Bestemmingsplan 'Anna van Berchemlaan 2-4'
Tekst van het document
Ook is hier een vergunningstelsel in opgenomen voor bescherming van monumenten. Toetsing De voormalige bebouwing binnen het plangebied was niet aangewezen als gemeentelijk‐ of rijksmonument. Conclusie De beoogde ontwikkeling past binnen de kaders en randvoorwaarden van het gemeentelijk beleid. Voor een uitgebreide toetsing en conclusie zie paragraaf 4.1. 3.3.13 Hemelwaterverordening Etten‐Leur Toetsingskader Op 6 december 2022 heeft de gemeenteraad de 'Hemelwaterverordening Etten‐Leur' vastgesteld. Deze verordening bevat regels en afspraken over het verplicht opvangen van hemelwater in een hemelwaterberging. In de verordening zijn eisen opgenomen waaraan de hemelwaterberging moet voldoen. De verordening is o.a. van toepassing bij de bouw van een nieuw gebouw en/of aanleg van nieuw verhard oppervlak waarvoor een Omgevingsvergunning nodig is. Uitgangspunt is het (tijdelijk) bergen van 60 liter water per m² verharding (dakoppervlak en bestrating). De Hemelwaterverordening treedt op 21 maart 2023 in werking. Conform artikel 10.3 van de verordening is het voor ontwikkelingen die reeds lang lopen mogelijk om gebruik te maken van de overgangsregeling. Hiervoor moeten dan voor de datum van inwerking treden specifieke afspraken gemaakt zijn. Toetsing en conclusie In totaal is er sprake van 7.700 m2 bebouwd c.q. verhard oppervlak.
Dit betekent dat er circa 450 m3 aan (tijdelijk) waterbergende voorzieningen gerealiseerd dient te worden. Zie voor de berekening figuur 3.6.
42/154
Op hoofdlijnen zijn de uitgangspunten in relatie tot de Hemelwaterverordening: 1. De afwatering van het bebouwd oppervlak van de koopappartementen (gebouwen N, Z en O) gaat voldoen aan de hemelwaterverordening. De appartementen op de locatie van het oude Nobelaerterrein (gebouwen N, Z en O) zijn reeds in de verkoop en deels verkocht. Bouwkundige aanpassingen doorvoeren is op dit moment niet meer mogelijk. Afgesproken is dat de ontwikkelaar zorgt voor een groen dak met waterbergende capaciteit op de half verdiepte parkeergarage. Het resterende hemelwater van de bebouwing wordt door middel van wadi's in het openbaar gebied geïnfiltreerd of vertraagd afgevoerd. De exacte uitwerking is afhankelijk van de waterdoorlatendheid van de bodem en de inpassing in het ontwerp van het park. 2. De afwatering van het bebouwd en verhard oppervlak van de grondgebonden woningen en huurappartementen (zijde Van den Elsenstraat) gaat voldoen aan de hemelwaterverordening. Dit gedeelte van het terrein betreft volledig terrein van de ontwikkelaar. Uitgangspunt is dat de ontwikkelaar hier zorgt voor waterberging conform de Hemelwaterverordening binnen het perceel. 3. Voor de afwatering van de verharding in het openbaar gebied wordt in lijn met de overgangsregeling en wordt zover mogelijk voldaan aan de hemelwaterverordening.
Een groot deel van het verhard oppervlak in het openbaar gebied betreft bestaande verharding voor parkeervoorzieningen of trottoirs die op dezelfde locatie teruggebracht wordt als de huidige locatie. Deze telt ook mee voor de hemelwaterverordening. Idealiter wordt deze vervangen door waterdoorlatende verharding. De effectiviteit hiervan is afhankelijk van de infiltratiewaarde van de ondergrond. Deze verschilt sterk per locatie maar is over het algemeen slecht binnen Etten‐Leur. Hetgeen er toe leidt dat het water niet infiltreert in de bodem maar op maaiveld zorgt voor plasvorming. Als de sloopwerkzaamheden ter plaatse zijn afgerond wordt ter plaatse onderzoek gedaan naar de infiltratiewaarde van de ondergrond. Het water van het verhard oppervlak stroomt richting de hoek Van Den Elsenstraat/ Oranjelaan. Dit betekent dat het afwateren richting en (tijdelijk) bergen in wadi's in het groene gebied geen reële oplossing is. Als de infiltratiewaarde van de ondergrond voldoende blijkt dan wordt een zogenaamd infiltratieriool aangelegd. Dit zodat een deel van het hemelwater infiltreert. Tevens wordt een deel van het water tijdelijk geborgen door overcapaciteit in het riool en door blokkades zodat het water vertraagd wordt afgevoerd.
43/154
Figuur 3.6 Schematische weergave omgang met Hemelwaterverordening (exacte grootte wadi's nog te bepalen)
3.4
Conclusie
Het bestemmingsplan 'Anna van Berchemlaan 2 ‐ 4' is opgesteld conform de landelijke standaarden voor digitaal raadpleegbare bestemmingsplannen. Er kan geconcludeerd worden dat het bestemmingsplan past binnen het landelijk, provinciaal en gemeentelijk beleid.
44/154
Hoofdstuk 4
Omgevingsaspecten
In dit hoofdstuk komen de onderwerpen met betrekking tot de kwaliteit van de leefomgeving aan de orde die van belang zijn voor de herziening van het plangebied Anna van Berchemlaan 2 ‐ 4.
4.1
Archeologie en cultuurhistorie
Toetsingskader Erfgoedwet In Europees verband is het zogenaamde 'Verdrag van Malta' tot stand gekomen. De uitgangspunten van dit verdrag dienen te worden vertaald in nationale wetgeving. In Nederland heeft deze vertaling plaatsgevonden in de Erfgoedwet, welke in werking is getreden op 1 juli 2016. De Erfgoedwet regelt de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem, de inpassing ervan in de ruimtelijke ontwikkeling en de financiering van opgravingen. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar reële verwachtingen bestaan dat ter plaatse archeologische waarden aanwezig zijn, dient door de initiatiefnemer voorafgaand aan bodemingrepen archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. De uitkomsten van het archeologisch onderzoek dienen vervolgens volwaardig in de belangenafweging te worden betrokken. Het belangrijkste doel is de bescherming van het archeologische in de bodem (in situ) omdat de bodem doorgaans de beste garantie biedt voor een goede conservering. Er wordt uitgegaan van het basisprincipe de 'verstoorder' betaalt voor het opgraven en het documenteren van de aangetroffen waarden als behoud in de bodem niet tot de mogelijkheden behoort.
Besluit ruimtelijke ordening Op basis van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) dient in de toelichting van elk bestemmingsplan een beschrijving te worden gegeven van de aanwezige cultuurhistorische en archeologische waarden van het plangebied. Beleid gemeente Etten‐Leur In oktober 2010 heeft de gemeenteraad een actualisatie van het archeologiebeleid, de archeologische beleidskaart en de Erfgoedverordening vastgesteld. De beleidskaart is gebaseerd op de laatste archeologische stand van zaken en de actuele inzichten over dit onderwerp. De beleidskaart is leidend voor lokale projecten. Toetsing en conclusie In juni 2009 is een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (Becker & Van de Graaf, 12‐06‐2009, 10510708/AW/brf2) uitgevoerd. Het rapport is opgenomen in bijlage 3. In dit onderzoek zijn twee locaties onderzocht, de Parklaan en Anna van Berchemlaan (het huidige plangebied). Het volgende is geconcludeerd over de Anna van Berchemlaan: Tijdens het veldonderzoek is geconstateerd dat de bodem ontstaan in het dekzand van het plangebied op enkele honderden vierkante meters na waarschijnlijk volledig verstoord is. Er wordt geadviseerd geen vervolgonderzoek uit te laten voeren. De regioarcheoloog heeft geconcludeerd dat voor de Anna van Berchemlaan voldoende is beargumenteerd dat er grote delen van het plangebied niet nader onderzocht hoeven te worden.
Wel heeft de regioarcheoloog geadviseerd om op enkele locaties een proefsleuvenonderzoek uit te laten voeren.
45/154
Als uit het proefsleuvenonderzoek blijkt dat er geen sprake is van een behoudenswaardige archeologische vindplaats omdat de archeologische indicatoren niet meer in context liggen of dat de vindplaats in een te slechte staat is overgebleven, dan kan het terrein worden vrijgegeven. Proefsleuvenonderzoek Om het proefsleuvenonderzoek uit te laten voeren is een Programma van Eisen opgesteld. In september 2021 is een proefsleuvenonderzoek (Econsultancy, 18 november 2021, 15256.003) uitgevoerd. Het rapport is opgenomen in bijlage 4. Tijdens het veldwerk zijn drie proefsleuven aangelegd met een totale oppervlakte van circa 70 m2. Tijdens het proefsleuvenonderzoek zijn geen behoudenswaardige archeologische resten aangetroffen. Het plangebied kan dan ook worden vrijgegeven voor verdere ontwikkeling. Er hoeft geen vervolgonderzoek te worden uitgevoerd. Mochten tijdens de graafwerkzaamheden toch archeologische waarden worden aangetroffen, dan dient hiervan melding te worden gemaakt conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet uit juli 2016 bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.
4.2
Bodem
Toetsingskader De bodemkwaliteit vormt een belangrijk aspect bij nieuwbouwplannen. Wettelijk is bepaald dat een vergunningplichtig bouwwerk niet mag worden gebouwd op een zodanig verontreinigd terrein dat er schade of gevaar is te verwachten voor de gezondheid van de gebruikers of het milieu. Indien een bodemonderzoek uitwijst dat er in de bodem wezenlijke verontreinigingen aanwezig zijn, dienen deze gesaneerd te worden voordat het gebied daadwerkelijk in ontwikkeling kan worden genomen. Voor de uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan is het dus van belang om inzicht te hebben in de bodemkwaliteit van het plangebied. Toetsing Op 30 juni 2021 is het verkennend bodem‐ en asbestonderzoek in bodem en puin uitgevoerd (Econsultancy, 30 juni 2021, 15256.001). Het onderzoek is opgenomen in bijlage 5. Verkennend bodemonderzoek NEN 5740 De bovengrond is plaatselijk licht verontreinigd met minerale olie, lood en/of PAK. De ondergrond is analytisch niet verontreinigd. Het grondwater is plaatselijk licht verontreinigd met barium. Deze verontreiniging is hoogstwaarschijnlijk te relateren aan regionaal verhoogde achtergrondconcentraties van zware metalen in het grondwater. De vooraf gestelde hypothese, dat de onderzoekslocatie als 'verdacht' dient te worden beschouwd, wordt op basis van de onderzoeksresultaten bevestigd.
Gelet op de aard en mate van verontreiniging, bestaat er echter géén reden voor nader onderzoek. Met betrekking tot de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem zijn er géén belemmeringen voor de voorgenomen sloop en nieuwbouw op de onderzoekslocatie.
46/154
Verkennend onderzoek asbest in bodem/puin NEN 5707 Er zijn op het maaiveld geen asbestverdachte materialen aangetroffen. In de bodem zijn zintuigelijk in de fractie > 20 mm geen asbestverdachte materialen aangetroffen. Analytisch is in de fractie < 20 mm geen noemenswaardig gehalte aan asbest aangetoond. Op basis van de onderzoeksresultaten bestaat er geen aanleiding tot het uitvoeren van een nader onderzoek naar asbest in bodem/puin. In geval van grondwerkzaamheden op de locatie behoeven er ten aanzien van asbest geen specifieke maatregelen te worden getroffen. Conclusie De bodemkwaliteit is geschikt voor de beoogde ontwikkeling.
4.3
Waterhuishoudkundige aspecten
Toetsingskader In ruimtelijke plannen dient aandacht besteed te worden aan waterhuishoudkundige aspecten. Daarbij staan naast een duurzaam waterbeheer de integrale afweging en het creëren van maatwerk voorop. Water moet altijd bekeken worden in het licht van het watersysteem of stroomgebied waarin een stad of een dorp ligt. Een goede afstemming van waterbeleid en ruimtelijke ordening, ook in het direct aangrenzende gebied, is daarom noodzakelijk. De integratie van water in ruimtelijke plannen vindt plaats via de zogenaamde watertoets. Concreet betekent de watertoets, dat een plan een zogenaamde waterparagraaf dient te bevatten, die keuzes ten aanzien van de waterhuishoudkundige aspecten gemotiveerd beschrijft. Daarin dient een wateradvies van de waterbeheerder te worden meegenomen. De watertoets is wettelijk verankerd in artikel 3.1.6 lid 1, sub b Bro. Beleid provincie Noord‐Brabant Vigerend is het Provinciale Milieu‐ en Waterplan 2016 – 2021 (PMWP) van 18 december 2015. Het PMWP is de structuurvisie voor o.a. het aspect water op grond van de Wet ruimtelijke ordening. Het plan bevat de verplichte onderdelen vanuit de Europese Kaderrichtlijn Water. Behalve dat het PMWP de uitgangspunten aangeeft voor het waterbeleid van waterschappen en gemeenten, toetst de provincie aan de hand van dit plan ook of de plannen van de waterschappen passen in het provinciale beleid.
Als algemene uitgangspunten zijn onder andere te noemen de scheiding van relatief schone en vuile waterstromen en het benutten van mogelijkheden voor infiltratie en/of conservering van hemelwater. Beleid waterschap Brabantse Delta Het waterschap Brabantse Delta is verantwoordelijk voor het waterbeheer in de gemeente op basis van de volgende wettelijke kerntaken: het zuiveringsbeheer, watersysteembeheer, beheer van dijken en beheer van vaarwegen. Het watersysteembeheer – waaronder grondwater‐ heeft daarbij twee doelen, zowel de zorg voor gezond water als de zorg voor voldoende water van voldoende kwaliteit. Het beleid en daarmee samenhangende doelen van het waterschap zijn opgenomen in het waterbeheerplan 2016‐2021. Dit plan is tot stand gekomen in overleg met de waterpartners.
47/154
Zo zijn bijvoorbeeld relevante waterthema’s gekoppeld aan de belangrijkste ruimtelijke ontwikkelingen in de regio. Daarnaast heeft het waterschap waar nodig toegespitst beleid en beleidsregels op de verschillende thema’s/speerpunten uit het waterbeheersplan. Ook heeft het waterschap een eigen verordening; de Keur en de Legger. De Keur bevat gebods‐ en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen die gevolgen hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. De legger geeft aan waar de waterstaatswerken plus bijbehorende beschermingszones liggen, aan welke afmetingen en vorm die moeten voldoen en wie onderhoudsplichtig is. Veelal is voor deze ingrepen een watervergunning van het waterschap benodigd. In sommige gevallen vallen de werkzaamheden onder een Algemene regel. Dan kan er onder voorwaarden sprake zijn van vrijstelling van de vergunningsplicht. De Keur en de Algemene regels zijn te raadplegen via de site van waterschap Brabantse Delta. Het waterschap hanteert bij nieuwe ontwikkelingen het principe van waterneutraal bouwen, waarbij gestreefd wordt naar het behoud of herstel van de 'natuurlijke' waterhuishoudkundige situatie. Vanwege dit principe wordt bij de uitbreiding van verhard oppervlak voor de omgang met hemelwater uitgegaan van de voorkeursvolgorde infiltreren, bergen, afvoeren.
De technische eisen en uitgangspunten voor het ontwerp van watersystemen zijn opgenomen in de 'Hydrologische uitgangspunten bij Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen, 2015'. Het lozen van hemelwater op oppervlaktewater, door toename van verhard oppervlak, is in beginsel watervergunningplichtig op basis van de Keur. Bij het voldoen aan de criteria van de Algemene regels, wordt vrijstelling verleend van de vergunningplicht. Dit houdt onder andere in dat bij een toename van verhard oppervlak tot maximaal 500 m² vrijstelling wordt verleend van de vergunningplicht voor het afvoeren van hemelwater naar oppervlaktewater. De waterschappen Aa en Maas, Brabantse Delta en De Dommel hebben in de Noord‐Brabantse Waterschapsbond (NBWB) besloten om de keuren te uniformeren en tegelijkertijd te dereguleren. Hierbij is aangehaakt bij het landelijke uniformeringsproces van de Unie van Waterschappen. Er is conform het nieuwe landelijke model een sterk gedereguleerde keur opgesteld, met bijbehorende algemene regels en beleidsregels. Deze zijn voor de drie waterschappen gelijkluidend. De nieuwe uniforme keuren zijn gezamenlijk in werking getreden op 1 maart 2015.
In de nieuwe keur is opgenomen dat het in beginsel verboden is om zonder vergunning neerslag door toename van verhard oppervlak of door afkoppelen van bestaand oppervlak, tot afvoer naar een oppervlaktewaterlichaam te laten komen. Dit verbod is van toepassing tenzij: het afkoppelen van verhard oppervlak maximaal 10.000 m² is, of; de toename van verhard oppervlak maximaal 500 m² is, of; de toename van verhard oppervlak bestaat uit een groen dak; de toename van verhard oppervlak tussen 500 m² en 10.000 m² is en compenserende maatregelen zijn getroffen om versnelde afvoer van hemelwater tegen te gaan, in de vorm van een voorziening met een minimale retentiecapaciteit conform de rekenregel: 'benodigde retentiecapaciteit (in m³) = toename verhard oppervlak (in m²) x gevoeligheidsfactor x 0,06'
48/154
Daarbij dient de voorziening te voldoen aan de volgende voorschriften: de bodem van de voorziening dient boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) te liggen; de afvoer uit de voorziening vindt plaats via een functionele bodempassage naar het grondwater en/of via een functionele afvoerconstructie naar het oppervlaktewater. Indien een afvoerconstructie wordt toegepast, dient deze een diameter van 4 cm te hebben; daarnaast moet er altijd een overloopconstructie zijn, om uitspoeling naar de sloot te voorkomen. Toetsing Uit de kaarten behorende bij de Keur waterschap Brabantse Delta 2015 volgt dat het plangebied niet is gelegen binnen de beschermde gebieden. Het plangebied is alleen onderdeel van het grondwaterdeelgebied 'westelijke zandgronden'. Er is derhalve geen specifiek beschermingsregime uit de Keur van toepassing. Binnen het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig dat beschermd is op basis van de Keur. Het plangebied ligt ook niet binnen de keurzone van een waterkering. In figuur 4.1 is een uitsnede te zien van het plangebied in relatie tot de informatie die beschikbaar is via de Watertoets Viewer van het waterschap Brabantse Delta.
Figuur 4.1 Uitsnede Watertoets Viewer met het plangebied rood omkaderd (Bron: waterschap Brabantse Delta) Het plangebied heeft een oppervlakte van 13.167 m2. De totale verharding bedraagt in de huidige situatie 11.432 m2. In de toekomstige situatie bedraagt de verharding 7.543 m2. Een overzicht van alle oppervlaktes is te vinden in tabel 4.1.
49/154
Tabel 4.1 Overzicht huidige en toekomstige oppervlaktes Locatie
Oppervlak huidig 2
Oppervlak nieuw
Dakoppervlak gebouwen
5.889 m
3.661 m2 (waarvan 372 m2 parkeerdek)
Verharding bestrating + parkeren
5.543 m2
3.882 m2
Halfverharding bestrating + parkeren
0 m2
0 m2
Tuinen/balkon
0 m2
487 m2
Groen
1.735 m2
5.137 m2 (waarvan 4.630 m2 als park en 507 m2 als rest openbaar groen)
Water
0 m2
0 m2
Totaal plangebied
13.167
m2
13.167 m2
Het verhard oppervlak neemt af met 3.889 m2. De berekende oppervlaktes zijn opgenomen in bijlage 6. Hierdoor is het aanbrengen van een waterberging niet noodzakelijk. Het plangebied heeft een oppervlakte van 13.167 m2. De totale verharding bedraagt in de huidige situatie 11.432 m2 (5.543 m2 bestrating en 5.889 m2 dakoppervlak). In de toekomstige situatie bedraagt de verharding 7.543 m2 (3.289 m2 bebouwing, 372 m2 parkeerdek en 3.882 m2 verharding). Het onverhard oppervlak is in de huidige situatie 1.735 m2 en in de toekomstige situatie bedraagt het onverhard oppervlak 5.624 m2 (4.630 m2 park, 507 m2 rest openbaar groen en 487 m2 tuinen/balkon). Omdat het verhard oppervlak afneemt, zijn compenserende maatregelen niet nodig. De getallen zijn te herleiden uit bijlage 6. Conform het beleid van het waterschap wordt bij de ontwikkelende partij aandacht gevraagd voor het gebruik van milieuvriendelijke materialen en het achterwege laten van uitlogende materialen zoals lood, koper, zink en zacht PVC. Dit kan echter niet afgedwongen worden. De toe te passen bouwmaterialen moeten namelijk getoetst worden aan het Bouwbesluit. Dit is een landelijke regeling. De wetgever biedt geen mogelijkheden om vanwege de mogelijke uitloging van materialen, aanvullende eisen te stellen ter bescherming van bijvoorbeeld het milieu.
Conclusie Vanuit de eisen van het waterschap is watercompensatie in het kader van de voorgenomen ontwikkeling niet noodzakelijk. Het plan is voorgelegd aan het waterschap en op 27 oktober 2022 heeft het waterschap een positief wateradvies uitgebracht. Het wateradvies is opgenomen in bijlage 7.
50/154
4.4
Flora en fauna
Toetsingskader Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden. Op grond van deze wet zijn de Natura 2000‐gebieden beschermd. Daarnaast regelt de Wet natuurbescherming ook de bescherming van planten‐ en dierensoorten. In deze wet zijn de EU‐richtlijnen voor de bescherming van soorten opgenomen (Habitatrichtlijn en Vogelrichtlijn). Nationaal beschermde soorten vallen ook onder deze wet. De doelstelling is bescherming en behoud van in het wild levende planten en dieren. Het uitgangspunt van de wet is 'nee, tenzij'. Dit betekent dat activiteiten met een schadelijk effect op beschermde soorten zonder ontheffing verboden zijn. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dienen vooraf de effecten op Natura 2000‐gebieden en het Natuur Netwerk Brabant beoordeeld te worden. Ook dient vooraf onderzocht te worden of en welke beschermde dier‐ en plantensoorten voorkomen, wat hun beschermingsstatus is en wat de effecten zijn van de ingreep op het voortbestaan van de gevonden soorten. Bij de Wet natuurbescherming (hierna Wnb) zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier‐ en plantsoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving.
Gebiedsbescherming De Wnb kent diverse soorten natuurgebieden: Natuurnetwerk Nederland (NNN) en Natura 2000‐gebieden. De Minister van Economische Zaken (EZ) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europees netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Voor ieder Natura 2000‐gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen voor leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en voor natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn) opgesteld. De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale verordening. Het NNN is in Noord‐Brabant uitgewerkt in het Natuurnetwerk Brabant (NNB). Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden. Soortenbescherming In de Wnb wordt onderscheid gemaakt tussen soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn, soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn en de bescherming van overige soorten. De provincie kan ontheffing verlenen van de verboden voor overige soorten.
De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Gedeputeerde Staten (hierna: GS) kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten (hierna: PS) vrijstelling verlenen van dit verbod. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn. Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren. GS kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen PS vrijstelling verlenen van dit verbod. De gronden voor verlening van ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn.
51/154
Ten slotte is een verbodsbepaling opgenomen voor overige soorten. Deze soorten zijn opgenomen in de bijlage onder de onderdelen A en B bij de Wnb. De provincie kan ontheffing verlenen van deze verboden. Verder kan bij provinciale verordening vrijstelling worden verleend van de verboden. De noodzaak tot ontheffing of vrijstelling kan hierbij ook verband houden met handelingen in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. De gemeente beschikt over een generieke ontheffing krachtens artikel 3.3, eerste lid, en 3.8, eerste lid , van de Wet natuurbescherming voor veel voorkomende werkzaamheden aan woningen binnen de bebouwde kom. Een van de voorwaarden is dat nieuwbouw natuurinclusief wordt gerealiseerd. Dit betekent het aanbrengen van verblijf‐ en nestplaatsen voor vleermuizen, huismussen en gierzwaluwen.
Uitwerking Verordening uitvoering Wet natuurbescherming Noord‐Brabant In het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied, bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw, bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of natuurbeheer, of bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied worden vrijstellingen verleend ten aanzien van de soorten genoemd in bijlage 3 bij deze verordening. Het betreft aardmuis, bastaardkikker, bosmuis, bruine kikker, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, gewone pad, haas, huisspitsmuis, kleine watersalamander, konijn, meerkikker, ondergrondse woelmuis, ree, rosse woelmuis, tweekleurige bosspitsmuis, veldmuis, vos, wild zwijn en woelrat. Onderzoek Gebiedsbescherming Natura 2000‐gebieden Het plangebied ligt niet binnen een Natura 2000‐gebied (zie figuur 4.2). Directe effecten zoals areaalverlies en versnippering kunnen hierdoor worden uitgesloten. De dichtstbijzijnde Natura 2000‐gebieden zijn 'Hollands Diep' op circa 15 kilometer ten noorden van het plangebied en 'Ulvenhoutse Bos' op circa 12 kilometer ten oosten van het plangebied.
Gezien de aard en omvang van de ontwikkeling en de afstand tot natuurgebieden kunnen ook verstoring en verandering van de waterhuishouding worden uitgesloten. De gevolgen voor verzuring en vermesting zijn niet op voorhand uit te sluiten. Daarom is onderzoek uitgevoerd naar de stikstofdepositie, voor zowel de aanleg‐ als gebruiksfase. Om de eventuele toename van stikstofdepositie op de dichtstbijzijnde Natura 2000‐gebieden te bepalen is met het programma AERIUS Calculator een berekening voor de aanleg‐ en gebruiksfase uitgevoerd om de gevolgen voor de stikstofdepositie binnen Natura 2000 in beeld te brengen en te toetsen of de eventuele toename past binnen de eisen die gelden op grond van de Wet natuurbescherming. De memo's en berekeningen zijn opgenomen in de bijlage 8, 9, 10 en 11. Uit de rekenresultaten blijkt dat voor zowel de aanleg‐ als gebruiksfase geen sprake is van stikstofdepositie hoger dan 0,00 mol/ha/jaar op het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000‐gebied. Derhalve is in het kader van de Wet natuurbescherming geen vergunning noodzakelijk. De stikstofdepositie vormt geen probleem voor de vaststelling van het bestemmingsplan.
52/154
Figuur 4.2 Ligging van de projectlocatie (rood omcirkeld) ten opzichte van Natura 2000‐gebieden Natuurnetwerk Brabant Het plangebied ligt niet in een gebied dat begrensd is in het kader van het Natuurnetwerk Brabant (NNB) (zie figuur 4.3). De dichtstbijzijnde gebieden zijn gelegen op ongeveer 2.000 meter afstand. Dit zijn de natuurgebieden N16.04 Vochtig bos met productie en N16.03 Droog bos met productie. De geplande activiteit ligt op voldoende afstand van deze gebieden en heeft geen negatief effect op de natuurwaarden van de gebieden die zijn begrensd in het kader van het Natuurnetwerk Brabant.
53/154
Figuur 4.3 Ligging plangebied (rode cirkel) ten opzichte van Natuurnetwerk Brabant (Bron: Provincie Brabant)
54/154
Figuur 4.4 Legenda Natuurnetwerk Brabant (Bron: Provincie Noord‐Brabant) Soortenbescherming Voor de ontwikkeling is een quickscan flora en fauna uitgevoerd (Ecodat, 25 maart 2020, 2020_130166‐01_01) . Het onderzoek is opgenomen in bijlage 12. De conclusies van deze quickscan worden hierna kort weergegeven.
55/154
Quickscan Op basis van het uitgevoerde onderzoek is geconcludeerd dat er mogelijkerwijs negatieve effecten op essentiële gebruiksfuncties van het leefgebied van beschermde flora en/of fauna door de geplande werkzaamheden aan de orde zijn. Er is een mogelijkheid dat zich in het bestaande complex gebouwbewonende vleermuizen bevinden en dat er vleermuizen foerageren in het plangebied. De functionaliteit van het plangebied kan worden aangetast bij doorgang van werkzaamheden. Derhalve is een vervolgonderzoek naar de functionaliteit van het plangebied voor vleermuizen noodzakelijk. Voor alle overige genoemde beschermde soorten geldt dat er geen geschikt biotoop aanwezig is. Ook soorten die niet uit het NDFF (Nationale Databank Flora en Fauna) of soortenatlassen voorkomen worden hier, door gebrek aan geschikt biotoop, niet verwacht. De algemene zorgplicht, als beschreven in de Wet natuurbescherming, Wnb art 1.11, dient te allen tijde in acht genomen te worden. Of het nu wel of niet om beschermde soorten gaat en of er nu wel of geen ontheffing nodig is of vrijstelling geldt. De zorgplicht houdt in dat eenieder die kan vermoeden dat er een negatief effect op soorten (en individuen) is, maatregelen neemt om deze effecten te voorkomen of te minimaliseren.
Vervolgonderzoek Naar aanleiding van de conclusies van de quickscan is aanvullend onderzoek uitgevoerd naar de functionaliteit van het plangebied voor vleermuizen (Ecodat, 30‐09‐2020, 2020_130166‐02_02). Het onderzoek is opgenomen in bijlage 13. De conclusies van dit aanvullende onderzoek worden hierna kort weergegeven:
Het plangebied fungeert als marginaal foerageergebied voor gewone en ruige dwergvleermuizen en laatvlieger. Gelet op dit kleine aantal foeragerende dieren en het ruime aanbod aan vergelijkbaar foerageergebied in de omvang is het plangebied geen essentieel foerageergebied. Gedurende het onderzoek werden naast het plangebied enkele vliegroutes waargenomen. De ingreep zal geen invloed hebben op de vliegroutes en/of hun (lijnvormige) elementen. Er zijn geen verblijfplaatsen van vleermuizen aangetroffen.
Effecten Bij de ingreep zijn geen negatieve effecten te verwachten die schade zouden kunnen toebrengen aan beschermde en onderzochte soorten, hun verblijven of hun staat van instandhouding. De nieuwbouw zal natuurinclusief worden gerealiseerd door het aanbrengen van nest‐ en verblijfplaatsen voor vleermuizen, huismussen en gierzwaluwen. Hiermee wordt gehandeld overeenkomstig de generieke ontheffing. Conclusie Gebiedsbescherming De beoogde ontwikkeling leidt niet tot directe effecten op Natura 2000‐gebieden. Er is daarnaast sprake van een stikstofdepositie van 0,00 mol/ha/jr. op het dichtstbijzijnde Natura 2000‐gebied. Het plangebied maakt ook geen deel uit van het Natuur Netwerk Brabant. Soortenbescherming Uit de resultaten van de uitgevoerde quickscan flora en fauna en het vervolgonderzoek is naar voren gekomen dat voor alle beschermde soorten (met uitzondering van de vleermuis) geldt dat er geen geschikt biotoop aanwezig is.
56/154
Ook soorten die niet uit het NDFF of soortenatlassen voorkomen worden hier, door gebrek aan geschikt biotoop, niet verwacht. Het plangebied bleek na inspectie geschikt te zijn als leefomgeving voor gebouwbewonende vleermuizen. De resultaten van het aanvullend onderzoek geven aan dat bij de ingreep ten behoeve van de ontwikkeling geen negatieve effecten te verwachten zijn die schade zouden kunnen toebrengen aan beschermde en onderzochte soorten vleermuizen, hun verblijven of hun staat van instandhouding. De algemene zorgplicht blijft van kracht. Het aspect flora en fauna vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
4.5
Bedrijven en milieuzonering
Toetsingskader Vanuit het oogpunt van goede ruimtelijke ordening dient er een goede ruimtelijke scheiding te zijn tussen milieugevoelige bestemmingen (bijvoorbeeld woningbouw) en milieubelastende activiteiten. Uitgangspunt daarbij is dat ter plaatse van woningen sprake is van een aanvaardbaar woon‐ en leefklimaat en dat bedrijven niet in hun bedrijfsvoering worden beperkt. Afstemming van bestaande en nieuwe functies dient te gebeuren door voldoende afstand in acht te houden. Hierbij kan gebruik worden gemaakt van de VNG‐uitgave: Bedrijven en milieuzonering 2009. Hierin wordt een handreiking gegeven voor een goede ruimtelijke scheiding tussen milieugevoelige en milieubelastende bestemmingen. Er worden richtafstanden gegeven voor de aan te houden afstanden tussen dergelijke bestemmingen. De richtafstanden gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk/rustig buitengebied'. Voor het omgevingstype 'gemengd gebied' gelden kleinere afstanden. De richtafstanden gelden voor de aangegeven bedrijfsactiviteiten in het algemeen. Toetsing In de beoogde situatie worden 95 woningen gerealiseerd. Hiermee worden milieugevoelige functies opgericht en moet worden getoetst aan de richtafstanden, zoals vermeld in de VNG‐brochure. In de omgeving van het plangebied zijn maatschappelijke functies, horecavoorzieningen, woningen, detailhandel en bedrijven (nutsvoorziening) gevestigd.
Hierdoor kan de omgeving van het plangebied getypeerd worden als 'gemengd gebied'. Ten noordoosten van het plangebied bevindt zich een nutsvoorziening. Deze voorziening ligt buiten het plangebied. Volgens de VNG‐brochure valt deze voorziening onder milieucategorie 2 met een richtafstand van 10 meter in gemengd gebied. De afstand van de beoogde woningen tot aan de nutsvoorziening is groter. Hiermee wordt aan de richtafstand voldaan. Ten zuidoosten van het plangebied bevindt zich een horecabestemming. Volgens de VNG‐brochure vallen restaurants, cafetaria's, snackbars, ijssalons met eigen ijsbereiding, viskramen e.d. in milieucategorie 2 met een richtafstand van 10 meter in gemengd gebied. Ook hier wordt aan de richtafstand voldaan. Conclusie Als gevolg van de beoogde ontwikkeling worden geen bedrijven belemmerd en ter plaatse van het plangebied is sprake van een aanvaardbaar woon‐ en leefklimaat voor de beoogde woningen. Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor het plan.
57/154
4.6
Geluidhinder
Toetsingskader Ingevolge artikel 74 Wet geluidhinder zijn in principe alle wegen gezoneerd. Uitzondering op deze regel zijn wegen waarvoor een maximum snelheid van 30 kilometer per uur geldt en woonerven. Als een geluidzone geheel of gedeeltelijk binnen het plangebied valt, moet bij de voorbereiding van een bestemmingsplan akoestisch onderzoek worden verricht naar de geluidsbelasting op nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen waaronder woningen. Echter dit geldt alleen indien het bestemmingsplan nieuwe geluidgevoelige objecten mogelijk maakt. Dit geldt eveneens indien het bestemmingsplan de aanleg van een nieuwe gezoneerde weg mogelijk maakt. Toetsing en conclusie Het plangebied ligt binnen de wettelijke geluidzone (Wgh) van de Anna van Berchemlaan. Om deze reden is een akoestisch onderzoek uitgevoerd naar de geluidbelasting vanwege wegverkeerslawaai. Verder is in het kader van een goede ruimtelijke ordening en op basis van jurisprudentie een beschouwing gegeven van de niet gezoneerde Oranjelaan. Op 14 april 2022 is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd (Rho adviseurs, 14‐04‐2022, 20210150) . Het onderzoek is opgenomen in bijlage 14.
Het volgende is geconcludeerd: Resultaten Uit het onderzoek blijkt dat: de geluidbelasting ten gevolge van de gezoneerde Anna van Berchemlaan ten hoogste Lden = 57 dB is en daarmee hoger is dan de voorkeursgrenswaarde van Lden = 48 dB en dat de maximale ontheffingswaarde van 63 dB niet wordt overschreden; de geluidbelasting ten gevolge van de niet gezoneerde Oranjelaan ten hoogste Lden = 52 dB is en daarmee hoger is dan de richtwaarde van Lden = 48 dB en dat de maximale waarde van 63 dB niet wordt overschreden; maatregelen om de geluidbelasting terug te dringen onvoldoende doeltreffend zijn of op overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke en financiële aard stuiten; er kan worden voldaan aan het geluidbeleid mits met gebouwgebonden maatregelen aan de balkons een geluidluwe gevel en buitenruimte wordt gecreëerd voor de appartementen waarvoor een hogere waarde nodig is. Definitieve toetsing aan het geluidbeleid is in het kader van de aanvraag omgevingsvergunning Bouwen nog nodig. Borging hiervan dient in het bestemmingsplan plaats te vinden of in het besluit hogere grenswaarden; het laten vaststellen van hogere waarden nodig is. Hogere waarden Ten gevolge van het wegverkeer op de Anna van Berchemlaan is het vaststellen van een hogere grenswaarde van maximaal 57 dB noodzakelijk.
Het besluit hogere waarden Wet geluidhinder is op 14 februari 2023 genomen door het college van burgemeester en wethouders. Dit besluit is opgenomen in bijlage 24.
58/154
4.7
Luchtkwaliteit
Toetsingskader De gevolgen voor de luchtkwaliteit worden beoordeeld op basis van de Wet ruimtelijke ordening, de Wet milieubeheer luchtkwaliteitseisen (ook wel Wet luchtkwaliteit genoemd, Wlk), de AMvB 'Niet in betekenende mate bijdragen' (het besluit NIBM) en de ministeriële regeling NIBM. Er dient, ook na realisatie van het planvoornemen, sprake te zijn van een goede ruimtelijke ordening. Daarbij moet voldaan worden aan de geldende grenswaarden en luchtkwaliteitseisen. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar‐ en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in tabel 4.2. weergegeven. Tabel 4.2. Grenswaarden maatgevende stoffen Wm stof
toetsing van
grenswaarde
stikstofdioxide (NO2))
jaargemiddelde concentratie
40 µg/m³
fijn stof (PM10)
jaargemiddelde concentratie
40 µg/m³
24‐uurgemiddelde concentratie
max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg/m³
jaargemiddelde concentratie
25 µg/m³
Fijn stof (PM2,5)
Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) In het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) is bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden: een project heeft een toename van minder dan 3% van de jaargemiddelde concentratie NO2 en PM10 (= 1,2 µg/m³); een project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen aan één ontsluitingsweg of kantoorlocaties met maximaal 100.000 m2 bvo bij één ontsluitingsweg. Toetsing en conclusie Het plan voorziet in de realisatie van 95 woningen. Deze ontwikkeling valt binnen een vaste categorie (1.500 woningen aan een ontsluitingsweg) waarvan op voorhand al bekend is dat de gevolgen voor de luchtkwaliteit 'niet in betekenende mate' zijn. Het plan is daardoor vrijgesteld van verdere toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. Er wordt voldaan aan de luchtkwaliteitswetgeving. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is nagegaan hoe het met de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied is gesteld. Dit is gedaan aan de hand van de monitoringstool die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort.
De dichtstbijzijnde voor luchtkwaliteit relevante weg is de Anna van Berchemlaan (zie figuur 4.5). Hieruit blijkt dat zowel in 2020 als in 2030 voldaan wordt aan de geldende normen uit de Wet Milieubeheer zoals weergegeven in tabel 4.3.
59/154
Aangezien direct langs de Anna van Berchemlaan aan de grenswaarden wordt voldaan, zal dit ook ter plaatse van het plangebied het geval zijn. Concentraties luchtverontreinigende stoffen nemen immers af naarmate een locatie verder van de weg af ligt. Vanwege de transitie naar elektrische voertuigen zal de luchtkwaliteit nabij wegen verbeteren. Tabel 4.3 Toetsing aan grenswaarden maatgevende stoffen Wm stof
grenswaarde
maximale waarden in jaar 2020
maximale waarden in jaar 2030
stikstofdioxide (NO2)
40 µg/m³
20,8 µg/m³
14,2 µg/m³
fijn stof (PM10)
40 µg/m³
18,8 µg/m³
16,2 µg/m³
max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg/m³
6,7 µg/m³
6,0 µg/m³
25 µg/m³
11,5 µg/m³
9,1 µg/m³
Fijn stof (PM2,5)
Figuur 4.5 Luchtkwaliteit (bron: NSL‐monitoringstool). Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
60/154
4.8
Externe veiligheid
Normstelling en beleid Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk: bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor externe veiligheid; vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, water of door buisleidingen. Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. Het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt. Vervoer van gevaarlijke stoffen Per 1 april 2015 zijn het Besluit externe veiligheid transportroutes (BEVT) en de regeling Basisnet in werking getreden. Het BEVT vormt de wet‐ en regelgeving, de concrete uitwerking volgt in het Basisnet.
Het Basisnet beoogt voor de lange termijn (2020, met uitloop naar 2040) duidelijkheid te bieden over het maximale aantal transporten en de bijbehorende maximale risico's die het transport van gevaarlijke stoffen mag veroorzaken. Het Basisnet is onderverdeeld in drie onderdelen: Basisnet Spoor, Basisnet Weg en Basisnet Water. Het BEVT en het bijbehorende Basisnet maakt voor het PR onderscheid in bestaande en nieuwe situaties. Voor bestaande situaties geldt een grenswaarde voor het PR van 10‐5 per jaar ter plaatse van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en een streefwaarde van 10‐6 per jaar. Voor nieuwe situaties geldt de 10‐6 waarde als grenswaarde voor kwetsbare objecten, en als richtwaarde bij beperkte kwetsbare objecten. In het Basisnet Weg, Basisnet Spoor en het Basisnet Water zijn veiligheidsafstanden (PR 10‐6 contour) opgenomen vanaf het midden van de transportroute. Tevens worden in het Basisnet de plasbrandaandachtsgebieden benoemd voor transportroutes. Het plasbrandaandachtsgebied is een gebied als bedoeld in het Besluit transportroutes externe veiligheid. Dit is een gebied van 30 m parallel aan weerszijden van bepaalde transportroutes waarover grote hoeveelheden zeer brandbare vloeistoffen worden vervoerd.
Het Besluit externe veiligheid transportroutes stelt beperkingen aan het in planologische zin toelaten van nieuwe kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten binnen deze zones en gebieden. Bij het bouwen van kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten in plasbrandaandachtsgebieden moet in het bijzonder rekening gehouden worden met de effecten van een plasbrand die veroorzaakt kan worden door lekkage van een brandbare vloeistof. Het Basisnet vermeldt dat op een afstand van 200 meter vanaf de rand van het tracé in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik. Er geldt een oriënterende waarde voor het groepsrisico en onder voorwaarden een verantwoordingsplicht tot 200 meter binnen de transportroute.
61/154
Onderzoek
Figuur 4.6 Uitsnede risicokaart met het plangebied rood omlijnd (Bron: risicokaart.nl) Volgens de professionele risicokaart waarin relevante risicobronnen getoond worden, zijn er geen risicovolle inrichtingen met een externe werking in de nabijheid van het plangebied. Ook vindt er in de omgeving geen transport van gevaarlijke stoffen plaats via de weg, het water of door buisleidingen. Ten noorden van het plangebied bevindt zich het spoortraject Roosendaal ‐ Breda waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Het invloedsgebied van het spoor wordt bepaald door de stofcategorie D4 en bedraagt meer dan 4 kilometer. Met een afstand van circa 414 meter bevindt het plangebied zich in het invloedsgebied. Omdat de beoogde ontwikkeling op meer dan 200 meter afstand van het spoortraject ligt, hoeven volgens het BEVT in principe geen beperkingen te worden gesteld aan het ruimtegebruik ter plaatse van het plangebied. Desalniettemin is vanwege de ligging binnen het invloedsgebied een beknopte verantwoording noodzakelijk. Beknopte verantwoording Bestrijdbaarheid en bereikbaarheid Voor zowel de bereikbaarheid en bestrijdbaarheid van 'dagelijkse incidenten', zoals brand of wateroverlast, als voor calamiteiten op het gebied van externe veiligheid, is het van belang dat de bereikbaarheid voor hulpdiensten en bluswatervoorzieningen voldoende geborgd zijn.
De bestrijdbaarheid is afhankelijk van de inzetbaarheid van hulpverleningsdiensten. De brandweer moet in staat zijn om hun taken goed uit te kunnen voeren om daarmee verdere escalatie van een incident te voorkomen. Hierbij kan gedacht worden aan het voldoende/adequaat aanwezig zijn van aanvalswegen en bluswatervoorzieningen. Het plangebied wordt ontsloten via de Anna van Berchemlaan en de Oranjelaan. Deze wegen sluiten aan op het overige wegennetwerk van Etten‐Leur. Het wegennetwerk biedt vluchtmogelijkheden in verschillende richtingen, waardoor altijd van de bron af kan worden gevlucht. Het gedegen netwerk komt de bestrijdbaarheid ten goede.
62/154
Zelfredzaamheid In de toekomstige situatie zullen woningen gerealiseerd worden. De aanwezigen zullen daarom hoofdzakelijk zelfredzaam zijn. Aanwezige kinderen en ouderen worden wel beschouwd als verminderd zelfredzame personen. Hierbij wordt ervan uitgegaan dat de ouders/verzorgers de verminderd zelfredzame kinderen en ouderen kunnen begeleiden. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen en ontvluchten. Als gevolg van een incident met toxische stoffen over het spoor geldt dat een toxische wolk zich snel kan ontwikkelen en verplaatsen. Dit effect is vaak niet zichtbaar. Zelfredzaamheid in deze scenario's is alleen mogelijk als er tijdig alarmering plaatsvindt en gebouwen geschikt zijn om enkele uren te schuilen. Denk hierbij aan het sluiten van ramen en deuren en met name het uitschakelen van (mechanische) ventilatiesystemen. Hiermee worden de aanwezigen beschermd tegen de blootstelling aan toxische gassen. Daarnaast dienen, in het kader van effectieve zelfredzaamheid, de gebruikers van de objecten door risicocommunicatie te worden geïnstrueerd over de risico's en de mogelijke maatregelen die zij kunnen nemen. De alarmering van de aanwezigen wordt momenteel nog gerealiseerd middels het landelijke waarschuwings‐ en alarmeringssysteem (WAS). Dit systeem wordt de komende jaren uitgefaseerd.
Het waarschuwingssysteem wordt vervangen door een totaal pakket aan alarmeringsmiddelen, waaronder de calamiteitenzenders, de sirenes, crisis.nl, NL‐Alert en het gebruik van sociale media. Conclusie Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van het spoortraject Roosendaal ‐ Breda waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Uit de beknopte verantwoording blijkt dat de zelfredzaamheid, bestrijdbaarheid en bereikbaarheid van het plangebied als voldoende kunnen worden beschouwd. Verder zijn in de directe omgeving van het plangebied geen risicovolle bronnen aanwezig. Het aspect externe veiligheid vormt dan ook geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
4.9
Duurzaam bouwen
Toetsingskader De gemeente Etten‐Leur hecht belang aan een duurzame ontwikkeling. Samen met gemeenten in de regio, een aantal marktpartijen en woningcorporaties heeft zij in 2014 het 'Convenant duurzaam bouwen West‐Brabant' ondertekend. Daarbij wordt GPR (een methode om de duurzaamheid van een gebouw of woning inzichtelijk te maken) ingezet als instrument om de duurzaamheid van gebouwen te kunnen meten. Etten‐Leur heeft daarnaast in 2021 de 'RES 1.0 West‐Brabant', de 'Transitievisie Warmte Etten‐Leur' en de 'Visie op opwek duurzame energie' vastgesteld. De rijksoverheid stelt dat Nederland in 2050 klimaatneutraal moet zijn. Nieuwe woningen mogen daarom niet meer op het aardgasnet worden aangesloten en moeten aan wettelijke eisen voldoen op het gebied van woningisolatie en het opwekken van duurzame energie. Toetsing en conclusie Voor alle nieuwbouw geldt dat aanvragen omgevingsvergunning vanaf 1 januari 2021 moeten voldoen aan de BENG‐eisen (Bijna Energieneutrale Gebouwen). Maatregelen waar aan gedacht kan worden zijn zonnepanelen, triple glas, zonwerend glas en verhoogde isolatiewaarden. Per 1 juli 2018 is het daarnaast verplicht aardgasloos te bouwen. De beoogde appartementen en woningen voldoen aan BENG en worden zonder gasaansluiting gebouwd.
63/154
4.10 Besluit milieueffectrapportage Toetsingskader In een m.e.r.‐ beoordeling wordt getoetst of een m.e.r. procedure doorlopen moet worden. De wettelijke regeling voor de m.e.r.‐beoordeling gaat uit van het principe 'nee, tenzij'. Dat wil zeggen, een volwaardige m.e.r.‐procedure is alleen noodzakelijk als sprake is van 'belangrijke nadelige gevolgen' die het betreffende project voor het milieu kan hebben. Daarbij moet het bevoegd gezag rekening houden met de omstandigheden zoals aangegeven in bijlage III van de EEG‐richtlijn milieueffectbeoordeling, te weten: de plaats van het project; de omvang van het project; de kenmerken van de potentiële milieueffecten (in samenhang met de eerste twee criteria). Het bevoegd gezag dient een m.e.r‐beoordelingsbeslissing te nemen, waarin wordt aangegeven of wel of geen MER nodig is, gelet op de omvang van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële (milieu)effecten en mogelijke mitigerende maatregelen. Deze beslissing wordt als bijlage bij het bestemmingsplan opgenomen.
Toetsing en conclusie In het Besluit milieueffectrapportage is opgenomen dat de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject m.e.r.‐beoordelingsplichtig is, in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer betreft. De beoogde ontwikkeling betreft 95 wooneenheden en blijft ruim onder de drempelwaarden. Dit betekent dat kan worden volstaan met een zogenaamde 'vormvrije m.e.r.‐beoordeling'. Hiervoor is een aanmeldnotitie 'vormvrije m.e.r.' (Rho Adviseurs, 15 maart 2022 20210152_0002) opgesteld, deze is opgenomen in bijlage 15. Het college van burgemeester en wethouders heeft op 19 april 2022 besloten dat geen milieueffectrapport hoeft te worden opgesteld. Dit besluit is opgenomen in bijlage 16.
64/154
Hoofdstuk 5
5.1
Beschrijving van het plan
Planvorm
Dit bestemmingsplan bevat het planologisch‐juridisch instrumentarium voor de ontwikkeling van de locatie Anna van Berchemlaan 2 ‐ 4. Het bestemmingsplan maakt het mogelijk om maximaal 95 woningen met bijbehorend openbaar gebied te realiseren. De planopzet kent een beperkt aantal bestemmingen en een gedetailleerde planverbeelding. Het bestemmingsplan is opgesteld conform de Standaard voor Vergelijkbare BestemmingsPlannen 2012. Het juridisch gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit de planverbeelding met planregels. Bij ieder plan hoort een toelichting. Deze heeft als zodanig geen rechtskracht. De planregels zijn opgebouwd uit inleidende regels (hoofdstuk 1), bestemmingsregels (hoofdstuk 2), algemene regels (hoofdstuk 3) en overgangs‐ en slotregels (hoofdstuk 4).
5.2
Toelichting op de bestemmingen
5.2.1 Algemeen Alvorens per artikel een toelichting wordt gegeven, is het van belang om in te gaan op de regeling voor aan‐huis‐gebonden beroepen en de regeling om huisvesting voor mantelzorg mogelijk te maken. Aan‐huis‐gebonden‐beroep Bij beide woonbestemmingen is bepaald dat het gebruik van een deel van de woning inclusief de aan‐ of uitbouwen, aangebouwde bijgebouwen of een vrijstaande praktijkruimte voor een aan‐huis‐gebonden beroep onder voorwaarden niet strijdig is met de woonbestemming. Gezien de technologische en maatschappelijke ontwikkelingen zal dit gebruik in de toekomst alleen maar toenemen. In bijlage 2 bij deze toelichting is uiteengezet welke beroepen/bedrijven passend zijn in een woonomgeving. Hiermee worden eventuele onduidelijkheden voorkomen. Mantelzorg Bij de bestemming 'Wonen‐Aaneengesloten' (en niet bij de bestemming 'Wonen ‐ Gestapeld') zijn regels opgenomen om huisvesting voor mantelzorg mogelijk te maken. Dit kan rechtstreeks via inwoning of met een afwijking van de planregels voor de plaatsing van een tijdelijke woonunit of voor het geschikt maken van een vrijstaand bijgebouw als afhankelijke woonruimte.
Parkeren Bij de beide woonbestemmingen (Wonen‐Aaneengesloten en Wonen‐Gestapeld) is bepaald dat bij de aanvraag omgevingsvergunning aangetoond moet worden dat binnen het totale plangebied van het bestemmingsplan ruimte beschikbaar is voor de realisatie van voldoende parkeerplaatsen. Voor het parkeren is tevens met een specifieke gebruiksregel vastgelegd dat parkeerplaatsen op eigen terrein in stand gehouden moeten worden.
65/154
5.2.2
Inleidende regels
Begrippen (artikel 1) In dit artikel worden de begrippen gedefinieerd die in de regels worden gehanteerd. Bij de toetsing aan het bestemmingsplan moet worden uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende woorden toegekende betekenis. Wijze van meten (artikel 2) In dit artikel wordt aangegeven hoe de in de regels gehanteerde maten gemeten moeten worden. 5.2.3
Bestemmingsregels
Groen (artikel 3) Belangrijke openbare groenelementen in het plangebied zijn bestemd voor 'Groen'. Deze groenvoorzieningen kunnen gebruikt worden voor bijvoorbeeld openbare groenvoorzieningen, voet‐ en fietspaden en perceelsontsluitingen en andere voorzieningen ten dienste van de bestemming 'Groen'. Water en waterhuishoudkundige voorzieningen maken eveneens deel uit van deze bestemming. Er mogen uitsluitend gebouwen en overkappingen ten behoeve van openbaar nut (nutsvoorzieningen), een half verdiepte parkeergarage en ontsluiting van een half verdiepte parkeergarage worden gebouwd. Daarnaast mogen tuinen en/of terrassen direct aansluitend op de bouwvlakken met de bestemming 'Wonen‐Gestapeld' worden aangelegd, met een maximale diepte van 3,5 meter. (Ondergrondse) retentievoorzieningen maken eveneens deel uit van deze bestemming. Tuin (artikel 4) Deze bestemming geldt voor tuinen behorende bij de op de aangrenzende gronden gelegen woningen. Het deel van de tuin dat is gelegen vóór de woning (hoofdgebouw) mag niet gebruikt worden voor parkeren. Verkeer ‐ Verblijf (artikel 5) De openbare ruimte buiten de belangrijke groenelementen is bestemd voor 'Verkeer ‐ Verblijf'. Deze gronden zijn bedoeld voor wegen met hoofdzakelijk een verblijfsfunctie en parkeervoorzieningen. Binnen de bestemming zijn naast de verkeersfuncties ook andere voorzieningen toegestaan.
Daarbij kan gedacht worden aan bijvoorbeeld openbare groenvoorzieningen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen, nutsvoorzieningen, taluds, straatmeubilair, speelvoorzieningen en kunstobjecten. De bouwregels bieden onder voorwaarden de mogelijkheid om gebouwen en overkappingen ten behoeve van voorzieningen voor het openbaar nut (nutsvoorzieningen) en bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde, te realiseren. Wonen ‐ Aaneengesloten (artikel 6) De beoogde grondgebonden woningen in het plangebied hebben de bestemming 'Wonen ‐ Aaneengesloten' gekregen. Op de verbeelding is gekozen voor een ruim bouwvlak ten behoeve van de gewenste flexibiliteit. Binnen dit bouwvlak moeten de woningen opgericht worden. Op de verbeelding is tevens de maximaal toegestane goot‐ en bouwhoogte aangegeven. Er zijn afwijkingsmogelijkheden opgenomen voor de realisering van een praktijkruimte en/of het bieden van mantelzorg in een tijdelijke woonunit of vrijstaand bijgebouw. De voorwaarden waaronder gebruik gemaakt kan worden van deze afwijkingsmogelijkheden zijn in de planregels opgenomen.
66/154
Wonen ‐ Gestapeld (artikel 7) De beoogde appartementen binnen het plangebied hebben de bestemming 'Wonen ‐ Gestapeld' gekregen. Op de verbeelding is door middel van een bouwvlak de plaats van het hoofdgebouw geregeld. Tevens bevat de verbeelding aanduidingen over de maximale toegestane bouwhoogte. Ook is in de regels vastgelegd dat de bovenste bouwlaag van de twee gebouwen aan de Anna van Berchemlaan terug moet liggen ten opzichte van de bouwlagen daar onder. In de planregels is ook het minimum aantal en de instandhoudingstermijn van middeldure huurwoningen geborgd. Het artikel heeft tevens een eigen parkeerregeling. 5.2.4 Algemene regels Anti‐dubbeltelregel (artikel 8) Het is een wettelijke verplichting om dit artikel in het bestemmingsplan op te nemen. Om misbruik van de bouwregels te voorkomen, is in dit artikel bepaald dat gronden die al eens als berekeningsgrondslag voor een omgevingsvergunning hebben gediend, niet nogmaals als zodanig kunnen dienen. Doel van deze regels is dat wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein niet nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. Algemene bouwregels (artikel 9) In dit artikel zijn regels opgenomen voor ondergronds bouwen.
Algemene gebruiksregels (artikel 10) In dit artikel is een algemeen gebruiksverbod opgenomen voor het gebruik van gronden, gebouwen en bouwwerken in strijd met de bestemming. Algemene afwijkingsregels (artikel 11) In dit artikel is de mogelijkheid opgenomen om in geringe mate af te wijken van de maatvoeringen en bestemmings‐ en/of bouwgrenzen. Algemene wijzigingsregels (artikel 12) In dit artikel zijn wijzigingsbevoegdheden opgenomen voor het onder voorwaarden verschuiven en/of overschrijden van de bestemmingsgrenzen, bestemmingsvlakken, bouwpercelen of bouwvlakken.
67/154
5.2.5
Overgangs‐ en slotregels
Overgangsrecht (artikel 13) Het is een wettelijke verplichting om dit artikel in het bestemmingsplan op te nemen. In lid 1 zijn de overgangsregels ten aanzien van het bouwen opgenomen. Bouwwerken, die op het moment dat het plan inwerking is getreden, bestaan of (kunnen) worden gebouwd op grond van een verleende omgevingsvergunning en die afwijken van het bestemmingsplan mogen gedeeltelijk worden veranderd of vernieuwd mits de bestaande afwijkingen naar aard en omvang niet worden vergroot. Is het bouwwerk verloren gegaan door een calamiteit dan mag het bouwwerk volledig worden vernieuwd of veranderd mits de aanvraag om omgevingsvergunning binnen 2 jaar na de calamiteit wordt ingediend. Lid 2 betreft het overgangsrecht voor het gebruik van gronden en bouwwerken dat afwijkt van het plan op het moment dat dit plan inwerking is getreden. Dit gebruik mag worden voortgezet. Wijziging van het afwijkend gebruik is slechts toegestaan indien de afwijking hierdoor niet wordt vergroot. Het overgangsrecht geldt niet voor bouwwerken die zonder omgevingsvergunning zijn gebouwd in strijd met het toen geldend plan en voor illegaal gebruik van bouwwerken en gronden. Slotregel (artikel 14) Deze regel verwijst naar de naam van het bestemmingsplan.
68/154
Hoofdstuk 6
6.1
Economische uitvoerbaarheid
Inleiding
Dit hoofdstuk beschrijft de onderdelen die zijn doorlopen voor het zekerstellen van de economische uitvoerbaarheid van het project. Indien een bestemmingsplan voorziet in de uitvoering van werken door de gemeente, moet de financieel‐economische uitvoerbaarheid hiervan worden aangetoond. Ook wordt ingegaan op de grondexploitatie en het verplichte kostenverhaal.
6.2
Toepassing afdeling 6.4 Wro (grondexploitatie)
In de Wro is in afdeling 6.4 de regelgeving rondom grondexploitatie opgenomen. Centrale doelstelling daarvan is om in de situatie van particuliere grondexploitatie te komen tot een verbetering van het gemeentelijk kostenverhaal en de versterking van de gemeentelijke regie bij locatieontwikkeling. In artikel 6.12 van de Wro is bepaald dat de gemeenteraad een exploitatieplan vast moet stellen voor gronden waarop een bij Algemene Maatregel van Bestuur aangewezen bouwplan is voorgenomen. Bij drie ruimtelijke besluiten kan het nodig zijn om een exploitatieplan vast te stellen, namelijk bij de vaststelling van een bestemmingsplan, wijzigingsplan of een omgevingsvergunning met afwijking. Bovendien is een exploitatieplan nodig als locatie‐eisen (aan openbare ruimte of woningbouwcategorieën) gesteld moeten worden en/of het bepalen van een tijdvak of fasering noodzakelijk is. Geen exploitatieplan is nodig indien het verhaal van de kosten van grondexploitatie anderszins verzekerd is. De gemeente en initiatiefnemer hebben voor deze ontwikkeling een koopovereenkomst afgesloten waarin onder meer het kostenverhaal en de aanleg van het toekomstig openbaar gebied is geregeld. Een exploitatieplan is om deze reden niet nodig.