Bestemmingsplan 'Zwarthoofd5, uitbreiding DC Lidl'
Tekst van het document
Daarmee liggen verblijfplaatsen op voldoende afstand tot omliggende spuitzones. Conclusie De contour van omliggende spuitzones reikt niet tot binnen het plangebied, derhalve is met betrekking tot spuitzones een goed verblijfsklimaat gegarandeerd en worden omliggende kwekerijen niet in hun bedrijfsvoering belemmerd. 4.12 Externe veiligheid 4.12.1
Inrichtingen en externe veiligheid
Toetsingskader Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) is gericht aan het bevoegd gezag inzake de Wet milieubeheer en de Wet ruimtelijke ordening en heeft onder meer tot doel om bij nieuwe situaties toetsing aan de risiconormen te waarborgen. In de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi) zijn o.a. standaardafstanden opgenomen waarbij wordt voldaan aan de grens- en richtwaarden voor het plaatsgebonden risico (PR). Het Bevi is van toepassing op vergunningplichtige risicovolle bedrijven en de nabijgelegen al dan niet geprojecteerde (beperkt) kwetsbare objecten. In artikel 2, lid 1 van het Bevi is opgesomd wat wordt verstaan onder risicovolle bedrijven. In artikel 1 van het Bevi wordt toegelicht wat wordt verstaan onder (beperkt) kwetsbare objecten. Voor de toepassing van het Bevi, wordt een nieuw ruimtelijk besluit gezien als een nieuwe situatie.
datum referentie
13 mei 2024 205583_AdB_RAP_0001_v10.0
P 81/101
Specifiek voor LPG-tankstations is tevens de ‘circulaire effectafstanden LPG-tankstations’ relevant. Met deze circulaire wordt een handreiking gegeven ten behoeve van de beoordeling van externe veiligheid van LPGtankstations. Daarbij staat het rekening houden met effectafstanden centraal en wordt aangesloten bij hetgeen geregeld is in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi). In de circulaire wordt het bevoegd gezag verzocht om rekening te houden met een effectafstand van 60 meter tot (beperkt) kwetsbare objecten. Dit wil zeggen dat deze afstand in beginsel aangehouden moet worden, maar dat gemotiveerd afwijken is toegestaan door het treffen van veiligheidsmaatregelen. Beoordeling Door Kragten is in mei 2021 een quickscan externe veiligheid uitgevoerd. Rapportage daarvan is als bijlage 10 gevoegd bij deze toelichting. Met behulp van de signaleringskaart is bepaald of het plangebied binnen de plaatsgebonden risicocontouren, dan wel invloedsgebieden van omliggende risicovolle inrichtingen is gelegen. In de uitsnede in navolgende afbeelding is de ligging van relevante inrichtingen in de directe omgeving van het plangebied weergegeven.
Ligging inrichtingen ten opzichte van het plangebied (bron: signaleringskaart).
Uit de quickscan blijkt dat het bestaande distributiecentrum binnen het plangebied is aangemerkt als risicovolle inrichting als gevolg van de aanwezigheid van een ammoniak-koelinstallatie. De uitbreiding van het distributiecentrum binnen het plangebied gaat onderdeel uitmaken van deze inrichting. Door de uitbreiding van het distributiecentrum wijzigt de inrichtingsgrens van deze risicovolle inrichting. De risicovolle installatie wijzigt niet. Derhalve leidt de uitbreiding van het distributiecentrum niet tot extra veiligheidsrisico’s ter plaatse van omliggende kwetsbare objecten. In de omgeving van het plangebied zijn geen andere relevante risicovolle inrichtingen aanwezig, waarvan het invloedsgebied reikt tot aan het plangebied. De risico’s als gevolg van inrichtingen vormen geen belemmeringen voor de planvorming uit het oogpunt van externe veiligheid.
datum referentie
13 mei 2024 205583_AdB_RAP_0001_v10.0
P 82/101
Conclusie Het aspect inrichtingen en externe veiligheid vormt geen belemmering voor onderhavig planvoornemen. 4.12.2
Transport en externe veiligheid
Toetsingskader Beoordeling van de risico’s veroorzaakt door het vervoer van gevaarlijke stoffen over het spoor, het water en de weg dient plaats te vinden aan de hand van het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt), als in werking per 1 april 2015. Bij het besluit horen grens- en richtwaarden voor het plaatsgebonden risico en richtlijnen voor de toepassing van de rekenmethodiek en de verantwoording van het groepsrisico. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen langs transportassen die deel uitmaken van het Basisnet Weg, Water en/of Spoor kan de berekening van het plaatsgebonden risico achterwege blijven. Hiervoor gelden namelijk de afstanden die in bijlage I, II en III van de Regeling basisnet zijn opgenomen. Op deze afstanden mag het plaatsgebonden risico vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen niet meer bedragen dan 10-6 per jaar. Voor het Basisnet Weg geldt dat daar waar in de tabel van bijlage 2 van het Bevt de afstand ‘0’ is vermeld het plaatsgebonden risico vanwege het vervoer op het midden van de weg niet meer mag bedragen dan 10-6 per jaar. Beoordeling Door Kragten is in mei 2021 een quickscan externe veiligheid uitgevoerd. Rapportage daarvan is als bijlage 10 gevoegd bij deze toelichting.
Uit de quickscan volgt dat op een afstand van circa 490 meter van het plangebied de rijksweg A58 (wegvak B114) aanwezig is, waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. De A58 is opgenomen in het Basisnet weg. Deze weg heeft geen PR10-6-risicocontour ter hoogte van het plangebied. Wel is sprake van een plasbrandaandachtsgebied (PAG). Op grond van de ruimtelijke scheiding vormt het PAG geen belemmering voor het plan. Het plangebied ligt wel binnen het invloedsgebied van LT2 (Liquid toxic – Propylamine), GT3 (Ammoniak) en GT4 (Chloor)-stoffen. De risico’s als gevolg van transporten met gevaarlijke stoffen over de A58 (toxisch scenario) moeten worden meegenomen in een beperkte verantwoording van het groepsrisico. Het plangebied grenst aan de noordzijde aan de spoorlijn Roosendaal Oost – Breda (route 12). Deze spoorlijn is opgenomen in het Basisnet spoor. Uit bijlage II Tabel Basisnet spoor volgt dat voor deze spoorlijn, ter hoogte van het plangebied, geen sprake is van een PR10-6-risicocontour of PAG. Het plangebied ligt binnen een afstand van 200 meter van de spoorlijn waardoor de invloed van het plan op de hoogte van het groepsrisico kwantitatief moet worden berekend middels een RBMII-berekening. Ook ligt het plangebied binnen het invloedsgebied brandbare vloeistoffen, brandbare gassen en toxische stoffen.
De risico’s als gevolg van transport van gevaarlijke stoffen over het spoor (plasbrand, BLEVE (Boiling Liquid Expanding Vapour Explosion) en toxisch scenario) dienen te worden meegenomen in een beperkte verantwoording van het groepsrisico. Door Kragten is het groepsrisico berekend. Rapportage daarvan is bijgevoegd als bijlage 11 bij deze toelichting. Hieruit blijkt dat het groepsrisico zowel vóór als na planrealisatie minder dan 10% van de oriëntatiewaarde bedraagt. De voorgenomen planontwikkeling is niet van invloed op de hoogte van het groepsrisico. De hoogte van het groepsrisico dient, overeenkomstig artikel 8 van het Besluit externe veiligheid transportroutes en het gemeentelijk uitvoeringsbeleid, beperkt verantwoord te worden. Op basis van de uitgevoerde quickscan en de groepsrisicoberekening is door Kragten de hoogte van het groepsrisico verantwoord. De verantwoording is bijgevoegd als bijlage 12. Conclusie Het aspect transport en externe veiligheid is geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling.
datum referentie
13 mei 2024 205583_AdB_RAP_0001_v10.0
P 83/101
4.12.3
Buisleidingen en externe veiligheid
Toetsingskader Beoordeling van de risico's veroorzaakt door het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen geschiedt aan de hand van het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb), als in werking getreden per 1 januari 2011. Ten aanzien van het Bevb bestaat de noodzaak om een ruimtelijke reservering op te nemen voor het plaatsgebonden risico en een verantwoording van het groepsrisico van relevante buisleidingen. Binnen de PR 10 6 risicocontour mogen geen kwetsbare objecten aanwezig zijn en zo mogelijk ook geen beperkt kwetsbare objecten. Het verwachte aantal aanwezigen binnen het invloedsgebied van de buisleiding moet worden verantwoord. Dat invloedsgebied reikt bij brandbare vloeistoffen tot net buiten de 10 -6 contour, voor leidingen met aardgas en chemicaliën moet dat per geval berekend worden. Beoordeling Door Kragten is in mei 2021 een quickscan externe veiligheid uitgevoerd. Rapportage daarvan is als bijlage 10 gevoegd bij deze toelichting. Hieruit blijkt dat het plangebied ligt binnen de 1% letaliteitsafstand1 van een aardgastransportbuisleiding. Deze leiding ligt ten noorden van het spoor en daarmee ter hoogte van het plangebied in de gemeente Halderberge. De invloed van het plan op de hoogte van het groepsrisico moet kwantitatief worden bepaald met behulp van het rekenprogramma Carola.
Tevens dienen de risico’s als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen te worden meegenomen in een verantwoording van het groepsrisico.
Ligging aardgastransportleiding ten noorden van het plangebied in de gemeente Halderberge. Bron: www.ruimtelijkeplannen.nl, 2023
Op basis van de quickscan is door Kragten een CAROLA-berekening uitgevoerd, bijgevoegd als bijlage 13 bij deze toelichting. Uit de berekening volgt dat het plangebied niet is gelegen binnen de plaatsgebonden 10-6risicocontour van een? buisleiding. Het plangebied ligt wel deels binnen de 1%-letaliteitsafstand voor externe De 1% letaliteitszone is dat deel van het invloedsgebied waarin de letaliteit afneemt van 100% (de rand van de 100% letaliteitszone) tot 1% (de rand van het invloedsgebied). In dit gebied wordt aangenomen dat personen binnenshuis voldoende bescherming hebben van het gebouw waarin zij zich bevinden. 1
datum referentie
13 mei 2024 205583_AdB_RAP_0001_v10.0
P 84/101
veiligheid van de buisleiding Z-520-37-deel-1, (aardgastransportleiding) waardoor de invloed van het plan op de hoogte van het groepsrisico voor deze buisleiding is bepaald. Voor de buisleiding is de hoogte van het groepsrisico zowel vóór als ná planrealisatie berekend. Uit deze berekeningen blijkt dat zowel in de huidige als in de toekomstige situatie geen groepsrisico wordt berekend. In artikel 12 lid 3 van het Besluit externe veiligheid buisleidingen juncto artikel 8 van de Regeling externe veiligheid buisleidingen is opgenomen wanneer sprake is van het verantwoorden van het groepsrisico. In onderhavige situatie is sprake van een beperkte verantwoording voor de betreffende buisleiding. Voor een verantwoording van het groepsrisico moet door het bevoegd gezag advies worden gevraagd bij de regionale brandweer/Veiligheidsregio. Op basis van de uitgevoerde quickscan en de CAROLA-berekening is door Kragten de hoogte van het groepsrisico verantwoord. De verantwoording is bijgevoegd als bijlage 12. Conclusie Het aspect buisleidingen en externe veiligheid is geen belemmering voor onderhavig plan. 4.13 Niet gesprongen explosieven onderzoek Toetsingskader In de omgeving van het plangebied hebben in de Tweede Wereldoorlog gevechtshandelingen plaatsgevonden. Als gevolg hiervan is er nog niet geëxplodeerde munitie in de bodem aanwezig.
Het risico bestaat dat bij het uitvoeren van bodemwerkzaamheden op een dergelijk explosief gestuit wordt. Niet uitgesloten kan worden dat in deze situatie het explosief alsnog explodeert. Beoordeling Door Bodac is in januari 2021 een vooronderzoek uitgevoerd naar de mogelijke aanwezigheid van niet gesprongen conventionele munitie in heel de gemeente Etten-Leur uitgevoerd. Het betreffende rapport is als bijlage 14 aan deze toelichting gevoegd. Verschillende locaties binnen de gemeente zijn onderhevig geweest aan oorlogshandelingen. Tijdens de meidagen van 1940 werden het centrum van Etten en delen van Leur zwaar gebombardeerd door Duitse vliegtuigen. In aanloop naar de bevrijding werden diverse strategische doelen door geallieerde jachtbommenwerpers beschoten of gebombardeerd met vliegtuigbommen en raketten. De locaties en de soorten aan niet geëxplodeerde munitie zijn in kaart gebracht en gecategoriseerd. Op de afbeelding hieronder is het onderhavige plangebied afgebeeld. Uit het onderzoek van Bodac blijkt dat er ter plaatse van het plangebied geen niet gesprongen explosieven te verwachten zijn.
datum referentie
13 mei 2024 205583_AdB_RAP_0001_v10.0
P 85/101
Uitsnede bodembelastingkaart. Het plangebied is met een blauwe contour aangeduid. Bron: Bodac Historisch vooronderzoek, januari 2021
Conclusie In relatie tot het voorliggend bestemmingsplan vormt de mogelijke aanwezigheid van niet geëxplodeerde munitie geen belemmering. 4.14 Luchtkwaliteit Toetsingskader In het kader van een planologische procedure dient te worden aangetoond dat voldaan wordt aan de wettelijke normen voor wat betreft luchtkwaliteit. Hierbij dient het effect op de luchtkwaliteit in de omgeving als gevolg van een nieuwe ontwikkeling, als ook de toetsing aan de 'Wet luchtkwaliteit' in beeld te worden gebracht. De 'Wet luchtkwaliteit' van 15 november 2007, opgenomen in hoofdstuk 5, onder titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Wm) gaat in op luchtkwaliteitseisen. In Bijlage 2 van de Wm zijn wettelijke grenswaarden vastgelegd van onder andere de stoffen stikstofdioxide (NO2), fijn stof (PM10), benzeen (C6H6), zwaveldioxide (SO2), lood (Pb) en koolmonoxide (CO). Voor PM10 geldt voor het jaargemiddelde een grenswaarde van 40 µg/m 3. Het 24-uursgemiddelde van 50 µg/m3 mag maximaal 35 dagen per kalenderjaar worden overschreden. Voor NO2 geldt voor het jaargemiddelde een grenswaarde van 40 µg/m3. Het 24-uursgemiddelde van 200 µg/m3 mag maximaal 18 dagen per kalenderjaar worden overschreden. De 'Wet luchtkwaliteit' voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL).
Het Rijk, provincies en gemeenten werken in het NSL-programma samen aan maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren tot de normen, ook in gebieden waar nu de normen voor luchtkwaliteit niet worden gehaald (overschrijdingsgebieden). De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Kort samengevat dienen projecten te worden beoordeeld op basis van de 'Wet luchtkwaliteit' c.q. artikel 5.16 van de Wet milieubeheer. Luchtkwaliteitseisen vormen onder de 'Wet luchtkwaliteit' geen belemmering voor vergunningverlening als: • er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; • een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt;
datum referentie
13 mei 2024 205583_AdB_RAP_0001_v10.0
P 86/101
• •
een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging; een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL, dat op 1 augustus 2009 in werking is getreden. In artikel 2 van het 'Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' is opgenomen dat een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de zogenaamde '3% grens' niet wordt overschreden. Na vaststelling van het NSL op 1 augustus 2009 is deze grens gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel PM10 als NO2. In artikel 4 van het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) en de bijlagen van de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' is voor bepaalde categorieën projecten met getalsmatige grenzen vastgesteld dat deze 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden. De wettelijke ondergrens voor onderzoek bedraagt de ontwikkeling van 1.500 woningen bij minimaal 1 ontsluitingsweg of een kantoorlocatie van maximaal 10 hectare en één ontsluitingsweg. Beoordeling Onderhavige ontwikkeling betreft de uitbreiding van een bedrijfsperceel.
Gesteld kan worden dat dit plan in verhouding tot de wettelijke ondergrens voor onderzoek, gelegen op de realisatie van een kantoorlocatie van maximaal 10 hectare en één ontsluitingsweg niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan het verslechteren van de luchtkwaliteit. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied gegeven. Dit is gedaan aan de hand van de NSL-monitoringstool 2020 (http://www.nslmonitoring.nl/viewer/) die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort. De dichtstbijzijnde maatgevende wegen betreffen de Rijksweg A58, de Heistraat en de Vosdonk. Uit de NSL-monitoringstool blijkt dat in 2020 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijnstof langs deze wegen onder de grenswaarden lagen (< 35 μg/m3). Hierdoor is er ter plaatse van het plangebied sprake van een aanvaardbaar verblijfklimaat. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor de onderhavige ontwikkeling. 4.15 Kabels en leidingen Toetsingskader De hierna volgende leidingen zijn planologisch relevant, voor zover zij geen deel uitmaken van een inrichting zoals bedoeld in de Wet milieubeheer2. a. hoogspanningsverbindingen van 50 kV en hoger; b. buisleidingen voor transport van aardgas met een uitwendige diameter van meer dan 50 mm en een druk van meer dan 16 bar; c.
buisleidingen voor transport van aardolieproducten met een uitwendige diameter van meer dan 70 mm en een druk van meer dan 16 bar; d. buisleidingen met een diameter van 400 mm of meer buiten de bebouwde kom;
'Leidingen die deel uitmaken van een inrichting' zijn leidingen binnen de inrichtingsgrens die in beheer zijn van de drijver van de inrichting én leidingen die in beheer zijn van derden waarmee een product wordt geleverd aan de betreffende inrichting (laatstgenoemde leidingen hebben een zgn. functionele binding met de inrichting, zoals bedoeld in de Wet milieubeheer). 2
datum referentie
13 mei 2024 205583_AdB_RAP_0001_v10.0
P 87/101
e.
buisleidingen voor transport van andere stoffen dan aardgas en aardolieproducten, die risico's met zich meebrengen voor mens en/of leefomgeving wanneer deze leidingen beschadigd raken 3.
Beoordeling Ter plaatse van het plangebied zijn geen planologisch relevante kabels en leidingen aanwezig. Wel zijn in het plangebied diverse leidingen en kabels aanwezig zonder een direct planologisch belang. Voor deze leidingen en kabels geldt dat hierover privaatrechtelijk afspraken gemaakt moeten worden met de betreffende partijen over hoe om te gaan met deze netwerken en welke kosten daarbij komen kijken.
Conclusie Er zijn geen planologische belemmeringen met betrekking tot de aanwezigheid van kabels en leidingen. Wel moeten nadere privaatrechtelijke afspraken gemaakt worden met de beheerders van de aanwezige leidingen en kabels. Deze afspraken maken geen onderdeel uit van onderhavig bestemmingsplan.
Onder zgn. 'leidingen voor andere stoffen dan aardgas en aardolieproducten' worden in ieder geval leidingen verstaan voor transport van nafta, waterstof, koolstofdioxide, stikstof, zuurstof, ethyleen en propyleen. 3
datum referentie
13 mei 2024 205583_AdB_RAP_0001_v10.0
P 88/101
4.16 Milieueffectrapportage en vormvrije m.e.r.-beoordeling Toetsingskader Behalve aan de uitvoeringsaspecten bedoeld in de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) dient ook te worden getoetst aan de Wet milieubeheer en het Besluit m.e.r of er sprake is van een mogelijke verplichting tot het opstellen van een milieueffectrapportage. Een milieueffectrapportage (MER), en de bijbehorende procedure (m.e.r.), is een hulpmiddel om de belangen van het milieu volwaardig te betrekken bij de besluitvorming omtrent plannen en projecten. Het gaat hierbij wel enkel om plannen en projecten die kunnen leiden tot initiatieven waarmee het milieu mogelijk nadelig kan worden beïnvloed. Als uitgangspunt voor plannen gelden de onderstaande criteria om te beoordelen of een MER noodzakelijk is: 1. Plannen die kaderstellend zijn voor toekomstige m.e.r.- (beoordelings)plichtige besluiten (boven de grenswaarden uit de C- of D-lijst van het Besluit m.e.r.); 2. Plannen waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000-gebieden; 3. Plannen en activiteiten die o.g.v. een provinciale milieuverordening zijn aangewezen als MER-plichtig. Per 1 april 2011 is het Besluit m.e.r gewijzigd.
De belangrijkste aanleidingen hiervoor zijn de modernisering van de m.e.r wetgeving in 2010 en de uitspraak van het Europese Hof van 15 oktober 2009 (HvJ EG 15 oktober 2009, zaak C-255/08 – Commissie vs. Nederland). Deze wijziging heeft gevolgen voor eerstgenoemd criterium om te beoordelen of een MER noodzakelijk is. Uit deze uitspraak volgt dat de omvang van een project niet het enige criterium mag zijn om wel of geen me.r.(-beoordeling) uit te voeren. Ook als een project onder de drempelwaarde uit de C- of D-lijst blijft, kan een project belangrijke nadelige gevolgen hebben, als het bijvoorbeeld in of nabij een kwetsbaar natuurgebied ligt. Gemeenten en provincies moeten daarom per 1 april van 2011 ook bij 'kleine projecten' (projecten onder de drempelwaarden van de C- of D-lijst) beoordelen of een m.e.r.(-beoordeling) nodig is. Dit wordt de 'vormvrije m.e.r.-beoordeling' genoemd. Deze beoordeling houdt in dat er bekeken moet worden of er bij het initiatief sprake is van dusdanig bijzondere omstandigheden of milieueffecten dat er toch een MER moet worden opgesteld. Hierbij wordt gekeken naar de selectiecriteria uit bijlage III bij de m.e.r.-richtlijn (2011/92/EU), welke o.a. de omvang van het project, de cumulatie met andere projecten en het gebruik van natuurlijke hulpbronnen betreffen.
Beoordeling Een plan is kaderstellend voor een toekomstig m.e.r.- (beoordelings)plichtig besluit indien er sprake is van een overschrijding van de grenswaarden uit de C- of D-lijst van het Besluit m.e.r. In onderhavige situatie is er sprake van de bouw van bedrijfsbebouwing. Een dergelijke activiteit wordt niet genoemd op de C-lijst. Het bouwen komt wel voor op de D-lijst, onder categorie D11.2, ‘de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen.’ Bij een dergelijke activiteit is er sprake van een m.e.r.-beoordelingsplichtig besluit indien de activiteit betrekking heeft op: 1. een oppervlakte van 100 hectare of meer; 2. een aaneengesloten gebied en 2000 woningen of meer omvat; 3. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. Onderhavige ontwikkeling betreft de uitbreiding van een bedrijfsperceel en blijft ruimschoots onder de gestelde grenswaarde. Geconcludeerd kan worden dat het plan derhalve niet kaderstellend is voor een m.e.r.(beoordelings)plichtig besluit. Wat betreft het eerste criterium geldt er derhalve geen plicht tot het opstellen van een MER. Op basis van een aanmeldnotitie heeft een vormvrije m.e.r.-beoordeling plaatsgevonden.
Hieruit zijn geen belangrijke nadelige milieugevolgen gebleken, waaruit bovendien geconcludeerd kan worden dat er geen noodzaak is tot het opstellen van een MER. PM aanmeldnotitie volgt vóórdat omtrent het ontwerp bestemmingsplan wordt besloten.
datum referentie
13 mei 2024 205583_AdB_RAP_0001_v10.0
P 89/101
Ten aanzien van het tweede criterium inzake een mogelijke MER-plicht, geldt dat er bij onderhavige situatie geen sprake is van een plan waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. Onderhavige ontwikkeling heeft met zekerheid geen mogelijk significant effect op Natura 2000-gebieden. Ten aanzien van het derde criterium geldt dat onderhavige activiteit niet is aangewezen als MER-plichtig op grond van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. Conclusie Zoals beschreven is er bij onderhavig plan geen sprake van een verplichting tot het opstellen van een MER en het doorlopen van de m.e.r.-procedure o.g.v. het Besluit m.e.r., de Wet natuurbescherming of de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. Uit de vormvrije m.e.r.-beoordeling volgt dat er geen sprake is van belangrijke nadelige milieugevolgen. Er is dus voldaan aan de wettelijke verplichtingen hieromtrent. Het college van burgemeester en wethouders heeft op 28 november 2023 besloten dat er geen milieueffectrapport hoeft te worden opgesteld. Dit besluit is opgenomen in bijlage 16.
datum referentie
13 mei 2024 205583_AdB_RAP_0001_v10.0
P 90/101
datum referentie
13 mei 2024 205583_AdB_RAP_0001_v10.0
P 91/101
5
Juridische plantoelichting
5.1
Inleiding
Dit hoofdstuk bespreekt de wijze waarop het ruimtelijk en functioneel beleid voor het plangebied in het bestemmingsplan is vertaald. Bij het opstellen van de juridische regeling heeft het uitgangspunt centraal gestaan dat er een regeling geboden wordt die de ontwikkeling van het plangebied mogelijk maakt. 5.2
Opbouw van de regels
Het bestemmingsplan bestaat uit regels en een verbeelding, vergezeld van een toelichting. De regels en de verbeelding vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. De verbeelding heeft de rol van visualisering van de bestemmingen. De verbeelding omvat de gronden die voor de ontwikkeling van het plan van belang zijn. De keuze van de bestemmingen en de situering van de bestemmingsvlakken is gebaseerd op de huidige ruimtelijke situatie en de gewenste functies. Voorts sluit de opzet van de verbeelding aan op de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012). De regels regelen hoe de betreffende gronden mogen worden gebruikt en bebouwd. De bestemmingen zijn zo opgenomen dat voldoende rechtszekerheid bestaat voor omwonenden en andere gebruikers van het gebied en de omliggende gebieden. De regels bestaan uit vier hoofdstukken, te weten: • inleidende regels; • bestemmingsregels; • algemene regels; • overgangs- en slotregels. In de toelichting wordt gemotiveerd waarom sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Ondanks het feit dat de toelichting geen onderdeel uitmaakt van het juridisch plangedeelte, fungeert de toelichting wel als interpretatiekader voor de uitleg van de regels, indien hierover interpretatieverschillen blijken te bestaan. 5.3
Regels
5.3.1
Hoofdstuk 1 ‘Inleidende regels’
Artikel 1 Begrippen In het eerste artikel, ‘begrippen’, worden omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze zijn opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Alleen die begripsbepalingen zijn opgenomen die gebruikt worden in de regels of die tot onduidelijkheid kunnen leiden of voor meerdere interpretaties vatbaar zijn. Voor sommige begrippen worden in de Standaard vergelijkbare bestemmingsplanen (SVBP) en Besluit omgevingsrecht (Bor) omschrijvingen gegeven. Deze zijn overgenomen. Artikel 2 Wijze van meten Om op een eenduidige manier afstanden en oppervlakten te bepalen, wordt in de ‘wijze van meten’ uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeeldingen geldt
datum referentie
13 mei 2024 205583_AdB_RAP_0001_v10.0
P 92/101
steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden. Ook voor de ‘wijze van meten’ worden in de SVBP richtlijnen gegeven die zijn overgenomen in dit plan. 5.3.2
Hoofdstuk 2 ‘Bestemmingsregels’
Artikel 3 Bedrijventerrein - 2 De voor ‘Bedrijventerrein - 2’ aangewezen gronden zijn bestemd voor het nieuwe bedrijfsperceel van het distributiecentrum. Binnen deze bestemming is een bouwvlak opgenomen welke voor niet meer dan 80% mag worden bebouwd. Bedrijfswoningen zijn niet toegestaan. De maatvoeringseisen voor het bestaande bedrijfsperceel zijn bestendigd, evenals de maximaal toegestane milieucategorie ter plaatse. De in 2012 verleende vrijstelling voor een bouwhoogte van 16,5 meter is nu verwerkt in de regels voor het bestaande gebouw. Voor de uitbreiding van het distributiecentrum wordt een maximum hoogte van 15 meter opgenomen. Er is een voorwaardelijke verplichting opgenomen welke toeziet op feitelijke realisatie en instandhouding van de natuurontwikkeling en de aanleg van voldoende waterbergende voorzieningen. Artikel 4 Groen Rondom het bestaande bedrijfsperceel ligt op basis van het vigerende bestemmingsplan een groenbestemming. Deze bestemming is opnieuw opgenomen. Binnen deze bestemming mogen geen bedrijfsactiviteiten plaatsvinden en is slechts beperkt ruimte voor de bouw van gebouwen ten behoeve van de groenbestemming. De voor ‘Groen’ aangewezen gronden zijn bestemd voor het openbaar groen binnen het plangebied alsmede fiets- en voetpaden. Binnen deze bestemming is waterberging en water ook mogelijk.
Artikel 5 Natuur Op de gronden met de bestemming ‘Natuur’ wordt de natuurontwikkeling voorgestaan. Deze gronden zijn onder andere bestemd voor het aanleggen en in stand houden van beplanting ter inpassing van gebouwen, verhardingen en andere voorzieningen in het landschap en de inrichting van een ecologische verbindingszone overeenkomstig het natuurplan. Er is een omgevingsvergunningstelsel opgenomen voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of voor werkzaamheden. Daarmee blijft de te realiseren natuur behouden. Binnen deze bestemming is het niet rechtstreeks toegestaan gebouwen of andere bouwwerken te bouwen.
Artikel 6 Waterstaat – Watergang Deze dubbelbestemming is opgenomen ter bescherming van de in het plangebied voorkomende A-watergangen. Dergelijke watergangen hebben een belangrijke rol voor de waterhuishouding. 5.3.3
Hoofdstuk 3 ‘Algemene regels’
Artikel 7 Anti-dubbeltelregel Om misbruik van de bouwregels te voorkomen, is in dit artikel bepaald dat gronden, die al eens als berekeningsgrondslag voor een omgevingsvergunning hebben gediend, niet nogmaals als zodanig kunnen dienen. Artikel 8 Algemene bouwregels In dit artikel is bepaald welke regels er gelden voor ondergronds bouwen. Ook is een bepaling opgenomen ten aanzien van bestaande afstanden en andere maten, alsmede een bepaling met betrekking tot het bouwen in het radarverstoringsgebied. Artikel 9 Algemene gebruiksregels In dit artikel is opgenomen welke activiteiten onder het strijdig gebruik worden verstaan.
datum referentie
13 mei 2024 205583_AdB_RAP_0001_v10.0
P 93/101