Bestemmingsplan Schuitvaartjaagpad 13 (vastgesteld)
Tekst van het document
In Nederland komen ongeveer 30.000 soorten dieren en planten voor. De Wnb regelt de bescherming van circa 300 in het wild voorkomende soorten inheemse planten en dieren. In de Wnb is onder meer bepaald dat beschermde diersoorten niet gedood, gevangen of verontrust mogen worden en plantensoorten niet geplukt, uitgestoken of verzameld mogen worden. Bovendien dient iedereen voldoende zorg in acht te nemen voor in het wild levende dieren en planten. Daarnaast is het niet toegestaan om hun directe leefomgeving, waaronder nesten en holen, te beschadigen, te vernielen of te verstoren. Bij het beoordelen van de in de planlocatie voorkomende beschermde soorten gaat het primair om soorten die door de ingreep direct beïnvloed worden, doordat: • Zij fysiek aangetast worden (doden/verwonden van dieren, verwijderen van planten); • Zij verstoord worden (toename van geluid of licht); • Hun vaste verblijfplaatsen c.q. groeiplaatsen aangetast of verstoord worden. Gelet op de aard van het initiatief aan het Schuitvaartjaagpad, dient met name bepaald te worden of ter plaatse van de nieuw te realiseren bijgebouw beschermde natuurwaarden voorkomen, die verstoord zouden kunnen worden. Verboden handelingen dienen te worden voorkomen en handelingen mogen niet leiden tot aantasting van de gunstige staat van instandhouding.
Het (onopzettelijk) doden, verwonden of verontrusten van deze soorten is zonder ontheffing niet toegestaan. Gezien het huidige intensieve gebruik van het bouwvlak en de landbouwgronden grenzend aan het bouwvlak is de aanwezigheid van beschermde of bijzondere soorten echter niet te verwachten. Door middel van de ‘Effectenindicator soorten’ van het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit is gekeken of de werkzaamheden voor het realiseren van de beoogde situatie een bedreiging vormt voor de beschermde diersoorten. Voor de realisatie is er sprake van de activiteiten ‘overig bouwwerk bouwen’ en ‘handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening’. Uit de effectenindicator volgt dat de aanwezigheid van beschermde soorten onwaarschijnlijk is, zie onderstaande afbeeldingen.
Pagina 24 van 39
Afbeelding 9: Resultaat effectenindicator soorten
Pagina 25 van 39
Gezien het voorstaande kan geconcludeerd worden dat het aantreffen van beschermde natuurwaarden niet aan de orde is. Een omgevingsvergunning in het kader van de bescherming van soorten is op grond van de Wet natuurbescherming derhalve niet noodzakelijk. Bescherming van houtopstanden De bescherming van houtopstanden zoals die is vastgelegd in de Wnb vloeit voort uit de voormalige Boswet. Voorwaarden zijn gericht op de instandhouding van het bosareaal. Bij houtopstanden groter dan 10 are of 20 rijbomen en liggend buiten de bebouwde kom geldt een meldplicht, herplantplicht en mogelijke oplegging van een kapverbod. Met het initiatief is geen sprake van het vellen van houtopstanden. Hieruit kan worden geconcludeerd dat er op grond van de Wet natuurbescherming geen omgevingsvergunning in het kader van de bescherming van houtopstanden noodzakelijk is. 4.3. Cultuurhistorie, aardkunde en archeologie Voorafgaand aan de realisatie van de beoogde ontwikkeling moet onderzocht worden of er sprake is van aantasting van archeologische, cultuurhistorische en aardkundige waarden.
4.3.1. Cultuurhistorie en aardkunde
Uit de cultuurhistoriekaart van de provinciale Interim omgevingsverordening Noord-Brabant blijkt dat de planlocatie niet in gebied ligt met aardkundige of cultuurhistorische waarden. Daarnaast kent de locatie geen complexen van cultuurhistorisch belang. Op het plangebied staat bovendien geen bebouwing met een monumentale of beeldbepalende status. Hierdoor zal bij uitvoering van het plan geen afbreuk gedaan worden aan cultuurhistorische waarden of aardkundig waardevol gebied. Uit de cultuurhistorische waardenkaart, CHW-kaart, volgt dat de locatie is gelegen binnen de regio van provinciaal cultuurhistorisch belang de 'West-Brabantse Venen', welke grotendeels het gebied welke grotendeels het gebied van West-Brabant omvat. Grofweg het gebied tussen Oud Gastel; Nispen; EttenLeur en Heerle. De winning en het transport van turf heeft het landschap eeuwenlang beheerst. Hieraan herinneren de (relicten van) turfvaarten en de turfhoofden. De ontginning van het veen heeft de ontwikkeling van het gebied mogelijk gemaakt. Op de afgeveende gronden werden nieuwe dorpen gesticht, landgoederen, landbouwgronden en productiebossen aangelegd. Er is een provinciale strategie opgesteld voor de volledige regio. Onderhavig plan is kleinschalig van aard en vindt plaats op een bestaande woonbestemming.
Hierdoor heeft het plan niet een schaalniveau waarop de cultuurhistorische waarden ontwikkeld, behouden of versterkt kunnen worden ter verwezenlijking van de regionale ambitie. Deze ligging heeft derhalve geen invloed op het initiatief. Ook is het plangebied gelegen binnen het provinciaal cultuurhistorisch landschap 'Landgoederen en veenrelicten bij Zundert en Etten-Leur. Hierin zijn de 'Oostpolder' en 'Westpolder' kleinschalige polders, bestaande uit graslanden, akkers en bospercelen. Beide gebieden bevatten elementen van vroegere veenwinning. Op de hoger gelegen terreinen bevinden zich grotere en onregelmatige blokpercelen met perceelrandbegroeiing. Het plangebied is gelegen op een hoger gelegen terrein. Veel landschapselementen blijven met het plan behouden en aan de zuidzijde wordt perceelrandbegroeiing toegevoegd. Derhalve is er vanuit dit aspect geen invloed op het initiatief. Conclusie: Het voornemen doet geen afbreuk aan cultuurhistorische waarden binnen of in de omgeving van het plangebied.
4.3.2. Archeologie
De zorg voor archeologische monumenten wordt geregeld in het proces van de ruimtelijke ordening. Zo is wettelijk bepaald dat gemeenten in nieuwe bestemmingsplannen rekening moeten houden met de in de grond aanwezige, dan wel te verwachten, archeologische waarden. Bij deze nieuwe plannen kunnen voorwaarden worden gesteld aan omgevingsvergunning voor de activiteiten bouw, aanleggen e.d. In het bestemmingsplan “Buitengebied” en de partiële herziening van dit plan is voor de locatie een dubbelbestemming Waarde – Archeologie 2 opgenomen.
Pagina 26 van 39
De gronden ter plaatse van het beoogde bijgebouw zijn nu en in het verleden in gebruik als landbouwgrond. De gronden zijn ter plaatse ernstig verstoord door de toepassing van diverse landbouwwerkzaamheden zoals diepploegen en -woelen. Tevens is ter plaatse van de locatie in het verleden ruilverkaveling toegepast waardoor van sporen van oude verkavelingspatronen geen sprake meer is. Gelijktijdig met de ruilverkaveling zijn de gronden geëgaliseerd, afgeschaafd en opgehoogd, waardoor bodemlagen verstoord zijn. Hierdoor wordt de kans op aanwezigheid van archeologische waarden zeer gering geacht. Tevens worden mogelijk aanwezige archeologische waarden in situ behouden doordat de gronden ter plaatse van de uitbreiding slechts tot funderingsdiepte worden afgegraven in de bovenste grondlaag. In de bovenste grondlaag zijn het aantreffen van archeologische waarden nihil. Daarom is een nader onderzoek niet noodzakelijk. Bovendien zijn hier de regels van toepassing bij Waarde – Archeologie 2 als het te verstoren gebied groter is dan 1.000 m². De verstoring door dit plan blijft onder deze maat. Evenwel kan het niet worden uitgesloten waardoor bij eventuele ingrepen in de grond de archeologische waarden gewaarborgd dienen te worden. Zoals vermeld is de ‘Waarde – Archeologie – 2’ ter plaatse opgenomen.
Hierdoor kan bij eventuele toekomstige ontwikkelingen in de bodem alsnog middels onderzoek aangetoond worden of archeologische waarden in het geding zijn. 4.4. Landschappelijke inpassing Het landschap is gebaat bij een inpassing welke in overeenstemming is met de omgeving. Het behoort de karakteristieke kenmerken van het gebied te versterken en negatieve invloeden zo veel mogelijk weg te nemen. Het gebied ten zuiden van Etten-Leur als geheel is een uniek gebied met een sterk coulissenlandschap, waar verdichting in de vorm van bebouwing en landschapselementen (bossen, wallen e.d.) een meer gesloten kleinschaliger karakter geven. De waarden dienen dan ook zoveel mogelijk behouden en waar mogelijk versterkt worden. Met de inpassing van de locatie aan het Schuitvaartjaagpad 13 wordt hier rekening mee gehouden. Door de aanplant van een houtsingel aan de zuidzijde van het plangebied. Dit vormt een natuurlijk afscheiding waardoor de locatie tevens aan het zicht wordt onttrokken. Aan de andere zijden is inpassing niet mogelijk door de aanwezigheid van de naastgelegen woning. In Bijlage 5 is het landschappelijk inpassingsplan met bijbehorende plantsortiment/plantenlijst te vinden. 4.5. Bodemkwaliteit In het kader van ruimtelijke ontwikkelingen dient de aanwezige bodemkwaliteit te passen bij het huidige of toekomstige gebruik van die bodem.
Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit als gevolg van aanwezige bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem. Bovendien mag de bodemkwaliteit niet verslechteren. Indien de bodemkwaliteit (humane) risico’s met zich mee brengt of er sprake is van een spoedeisend geval van bodemverontreiniging kan de ontwikkeling voor bepaalde nieuwe functies geen doorgang vinden tot de risico’s zijn beheerst of weggenomen door sanering. Een historisch en verkennend bodemonderzoek conform de NEN 5740 dient te worden uitgevoerd wanneer de bestemming en/of gebruik wordt gewijzigd én wanneer een gebouw of gebruik wordt gerealiseerd waarin mensen 2 uur of langer gaan verblijven. In dit geval wordt er geen nieuw gebruik gerealiseerd waarin mensen 2 uur of langer gaan verblijven. De bestaande woning mag al als zodanig worden gebruikt. De bedrijfsgebouwen die vervangen worden zullen worden gebruikt voor het bedrijf aan huis en als paardenstal. Dit gebruik is verglijkbaar met het huidige gebruik als bijgebouw en dus niet gericht op het verblijf van mensen voor een periode van 2 uur of langer. Er is derhalve geen sprake van onaanvaardbare risico’s voor de huidige en toekomstige gebruikers van de bodem. Ten aanzien van het aspect bodem zijn er derhalve geen bezwaren voor de gewenste ontwikkeling.
Een nader onderzoek naar de bodemgesteldheid is dan ook niet noodzakelijk.
Pagina 27 van 39
4.6. Bedrijven en milieuzonering De handreiking ‘Bedrijven en Milieuzonering’ (editie 2009) is een publicatie van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en dient als hulpmiddel voor milieuzonering in de ruimtelijke planvorming. Milieuzonering zorgt ervoor dat nieuwe bedrijven een passende locatie in de nabijheid van woningen krijgen en dat nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven gesitueerd worden. Het waar nodig ruimtelijk scheiden van bedrijven en woningen bij nieuwe ontwikkelingen dient twee doelen: • Het al in het ruimtelijke spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar voor woningen; • Aan bedrijven voldoende zekerheid bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren. De VNG-publicatie is een hulpmiddel om de afstanden tussen bedrijvigheid en woningen concreet in te vullen. Gemeenten beslissen uiteindelijk zelf over een bepaalde locatie. De handreiking geeft informatie over de ruimtelijk relevante milieuaspecten (geur, stof, geluid en veiligheid) en bijbehorende richtafstanden van een scala aan bedrijfsactiviteiten. Deze richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit. Er wordt onderscheid gemaakt in de omgevingstypen: • Rustige woonwijk en rustig buitengebied: een woonwijk (of vergelijkbaar omgevingstype) die is ingericht volgens het principe van functiescheiding.
Er komen enkel wijkgebonden voorzieningen voor en er is weinig verstoring door verkeer. • Gemengd gebied: een gebied met matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen functies zoals winkels, horeca en kleine bedrijven voor of er is sprake lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid. Ook gebieden die direct naast de hoofdinfrastructuur liggen behoren tot het omgevingstype gemengd gebied, hier is sprake van verhoogde milieubelasting door geluid. Hier zijn dan ook kleinere richtafstanden te rechtvaardigen (behalve voor het aspect veiligheid). De planlocatie ligt conform de definitie in de VNG-publicatie in het omgevingstype ‘rustig buitengebied’. In de directe omgeving vindt geringe functiemenging plaats. Tevens is er weinig verstoring door verkeer. Qua aanvaardbare milieubelasting is dit omgevingstype dus vergelijkbaar met een rustige woonwijk. Een kleinschalig aannemers bedrijf (<1.000 m2)/ hovenier (<500 m2) behoort tot milieucategorie 2. Voor een bedrijf uit deze milieucategorie, liggend in rustig buitengebied, is de richtafstand 30 m. De dichtstbij liggende woning van derden Schuitvaartjaagpad 11 bevindt zich aansluitend het plangebied. Echter worden de bedrijfsactiviteiten en het gebouw op een afstand van ca.
35 meter van de gebouwen en voorzieningen ten behoeve van het bedrijf op het perceel Schuitvaartjaagpad 13 gerealiseerd. Hierbij wordt ook de ontsluiting op een dergelijke afstand gelegd. Zie hiervoor ook de afbeelding uit paragraaf 2.2. Op grond hiervan kan worden gesteld dat ruimschoots wordt voldaan aan de richtafstanden. 4.7. Geur De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) betreft een wet waarmee de nationale regels inzake geurhinder ten opzichte van de tot veehouderijen behorende dierenverblijven vastgesteld staan. De Wet geurhinder en veehouderij heeft tot doel het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van geurbelasting, onder andere als gevolg van emissies door bedrijven. Indirect heeft de Wgv ook consequenties voor de totstandkoming van geurgevoelige objecten en dus voor de ruimtelijke ordening, dit wordt ‘omgekeerde werking’ genoemd. Voor wat betreft geurhinder van veehouderijen betekent dit dat de volgende aspecten in ogenschouw moeten worden genomen: 1. Wordt er een onevenredige inbreuk gemaakt op de mogelijkheden voor bedrijfsontwikkeling van de nabij gelegen veehouderijen? 2. Is ter plaatse van de planlocatie een goed woon- en verblijfklimaat gegarandeerd?
4.7.1. Houden van paarden
De aanwezige paarden zijn beperkt tot kleine aantallen waardoor de gehouden dieren als hobbymatig beschouwd mogen worden. Dit is maximaal vijf volwassen paarden en vijf veulens of paarden in opfok.
Pagina 28 van 39
Voor deze dieren zijn in het Activiteitenbesluit enkel vaste afstanden opgenomen ten aanzien van het aspect geur afkomstig van het houden van landbouwhuisdieren in dierenverblijven. Hierin is opgenomen dat de afstand tussen een dierenverblijf waar dergelijke paarden worden gehouden en geurgevoelig object ten minste 50 meter dient te zijn, indien het geurgevoelig object buiten de bebouwde kom is gelegen. Deze afstand dient gemeten te worden tussen het geuremissiepunt en de gevel van het dichtstbijzijnde geurgevoelige object. Daarnaast is het Activiteitenbesluit opgenomen dat de afstand tussen de buitenzijde van een dierenverblijf en een geurgevoelig object ten minste 25 meter dient te zijn, indien het geurgevoelige object in het buitengebied is gelegen. Ook deze afstand dient gemeten te worden vanaf de buitenzijde van de paardenstallingen en de gevel van de het dichtstbijzijnde geurgevoelige object. Een dergelijke afstand is in het Activiteitenbesluit ook opgenomen voor een mestopslag, 50 meter. Daar achter het beoogde nieuwe bijgebouw een vaste mestopslag is voorzien dient hier rekening mee gehouden te worden. Gezien de ligging van de vaste mestopslag achter het nieuwe gebouw is de afstand ruim voldoende. Binnen de 50 meter-contour rondom het dierenverblijf zijn geen geurgevoelige objecten aanwezig.
Er wordt derhalve, ondanks het hobbymatig aantallen dieren, voldaan aan de vaste afstanden voor geur uit het Activiteitenbesluit. Hierbij wordt in acht genomen dat de bestaande woning op Schuitvaartjaagpad 11 reeds op de bestaande locatie gehandhaafd zal blijven zodat de maximaal planologische mogelijkheden hierop gebaseerd mogen worden. Dit ligt in het feit dat de woningen op zowel nummer 11 en 13 aaneengeschakeld zijn en op grond van de vigerende bestemmingsplanregels 23.2.2 onder b en 23.3.2 herbouw niet mogelijk is. Daar er geen geurgevoelige objecten aanwezig zijn binnen de toetsafstand van 50 meter is er eveneens sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. De overige activiteiten hebben een dermate geringe uitstraling dat deze op slechts enkele tientallen meters vanaf de locatie merkbaar zijn. Gezien hetgeen hierboven beschreven kan geconcludeerd worden dat het beoogde ontwikkeling ten aanzien van het aspect geur past in de omgeving.
4.7.2. Omgekeerde werking Met de beoogde ontwikkeling wordt geen nieuw geurgevoelig object opgericht. In het kader van de Wet geurhinder en veehouderij is en blijft de woning een geurgevoelig object. De locatie is namelijk geen veehouderijlocatie of locatie die op of na 19 maart 2000 heeft opgehouden deel uit te maken van een andere veehouderij. Hierdoor is het object in de bestaande situatie al beschermt voor wat betreft de aspecten geur. De bestaande afstand tussen de woning en veehouderijen in de omgeving wordt met het initiatief niet verkleind. Daarom zal de gebruikswijziging met zekerheid geen onevenredige belemmering vormen voor de ontwikkelingsmogelijkheden van nabij gelegen veehouderijen. De toetsingsafstand voor die veehouderijen verandert immers niet.
4.7.3. Woon- en leefklimaat
Vanuit een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat er ter plaatse van de planlocatie sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat ten aanzien van het aspect geur. Om dit te kunnen beoordelen is in eerste instantie aangesloten bij de richtafstanden die zijn gesteld in de VNG-handreiking. De dichtstbijzijnde intensieve veehouderij ligt op circa 300 meter. Om het woon- en leefklimaat ten aanzien van het aspect geur ter plaatse van het plangebied nader te beschouwen wordt gebruik gemaakt van de achtergrondbelastingkaart, opgesteld door de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant. Als bronnenbestand is een export van het Bestand Veehouderijen Brabant opgenomen met als peildatum maart 2022 gebruikt en de kaart kan daartoe als vrij recentelijk en accuraat worden beschouwd. Uit Afbeelding 10 blijkt dat ter plaatse van het plangebied de kwaliteit van de leefomgeving zeer goed is voor wat betreft het aspect geur. Ten aanzien van het aspect geur zijn er dus geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.
Pagina 29 van 39
Afbeelding 10: Uitsnede kaart Achtergrondbelasting geur ODZOB
Ten aanzien van het aspect geur zijn er dus geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling. 4.8. Luchtkwaliteit In het kader van een planologische procedure dient te worden aangetoond dat voldaan wordt aan de wettelijke normen voor wat betreft luchtkwaliteit. Hierbij dient het effect op de luchtkwaliteit in de omgeving als gevolg van een nieuwe ontwikkeling, als ook de toetsing aan de Wet luchtkwaliteit in beeld te worden gebracht. Op 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking getreden en sindsdien staan de hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5 Wm). In de Wet luchtkwaliteit zijn luchtkwaliteitseisen opgenomen voor luchtverontreinigende stoffen in de buitenlucht. Met name de stoffen stikstofdioxide (NO 2) en fijnstof (PM10 en PM2,5) worden beleidsmatig relevant geacht. Er dient te worden aangetoond dat het woon- en leefklimaat ten aanzien van deze stoffen ter plaatse aanvaardbaar is en als gevolg van de beoogde ontwikkeling in de omgeving aanvaardbaar blijft.
4.8.1. Niet in betekenende mate
Indien ontwikkelingen binnen de planlocatie gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit moet aandacht worden besteed aan de gevolgen voor de milieukwaliteitseisen. Onderzoek moet worden verricht naar de gevolgen voor de in bijlage 2 van de Wet milieubeheer genoemde milieukwaliteitseisen voor de buitenlucht. Volgens de Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007 moeten de concentraties worden bepaald vanaf de grens van het terrein van de inrichting. Dit onderzoek kan echter achterwege blijven indien de nieuwe bestemming betrekking heeft op één of meer categorieën van gevallen als genoemd in de Regeling niet in betekende mate bijdragen. In die gevallen wordt aangenomen dat de toename van de concentratie in de buitenlucht van zowel zwevende deeltjes (PM 10) als stikstofdioxide de 3% grens van de jaargemiddelde concentratie niet overschrijdt. Als sprake is van een beperkte toename van de luchtverontreiniging die ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdraagt aan de concentratie PM10 in de buitenlucht, hoeft een plan niet langer meer getoetst te worden. Dit volgt uit artikel 5.16, lid 1, sub c, van de Wet milieubeheer. Het Besluit NIBM legt vast wat geldt als niet in betekenende mate bijdragen.
Voor de volgende categorieën in de Regeling NIBM kan getoetst worden aan of een plan NIBM bijdraagt: • Categorie woningbouwlocaties; • Categorie kantoorlocaties; • Combinatie van woningbouw en kantoren; • Categorie inrichtingen. Er is dus geen relevantie als aannemelijk kan worden gemaakt, dat de luchtkwaliteit ‘niet in betekenende mate’ aangetast wordt. Daartoe is een algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate’ (Besluit NIBM) en een ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) vastgesteld waarin de uitvoeringsregels vastgelegd zijn die betrekking hebben op het begrip NIBM.
Pagina 30 van 39
Het begrip 'niet in betekenende mate' is gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor NO2 en PM10. Voor het beoogde kleinschalig aannemersbedrijf/hovenier dient bepaalt te worden of de eventuele toename in het aantal verkeersbewegingen van en naar de inrichting invloed hebben op de luchtkwaliteit in de omgeving. Het ministerie van Infrastructuur en Milieu heeft hier in samenwerking met Kenniscentrum InfoMil een specifieke rekentool voor ontwikkeld. Met die tool kan op een eenvoudige en snelle manier worden bepaald of de verkeersaantrekkende werking van een functie ‘Niet In Betekenende Mate’ bijdraagt aan de concentratie van fijnstof in de buitenlucht. Voor het bedrijf aan huis is worst-case 4 zware verkeersbewegingen per dag aannemelijk. In de ochtend zal de eigenaar de vrachtwagen ten behoeve van het transporteren van machines inladen en deze wordt meegenomen naar locatie. Worst-case scenario zal de eigenaar een extra keer op en neer rijden ten behoeve van het bedrijf aan huis per werkdag. Uit de berekening met de NIBM-tool blijkt dat bij een toename met dit aantal de bijdrage aan de fijnstofconcentratie nog NIBM is. Bovendien vinden er in de bestaande situatie ook al verkeersbewegingen van en naar de inrichting plaats. De beoogde ontwikkeling heeft dus met zekerheid geen significant negatieve effecten op de luchtkwaliteit in de omgeving.
Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit, GCN2022 Jaar van planrealisatie
2023
Extra verkeer als gevolg van het plan Extra voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde)
4
Aandeel vrachtverkeer
100,0%
NO2 in μg/m3
0,05
PM10 in μg/m3
0,00
Maximale bijdrage extra verkeer Grens voor "Niet In Betekenende Mate" in μg/m 3
1,2
Conclusie De bijdrage van het extra verkeer is niet-in-betekenende-mate; geen nader onderzoek nodig
Afbeelding 11: Uitsnede NIBM-tool
De beoogde ontwikkeling heeft dus met zekerheid geen significant negatieve effecten op de luchtkwaliteit in de omgeving. Er kan worden geconcludeerd dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor het initiatief.
4.8.2. Woon- en leefklimaat
Op grond van de Wet luchtkwaliteit zijn grenswaarden opgenomen voor de jaargemiddelde concentraties voor onder andere fijnstof (PM10). De grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie bedraagt 40 μg/m3. Vanaf 1 januari 2015 geldt daarnaast een grenswaarde voor PM 2,5 waaraan door het bevoegd gezag bij vergunningverlening moet worden getoetst. Deze grenswaarde is opgenomen in de Wet milieubeheer en bedraagt 25 μg/m3 voor de jaargemiddelde concentratie. Voor de kortdurende blootstelling van de mens aan piekconcentraties van NO 2 geldt een grenswaarde van 200 μg/m3 voor het uurgemiddelde van NO2. Indien aan deze grenswaarden wordt voldaan, mag worden aangenomen dat het woon- en leefklimaat ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit aanvaardbaar is. Het RIVM heeft Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten van Nederland waarop de achtergrondconcentratie van fijnstof PM10, PM2,5 en NO2 ten aanzien van een goed woon- en leefklimaat geraadpleegd kan worden. De jaargemiddelde fijnstofconcentratie binnen de planlocatie is conform de GCN-kaart voor fijnstof PM10 <16 μg/m3, voor PM2,5 <8 μg/m3 en voor NO2 <12 μg/m3. Ten aanzien van de luchtkwaliteit zijn er dus geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.
Pagina 31 van 39
4.9. Geluid De Wet geluidhinder (Wgh) vormt sinds 1979 het juridisch kader voor het Nederlandse geluidsbeleid. Deze wet zorgt voor de bescherming van geluidsgevoelige bestemmingen tegen geluidhinder van wegverkeerslawaai, spoorweglawaai en industrielawaai. Hierbij wordt o.a. gebruik gemaakt van zonering en geluidsnormen. In de Wgh is bepaald dat voor locaties in een bestemmingsplan waar woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen kunnen worden gerealiseerd, de geluidbelasting dient te worden onderzocht binnen de zones behorende bij verkeersbewegingen, spoorwegen en industrieterreinen. In de omgeving van de planlocatie liggen geen spoorwegen of industrieterreinen. De planlocatie ligt wel binnen het geluidszone van het Schuitvaartjaagpad. Met de beoogde ontwikkeling wordt echter geen nieuw geluidsgevoelig object opgericht. De nieuw op te richten bijgebouw wordt als zodanig aangemerkt. Er hoeft derhalve geen onderzoek te worden gedaan naar de geluidsinvloed van industrieterreinen in de omgeving of omliggende wegen en spoorlijnen op geluidsgevoelige objecten binnen de planlocatie. Er kan worden geconcludeerd dat er voor wat betreft het aspect geluid geen belemmeringen zijn voor het initiatief. 4.10.
Verkeer en parkeren Binnen de planlocatie dient een adequate afwikkeling van personen- en goederenvervoer verzekerd te zijn, waaronder een goede aansluiting op de aanwezige infrastructuur van weg, water of spoor. De planlocatie ligt aan een zijweg/ventweg van het Schuitvaartjaagpad. Een verharde weg die voornamelijk wordt gebruikt door bestemmings- en sluipverkeer. De zijweg wordt enkel gebruikt door bestemmingsverkeer. De weg wordt ontsloten door de Klappenberg in het noorden, welke aansluit op de Rijsbergseweg N394 en de verder via het Schuitvaartjaagpad in zuidelijke richting naar het natuurgebied Pannenhoef en Klein Zundert. Deze ontsluitingsroutes beschikken over voldoende capaciteit om verkeersbewegingen af te wikkelen. Er zullen de beoogde situatie zowel personenvervoersmiddelen als zwaardere vervoersmiddelen van en naar de inrichting bewegen. Er dient tevens voorzien te zijn in voldoende parkeergelegenheid. Voor wat betreft de parkeernormen wordt tevens aangesloten bij CROW notitie ‘Toekomstbestendig parkeren’ (editie 2018). Hierin zijn voor uiteenlopende functies parkeernormen opgenomen. Voor een vrijstaande woning in het buitengebied geldt een norm van 2,0-2,8 parkeerplaatsen per woning. Bij de woning is voldoende ruimte aanwezig om te voorzien in minimaal drie privé parkeerplaatsen.
Voor een bedrijf in de categorie ‘arbeidsextensief/bezoekersextensief’ dat ligt in het buitengebied geldt een parkeernorm van minimaal 0,8 per 100 m2 bedrijfsvloeroppervlakte. Binnen de beoogde bedrijfsbestemming is maximaal 400 m2 bedrijfsbebouwing toegestaan. Dit betekent dat ten behoeve van deze functie voorzien moet worden in 3,2 parkeerplaatsen. Op het terrein is voldoende ruimte om deze 4 parkeerplaatsen te realiseren. De beoogde ontwikkeling vormt dus geen belemmering voor wat betreft de aspecten verkeer en parkeren. 4.11. Externe veiligheid Externe veiligheid heeft betrekking op de risico’s die mensen lopen ten gevolge van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven en transportverbindingen (wegen, spoorwegen, waterwegen en buisleidingen). Externe veiligheid gaat nadrukkelijk niet over de veiligheid van de mensen die werkzaam zijn binnen het bedrijf of binnen een risicogebied van een transportroute.
4.11.1. Regelgeving
De regelgeving rondom externe veiligheid is opgenomen in diverse besluiten en regelingen. Besluiten en regelingen, waarin de aanvaardbare risico’s zijn vastgelegd, zijn:
Pagina 32 van 39
• • •
Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt)
De normen in de besluiten zijn vastgelegd in de vorm van grenswaarden en richtwaarden. De grenswaarden geven de milieukwaliteit aan die op een bepaald tijdstip ten minste moet zijn bereikt, en die, waar zij aanwezig is, ten minste in stand moet worden gehouden. De richtwaarden geven de kwaliteit aan die op een bepaald tijdstip zoveel mogelijk moet zijn bereikt en die, waar zij aanwezig is, zoveel mogelijk in stand moet worden gehouden. De externe veiligheidsrisico’s worden uitgedrukt in het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR) binnen het invloedsgebied.
4.11.2. Toetsing aan beleid Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan normen vermeld in bovengenoemde regelgeving. Een ontwikkeling is niet toegestaan indien deze leidt tot een overschrijding van de grenswaarden. Van de richtwaarden kan gemotiveerd worden afgeweken. Toetsing aan het beleid begint met de inventarisatie van de omgeving van de planlocatie. Dit is inzichtelijk gemaakt middels onderstaande uitsnede van de Risicokaart Nederland, zie Afbeelding 12.
Afbeelding 12: Uitsnede Risicokaart (Atlas Leefomgeving)
Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) Gezien de aard van de voorgenomen activiteiten (exploitatie van een kleinschalig bedrijf aan huis) op de planlocatie is het Bevi niet van toepassing. De werkzaamheden omvatten niet het gebruik, opslag of vervoer van gevaarlijke stoffen. Uit de risicokaart blijkt dat er geen risicovolle inrichtingen en kwetsbare objecten aanwezig zijn op of nabij de planlocatie. Er ontstaan daardoor geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkelingen op de planlocatie. Het plan voorziet ook niet in de realisatie van nieuwe beperkt kwetsbare objecten. Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) De ontwikkeling ligt buiten de invloedsfeer van zowel het spoortraject als de Rijksweg. Daarom is verdere beoordeling aan het Bevt niet van toepassing. Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) In het geldende bestemmingsplan “Buitengebied” is in de nabijheid geen dubbelbestemming ‘Leiding – […]’ opgenomen. De voorgenomen ontwikkelingen liggen buiten deze dubbelbestemming en de
Pagina 33 van 39
voorgenomen ontwikkelingen hebben geen invloed op het bepaalde in de bijbehorende regels. De ontwikkeling ligt buiten de invloedsfeer van de in het Bevb opgenomen buisleidingen. Daarom is verdere beoordeling aan het Bevb niet van toepassing.
Conclusie
Wat betreft het aspect externe veiligheid zijn er geen belemmeringen voor het plan. 4.12. Technische infrastructuur In of nabij de planlocatie liggen geen planologisch relevante buisleidingen en lopen tevens geen relevante straalpaden (zoals te zien op de risicokaart in Afbeelding 12). Voordat er gebouwd wordt zal er een KLIC-melding gemaakt worden om relevante kabels en leidingen van de planlocatie in beeld te brengen.
Pagina 34 van 39
5. Juridische planbeschrijving In dit hoofdstuk wordt een toelichting gegeven op de juridische regeling van dit bestemmingsplan 5.1. Juridische achtergrond De Wet ruimtelijke ordening (Wro) verplicht gemeenten bestemmingsplannen op te stellen. In de Wro en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is nader uitgewerkt uit welke onderdelen een bestemmingsplan (ook: wijzigingsplan) in ieder geval moet bestaan. Het gaat om een verbeelding met planregels en een toelichting daarop. Daarnaast biedt zowel de Wro als het Bro opties voor een nadere juridische inrichting van een bestemmingsplan. Hierbij moet worden gedacht aan de toepassing van afwijkingsmogelijkheden en wijzigingsbevoegdheden en het toepassen van nadere eisen. Uitgangspunt is dat het bestemmingsplan moet voorzien in een passende regeling voor de komende tien jaar. Dat is in principe de geldigheidsduur van een bestemmingsplan. Het juridisch bindende onderdeel van het bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding en regels. De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden en gebouwen en bepalingen betreffende de toegelaten bebouwing. De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor de toepassing van de regels evenals de functie van visualisering van de bestemmingen. De verbeelding vormt samen met de regels het voor de burgers bindende onderdeel van het bestemmingsplan.
Bij bestemmingsplannen gaat het om de belangen van burgers en bedrijven. Zij dienen zich snel en op eenvoudige wijze een juist beeld te kunnen vormen van de planologische mogelijkheden en beperkingen op één of meerdere locatie(s). Daarnaast is de vergelijkbaarheid van ruimtelijke plannen van belang voor degenen die deze plannen in grotere samenhang wensen te bezien. Hierbij kan gedacht worden aan degenen die betrokken zijn bij de planvoorbereiding, de planbeoordeling en het monitoren van beleid. De SVBP maakt het mogelijk om bestemmingsplannen te maken die op vergelijkbare wijze zijn opgebouwd en op eenzelfde manier worden verbeeld. De SVBP geeft bindende standaarden voor de opbouw en de verbeelding van het bestemmingsplan, zo ook voor de regels. Voor bestemmingsplannen, zoals dit plan, is het verplicht de regels van de SVBP te volgen. 5.2. Toelichting verbeelding Op de verbeelding zijn de bestemmingen van de in het plan begrepen gronden aangewezen en begrensd.
Op de verbeelding zijn de volgende bestemmingen en aanduidingen opgenomen: • Enkelbestemmingen: o Agrarisch met waarden o Groen - Houtsingel o Wonen • Dubbelbestemmingen: o Waarde - Archeologie 2 • Gebiedsaanduidingen: o overige zone - groenblauwe mantel o overige zone - landschappelijk afwisselend gebied • Functieaanduidingen o specifieke vorm van wonen - bedrijf aan huis o specifieke vorm van wonen - hobbymatig houden van paarden o specifieke vorm van wonen - voorwaarde landschappelijke inpassing • Maatvoering o Sloop- en bonusregeling: 400 m2 Voor de benaming van de bestemmingen en aanduidingen is aangesloten bij het moederplan bestemmingsplan “Buitengebied”. Voor het overige wordt aangesloten bij het SVBP.
Pagina 35 van 39
Ten opzichte van het vigerende bestemmingsplan is in dit plan voor de locatie de enkelbestemming ‘Groen-Houtsingel’ opgenomen ter borgen van de inpassing. Daarnaast zijn vier functieaanduidingen opgenomen voor het uitvoeren van een bedrijf aan huis en voor het hobbymatig houden van paarden. Ook er is een sloop- en bonusregeling en een landschappelijke inpassing van toepassing. 5.3. Toelichting regels De regels behorende bij dit bestemmingsplan bestaan uit inleidende regels, bestemmingsregels, algemene regels en overgangs- en slotregels. De regels bij dit bestemmingsplan worden gewijzigd ten opzichte van het geldende bestemmingsplan. Echter waar het mogelijk is wordt aangesloten bij de regels van het bestemmingsplan “Partiële herziening Buitengebied”. De regels hebben betrekking op de in de verbeelding opgenomen bestemmingen en aanduidingen. Ter borging van de aanleg en instandhouding van het landschappelijk inpassingsplan is een voorwaardelijke gebruiksverplichting opgenomen in de gebruiksregels. Hiervan kan alleen worden afgeweken mits er voldaan blijft worden aan het regionale afsprakenkader voor kwaliteitsverbetering van het landschap.
Pagina 36 van 39
6. Uitvoerbaarheid In dit hoofdstuk wordt de financiële en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan uiteengezet. 6.1. Financiële uitvoerbaarheid De voorgestane ontwikkeling aan het Schuitvaartjaagpad 13 te Etten-Leur betreft een particulier initiatief. De met de ontwikkeling gepaard gaande kosten worden dan ook gedragen door de desbetreffende particuliere initiatiefnemer. Hiermee is de financiële haalbaarheid voor de gemeente gegarandeerd. Dit plan heeft geen financiële consequenties voor de gemeente. Dit kan worden vastgelegd in een anterieure overeenkomst, waarbij de eventuele planschade voor rekening komt voor de initiatiefnemer. De economische uitvoerbaarheid is hiermee voldoende aangetoond. 6.2. Maatschappelijke uitvoerbaarheid De maatschappelijke uitvoerbaarheid heeft als doel aan te tonen dat het plan maatschappelijk draagvlak heeft. In dat kader is de gelegenheid tot inspraak geboden (in de vorm van publicatie van het (voor)ontwerpbestemmingsplan). Ook heeft vooroverleg plaatsgevonden met de daartoe aangewezen instanties.
6.2.1. Vooroverleg en omgevingsdialoog
In het kader van artikel 3.1.1 Bro is overleg gevoerd over het voorontwerp bestemmingsplan met de gebruikelijke overlegpartners, Waterschap Brabantse Delta en provincie Noord-Brabant. Naar aanleiding van dit overleg hebben de overlegpartners geen opmerkingen gemaakt. Initiatiefnemers hebben de beoogde plannen voorgelegd aan omwonenden middels een bezoek. De reacties hierop zijn toegevoegd als in Bijlage 6 bij dit bestemmingsplan. De opmerkingen uit de omgevingsdialoog hebben niet geleid tot wijziging van het bestemmingsplan. Samenvattend kan worden gesteld dat de omwonenden niet negatief tegenover de gewenste ontwikkeling staan.
6.2.2. Zienswijzen
De vaststellingsprocedure van het bestemmingsplan vindt plaats volgens artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening. Het ontwerp wordt in dit kader ter visie gelegd gedurende een periode van zes weken. Gedurende deze periode wordt een ieder in de gelegenheid gesteld zijn zienswijzen kenbaar te maken tegen het plan. De eventueel ingebrachte zienswijzen worden behandeld in de zienswijzenota. De eventuele wijzigingen t.o.v. het ontwerp zullen hierin worden verwoord. Het plan heeft ter inzage gelegen van 7 december 2023 t/m 17 januari 2024 en er zijn geen zienswijzen ontvangen.
6.2.3. Beroep
Na vaststelling wordt het bestemmingsplan voor de tweede maal zes weken ter visie gelegd. Gedurende deze periode kan een ieder beroep instellen tegen het vaststellingsbesluit bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Tevens kan er beroep worden ingesteld tegen de eventueel gewijzigde onderdelen. Indien geen beroep wordt ingesteld, is het plan na deze beroepstermijn onherroepelijk en treedt het plan in werking. Gezien een ieder de mogelijkheid heeft om te reageren op het bestemmingsplan door het kenbaar maken van zienswijzen, wordt na afloop van de hierboven beschreven procedure het plan als maatschappelijk uitvoerbaar beschouwd.
Pagina 37 van 39
7. Bijlagen Bijlage 1: Situatietekening Bijlage 2: Notitie invoergegevens AERIUS berekening Bijlage 3: AERIUS berekening bouwfase Bijlage 4: AERIUS berekening gebruiksfase Bijlage 5: Landschappelijk inpassingsplan Bijlage 6: Verslag omgevingsdialoog Bijlage 7: Kwaliteitsberekening
Pagina 38 van 39
Pagina 39 van 39
Schuitvaartjaagpad 13
bestemmingsplan Schuitvaartjaagpad 13
Inhoudsopgave
Bijlagen bij toelichting
3
Bijlage 1
Situatietekening
4
Bijlage 2
Notitie invoergegevens AERIUS
6
Bijlage 3
AERIUS berekening bouwfase
14
Bijlage 4
AERIUS berekening gebruiksfase
24
Bijlage 5
Landschappelijk inpassingsplan
35
Bijlage 6
Verslag omgevingsdialoog
37
Bijlage 7
Kwaliteitsberekening
43
2 eld)
bestemmingsplan "Schuitvaartjaagpad 13" (vastgest
bestemmingsplan Schuitvaartjaagpad 13
Bijlagen bij toelichting
bestemmingsplan "Schuitvaartjaagpad 13" (vastgesteld) 3
bestemmingsplan Schuitvaartjaagpad 13
Bijlage 1 Situatietekening
4 eld)
bestemmingsplan "Schuitvaartjaagpad 13" (vastgest
2375
2375
1137
1137
50 m
2246
2246
11
11 50 m
2318
2318
1 7.8 m
1 13
50 m
13
2 2247
m
2247
25.2
13 .0 m
4 bouwvlak bestaand 2205m
2
bouwvlak beoogd 2600m2 9.8 m
3 11.6
2376
m
m
2376
14.5
16.0
m
2319
15
1140
NW SITUATIE BESTAAND
Kadastrale gemeente: Etten-Leur Sectie/nummer(s): Q / 2247 & 2376 Schaal: 1:1000
N
w ZW
2319
z
5
6.5 m 2.5 m
50 m
15
NO
ZO
8.0 m
6
1140
O
10.0
2.5 m
Schuit vaartj aagpa d
Schuit vaartj aagpa d
m
5. 0 m
NW SITUATIE BEOOGD
Kadastrale gemeente: Etten-Leur Sectie/nummer(s): Q / 2247 & 2376 Schaal: 1:1000
N
NO
w ZW
O z
ZO
RENVOOI 1. 2. 3. 4. 5. 6.
bestaande woning te slopen loods / paardenstal te slopen berging / loods te slopen berging nieuw te bouwen loods / hobbypaarden nieuw aan te leggen vaste mestopslag / groenafval
totale oppervlakte bestaande bebouwing exclusief woning (2,3,4) totale oppervlakte nieuwe bebouwing exclusief woning (5) bestaande bebouwing te slopen bebouwing nieuwe bebouwing zonder vee nieuwe bebouwing t.b.v. huisvesting paarden
© VAN DUN ADVIES BV
336m2 400m2
Vestiging Ulicoten T. 013 5199458 Vestiging Someren T. 0493 745015
bebouwing derden bouwvlak bestaand / nieuw 2205m2 landschappelijke inpassing
PROJECTNUMMER
TEKENAAR
DATUM
01-02-2021
20258-004
GF
TEKENING
SCHAAL
Situatietekening bestaand en beoogd
1:1000
1e
BLAD
2e
1-01
3e
ONDERWERP
info@vandunadvies.nl www.vandunadvies.nl
Situatietekening bestemmingsplan Schuitvaartjaagpad 13 te Etten-Leur
WIJZIGINGEN
28-10-2022
bestemmingsplan Schuitvaartjaagpad 13
Bijlage 2 Notitie invoergegevens AERIUS
6 eld)
bestemmingsplan "Schuitvaartjaagpad 13" (vastgest
Notitie:
Invoergegevens AERIUS-berekening bouw- en gebruiksfase Locatie: Schuitvaartjaagpad 13, 4873 NS Etten-Leur
Kenmerk:
MT/20258.004
Datum:
15-8-2023, gewijzigd: 29-9-2023
Deze notitie behoort bij het bestemmingplan voor de locatie aan de Schuitvaartjaagpad 13, 4873 NS te Etten-Leur voor het slopen van de oude bijgebouwen en het realiseren van een bijgebouw ter vervanging. Dit bijgebouw wordt gebruikt als opslag ten behoeve van het bedrijf aan huis en het houden van paarden. In deze notitie wordt een toelichting gegeven op de gebruikte gegevens voor het berekenen van de stikstofdepositie van de sloop-, bouw- en gebruiksfase met het rekenprogramma AERIUS Calculator. Om te bepalen of de beoogde ontwikkeling mogelijke negatieve gevolgen heeft voor omliggende Natura 2000-gebieden is middels een AERIUS-berekening bepaald of er sprake is van een toename van stikstofdepositie op de Natura 2000-gebieden. Als rekenjaar voor de AERIUS berekeningen is het rekenjaar 2023 gehanteerd, het jaar dat de bebouwing naar verwachting gerealiseerd zal worden en mogelijk in gebruik wordt genomen.
1. Sloop- en bouwfase .......................................................................................... 1 1.1.
Conclusie bouwfase.......................................................................................... 3
2. Gebruiksfase .................................................................................................... 4 2.1.
Invoergegevens referentie situatie .................................................................... 4
2.2.
Invoergegevens beoogde situatie ...................................................................... 5
2.3.
Conclusie gebruiksfase ..................................................................................... 6
3. Effect stikstofdepositie op buitenlandse Natura 2000-gebieden ..................... 7 4. Conclusie .......................................................................................................... 7 5. Bijlagen ............................................................................................................ 7
1. Sloop- en bouwfase Om te bepalen of de sloop- en bouwfase van de bijgebouwen en de realisatie van het nieuwe bijgebouw mogelijke negatieve gevolgen heeft voor omliggende Natura 2000-gebieden is middels een AERIUSberekening bepaald of er sprake is van een toename van stikstofdepositie op de Natura 2000-gebieden. De bouwfase behorend bij de beoogde ontwikkeling genereert een toename in verkeersbewegingen, onder andere door bouwbedrijven en de aanvoer van bouwmaterialen. De bouwfase heeft betrekking op het bouwrijp maken van de grond ter plaatse en met de verkeersaantrekkende werking van het bouwverkeer. De totale emissie van de sloop- en bouwfase is opgebouwd uit twee te onderscheiden onderdelen:
1 van 7
1. Verkeersbewegingen van al het personeel en bouwbenodigdheden; 2. Inzet mobiele werktuigen/materieel met relevante bijdrage. Verkeersbewegingen in sloopfase
Licht verkeer
Gedurende sloopfase zullen circa 2 bedrijfsbusjes zich per dag naar de bouwlocatie bewegen. Dit wil zeggen dat er 4 verkeersbewegingen per dag door licht verkeer plaatsvinden. De sloopfase duurt ongeveer 2 weken.
Middelzwaar verkeer
Er is geen onderscheid gemaakt tussen middelzwaar en zwaar verkeer aangezien niet in alle gevallen bekend is van welk type vrachtauto’s gebruik zal worden gemaakt. Er is derhalve enkel uitgegaan van zwaar (vracht) verkeer, hierdoor is sprake van een worst-case benadering. In realiteit zal het aandeel zwaar (vracht)verkeer lager uitvallen.
Zwaar verkeer
Het bouwmaterieel- en materiaal wordt afgevoerd met zwaar (vracht)verkeer. Als worst-case scenario zullen 1 vrachtwagen per dag puin afvoeren. Dit wil zeggen dat er 2 verkeersbewegingen per dag door zwaar verkeer plaats vinden gedurende 2 weken. In realiteit zal het aandeel zwaar vrachtverkeer veel lager uitvallen (er zal niet dagelijks zwaar verkeer van en naar de locatie komen ten behoeve van de sloop). De verkeersbewegingen zijn in het rekenmodel gemodelleerd door middel van lijnbronnen op de verschillende wegvakken. Het betreft in deze ‘buitenwegen’. Als worst-case scenario zijn deze bewegingen als ‘binnen de bebouwde kom’ ingevoerd. Via het noorden is de N394 makkelijk te bereiken. De verkeersbewegingen voor lichte en zware bewegingen zijn niet evenredig verdeeld. Het is aannemelijk dat alle zware verkeersbeweging richting het noorden gaan. Voor lichte bewegingen wordt uitgegaan dat dat 90% van de verkeersbewegingen richting het noorden gaan komen en 10% van de bewegingen richting het westen. Het is aannemelijk dat het verkeer in noordelijke richting via het Schuitvaartjaagpad en de Klappenberg vanaf de kruising met de N394 zijn opgenomen in het heersende verkeersbeeld. Voor het verkeer in westelijke richting is het aannemelijk dat deze via de Schuitvaartjaagpad en de Klappenberg vanaf de kruising met de Zundertseweg zijn opgenomen is in het heersende verkeersbeeld.
Bron 1: Emissiepunt: Materiaal: Aantal bewegingen:
Wegverkeer noord sloop Lijnbron wegverkeer noordelijke richting Lichte en zware motorvoertuigen 36 lichte en 20 zware voertuigbewegingen per jaar, zie bovenstaande toelichting
Bron 2: Emissiepunt: Materiaal: Aantal bewegingen:
Wegverkeer west sloop Lijnbron wegverkeer westelijke richting Lichte en motorvoertuigen 4 lichte voertuigbewegingen per jaar, zie bovenstaande toelichting
Inzet mobiele werktuigen met een relevante bijdrage sloopfase Bij de sloop van de schuren zal op enige momenten sprake zijn van het gebruik van mobiele werktuigen ter ondersteuning van de bouwwerkzaamheden. De mobiele werktuigen zijn ingevoerd als vlakbron. Voor de inzet van de mobiele werktuigen/materieel zijn de volgende invoergegevens gehanteerd: Er is vanuit gegaan dat één graafmachine circa 64 draaiuren bezig is voor het sloopwerk van oude schuren. De graafmachine zorgt er met een knijper/sloophamer voor dat schuren in kleine stukken worden afgebroken en dat de gronden netjes en schoon worden achtergelaten. Daarnaast zorgt de graafmachine ervoor dat de gronden netjes worden aangevuld met zand.
2 van 7
Bron 3: Stageklasse: Bouwjaar: Vermogen: Draaiuren: Gemiddelde belasting: Brandstofverbruik:
Mobiele bronnen sloop STAGE IIIB, vermogen 75-560 kW 2012 200 kW 64 uur (zie bovenstaande) 60% (conform bijlage 1, rapport TNO-034-UT-2009-01782_RPT-ML) 2.160 ltr/jaar (33,75 ltr/u, tabel TNO-onderzoek TNO 2021 R12305 AUB)
Verkeersbewegingen in bouwfase Voor de bouw van het nieuwe bijgebouw per m2 bebouwing wordt uitgegaan van 0,1 lichte en 0,12 zware verkeersbeweging. Er word een nieuwe loods met overkapping met een oppervlak van 400 m2 gebouwd. De bouwfase zal circa 90 dagen duren. Derhalve zijn de volgende verkeersbewegingen gehanteerd: -
Lichtverkeer: 40 voertuigen per jaar (80 verkeersbewegingen per jaar) Middelzwaar verkeer: n.v.t. Zwaar verkeer: 48 voertuigen per jaar (96 verkeersbewegingen per jaar)
Als worst-case scenario zijn deze bewegingen als ‘binnen de bebouwde kom’ ingevoerd. De rijlijnen zijn op de zelfde manier ingevoerd als in de sloopfase. Bron 4: Emissiepunt: Materiaal: Aantal bewegingen:
Wegverkeer noord bouw Lijnbron wegverkeer noordelijke richting Lichte en zware motorvoertuigen 72 lichte en 96 zware voertuigbewegingen per jaar, zie bovenstaande toelichting
Bron 5: Emissiepunt: Materiaal: Aantal bewegingen:
Wegverkeer zuid bouw Lijnbron wegverkeer zuidelijke richting Lichte en zware motorvoertuigen 8 lichte voertuigbewegingen per jaar, zie bovenstaande Toelichting
Inzet mobiele werktuigen/materieel met relevante bijdrage bouwfase Bij de bouw van de machine- en werktuigenberging zal sprake zijn van het gebruik van mobiele werktuigen ter ondersteuning van de bouwwerkzaamheden. Tijdens de bouw worden diverse mobiele werktuigen gebruikt zoals bijvoorbeeld een graafmachine, kraan en betonpomp. De mobiele werktuigen zijn geselecteerd uit de subcategorie ‘bouw, industrie en delfstoffenwinning’. Er wordt vanuit gegaan dat al het materieel een minimaal bouwjaar heeft vanaf 2012 met een vermogen van 200 kW. Gezamenlijk zullen deze mobiele werktuigen 100 uur in bedrijf zijn met een belasting van 60%. Voor de inzet van de mobiele werktuigen/materieel zijn de volgende invoergegevens gehanteerd: Bron 6: Stageklasse: Bouwjaar: Vermogen: Draaiuren: Gemiddelde belasting: Brandstofverbruik:
Mobiele bronnen bouw STAGE IIIB, vermogen 75-560 kW 2012 200 kW 100 uur (zie bovenstaande) 60% (conform bijlage 1, rapport TNO-034-UT-2009-01782_RPT-ML) 3.375 ltr/jaar (33,75 ltr/u, tabel TNO-onderzoek TNO 2021 R12305 AUB)
1.1. Conclusie bouwfase Uit de uitgevoerde AERIUS-berekening blijkt dat er geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/jr op Natura 2000-gebieden zijn. Derhalve zijn ten behoeve van het initiatief geen vergunningen in het kader van de Wet natuurbescherming noodzakelijk.
3 van 7
2. Gebruiksfase In de gebruiksfase is het van belang om te kijken welke stikstofemissie afkomstig is van de beoogde woonboerderij met twee wooneenheden met bijbehorende activiteiten. 2.1. Invoergegevens referentie situatie Voor de uitgangssituatie wordt de feitelijke aanwezige (en legale) situatie aangehouden. In dit geval is het een bestemming ‘Wonen’ aanwezig met een woning en paardenstallen. De onderstaande bronnen worden meegenomen als referentiesituatie. Bron 1: Emissiepunt: X-coördinaat: Y-coördinaat: Luchtstroming: EP-hoogte: E-aanvraag:
Stal Natuurlijke ventilatie 105 455 395 191 Ongeforceerd 2 meter 29,2 kg NH3
Bron 2: Emissiepunt: Materiaal: Aantal:
Wegverkeer noord Lijnbron wegverkeer (noordelijke richting) Lichte en zware motorvoertuigen 3.218 lichte voertuigbewegingen per jaar, zie Tabel 1 en onderstaande toelichting
Bron 3: Emissiepunt: Materiaal: Aantal:
Wegverkeer west Lijnbron wegverkeer (westelijke richting) Lichte en zware motorvoertuigen 357 lichte voertuigbewegingen per jaar, zie Tabel 1 en onderstaande toelichting
gemiddelde hoogste stal deuren 5 volwassen paarden K 1.100 x 5,0 kg NH3 2 opfok paarden K 2.100 x 2,1 kg NH3
In de berekening van de vervoersbewegingen zijn dezelfde lijnbronnen gehanteerd als opgenomen in de bouw- en sloopfase. Ook de verdeling van de vervoersbewegingen is gelijk aan de bouw- en sloopfase. Tabel 1: Overzichtstabel vervoersbewegingen referentiesituatie Auto Tractor Vrachtwagen
Auto Auto Auto Auto Auto Auto
Aanvoer krachtvoer Aanvoer ruwvoer Aanvoer strooisel Afvoer mest Afvoer diverse Privegebruik
3575 0 0
1 1 1 1 3 1
Hoeveelheid per maand per maand per maand ophalingen per 2 weken per week aantal woningen
12 12 12 26 52 8,6
aantal vervoersaantal bewegingen per Kengetal bewegingen jaar maanden/jaar 2 24 maanden/jaar 2 24 maanden/jaar 2 24 weken/jaar 2 52 weken/jaar 2 312 verkeersgeneratie per dag per woning 1 3139
Onderstaand worden de gebruikte hoeveelheden nader toegelicht. De onderstaande transporten zijn ingevoerd als lichtverkeer. Deze transporten zullen plaats vinden met een auto (met aanhanger). In worst-case scenario zijn deze transporten ingevoerd als zwaar vrachtverkeer. ▪ Voertransport Er kan er vanuit worden gegaan dat er maandelijks voer geleverd word. Maandelijks wordt ook een levering met hooi geleverd. Deze hoeveelheid is opgenomen in Tabel 1. ▪ Ophalen mest In de referentiesituatie wordt er vaste mest geproduceerd. Paardenmest wordt één keer in de twee weken per auto met aanhanger afgevoerd. Deze hoeveelheid is opgenomen in Tabel 1.
4 van 7
▪ Aanvoer strooisel Maandelijks wordt een levering met stro en/of houtkrullen geleverd. Deze hoeveelheid is opgenomen in Tabel 1. ▪ Diversen Naast de specifieke vervoersbewegingen zijn er ook verschillende voertuigbewegingen met zware motorvoertuigen, die slechts enkele keren per jaar plaatsvinden. Voor het houden van paarden valt te denken aan het ophalen van dieren , aan- en afvoer van dieren, dierenarts, het afleveren van overige goederen of het ophalen van afval etc. Aangenomen wordt dat drie keer per week een auto de paardenhouderij bezoekt voor een van voorgenoemde handelingen. ▪ Bezoek woning Conform de CROW-publicatie toekomstbestendig parkeren is de verkeersgeneratie van een woning in het buitengebied 8,6 voertuigen per dag. Op de locatie is één woning aanwezig. Bron 4: Emissiepunt: Emissie:
Stookinstallatie woning Stookinstallatie woning Zie onderstaande toelichting
Het gasverbruik van de woning is meegenomen in de AERIUS-berekening. Op grond van de emissiewaarden van AERIUS, d.d. 5 juli 2018, dient voor een oudere vrijstaande woning uit te worden gegaan van 3,59 NOx kg per jaar (https://www.aerius.nl/nl/factsheets/ruimtelijke-plannenemissiefactoren/05-07-2018). 2.2. Invoergegevens beoogde situatie Bron 1: Stal Emissiepunt: Natuurlijke ventilatie X-coördinaat: 105 470 Y-coördinaat: 395 154 Luchtstroming: Ongeforceerd EP-hoogte: 2 meter E-aanvraag: 35,5 kg NH3
gemiddelde hoogste stal deuren 5 volwassen paarden K 1.100 x 5,0 kg NH3 5 opfok paarden K 2.100 x 2,1 kg NH3
Bron 2: Emissiepunt: Materiaal: Aantal:
Wegverkeer noord Lijnbron wegverkeer (noordelijke richting) Lichte en zware motorvoertuigen 3.218 lichte en 1.460 zware voertuigbewegingen per jaar, zie Tabel 2 en onderstaande toelichting
Bron 3: Emissiepunt: Materiaal: Aantal:
Wegverkeer west Lijnbron wegverkeer (westelijke richting) Lichte en zware motorvoertuigen 357 lichte voertuigbewegingen per jaar, zie Tabel 2 en onderstaande toelichting
In de berekening van de vervoersbewegingen zijn dezelfde lijnbronnen gehanteerd als opgenomen in de bouw- en sloopfase. Ook de verdeling van de vervoersbewegingen is gelijk aan de bouw- en sloopfase.
5 van 7
Tabel 2: Overzichtstabel vervoersbewegingen beoogde situatie Auto Tractor Vrachtwagen
Auto Auto Auto Auto Auto Vrachtwagen Auto
3575 0 1460
Aanvoer krachtvoer Aanvoer ruwvoer Aanvoer strooisel Afvoer mest Afvoer diverse Aan- en afvoer hovenierbedrijf Privegebruik
1 1 1 1 3 4 1
Hoeveelheid per maand per maand per maand ophalingen per 2 weken per week per werkdag aantal woningen
12 12 12 26 52 365 8,6
aantal vervoersaantal bewegingen per Kengetal bewegingen jaar maanden/jaar 2 24 maanden/jaar 2 24 maanden/jaar 2 24 weken/jaar 2 52 weken/jaar 2 312 dagen/jaar 1 1460 verkeersgeneratie per dag per woning 1 3139
Onderstaand worden de gebruikte hoeveelheden nader toegelicht. ▪ Voertransport Er kan er vanuit worden gegaan dat er maandelijks voer geleverd word. Maandelijks wordt ook een levering met hooi geleverd. Deze hoeveelheid is opgenomen in Tabel 2. ▪ Ophalen mest In de beoogde situatie wordt op er vaste mest geproduceerd. Paardenmest wordt één keer in de twee weken per auto met aanhanger afgevoerd. Deze hoeveelheid is opgenomen in Tabel 2. ▪ Aanvoer strooisel Maandelijks wordt een levering met stro en/of houtkrullen geleverd. Deze hoeveelheid is opgenomen in Tabel 2. ▪ Diversen Naast de specifieke vervoersbewegingen zijn er ook verschillende voertuigbewegingen met zware motorvoertuigen, die slechts enkele keren per jaar plaatsvinden. Op een paardenhouderij valt te denken aan het ophalen van dieren, aan- en afvoer van dieren, dierenarts, het afleveren van overige goederen of het ophalen van afval etc. Aangenomen wordt dat drie keer per week een auto de locatie bezoekt voor een van voorgenoemde handelingen. ▪ Bedrijf aan huis Voor het bedrijf aan huis is worst-case 4 zware verkeersbewegingen per dag aannemelijk. In de ochtend zal de eigenaar de vrachtwagen ten behoeve van het transporteren van machines inladen en deze wordt meegenomen naar locatie. Worst-case scenario zal de eigenaar een extra keer op en neer rijden ten behoeve van het bedrijf aan huis per werkdag.
▪ Bezoek woning Conform de CROW-publicatie toekomstbestendig parkeren is de verkeersgeneratie van een woning in het buitengebied 8,6 voertuigen per dag. Op de locatie is één woning aanwezig. Bron 4: Emissiepunt: Emissie:
Stookinstallatie woning Stookinstallatie woning Zie onderstaande toelichting
Het gasverbruik van de woning is meegenomen in de AERIUS-berekening. Op grond van de emissiewaarden van AERIUS, d.d. 5 juli 2018, dient voor een oudere vrijstaande woning uit te worden gegaan van 3,59 NOx kg per jaar (https://www.aerius.nl/nl/factsheets/ruimtelijke-plannenemissiefactoren/05-07-2018). 2.3. Conclusie gebruiksfase Uit de uitgevoerde AERIUS-berekening blijkt dat er geen rekenresultaten hoger dan 0,0 mol/ha/r op Natura 2000-gebieden zijn. Derhalve zijn er voor dit initiatief geen belemmeringen in de gebruiksfase
6 van 7
en hoeft er voor wat betreft deze fase dan ook geen vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming te worden aangevraagd.
3. Effect stikstofdepositie op buitenlandse Natura 2000-gebieden Vanwege de ligging van het bedrijf kan de emissie van stikstof ook effect hebben op de buitenlandse Natura 2000-gebieden. In deze paragraaf is de stikstofdepositie getoetst aan het buitenlandse beleid. Binnen een straal van 25 km van het bedrijf zijn de volgende buitenlandse gebieden meegenomen in de berekening. Omdat het rekenmodel niet automatisch de depositie berekend op de buitenlandse gebieden zijn handmatig enkele rekenpunten geplaatst in het rekenmodel: - Heesbossen, Vallei van Marke en Merkske en Ringven met valleigronden lang de Heerleseloop - De Maatjes, Wuustwezelheide en Groot Schietveld - Klein en Groot Schietveld - Kalmthoutse Heide - Het Blak, Kievitsheide, Ekstergoor en nabijgelegen Kamsalamanderhabitats - Vennen, heiden en moerassen rond Turnhout - Arendonk, Merksplas, Oud-Turnhout, Ravels en Turnhout Uit de uitgevoerde AERIUS-berekeningen blijkt dat er geen rekenresultaten hoger dan 0,0 mol/ha/r op de buitenlandse Natura 2000-gebieden zijn. Derhalve zijn er voor dit initiatief geen belemmeringen in de sloop- en bouwfase en de gebruiksfase en hoeft er voor wat betreft deze fase dan ook geen vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming te worden aangevraagd.
4. Conclusie Uit de uitgevoerde AERIUS-berekeningen blijkt dat er geen rekenresultaten hoger dan 0,0 mol/ha/r op (buitenlandse) Natura 2000-gebieden zijn. Derhalve zijn er voor dit initiatief aan de Schuitvaartjaagpad 13 te Etten-Leur geen belemmeringen in de sloop-, bouw- en gebruiksfase en hoeft er voor wat betreft deze fase dan ook geen vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming te worden aangevraagd.
5. Bijlagen -
AERIUS berekening bouwfase AERIUS verschilberekening gebruiksfase en referentiesituatie
7 van 7
bestemmingsplan Schuitvaartjaagpad 13
Bijlage 3 AERIUS berekening bouwfase
14 eld)
bestemmingsplan "Schuitvaartjaagpad 13" (vastgest
Projectberekening Dit document geeft een overzicht van de invoer en rekenresultaten van een Projectberekening met AERIUS Calculator. De berekening is uitgevoerd binnen stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden, op rekenpunten die overlappen met habitattypen en/of leefgebieden die aangewezen zijn in het kader van de Wet natuurbescherming, gekoppeld aan een aangewezen soort, of nog onbekend maar mogelijk wel relevant, en waar tevens sprake is van een overbelaste of bijna overbelaste situatie voor stikstof.
Overzicht Samenvatting situaties Resultaten Detailgegevens per emissiebron Deze PDF is een digitaal bestand dat weer in te lezen is in AERIUS. Meer toelichting over deze PDF kunt u vinden in een bijbehorende leeswijzer. Deze leeswijzer en overige documentatie is te raadplegen via: