van de houtopstanden kan worden geconcludeerd dat er geen omgevingsvergunning noodzakelijk is.
4.3.2.4.5
Vervolgonderzoek Flora-Fauna
Er is een vervolgonderzoek uitgezet voor de huismus, gierzwaluw en de vleermuizen. Dit onderzoek wordt inmiddels uitgevoerd. Ten aanzien van huismussen geldt dat het onderzoek volledig is afgerond. Hiervoor hebben twee bedrijfsbezoeken plaatsgevonden waarbij in totaal 4 nesten zijn gevonden. Wanneer tijdens het broedseizoen (februari t/m augustus) wordt gesloopt en gebouwd, zullen in totaal 8 tijdelijke nestkasten op gehangen moeten worden aan de gevel van de buren. Voor de nieuwbouw geldt dat er voldoende mogelijkheden aanwezig moeten zijn zodat de huismussen onder de pannen terecht kunnen. Hiervoor dient dan om de meter een ventilatiepan aanwezig te zijn. Voor de gierzwaluw en vleermuizen zijn nog geen resultaten bekend. Dit onderzoek loopt nog. Hiervoor zijn nog in totaal 5 bedrijfsbezoeken noodzakelijk.
Ruimtelijke onderbouwing Zwartenbergseweg 17 te Etten-Leur
38
4.4 Ammoniak Ammoniak is een belangrijk milieuthema bij veehouderijen. Er is wet- en regelgeving voor het beoordelen van het aspect ammoniak. Hierna wordt het initiatief getoetst aan deze wet- en regelgeving.
4.4.1
Kwetsbare gebieden
De Wet ammoniak en veehouderij (Wav) is het exclusieve toetsingskader voor ammoniakemissies van veehouderijen. In de Wav zijn regels gesteld voor het oprichten en uitbreiden van veehouderijen die in of op minder dan 250 meter van een (zeer) kwetsbaar bos- of natuurgebied liggen. Deze bedrijven mogen hun bedrijf slechts uitbreiden indien de ammoniakemissie na uitbreiding niet hoger is dan het gecorrigeerde emissieplafond. Wanneer de ammoniakemissie op grond van de geldende vergunning lager is dan het gecorrigeerd emissieplafond, mag de ammoniakemissie na uitbreiding niet hoger zijn dan de vergunde ammoniakemissie.
Afbeelding 16: Uitsnede WAV-gebieden Er is te zien dat het bedrijf buiten een zone van 250 meter van een zeer kwetsbaar gebied ligt. In het kader van de Wet ammoniak en veehouderij kan het bedrijf uitbreiden in ammoniak.
4.4.2
Besluit emissiearme huisvesting
Naast de regels voor bedrijven binnen de 250 meter-zones bevat de Wav generieke regelgeving voor de toepassing van emissiearme stalsystemen. Op 23 juni 2015 is het Besluit emissiearme huisvesting vastgesteld (voorts Besluit). Dit Besluit vervangt het Besluit ammoniakemissie huisvesting veehouderij en is op 1-8-2015 in werking getreden. In dit Besluit is onderscheid gemaakt tussen melk- en kalfkoeien (artikel 3), vleeskalveren (artikel 4) en varkens, kippen en kalkoenen (artikel 5). Binnen het Besluit zijn maximale emissiewaarden opgenomen, in bijlage 1 bij het Besluit, voor nieuwe stallen (kolom B en C) en zijn de maximale emissiewaarden voor bestaande stallen gewijzigd (kolom A).
Ruimtelijke onderbouwing Zwartenbergseweg 17 te Etten-Leur
39
Voor vleeskalveren geldt artikel 4 van het Besluit. Het onderscheid in bestaande en nieuwe stallen, met de daaraan gekoppelde maximale emissiewaarden, wordt gemaakt op basis van datum van realisatie van het dierenverblijf. Voor vleeskalveren zijn in zowel kolom A als kolom B uit bijlage 1 geen maximale emissiewaarden opgenomen, derhalve zijn voor vleeskalveren enkel de maximale emissiewaarden uit kolom C van toepassing. Kolom C uit bijlage 1 is van toepassing indien een dierenverblijf is opgericht na 1 januari 2020. In onderstaande tabel zijn de maximale emissiewaarde en de werkelijke emissiewaarde opgenomen.
Tabel 4: Emissieplafond o.b.v. Besluit emissiearme huisvesting
Stalnummer
Diercategorie
Emissiefactor Besl. Huisvesting
1a
Vleeskalveren
2,5
0,53
252
1b
Vleeskalveren
2,5
0,53
252
2
Vleeskalveren
2,5
0,53
500
3
Vleeskalveren
2,5
0,53
500
Totaal NH3
3.760 kg NH3
Werkelijke emissiefactor
Dieraantallen
797,12 kg NH3 1.504 vleeskalveren
In totaal bedraagt de maximale emissiewaarde voor onderhavig bedrijf 3.760 kg NH 3/jaar. In de beoogde situatie bedraagt de ammoniakemissie 797,12 kg NH 3/jaar. Derhalve voldoet het bedrijf aan het Besluit emissiearme huisvesting. 4.5 Bodemkwaliteit Binnen de bedrijfsvoering vinden enkele bodembedreigende activiteiten plaats. Deze activiteiten hebben betrekking op het onderhoud aan de werktuigen en de opslag van mest en voer ten behoeve van de veehouderij. Op het bedrijf zullen bovendien kleine gebruikshoeveelheden medicijnen, reinigings- en ontsmettingsmiddelen aanwezig zijn. Deze worden opgeslagen in afsluitbare (koel)kasten. Door gebruik te maken van zeer reguliere voorzieningen, zoals vloeistofkerende vloeren, vloeistofdichte mestkelders, lekbakken en afgesloten kasten wordt het bodembedreigende risico verwaarloosbaar gemaakt. Door visuele controle, de aanwezigheid van absorptiemiddelen en de aanwezigheid van de bodembeschermende voorzieningen wordt het bodemrisico nog verder teruggebracht. In de voorschriften van het Activiteitenbesluit zijn regels opgenomen voor de bescherming van de bodemkwaliteit. Ieder (vergunningsplichtig) bedrijf dient zicht hieraan te houden. Middels het treffen van de beschreven technische maatregelen en voorzieningen is er sprake van een verwaarloosbaar risico op bodemverontreiniging.
Onderstaand wordt een beschrijving gegeven hoe het bedrijf zorgt voor een ‘verwaarloosbaar bodemrisico’.
Ruimtelijke onderbouwing Zwartenbergseweg 17 te Etten-Leur
40
Tabel 5: Bodembeschermende maatregelen per opslagstof Naam Opslagwijze Toelichting stof Kadavers Kadaver Kadavers worden aangeboden op een vloeistofdichte vloer zodat aanbiedplaats eventuele vloeistoffen niet in de bodem terecht komen wanneer (vloeistofdicht) ze worden aangeboden. Smeerolie Lekbak Smeerolie wordt in olietonnen opgeslagen. Deze tonnen staan in een lekbak waardoor eventuele lekkages in deze bak worden opgevangen. De smeerolie wordt inpandig opgeslagen, zie nr. 6 tekening. Afgewerkte Lekbak Afgewerkte olie wordt in olietonnen opgeslagen. Deze tonnen olie staan in een lekbak waardoor eventuele lekkages in deze bak worden opgevangen. De smeerolie wordt inpandig opgeslagen, zie nr. 7 tekening. Diesel Dubbelwandige Diesel wordt in een dubbelwandige tank en inpandig opgeslagen tank zie nr. 8 tekening. Kuilvoer Sleufsilo Kuilvoer wordt opgeslagen in een sleufsilo’s welke voorzien zijn van vloeistofkerende verharding. Er is afschot aanwezig zodat percolaat (al dan niet vermengd met hemelwater) in de daarvoor bestemde opvangvoorzieningen terechtkomen, zie nr. 14 tekening. Krachtvoer Polyester silo Krachtvoer wordt opgeslagen in polyester silo’s welke volledig dicht zijn. Middels voervijzels en buizen wordt het krachtvoer getransporteerd naar de stallen. Zie nr. 15 tekening. Wanneer krachtvoer wordt gebulkt in de silo zal een opvangzak aanwezig zijn om stof op te vangen.
Drijfmest Mestkelders Drijfmest wordt opgeslagen in de mestkelders onder stal 1a, 1b, 2 en stal 3. De wanden van deze kelder zijn dicht uitgevoerd zodat drijfmest niet in aanraking met de bodem komt. Hierbij zal worden voldaan aan de eisen van de ‘Handleiding Bouwtechnische Richtlijnen Mestbassins’ (HBRM) en de BRL 2342. Controle tijdens de bouw zal er op toe zien dat wordt voldaan aan deze richtlijnen. Hier zal een kwaliteitsverklaring voor moeten worden afgegeven.
Ten aanzien van het aspect bodem zijn er daarom geen bezwaren voor de beoogde ontwikkeling. 4.6 Cultuurhistorie, aardkunde en archeologie Voorafgaand aan de realisatie van de beoogde bedrijfsopzet moet onderzocht worden of er sprake is van aantasting van archeologische, cultuurhistorische en aardkundige waarden.
4.6.1
Cultuurhistorie en aardkunde
Uit de cultuurhistoriekaart van de provinciale Interim omgevingsverordening Noord-Brabant blijkt dat het plangebied niet in gebied ligt met aardkundige of cultuurhistorische waarden, zie afbeelding 18. Daarnaast kent de locatie geen complexen van cultuurhistorisch belang. Hierdoor zal bij uitvoering van het plan geen afbreuk gedaan worden aan cultuurhistorische waarden of aardkundig waardevol gebied.
Ruimtelijke onderbouwing Zwartenbergseweg 17 te Etten-Leur
41
Afbeelding 17: Uitsnede kaart 'Instructieregels gemeenten: stedelijke ontwikkeling en erfgoed' Iov Daarnaast beschikt de provincie over de Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW-kaart). Hierin zijn cultuurhistorische waarden van ‘bovenlokaal belang’ weergegeven. Op deze kaart zijn indicatieve cultuurhistorische vlakken, cultuurhistorische landschappen en archeologische landschappen opgenomen. Zoals te zien is in de onderstaande afbeelding is de locatie niet gelegen in een gebied welke is aangemerkt als cultuurhistorisch of archeologisch belang. Derhalve zijn er geen belemmeringen te verwachten voor onderhavig initiatief.
Ruimtelijke onderbouwing Zwartenbergseweg 17 te Etten-Leur
42
Afbeelding 18: Uitsnede CHW-kaart, Projectlocatie met rode cirkel weergegeven. 4.6.2
Archeologie
De zorg voor archeologische monumenten wordt geregeld in het proces van de ruimtelijke ordening. Zo is wettelijk bepaald dat gemeenten in nieuwe bestemmingsplannen rekening moeten houden met de in de grond aanwezige, dan wel te verwachten, archeologische waarden. Bij deze nieuwe plannen kunnen voorwaarden worden gesteld aan omgevingsvergunning voor de activiteiten bouw, aanleggen e.d. In het bestemmingsplan ‘Buitengebied’ is ter plaatse van de locatie Zwartenbergseweg de dubbelbestemming ‘waarde – archeologie 4’ gelegen. Hierin is opgenomen dat het verboden is om ter plaatse van deze bestemming bodemingrepen te verrichten die groter zijn dan 50.000 m2 en dieper zijn dan 0,4 meter. Indien dit wel het geval is, dient een archeologisch rapport aangeleverd te worden. Aangezien de nieuwe stallen een gezamenlijke oppervlakte hebben van 5.810 m 2 blijven de bodemingrepen onder de 50.000 m2. Op basis hiervan is een archeologisch onderzoek niet noodzakelijk. 4.7 Landschappelijke inpassing In het kader van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant dient getoetst te worden aan artikel 3.9. Hierin is opgenomen dat ontwikkelingen binnen het landelijk gebied gepaard moet gaan met een fysieke verbetering van het landschap. In paragraaf 3.1.3 is getoetst aan artikel 3.9 van de Iov.
Uit toetsing blijkt dat sprake is van een categorie 3 ontwikkeling waarbij een minimale investering van 20% van de grondwaardevermeerdering noodzakelijk is. In bijlage 5 is de berekening van de kwaliteitsverbetering weergegeven in combinatie met de aan te leggen landschappelijke inpassing. De landschappelijke inpassing zal aan 3 zijden rondom de locatie worden aangebracht. Ten zuiden en oosten van het bedrijf zal in totaal 2.496 m2 aan landschappelijke inpassing worden aangebracht. De inpassing zal bestaan uit een houtsingel met daarin solitaire bomen. De struweel binnen de houtsingel zal bestaan uit vijf verschillende soorten. In de houtsingel worden verspreid over de gehele lengte, om de zeven meter, circa 60 solitaire bomen geplant. Hiermee zal de toekomstige situatie landschappelijk worden ingepast. In bijlage 5 is zowel de berekening van de kwaliteitsverbetering als het landschappelijk inpassingsplan te vinden. Voor de vastlegging van de verplichting tot realisatie, beheer en instandhouding van de landschappelijke inpassing wordt zowel een voorschrift in de vergunning als in de anterieure overeenkomst opgenomen.
Ruimtelijke onderbouwing Zwartenbergseweg 17 te Etten-Leur
43
4.8 Bedrijven en milieuzonering De handreiking ‘Bedrijven en Milieuzonering’ (editie 2009) is een publicatie van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en dient als hulpmiddel voor milieuzonering in de ruimtelijke planvorming. Milieuzonering zorgt ervoor dat nieuwe bedrijven een passende locatie in de nabijheid van woningen krijgen en dat nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven gesitueerd worden. Het waar nodig ruimtelijk scheiden van bedrijven en woningen bij nieuwe ontwikkelingen dient twee doelen: - Het al in het ruimtelijke spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar voor woningen; - Aan bedrijven voldoende zekerheid bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren. De VNG-publicatie is een hulpmiddel om de afstanden tussen bedrijvigheid en woningen concreet in te vullen. Gemeenten beslissen uiteindelijk zelf over een bepaalde locatie. De handreiking geeft informatie over de ruimtelijk relevante milieuaspecten (geur, stof, geluid en veiligheid) en bijbehorende richtafstanden van een scala aan bedrijfsactiviteiten. Deze richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit. Er wordt onderscheid gemaakt in de omgevingstypen: - Rustige woonwijk en rustig buitengebied: een woonwijk (of vergelijkbaar omgevingstype) die is ingericht volgens het principe van functiescheiding.
Er komen enkel wijkgebonden voorzieningen voor en er is weinig verstoring door verkeer. - Gemengd gebied: een gebied met matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen functies zoals winkels, horeca en kleine bedrijven voor of er is sprake lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid. Ook gebieden die direct naast de hoofdinfrastructuur liggen behoren tot het omgevingstype gemengd gebied, hier is sprake van verhoogde milieubelasting door geluid. Hier zijn dan ook kleinere richtafstanden te rechtvaardigen (behalve voor het aspect veiligheid). Het plangebied is conform de definitie in de VNG-publicatie gelegen in het omgevingstype ‘rustig buitengebied’. In de directe omgeving vindt geringe functiemenging plaats. Tevens is er weinig verstoring door verkeer. Qua aanvaardbare milieubelasting is dit omgevingstype dus vergelijkbaar met een rustige woonwijk. Een vleeskalverenhouderij valt onder de omschrijving ‘Fokken en houden van rundvee’. Deze bedrijven behoort tot milieucategorie 3.2. De akkerbouwactiviteiten vallen conform de Bedrijven en Milieuzonering onder milieucategorie 2. Voor een bedrijf uit milieucategorie 3.2, liggend in ‘rustig buitengebied’, is de richtafstand minimaal 100 meter. Het aspect geur is hierbij de meest bepalende factor. Echter is het aspect geur geïmplementeerd in de Wet geurhinder en veehouderij.
Toetsing hieraan vindt plaats in paragraaf 4.9. Na geur blijken de aspecten stof en geluid de grootste richtafstand te bevatten, namelijk 30 meter. De dichtstbij liggende woning van derden (Zwartenbergseweg 23) bevindt zich op een afstand van circa 400 meter van de toekomstige inrichtingsgrens. Op grond hiervan kan worden gesteld dat ruimschoots wordt voldaan aan de richtafstanden. 4.9
4.9.1
Geur
Individuele hinder
De Wet geurhinder en veehouderij betreft een wet waarmee de nationale regels betreffende geurhinder ten opzichte van de tot veehouderijen behorende dierenverblijven vastgesteld staan. Voor kleinere bedrijven zijn deze regels opgenomen in het Activiteitenbesluit. De wetgeving heeft tot doel het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van geurbelasting door het opnemen van geurnormen of vaste afstanden. Hierbij is het mogelijk dat de gemeenteraad afwijkende normen vaststelt in een gemeentelijke geurverordening. Met deze opgenomen normen moet rekening gehouden worden bij beslissingen in het kader van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. De gemeente Etten-Leur heeft geen verordening
Ruimtelijke onderbouwing Zwartenbergseweg 17 te Etten-Leur
44
vastgesteld om af te wijken van deze wettelijke normen. Hierdoor blijven de wettelijk vastgestelde normen in de Wet geurhinder en veehouderij gehandhaafd. In de beoogde situatie worden dieren gehouden waarvoor in de wet geuremissiefactoren zijn opgenomen. Deze geuremissie wordt samen met de brongegevens van de stallen ingevoerd in het rekenprogramma V-stacks, dit programma rekent de geurbelasting uit op objecten in de omgeving. De berekende geurbelasting wordt getoetst aan de geurnormen die gelden op de woningen in de directe omgeving van het plangebied. Doordat de locatie is gelegen buiten een concentratiegebied geldt voor de bebouwde kom een geurnorm van 2 OUe/m3. Buiten de bebouwde kom geldt een geurnorm van 8 OUe/m3. Voor woningen die behoren tot andere veehouderijen (of op of na 19 maart 2000 heeft opgehouden deel uit te maken van een veehouderij) zijn enkel vaste afstanden van toepassing. In bijlage 9 van deze onderbouwing zijn de invoergegevens opgenomen. In deze bijlage is een uitdraai van de rekenresultaten afkomstig uit het rekenprogramma terug te vinden. In tabel 6 is een samenvatting van de resultaten en de toetsing opgenomen. De tabel geeft de geurbelasting ten opzichte van het geurgevoelig object weer en de bijbehorende geurnorm.
Tabel 6: Resultaat voorgrondgeurberekening GGLID Zwartenbergseweg 42B Zwartenbergseweg 42D Hoge zijweg 1 Halseweg 2 Halseweg 2a Hooglaarsestraat 5 Zevenbergseweg 21 Hubertuslaan 98 Zuiddijk 2D Hazeldonkse zandweg 67 Zevenbergseweg 42
Xcoordinaat 103 387 103 311 103 069 106 173 106 351 105 918 104 254 104 515 103 649 101 569 103 807
Ycoordinaat 403 587 403 711 403 861 403 815 403 627 402 717 402 520 400 837 405 163 405 891 402 953
Geurnorm 8,0 8,0 8,0 8,0 8,0 8,0 8,0 2,0 8,0 2,0 8,0
Geurbelasting 0,7 0,6 0,5 0,3 0,3 0,3 0,7 0,1 0,3 0,1 1,5
Zoals op te maken is uit de tabel wordt ruimschoots voldaan aan de vastgestelde geurnormen. De gehele berekening inclusief invoergegevens is in bijlage 9 te vinden. De afstand vanaf het emissiepunt tot geurgevoelige objecten die behoren tot andere veehouderijen (of op of na 19 maart 2000 heeft opgehouden deel uit te maken van een veehouderij) bedraagt in de beoogde situatie minimaal 400 meter (Zwartenbergseweg 23). De afstand tot dit object dient minimaal 50 meter te bedragen. Naast toetsing aan de geurnormen en vaste afstanden is in de Wet geurhinder en veehouderij ook een minimale afstand tussen de buitenzijde van een dierverblijf en een geurgevoelig object opgenomen (artikel 5 Wgv). Deze afstand dient minimaal 50 meter te bedragen indien het geurgevoelig object binnen de bebouwde kom ligt en minimaal 25 meter tot geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom. In de beoogde situatie bedraagt de afstand vanaf de buitenzijde van het dierenverblijf tot het dichtstbijzijnde object, (Zwartenbergseweg 23), circa 400 meter. Het agrarisch bedrijf voldoet aan de geurnormen op alle geurgevoelige objecten. Daarnaast voldoet de veehouderij aan de vaste afstanden tot geurgevoelige objecten. Hierdoor zijn er wat betreft het aspect individuele geurhinder van het agrarische bedrijf geen beperkingen.
4.9.2
Cumulatieve geurhinder (Interim omgevingsverordening Noord-Brabant)
Conform de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant van de provincie dient aangetoond te worden dat de kans op cumulatieve geurhinder (achtergrondbelasting) op geurgevoelige objecten, in de bebouwde kom niet hoger is dan 12% en in het buitengebied niet hoger is dan 20 %. Voor de veehouderij binnen het plangebied is door middel van V-Stacks gebied een berekening gemaakt Ruimtelijke onderbouwing Zwartenbergseweg 17 te Etten-Leur
45
waarbij de cumulatieve geurhinder is berekend. Voor de berekening zijn alle bedrijven meegenomen die een geuruitstoot hebben binnen een straal van twee kilometer rondom de geurgevoelige objecten. De gegevens van veehouderijen van derden zijn afkomstig uit de databestanden van Web-BVB van de gemeente Etten-Leur en Breda, deze invoergegevens zijn terug te vinden in de bijlage van deze onderbouwing. Voor het bedrijf van de initiatiefnemer zijn de werkelijke brongegevens binnen de inrichting ingevuld, deze zijn tevens opgenomen in bijlage 10 van deze onderbouwing. Er zijn zowel geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom als buiten de bebouwde kom geselecteerd. In tabel 6 zijn de resultaten uit de achtergrondgeurberekening weergegeven.
Tabel 7: Achtergrondbelasting beoogde situatie Zwartenbergseweg 17 Adres
X- coör
Y- coör
Geurnorm
Geurbelasting [OU/m3]
Percentage geurgehinderden
Zwartenbergseweg 42B
103 387
403 587
8,0
1,361
5%
Zwartenbergseweg 42D
103 311
403 711
8,0
1,187
4%
Hoge zijweg 1
103 069
403 861
8,0
1,259
4%
Halseweg 2
106 173
403 815
8,0
0,041
0%
Halseweg 2a
106 351
403 627
8,0
0,054
0%
Hooglaarsestraat 5
105 918
402 717
8,0
0,261
1%
Zevenbergseweg 21
104 254
402 520
8,0
0,940
4%
Hubertuslaan 98
104 515
400 837
2,0
0,796
3%
Zuiddijk 2D