CConstaterende datEtten-Leur
Koppel je AI →
Document · PDF

Bestemmingsplan Schuitvaartjaagpad 13 (vastgesteld)

Raad besluit 22 april 2024, gemeente Etten-LeurBij agendapunt: Vaststellen Bestemmingsplan Schuitvaartjaagpad 1323.897 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Bestemmingsplan “Schuitvaartjaagpad 13”

Vastgesteld

Schuitvaartjaagpad 13

bestemmingsplan Schuitvaartjaagpad 13

Inhoudsopgave

Toelichting bestemmingsplan

2 eld)

3

bestemmingsplan "Schuitvaartjaagpad 13" (vastgest

bestemmingsplan Schuitvaartjaagpad 13

Toelichting bestemmingsplan

bestemmingsplan "Schuitvaartjaagpad 13" (vastgesteld) 3

Toelichting Bestemmingsplan

Schuitvaartjaagpad 13

Colofon

Gemeente:

Etten-Leur

Projectlocatie:

Schuitvaartjaagpad 13, 4873 NS Etten-Leur

Datum:

28-10-2022, Gewijzigd op 14-08-2023 / 29-9-2023 / 1-11-2023 / 22-2-2024

Status:

Vastgesteld

IMRO-Code:

NL.IMRO.0777.0187SCHUITVRTJGP13-3001

Opgesteld door:

Van Dun Ontwerp & Planologie Raadhuisstraat 32 5126 CJ Gilze T. 013 519 94 58 Postel 8 5711 ET Someren T. 0493 745 015 E. info@ontwerp-planologie.nl I. www.ontwerp-planologie.nl

Projectnummer:

20258.004 / JV

Pagina 2 van 39

Inhoudsopgave 1. Inleiding ........................................................................................................... 5 1.1.

Aanleiding en doel ........................................................................................... 5

1.2.

Geldend planologisch regime ............................................................................ 5

1.3.

Procedure ....................................................................................................... 6

1.4.

Leeswijzer ....................................................................................................... 6

2. Planbeschrijving............................................................................................... 8 2.1.

Bestaande situatie............................................................................................ 8

2.2.

Beoogde situatie .............................................................................................. 8

3. Beleidskader................................................................................................... 11 3.1.

Provinciaal beleid ............................................................................................ 11

3.1.1. 3.1.2. 3.2.

Omgevingsvisie Noord-Brabant .................................................................. 11 Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant ........................................... 11

Gemeentelijk beleid......................................................................................... 15

3.2.1. 3.2.2.

StructuurvisiePlus 2020, Etten-Leur in bloei, 2005 ....................................... 15 Bestemmingsplan ..................................................................................... 16

4. Milieuhygiënische en planologische aspecten ................................................ 19 4.1.

Waterhuishouding ........................................................................................... 19

4.1.1. 4.1.2. 4.1.3. 4.2.

Natuur ........................................................................................................... 21

4.2.1. 4.2.2. 4.3.

Waterrelevant beleid................................................................................. 19 Bestaande waterhuishoudkundige situatie .................................................. 20 Beoogde waterhuishoudkundige situatie ..................................................... 21 Natuurnetwerk Nederland (NNN) ............................................................... 21 Wet natuurbescherming ............................................................................ 23

Cultuurhistorie, aardkunde en archeologie......................................................... 26

4.3.1. 4.3.2.

Cultuurhistorie en aardkunde..................................................................... 26 Archeologie .............................................................................................. 26

4.4.

Landschappelijke inpassing .............................................................................. 27

4.5.

Bodemkwaliteit ............................................................................................... 27

4.6.

Bedrijven en milieuzonering ............................................................................. 28

4.7.

Geur .............................................................................................................. 28

4.7.1. 4.7.2. 4.7.3. 4.8.

Luchtkwaliteit ................................................................................................. 30

4.8.1. 4.8.2. 4.9.

Houden van paarden ................................................................................ 28 Omgekeerde werking ................................................................................ 29 Woon- en leefklimaat ................................................................................ 29 Niet in betekenende mate ......................................................................... 30 Woon- en leefklimaat ................................................................................ 31

Geluid ............................................................................................................ 32

Pagina 3 van 39

4.10.

Verkeer en parkeren .................................................................................... 32

4.11.

Externe veiligheid ........................................................................................ 32

4.11.1. 4.11.2. 4.12.

Regelgeving ............................................................................................. 32 Toetsing aan beleid .................................................................................. 33 Technische infrastructuur ............................................................................. 34

5. Juridische planbeschrijving ............................................................................ 35 5.1.

Juridische achtergrond .................................................................................... 35

5.2.

Toelichting verbeelding.................................................................................... 35

5.3.

Toelichting regels............................................................................................ 36

6. Uitvoerbaarheid ............................................................................................. 37 6.1.

Financiële uitvoerbaarheid ............................................................................... 37

6.2.

Maatschappelijke uitvoerbaarheid ..................................................................... 37

6.2.1. 6.2.2.

Vooroverleg en omgevingsdialoog .............................................................. 37 Zienswijzen en beroep .............................................................................. 37

7. Bijlagen .......................................................................................................... 38

Pagina 4 van 39

1. Inleiding In dit hoofdstuk komen de aanleiding en het doel, de ligging van de planlocatie, het geldend planologisch regime en de procedure aan bod. Daarnaast is in dit hoofdstuk een leeswijzer opgenomen. 1.1. Aanleiding en doel Aan de Schuitvaartjaagpad 13, 4873 NS te Etten-Leur is een bestaande woonbestemming aanwezig met enkel verouderde bijgebouwen. Daarnaast hebben de eigenaren ter plaatste een bedrijf aan huis voor allerhande werkzaamheden in de kleinschalige grond-, weg- en waterbouw en hovenierswerkzaamheden. Ook worden er hobbymatig enkele paarden gehouden. Met dit bestemmingsplan is een wijziging van het bestemmingsvlak voorzien voor het realiseren van een nieuw gebouw ter vervanging van bestaande gebouwen en het opnemen van een bedrijf aan huis. In onderstaande afbeelding is de beoogde situatie weergegeven.

Afbeelding 1: Beoogde situatie

1.2. Geldend planologisch regime In het vigerende bestemmingsplan “Buitengebied” (vastgesteld 30-09-2013) en de “Partiële herziening Buitengebied” (vastgesteld op 24-01-2022) is voor deze locatie een woonbestemming opgenomen ter plaatse van de gebouwen van circa 2205 m2. De naastgelegen gronden beschikken over een agrarische bestemming. Alle gronden binnen het plangebied zijn voorzien van een dubbelbestemming ‘Waarde Archeologie 2’. Binnen de geldende enkelbestemmingen ‘Wonen’ en ‘Agrarisch met waarden’ en aanduidingen is het huidige bedrijf aan huis niet toegestaan.

Pagina 5 van 39

Afbeelding 2: Uitsnede vigerend bestemmingsplan “Buitengebied”

1.3. Procedure Voor het beoogde initiatief dient een bestemmingsplan te worden vastgesteld, conform artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Het plan doorloopt als volgt de procedure. Allereerst wordt er een voorontwerpbestemmingsplan opgesteld waarin onderbouwd wordt dat het initiatief voldoet aan het gemeentelijk en provinciaal beleid en aan alle relevante milieu- en ruimtelijke ordeningsaspecten. In deze fase wordt overleg gevoerd met de gebruikelijke overlegpartners zoals gemeente, provincie en waterschap. Eventuele opmerkingen worden verwerkt in het ontwerpbestemmingsplan. Volgens artikel 3.8 Wro is op de voorbereiding van een bestemmingsplan afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van toepassing. Dit houdt in dat het ontwerpbestemmingsplan gedurende 6 weken voor iedereen ter inzage wordt gelegd. Tijdens deze periode van 6 weken kan een ieder zienswijzen kenbaar maken. Binnen 12 weken nadat het ontwerpbestemmingsplan ter inzage heeft gelegen, moet de gemeente beslissen over de vaststelling van het bestemmingsplan. Hierbij worden eventuele zienswijzen in acht genomen. Nadat het bestemmingsplan is vastgesteld, wordt het opnieuw 6 weken ter inzage gelegd. Binnen deze 6 weken kan een ieder bij het ontwerp en belanghebbenden beroep indienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Als er geen beroep wordt ingesteld, dan is het bestemmingsplan daags na afloop van de beroepsperiode onherroepelijk. Zodra het bestemmingsplan in werking is getreden kunnen de benodigde omgevingsvergunningen voor het beoogde initiatief worden aangevraagd. 1.4. Leeswijzer In deze toelichting zijn in het eerste hoofdstuk een inleiding op het initiatief gegeven, waarin de aanleiding, het doel, de ligging van de planlocatie, het geldend planologische regime en de te doorlopen procedure zijn beschreven.

Pagina 6 van 39

In hoofdstuk 2 worden de bestaande en beoogde situatie omschreven. Het van toepassing zijnde nationaal, provinciaal en gemeentelijk beleid wordt uiteengezet in hoofdstuk 3. Hierna worden in hoofdstuk 4 de milieu-hygiënische en planologische aspecten beschreven. De juridische achtergrond van het bestemmingsplan, een toelichting op de verbeelding en een toelichting op de regels wordt gegeven in hoofdstuk 5. De financiële en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het initiatief wordt verantwoord in hoofdstuk 6.

Pagina 7 van 39

2. Planbeschrijving In dit hoofdstuk worden de bestaande en beoogde situatie beschreven. Hierin komt naar voren welke veranderingen er plaatsvinden binnen de planlocatie. 2.1. Bestaande situatie Aan de Schuitvaartjaagpad 13 te Etten-Leur is sinds enkele jaren een bestaande woonbestemming aanwezig. naast de oude woonboerderij, welke is gesplitst, zijn er verouderde bijgebouwen. In de loop der jaren is een van de bewoners gestart met een bedrijf aan huis voor allerhande werkzaamheden in de kleinschalige grond-, weg- en waterbouw en hovenierswerkzaamheden. Het bedrijf richt op allerhande werkzaamheden zoals, het aanleggen van bestrating, hovenierswerkzaamheden, grondwerken en sloopwerkzaamheden. Allen op verzoek en ter plaatse van derden, op de locatie zelf worden geen bedrijfsactiviteiten uitgevoerd. Hier vindt voornamelijk stalling en opslag plaats. Daarnaast worden er op deze locatie hobbymatig nog enkele paarden (5 stuks met enkele stuks paarden in opfok) gehouden. Op de locatie zijn naast de woning met tuin reeds voorzieningen aanwezig zoals de bestaande (voormalige agrarische) gebouwen, met een totaal oppervlak van circa 336 m2. Hier worden materialen en materieel opgeslagen en de paarden gestald. Buiten de gebouwen is er erfverharding aanwezig alsook een kleine buitenopslag van goederen.

Afbeelding 3: Huidige situatie, met aanwezige bebouwing en in rood omlijnd de verouderde gebouwen

Het omliggende gebied kenmerkt zich door bospercelen afgewisseld met agrarische gronden. Ook zijn er relatief veel burgerwoningen in het gebied. Dit zijn al dan niet van oudsher agrarische bedrijven geweest. Het gebied valt te kenmerken als een coulissenlandschap. 2.2. Beoogde situatie Voor de toekomst dienen de bijgebouwen gemoderniseerd te worden. Daarnaast is het zaak de bedrijfsactiviteiten juridisch-planologisch te borgen. Zoals gesteld zijn de bestaande bebouwingen gedateerd en is niet meer geschikt voor de stalling en opslag. Ook de ruimte waar de paarden worden gehouden is beperkt en hiervoor ontbreekt een fatsoenlijke opslag voor stro en hooi. Door de bestaande bebouwing te slopen en te vervangen wordt er geïnvesteerd in een duurzame doorontwikkeling voor de locatie. De beoogde nieuwe bebouwing zal bestaan uit één gebouw waar alle activiteiten plaats gaan vinden, in plaats van drie aparte gebouwen. De totale oppervlakte van dit nieuwe gebouw is maximaal 400 m2. Dit is een toename van 64 m2 ten opzichte van de huidig aanwezige bebouwing. Deze toename

Pagina 8 van 39

is noodzakelijk om ook de huidige buitenopslag en opslag van stro en hooi inpandig plaats te kunnen laten vinden. Hierbij wordt circa 232 m2 gebruikt voor het houden van maximaal vijf stuk volwassen paarden, vijf veulens/paarden in opfok en bijbehorende voorzieningen. Achter het nieuwe gebouw zal een voorziening als vaste mestopslag en groenafval worden aangelegd. Door de VNG heeft samen met de Sectorraad Paarden (SRP) een handreiking voor de praktijk opgesteld, hoe om te gaan met een paardenhouderij in het omgevingsrecht (hierna de Handreiking). Hierbij wordt onderscheid gemaakt in het type houderij. Een paardenhouderij kan een bedrijfsmatige, semibedrijfsmatige of hobbymatige paardenhouderij zijn. Van semi-bedrijfsmatig is sprake wanneer het bestaansrecht van de paardenhouderij niet geheel afhankelijk is van het daarmee te genereren bedrijfsresultaat maar qua omvang en aard niet kan worden aangemerkt als hobbymatig. Hobbymatig is de restcategorie, waarbij het houden van paarden kleinschalig is en niet gericht op het genereren van omzet. De beoogde opzet is niet gericht op het genereren van een voldoende bedrijfsresultaat. Voor een toerekenbaar inkomen is het beroep aan huis bedoeld en de locatie is ook niet geschikt voor dergelijk bedrijfsmatige activiteiten. De beoogde opzet is hobbymatig.

De Handreiking geeft vervolgens aan welke omvang van het bouwvlak en de daarbinnen te bouwen bouwwerken kan worden verwacht. Voor de omvang van de bouwvlakken van de hobbymatige paardenhouderij kan men uit te gaan voor een semi-bedrijfsmatige paardenhouderij; 0,5 – 1,0 h. Voor het goed functioneren van een paardenhouderij is een lijst bijgevoegd van onder meer de noodzakelijke bouwwerken noodzakelijk. Enkele voorbeelden zijn een bedrijfswoning, een gebouw met stallen (per dier een hokoppervlak van circa 10 m2), een (spring)weide (met hindernismateriaal), een mestopslag en een loods voor opslag en stalling. Deze voorzieningen hoeven echter niet allemaal per se binnen het bouwvlak te worden gerealiseerd. Het beoogde gebruik voor de paarden voorziet binnen het oppervlak van slechts 232 m2 in alle hiervoor genoemde voorzieningen, afgezien van een weide, hiervoor zijn de agrarische gronden achter de huiskavel beschikbaar. Gezien de beoogde opzet en het beperkt benodigde oppervlak is deze locatie geschikt voor het houden van enkele paarden. Het deel wat in gebruik is voor de paarden, circa 232 m2, zal bestaan uit: • een 5 tal paardenboxen voor de volwassen paarden en een 5 tal kraamstallen/paarden in opfok. In totaal circa 110 m2; • een zadelkamer van circa 10 m2; • Poetsplaats voor de paarden, circa 7 m2; • opslag van hooi, stro, krullen en brokken e.d., van circa 30 m2.

• Daarnaast is binnen dit staldeel manoeuvreer/verkeersruimte nodig om de paarden rustig te kunnen verplaatsen tussen de boxen, zadelkamer e.d. Met paden van circa 3 meter breed is er in totaal circa 75 m2 nodig. • Totaalsom van het hierboven benoemde is 232 m2. De beoogde mestopslag is een bouwwerk, geen gebouw zijnde. Het betreft namelijk een verharding, evt. met keerwanden, waar de vaste mest tijdelijk opgeslagen kan worden. Deze is niet overkapt. Het valt derhalve niet binnen het oppervlakte bijgebouwen. De mestopslag zal voldoen aan de geldende milieuregels voor een dergelijke voorziening. De rest wordt gebruikt voor het kleinschalig bedrijf aan huis wat zich richt op allerhande werkzaamheden zoals, het aanleggen van bestrating, hovenierswerkzaamheden, grondwerken en sloopwerkzaamheden. Ook hierbij geldt dat de activiteiten allen op verzoek en ter plaatse van derden worden uitgevoerd. Op de locatie zelf worden geen bedrijfsactiviteiten uitgevoerd. Ook de buitenopslag komt te vervallen. Voor het deel, 168 m2, wat voor het bedrijf aan huis en privéopslag wordt gebruikt bedraagt ruimte voor o.a.

de volgende onderdelen; Tractor met kar; 4 werktuigen voor tuinaanleg en onderhoud; Kunstmeststrooier; Voorlader; Rotorkopeg; Opslag materiaal (palen, afrastering e.d.); Privéopslag en kleine onderhoudsruimte; Ook hier is manoeuvreer/verkeersruimte nodig om het materieel en materiaal fatsoenlijk te kunnen stallen. Voor een goede toegankelijkheid van de locatie en ter verbetering van het woonmilieu van de naastgelegen woning (nummer 11) is de nieuwe bebouwing voorzien ten zuiden van de bestaande bebouwing. Dit leidt er wel toe dat de beoogde bebouwing buiten het bestaande

Pagina 9 van 39

bestemmingsvlak/bouwvlak (hierna bouwperceel) komt te liggen. Daarnaast ligt een tweede inrit ook buiten dit bouwperceel. Door het bestaande bouwperceel van vorm te wijzigen en beperkt toe te laten nemen kunnen de bestaande woning, het beoogde nieuwe gebouw en de inrit binnen het aangepaste bouwperceel te liggen. Deze wijziging leidt tot een beperkte groei van de locatie van circa 400 m2. Het is bedoeld om de bestaande activiteiten beter te ontsluiten en de invloed op de directe omgeving te verzachten. Met de gewenste ontwikkeling zal ook de inpassing van de locatie gestalde vinden. De gehele zuidzijde van de beoogde woonbestemming zal landschappelijk worden ingepast. Hiermee wordt de locatie volledig aan het zicht onttrokken. Aan de noordzijde van de locatie is een woonbestemming van derden gelegen waartussen geen inpassing mogelijk is gezien de korte afstand. In de bijlage 1 is een situatietekening opgenomen waarin de bestaande en thans beoogde situatie is opgenomen. Hierbij zijn ook de groenstructuren opgenomen welke zorgen voor een goede landschappelijke inpassing en vaste afstanden van het dierenverblijf voor paarden (en mestopslag) ten opzichte van de woningen van derden.

Afbeelding 4: Beoogde situatie

Pagina 10 van 39

3. Beleidskader In dit hoofdstuk wordt het relevante beleid uiteengezet. Het initiatief wordt getoetst aan het provinciaal en gemeentelijk beleid. Gezien het initiatief dusdanig klein van aard is dat het geen invloed heeft op nationaal beleid, wordt dit beleidskader niet beschreven. 3.1. Provinciaal beleid Het geldende ruimtelijke beleid van de provincie Noord-Brabant is omschreven in de Omgevingsvisie en de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant.

3.1.1. Omgevingsvisie Noord-Brabant

De provincie Noord-Brabant heeft op 14 december 2018 de omgevingsvisie Noord-Brabant vastgesteld. De omgevingsvisie vindt zijn legitimatie in de Omgevingswet. Vanzelfsprekend staan de achterliggende doelen van de Omgevingswet dan ook centraal in de positiebepaling van de Brabantse Omgevingsvisie. Onder het motto ‘eenvoudig beter’, doelt de Omgevingswet op meer inzichtelijkheid, en een grotere voorspelbaarheid en gebruiksgemak van het Omgevingsrecht. Ook beoogt de wet meer bestuurlijke afwegingsruimte en een meer samenhangende benadering van de fysieke leefomgeving in beleid, besluitvorming en regelgeving. Het doel van de omgevingsvisie is om de kwaliteit van de leefomgeving voor alle Brabanders te verbeteren. In de visie is voor verschillende programma’s de ambitie geformuleerd hoe de Brabantse leefomgeving er in 2050 uit moet zien. Daarbij zijn mobiliserende tussendoelen gesteld voor 2030 om het einddoel te kunnen bereiken. De uitwerking in programma’s is een opgave die de visie volgt en die in opeenvolgende bestuursperiodes de opdracht en ruimte geeft om dat met eigen accenten in te vullen. Het belangrijkste programma dat hier een rol speelt is ‘omgevingskwaliteit’. Het Brabantse doel voor 2050 in dit programma is: ‘Brabant heeft een goede leefomgevingskwaliteit doordat wij op alle aspecten beter presteren dan wettelijk als minimumniveau is bepaald.

Brabant staat met zijn TOP-landschap van oude en nieuwe landschappen in de top 5 van Europa. De biodiversiteit binnen en buiten de natuurgebieden is op orde, de lucht- en waterkwaliteit voldoet en de bodem is vitaal.’ Het tussendoel voor 2030 in dit programma is: ‘Brabant heeft een aanvaardbare leefomgevingskwaliteit doordat wij voor alle aspecten voldoen aan de wettelijke normen. Natuurgebieden zijn ingericht, de afname van biodiversiteit is naar een positieve trend omgebogen, waardevolle cultuurhistorische landschappen zijn behouden en er is breed draagvlak voor de nieuwe energie- en klimaatadaptieve landschappen door de ontwerpende aanpak.’ Deze basisopgave is veelomvattend en gaat over milieuaspecten zoals een schone bodem, schoon water (ondergrond) en schone lucht. Maar ook om landschappelijke- en cultuurhistorische aantrekkelijkheid, een goede woon- en werkomgeving met een aantrekkelijk aanbod aan voorzieningen, stilte en een natuurrijke omgeving, waarin biodiversiteit en recreatie hand in hand gaan. Het plan voldoet aan het tussendoel voor 2030 omdat aan alle milieu wet- en regelgeving wordt voldaan. Door een zorgvuldige landschappelijke inpassing van de planlocatie wordt ook een positieve bijdrage geleverd aan de leefomgevingskwaliteit. Hiermee wordt een eerste stap gezet richting het einddoel van 2050.

Het initiatief past dus binnen de Omgevingsvisie voor Noord-Brabant.

3.1.2. Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant

De Interim omgevingsverordening (Iov) betreft een samenvoeging van verschillende regelingen op provinciaal niveau met betrekking tot de fysieke leefomgeving. Dit betekent dat de regels betrekking hebben op milieu, natuur, ruimtelijke ordening, water, bodem en wegen. De Iov is daarbij een eerste stap op weg naar een definitieve omgevingsverordening, die op grond van de op handen zijnde Omgevingswet moet worden vastgesteld en die verplicht is voor provincies.

Pagina 11 van 39

De Iov is opgesteld vanuit een doelgroepenbenadering. Dit is ook het systeem dat de Omgevingswet, en de daaronder liggende wetgeving, hanteert. Dit betekent dat de regels in de Iov zijn gegroepeerd in hoofdstukken waarbij de doelgroep van de regel, de zogenaamde normadressaat, leidend is. Regels waar gemeenten bij vaststelling van een bestemmingsplan rekening mee moeten houden zijn opgenomen in hoofdstuk 3. Deze regels zijn in de vorm van instructieregels opgenomen waarbij de verschillende niveau’s zijn opgedeeld in meerdere afdelingen. Hieronder wordt getoetst aan de meest recente versie van de Iov. Voor elke ruimtelijke ontwikkeling geldt dat toepassing moet worden gegeven aan de basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies zoals deze zijn opgenomen in paragraaf 3.1.2. Voor het overige dient getoetst te worden aan de regels die van toepassing zijn op het werkingsgebied waarin de planlocatie ligt. In dit geval ligt de planlocatie in de werkingsgebieden ‘Groenblauwe mantel’ binnen het ‘Landelijk gebied’.

Afbeelding 5: Uitsnede kaart Interim omgevingsverordening Noord-Brabant

Afdeling 3.6 bevat de voorwaarden voor een vitaal platteland, die onder andere van toepassing zijn op de groenblauwe mantel dan wel het gemengd landelijk gebied. Met het initiatief wordt een bedrijfsfunctie bij een woonbestemming gevoegd. Er zal derhalve worden getoetst aan artikel 3.68 en 3.73. Aan de relevante artikelen zal hierna worden getoetst. Basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies (paragraaf 3.1.2) Onder een evenwichtige toedeling van functies wordt verstaan dat invulling wordt gegeven aan een goede omgevingskwaliteit met een veilige, gezonde leefomgeving. Hiervoor moet rekening worden gehouden met: • zorgvuldig ruimtegebruik; • de waarden in een gebied door toepassing van de lagenbenadering; • meerwaardecreatie. Deze aspecten zijn in de Iov nader uitgewerkt in de artikel 3.6 t/m 3.8. Daarnaast geldt voor ontwikkelingen in het landelijk gebied ook dat er sprake moet zijn van kwaliteitsverbetering (zie artikel 3.9). Deze artikelen worden hieronder nader toegelicht. Zorgvuldig ruimtegebruik (artikel. 3.6)

Pagina 12 van 39

Conform artikel 3.6 houdt zorgvuldig ruimtegebruik in dat in beginsel gebruik wordt gemaakt van een bestaand ruimtebeslag. Een bestaand ruimtebeslag ligt binnen het werkingsgebied ‘Stedelijk gebied’ of een bestaand bouwperceel. Wanneer er sprake is van een stedelijke ontwikkeling dient toepassing te worden gegeven aan artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (ladder voor duurzame verstedelijking). Alle gebouwen, bijbehorende bouwwerken en ander permanente voorzieningen dienen te worden geconcentreerd binnen een bouwperceel. Voor onderhavig plan is er sprake van een bestaand bouwperceel in het landelijk gebied. Hierbij worden bestaande landschap ontsierende gebouwen gesloopt en vervangen door één nieuw te bouwen bijgebouw. Hiervoor dient het bestemmingsvlak van vorm veranderd te worden. Om een gesloten bestemmingsvlak te behouden wordt het bestemmingsvlak vergroot met circa 400 m2 en om zo alle voorzieningen binnen het bestemmingsvlak te houden. Deze ontwikkeling is op basis van vaste jurisprudentie te beperkt om aangemerkt te worden als stedelijke ontwikkeling als bedoeld in de ladder voor duurzame verstedelijking. Toepassing van de lagenbenadering (artikel 3.7) De toepassing van de lagenbenadering omvat het effect van de ontwikkeling op verschillende lagen.

Hierbij dient onderzocht te worden wat de effecten zijn op: • de ondergrond • de netwerklaag • de bovenste laag Met het effect op de ondergrond worden o.a. de aspecten bodem, grondwater en archeologische waarden bedoeld. De netwerklaag omvat aspecten zoals infrastructuur, natuurnetwerk, energienetwerk, waterwegen waaronder een goede, multimodale afwikkeling van het personen- en goederenvervoer. In de beschouwing van de bovenste laag dienen aspecten zoals cultuurhistorische en landschappelijke waarden, de omvang van de functie en de bebouwing, de effecten op bestaande en toekomstige functies, de effecten op volksgezondheid, veiligheid en milieu aan bod te komen. Hierbij dient te worden gekeken naar het verleden, heden en toekomst. De beoogde ontwikkeling mag geen negatieve effecten hebben op de waarden in de omgeving en dient ook in de toekomst geen beperkingen op te leveren voor de omgeving. De toetsing van de gevolgen van het initiatief op bovengenoemde aspecten is uitgebreid uiteengezet in hoofdstuk 4 van deze toelichting. Meerwaardecreatie (artikel 3.8) Het aspect meerwaardecreatie omvat een evenwichtige benadering van de economische, ecologische en sociale aspecten die in een gebied en bij een ontwikkeling zijn betrokken. Het biedt de mogelijkheid om opgaven en ontwikkelingen te combineren, waardoor er meerwaarde ontstaat.

Daarnaast ontstaat een bijdrage aan andere opgaven en belangen dan die rechtstreeks met de ontwikkeling gemoeid zijn. In dit bestemmingsplan wordt meerwaarde gecreëerd door opname van het bedrijf aan huis te combineren met een goede landschappelijke inpassing. Daarnaast is er sprake van het amoveren van landschap ontsierende bebouwing. Kwaliteitsverbetering (artikel 3.9) Een bestemmingsplan in landelijk gebied moet gepaard gaan met een fysieke verbetering van het landschap. Daarnaast moet worden aangetoond hoe deze fysieke verbetering financieel, juridisch en feitelijk wordt verzekerd. Een verbetering kan o.a. bestaan uit een landschappelijke inpassing, behoud of herstel van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing of terreinen, het slopen van bebouwing of aanleggen van extensieve recreatieve mogelijkheden. Deze vormen van kwaliteitsverbetering moeten worden geborgd in het bestemmingsplan. Over de exacte invulling van de kwaliteitsverbetering zijn in het regionaal ruimtelijk overleg tussen gemeenten en provincie afspraken gemaakt. Hierin is de ontwikkeling aangemerkt als een categorie 3

Pagina 13 van 39

ontwikkeling wat betekent dat er sprake is van een verplichting tot kwaliteitsverbetering. Dit omdat de woonbestemming toeneemt met circa 400 m2 tot circa 2600 m2. In Bijlage 7 is de kwaliteitsberekening bijgevoegd. De aanleg en instandhouding van deze landschappelijke inpassing wordt feitelijk en juridisch verzekerd middels de bestemming Groen-Houtsingel op de verbeelding en door de opname van een voorwaardelijke verplichting in de regels van het bestemmingsplan. De beoogde ontwikkeling is derhalve in overeenstemming met artikel 3.9 van de Iov. Vestiging niet-agrarische functie in landelijk gebied (artikel 3.73) In artikel 3.73, eerste lid, van de Iov is vastgelegd dat op een bestaand bouwperceel binnen het landelijk gebied kan worden voorzien in de vestiging van een niet-agrarische functie als dit past binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied. Daarbij dienen de volgende aspecten te worden betrokken:

1. Een gebiedsgerichte benadering welke activiteiten en functies passen in de omgeving;

De beoogde ontwikkeling van het landelijke gebied betreft een gemengde plattelandseconomie met in hoofdzaak een agrarische economie met daarbij passende bestemmingen. Er is naast land- en tuinbouw in een gemengde plattelandseconomie ruimte voor de ontwikkeling van nietagrarische functies, zoals toerisme, recreatie, kleinschalige bedrijvigheid, zorgfuncties et cetera. Dit kan door verbreding van agrarische activiteiten maar ook als zelfstandige functie, met name op vrijkomende locaties. Met de beoogde ontwikkeling wordt planologisch de bebouwing van een woonbestemming hergebruikt (d.m.v. sloop en herbouw) voor woonbestemming met een bedrijf aan huis. Hierdoor wordt leegstand en verloedering van het buitengebied voorkomen. Waardoor het initiatief bijdraagt aan de ontwikkeling van een gemengde plattelandseconomie.

2. Welke effecten de mogelijke ontwikkeling heeft op andere aspecten, waaronder mobiliteit, agrarische ontwikkeling, leefbaarheid en leegstand elders; 3. Hoe een ontwikkeling bijdraagt aan het versterken van de omgevingskwaliteit waaronder een bijdrage aan de sloop van overtollig en leegstaand vastgoed in het landelijk gebied. Het beoogde beroep aan huis geeft een verdere invulling aan kleinschaligheid houden van de omgeving van de Schuitvaartjaagpad. De beoogde functie staat toe een kleine economische drager op te nemen in het buitengebied en met de paardenhouderij komt de landelijke uitstraling van het geheel en, in dit geval, ook het onderhouden van percelen in de directe omgeving door het beweiden van de paarden draagt bij aan de omgevingskwaliteit. Deze beoogde functies belemmeren de agrarische ontwikkeling niet daar het binnen een bestaande woonfunctie plaatsvindt. Met het voorgenomen sloop en herbouw van bestaande gebouwen wordt leegstand voorkomen. De beoogde situatie heeft derhalve een aanzienlijk positief effect op de leefbaarheid van de omgeving en draagt bij aan de ontwikkeling van de omgeving Schuitvaartjaagpad.

Verder moet worden aangetoond dat:

1. Er geen splitsing van het bouwperceel plaatsvindt;

Er is geen sprake van splitsing van het bouwperceel. Het perceel behoud zijn woonbestemming, met een nadere aanduiding voor het bedrijf aan huis.

2. Overtollige bebouwing wordt gesloopt;

Zoals reeds uiteen is gezet is er binnen de planlocatie geen sprake van overtollige bebouwing. De huidige landschap ontsierende bebouwing wordt wel gesloopt en vervangen door één nieuw gebouw. Voor de nieuwe economische drager is deze nieuwe bebouwing essentieel.

3. De vestiging geen betrekking heeft op een kantoor met baliefunctie, lawaaisport of mestbewerking.

Met de beoogde ontwikkeling wordt geen kantoor met baliefunctie, lawaaisport of mestbewerking gerealiseerd.

Pagina 14 van 39

Conform artikel 3.73, tweede lid, dient een bestemmingsplan dat de vestiging mogelijk maakt te borgen dat de functie, ook op lagere termijn, past binnen de ontwikkelingsrichting. Er dienen daartoe regels te worden gesteld:

a) over een bij de omgeving passende omvang en publieksaantrekkende werking;

Als een binnen de omgeving passende omvang geldt op grond van artikel 3.69, derde lid, sub a, voor bedrijvigheid, dat deze kleinschalig is en past binnen een gemengde omgeving waardoor het niet doelmatig is om deze te vestigen op een bedrijventerrein. Hiervoor hanteert de provincie nog steeds de voorwaarden uit de voormalige Verordening ruimte. Hierin was de maximale omvang van een niet-agrarisch bedrijf vastgelegd op 5.000 m2 en de maximaal toegestane milieucategorie op 2. De planlocatie heeft een omvang van circa 2.600 m2. Conform de VNG-handreiking Bedrijven en milieuzonering behoort een klein aannemersbedrijf tot de milieucategorie 2. De beoogde bedrijfsfunctie is dus passend binnen de omgeving, waardoor het niet doelmatig is om deze te vestigen op een bedrijventerrein.

b) Welke specifieke gebruiksactiviteit is toegestaan;

In de voorwaarden van het bestemmingsplan wordt vastgelegd dat ter plaatse uitsluitend het bedrijf aan huis en het houden van paarden is toegestaan met een maximale omvang van 200 m2 bebouwing.

c) Dat opslag en stalling plaatsvindt in gebouwen;

In de voorwaarden van het bestemmingsplan wordt buitenopslag als strijdig met de bestemming aangemerkt.

d) Dat de ontwikkeling verplaatst naar een passende locatie als deze niet langer past binnen de maximaal toegestane omvang.

In de regels van het bestemmingsplan wordt niet voorzien in uitbreidingsmogelijkheden voor de beoogde activiteiten waardoor het bedrijf bij uitbreiding genoodzaakt is om elders op een passende locatie te vestigen.

Er kan derhalve worden geconcludeerd dat het initiatief voldoet aan de voorwaarden voor de vestiging van een niet-agrarische functie in het landelijk gebied. Wonen in landelijk gebied (artikel 3.68 & 3.69) In artikel 3.68 van de Iov is opgenomen dat alleen bestaande burgerwoningen en bedrijfswoningen zijn toegestaan. In afwijking hiervan kan het gebruik van een voormalige bedrijfswoning als burgerwoning mogelijk worden gemaakt als is verzekerd dat: Met het plan wordt er geen afwijking voorzien van een bestaande burgerwoning in het landelijk gebied. Er kan derhalve worden geconcludeerd dat het initiatief voldoet aan de voorwaarden voor wonen in het landelijk gebied. Conclusie Gelet op bovenstaande voldoet de ontwikkeling aan de voorwaarden die zijn opgenomen in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. 3.2. Gemeentelijk beleid Het gemeentelijk beleid is omschreven in de gemeentelijke structuurvisie en het bestemmingsplan.

3.2.1. StructuurvisiePlus 2020, Etten-Leur in bloei, 2005

Op 23 mei 2005 heeft de gemeenteraad van Etten-Leur de ‘StructuurvisiePlus 2020, Etten-Leur in bloei, 2005’ vastgesteld. Deze visie geeft de ruimtelijke toekomst van de gemeente weer voor de periode tot 2020. De gemeente is inmiddels in voorbereiding tot een nieuwe omgevingsvisie. Onderhavige locatie ligt in het zuidelijk gelegen landelijk gebied welke gekenmerkt wordt door een afwisseling van agrarische functies en meerdere bosgebiedjes met aansluitend het natuurgebied Pannenhoef. Behalve landbouw en natuur komen in het buitengebied ook nog andere functies voor.

Pagina 15 van 39

In het kader van de revitalisering van het landelijk gebied wordt getracht daar oplossingsrichtingen en afwegingskaders voor te creëren. Het zuidelijk zandgebied kent veel kleinere bosgebieden en is reliëfrijk. Er zijn plannen voor het versterken van de landschapsstructuur en het vergroten van het natuurgebied De Pannenhoef. Ook van belang zijn de verbindingen tussen en naar de Pannenhoef, waaronder de gemeentebossen aan het Schuitvaartjaagpad. Bij ontwikkelingen in de invloedssfeer van de (te realiseren) ecologische verbindingszones dient aan deze zones voldoende ruimte geboden te worden om functioneel te kunnen zijn. Aan de Schuitvaartjaagpad 13 was oudsher een agrarisch bedrijf gevestigd, waar in het vigerende bestemmingsplan een woonbestemming is opgenomen. De gewenste doorontwikkeling van de locatie met het mogelijk maken van zowel een beroep aan huis als een hobbymatige paardenhouderij in één bedrijfsgebouw geeft de plattelandsvernieuwing een impuls. Enerzijds via een kleinschalige economische drager, anderzijds via een inpassing van de locatie welke aansluit bij de bossen. Derhalve is het plan passend binnen de structuurvisie van de gemeente.

Beleidsregels landschappelijke inpassing gemeente Etten-Leur + Sloop-bonus regeling

De hiervoor beschreven structuurvisie dateert van 2005 en hoewel tussentijds nog gedeeltelijk geactualiseerd (2009) hebben er in de loop van de laatste jaren veel verandering plaatsgevonden in de uitwerkingsmogelijkheden. Vanuit provinciale regelgeving zijn aan de transformatie van het buitengebied voorwaarden verbonden onder andere in de vorm van landschappelijke inpassing en kwaliteitsverbetering van het landschap. De gemeente Etten-Leur heeft op 26 januari 2016 daarvoor de “Beleidsregels landschappelijke inpassing gemeente Etten-Leur” vastgesteld (hierna te noemen Beleidsregels). Tevens heeft de gemeente zich beraden op een sloop-bonus regeling voor het buitengebied waarmee aanvullende bebouwing kan worden toegestaan indien andere bebouwing wordt gesloopt, of een vast maximum aan bebouwing indien maatwerk noodzakelijk is. Binnen de Beleidsregels zijn verschillende ontwikkelingen/activiteiten opgenomen waarvoor landschappelijke en/of kwaliteitsverbeterende maatregelen nodig zijn. Deze zijn voornamelijk gekoppeld aan de afwijkings- en wijzigingsbevoegdheden binnen het vigerende bestemmingsplan. Deze zijn gebaseerd op het “Afsprakenkader Kwaliteitsverbetering van het landschap in de regio WestBrabant” (hierna het Afsprakenkader).

De beoogde ontwikkeling is hierin aangemerkt als een categorie 3 ontwikkeling wat betekent dat er sprake is van een verplichting tot kwaliteitsverbetering. Op pagina 14 wordt de berekening kwaliteitsverbetering toegelicht. Derhalve is een verdere investering in het kader van de kwaliteitsverbetering niet noodzakelijk.

3.2.2. Bestemmingsplan

Zoals al in de inleiding van deze toelichting beschreven is voor de planlocatie het bestemmingsplan “Buitengebied” en de “Partiële herziening Buitengebied” geldend. Hier zijn de volgende aanduidingen opgenomen: • Enkelbestemmingen: o Agrarisch met waarden o Wonen • Dubbelbestemmingen: o Waarde - Archeologie 2 • Gebiedsaanduidingen: o overige zone - groenblauwe mantel o overige zone - landschappelijk afwisselend gebied Binnen de geldende enkelbestemmingen ‘Wonen’ en ‘Agrarisch met waarden’ en aanduidingen is het huidige bedrijf aan huis en de hobbymatige paardenhouderij niet toegestaan.

Pagina 16 van 39

Afbeelding 6: Uitsnede vigerend bestemmingsplan “Buitengebied”

Om deze reden wordt een herziening van het bestemmingsplan voorbereid. De regels van deze herziening zullen zo veel mogelijk aansluiten bij het bestemmingsplan “Partiële herziening Buitengebied”. In artikel 23.3.3 is een afwijkingsbevoegdheid opgenomen ten behoeve van bijgebouwen bij een burgerwoning. Zie onderstaand kader. 23.3.3 Afwijken bouwregels bijgebouwen en overkappingen en/of inhoud hoofdgebouw Bij sloop van overtollige (voormalige) bedrijfsgebouwen, bijgebouwen en overkappingen kan het bevoegd gezag bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 23.2.2 onder a en/of 23.2.3 onder a, voor het vergroten van de oppervlakte aan bijgebouwen en overkappingen en/of voor het vergroten van de inhoud van het hoofdgebouw, waarbij moet worden voldaan aan de volgende voorwaarden: a. De sloop van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing is niet toegestaan. b. Indien de sloop wordt ingezet voor het vergroten van de oppervlakte van bijgebouwen en overkappingen gelden de volgende regels: 1. Als op het perceel in de bestaande situatie minder dan 400 m 2 aan bestaande, legaal opgerichte, (voormalige) bedrijfsgebouwen, bijgebouwen en overkappingen aanwezig is, geldt de bestaande oppervlakte van deze gebouwen en overkappingen als maximale oppervlakte die kan worden toegestaan. 2.

Als op het perceel 400 m2 of meer aan bestaande, legaal opgerichte (voormalige) bedrijfsgebouwen, bijgebouwen en overkappingen aanwezig is, bedraagt de maximale oppervlakte die kan worden toegestaan 400 m2. 3. Indien bij toepassing van het bepaalde onder 2 sprake zou zijn van een situatie waarbij in redelijkheid niet kan worden verlangd dat een bestaand gebouw gedeeltelijk wordt gesloopt, of de gedeeltelijke sloop van dat gebouw zou tot een onaanvaardbare ruimtelijke situatie leiden, bedraagt de maximale oppervlakte die kan worden toegestaan 500 m2. 4. De maximaal toegestane oppervlakte aan bijgebouwen en overkappingen mag ofwel behouden blijven ofwel nieuw gebouwd worden. c. Indien de sloop (tevens) wordt ingezet voor het vergroten van de inhoud van het hoofdgebouw gelden de volgende regels: 1. Voor iedere 100 m2 te slopen bebouwing mag de inhoud van het hoofdgebouw worden vergroot met 50 m3 tot een maximale inhoud van 850 m3. 2. Indien (een deel van de) te slopen bebouwing wordt ingezet voor vergroting van het hoofdgebouw, wordt de maximale oppervlakte voor bijgebouwen en overkappingen die

Pagina 17 van 39

kan worden toegestaan op grond van het bepaalde onder b, teruggebracht met 5 m2 voor iedere 10 m3 waarmee het hoofdgebouw wordt vergroot. d. Indien de bestaande oppervlakte aan cultuurhistorisch waardevolle (voormalige) bedrijfsgebouwen, bijgebouwen en overkappingen meer bedraagt dan kan worden toegestaan op grond van het bepaalde onder b, geldt deze bestaande oppervlakte als maximum. e. Alle overtollige bebouwing moet worden gesloopt, zodat de totale hoeveelheid bebouwing wordt teruggebracht tot hetgeen op grond van het bepaalde onder b, c en/of d is toegelaten. f. Er dient te worden voorzien in een zorgvuldige landschappelijke inpassing op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd beplantingsplan tot realisatie, beheer en instandhouding van de landschappelijke inpassing. g. Indien op grond van het bepaalde onder b.3 meer dan 400 m2 aan bijgebouwen en overkappingen wordt toegestaan, dient tevens te worden voorzien in een aantoonbare en uitvoerbare verbetering van de aanwezige of potentiële kwaliteiten van bodem, water, natuur, landschap of cultuurhistorie of van de extensieve recreatieve mogelijkheden van het plangebied van dit bestemmingsplan. Indien een fysieke verbetering ter plaatse niet mogelijk of niet wenselijk is, kan kwaliteitsverbetering plaatsvinden door een passende financiële bijdrage in het gemeentelijk landschapsfonds.

Het bestemmingsplan laat dus toe dat er beleidsmatig 400 m2 aan bedrijfsbebouwing aanwezig mag zijn bij een woonbestemming. Op de planlocatie is 336 m2 aan bedrijfsbebouwing aanwezig waardoor deze locatie valt onder 23.3.3, onder b, onder 1. Een toename tot 400 m2 is dus niet mogelijk ondanks dat de behoefte, zoals opgenomen in paragraaf 2.2 van deze toelichting dit wel afdoende motiveert. Derhalve is deze herziening van het bestemmingsplan opgesteld. Aan de overige voorwaarden zal worden voldaan zoals blijkt uit deze toelichting. Wat betreft de gebiedsaanduidingen hebben voorgenomen ontwikkelingen uit dit plan geen effecten op de bepalingen zoals opgenomen in artikel 36.7.1, lid d en lid e. Wat betreft de dubbelbestemming Waarde-Archeologie zal in paragraaf 4.3.2 een nadere onderbouwing worden gegeven.

Pagina 18 van 39

4. Milieuhygiënische en planologische aspecten Op grond van het bepaalde in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is het verplicht om inzicht te bieden in de relevante milieu-hygiënische en planologische aspecten. In dit hoofdstuk worden deze aspecten beschreven. 4.1. Waterhuishouding Sinds 1 november 2003 is het verplicht om bij ruimtelijke ingrepen de watertoets toe te passen. Deze verplichting is wettelijk geregeld in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Door middel van deze watertoets moet inzicht worden geboden in de effecten van het initiatief op de waterhuishouding. In het kader van de watertoets dient de gemeente voorafgaand aan de procedure het voornemen van de ruimtelijke ingreep aan het waterschap te verzenden. De gemeente en het waterschap kunnen afspraken maken over de wijze waarop het aspect water in het ruimtelijk plan is opgenomen. In deze waterparagraaf komen de volgende onderdelen aan bod: • Beschrijving waterrelevant beleid; • Bestaande waterhuishoudkundige situatie; • Beoogde waterhuishoudkundige situatie.

4.1.1. Waterrelevant beleid

De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) is vanaf 22 december 2000 van kracht. De KRW heeft als doel om te komen tot schone, ecologisch gezonde stroomgebieden, waarin water op een duurzame manier wordt gebruikt. Om dit doel te bereiken is een systematiek opgesteld die alle Europese lidstaten in de nationale wetgeving moeten implementeren en uitvoeren. De Nederlandse regering heeft invulling aan de KRW gegeven door middel van de Waterwet, die in werking is getreden op 22 december 2009. De Waterwet regelt het beheer van het oppervlakte- en grondwater en verbetert ook de samenhang tussen het waterbeleid en ruimtelijke ordening. De visies met betrekking tot het waterbeleid worden door de verschillende bestuurslagen in diverse plannen beschreven. Provincie Het beleid van de provincie Noord-Brabant richt zich op het bereiken en in stand houden van watersystemen die ruimte bieden aan een gezond leefmilieu voor mens, dier en plant. Daarbij zijn economische en ecologische ontwikkelingen met elkaar in evenwicht en is het hebben en houden van een veilige en bewoonbare provincie een randvoorwaarde. Dit beleid is vertaald in de Omgevingsvisie en Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. De belangrijkste aspecten zijn: • Een robuust en veerkrachtig water- en natuursysteem; • Een betere waterveiligheid door preventie; • Koppeling van waterberging en droogtebestrijding.

Zoals reeds uiteen is gezet in paragraaf 3.2.3 liggen er binnen de Iov geen werkingsgebieden voor wat betreft het aspect water op de planlocatie. Er zijn derhalve geen voorwaarden waar in het kader van de Iov aan getoetst dient te worden. De wijze waarop de provincie omgaat met water, is beschreven in het Regionaal Water en Bodem Programma (2022-2027). Provinciale Staten hebben op 3 december 2021 het Regionaal Water en Bodem Programma (2022-2027) vastgesteld (RWP). Hiermee is de RWP de opvolger van het Provinciaal Milieu en waterplan (PMWP). Het RWP zal op 22 december 2021 in werking treden. Door middel van het RWP wordt beleid vastgesteld om te komen tot een klimaat robuust water en bodemsysteem in 2050, en zorg te dragen voor veilig, schoon en voldoende water en een vitale bodem in de provincie Noord-Brabant. Belangrijk uitgangspunt van het RWP is de Europese Kader Richtlijn Water (KRW) als een mijlpaal op weg naar een klimaatrobuust en veerkrachtig water- en bodemsysteem in 2050. In dit programma ligt de focus op zuinig zijn op water en de bodem, en het wateren bodemsysteem moet toegerust zijn op natte én droge tijden (systeemgericht). Vele generaties lang had het waterbeleid als doel wateroverlast te voorkomen en water zo snel mogelijk af te voeren. Inmiddels weten we dat het doel om moet; we moeten zuinig zijn op ons water en de bodem. Doel van RWP:

Pagina 19 van 39

• • • • •

Voldoende water Schoon water Veilig water Vitale bodem Klimaatadaptatie

Brabantse Delta De doelstelling van het waterbeheerplan Brabantse Delta (2022-2027): Met het Waterbeheerprogramma werkt het waterschap samen met andere organisaties aan een klimaatbestendig en veerkrachtig waterbeheer. Dat waterbeheer draagt bij aan een duurzame ontwikkeling van het werkgebied en daarbuiten. In 2050 is Nederland aangepast om de negatieve gevolgen van klimaatverandering op te vangen. Ambitie: Samen werken met de omgeving aan een klimaatbestendig en veerkrachtig waterlandschap voor de regio Midden- en West-Brabant. Belangrijke onderwerpen waarvoor het Brabantse Delta doelen voor opgesteld heeft: • Water voor duurzame ontwikkeling; Het realiseren van de ambities wordt bereikt aan de hand van zes beleidskeuzes: 1. Water als drager voor een vitale regio 2. Evenwicht in het water- en bodemsysteem 3. We werken samen 4. We werken duurzaam 5. We werken veerkrachtig en vernieuwend 6. We prioriteren op basis van verplichtingen en mogelijkheden • Waterveiligheid; De waterveiligheid wordt verbeterd door het verkleinen van de kans op overstroming én het verkleinen van de mogelijke gevolgen. Om deze aspecten in samenhang te behandelen worden de drie lagen van het concept meerlaagsveiligheid gebruikt: 1. Preventie door sterke waterkeringen 2. Ruimtelijke inrichting minder kwetsbaar maken 3. Crisisbeheersing • Gezond water; • Voldoende water;

4.1.2. Bestaande waterhuishoudkundige situatie

In de bestaande waterhuishoudkundige situatie wordt het afvalwater van huishoudelijke aard geloosd op het gemeentelijk riool. Voor het overige wordt er uit de inrichting enkel niet-verontreinigd hemelwater geloosd. Dit hemelwater is afkomstig van regenwater dat op de daken en erfverharding valt. Gemiddeld valt er jaarlijks 0,8 m3 niet-verontreinigd hemelwater per m2 verhard oppervlak. Dit hemelwater wordt door middel van afschot van daken en erfverharding geloosd op omliggende perceelsloten. De erfverharding en de daken worden zo vaak als voor de goede orde noodzakelijk is schoon gehouden. Op de locatie vinden geen bijzondere activiteiten plaats die ertoe kunnen leiden dat er stoffen in aanraking kunnen komen met het hemelwater. Het niet-verontreinigde hemelwater kan dus zonder problemen worden geloosd op de omliggende perceelsloten. In de directe omgeving van de planlocatie zijn B-wateren gelegen. Deze zorgen voor de afwatering van het gebied.

Pagina 20 van 39

Afbeelding 7: Uitsnede Legger Brabantse Delta

4.1.3. Beoogde waterhuishoudkundige situatie

Vanuit het beoogde plan zijn er enkele punten die gevolgen kunnen hebben voor de waterhuishouding. Een daarvan is nieuwbouw. Bij de nieuwbouw zal gebruik worden gemaakt van milieuvriendelijke bouwmaterialen en niet van uitlogende bouwmaterialen, zoals lood, koper, zink en zacht PVC. Deze stoffen kunnen zich ophopen in het water(bodem)systeem en hebben hierdoor een zeer nadelige invloed op de water(bodem)kwaliteit en ecologie. Verder zullen de beschermingszones ten opzichte van omliggende watergangen in acht worden genomen. Binnen 5 meter van de watergangen zoals opgenomen in voorgaande afbeelding worden geen nieuwe obstakels, zijnde bebouwing dan wel landschapselementen, mogelijk gemaakt. Zoals aangegeven is waterschap Brabantse Delta de beheerder van de kwaliteit en kwantiteit van het grond- en oppervlaktewater binnen de planlocatie. Door middel van de Keur van Waterschap Brabantse Delta, kan worden bepaald bij welke ontwikkelingen mitigerende maatregen getroffen moeten worden. Deze mitigerende maatregelen kunnen onder andere bestaan uit het treffen van een retentievoorziening. De Keur van Waterschap Brabantse Delta schrijft voor dat voor een toename van minder dan 500 m² verhard oppervlak geen mitigerende maatregelen nodig zijn. In de beoogde situatie is er een toename van circa 64 m2 verhard oppervlak.

Omdat er een toename verharding is van minder dan 500 m² dient er geen compenserende maatregel getroffen te worden om het hemelwater op te vangen. Hieruit kan worden geconcludeerd dat er ten aanzien van het aspect water geen belemmeringen zijn voor het initiatief. 4.2. Natuur Voorafgaand aan de beoogde wijziging dient onderzocht te worden of er sprake is van een aantasting van wettelijk beschermde natuurwaarden op basis van de groene wet- en regelgeving. Onderstaand zijn de diverse aspecten ten aanzien van natuurwaarden beschreven.

4.2.1. Natuurnetwerk Nederland (NNN)

In de twintigste eeuw is veel Nederlandse natuur verdwenen. De overgebleven gebieden zijn vaak klein en liggen veelal ver uit elkaar. Hierdoor hebben bepaalde organismen moeite om gebieden te bereiken en zich er te handhaven, waardoor de diversiteit van planten, dieren en micro-organismen (de biodiversiteit) ook sterk achteruit gaat. Om de biodiversiteit te behouden en te versterken is het Natuurnetwerk Nederland opgericht.

Pagina 21 van 39

Het Natuurnetwerk Nederland is een netwerk van natuurgebieden en verbindingszones. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is in de eerste plaats belangrijk als netwerk van leefgebieden voor veel planten en dieren. In het NNN liggen: • Bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken; • Gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; • Landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; • Ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de kustzone van Noordzee en de Waddenzee; • Alle Natura 2000-gebieden. Het Rijk heeft het algemene NNN-beleid in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) vastgelegd. Op grond van artikel 2.10.2 van het Barro moeten provincies bij provinciale verordening de NNN-gebieden aanwijzen en nauwkeurig begrenzen. Op grond van artikel 2.10.3 Barro moeten zij ook de wezenlijke kenmerken en waarden van die gebieden vastleggen. Daarnaast wijzen de provincies de natuurdoelen in de NNN aan. Elk NNN-gebied heeft een zogenaamd natuurdoel. Een natuurdoel beschrijft een bepaalde natuurkwaliteit en wordt gebruikt als een toetsbare doelstelling voor een natuurgebied. Natuur Netwerk Brabant (NNB) Vanaf 2014 zijn de provincies verantwoordelijke voor de begrenzing en de ontwikkeling van het NNN. De provincie Noord-Brabant heeft in zijn Interim omgevingsverordening (Iov) de gebieden opgenomen als Natuur Netwerk Brabant.

Men wil in 2027 alle gaten in het netwerk hebben gedicht met nieuwe natuur. Ongeveer 90% van het Natuur Netwerk Brabant wordt gevormd door bestaande natuurgebieden. Tussen deze gebieden is men voornemens om verbindingen te leggen in de vorm van Ecologische verbindingszones. Door deze verbindingen tussen natuurgebieden kunnen dieren van het ene gebied naar het andere foerageren. De concrete ambities van de provincie Noord-Brabant staan in het Natuurbeheerplan Noord-Brabant 2016. De begrenzing van het netwerk is daarnaast ook opgenomen in de Iov. Het NNB kent geen specifiek beschermingsregime, anders dan via het ruimtelijke spoor. Conform de kaart ‘Instructieregels gemeenten: natuur en stiltegebieden’ van de Iov is binnen de planlocatie geen NNB aanwezig, zie Afbeelding 8. De beoogde ontwikkelingen hebben daarom geen invloed op de concrete ambities uit het Natuurbeheerplan 2016. Daarbij wordt opgemerkt dat door de aanleg van de zorgvuldige landschappelijke inpassing de ecologische waarden in de omgeving versterkt zullen worden.

Afbeelding 8: Instructieregels gemeenten: natuur en stiltegebieden’ Iov

Pagina 22 van 39

4.2.2. Wet natuurbescherming

In de Wet natuurbescherming zijn regels gesteld met betrekking tot gebiedsbescherming, soortenbescherming en bescherming van houtopstanden. In deze paragraaf wordt getoetst of de ontwikkeling invloed heeft op de beschermde gebieden en soorten die zijn opgenomen in de Wet natuurbescherming. Gebiedsbescherming De gebiedsbescherming is beperkt tot de Natura 2000-gebieden en eventueel buiten het Natuur Netwerk liggende bijzondere provinciale natuurgebieden. De bescherming van het Natuur Netwerk Nederland is al beschermd in het Barro en de provinciale verordening. In Nederland zijn 161 Natura 2000-gebieden aangewezen. Voorbeeld van de Natura 2000-gebieden is het Ulvenhoutse Bos. De provincie Noord-Brabant heeft geen bijzondere provinciale natuurgebieden vastgesteld. Per Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten, gelet op de instandhoudingdoelen, nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben, is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken. Het bevoegd gezag kan schadelijke activiteiten beperken en eisen dat een vergunning in het kader van de Wet Natuurbescherming (Wnb) wordt aangevraagd. Regulier beheer en bestaand gebruik zijn (of worden) opgenomen in Natura 2000-beheerplannen.

Na vaststelling van de beheerplannen hoeft daarvoor geen vergunning aangevraagd te worden. Het dichtstbij liggende Natura 2000-gebied betreft Ulvenhoutse Bos, dat op een afstand van circa 8,7 kilometer ligt. Elke ruimtelijke ontwikkeling kan negatieve effecten hebben op de Natura 2000-gebieden. Er zijn verschillende factoren die kunnen leiden tot de verstoring van beschermde vogel- en habitattypen en soorten. Vooral de storingsfactoren verzuring en vermesting door stikstof uit de lucht spelen hierbij een belangrijke rol, omdat deze ook op grote afstand van een gebied voor effecten kunnen zorgen. Daarnaast kunnen andere factoren eveneens leiden tot een verstoring van habitattypen en soorten, indien een ontwikkeling op korte afstand van een gebied plaatsvindt.

Verzuring en vermesting door stikstof uit de lucht

Middels het rekenprogramma AERIUS kan de stikstofdepositie op omliggende Natura 2000-gebieden worden berekend. Hiermee wordt het effect op verzuring en vermesting in beeld gebracht. Wanneer met het rekenprogramma AERIUS kan worden aangetoond dat een initiatief geen toename in stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden tot gevolg heeft, kan de ontwikkeling doorgang vinden. Indien er wel sprake is van een toename in stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden moet onderbouwd worden hoe deze toename in depositie ongedaan wordt gemaakt (door het treffen van maatregelen of extern salderen). Om aan te tonen dat er als gevolg van de beoogde ontwikkeling geen toename in stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden plaatsvindt, is middels het rekenprogramma AERIUS een verschilberekening gemaakt tussen de uitgangssituatie en de beoogde bedrijfsopzet. De uitgangspunten voor deze berekening is uiteengezet in Bijlage 2. Uit de AERIUS-berekening, die is bijgevoegd in Bijlage 4, blijkt dat er geen sprake is van een toename van stikstofdepositie op omliggende Natura 2000-gebieden. Er zijn daarom geen negatieve effecten op omliggende Natura 2000-gebieden als gevolg van stikstof uit de lucht. De bouw- en realisatiefase van onderhavige ontwikkeling kan ook leiden tot stikstofdepositie op omliggende Natura-2000 gebieden.

Om uit te sluiten dat er stikstofdepositie plaatsvindt om omliggende Natura-2000 gebieden is een AERIUS berekening gemaakt van de bouw- en realisatiefase. Een toelichting op de invoergegevens is in Bijlage 2 toegevoegd. De rekenresultaten zijn toegevoegd in Bijlage 3. Uit de rekenresultaten blijkt dat er geen sprake is van een toename van stikstofdepositie op omliggende Natura 2000-gebieden. Er zijn daarom geen negatieve effecten op omliggende Natura 2000-gebieden als gevolg van stikstof uit de lucht.

Pagina 23 van 39

Overige storingsfactoren

Vanwege de ruime afstand van de planlocatie tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied Ulvenhoutse Bos leidt het initiatief verder niet tot andere voorkomende storende factoren op omliggende Natura 2000-gebieden zoals oppervlakteverlies, versnippering, verontreiniging, verdroging, verstoring door geluid, optische verstoring, verstoring door mechanische effecten en bewuste verandering soortensamenstelling.

Conclusie

Gezien het vorenstaande kan geconcludeerd worden dat negatieve effecten op soorten en habitattypen in beschermde Natura 2000-gebieden zijn uitgesloten. Er is derhalve op grond van de Wet natuurbescherming geen omgevingsvergunning in het kader van gebiedsbescherming noodzakelijk. Bescherming van soorten De soortenbeschermende werking is rechtstreeks opgenomen in de Wnb. In hoofdstuk 3 van de Wnb zijn de beschermingsregimes in drie aparte paragrafen neergelegd. Per beschermingsregime is bepaald welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Hieronder zijn de drie beschermingsregimes weergegeven: 1. Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn; Dit zijn alle van nature in Nederland in het wild levende vogels (zoals bedoelt in artikel 1 van de Vogelrichtlijn). 2. Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn; Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage II van het Verdrag van Bonn. In de bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd. 3. Beschermingsregime andere soorten. Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage onderdeel A en B van de Wet natuurbescherming. Het gaat hier om de bescherming van zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=EttenLeur&id=a67bde2c-6b8a-4b70-b960-702e1ce5fc12