CConstaterende datEtten-Leur
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 Ruimtelijke onderbouwing Zwartenbergseweg 17.pdf

Raad debatteert 6 december 2021, gemeente Etten-LeurBij agendapunt: Raadsvoorstel voor het verkrijgen van een Verklaring van geen bedenkingen (VVGB) voor de verplaatsen van een intensieve veehouderij van de Zundertseweg 67A naar de Zwartenbergseweg 17.22.708 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

103 649

405 163

8,0

0,517

2%

Hazeldonkse zandweg 67

101 569

405 891

2,0

0,348

2%

Zevenbergseweg 42

103 807

402 953

8,0

1,078

4%

Uit de berekeningen blijkt dat sprake is van een cumulatieve geurbelasting van maximaal 1,361 OUE/m3 op het meest nabij gelegen geurgevoelige object, Zwartenbergseweg 42B. Dit zorgt voor een percentage geurgehinderden van 5%. Het meest belaste geurgevoelige punt binnen de bebouwde kom, Hubertuslaan 98 heeft een cumulatieve geurbelasting van 0,796 OUE/m3. Dit zorgt voor een percentage geurgehinderden van 3%. Alle rekenresultaten zijn terug te vinden in de bijlage 10 van deze onderbouwing. Gezien het feit dat er op alle geurgevoelige locaties geen sprake is van een overbelasting is afdoende aangetoond dat wordt voldaan aan de voorwaarde van dit artikel.

4.9.3

Woon- en leefklimaat

In het kader van de ruimtelijke procedure is het wenselijk dat de ontwikkeling geen negatief effect heeft op het woon- en leefklimaat in de omgeving van het plangebied. Ook na de beoogde ontwikkeling dient er sprake te zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Het woon- en leefklimaat wordt bepaald door een vergelijking te maken met de geurbelasting als gevolg van het veelvoud van de veehouderijen in de omgeving van het betreffende geurgevoelige object (cumulatieve geurhinder) en de geurbelasting afkomstig van de veehouderij binnen het plangebied (voorgrondbelasting). Bij het bepalen van de geurhinder geldt als vuistregel dat de voorgrondbelasting maatgevend is indien deze ten minste de helft bedraagt van de cumulatieve geurhinder. PRA Odournet BV heeft in opdracht van het ministerie van VROM de relatie tussen geurbelasting en geurhinder onderzocht. Aan de hand van de meest bepalende belasting is het percentage geurgehinderden berekend. Naar aanleiding van het percentage geurgehinderden kan vervolgens de kwaliteit van het woon- en leefklimaat worden berekend. Het RIVM hanteert bij haar milieurapportages voor het aspect geurhinder onderstaande milieukwaliteitscriteria:

Ruimtelijke onderbouwing Zwartenbergseweg 17 te Etten-Leur

46

Tabel 8: Relatie percentage geurgehinderden en milieukwaliteit (bron: GGD-richtlijn geurhinder, 2002)

Rekenpunt

Achtergrondbelasting

Helft van de Achtergrondbelasting

Voorgrondbelasting

Meest bepalende belasting

Percentage geurgehinderde

Milieukwaliteit

Tabel 9: Samenvattingstabel berekeningen t.b.v. woon- en leefklimaat

Zwartenbergseweg 42B Zwartenbergseweg 42D Hoge zijweg 1 Halseweg 2 Halseweg 2a Hooglaarsestraat 5 Zevenbergseweg 21 Hubertuslaan 98 Zuiddijk 2D Hazeldonkse zandweg 67 Zevenbergseweg 42

1,361 1,187 1,259 0,041 0,054 0,261 0,940 0,796 0,517 0,348 1,078

0,703 0,604 0,636 0,021 0,027 0,132 0,482 0,398 0,262 0,174 0,539

0,7 0,6 0,5 0,3 0,3 0,3 0,7 0,1 0,3 0,1 1,5

Achtergrond Achtergrond Achtergrond Voorgrond Voorgrond Voorgrond Voorgrond Achtergrond Voorgrond Achtergrond Voorgrond

5% 4% 4% 3% 3% 3% 5% 2% 3% 1% 9%

Goed Zeer goed Zeer goed Zeer goed Zeer goed Zeer goed Goed Zeer goed Zeer goed Zeer goed Goed

Ter plaatse van de bebouwde kom eist de provincie een ‘redelijk goed’ (10% - 15% geurgehinderden) leefklimaat. Conform de meest bepalende woning in de bebouwde kom, Hubertuslaan 98, is het percentage geurgehinderden hier 2%, wat als ‘zeer goed’ wordt aangemerkt. In het buitengebied acht de provincie een percentage van 20% geurgehinderden als aanvaardbaar. Dit komt overeen met de milieukwaliteit ‘matig’. De meest bepalende woning ligt hier aan het Zevenbergseweg 42, waar het percentage geurgehinderden 9% is, wat als ‘goed’ wordt aangemerkt. Dit percentage ligt dus binnen de grenzen van wat zowel de provincie als de gemeente als aanvaardbaar achten voor dit gebied. Ten aanzien van het aspect geur kan daarom worden gesteld dat er een aanvaardbaar woon- en leefklimaat heerst in de beoogde situatie. 4.10 Luchtkwaliteit In de Wet milieubeheer is de Europese richtlijn geïmplementeerd op het gebied van grenswaarden voor diverse stoffen. Het doel van de wet is mensen te beschermen tegen risico's van luchtverontreiniging. Voor de kwaliteit van de buitenlucht zijn in bijlage 2 bij de Wm bepaalde milieukwaliteitseisen voor de buitenlucht opgenomen. Deze milieukwaliteitseisen betreffen grenswaarden van concentraties voor zwaveldioxide, stikstofoxiden (NO x als NO2) zwevende deeltjes (PM10 en PM2,5), lood, koolmonoxide en benzeen.

Ruimtelijke onderbouwing Zwartenbergseweg 17 te Etten-Leur

47

4.10.1 PM10 De totale concentratie PM10 wordt bepaald door de toekomstige vleeskalverenhouderij en de toekomstige akkerbouwactiviteiten. Beide bedrijfsactiviteiten worden apart berekent van elkaar. Dit omdat de beschikbare rekentools geen mogelijkheid biedt om beide gegevens gezamenlijk in te voeren. 4.10.1.1 Fijnstofemissie afkomstig van de vleeskalverenhouderij In de agrarische sector is voornamelijk de emissie van fijnstof bepalend voor de luchtkwaliteit op de omgeving. Fijnstof, zowel PM10 en PM2,5 komt voornamelijk door emissie van huid-, mest-, voeren strooiseldeeltjes uit de stallen. Dit gebeurt continu (24 uur per dag). De belangrijkste bron bij een veehouderij zijn de stallen. Het vrijkomen van fijnstof ten gevolge van overige activiteiten op het bedrijf zijn verwaarloosbaar ten opzichte van de emissie uit de stallen. Voor het bepalen van de concentraties fijnstof in de omgeving van veehouderijen, zijn gegevens nodig over de hoeveelheid fijnstof die dieren produceren. Deze hoeveelheid varieert per dier en is afhankelijk van het huisvestingssysteem zoals het type stal. De emissiefactoren voor fijnstof geven per huisvestingssysteem aan hoeveel fijnstof een bepaald dier per jaar produceert. De Animal Sciences Group (ASG) van de Universiteit Wageningen stelt de factoren op die door de overheid jaarlijks worden gepubliceerd.

Met behulp van het rekenprogramma ISL3a, zie bijlage 11, is een berekening gemaakt van de belasting van fijnstof PM10 van de beoogde bedrijfsopzet op de gevoelige objecten in de omgeving. Door middel van het invullen van de invoergegevens (brongegevens en gegevens beschermde objecten) wordt berekend wat het jaargemiddelde fijnstofconcentratie (microgram/m³) en het aantal overschrijdingsdagen ter plaatse van de rekenpunten is.

Tabel 10: Rekenresultaten fijnstofberekening PM10

Uit de uitgevoerde berekening voor PM10 volgt dat het jaargemiddelde concentratie fijnstof maximaal 16,65 µg/m3 bedraagt. De beoogde bedrijfsopzet voldoet dus ruimschoots aan de grenswaarde voor het jaargemiddelde concentratie (40 µg/m3 conform Wet Luchtkwaliteit). Tevens volgt dat het aantal overschrijdingsdagen van het 24-uursgemiddelde van 50 µg/m3 6,0 dagen bedraagt, wat eveneens ruimschoots voldoet aan de norm (35 dagen conform Wet Luchtkwaliteit). Voor de volledigheid is in de onderstaande tabel de bronbijdrage, afkomstig van de vleeskalverenhouderij, weergegeven op de omliggende woningen. De totale concentratie PM10 wordt bepaald door de achtergrondconcentratie (GCN) samen met de bronbijdrage van het bedrijf. In tabel 10 is de bronbijdrage van de fijnstofconcentratie op de omliggende woningen weergegeven. Hierin is te zien dat de het bedrijf slechts een geringe bijdrage levert aan de fijnstofconcentratie op de omliggende woningen. Tabel 11 is tevens in bijlage 11 opgenomen.

Ruimtelijke onderbouwing Zwartenbergseweg 17 te Etten-Leur

48

Tabel 11: Bronbijdrage fijnstofberekening PM10

Adres Zwartenbergseweg 23 W Zwartenbergseweg 23 T

Zevenbergseweg 42 W Zevenbergseweg 42 T Zevenbergseweg 42A W Zevenbergseweg 42A T Zevenbergseweg 42B W Zevenbergseweg 42D W Zevenbergseweg 42D T Zevenbergseweg 44 W Zevenbergseweg 44 T Zwartenbergseweg 9 W Zwartenbergseweg 9 T

X Y 104266 402920 104252 402923 103818 402944 103843 402974 103534 403272 103547 403273 103382 403589 103311 403711 103345 403715 103267 403772 103281 403776 103928 403855 103930 403797

Totaal

Bron

GCN

16,59 16,59 16,47 16,48 16,64 16,64 16,64 16,64 16,64 16,64 16,64 16,65 16,65

0,01 0,02 0,01 0,02 0,01 0,01 0,01 0,01 0,01 0,00 0,00 0,02 0,02

16,57 16,57 16,46 16,46 16,63 16,63 16,63 16,63 16,63 16,63 16,63 16,63 16,63

4.10.1.2 Fijnstofemissie afkomstig van de akkerbouwactiviteiten Omdat het rekenprogramma ISL3a geen mogelijkheid biedt om vervoersbewegingen in te voeren, is de met behulp van de rekentool ‘Niet In Betekende Mate’ (NIBM) de bronbijdrage afkomstig van de akkerbouwactiviteiten onderzocht. In artikel 5.16, eerste lid, onder c, van de Wet milieubeheer is opgenomen dat plannen die in niet betekende mate bijdragen aan de luchtkwaliteit niet afzonderlijk getoetst hoeft te worden aan de grenswaarden voor de buitenlucht. Een project is niet in betekende mate als de bijdrage van het project maximaal 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van zwevende deeltjes (PM10) of stikstofdioxide (NO2) is. In de praktijk vertaalt dit naar een jaargemiddelde bijdrage van maximaal 1,2 μg/m3. De vervoersbewegingen afkomstig van het toekomstige akkerbouwactivitetien zijn afgeleid aan de hand van de kerncijfers uit de CROW-publicatie 381. Voor een dergelijk bedrijf is uitgegaan van de categorie ‘Bedrijf arbeidsextensief/bezoekersextensief’ . Gezien de ligging van de locatie is uitgegaan van de verkeerscijfers behorende bij ‘Buitengebied’ in een ‘Weinig stedelijk’ gebied. Hierbij geldt een verkeersintensiteit van 5,7 bewegingen per 100 m 2 bedrijfsvloeroppervlak. Conform de CROW is dit inclusief vrachtverkeer en bezoekers.

In de toekomstige situatie zal het bedrijf beschikken over 810 m2 aan bedrijfsgebouwen voor de akkerbouwactiviteiten. Doordat de bedrijfsoppervlakte 810 m2 zal bedragen, zal het aantal vervoersbewegingen in totaal 46 bewegingen per dag bedragen. Zoals aangegeven is in de CROW met het kerncijfer rekening gehouden met het aandeel vrachtverkeer. Doordat in de NIBM-tool het percentage zwaar vrachtverkeer kan worden aangegeven, is er van uit gegaan dat ongeveer 90% van de in totaal 46 vervoersbewegingen zwaar vrachtverkeer zal zijn. Dit betreft voornamelijk tractoren van en naar de inrichting.

Ruimtelijke onderbouwing Zwartenbergseweg 17 te Etten-Leur

49

Tabel 12: Bronbijdrage akkerbouwactiviteiten

Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit Jaar van planrealisatie

2021

Extra verkeer als gevolg van het plan Extra voertuigbewegingen 46 (weekdaggemiddelde) Aandeel vrachtverkeer 90,0% Maximale bijdrage extra verkeer

NO2 in μg/m3

0,30

PM10 in μg/m3

0,04

Grens voor "Niet In Betekenende Mate" in μg/m3

1,2

Conclusie De bijdrage van het extra verkeer is niet in betekenende mate; geen nader onderzoek nodig Uit de bovenstaande tabel blijkt dat het toekomstige akkerbouwbedrijf ‘Niet in Betekende Mate’ zal bijdragen aan de luchtkwaliteit. 4.10.1.3 Totale fijnstofemissie Voor de volledigheid is in de onderstaande tabel de totale fijnstofconcentratie afkomstig van zowel de vleeskalverenhouderij als de akkerbouwactiviteiten weergegeven. De totale concentratie PM10 wordt bepaald door de achtergrondconcentratie (GCN) samen met de bronbijdrage van het bedrijf. In tabel 13 is de bronbijdrage van de fijnstofconcentratie op de omliggende woningen weergegeven. Hierin is te zien dat de het bedrijf slechts een geringe bijdrage levert aan de fijnstofconcentratie op de omliggende woningen. Tabel 13 is tot stand gekomen door het uitvoerbestand van de ISL3a berekening samen te voegen met de uitkomst van de bronbijdrage afkomstig van de akkerbouwactiviteiten. In bijlage 11 is de uitdraai van dit ISL3a bestand weergegeven. Hierin zijn de akkerbouwactiviteiten niet in meegenomen omdat het programma ISL3a geen emissie afkomstig van vervoersbewegingen kan berekenen.

Ruimtelijke onderbouwing Zwartenbergseweg 17 te Etten-Leur

50

Tabel 13: Bronbijdrage fijnstofberekening PM10

Adres

X

Y

Zwartenbergseweg 23 W

104266 104252 103818 103843 103534 103547 103382 103311 103345 103267 103281 103928 103930

402920 402923 402944 402974 403272 403273 403589 403711 403715 403772 403776 403855 403797

Zwartenbergseweg 23 T

Zevenbergseweg 42 W Zevenbergseweg 42 T Zevenbergseweg 42A W Zevenbergseweg 42A T Zevenbergseweg 42B W Zevenbergseweg 42D W Zevenbergseweg 42D T Zevenbergseweg 44 W Zevenbergseweg 44 T Zwartenbergseweg 9 W Zwartenbergseweg 9 T

Bronbijdrage akkerbouw 0,04 0,04 0,04 0,04 0,04 0,04 0,04 0,04 0,04 0,04 0,04 0,04 0,04

Bronbijdrage vleeskalveren 0,01 0,02 0,01 0,02 0,01 0,01 0,01 0,01 0,01 0,00 0,00 0,02 0,02

GCN

Totaal

16,57 16,57 16,46 16,46 16,63 16,63 16,63 16,63 16,63 16,63 16,63 16,63 16,63

16,62 16,63 16,51 16,52 16,68 16,68 16,68 16,68 16,68 16,67 16,67 16,69 16,69

4.10.2 PM2,5

Vanaf 1 januari 2015 geldt een grenswaarde voor PM2,5 waaraan moet worden voldaan. Deze grenswaarde is opgenomen in bijlage 2 bij de Wet milieubeheer en bedraagt 25 µg/m 3 voor het jaargemiddelde concentratie. In tegenstelling tot PM10 zijn voor PM2,5 geen normen opgenomen met betrekking tot overschrijdingsdagen. Doordat PM2,5 een fractie betreft van PM10, wordt in de praktijk het toegestane aantal overschrijdingsdagen van de etmaalgemiddelde grenswaarde voor PM10 vaak als eerste bereikt. In de praktijk blijkt dan ook dat als aan de grenswaarden voor PM10 wordt voldaan, ook de grenswaarden van PM2,5 wordt nageleefd. In tabel 12 is te zien dat de PM10 concentratie niet hoger is dan 16,69 µg/m3. Doordat dit niet hoger is dan de grenswaarde van 25 µg/m3 voor PM2,5, kan gesteld worden dat ruimschoots kan worden voldaan aan de grenswaarde van PM2,5. Ten aanzien van luchtkwaliteit zijn er daarom geen bezwaren ten aanzien van de beoogde ontwikkeling. 4.11 Geluid De Wet geluidhinder is sinds 1979 het juridisch kader voor het Nederlandse geluidsbeleid. Deze wet zorgt voor de bescherming van geluidsgevoelige bestemmingen tegen geluidhinder van wegverkeerslawaai, spoorweglawaai en industrielawaai. Hierbij wordt o.a. gebruik gemaakt van zonering en geluidsnormen.

De geluidsproductie van een vleeskalverenhouderij is in hoofdzaak afkomstig van transportbewegingen, het laden en lossen, vleeskalverenhouderij en overige motoren binnen de inrichting. In de Wet geluidhinder is bepaald dat voor locaties in het bestemmingsplan waar woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen kunnen worden gerealiseerd, de geluidbelasting wordt onderzocht binnen de zones behorende bij verkeersbewegingen, spoorwegen en industrieterreinen. In deze situatie is geen sprake van een nieuwe geluidgevoelige bestemming, het betreft namelijk de bouw van nieuwe stallen. In de inrichting vinden wel activiteiten plaats die een geluidsuitstraling hebben naar de omgeving. De eventuele geluidbelasting als gevolg van de bedrijfsvoering is laag en de activiteiten vinden veelal inpandig of nabij de stallen plaats. Bovendien is de afstand tot de geluidgevoelige objecten zo groot, namelijk meer dan 400 meter, dat de activiteiten geen overlast zullen veroorzaken. Dit is onderstaand nader toegelicht.

Ruimtelijke onderbouwing Zwartenbergseweg 17 te Etten-Leur

51

4.11.1 Normstelling Voor de te beoordelen activiteiten gelden grenswaarden op geluidsgevoelige bestemmingen. Zoals gebruikelijk bij het beoordelen van geluid van inrichtingen zijn grenswaarden gesteld voor de dagavond en nachtperiode. Deze grenswaarden zijn opgenomen in Artikel 2.17, lid 5a van het Activiteitenbesluit. De grenswaarden zijn als volgt; - Dagperiode van 07.00 uur tot 19.00 uur (45 dB (A)) - Avondperiode van 19.00 uur tot 23.00 uur (40 dB (A)) - Nachtperiode van 23.00 uur tot 07.00 uur (35 dB (A)) Gemotiveerd dient te worden dat, ondanks de grote afstand van ruim 400 meter tot de dichtstbijzijnde geluidsgevoelig object, dient te worden gemotiveerd dat wordt voldaan aan de grenswaarden zoals opgenomen in Artikel 2.17, lid 5a van het Activiteitenbesluit. Middels de onderstaande formule kan het geluidsniveau (dB) van de bron, tot aan het geluidsgevoelig object worden berekend.

Afbeelding 19: formule berekenen bronsterkte op geluidsgevoelige objecten Onderstaand is het ventilatieschema voor de beoogde situatie bijgevoegd. Omdat er meer ventilatoren aanwezig zijn dan benodigd, kan het toerental waarop de ventilatoren draaien worden teruggedraaid. Hierdoor wordt het geluidsniveau richting de omgeving beperkt doordat de ventilatoren minder hard draaien om de benodigde ventilatie te behalen. Tevens is in de nachtperiode de ventilatiebehoefte lager omdat de buitentemperatuur lager is. Ventilatiebehoefte

Stal: Aantal dieren Diersoort 504 Vleeskalveren 1000 Vleeskalveren

dag 100% avond 100% nacht 80%

2 maximale ventilatie Totaal 150 75.600 350 350.000 425.600

aantal ventilatoren code 24 Fancom 0,8m 3480P _ _

Merk Fancom _ _

Type 3480P _ _

Vermogen capaciteit Totaal 2,268 25290 606.960 _ _ _ _ 606.960

Dag * avond * Nacht**

Toerental (afgerond) 425.600 75% 425.600 75% 340.480 60%

* Dit is het maximale toerental dat geldt voor een warme zomerdag (worst-case-scenario). In de avondperiode draaien de ventilatoren ook op hoogste toerental omdat de warmte over deze periode langer in de stal blijft hangen. ** In verband met de afname van de buitentemperatuur wordt het toerental gedurende de nachtperiode geleidelijk naar beneden bijgesteld (afkoelen). Voor een nacht na een warme zomerdag kan rekening worden gehouden met een afname van 20% van de ventilatiebehoefte.

Afbeelding 20: formule berekenen bronsterkte op geluidsgevoelige objecten Uit afbeelding 20 blijkt dat de toegepaste ventilatoren een bronvermogen hebben van 92 dB. Echter draaien de ventilatoren in de dag en avondperiode op 75% van de capaciteit en 60% in de nachtperiode. Vanwege het terugtoeren van de ventilatoren in de dag-, avond-, en nachtperiode tot respectievelijk 75%, 75% en 60% treedt er een reductie op van respectievelijk 6,2 – 6,2 en 11,1 dB (A). Dit is berekend middels de onderstaande formule van Beranek; Tabel 14: Formule toerentalreductie

Ruimtelijke onderbouwing Zwartenbergseweg 17 te Etten-Leur

52

Op basis van de bovenstaande formule geldt in de dag-, avond- en nachtperiode een bronvermogen van respectievelijk 85,8 dB, 85,8 dB en 80,9 dB. De totale bronvermogen afkomstig van het bedrijf bedraagt; - Dagperiode: 24 ventilatoren van 85,8 dB = 85,8+10log24= 99,6 dB - Avondperiode: 24 ventilatoren van 85,8 dB = 85,8+10log24= 99,6 dB - Nachtperiode: 24 ventilatoren van 80,9 dB = 80,9+10log24= 94,7 dB Op 400 meter afstand bedraagt de overdrachtsverzwakking 10log*(4*pi*r2)= 10log(4*3,14*4002)=63 dB.

(conform

afbeelding

1):

Dit betekent dat de geluidsbelasting op een afstand van 400 meter het geluidsniveau als volgt bedraagt; - Dagperiode: 36,6 dB - Avondperiode 36,6 dB - Nachtperiode 31,7 dB Gezien het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat met de beoogde bedrijfsopzet kan worden voldaan aan artikel 2.17, lid 5a van het Activiteitenbesluit. Gezien het bovenstaande wordt een akoestisch onderzoek niet noodzakelijk geacht. 4.12 Verkeer en parkeren Binnen het plangebied dient een adequate afwikkeling van personen- en goederenvervoer verzekerd te zijn, waaronder een goede aansluiting op de aanwezige infrastructuur van weg, water of spoor.

4.12.1 Verkeer

Het initiatief heeft, ten opzichte van de huidige melkveehouderij, een toename van het aantal transportbewegingen met vrachtverkeer tot gevolg. Voer wordt in bulk aangeleverd, loonwerk wordt op een vast aantal momenten in het jaar uitgevoerd, kalveren worden op bepaalde momenten in de week opgehaald en geleverd, iedere dag zijn vervoersbewegingen noodzakelijk om de aanwezige kalveren te voeren en er zijn vervoersbewegingen ten aanzien van de akkerbouwactiviteiten noodzakelijk, wat de voornaamste aan- en afvoerbewegingen zijn. Voor de hoeveelheid vervoersbewegingen die noodzakelijk zijn voor de exploitatie van het bedrijf is aangesloten bij de invoergegevens van de AERIUS-berekening. De berekende hoeveelheid is opgenomen in tabel 15.

Tabel 15: Berekende vervoersbewegingen per jaar

Auto Tractor Vrachtwagen

4807 16060 988

per jaar per jaar per jaar

De locatie is gelegen aan de Zwartenbergseweg. Een verharde weg die voornamelijk wordt gebruikt door agrarisch bestemmingsverkeer en overig bestemmingsverkeer. Van doorgaand rijdend verkeer is geen sprake aangezien de weg geen belangrijke verbindingsroute is. De weg wordt ontsloten door de Strijpenseweg/Zevenbergseweg ten zuiden van de locatie en de Langeweg ten noorden van de locatie. Deze ontsluitingsroutes beschikken over voldoende capaciteit voor de afwikkeling van de beperkte toename in verkeersbewegingen.

4.12.2 Parkeren

CROW, het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte, schrijft in ‘Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie’ kencijfers ten aanzien van parkeren en verkeersgeneratie voor uiteenlopende activiteiten. Er zijn echter geen representatieve cijfers in opgenomen voor agrarisch bedrijven. Eigen machines en werktuigen t.b.v. de akkerbouwactiviteiten kunnen worden gestald in de daarvoor bestemde machine- en Ruimtelijke onderbouwing Zwartenbergseweg 17 te Etten-Leur

53

werktuigenbergingen. Vrachtwagens en tractoren van derden verblijven altijd maar kortstondig op het bedrijf, bijvoorbeeld voor voerlevering, kalveren halen/brengen of loonwerk. Voor dergelijk materieel is ruim voldoende erfverharding aanwezig. Voor het eigen personenvervoer wordt aangesloten bij de vereiste parkeergelegenheid bij een vrijstaande koopwoning, gelegen in niet-stedelijk buitengebied. Hiervoor wordt een minimum van 2 parkeerplaatsen voorgeschreven. Binnen de inrichting zullen 6 parkeerplaatsen worden gerealiseerd waardoor ten alle tijden 6 personenauto’s op bedrijf kunnen parkeren. Maximaal zullen er dagelijks 2 tot 4 bezoekers met personenvervoer naar het bedrijf toe komen. Te denken valt aan de veearts, vertegenwoordigers, adviseurs, privébezoekers etc. Normaliter zullen deze niet gelijktijdig op het bedrijf aanwezig zijn, maar zelfs als dit het geval zou zijn is er ruim voldoende erfverharding aanwezig voor in totaal meer dan 6 personenvervoersmiddelen, eigen vervoersmiddelen en van bezoekers, te parkeren. Hieruit kan worden geconcludeerd dat er ruim voldoende parkeergelegenheid aanwezig is op het bedrijf. Er kan worden geconcludeerd dat er als gevolg van de beoogde ontwikkeling geen belemmeringen zullen ontstaan voor de afwikkeling van personen- en goederenvervoer.

4.13 Externe veiligheid Externe veiligheid heeft betrekking op de risico’s die mensen lopen ten gevolge van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven en transportverbindingen (wegen, spoorwegen, waterwegen en buisleidingen). Externe veiligheid gaat nadrukkelijk niet over de veiligheid van de mensen die werkzaam zijn binnen het bedrijf of binnen een risicogebied van een transportroute.

4.13.1 Regelgeving

De regelgeving rondom externe veiligheid is opgenomen in diverse besluiten en regelingen. Besluiten en regelingen, waarin de aanvaardbare risico’s zijn vastgelegd, zijn: - Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) - Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) - Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) De normen in de besluiten zijn vastgelegd in de vorm van grenswaarden en richtwaarden. De grenswaarden geven de milieukwaliteit aan die op een bepaald tijdstip ten minste moet zijn bereikt, en die, waar zij aanwezig is, ten minste in stand moet worden gehouden. De richtwaarden geven de kwaliteit aan die op een bepaald tijdstip zoveel mogelijk moet zijn bereikt en die, waar zij aanwezig is, zoveel mogelijk in stand moet worden gehouden. De externe veiligheidsrisico’s worden uitgedrukt in het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR) binnen het invloedsgebied. In onderstaand kader worden deze risico’s nader uitgelegd. Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico geeft inzicht in de theoretische kans op overlijden van een individu op een bepaalde horizontale afstand van een risicovolle activiteit. Het plaatsgebonden risico wordt bepaald door te stellen dat een (fictief) persoon zich 24 uur per dag gedurende een heel jaar onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt.

De plaatsgebonden risicocontour is een contour waarbij alle punten met een gelijk risico met elkaar verbonden worden. Deze punten worden bepaald door de kans van optreden van diverse ongeval scenario’s. De grenswaarde voor het plaatsgebonden risico is 10 -6 per jaar en geldt voor nieuwe situaties. Hierbinnen mogen geen kwetsbare objecten worden toegevoegd en ook nieuwe beperkt kwetsbare objecten, zijn in beginsel niet toegestaan. Als het plaatsgebonden risico 10 -8 per jaar is, wordt het als verwaarloosbaar beschouwd. Groepsrisico (GR) Het groepsrisico wordt behalve de ongevalfrequentie en het aantal transporten van gevaarlijke stoffen, tevens bepaald door de hoeveelheid aanwezige mensen in de nabijheid van een mogelijk ongeval. Met het groepsrisico wordt aangegeven hoe groot het aantal dodelijke slachtoffers bij een ongeval kan zijn op basis van de hoeveelheid aanwezige mensen. Naarmate de groep slachtoffers groter wordt, moet de kans op een dergelijk ongeval (kwadratisch) kleiner zijn. Bij het bepalen van het groepsrisico wordt getoetst aan de oriëntatiewaarde, hiervoor zijn geen vaste contouren beschikbaar.

Ruimtelijke onderbouwing Zwartenbergseweg 17 te Etten-Leur

54

Invloedsgebied Gebied aan weerszijden van een weg, spoorweg of binnenwater waar ten hoogste 1% van de in dat gebied aanwezige personen kan overlijden als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval op die weg, spoorweg of binnenwater waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Voor wat betreft risicobedrijven is het invloedsgebied het gebied, dat in het Reglement externe veiligheid inrichtingen is bepaald, waarin personen worden meegeteld voor de berekening van het groepsrisico.

4.13.2 Toetsing aan beleid

Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan normen vermeld in bovengenoemde regelgeving. Een ontwikkeling is niet toegestaan indien deze leidt tot een overschrijding van de grenswaarden. Van de richtwaarden kan gemotiveerd worden afgeweken.

Afbeelding 21: Uitsnede risicokaart locatie met zwarte cirkel weergegeven. Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) Gezien de aard van de voorgenomen activiteiten, exploitatie van een vleeskalverenhouderij op de planlocatie is het Bevi niet van toepassing. De werkzaamheden omvatten niet het gebruik, opslag of vervoer van gevaarlijke stoffen. Uit de risicokaart blijkt dat er geen risicovolle inrichtingen en kwetsbare objecten aanwezig zijn op of nabij het plangebied. Er ontstaan daardoor geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkelingen op het plangebied. Het plan voorziet wel in de realisatie van nieuwe beperkt kwetsbare objecten. Aangezien het plangebied niet binnen een risicoaanduiding of binnen veiligheidsafstanden ligt zijn geen risico’s aanwezig voor de voorgenomen ontwikkelingen. Daarom kan worden geconcludeerd dat er voor dit plan geen belemmeringen zijn vanuit het oogpunt van externe veiligheid. Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) De ontwikkeling ligt buiten de invloedsfeer van zowel het spoortraject als de [Rijks]weg. Daarom is verdere beoordeling aan het Bevt niet van toepassing. Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) In het vigerende bestemmingsplan ‘Buitengebied’ is in de nabijheid geen dubbelbestemming ‘Leiding – […]’ opgenomen.

De voorgenomen ontwikkelingen liggen buiten deze dubbelbestemming en de voorgenomen ontwikkelingen hebben geen invloed op het bepaalde in de bijbehorende regels. Tevens is, zoals te zien is in afbeelding 20, geen buisleiding in de nabijheid van de planlocatie gelegen. De ontwikkeling ligt buiten de invloedsfeer van de in het Bevb opgenomen buisleidingen. Daarom is verdere beoordeling aan het Bevb niet van toepassing. Ruimtelijke onderbouwing Zwartenbergseweg 17 te Etten-Leur

55

Conclusie

Gezien het bovenstaande, waarin getoetst is aan het beleid omtrent externe veiligheid, zijn geen belemmeringen te verwachten. 4.14 Technische infrastructuur In of nabij het plangebied liggen geen planologisch relevante buisleidingen en lopen tevens geen relevante straalpaden (zoals te zien op de risicokaart in afbeelding 20). Voordat er gebouwd wordt zal er een KLIC-melding gemaakt worden om relevante kabels en leidingen van het plangebied in beeld te brengen. 4.15

Volksgezondheid

4.15.1 Tekstuele toelichting

Gezondheidsrisico’s zijn een optelsom van blootstelling, gevaar en impact. Bij blootstelling wordt er gekeken hoeveel ziekteverwerkers een persoon binnen moet krijgen om geïnfecteerd te raken of ziek te worden. Gevaren zijn er in diverse vormen, zoals biologisch (bijv. ziekteverwekkende bacteriën), chemisch (bijv. diergeneesmiddelen of bestrijdingsmiddelen) of fysisch (zoals elektriciteit of ter plaatse gewond raken). Impact staat voor de grootte van het effect dat veroorzaakt wordt. Iedere veehouderij moet voldoen aan diverse wet- en regelgeving voor diverse milieuaspecten, zoals ammoniakuitstoot, geur, fijnstof, aanwezigheid en gebruik van gevaarlijke stoffen, aan- en afvoer van meststoffen, geluid, brandveiligheid, etc. Indien een veehouderij niet voldoet, zal een vergunning dus niet verleend worden. Er mag vanuit worden gegaan dat de grenswaarden die in de wet zijn opgenomen de volksgezondheid in voldoende mate beschermen. Bij naleving van de milieuwetgeving, het volledig benutten van de technische mogelijkheden en het management van de hygiënebarrière worden de volksgezondheidsrisico’s bij het initiatief tot een minimum beperkt. Er zijn al diverse onderzoeken uitgevoerd naar de mogelijke relatie tussen (intensieve) veehouderij en volksgezondheid. Het laatste onderzoek dateert van juli 2016 en is ingegaan op de effecten van de intensieve veehouderij op de omgeving.

Voor vleeskalverenhouderijen zijn de effecten op de volksgezondheid naar de omgeving zeer beperkt vanwege de beperkte emissies van met name fijnstof. Wanneer er meerdere diercategorieën op een bedrijf worden gehouden, is er ook sprake van een verhoogd risico voor de volksgezondheid. Vooralsnog wordt er bij kalverhouderijen daarom getoetst aan de wettelijke grenswaarden voor diverse stoffen, zoals geur en fijnstof. Daar deze grenswaarden nationaal zijn vastgesteld en de beoogde bedrijfsopzet hieraan voldoet, mag er vanuit worden gegaan dat deze waarden de volksgezondheid afdoende beschermen. Tevens bevinden zich in een straal van 400 meter van het beoogde bedrijf geen woningen waardoor er geen extra gezondheidsrisico’s te verwachten zijn voor de omgeving.

4.15.2 Stappenplan

In het onderstaande stappenplan wordt verder onderbouwd op welke wijze in de plannen en de bedrijfsvoering van de ondernemer rekening wordt gehouden met de volksgezondheid. Dit is gebaseerd op het Aanvullend Toetsingsinstrument uit de Handreiking veehouderij en volksgezondheid d.d. 3 maart 2016, die is opgesteld in opdracht van het Bestuurlijk Platform Omgevingsrecht (BPO). Deze handreiking is tot stand gekomen met medewerking van diverse bestuurlijke organisaties (Provincie, omgevingsdiensten en gemeentes) en de GGD. Op basis van dit stappenplan kan worden vastgesteld of een aanvraag voor advisering aan de GGD moet worden voorgelegd. Onderstaand wordt dit stappenplan doorlopen. In het stappenplan zijn de volgende 8 aspecten verwerkt: 1. De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv); 2. De Wet milieubeheer, titel 5.2 luchtkwaliteitseisen (fijn stof); Ruimtelijke onderbouwing Zwartenbergseweg 17 te Etten-Leur

56

3. De Verordening ruimte Noord-Brabant (nu Interim omgevingsverordening NoordBrabant; 4. Afstandsadvies GGD Nederland; 5. De wijze waarop met overbelasting geur wordt omgegaan; 6. De aanwezige diersoort(en) binnen een veehouderij; 7. De aanwezigheid van mestbewerking en verwerking; 8. Ongerustheid bij omwonenden. De afwegingsaspecten worden voor deze aanvraag hierna nader toegelicht: 1. Voldoet de ontwikkeling aan de Wgv en de gemeentelijke geurverordening? Uit paragraaf 4.9 volgt dat wordt voldaan aan de Wet geurhinder en veehouderij en gemeentelijke geurverordening. De berekende geurbelasting is het hoogst op de woning aan de Zevenbergseweg 42, de geurbelasting bedraagt hier 1,5 OUE/m³. De geurhinder op de kom bedraagt 0,1 OUE/m³. 2. Voldoet de ontwikkeling aan de Wet milieubeheer, titel 5.2 luchtkwaliteitseisen (fijn stof)? Voor fijn stof (PM10) geldt een norm van 40 µg/m³ (jaargemiddelde concentratie) en maximaal 35 overschrijdingsdagen met een belasting van 50 µg/m³. De berekende fijnstofconcentratie bedraagt maximaal 16,96 µg/m³. Daarnaast blijkt uit paragraaf 4.10.1.3. dat de hoogste bronbijdrage afkomstig uit het bedrijf, slechts 0,06 µg/m³ bedraagt. 3. Voldoet de ontwikkeling aan de vereisten uit de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant

op het gebied van geur en fijnstof?

In de Iov zijn normen opgenomen voor de kans op cumulatieve geurhinder (maximaal 12% voor de bebouwde kom en 20% voor het buitengebied), tenzij er, indien blijkt dat de achtergrondbelasting hoger is dan voornoemde percentages, maatregelen worden getroffen door de veehouderij die tot een daling leiden van de achtergrondbelasting, die ten minste de eigen bijdrage aan de overschrijding van de achtergrondbelasting compenseert, en een maximale fijnstofconcentratie (31,2 µg/m³). Indien niet aan deze normen wordt voldaan, is een advies van de GGD nodig. In paragraaf 4.9.3 is getoetst aan het woon- en leefklimaat in de beoogde situatie. Hieruit blijkt dat het percentage geurgehinderden in de omgeving maximaal 8% bedraagt. Dit komt overeen met milieukwaliteit ‘goed’. In het kader van fijnstof is aangetoond dat de bronbijdrage afkomstig van het bedrijf zeer minimaal is, namelijk maximaal 0,06 µg/m³ bedraagt. Geconcludeerd kan worden dat kan worden voldaan aan bovenstaande vereisten uit de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant op het gebied van geur en fijn stof. 4. Aanvullend op de wettelijke luchtkwaliteitseisen wordt bij een significante toename van de

bijdrage van het bedrijf aan de PM10-concentratie (>1,2 µg/m³) een GGD-advies noodzakelijk geacht.

De maximale bronbijdrage van het bedrijf in de beoogde situatie bedraagt 0,06 µg/m³. Dit is afkomstig van zowel de vleeskalverenhouderij als de akkerbouwactiviteiten. Omdat dit lager is dan 1,2 µg/m³, is een GGD-advies niet noodzakelijk. 5. Voldoet de ontwikkeling aan de minimale afstand van 250 meter tussen een veehouderij en

de bebouwde kom of specifieke gevoelige bestemming (scholen, kinderdagverblijven, etc.)?

De bebouwde kom van Etten-Leur ligt op 2,4 kilometer afstand. Binnen een afstand van 400 meter liggen geen specifiek gevoelige bestemmingen. 6. Worden binnen de veehouderij geiten gehouden, of een combinatie van varkens en pluimvee,

of is de afstand tussen een varkens- en pluimveebedrijf in de omgeving minder dan 100 meter? Er worden op het bedrijf enkel vleeskalveren gehouden. Binnen een straal van 100 meter zijn geen varkens- en pluimveebedrijven gelegen.

Ruimtelijke onderbouwing Zwartenbergseweg 17 te Etten-Leur

57

7. Wordt er op het bedrijf mest bewerkt? Er vindt op het bedrijf geen mestbewerking plaats. 8. Is bij omwonenden sprake van veel ongerustheid over de volksgezondheid? Indien er veel ongerustheid bestaat over de volksgezondheid moet een GGD-advies gevraagd worden. Het is aan het bevoegd gezag om te beoordelen of sprake is van een dusdanige ongerustheid dat advisering vanuit de GGD noodzakelijk is. Er heeft een omgevingsdialoog plaatsgevonden met de omwonenden. Tijdens deze dialoog heeft geen enkele buurtbewoner aangegeven bezwaar te hebben tegen de voorgenomen plannen. Het verslag hiervan is weergegeven in bijlage 13. Het doorlopen van het stappenplan met bovenstaande antwoorden leidt tot de conclusie dat advisering vanuit de GGD niet noodzakelijk is.

Ruimtelijke onderbouwing Zwartenbergseweg 17 te Etten-Leur

58

5. Planologische afweging Deze ruimtelijke onderbouwing betreft de planologische verantwoording voor de voorgenomen omschakeling en uitbreiding van de veehouderij aan de Zwartenbergseweg 17. De ontwikkeling heeft betrekking op het exploiteren van een vleeskalverenhouderij in combinatie met akkerbouwactiviteiten waarbij meerdere nieuwe bedrijfsgebouwen worden opgericht. In de beoogde situatie worden 1.504 vleeskalveren gehouden. Voor het huisvesten van deze vleeskalveren zal in totaal 5.000 m2 aan bedrijfsgebouwen in gebruik zijn. Daarnaast zal er nog 810 m2 aan bedrijfsgebouwen aanwezig zijn ten behoeve van de akkerbouwactiviteiten en ter ondersteuning van de intensieve veehouderij. De ontwikkeling is niet rechtstreeks toegestaan volgens het geldende bestemmingsplan. Door het afwijken van het bestemmingsplan is het exploiteren van een kalverenhouderij met daarbij voorzieningen buiten het vigerende bouwvlak toch mogelijk (art. 2.12, lid1, sub a, onder 3 Wabo). Door middel van deze ruimtelijke onderbouwing is aangetoond dat met het initiatief geen nadelige gevolgen ontstaan voor milieu, mens en leefomgeving. Het initiatief is getoetst aan alle relevante beleidskaders op rijks-, provinciaal en gemeentelijk niveau. Het beleid op geen van deze niveaus vormt een belemmering voor het initiatief.

In deze is getoetst aan de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant en de gemeentelijke structuurvisie. Tevens is het initiatief getoetst aan alle relevante milieu-hygiënische en planologische aspecten. Hieruit is gebleken dat met het initiatief geen nadelige effecten ontstaan voor de omgeving. De onderzoeken naar geluid, bodem, geur, ammoniak en luchtkwaliteit tonen aan dat het initiatief milieu-hygiënisch aanvaardbaar is. Door de onderzoeken van natuur, archeologie, externe veiligheid en de waterparagraaf wordt aangetoond dat het initiatief planologisch aanvaardbaar is. Daarnaast wordt geïnvesteerd in de kwaliteitsverbetering van het landschap door het aanbrengen van landschappelijke inpassing. Tot slot heeft vooroverleg plaats gevonden met de daarvoor aangewezen instanties zoals het waterschap Brabantse Delta en de Provincie Noord-Brabant. Uit het vooroverleg dat heeft plaatsgevonden met het waterschap blijkt dat er een positief advies wordt gegeven. Wel wordt in het advies terecht opgemerkt dat het plan niet binnendijks, maar buitendijks is gelegen. Dit is aangepast. Uit de reactie van de provincie Noord-Brabant blijkt dat inhoudelijk kan worden ingestemd met de beoogde ontwikkeling. Echter wordt aangegeven dat de BZV niet is beoordeeld omdat de conceptberekening ontbrak.

Verder geeft de provincie aan in te stemmen met de kwaliteitsverbetering van het landschap en dat er voldaan wordt aan de vereiste dat een intensieve veehouderij elders wordt gesaneerd. Samenvattend kan worden geconcludeerd dat het initiatief een verantwoord initiatief betreft. Daarom kunnen de voorgenomen ontwikkelingen op de projectlocatie aan de Zwartenbergseweg 17 te Etten-Leur doorgang vinden.

Ruimtelijke onderbouwing Zwartenbergseweg 17 te Etten-Leur

59

6. Bijlagen Bijlage 1: Situatietekening Bijlage 2: Situatietekening vergund/beoogd bouwperceel Bijlage 3: Detailbladtekening Bijlage 4: Toelichting BZV Bijlage 5: Berekening kwaliteitsverbetering inclusief landschappelijk inpassingsplan Bijlage 6: AERIUS-Verschilberekening Bijlage 7: Invoergegevens AERIUS-berekening Bijlage 8 AERIUS-berekening aanlegfase Bijlage 9: Voorgrondgeurberekening inclusief invoergegevens Bijlage 10: Achtergrondgeurberekening inclusief invoergegevens Bijlage 11: Fijnstofberekening PM10 Bijlage 12: Dimensioneringsplannen Bijlage 13: Dialoog Bijlage 14: Testrapport houtkachel Bijlage 15: Quickscan Flora-Fauna Bijlage 16: Toelichting benodigde voeropslag Bijlage 17: Mer-besluit Bijlage 18: Advies Adviescommissie Agrarische Bouwaanvragen Bijlage 19: Wateradvies Brabantse Delta Bijlage 20: Vooroverlegreactie provincie Noord-Brabant

Ruimtelijke onderbouwing Zwartenbergseweg 17 te Etten-Leur

60

Ruimtelijke onderbouwing Zwartenbergseweg 17 te Etten-Leur

61

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=EttenLeur&id=b0dc1b9b-855d-42a1-9798-d9c2370a43fe