CConstaterende datEtten-Leur
Koppel je AI →
Document · PDF

Bestemmingsplan 'Zwarthoofd5, uitbreiding DC Lidl'

Raad debatteert 17 juni 2024, gemeente Etten-LeurBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan 'Zwarthoofd 5, uitbreiding DC Lidl'31.258 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Beleidsvisie externe veiligheid

Toetsingskader De 'Beleidsvisie externe veiligheid' is op 15 december 2008 door de gemeenteraad vastgesteld. Deze visie bevat voor verschillende gebiedstypen de ambities en keuzes met betrekking tot het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Bij de opstelling van bestemmingsplannen wordt rekening gehouden met deze ambities en uitgangspunten. Beoordeling Op basis van de overzichtskaart bij de beleidsvisie valt het plangebied onder de gebiedstypen ‘Bedrijventerrein’, ‘Buitengebied’ en ‘Transportas’. Algemeen uitgangspunt is dat bij een ontwikkeling geen overschrijding van de grenswaarde van het plaatsgebonden risico mag plaatsvinden. Een overschrijding van de richtwaarde is in sommige gevallen acceptabel. Een toename van het groepsrisico is bij een ontwikkeling in beginsel acceptabel mits er een verantwoording van het groepsrisico plaatsvindt. De vestiging van een nieuwe Bevi-inrichting met een invloedsgebied over het stedelijk gebied is niet toegestaan evenals het toestaan van nieuwe kwetsbare objecten voor minder zelfredzame personen. Het aspect externe veiligheid is nader verantwoord in paragraaf 4.10.

Uitsnede overzichtskaart Beleidsvisie externe veiligheid, met het plangebied aangeduid door middel van een gele ster.

Conclusie Het planvoornemen is niet in strijd met het bepaalde in de Beleidsvisie externe veiligheid.

datum referentie

13 mei 2024 205583_AdB_RAP_0001_v10.0

P 54/101

3.4.4

Beschermde bomenlijst 2014

Toetsingskader Op de beschermde bomenlijst staan waardevolle houtopstanden en losse bomen binnen Etten-Leur. De beschermde bomenlijst beoogd waardevolle houtopstanden te beschermen door een herplantplicht in te stellen.

Uitsnede kaart met beschermde bomen, met het plangebied rood omkaderd.

Beoordeling en conclusie. Binnen het plangebied zijn geen bomen of andere elementen aanwezig die op de beschermde bomenlijst staan aangegeven. De beschermde bomenlijst is derhalve niet van toepassing op onderhavig planvoornemen. 3.4.5

Groenbeleidsnota

Toetsingskader Op 3 december 2013 heeft de gemeenteraad de Groenbeleidsnota 2013-2018 vastgesteld. De Groenbeleidsnota heeft als doelstellingen het beschermen en versterken van het openbaar groen in bestaand stedelijk gebied evenals het versterken van de samenhang van het groen met oog voor landschappelijke, ecologische, stedenbouwkundige en cultuurhistorische patronen. De nota dient als integraal beleidskader voor de stedelijke groenstructuur van de gemeente Etten-Leur, inclusief de randen tussen stedelijk gebied en buitengebied. De nota is in samenhang met andere beleidsterreinen een van de toetsingskaders voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Het groene karakter van Etten-Leur wordt behouden door de verankering van verschillende thema’s samen met de ondergrens van de openbare groennorm van circa 80 m² per woning bij nieuwbouwplannen. Beoordeling Met het planvoornemen wordt niet voorzien in nieuwbouw van woningen. Evenmin wordt voorzien in nieuwe openbare ruimte, een nieuwe wegenstructuur die ‘groen’ kan worden begeleid of nieuwe recreatieve fiets- en wandelroutes. Vele van de specifieke uitgangspunten die op basis van de groenbeleidsnota gelden voor nieuwe

datum referentie

13 mei 2024 205583_AdB_RAP_0001_v10.0

P 55/101

stedelijke ontwikkelingen zijn daarom niet van toepassing. Wel geldt het algemene uitgangspunt dat met de voorgenomen ontwikkeling het eigen karakter van het plangebied, zijnde een groene zone met daarbinnen de Kibbelvaart, behouden blijft en door middel van aanleg van een ecologische verbindingszone hieromheen juist wordt versterkt. Hiermee wordt eveneens een zachtere overgang van het stedelijk gebied naar het landelijke gebied bewerkstelligd. Het planvoornemen is daarmee in zoverre in lijn met de doelstellingen uit de Groenbeleidsnota. Conclusie Het planvoornemen sluit aan bij de doelstellingen uit de Groenbeleidsnota.

datum referentie

13 mei 2024 205583_AdB_RAP_0001_v10.0

P 56/101

4

Planologisch relevante (milieu)aspecten

4.1

Inleiding

Toetsing juncto art. 3.1.6 Bro Met betrekking tot een (ontwerp-)bestemmingsplan staat in artikel 3.2 van de Algemene wet bestuursrecht vermeld: 'bij de voorbereiding van een besluit vergaart het bestuursorgaan de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen'. Artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening bepaalt dat rekening moet worden gehouden met de uitkomsten van het met toepassing van artikel 3.2 van de Algemene wet bestuursrecht verrichte onderzoek. Daarnaast moet ook worden getoetst aan het Besluit m.e.r.. Ten behoeve van het onderhavige plan heeft onderzoek plaatsgevonden naar een aantal uitvoeringsaspecten. Hieronder wordt verslag gedaan van de uitkomsten van het gepleegde onderzoek. De onderzoeksrapporten zijn als bijlagen gevoegd bij dit bestemmingsplan. Achtereenvolgens worden behandeld: • bodem; • waterhuishouding; • cultuurhistorie; • archeologie; • ecologie; • akoestiek; • bedrijven en milieuzonering; • geurhinder & veehouderij; • spuitzones; • externe veiligheid; • kabels en leidingen; • luchtkwaliteit; • milieueffectrapportage en vormvrije m.e.r.-beoordeling. 4.2

Bodem

Toetsingskader Op basis van art. 3.1.6, lid 1 onder f Bro geldt dat in een toelichting op een ruimtelijk besluit de inzichten over de uitvoerbaarheid van dat besluit worden neergelegd. Ten aanzien van het aspect bodemkwaliteit staat, op basis van vaste jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State (ABRvS), voorop dat de vaststelling van de aanwezigheid van verontreinigingen in de bodem, de noodzaak van sanering van verontreinigde locaties en de wijze waarop deze saneringen moeten worden uitgevoerd, zijn geregeld in afzonderlijke wetgeving met eigen procedures. Dat doet er niet aan af dat het bevoegd gezag het ruimtelijk besluit pas kan nemen indien, voor zover redelijkerwijs valt in te zien, een eventuele bodemverontreiniging niet aan de uitvoerbaarheid in de weg staat (22 december 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BO8297, r.o. 2.18.4; 27 juni 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW9569, r.o. 2.10.3). Daarbij geldt als uitgangspunt dat de bodem in principe geschikt dient te zijn voor de beoogde functie. De bodemkwaliteit mag geen onaanvaardbaar risico vormen voor de gebruikers van de bodem. Beoordeling Door Ortageo is in juni 2020 een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Rapportage daarvan is als bijlage 3 gevoegd bij deze toelichting. Het doel van het onderzoek is door het bepalen van de actuele bodemkwaliteit vast

datum referentie

13 mei 2024 205583_AdB_RAP_0001_v10.0

P 57/101

te stellen of er door een eventuele bodemverontreiniging consequenties zijn voor het beoogde gebruik. Op basis van het uitgevoerde onderzoek blijkt het volgende: • In de bovengrond zijn geen verontreinigende stoffen aangetoond. Deze grond is indicatief getoetst aan het besluit bodemkwaliteit van klasse achtergrondwaarde met toepassingsbeperkingen vanwege de aanwezigheid van PFAS. • In de ondergrond zijn geen verontreinigende stoffen aangetoond. Deze grond is indicatief geclassificeerd als “altijd toepasbaar”. • Het grondwater is van nature licht tot plaatselijk matig verontreinigd met zink en diffuus verontreinigd met naftaleen. Hoewel voor zink de tussenwaarde in het grondwater wordt overschreden, wordt gezien het ontbreken van een bekende antropogene bron of oorzaak verwacht dat sprake is van een natuurlijke oorzaak. Nader onderzoek wordt daarom niet noodzakelijk geacht. De aangetoonde milieuhygiënische bodemkwaliteit levert geen belemmeringen op voor de beoogde functie. Als grond van de locatie vrijkomt, moet er rekening mee worden gehouden dat deze niet zonder meer elders toepasbaar is. Op hergebruik van grond is het Besluit bodemkwaliteit van toepassing. De toepassing van grond elders moet worden gemeld via het ‘meldpunt bodemkwaliteit’. Conclusie Op basis van een verkennend bodemonderzoek kan worden gesteld dat de bodem geschikt is voor de beoogde functie.

Nader bodemonderzoek blijkt niet noodzakelijk. 4.3

Waterhuishouding

Toetsingskader In ruimtelijke plannen dient aandacht besteed te worden aan waterhuishoudkundige aspecten. Daarbij staan naast een duurzaam waterbeheer de integrale afweging en het creëren van maatwerk voorop. Water moet altijd bekeken worden in het licht van het watersysteem of stroomgebied waarin een stad of een dorp ligt. Een goede afstemming van waterbeleid en ruimtelijke ordening, ook in het direct aangrenzende gebied, is daarom noodzakelijk. De integratie van water in ruimtelijke plannen vindt plaats via de zogenaamde watertoets. Concreet betekent de watertoets, dat een plan een zogenaamde waterparagraaf dient te bevatten, die keuzes ten aanzien van de waterhuishoudkundige aspecten gemotiveerd beschrijft. Daarin dient een wateradvies van de waterbeheerder te worden meegenomen. De watertoets is wettelijk verankerd in artikel 3.1.6 lid 1, sub b Bro. Beleid provincie Noord-Brabant Vigerend is het Regionaal Water en Bodem Programma (RWP) 2022 – 2027 van 22 december 2021. Het programma heeft als doel: een klimaat adaptief Brabant met veilig, schoon en voldoende water en een vitale bodem. RWP geeft invulling aan het op orde houden van de basis van het natuurlijk water- en bodemsysteem en is mede gebaseerd op wettelijke regels en beleid.

Dit is onder andere vastgelegd in de wettelijk omschreven rollen en taken in het waterbeleid in Nederland, dat uitgaat van de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW). Het RWP is een verplicht programma onder de Omgevingswet. Samen met het middels de Visie Klimaatadaptatie door Provinciale Staten vastgestelde beleidskader voor klimaatadaptatie (incl. vitale bodem) en verdrogingsbestrijding vormt zij het kader voor de uitvoering van de wettelijke taken en de doelen uit de Brabantse Omgevingsvisie. Beleid waterschap Brabantse Delta Waterschap Brabantse Delta toetst een ruimtelijk plan op 8 onderwerpen de ‘uitgangspunten watertoets’: 1. Voorkomen van vervuiling. 2. Wateroverlast vrij bestemmen. 3. Hydrologisch Neutraal Ontwikkelen (HNO). 4. Vuil water en hemelwater scheiden.

datum referentie

13 mei 2024 205583_AdB_RAP_0001_v10.0

P 58/101

5. 6. 7. 8.

Hergebruik > infiltratie > buffering > afvoer. Waterschapsbelangen. Meervoudig ruimtegebruik. Water als kans.

In de keur van het waterschap is opgenomen dat het in beginsel verboden is om zonder vergunning neerslag door toename van het verhard oppervlak of door afkoppelen van het bestaand oppervlak, tot afvoer naar een oppervlaktewaterlichaam te laten komen (Artikel 3.6 ‘Verbod afvoer door verhard oppervlak’). De waterschappen Aa en Maas, Brabantse Delta en De Dommel hebben in de Noord- Brabantse Waterschapsbond (NBWB) besloten om de keuren te uniformeren en tegelijkertijd te dereguleren. Hierbij is aangehaakt bij het landelijke uniformeringsproces van de Unie van Waterschappen. Er is conform het nieuwe landelijke model een sterk gedereguleerde keur opgesteld, met bijbehorende algemene regels en beleidsregels. Deze zijn voor de drie waterschappen gelijkluidend. De waterschappen hebben bij de Keurregels enkele hydrologische uitgangspunten opgesteld voor het afvoeren van hemelwater. Het verbod uit artikel 3.6 van de keur is van toepassing tenzij: a. het afkoppelen van verhard oppervlak maximaal 10.000 m² is, of; b. de toename van verhard oppervlak maximaal 500 m² is, of; c. de toename van verhard oppervlak bestaat uit een groen dak; d.

de toename van verhard oppervlak tussen 500 m² en 10.000 m² is en compenserende maatregelen zijn getroffen om versnelde afvoer van hemelwater tegen te gaan, in de vorm van een voorziening met een minimale retentiecapaciteit conform de rekenregel: Benodigde retentiecapaciteit (in m³) = toename verhard oppervlak (in m²) x gevoeligheidsfactor x 0,06 Daarbij dient de voorziening te voldoen aan de volgende voorschriften: a. de bodem van de voorziening dient boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) te liggen; b. de afvoer uit de voorziening vindt via een functionele bodempassage naar het grondwater en/of via een functionele afvoerconstructie naar het oppervlaktewater plaats. Indien een afvoerconstructie wordt toegepast, dient deze een diameter van 4 cm te hebben; c. daarnaast moet er altijd een overloopconstructie zijn, om uitspoeling naar de sloot te voorkomen. Voor het overige zijn er in de keur diverse regels opgenomen om gebieden met een specifieke functie te beschermen, zoals de attentiegebieden en invloedsgebieden Natura 2000. Er geldt een specifiek beschermingsregime, afhankelijk van het type gebied en de ligging in of nabij een beschermd gebied.

datum referentie

13 mei 2024 205583_AdB_RAP_0001_v10.0

P 59/101

Uitsnede keurkaart Brabantse Delta. Het plangebied is aangeduid met een rode contour.

Gemeentelijk beleid Op 4 februari 2019 heeft de gemeenteraad het Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan (VGRP) 2019-2023 vastgesteld. In dit nieuwe plan zijn het rioolbeleid en de maatregelen voor de komende planperiode vastgelegd en is tevens de financiële dekking geregeld voor nog te verrichten investeringen. Met dit rioleringsplan voldoet de gemeente aan haar wettelijke verplichting en geeft de gemeente invulling aan haar zorgplichten voor inzameling en transport van stedelijk afvalwater, inzameling en verwerking van hemelwater en de zorgplicht voor grondwater. De gemeente heeft in de afgelopen jaren flink geïnvesteerd in het rioolstelsel en dit is grotendeels technisch op orde. De komende jaren zal weer een deel van de riolering worden vervangen. Er wordt op een aantal locaties hemelwater afgekoppeld van het vuilwater en er vindt renovatie plaats van gemalen. Daarnaast wordt er in samenwerking met het waterschap Brabantse Delta en andere gemeenten verder gewerkt aan een netwerk voor het meten en monitoren van grondwater. Tot slot is er budget gereserveerd voor klimaatadaptatie. De gemeente Etten-Leur conformeert zich aan de 60 mm compensatie-eis van het waterschap bij een toename van het verhard oppervlak met 500 m² of meer. Beoordeling De Keur kent diverse verbodsbepalingen voor handelingen in het watersysteem.

Deze handelingen mogen enkel worden verricht indien een waterwetvergunning is verleend, of indien wordt voldaan aan algemene regels. Uit de kaarten behorende bij de Keur waterschap Brabantse Delta volgt dat de locatie gelegen is binnen een beschermd gebied. De beschermde gebieden waterhuishouding zijn overgenomen uit de Verordening water van de provincie Noord-Brabant. De ligging van een beschermd gebied binnen het plangebied houdt verband met de aanwijzing van de Kibbelvaart als NNB. In een beschermd gebied kunnen hogere eisen gelden om verdroging te voorkomen. Het planvoornemen gaat uit van behoud (na verlegging) van de Kibbelvaart, waardoor de aanduiding van beschermd gebied geen beperkingen stelt aan de nieuwbouwplannen. Het plangebied is in de huidige situatie vrijwel volledig onverhard. Ten opzichte van de huidige situatie zal vanwege de ontwikkeling het verhard oppervlak toenemen. De huidige bedrijfsbestemming beslaat een oppervlakte van circa 78.851 m2. In de beoogde situatie bedraagt de oppervlakte van de bedrijfsbestemming circa 102.232 m2. In

datum referentie

13 mei 2024 205583_AdB_RAP_0001_v10.0

P 60/101

de situatie dat het volledige bedrijfsperceel verhard wordt, bedraagt de verhardingstoename derhalve circa (102.232 m2 - 78.851 m2) = 23.381 m2. Binnen de uitbreidingslocatie stroomt een Categorie A-waterloop. Dit betreft de Kibbelvaart.

Uitsnede leggerkaart Brabantse Delta.

De Kibbelvaart zal worden verlegd binnen het plangebied. De waterdoorvoerende functie blijft daarmee behouden waardoor demping van de watergang niet van invloed is op het waterbergend vermogen binnen het plangebied. Onderstaand ontwerp (tekeningnummer 089-20-SIT-VO2 dd 04-08-2022, samen met een PvE versie 1.3) is afgestemd met het Waterschap Brabantse Delta. In dit ontwerp is het nieuwe profiel van de verlegde Kibbelvaart overeengekomen.

datum referentie

13 mei 2024 205583_AdB_RAP_0001_v10.0

P 61/101

Tekening 089-20SIT-V02 d.d. 04-08-2022

Bij nieuwbouw is de initiatiefnemer verantwoordelijk voor het gescheiden verwerken van hemelwater en het hydrologisch neutraal houden van de effecten van de ruimtelijke ontwikkeling. Er dient rekening gehouden te worden dat de planontwikkeling risico’s van wateroverlast in de omgeving niet negatief beïnvloedt. Daarom dient bij de inrichting binnen het plangebied rekening gehouden te worden met het geven van ruimte aan water teneinde wateroverlast te voorkomen. Op basis van waterschapsbeleid bedraagt de bergingsopgave (23.381 m2 x 0,06) = 1.403 m3. Door de aanleg van het Natuur Netwerk Brabant met de nieuwe poelen, verlegde Kibbelvaart en bijbehorende gronden is buiten de gronden van de Lidl geen ruimte voor een retentievoorziening (bijv. retentievijver). Binnen de uitbreiding van de Lidl is eveneens geen capaciteit voor een bovengrondse retentie voorziening. De uitbreiding bestaat volledig uit nieuwe bebouwing en verhardingen.

datum referentie

13 mei 2024 205583_AdB_RAP_0001_v10.0

P 62/101

In het bouwplan is rekening gehouden met het bieden van ruimte voor infiltratie van hemelwater. De benodigde waterberging wordt voorzien door het toepassen van een ondergrondse voorziening (op eigen terrein van de Lidl) in de vorm van een IT-riool met een capaciteit van ruim 1.475 m3. Omdat het bedrijfsperceel ten opzichte van het aansluitend terrein aanzienlijk dient te worden opgehoogd (circa 2,5 meter), is met toepassing van dergelijke ondergrondse voorzieningen, water adequaat af te voeren in de bodem door middel van infiltratie. Een dergelijk systeem kan door middel van een noodoverstort worden aangesloten op de waterlopen rondom het bestaande bedrijfsperceel. De buizen van het IT-rioolstelsel worden aangelegd met een b.o.b. (binnen-onderkantbuis) van +2,60 m NAP, dit is globaal de hoogte van het huidige maaiveld. Voorafgaand aan de realisatie van het IT-rioleringsstelsel wordt het terrein voorbelast met zand. Hierdoor zal het vlak dat nu het maaiveld vormt lager komen te liggen, met andere woorden de IT-riolering is straks volledig omringd door zand, dit komt de infiltratie ten goede. In 2021 zijn proeven uitgevoerd om de doorlatendheid in beeld te brengen (zie bijlage 4). In hoofdstuk 2 van bijlage 4 staat een tabel met resultaten.

In de tekst is benoemd dat verder gerekend wordt met de minst gunstige aangetroffen waarde (> 1,00 m/d), echter zijn de overige 2 proeven op locaties uitgevoerd dichter bij de toekomstige ligging van het IT-rioleringsstelsel. Vandaar dat kan worden uitgegaan van een K-waarde tussen de 0,74 en 1,63. Wat in deze direct op valt is dat het terrein heterogeen is wat betreft de doorlatendheid. De onderkant van de nieuwe infiltratievoorziening ligt in de nieuwe situatie op ca. 10-20 cm boven het huidige maaiveld. De nieuwe infiltratievoorziening is , als gevolg van de ophoging met zand, dan ook volledig omgeven door zand. Zand heeft een K-waarde van (fijn zand) > 1,00 m/d. oplopend tot (uiterst grof zand) 200 m/d. Het regenwater dat opgeslagen is in de infiltratievoorziening, kan dus naar de zijkant en onderkant infiltreren. Daarnaast zal het water dat infiltreert ook nivelleren richting de grondwaterstand in de omgeving en zijn weg vinden richting de ondergrond. Hierbij is de ondergrond getoetst op een K-waarde tussen 0,74 en 1,63 m/d. Na de consolidatie periode van de voorbelasting, wordt een nieuw K-Waarde onderzoek uitgevoerd in het zandpakket. Hiermee wordt na de voorbelastingsperiode de doorlatendheid van het zandpakket getoetst.

Indien noodzakelijk (bij een te lage K-Waarde) wordt er grondverbetering toegepast (grover zand aanbrengen) om voldoende infiltrerend vermogen te creëren. In dit opzicht heeft het een positieve werking dat de IT-riolering in een zandpakket wordt aangebracht, hierdoor kan het water zich verspreiden en zal het water op de plekken waar de doorlatendheid het grootst is infiltreren. Bij een infiltratieriolering wordt aangenomen dat de bodem over een segment van 60° ten gevolge van vervuiling dichtslibt. Aan de bovenzijde wordt eenzelfde segment van het infiltratieoppervlak afgetrokken. Hierdoor blijft ca. 2/3 van de omtrek beschikbaar als infiltratieoppervlak. Uitgaan van een gemiddelde vulling van 60%, bedraagt het

datum referentie

13 mei 2024 205583_AdB_RAP_0001_v10.0

P 63/101

infiltratieoppervlak globaal 0,40 x de omtrek van de infiltratiebuis. Ter illustratie (zie onderstaande afbeelding) het infiltratieoppervlak van een infiltratieriool met een diameter van 400 mm.

Bron: Lesboek Basisopleiding Riolering Module 2, Wateropleidingen

De beoogde infiltratievoorziening is mantoegankelijk en daarmee ook te onderhouden. Op basis van diverse bronnen zijn de onderstaande gegevens met betrekking tot de GHG bekend binnen het plangebied: • + 2,55 N.A.P. – gegevens vanuit Provinciale metingen. Het streepje en het kruis geven de locatie van het meetpunt weer. Hieruit blijkt dat het meetpunt ter plaatse van de toekomstige uitbreiding is gepositioneerd.

• •

+ 2,19 N.A.P. – hoogst gemeten grondwaterstand d.m.v. continu monitoring gedurende de periode van 0807-2022 t/m 23-06-2023; + 1,60 N.A.P. - hoogst gemeten grondwaterstand d.m.v. handmetingen gedurende de periode van 08-07-2022 t/m 23-06-2023;

datum referentie

13 mei 2024 205583_AdB_RAP_0001_v10.0

P 64/101

PB02 PB01

Grondwaterstand (m NAP)

2,50

2,00 1,50 1,00 0,50 0,00 19-5-20228-7-202227-8-2022 16-10-2022 5-12-202224-1-202315-3-20234-5-202323-6-202312-8-2023 Monitoring PB01

•

Handmetingen PB01

Handmetingen PB02

+ 1,41 N.A.P. – op basis van het Voorlopig Ontwerp in combinatie met het PvE van BWZ.

datum referentie

13 mei 2024 205583_AdB_RAP_0001_v10.0

P 65/101

Op de onderstaande afbeelding zijn de gegevens schematisch weergegeven in een doorsnede.

Het IT-Riool wordt aangebracht op +2,60 N.A.P. Hiermee ligt het IT-rioleringsstelsel te allen tijde boven de GHG en de gemiddelde waterstand van de verlegde Kibbelvaart (ca. +1,41).

Uitsnede Actueel Hoogtebestand Nederland met het plangebied aangeduid met een rode contour.

Met betrekking tot de verwerking van afvalwater is het wenselijk om een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen

datum referentie

13 mei 2024 205583_AdB_RAP_0001_v10.0

P 66/101

waarbij schoon hemelwater apart van de riolering af wordt gevoerd. Het afvalwater zal via de bestaande gemeentelijke riolering worden verwerkt. Om verdere invulling te geven aan een duurzaam waterbeheer, kan tijdens de uitvoerfase rekening gehouden worden met duurzaam bouwen. In de Nationale Pakketten Duurzaam Bouwen: Woningbouw nieuwbouw, Woningbouw beheer en Utiliteitsbouw is een tweetal maatregelen (S/U237 en S/U444) opgenomen die onder meer betrekking hebben op het verminderen van de emissie van milieubelastende stoffen naar het van daken afgevoerde hemelwater. Bij nieuwbouw wordt geadviseerd gebruik te maken van niet-uitloogbare bouwmaterialen in verband met de waterkwaliteit. Dit houdt in dat toepassing van materialen voor daken, dakgoten en hemelafvoeren zoals zink, koper, lood etc. wordt afgeraden, tenzij de materialen zijn voorzien van een coating. Op basis van de randvoorwaarden en uitgangspunten is de ontwikkeling in zowel ruimte als tijd waterneutraal uit te voeren. Er worden dan ook vanuit het oogpunt van de waterhuishouding geen belemmering verwacht ten aanzien van de bestemmingswijziging en de uitvoering van het plan. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat de waterhuishouding binnen het plangebied wordt gerespecteerd. 4.4

Cultuurhistorie

Toetsingskader Onder de noemer Modernisering Monumentenzorg (MoMo) heeft het Rijk in 2009 een aanzet gegeven voor een goede afweging van het belang van de cultuurhistorie in de ruimtelijke ordening. Gepleit wordt voor een verantwoorde verankering van de integrale cultuurhistorie in structuurvisies, bestemmingsplannen en milieueffectrapportages. Het voornaamste doel hiervan is om het cultuurhistorische karakter van Nederland op gebiedsniveau te behouden en te versterken. Op 5 juli 2011 is een wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gepubliceerd. Vanaf 1 januari 2012 moet ieder nieuw bestemmingplan een analyse van cultuurhistorische waarden bevatten. In aansluiting op de vaststelling van de Wet tot wijziging van de Monumentenwet 1988 en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in mei 2011 zijn op 17 juni 2011 het Bro, het Besluit omgevingsrecht (Bor) en het Besluit archeologische monumentenzorg (Bamz) aangepast. Door een wijziging van het Bro moeten cultuurhistorische waarden voortaan vooraf in het proces van ruimtelijke ordening worden meegenomen, met name bij de voorbereiding en vaststelling van bestemmingsplannen. Het Bro bevat eisen waaraan de voorbereiding van een bestemmingsplan moet voldoen.

Zo wordt er onder meer een beschrijving verlangd van de manier waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten wordt omgegaan. De wetgever wil hiermee bereiken dat aandacht voor cultuurhistorische waarden voortaan in het planproces naar voren wordt gehaald. In de toelichting van het bestemmingsplan dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. De opsteller en vaststeller van het bestemmingsplan is daarmee dus verplicht om breder te kijken dan alleen naar het facet archeologie. Ook de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. De Erfgoedwet, van kracht sinds 1 juli 2016, bundelt wet- en regelgeving op het gebied van behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland in één nieuwe wet. Een groot deel van de bestaande wet- en regelgeving

datum referentie

13 mei 2024 205583_AdB_RAP_0001_v10.0

P 67/101

(Monumentenwet, Wet ruimtelijke ordening) is overgenomen in de Erfgoedwet, bijvoorbeeld de aanwijzing van rijksmonumenten, wie welke verantwoordelijkheden heeft en hoe het toezicht daarop wordt uitgeoefend. Voor het eerst is er nu één integrale wet die betrekking heeft op onze museale objecten, musea, monumenten en archeologie op het land en onder water. Voorheen was het behoud en beheer van ons erfgoed geregeld in zes verschillende wetten met elk hun eigen procedures en beschermingsmaatregelen. Het uitgangspunt is dat de beschermingsniveaus zoals die in de eerdere wetten en regelingen golden, worden gehandhaafd. Daarnaast worden aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. Samen met de Omgevingswet die naar verwachting in 2024 wordt ingevoerd, wordt een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk..

datum referentie

13 mei 2024 205583_AdB_RAP_0001_v10.0

P 68/101

Beleid provincie Noord-Brabant In de provincie Noord-Brabant dienen in het kader van het behoud van waardevolle cultuurhistorische elementen en archeologische vindplaatsen, ruimtelijke plannen te worden getoetst aan de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW). Hierop staan de bepalende cultuurhistorische elementen aangeven.

Cultuurhistorische waardenkaart provincie Noord-Brabant met het plangebied aangeduid met een blauwe contour.

Beleid gemeente Etten-Leur In de Erfgoedverordening 2018 Etten-Leur is onder andere vastgelegd op grond van en op welke wijze een gemeentelijk monument aangewezen kan worden en hoe de instandhoudingsplicht en bescherming geborgd is. Ook is hier een vergunningstelsel in opgenomen voor bescherming van monumenten. Beoordeling Het plangebied is gelegen in de regio ‘West-Brabantse Venen’, zoals aangegeven op de Cultuurhistorische Waardenkaart van de provincie Noord-Brabant. In de ‘West- Brabantse Venen’ heeft de winning en het transport van turf het landschap eeuwenlang beheerst. Hieraan herinneren de (relicten van) turfvaart en de turfhoofden. De ontginning van het veen heeft de ontwikkeling van het gebied mogelijk gemaakt. Op de afgeveende gronden worden nieuwe dorpen gesticht, landgoederen, landbouwgronden en productiebossen aangelegd. Het voorliggende plan is op de schaal van de hele regio echter een kleinschalige ruimtelijke ontwikkeling die geen specifieke aanknopingspunten biedt om invulling te geven aan het beleid voor de regio. Met betrekking tot

datum referentie

13 mei 2024 205583_AdB_RAP_0001_v10.0

P 69/101

turfvaarten binnen de West-Brabantse Venen geldt dat de Kibbelvaart zo’n dergelijke turfvaart betreft. De Kibbelvaart binnen het plangebied is onderdeel van de langgerekte turfvaart gelegen tussen veenontginningen bij Rucphen en de samenvloeiing bij de Polder de Hoevensche Beemden met de Laaksche Vaart. De turfvaart is eveneens opgenomen op de Cultuurhistorische Waardenkaart. Het gedeelte ten zuiden van de spoorweg Roosendaal-Breda is, ten gevolge van het minder herkenbaar zijn als voormalige turfvaart, echter lager gewaardeerd (conform de toelichting bij de cultuurhistorische waardenkaart). Tussen de Hoevense Weg en de spoorlijn is de Kibbelvaart bijvoorbeeld breder en herkenbaar als gewezen turfvaart. In het vigerende bestemmingsplan is aan de Kibbelvaart qua cultuurhistorie geen planologische bescherming toegekend. De provincie Noord-Brabant heeft ook geen specifiek beleid voor historische lijnen zoals de Kibbelvaart. De provincie wil deze lijnen, net als overige cultuurhistorische waarden, behouden, verder ontwikkelen en toeristisch-recreatief ontsluiten. Met het planvoornemen zal sprake zijn van demping van de turfvaart binnen het plangebied. Vanwege de beperkte omvang van de demping en het feit dat op deze locatie de turfvaart reeds minder herkenbaar is als turfvaart, wordt dit vanuit het aspect cultuurhistorie aanvaardbaar geacht.

De Kibbelvaart wordt verlegd in noordelijke richting, waardoor de waterdoorvoerende functie behouden blijft. In de interim-omgevingsverordening en op de cultuurhistorische waardenkaart is er in het plangebied geen aanduidingen zoals aardkundig waardevol gebied, cultuurhistorisch waardevol gebied of complex cultuurhistorisch belang opgenomen. Binnen het plangebied zelf zijn voor het overige geen rijks- of gemeentelijke monumenten aanwezig of andere beeldbepalende bebouwing. Ook is de aangrenzende wegenstructuur niet als waardevol aangeduid. Conclusie Het voornemen doet geen afbreuk aan beschermde cultuurhistorische waarden binnen of in de omgeving van het plangebied. De Kibbelvaart wordt binnen het plangebied verlegd.. 4.5

Archeologie

Toetsingskader In Europees verband was het zogenaamde ‘Verdrag van Malta’ tot stand gekomen. Uitgangspunt van dit verdrag was het archeologisch erfgoed zo veel mogelijk in situ te behouden. Sindsdien geldt dat waar dit niet mogelijk is, dient het bodemarchief met zorg ontsloten te worden. Bij het ontwikkelen van ruimtelijk beleid moet het archeologisch belang vanaf het begin meewegen in de besluitvorming. Het Verdrag is in 1998 geratificeerd (Monumentenwet) en op 1 september 2007 via de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (Wamz) geïmplementeerd. De Wamz was een wijzigingswet en omvatte een wijziging van de Monumentenwet 1988, de Wet Milieubeheer, de Ontgrondingenwet en de Woningwet, op grond waarvan overheden onder andere bij bodemingrepen verplicht rekening moesten houden met het behoud van archeologische waarden. Sinds de invoering van deze wet zijn gemeenten belast met de zorgplicht voor het archeologisch erfgoed. Dit is niet veranderd met de inwerkingtreding van de Erfgoedwet (1-7-2016). Sindsdien is het behoud en beheer van het Nederlandse erfgoed geregeld door één integrale Erfgoedwet. De omgang met archeologie in de fysieke leefomgeving zal in de nieuwe Omgevingswet worden geregeld, die in 2024 in werking zal treden. Het uitgangspunt is dat de beschermingsniveaus zoals die in de eerdere wetten en regelingen golden, worden gehandhaafd.

datum referentie

13 mei 2024 205583_AdB_RAP_0001_v10.0

P 70/101

Uitsnede ‘Archeologische Beleidskaart Gemeente Etten-Leur’ met het plangebied aangeduid met een rode contour.

Beoordeling Volgens de ‘Archeologische Beleidskaart van de Gemeente Etten-Leur’ is de uitbreidingslocatie gelegen in een gebied met een lage archeologische verwachting. De beleidsmatige vertaling gaat er vanuit dat hier geen verdere restricties ten aanzien van bodemverstorende handelingen worden gesteld, behalve bij: • Projecten waarvoor een milieueffectrapport gemaakt moet worden (rechtstreekse project-m.e.r.-plicht dan wel project m.e.r. na m.e.r.-beoordeling) en waarbij de oppervlakte aan te verstoren gebied (bodemingrepen) dieper dan 40 cm -Mv, meer dan 50.000 m2 bedraagt. • Grootschalige projectmatige inrichtingsplannen zoals aanleg van woonwijken en bedrijventerreinen of inrichting van het landelijk gebied, waarbij de oppervlakte aan te verstoren gebied (bodemingrepen) dieper dan 40 cm -Mv, meer dan 50.000 m2 bedraagt. In aanvulling op de lage verwachtingswaarde ligt de uitbreidingslocatie in een gebied wat als ‘verstoord’ is aangemerkt. In deze gebieden geldt in principe de onderliggende verwachting, maar zal sprake zijn van een lagere gaafheid en zullen eventuele oppervlakkige archeologische resten verstoord zijn. Ter hoogte van de bestaande bebouwing is in 1999 tijdens een archeologische veldkartering een archeologische vondst gedaan. In circa 2003 is het plangebied overbouwd. Daarmee is de context van de vondst verdwenen.

Een deel van de Kibbelvaart dat binnen het plangebied valt, is in 2016 onderzocht in opdracht van de gemeente Halderberge. Uit het onderzoek bleek dat er geen archeologische resten, die daaraan te relateren zijn, verwacht hoeven worden. Archeologisch gezien is daarmee het verleggen van de Kibbelvaart geen probleem en krijgt een lage verwachting. De rest van het plangebied is aangemerkt als onderzocht en vrijgegeven. Met het planvoornemen zal sprake zijn van bodemroerende werkzaamheden. De oppervlaktemaat zoals hierboven benoemd zal daarbij niet worden overschreden. Bovendien zal het bedrijfsperceel aanzienlijk worden opgehoogd (circa 2,5 meter) waardoor bodemroerende werkzaamheden onder het huidige maaiveld beperkt blijven. Op basis van de toegekende archeologische verwachtingswaarde behoeft op voorhand geen rekening te worden gehouden met het doen van archeologisch onderzoek. Wel geldt dat als er archeologische resten

datum referentie

13 mei 2024 205583_AdB_RAP_0001_v10.0

P 71/101

(vondsten, sporen et cetera) worden aangetroffen bij de grondwerkzaamheden, deze op grond van artikel 5.10 van de Erfgoedwet gemeld moeten worden bij de Minister van OCW en bij de gemeente.. Conclusie Aan de uitbreidingslocatie is een lage archeologische verwachtingswaarde toegekend. De grenswaarde voor archeologisch onderzoek wordt niet overschreden. Daarmee is archeologisch onderzoek niet noodzakelijk. 4.6

Ecologie

4.6.1

Natuurgebieden

Toetsingskader De Wet natuurbescherming (Wnb) is een wet van 16 december 2015, houdende regels ter bescherming van de natuur. De Wet natuurbescherming is in werking getreden op 1 januari 2017 en vervangt daarmee het voorheen geldende wettelijke stelsel voor de natuurbescherming, zoals neergelegd in de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. De wet regelt ten eerste de taken en bevoegdheden ten behoeve van de bescherming van natuurgebieden en planten- en diersoorten. Daarnaast bevat de wet onder meer bepalingen over de jacht en over houtopstanden. In de Wet natuurbescherming is de Europese regelgeving omtrent natuurbescherming, zoals vastgelegd in de Vogelrichtlijn (Richtlijn 2009/147/EG, 30 november 2009) en Habitatrichtlijn (Richtlijn 92/43/EEG, 21 mei 1992) als uitgangspunt genomen. De gebiedsbescherming van de Natura 2000-gebieden is geregeld in hoofdstuk 2 van de Wnb. Beoordeling Het dichtstbij gelegen Natura 2000-gebied betreft ‘Hollands Diep’ dat is gelegen op een afstand van ca. 13,7 km tot onderhavig plangebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied met stikstofgevoelige habitats is het ‘Ulvenhoutse Bos’, gelegen op een afstand van ca. 14,2 kilometer. Natura 2000-gebieden kunnen schade ondervinden wegens diverse aspecten, zoals verdroging, oppervlakteverlies, verontreiniging, versnippering, optische verstoring, verzuring en vermesting.

Daar het plangebied niet grenst aan een Natura 2000-gebied, is van directe schade geen sprake. Mogelijk kan depositie van stikstof vanwege het planvoornemen wel negatieve gevolgen hebben voor omliggende Natura 2000-gebieden. Voor het voornemen zijn daarom AERIUSberekeningen (versie 2022.1) uitgevoerd, bijgevoegd als bijlage 5 bij deze toelichting. Uit de berekening blijkt dat het projecteffect op de Natura 2000-gebieden de 0,00 mol/ha/jaar niet overstijgt. Het beoogde plan zorgt niet voor een significante toename in stikstofdepositie en negatieve effecten kunnen worden uitgesloten. Op basis van het onderzoek blijkt dat er geen ontheffing benodigd is voor het aspect stikstof. Conclusie Onderhavig initiatief voldoet aan de vereisten van de Wet natuurbescherming. 4.6.2

Flora en fauna

Toetsingskader Het beschermingsregime betreffende soorten (flora en fauna) is opgenomen in hoofdstuk 3 van de Wnb. De verbodsbepalingen zijn hierbij afhankelijk gesteld van de soort (en daarmee de opname van die soort op de diverse lijsten) en de voorgenomen handelingen. Bovendien is een algemeen geldende zorgplicht opgenomen om handelingen achterwege te laten of maatregelen te treffen, om te voorkomen dat nadelige gevolgen ontstaan voor in het wild levende dieren en planten.

datum referentie

13 mei 2024 205583_AdB_RAP_0001_v10.0

P 72/101

Conform de Wet natuurbescherming is de initiatiefnemer bij ruimtelijke ingrepen verplicht op de hoogte te zijn van mogelijke voorkomende beschermde soorten binnen het plangebied. Vanuit die kennis dienen plannen en projecten getoetst te worden aan eventuele strijdigheid met de verbodsbepalingen uit de Wnb. Conform vaste jurisprudentie kan een plan worden vastgesteld indien aannemelijk wordt gemaakt dat het aspect flora en fauna niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. Beoordeling Door Econsultancy is in februari 2021 een quickscan Wet natuurbescherming uitgevoerd. Rapportage daarvan is als bijlage 6 gevoegd bij deze toelichting. Het onderzoek heeft tot doel om in te schatten of er op de onderzoekslocatie planten- en diersoorten aanwezig zijn die volgens de Wet natuurbescherming een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve gevolgen kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. De aanwezigheid van geschikt habitat op de onderzoekslocatie voor de verschillende soorten en soortgroepen is weergegeven in onderstaande tabel.

Overzicht geschiktheid onderzoekslocatie voor soortgroepen en te nemen vervolgstappen.

In de tabel is samengevat of de voorgenomen ingreep mogelijk verstorend kan werken en wat de consequenties zijn voor eventuele vervolgstappen, zoals soortgericht nader onderzoek of vergunningtrajecten. In de tabel is weergegeven of maatregelen noodzakelijk zijn om overtreding van de Wet natuurbescherming voor bepaalde soortgroepen te voorkomen. Op basis van de uitgevoerde quickscan dient voor uitvoering van de plannen middels aanvullend veldonderzoek duidelijkheid te worden verkregen omtrent de aan- of afwezigheid van een nestlocatie van een beschermde roofvogel, een vliegroute van vleermuizen, geschiktheid van het terrein als leefgebied voor de bunzing en de alpenwatersalamander.

datum referentie

13 mei 2024 205583_AdB_RAP_0001_v10.0

P 73/101

Ten aanzien van algemene broedvogels kunnen overtredingen worden voorkomen door rekening te houden met het broedseizoen. Voor beschermde soorten behorend tot de overige soortgroepen zijn overtredingen ten aanzien van de Wet natuurbescherming wegens het ontbreken van geschikt habitat, het ontbreken van sporen en/of vanwege een vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling niet aan de orde. Wel dient rekening te worden gehouden met de algemene zorgplicht ten aanzien van algemene grondgebonden zoogdieren en amfibieënsoorten. Door Veldbiologische werken is in oktober 2021 een aanvullend ecologisch onderzoek naar amfibieën, marters, roofvogels, uilen en vleermuizen opgeleverd. Het betreffende onderzoek is als bijlage 7 bij deze toelichting gevoegd. Het aanvullend onderzoek doet de navolgende conclusies en aanbevelingen: De bomenrij aan de zuidzijde van het plangebied wordt gebruikt als vlieg- en foerageerroute door vleermuizen. Aantasting van deze vlieg- en foerageerroute is redelijkerwijs aannemelijk bij verwezenlijking van de voorgenomen plannen. Deze aantasting van vlieg- en foerageerroute kan voorkomen worden door bij de inrichting van het plangebied eerst zorg te dragen voor aanleg van een alternatieve / nieuwe vliegroute langs en door de nieuw in te richten ecologische verbindingszone langs de spoorlijn.

Door in deze ecologische verbindingszone opgaande bomen te planten op een regelmatige afstand (minder dan 20 meter afstand tussen de bomen) kan bij voorbaat een nieuwe vlieg- en foerageerroute gecreëerd worden. Deze bomen worden aangebracht voor de keerwand op de gronden van de ecologische verbindingszone. Bij uitvoering van werkzaamheden dient rekening gehouden te worden met de aanwezigheid van een vlieg- en foerageerroute door vleermuizen. Plan werkzaamheden buiten de actieve periode van vleermuizen (medio oktober t/m medio april). Vermijd verstorende lichtbronnen. Werk bij daglicht of plaats bouwverlichting zodanig dat er geen lichtuitstraling is naar de omgeving. Met deze werkwijze en maatregelen is het redelijkerwijs niet aannemelijk dat vlieg- en foerageerroutes worden aangetast. Een ontheffing Wet natuurbescherming is dan niet van toepassing. Binnen de planlocatie komen de volgende beschermde soorten voor welke voor ruimtelijke inrichting vrijgestelde soorten zijn door de Provincie Noord-Brabant. Dit zijn: • Bruine kikker; • Gewone pad; • Kleine watersalamander; • Meerkikker; • Middelste groene kikker; • Aardmuis; • Bosmuis; • Dwergmuis; • Dwergspitsmuis; • Egel; • Gewone bosspitsmuis; • Haas; • Huisspitsmuis; • Konijn; • Ondergrondse woelmuis; • Tweekleurige bosspitsmuis; • Veldmuis; • Vos; • Wild zwijn; • Woelrat.

datum referentie

13 mei 2024 205583_AdB_RAP_0001_v10.0

P 74/101

Voor deze soorten geldt een zorgplicht. De zorgplicht houdt in dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten: a. dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel, b. indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of c. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt. Bij de planning van de werkzaamheden voor de realisatie van de ontwikkeling zal ervoor gezorgd worden dat, waar mogelijk, eerst de nieuwe natuur aangelegd wordt dan wel door middel van tijdelijke maatregelen veilig gesteld alvorens de huidige natuur verwijderd wordt. De wijze waarop dit plaatsvindt wordt verder uitgewerkt en ingevuld als onderdeel van de verdere omgevingsvergunningprocedure. Conclusie Onderhavig initiatief voldoet aan de vereisten van de Wet natuurbescherming en een ontheffing is niet nodig. 4.7

Wegverkeerslawaai

Toetsingskader Op basis van artikel 76 van de Wet geluidhinder (Wgh) dienen bij de vaststelling van een bestemmingsplan, wijzigingsplan of uitwerkingsplan als bedoeld in art. 3.6 lid 1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) de waarden als bedoeld in art. 82 t/m 85 van de Wgh in acht te worden genomen, indien dat plan gelegen is in een zone rondom een weg als bedoeld in art. 74 lid 1 Wgh en (het betreffende onderdeel van) dat plan mogelijkheden biedt voor: • de realisatie van woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen en van geluidsgevoelige terreinen (functies zoals genoemd in art. 1 Wgh en art 1.2 Bgh – het Besluit geluidhinder zoals gewijzigd op 4 april 2012); • de aanleg van een nieuwe weg en/ of een reconstructie van een bestaande weg; • functiewijzigingen van een niet-geluidsgevoelige functie in een geluidsgevoelige functie (bijvoorbeeld via afwijkings- of wijzigingsbevoegdheid). De onderzoekszone voor wegen zoals bedoeld in art. 74 lid 1 Wgh is afhankelijk van de hoeveelheid rijbanen. Onderstaande tabel geeft hier een overzicht van: Stedelijk

Buitenstedelijk

Aantal rijstroken

Aantal meter aan weerszijden van de weg

5 of meer

350 m

600 m

3 of 4

350 m

400 m

1 of 2

200 m

250 m

Artikel 74 lid 2 Wgh regelt dat indien de bovengenoemde ontwikkelingen zijn gelegen binnen een als 'woonerf' aangeduid gebied of in een zone nabij wegen waarvoor een maximum snelheidsregime van 30 km/u geldt, de betreffende waarden niet in acht hoeven te worden genomen. Beoordeling In het plangebied worden geen geluidsgevoelige objecten mogelijk gemaakt. Een afweging in het kader van de Wet geluidhinder is niet benodigd.

datum referentie

13 mei 2024 205583_AdB_RAP_0001_v10.0

P 75/101

Conclusie Het aspect wegverkeerslawaai is geen belemmering voor het initiatief. 4.8

Railverkeerslawaai

Toetsingskader Op basis van geluidzones wordt bepaald welke spoorwegen moeten worden betrokken bij het bepalen of door de gewenste ontwikkeling sprake is van een toename in de geluidbelastingen bij bestaande woningen in de omgeving. Het plangebied ligt op een afstand van circa 50 meter van een spoorlijn (Roosendaal-Breda). Deze spoorlijn is opgenomen in het Geluidregister Spoor. Op basis van het vastgestelde geluidproductieplafond (maximaal 68 dB) is de geluidzone 600 meter van het spoor. Situatie Woning Andere geluidgevoelige gebouwen Geluidgevoelige terreinen

Voorkeursgrenswaarde 55 dB 53 dB 55 dB

Hoogst toelaatbare geluidbelasting 68 dB 68 dB 63 dB

Beoordeling Door De Roever omgevingsadvies is een akoestisch onderzoek railverkeerslawaai uitgevoerd om te bepalen of door het dichterbij het spoor bouwen van het distributiecentrum een onaanvaardbaar geluidsniveau optreedt als gevolg van reflectie van het treinverkeer. Het betreffende onderzoek is als bijlage 8 bij deze toelichting gevoegd. Hieronder wordt kort ingegaan op de conclusie van het onderzoek. Uit de rekenresultaten blijkt dat voor een groot aantal beoordelingspunten geldt dat de berekende geluidbelasting in het referentiescenario lager is dan de heersende waarde. Voor deze beoordelingspunten wordt voor het referentiescenario uitgegaan van een waarde van 55,00 dB. Voor de overige beoordelingspunten wordt uitgegaan van de werkelijk berekende geluidbelasting in het referentiescenario. De toename van de geluidbelasting in het planscenario ten opzichte van de geluidbelasting in het referentiescenario óf de heersende waarde bedraagt ten hoogste 0,17 dB. Dit valt (ruimschoots) binnen de grenswaarde van 1,50 dB die volgt uit een reconstructie volgens de Wet geluidhinder. De toename vanwege reflectie wordt verwaarloosbaar geacht. Ter plaatse van woningen in de omgeving zal reflectie van railverkeerslawaai niet zorgen voor een verslechtering van het woon- en leefklimaat.

Conclusie Het aspect reflectie als gevolg van railverkeerslawaai is geen belemmering voor het initiatief. 4.9

Bedrijven en milieuzonering

Toetsingskader Door het aanbrengen van een zone tussen bedrijvigheid en milieugevoelige bestemmingen (zoals woningbouw) kan de overlast ten gevolge van bedrijfsactiviteiten zo laag mogelijk gehouden worden. Zonering is met name van toepassing bij nieuwbouw van woningen en andere gevoelige functies in de directe omgeving van een bedrijf en bij vestiging van een nieuw bedrijf in de directe omgeving van gevoelige bestemmingen. Op basis van de VNGbrochure 'Bedrijven en Milieuzonering 2009' (hierna: VNG-brochure) wordt onder milieugevoelige functies

datum referentie

13 mei 2024 205583_AdB_RAP_0001_v10.0

P 76/101

verstaan: woningen, woongebieden, ziekenhuizen, scholen en verblijfsrecreatie. Sommige functies kunnen zowel milieubelastend als milieugevoelig zijn (bijvoorbeeld ziekenhuizen en scholen). Beoordeling De VNG-publicatie onderscheidt twee omgevingstypen: rustige woonwijk/rustig buitengebied en gemengd gebied. In het vigerende bestemmingsplan “Herziening 1 Bedrijventerrein Vosdonk” is toegelicht dat voor het landelijk gebied aan de west- en noordzijde van het plangebied het omgevingstype rustige woonwijk wordt gehanteerd. Richtafstanden gelden derhalve onverkort. Onderhavig bestemmingsplan maakt de uitbreiding van een hindergevende functie mogelijk. Hiertoe wordt de bestaande bestemming ‘Bedrijventerrein - 2’ uitgebreid in noordelijke richting. Ter plaatse mag, overeenkomstig de huidige planologische regeling binnen het huidige bedrijfsperceel, bedrijvigheid tot en met categorie 3.2 gevestigd worden. Bij deze milieucategorie hoort een maximale richtafstand van 100 meter tot omliggende gevoelige bestemmingen. In onderstaande tabel zijn omliggende woningen benoemd en is inzichtelijk gemaakt op welke afstand deze liggen tot de uitbreiding van de bestemming ‘Bedrijventerrein - 2’. Hierbij is gemeten vanaf de grens van de bedrijfsbestemming tot de bestemmingsgrens waarbinnen milieugevoelige functies (vergunningvrij) gerealiseerd kunnen worden.

Hiermee wordt uitgegaan van een maximale planologische invulling. Bestemming

Locatie

functie

Aan te houden richtafstand VNG

‘Wonen’

Heul 77 Hoeven

Woning + erf

100 meter

Afstand tot bestemmingsgrens ‘Bedrijventerrein - 2’ 125 meter

‘Wonen’ ‘Wonen’

Heul 75 Hoeven Heul 71 Hoeven

Woning + erf Woning + erf

100 meter 100 meter

114 meter 112 meter

‘Agrarisch met waarden Landschapswaarden’

Heul 79 Hoeven

Bedrijfswoning + erf

100 meter

120 meter

Zoals blijkt uit de tabel wordt aan alle richtafstanden voldaan. Bovendien geldt dat verkeer van en naar het plangebied niet langs de genoemde woonfuncties ontsloten wordt. Daarmee is een goed woon- en leefklimaat vanwege milieuzonering ter hoogte van omliggende gevoelige functies gewaarborgd. De uitbreiding van het bestaande bedrijfsperceel is inpasbaar in haar omgeving. Door De Roever omgevingsadvies is een akoestisch onderzoek industrielawaai uitgevoerd. Het betreffende rapport is als bijlage 9 bij deze toelichting gevoegd. Voor meer inhoudelijke informatie wordt verwezen naar de bijlage. Het onderzoek is uitgevoerd als reactie op zorgen van omwonenden zoals uitgesproken tijdens de omgevingsdialoog. In het onderzoek is de voorgenomen ontwikkeling tegen het (akoestisch) licht gehouden. In dit onderzoek zijn de effecten van de doorgetrokken wal en het plaatsen van een hekwerk met kokosrollen en de nieuwe bedrijfsuitbreiding beoordeeld. Hieronder wordt ingegaan op de conclusies van het onderzoek. Woon- en leefklimaat Langtijdgemiddeld beoordelingsniveau Ter plaatse van alle woningen in de omgeving wordt aan de richt- en grenswaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsnivau uit de Handreiking Industrielawaai en Vergunningverlening en de Handreiking Bedrijven en milieuzonering voldaan.

Gesteld kan worden dat de beoogde inrichting inpasbaar is in de omgeving en dat ter plaatse van woningen in de omgeving sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Maximale geluidniveaus Ter plaatse van alle woningen in de omgeving wordt aan de richt- en grenswaarden voor de maximale geluidniveaus uit de Handreiking Industrielawaai en Vergunningverlening en de Handreiking Bedrijven en

datum referentie

13 mei 2024 205583_AdB_RAP_0001_v10.0

P 77/101

milieuzonering voldaan. Gesteld kan worden dat de beoogde inrichting inpasbaar is in de omgeving en dat ter plaatse van woningen in de omgeving sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Indirecte hinder Enkel ter plaatse van de woning aan de Nijverheidsweg 59 wordt niet aan de richtwaarde van 50 dB(A) etmaalwaarde indirecte hinder uit stap 2 van de Handreiking Bedrijven en milieuzonering voldaan. De hoogst berekende waarde bedraagt 55 dB(A) etmaalwaarde. Hiermee wordt ruim onder de de grenswaarde van 65 dB(A) etmaalwaarde indirecte hinder uit stap 3 van de Handreiking Bedrijven en milieuzonering gebleven (zie hoofdstuk 2 van bijlage 9). Een gevelwering van 20 dB is daarom voldoende om ter plaatse van deze woning een aanvaardbaar binnenniveau te kunnen garanderen. De woning Nijverheidsweg 59 stamt uit de jaren ’70 van de vorige eeuw en daarvan mag uitgegaan worden dat deze voldoende gevelwering heeft om een binnenwaarde van 35 dB te garanderen. Ter plaatse van de overige woningen wordt wel (ruimschoots) aan de richtwaarde(n) uit stap 2 van de Handreiking voldaan. Op basis van bovenstaande zijn geen (aanvullende) maatregelen bij de woning aan de Nijverheidsweg 59 (en overige woningen in de omgeving) nodig. Ter plaatse van woningen in de omgeving is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ten aanzien van de indirecte hinder..

Gesteld kan worden dat de beoogde inrichting niet zorgt voor onaanvaardbare hinder ter plaatse van woningen in de omgeving. Conclusie Buiten het plangebied is met betrekking tot milieuzonering een goed woon- en leefklimaat verzekerd. Onderhavig initiatief is inpasbaar in haar omgeving. 4.10 Geurhinder en veehouderijen Toetsingskader Het beleid ten aanzien van het aspect geur is vastgelegd in de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) die op 1 januari 2007 in werking is getreden. Bij nieuwe planologische projecten in het kader van de Wet ruimtelijke ordening dient te worden gekeken naar de aanvaardbaarheid van deze plannen in verband met omliggende geurbronnen, de zogenaamde omgekeerde werking. In de wet zijn normen bepaald die de maximale geurbelasting op een gevoelig object bepalen. Als de geuremissie van een dier niet bekend is (geen geuremissiefactoren vastgesteld), stelt de wet minimumafstanden tussen veehouderij en geurgevoelig object. Als die geuremissie wel bekend is, dan moet de geurbelasting worden berekend met contouren. De emissie van geurstoffen uit een veehouderijbedrijf wordt uitgedrukt in geureenheden (ouE/m3 of ouE/s). Hiervoor zijn emissiefactoren vastgelegd in de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv). De berekende geurbelasting wordt getoetst aan de norm (de maximale belasting die het bedrijf mag veroorzaken).

Gemeenten mogen, binnen bepaalde bandbreedten, van deze wettelijke normen afwijken als er een gebiedsvisie is opgesteld en een geurverordening is vastgesteld. Beleid gemeente Etten-Leur Een eventuele gemeentelijke normering dient vastgelegd te worden in een gemeentelijke geurverordening. Een gebiedsvisie moet deze verordening onderbouwen. De gebiedsvisie moet aantonen dat een – van de wet afwijkende – gemeentelijke normstelling nodig is om de gewenste ruimtelijke visie te realiseren en dat de leefomgeving voor inwoners qua geurbelasting acceptabel is en blijft. In december 2018 is een geurgebiedsvisie opgesteld.

datum referentie

13 mei 2024 205583_AdB_RAP_0001_v10.0

P 78/101

Beoordeling Het plangebied ligt nabij enkele veehouderijen. Onderstaande afbeelding duidt de ligging van deze veehouderijen. De dichtstbijzijnde veehouderij ligt op een afstand van circa 500 meter tot het plangebied. Het plangebied ligt daarmee buiten een vaste afstand tot een veehouderij. Omdat in alle gevallen bestaande woningen of andere verblijfplaatsen dichter tot omliggende veehouderijen liggen, is het onderhavige initiatief niet bepalend ten aanzien van de geuremissie van een veehouderij.

Omliggende veehouderijen. Het plangebied is aangeduid met een rode contour.

Beoordeling leefklimaat op basis van de indicatieve achtergrondbelasting ten aanzien van geurhinder. Het plangebied is aangeduid met een rode contour.

Onderhavig plangebied is, conform de kaart ‘Beoordeling leefklimaat op basis van de indicatieve achtergrondbelasting ten aanzien van geurhinder’ uit bijlage B van de gemeentelijke Geurgebiedsvisie gelegen in een gebied met een ‘zeer goed’ woon- en leefklimaat. In het kader van de bepaling of ter plaatse van het

datum referentie

13 mei 2024 205583_AdB_RAP_0001_v10.0

P 79/101

plangebied sprake is van een aanvaardbaar verblijfsklimaat kan deze vraag aldus positief worden bevestigd. Ten aanzien van het gebruik van de gewenste uitbreidingslocatie is er geen belemmering vanuit het aspect geur. De kaart ‘Achtergrond geurbelasting’ van de Omgevingsdienst Zuidoost Brabant laat een vergelijkbaar beeld zien:

Beoordeling leefklimaat op basis van de indicatieve achtergrondbelasting ten aanzien van geurhinder. Het plangebied is aangeduid met een rode contour.

Op basis van het rapport ‘Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (aanvullende studies). Analyse van gezondheidseffecten, risicofactoren en uitstoot van bio-aerosolen’ (RIVM, 2017) blijkt dat bewoners binnen een straal van 2 km van een geitenhouderij een verhoogde kans hebben op longontsteking. Binnen deze straal bevinden zich momenteel echter geen veehouderijen waar geiten worden gehouden. Op basis van art. 2.71 en 3.47 van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant is omschakeling naar of nieuwvestiging van een geitenhouderij uitgesloten. Eventuele gezondheidsaspecten vanwege geitenhouderijen zijn derhalve niet van invloed op het ruimtegebruik binnen het plangebied. Conclusie Het aspect geur belemmert de planvorming niet. 4.11 Driftblootstelling spuitzones Toetsingskader Er zijn in Nederland geen wettelijke bepalingen over minimaal aan te houden afstanden tussen gronden waarop gewassen (zoals fruitbomen) in de open lucht worden geteeld en nabij gelegen gevoelige objecten zoals woningen. De Nederlandse wetgeving met betrekking tot gewasbeschermingsmiddelen is met name gericht op de reductie van de risico's van het gebruik van deze middelen voor het watermilieu. De Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Wgb) bevat een toelatingsstelsel voor het op de markt brengen en het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en biociden.

In deze wet zijn ook bepalingen opgenomen die betrekking hebben op de bescherming van de gezondheid van de professionele gebruikers en werknemers. De richtafstanden die zijn opgenomen in de VNG-brochure 'Bedrijven en milieuzonering' (2009) hebben geen betrekking op open teelten en zijn dus evenmin bruikbaar (ABRvS 23 september 2009, zaaknummer 200900570/1/R2). Afhankelijk van het soort teelt en of er sprake is van een (water toevoerende) sloot, stelt het Activiteitenbesluit milieubeheer het hanteren van teeltvrije zones verplicht, maar ook hierin zijn geen afstandsnormen voor spuitzones opgenomen.

datum referentie

13 mei 2024 205583_AdB_RAP_0001_v10.0

P 80/101

Weliswaar ontbreekt wetgeving over spuitzones, maar er heeft zich op dit terrein wel jurisprudentie gevormd die aangeeft dat een afstand van 50 meter tussen agrarische gronden met open teelten en een voor gewasbeschermingsmiddelen gevoelig object, zoals een bedrijfsgebouw, in acht moet worden genomen. Bij deze afstand wordt ervan uitgegaan dat enerzijds de bedrijfsvoering van de agrariër niet wordt belemmerd en anderzijds dat er geen nadelige effecten optreden voor de gezondheid van personen die in de nabijheid van het agrarisch bedrijf verblijven. De in de praktijk gehanteerde vuistregel van 50 meter is indicatief. Het is een afstand die door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zonder nadere onderbouwing wordt geaccepteerd (ABRvS 23 september 2009, 200900570/1/R2 & ABRvS 15 februari 2006, 200504921/1), maar dat betekent niet dat een kortere afstand in een bepaalde situatie niet redelijk zou kunnen zijn indien aan die afstand een deugdelijke motivering ten grondslag is gelegd. Met andere woorden: onder omstandigheden kan van de vuistregel worden afgeweken. Omdat elk geval anders is, dient dit per situatie te worden onderzocht en afgewogen. Beoordeling Rondom het plangebied zijn ten noorden en westen van het plangebied agrarische gronden gelegen.

Daarom is de afstand van gronden met een agrarische bestemming tot het uitbreidingsgedeelte van het nieuwe bedrijfsperceel inzichtelijk gemaakt. Aan de noordzijde bedraagt de afstand tussen het bedrijfsperceel en de agrarische bestemming (aan de overzijde van het spoor) meer dan 50 meter. Aan de westzijde bedraagt deze afstand meer dan 50 meter, behoudens ter hoogte van de noordwesthoek van het bedrijfsperceel. De afstand van het nieuwe bedrijfsperceel tot omliggende agrarische gronden bedraagt hier minimaal 32 meter. De afstand tot het beoogde bouwvlak bedraagt op deze locatie minimaal 45 meter. Op basis van de beoogde situatie zoals uiteengezet in paragraaf 2.3 zal de bestaande bedrijfsbebouwing worden doorgetrokken in noordelijke richting. Het bouwvlak wordt aan de west- en noordzijde om de beoogde nieuwbouw heen gelegd. De afstand tot de nieuwe bedrijfsbebouwing zal daarmee op deze plaats meer dan 100 meter bedragen. Daarmee wordt ruimschoots voldaan aan de richtafstand vanwege spuitzones. De bedrijfsactiviteiten vinden vrijwel uitsluitend inpandig plaats. In de buitenlucht is enkel sprake van voertuigbewegingen. Aan de westzijde van het plangebied is de bestemming groen opgenomen. Op deze gronden kan weliswaar kortdurend worden verbleven, maar is geen sprake van een gevoelige functie in die zin dat daar langdurig mensen verblijven.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=EttenLeur&id=e85d7773-5585-436a-8cc7-4e7c1f92e42e