CConstaterende datErmelo
Koppel je AI →
Document · PDF

TAM e250032056

Gemeenteraad 9 juli 2025, gemeente ErmeloBij agendapunt: Vaststellen TAM-omgevingsplan Nijkerkerweg 6530.576 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Het Bkl bevat geluidsregels die via het omgevingsplan zullen gelden voor individuele bedrijven die geluid voortbrengen. Voor de andere belangrijke geluidsbronnen zoals industrieterreinen, wegen en spoorwegen worden via de Aanvullingswet geluid en het Aanvullingsbesluit geluid regels toegevoegd aan de Omgevingswet en het Bkl. De regels voor geluid hebben een tweezijdige werking om de bescherming tegen geluidsbelasting vorm te geven. Enerzijds bij de aanleg of aanpassing van spoorwegen of industrieterreinen en anderzijds bij het mogelijk maken van nieuwe geluidsgevoelige gebouwen en locaties nabij een geluidsbron. Het rijk stelt voor een aantal gebouwen specifieke regels. Deze instructieregels van het Bkl voor geluid zijn gericht op aangewezen geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.20 Bkl) en stiltegebieden (artikel 7.11 Bkl). Geluidsgevoelige gebouwen worden aangewezen in artikel 3.20 Bkl. Het betreft gebouwen, waaronder een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat een woonfunctie heeft. De geluidsnormen hebben betrekking op het geluid op de gevel van een geluidsgevoelig gebouw en hebben primair als doel het beschermen van de gezondheid door het stellen van eisen aan het geluid op en rond woningen, waar mensen langdurig verblijven en slapen. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen de voorgevel, zijgevel en achtergevel.

Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid. Dat doet de gemeente vanuit haar taak 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties'. De wetgever maakt onderscheid tussen geluidbronnen met een geluidproductieplafond als omgevingswaarde (gpp) en bronnen met een basisgeluidemissie (bge). Geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen heeft invloed op de omgeving. Het bevoegd gezag beoordeelt geluid van deze bronnen bij geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.20 Bkl). Onderzoek In opdracht van VanWestreenen BV is door TecMaP is een akoestisch onderzoek uitgevoerd naar de geluiduitstraling van de voorgenomen bedrijfsactiviteiten aan Nijkerkerweg 65 te Ermelo. Het volledige onderzoek is als bijlage bij deze motivering opgenomen.

NL.IMRO.0233.TAMnijkerkerwg65-0301

TAM-omgevingsplan 22a, Nijkerkerweg 65

|26

Uitgaande van de door de opdrachtgever aangereikte gegevens is een rekenmodel opgesteld. Met dit rekenmodel is de geluidbijdrage ter plaatse van geluidgevoelige bestemmingen bepaald. Uit de rekenresultaten blijkt het volgende: Directe hinder: • Het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) bedraagt ter plaatse van de woningen maximaal 30 dB(A) etmaalwaarde. Er wordt ruimschoots voldaan aan de normstelling uit het Omgevingsplan voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau. Ook wordt voldaan aan de normstelling volgens stap 2 uit de VNG publicatie behorende bij een rustige woonwijk. • Het maximale geluidniveau (LAmax) bedraagt ter plaatse van woningen onder representatieve bedrijfsomstandigheden maximaal 65 dB(A) in de dagperiode. De grenswaarden uit het Omgevingsplan worden gerespecteerd. Ook wordt voldaan aan de normstelling volgens stap 2 uit de VNG publicatie behorende bij een rustige woonwijk. Indirecte hinder • De geluidbijdrage vanwege het verkeer dat van en naar de inrichting rijdt bedraagt ter plaatse van geluidgevoelige bestemmingen minder dan de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A). Volgens de Circulaire indirecte hinder is er dan geen hinder te verwachten vanwege het verkeer dat van en naar de inrichting rijdt.

Volgens de VNG-publicatie bedrijven en milieuzonering is bij woningen van derden sprake van een goed woon- en leefklimaat behorende bij een rustige woonwijk. Door de gewenste akoestisch gunstige indeling is sprake van een etfal als bedoeld in de Omgevingswet. Conclusie Vanuit het aspect geluid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies. Geur Wettelijk kader Het Rijk stelt voor een aantal gebouwen specifieke regels aan geurbelasting. Deze instructieregels van het Bkl voor geur zijn gericht op aangewezen geurgevoelige gebouwen. In de aanwijzing van geurgevoelige gebouwen is de functie bepalend. Hierbij kan gedacht worden aan wonen, onderwijs of zorg. Voor overige gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van geurbescherming. In artikel 5.91 Bkl worden de geurgevoelige gebouwen aangewezen die in ieder geval beschermd moeten worden. Hieronder vallen ook gebouwen met een woonfunctie, gebouwen voor onderwijs, gezondheidszorg en kinderopvang. De geur van een activiteit op een geurgevoelig gebouw moet aanvaardbaar zijn (artikel 5.92 lid 2 Bkl). Dit betekent dat beoordeeld moet worden of waarden, afstanden en gebruiksregels in het omgevingsplan leiden tot een aanvaardbaar hinderniveau. De gemeente heeft beleidsvrijheid om te bepalen welke mate van geurhinder aanvaardbaar is. Voor een aantal activiteiten moet de gemeente geurregels opnemen in het omgevingsplan.

Hiervoor staan instructieregels in het Bkl. Dit geldt voor rioolwaterzuiveringsinstallaties (rwzi’s), het houden van landbouwhuisdieren (veehouderijen) en andere agrarische activiteiten (bijv. het opslaan van mest). Een onderdeel van het omgevingsplan van rechtswege is ook de gemeentelijke geurverordening, hierin kan worden afgeweken van de standaardnorm. Indien de gemeentelijke geurverordening nog

NL.IMRO.0233.TAMnijkerkerwg65-0301

TAM-omgevingsplan 22a, Nijkerkerweg 65

|27

niet is geïmpliceerd in het omgevingsplan en/of de gemeente geen geurverordening kent, dan gelden de regels uit de Bruidsschat. In de Bruidsschat zijn geuremissiefactoren (waarden) en afstandsnormen opgenomen. In artikel 22.98 zijn de ten hoogste toegestane geurbelastingen bepaald ten aanzien van het houden van landbouwhuisdieren, zoals opgenomen in de onderstaande tabel.

Op basis van artikel 22.100 en 22.101 mag de afstand tot een geurgevoelig object, niet kleiner zijn dan de afstand als bedoeld in onderstaande tabel.

Onderzoek Het planvoornemen betreft het beëindigen van de kalverhouderij (intensieve veehouderij) aan de Nijkerkerweg 65 te Ermelo. Hiertoe worden twee bestaande stallen gesloopt. In de plaats daarvoor wordt een nieuwe loods gebouwd ten behoeve van caravanstalling en verhuur aan derden met een kleine ondergeschikte kantoorfunctie ten behoeve van administratie werkzaamheden. De recreatieve tak binnen het plangebied wordt voortgezet. In de nieuwe situatie worden geen nieuwe geurgevoelige objecten toegevoegd. De kalverhouderij (intensieve veehouderij) wordt in de nieuwe situatie beëindigd. Dit heeft ten aanzien van het aspect geur een positief effect op de omliggende woonfuncties. Conclusie Vanuit het aspect geur is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies. Laddertoets Wettelijk kader De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. Artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de ladder is vereist.

Een stedelijke ontwikkeling is gedefinieerd als "de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandel voorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is." Als een omgevingsplan voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling, wordt rekening gehouden met: a. de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling; en

NL.IMRO.0233.TAMnijkerkerwg65-0301

TAM-omgevingsplan 22a, Nijkerkerweg 65

|28

b.

als die stedelijke ontwikkeling is voorzien buiten het stedelijk gebied of buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied: de mogelijkheden om binnen dat stedelijk gebied of binnen dat stedelijk groen in die behoefte te voorzien.

Onderzoek Het planvoornemen betreft het beëindigen van de kalverhouderij aan de Nijkerkerweg 65 te Ermelo. Hiertoe worden twee bestaande stallen gesloopt. In de plaats daarvoor wordt een nieuwe loods gebouwd ten behoeve van caravanstalling en verhuur aan derden met een kleine ondergeschikte kantoorfunctie ten behoeve van administratie werkzaamheden. De recreatieve tak binnen het plangebied wordt voortgezet. De functiewijziging in combinatie met de afname aan bedrijfsbebouwing is met jurisprudentie in oogschouw nemende niet aan te merken als een ‘nieuwe stedelijk ontwikkeling’. Verdere toetsing aan de Ladder wordt niet noodzakelijk geacht. Conclusie Vanuit het aspect laddertoets is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies. Luchtkwaliteit Wettelijk kader De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO²) en fijnstof (PM10).

Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: • er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; • het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; • het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging; Het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide, stikstofoxiden, fijnstof, koolmonoxide, lood, benzeen en ozon. In Nederland zijn met name de grenswaarden voor stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM2,5 en PM10) van belang. De vigerende grenswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof zijn conform artikel 2.4 en 2.5 Bkl en weergegeven in onderstaande tabel. Stof Stikstofdioxide (NO2) Fijnstof (PM10) Fijnstof (PM2,5)

Toetsing van Jaargemiddelde concentratie Jaargemiddelde concentratie Jaargemiddelde concentratie

Grenswaarde 40 μg/m³ 40 μg/m³ 25 μg/m³

In de algemene maatregel van bestuur ‘Niet In Betekende Mate bijdragen’ (Besluit NIBM) en de ministeriele regeling (Regeling NIBM) zijn de uitvoeringsregels vastgelegd die betrekking hebben op het begrip NIBM. Het begrip ‘Niet In Betekende Mate bijdragen’ is gedefinieerd als 3% van de grenswaarde. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantooren woningbouwlocaties) opgenomen die ‘niet in berekende mate’ bijdragen aan de NL.IMRO.0233.TAMnijkerkerwg65-0301

TAM-omgevingsplan 22a, Nijkerkerweg 65

|29

luchtverontreiniging. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Het betreft de volgende categorieën: • woningen: 1.500 met een enkele ontsluitingsweg; • woningen: 3.000 met twee ontsluitingswegen; en • kantoren: 100.000 m² bruto vloeroppervlakte met een enkele ontsluitingsweg. Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd wordt staat in de regeling NIBM dat deze nog steeds in ‘niet betekende mate’ kan bijdragen. De bijdrage aan NO₂ en PM₁₀ moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. Dit komt overeen met 1,2 microgram/m³ voor NO₂ en PM₁₀. Onderzoek NIBM Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie No2 en PM10 niet hoger is da 1,2 uh/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentratie. Voor de beoordeling kan worden aangesloten bij de ‘standaardgevallen NIBM’ uit artikel 5.54 Bkl of middels een berekening (bijv. NIBM tool). Planspecifiek In artikel 5.54 staan de gevallen beschreven waarbij er sprake is van een standaardgeval waarvan op voorhand kan worden gesteld dat de bijdrage ‘niet in betekende mate luchtkwaliteit’ is. Dit is het geval bij bv. gebouwen met een woonfunctie bij ten hoogste 1.500 woningen of gebouwen met kantoorfuncties met een bruto-vloeroppervlakte van ten hoogste 100.000 m2.

Onderhavig plan (een bedrijfshal) staat niet weergegeven als standaard geval. Derhalve is de NIBM-tool ingevuld. Zoals zichtbaar in de onderstaande tabel draagt het project niet bij aan verslechtering van de luchtkwaliteit. Er wordt geen nieuw gevoelig object opgericht. Desalniettemin zal worden getoetst aan de luchtkwaliteitseisen. Volgens de Grootschalige concentratie- en Depositiekaarten Nederland (2022) geldt in de directe omgeving van het plangebied een gemiddelde fijnstof concentratie (PM10) tussen de 16 en 18 μg/m3 en een gemiddelde concentratie stikstofdioxide (NO2) tussen de 10 en 12 μg/m3 (zie onderstaande figuren). De grenswaarde jaargemiddelde ligt voor beide stoffen op de 40 μg/m3 (jaargemiddelde concentratie 2019). De WHO advieswaarden liggen respectievelijk op 15 en 10 μg/m3. De luchtkwaliteit ter plaatse ligt derhalve binnen de norm van 40 μg/m3 en liggen nabij de WHO advieswaarden.

Figuur 7 NIBM-tool

NL.IMRO.0233.TAMnijkerkerwg65-0301

TAM-omgevingsplan 22a, Nijkerkerweg 65

|30

Figuur 8 Uitsnede van de fijnstofconcentratie (PM10) ter hoogte plangebied

Figuur 9 Uitsnede van de stikstofconcentratie (NO2) ter hoogte plangebied

Conclusie Vanuit het aspect luchtkwaliteit is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies. Milieubelastende activiteiten Een inventarisatie naar de aanwezigheid van milieubelastende activiteiten, specifiek ten aanzien van bedrijven, in de directe omgeving van het plangebied (of andersom) is noodzakelijk. In een passage wordt aangegeven of ter plaatse voldoende afstand in acht wordt genomen ten opzichte van omliggende milieubelastende activiteiten. De VNG biedt met het (concept) ‘servicedocument’ een hulpmiddel waarmee kan worden ingeschat of een activiteit voor wat betreft de benodigde gebruiksruimte voor geluid en geur in een bepaald gebied inpasbaar is. De VNG-uitgave Activiteiten en milieuzonering Omgevingswet 2022 kan worden gezien als de opvolger van de VNG-uitgaven Bedrijven en milieuzonering 2009. Wettelijk kader De VNG heeft een lijst met indicatieve richtafstanden opgesteld voor milieubelastende bedrijfsactiviteiten ten opzichte van gevoelige bestemmingen. De lijst geeft richtlijnen voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De benodigde afstand tussen bedrijven en gevoelige functies is afhankelijk van de aard en omvang van het bedrijf en de omgeving. Voor een rustige woonomgeving gelden andere eisen dan voor drukke woonwijken, gemengde gebieden en landelijke gebieden.

In de VNG-publicatie is een omschrijving van de gebiedstypes gemengd gebied en rustige woonwijk/rustig buitengebied gegeven. Omgevingstype gemengd gebied

NL.IMRO.0233.TAMnijkerkerwg65-0301

TAM-omgevingsplan 22a, Nijkerkerweg 65

|31

Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend”. Omgevingstype rustige woonwijk/rustig buitengebied Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven of kantoren) voor. Langs de randen (in de overgang naar mogelijke bedrijfsfuncties) is weinig verstoring door verkeer. Een vergelijkbaar omgevingstype qua aanvaardbare milieubelasting is een rustig buitengebied (eventueel inclusief verblijfsrecreatie), een stiltegebied of een natuurgebied. Alle bedrijven die in de buurt van het plangebied liggen worden aan de hand van een milieucategorie verbonden met een maximale hinderafstand ten opzichte van milieugevoelige bestemmingen.

Onderzoek Het planvoornemen betreft het beëindigen van de kalverhouderij aan de Nijkerkerweg 65 te Ermelo. Hiertoe worden twee bestaande stallen gesloopt. In de plaats daarvoor wordt een nieuwe loods gebouwd ten behoeve van caravanstalling en verhuur aan derden (BioAg, opslag humusstoffen en veevoeradditieven van landbouwhuisdieren) met een kleine ondergeschikte kantoorfunctie ten behoeve van administratie werkzaamheden. De recreatieve tak binnen het plangebied wordt voortgezet. Het plangebied ligt aan de Nijkerkerweg 65 in Ermelo. In de omgeving van het plangebied zijn overwegend woningen en (agrarische)bedrijven aanwezig. Door de functiemenging geldt voor het plangebied het omgevingstype ‘gemengd gebied’. Volgens de richtafstandenlijst, opgenomen in de VNG-brochure, is een de opslag van het bedrijf BioAg gelijk te stellen aan een groothandel in akkerbouwproducten en veevoeders (geur 10 meter, stof 10 meter, geluid 30 meter en gevaar 10 meter tot omgevingstype ‘rustige woonwijk en rustig buitengebied’). De grootste afstand van 30 meter is ten aanzien van geluid. Voor omgevingstype ‘gemengd gebied’ geldt een richtafstand van 10 meter ten aanzien van geluid. De opslag van het bedrijf BioAg bevindt zich in de zuidelijke helft van de loods. De afstanden tot de milieugevoelige objecten zijn daarom ook tot vanaf die plek berekend.

Deze richtafstand geldt tussen de bouwvlakgrens en de uiterste situering van de gevel van een gevoelig object. In onderstaande tabel zijn de milieugevoelige objecten (woningen) rond het plangebied weergegeven, met de bijbehorende richtafstand en de feitelijke afstand tussen de grens van het bouwvlak en de gevels van de woningen. Locatie

Afstand loods – gevel woning

Nijkerkerweg 57a

Grootste richtafstand (geluid) 10 meter

Nijkerkerweg 65a

10 meter

78 meter

Nijkerkerweg 67

10 meter

70 meter

NL.IMRO.0233.TAMnijkerkerwg65-0301

215 meter

TAM-omgevingsplan 22a, Nijkerkerweg 65

|32

Nijkerkerweg 75

10 meter

171 meter

Nijkerkerweg 77

10 meter

112 meter

Nijkerkerweg 79

10 meter

118 meter

Nijkerkerweg 92

10 meter

120 meter

In het Bkl is bepaald dat logiesfuncties (kampeerboerderij) niet als een woonfunctie wordt gezien en derhalve niet als milieugevoelig object wordt aangemerkt. Ondanks het voorstaande, in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties: een gezonde en veilige fysieke leefomgeving, dient wel gekeken te worden of de huisvestingslocatie op voldoende afstand van milieubelastende activiteiten van derden komt te liggen. Locatie

Milieucategorie

Nijkerkerweg 47

Aard bedrijvigheid Trouwlocatie

Afstand

1

Richtafstand rustig buitengebied 10 meter

Nijkerkerweg 55

Stukadoor

1

10 meter

138 meter

Nijkerkerweg 55

Agrarisch

2

30 meter

84 meter

Nijkerkerweg 57

Manege

3.1

50 meter

90 meter

Nijkerkerweg 92

Agrarisch

2

30 meter

80 meter

273 meter

Bij de ontwikkelingen in het plangebied wordt voldaan aan de vereiste richtafstanden tot de omliggende woon- en bedrijfsfuncties. Er is sprake van een goed woon- en leefklimaat. Conclusie Vanuit het aspect milieubelastende activiteiten is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies. Milieueffectrapportage Wettelijk kader De wetgeving omtrent de milieueffectrapportage (m.e.r.) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V van het Omgevingsbesluit. Of een besluit over een project-mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig is, kan worden afgeleid uit bijlage V bij het Omgevingsbesluit, in samenhang met de artikelen 11.6 en 11.8 van het Omgevingsbesluit. Bijlage V heeft als ingang (eerste kolom) de omschrijving van het project van de initiatiefnemer. In kolom 4 staan de besluiten genoemd waarvoor dan de mer-verplichtingen gelden. Het gaat dan om besluiten waarmee de toestemming voor het project wordt verleend. In dit geval is dat de omgevingsvergunning. Het betreft dan overigens altijd een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit (of een ontgrondingenactiviteit, wateractiviteit e.d.). Of er voor het besluit een mer-plicht of een mer-beoordelingsplicht geldt, volgt uit de tweede en derde kolom. Als het project voldoet aan de voorwaarden van kolom 2, geldt een mer-plicht.

Anders geldt een mer-beoordelingsplicht, tenzij ook in kolom 3 nog voorwaarden staan. Er wordt onder de Omgevingswet geen onderscheid meer gemaakt tussen een formele en vormvrije m.e.r.-beoordeling op grond van aangewezen drempelwaarden. We kennen straks dus nog maar één mer-beoordelingsprocedure.

NL.IMRO.0233.TAMnijkerkerwg65-0301

TAM-omgevingsplan 22a, Nijkerkerweg 65

|33

Onderzoek Het planvoornemen betreft het beëindigen van de kalverhouderij aan de Nijkerkerweg 65 te Ermelo. Hiertoe worden twee bestaande stallen gesloopt. In de plaats daarvoor wordt een nieuwe loods gebouwd ten behoeve van caravanstalling en verhuur aan derden met een kleine ondergeschikte kantoorfunctie ten behoeve van administratie werkzaamheden. De recreatieve tak binnen het plangebied wordt voortgezet. Het planvoornemen is volgens hoofdstuk 11 en bijlage V van het Omgevingsbesluit niet m.e.r. plichtig. Gelet op de geringe omvang van het plan, ver onder de drempelwaarden, worden geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu verwacht. Het milieubelang voorgaande paragrafen van deze motivering afgewogen. Hieruit volgt dat milieu- en omgevingsaspecten geen belemmering vormen voor de uitvoerbaarheid van de gewenste ontwikkeling. Gelet op het kleinschalige karakter is uit te sluiten dat significante gevolgen als gevolg van dit plan plaatsvinden. Ook een nadere beoordeling in de vorm van een m.e.r.-beoordeling of plan m.e.r. is niet noodzakelijk. Conclusie Met dit wijzigingsbesluit wordt het initiatief aan de Nijkerkerweg 65 mogelijk gemaakt. Voor dit project bestaat geen m.e.r. beoordelingsplicht. Mobiliteit In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect verkeer en parkeren.

Wettelijk kader De toename aan functies zorgen voor verkeer. Bij het toelaten van een nieuwe functie moet daarom worden aangetoond wat het effect is op de bereikbaarheid en verkeersafwikkeling. Daarbij dient in beeld te worden gebracht of er sprake is van een (extra) parkeerbehoefte voor auto’s, fietsen en/of scooters. Er mag geen onaanvaardbaar effect zijn. Verkeer Het plangebied is gelegen aan de Nijkerkerweg 65 in Ermelo. Hier geldt een maximum snelheid van 60 km/u. In onderstaande tabel is de verkeersgeneratie voor de bestaande en toekomstige situatie weergegeven. De verkeersgeneratie voor onderhavig planvoornemen is bepaald op basis van de meest recente CROW publicatie (381 ‘Toekomstbestendig parkeren’). Verkeersgeneratie bestaande situatie Functie Verkeersgeneratie volgens CROW “toekomstbestendig parkeren 2018” Agrarisch bedrijf Kampeerboerderij (2* hotel) Koop, huis, vrijstaand Totaal

NL.IMRO.0233.TAMnijkerkerwg65-0301

Minimaal 9,1 per 100 m² bvo Maximaal 10,9 per 100 m² bvo Minimaal 15,3 per 10 kamers Maximaal 16,5 per 10 kamers Minimaal 7,8 mvt/ etmaal Maximaal 8,6 mvt/ etmaal

Maximale verkeersgeneratie ‘weinig stedelijk, buitengebied’ 10,9 x 30,55 = 333 mvt/ etmaal 16,5 x 2,1 = 34,65 mvt/ etmaal 8,6 x 2 = 17,2 mvt/ etmaal 384,85 mvt/etmaal

TAM-omgevingsplan 22a, Nijkerkerweg 65

|34

Het plangebied bestaat momenteel uit (het restant van) een stal, welke de aanduiding intensieve veehouderij heeft. Echter is de huidige functie van het bedrijf niet meer in gebruik, wat leidt tot een maximum aantal motorvoertuigen bewegingen van 0 per etmaal. Verkeersgeneratie toekomstige situatie Functie Verkeersgeneratie volgens CROW “toekomstbestendig parkeren 2018” Loods Kampeerboerderij (2* hotel) Koop, huis, vrijstaand

Minimaal 3,9 per 100 m² Maximaal 5,7 per 100 m² Minimaal 15,3 per 10 kamers Maximaal 16,5 per 10 kamers Min: 7,8 mvt/etmaal Max: 8,6 mvt/etmaal

Totaal

Maximale verkeersgeneratie ‘weinig, stedelijk, buitengebied’ 5,7 x 10 = 57 mvt/ etmaal 16,5 x 2,1 = 34,65 mvt/ etmaal 8,6 mvt x 2 woningen = 17,2 mvt/etmaal 108,85 mvt/etmaal

Met het planvoornemen neemt de verkeersgeneratie in de toekomstige situatie af met 276 mvt/etmaal. De voorgenomen ontwikkeling is gunstig voor de verkeersdruk aan de Nijkerkerweg. Parkeren De gemeente heeft parkeerbeleid opgesteld met daarin parkeernormen waaraan nieuwe ontwikkelingen moeten voldoen. Voor het berekenen van de parkeerbehoefte wordt daarom aangesloten bij de uitgangspunten uit de ‘Nota parkeernormen Ermelo’. Deze parkeernormen zijn geënt op landelijke parkeerkencijfers op basis van de CROW-publicatie 'Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie, publicatie 317 (oktober 2012)' van het CROW. Op basis van de gemeentelijke parkeernota gelden de volgende gemiddelde parkeernormen (inclusief bezoekersparkeren) voor ‘buitengebied’: Functie

Norm

Eenheid

Koop, huis, vrijstaand

Minimaal 2,0 Maximaal 2,8 Minimaal 0,8 per 100 m² bvo Maximaal 1,3 per 100 m² bvo Minimaal 6,0 per 10 kamers Maximaal 6,5 per 10 kamers

2 woningen

Loods

Kampeerboederij

1000 m²

21 kamers Totaal

Benodigde parkeerplaatsen 2,8 pp x 2 woningen = 5,6 parkeerplaatsen 1,3 x 10 = 13 parkeerplaatsen

6,5 x 2,1 = 13,6 parkeerplaatsen 32 parkeerplaatsen

De voorgenomen ontwikkeling leidt tot een parkeerbehoefte van afgerond 32 parkeerplaatsen. Op eigen terrein is voldoende ruimte om in deze parkeerbehoefte te voorzien. Geconcludeerd wordt dat in voldoende mate rekening is gehouden met het aspect 'parkeren' en er ter plaatse kan worden voorzien in de verwachte parkeerbehoefte. Conclusie Vanuit het aspect mobiliteit is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies.

NL.IMRO.0233.TAMnijkerkerwg65-0301

TAM-omgevingsplan 22a, Nijkerkerweg 65

|35

Natuur Wettelijk kader De Wet natuurbescherming (Wnb) gaat op in de Omgevingswet: de Aanvullingswet natuur het Aanvullingsbesluit natuur en de Aanvullingsregeling natuur. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die zijn opgenomen in de huidige Wet natuurbescherming. Er is sprake van een beleidsneutrale overgang. Het huidige normenkader, de instrumenten en de bevoegdheidsverdeling voor het natuurbeschermingsrecht blijft ongewijzigd. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Gebiedsbescherming De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wijst de Natura 2000-gebieden aan. Op grond van artikel 2.43 Omgevingswet legt hij ook de instandhoudingsdoelstellingen vast. Dit gebeurt in een aanwijzingsbesluit.

Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een omgevingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Stikstof Stikstofdepositie is geregeld in artikel 22.20 van de Omgevingswet. De regels van artikel 5.5a van de Wet natuurbescherming (Wnb) blijven gelden tot een bij koninklijk besluit te bepalen datum. Hier vindt, vooralsnog, dus geen verandering plaats ten opzichte van oorspronkelijke wet- en regelgeving. Na de -nog te bepalen- datum dient stikstof te worden gemonitord als omgevingswaarde. Soortenbescherming Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als om bepaalde soorten van nationaal belang.

Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het natuurnetwerk Nederland. Het kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hierover actief beleid voeren. Hierbij kan worden gedacht aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming. Door strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of: • er soorten aanwezig zijn; en • welke soorten dat zijn.

NL.IMRO.0233.TAMnijkerkerwg65-0301

TAM-omgevingsplan 22a, Nijkerkerweg 65

|36

Onderzoek Op 3 juli 2024 is door Natuurbank Overijssel in opdracht van Van Westreenen een ecologisch onderzoek uitgevoerd. Het volledige onderzoek is als bijlage bij deze motivering opgenomen. Er zijn plannen om in het kader van functieverandering een schuur te realiseren aan de Nijkerkerweg 65 in Ermelo. Om dit te kunnen realiseren worden twee bestaande kalverstallen gesaneerd. Naast de schuur wordt beplanting en een poel aangelegd. Aangenomen wordt dat verharding wordt aangelegd, de huidige (verharde) toegangsweg behouden blijft, beplanting (aan de stal) gerooid wordt en dat opgeslagen materialen verwijdert worden. Als gevolg van deze voorgenomen activiteiten kan overtreding van de Omgevingswet op voorhand niet uitgesloten worden. Daarom is Natuurbank Overijssel gevraagd om de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten in het kader van de Omgevingswet in beeld te brengen. In voorliggend rapport worden de bevindingen van het uitgevoerde onderzoek gepresenteerd. Naast een beschrijving van het onderzoeksgebied, de onderzoeksopzet en de resultaten van het onderzoek, worden de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten weergegeven. Het plangebied is op 3 juli 2024 onderzocht op de (potentiële) aanwezigheid van beschermde planten, dieren en beschermde nesten, holen, vaste rust- en voortplantingslocaties.

Ook is onderzocht of de voorgenomen activiteiten een negatief effect hebben op beschermde (natuur)gebieden, zoals Natura 2000 en het Gelders Natuurnetwerk. Soortenbescherming De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Het plangebied wordt door beschermde diersoorten hoofdzakelijk benut als foerageergebied, maar er nestelen ook vogels. En daarnaast bezetten grondgebonden zoogdieren en amfibieën er een (winter)rust of voortplantingsplaats. Vleermuizen bezetten geen vaste rust- of verblijfplaats in het plangebied. Als gevolg van het rooien van de beplanting aan de stal en het saneren van de kalverstallen tijdens de voortplantingsperiode van vogels wordt mogelijk een bezet vogelnest verstoord, beschadigd of vernield. Van de in het plangebied nestelende vogelsoorten is het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Voor het beschadigen of vernielen van een bezet nest (eieren) of het doden van een vogel kan geen Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit verkregen worden omdat de voorgenomen activiteit niet als een in de wet genoemd belang wordt beschouwd.

Werkzaamheden die kunnen leiden tot het verstoren of vernielen van vogelnesten dienen buiten de voortplantingsperiode van vogels uitgevoerd te worden. De meest geschikte periode om de voorgenomen activiteiten uit te voeren is augustus-februari. Mogelijk wordt een beschermd grondgebonden zoogdier gedood en wordt een vaste rust- of voortplantingsplaats beschadigd of vernield, als gevolg van uitvoering van de voorgenomen activiteiten. Voor de grondgebonden zoogdieren, die een vaste rust- en/of voortplantingsplaats in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling `beschadigen/vernielen van vaste rust- en voorplantingsplaatsen’. Voor het doden van beschermde grondgebonden zoogdieren geldt geen vrijstelling. Om te voorkomen dat beschermde grondgebonden opzettelijk gedood worden, dienen ze weggevangen te worden, of dient het werkterrein natuurvrij gemaakt te worden, zodat de dieren op eigen beweging vertrekken. Voor het natuurvrij maken van het werkterrein is geen Omgevingsvergunning flora- en fauna- 5 activiteit van de Omgevingswet vereist. Indien er zorgvuldig gehandeld wordt, worden er geen beschermde grondgebonden zoogdieren gedood.

NL.IMRO.0233.TAMnijkerkerwg65-0301

TAM-omgevingsplan 22a, Nijkerkerweg 65

|37

Indien de werkzaamheden uitgevoerd worden zonder voorbereiding, kan niet uitgesloten worden dat een beschermd amfibie gedood wordt. Ook worden mogelijk vaste (winter)rustplaatsen van een beschermd amfibie beschadigd of vernield. Voor de beschermde amfibieënsoorten, die een vaste (winter)rustplaats in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling ‘beschadigen/vernielen van vaste rust- en voortplantingsplaats’. Er geldt geen vrijstelling voor het opzettelijk doden van amfibieën. Om te voorkomen dat beschermde dieren gedood worden dient het werkterrein natuurvrij gemaakt te worden, zodat deze dieren op eigen beweging vertrekken of dienen ze weggevangen te worden (en elders losgelaten). Indien er zorgvuldig gehandeld wordt, worden er geen beschermde dieren gedood en leidt uitvoering van de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties. Uitvoering van de voorgenomen werkzaamheden heeft geen negatief effect op essentieel foerageergebied van vleermuizen. Gebiedsbescherming Het plangebied behoort niet tot het Gelders Natuurnetwerk, de Groene ontwikkelingszone of Natura 2000- gebied. Vanwege de ligging buiten de GNN en Go, hoeft het initiatief niet getoetst te worden aan beleidsregels voor de bescherming van het GNN en Go, omdat de bescherming van het GNN en Go geen externe werking kent in Gelderland.

Een negatief effect op Natura 2000-gebied, als gevolg van de emissie van stikstofoxiden, kan op voorhand niet uitgesloten worden. Er is nader onderzoek in de vorm van een stikstofberekening nodig voor de ontwikkel- en gebruiksfase om te onderzoeken of uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt tot een toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen in Natura 2000-gebied. Andere negatieve effecten op Natura 2000-gebied, als gevolg van de voorgenomen activiteiten, worden wel uitgesloten. Stikstof In het kader van gebiedsbescherming dient te worden aangetoond dat het plan geen significante negatieve effecten heeft op omliggende Natura 2000-gebieden. Voor onderhavig initiatief is een stikstofberekening uitgevoerd in AERIUS. N.a.v. van de berekening is gebleken dat het plan geen gevolgen heeft waarbij significante negatieve effecten op Natura 2000-gebieden optreden. Het doel van onderhavig plan is de sloop van de oude schuren en de realisatie van de nieuwe hal. Voor deze berekeningen is een ‘worst-case’ benadering gekozen, waarbij de emissies die optreden ruim zijn aangehouden. Uit de calculaties uit hoofdstuk 5 en 6 en de bijbehorende AERIUS-berekeningen blijkt dat in de toegepaste ‘worst-case’ benadering de stikstofdepositie niet leidt tot significant negatieve effecten op stikstofgevoelige habitattypen in Natura 2000-gebieden.

Dit geldt voor zowel de realisatie- als gebruiksfase. Derhalve kan op voorhand worden uitgesloten dat er bij onderhavig bouwproject sprake zal zijn van significant negatieve effecten. In de bijlage is de volledige stikstofrapportage en de berekeningen opgenomen. Conclusie Vanuit het aspect natuur is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies. Omgevingsveiligheid In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit de veiligheid gewaarborgd wordt. Gedoeld wordt op het waarborgen van de veiligheid ter voorkoming van een branden, rampen of crises. De hoofdlijnen van het wettelijk kader omtrent de externe veiligheid zijn opgenomen in instructieregels in afdeling 5.1.2 Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten

NL.IMRO.0233.TAMnijkerkerwg65-0301

TAM-omgevingsplan 22a, Nijkerkerweg 65

|38

aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten: • Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving. • Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor). • Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving. • Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving. Wettelijk kader Omgevingsveiligheid beschrijft de risico’s die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.

Plaatsgebonden risico Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een Omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (art. 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl). Groepsrisico Bij groepsrisico is sprake van ‘aandachtsgebieden’. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (art. 5.12 Bkl). Het opnemen van aandachtsgebieden in een omgevingsplan is niet verplicht. Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen (RIVM a, z.d.). Aandachtsgebieden zijn er voor brand, explosie en gifwolk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl).

Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico’s (REV). Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied. Een gemeente kan in het Omgevingsplan afzien van aanwijzing van een brand- of explosievoorschriftengebied of een kleiner brand- of explosievoorschriftengebied aanwijzen (art. 5.14 Bkl). Als het initiatief ligt in een voorschriftengebied, dan gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (art. 4.90 tot en met 4.96 Bbl. Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen, kinderdagopvang, en verzorgingstehuizen, geldt altijd een voorschriftengebied, en gelden dus aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (art. 5.14 Bkl).

NL.IMRO.0233.TAMnijkerkerwg65-0301

TAM-omgevingsplan 22a, Nijkerkerweg 65

|39

Los van een eventueel voorschriftengebied kan een gemeente aanvullende eisen stellen, bijvoorbeeld aan vluchtroutes en de bereikbaarheid van het gebied door hulpdiensten. Dergelijke eisen worden dan opgenomen in de omgevingsvergunning. Een berekening van het groepsrisico is onder de Omgevingswet optioneel; het is niet meer verplicht om het groepsrisico te bepalen, maar een gemeente mag hier nog wel om vragen (via een voorschrift) om de toelaatbaarheid van de situatie te beoordelen. Naast bovengenoemde regels over veelvoorkomende situaties zijn voor een aantal specifieke situaties nog de volgende delen van het Bkl van belang: • Beperkingen in het belemmeringengebied (voormalige belemmeringenstrook in de huidige regelgeving) van buisleidingen: par. 5.1.2.3 Bkl; • Veiligheid rond opslaan, herverpakken en bewerken van vuurwerk en pyrotechnische artikelen voor theatergebruik: par 5.1.2.4 Bkl; • Veiligheid rond het bewerken en opslaan van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik en op militaire objecten (par. 5.1.2.5 Bkl); • Veiligheid rond luchthavens (par. 5.1.2.6 Bkl) Onderzoek Voor de inventarisatie van de risicobronnen is gebruik gemaakt van de risicokaart van de provincie Gelderland.

Figuur 10 Uitsnede risicokaart (plangebied rood omlijnd)

In nabijheid van het plangebied zijn geen risicobronnen aanwezig met een zogenaamde plaatsgebonden risico en/of aandachtsgebied. Rond het plangebied vinden geen activiteiten met en/of transport van gevaarlijke stoffen plaats. Hieruit kan geconcludeerd worden dat aanvullend onderzoek niet noodzakelijk is. Conclusie Vanuit het aspect omgevingsveiligheid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies.

NL.IMRO.0233.TAMnijkerkerwg65-0301

TAM-omgevingsplan 22a, Nijkerkerweg 65

|40

Water De beschrijving van wateraspecten kan onderverdeeld worden in verschillende subparagrafen. In deze paragrafen wordt achtereenvolgens een beschrijving gegeven van de relevante wetgeving en beleid, het opgestelde plan voor de waterhuishouding en volgens dat plan te treffen maatregelen. Hierbij worden de resultaten voorkomend uit het watertoetsproces betrokken. In het kader van de watertoets wordt over het plan advies gevraagd bij de betrokken waterbeheerder(-s). Hoe met dit advies is omgegaan wordt in deze paragraaf toegelicht. Indien het advies niet wordt opgevolgd, dient de afwijking daarvan gemotiveerd te worden. Wettelijk kader Artikel 5.37 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) stelt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Naast de specifieke regels als gesteld in paragraaf 5.1.3 Bkl over onderdelen van het watersysteem in het omgevingsplan, worden voor een duiding van de gevolgen voor het beheer van het watersysteem, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken. Daarnaast bevatten de artikelen 5.38 t/m 5.49 Bkl regels met betrekking tot: • Het voorkomen van belemmeringen voor primaire waterkeringen; • Het bouwen binnen kunstfundamenten buiten stedelijk gebied; en • Het ontplooien van activiteiten in en nabij grote rivieren en het IJsselmeergebied.

Het is aan het bevoegd gezag om te bepalen hoe andere bestuursorganen bij de besluitvorming worden betrokken bij de weging van het waterbelang. Kaderrichtlijn Water De Kaderrichtlijn Water (KRW) is een Europese richtlijn die moet leiden tot een verbetering van de kwaliteit van het oppervlakte- en grondwater. De Kaderrichtlijn moet in landelijke wet- en regelgeving worden omgezet. Met de komst van de Implementatiewet EG-kaderrichtlijn water is de KRW vertaald in de Nederlandse wetgeving. De Europese kaderrichtlijn heeft gevolgen voor de gemeenten op het gebied van riolering, afkoppelen, toepassing van bouwmaterialen en het ruimtelijke beleid. Er worden ecologische en fysisch-chemische doelen geformuleerd die afhankelijk zijn van de functie van een watergang. Nationaal Water Programma 2022-2027 In het Nationaal Water Programma 2022-2027 beschrijft de Rijksoverheid de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en de uitvoering ervan in de rijkswateren en -vaarwegen. Het programma geeft een overzicht van de ontwikkelingen binnen het waterdomein en legt nieuw ontwikkeld beleid vast. Dit doet het Rijk voor de periode 2022 – 2027, maar men kijkt ook verder vooruit. Het Rijk werkt aan schoon, veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Ook is er aandacht voor de raakvlakken van water met andere sectoren.

De ministeries van Infrastructuur en Waterstaat, Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit hebben de gezamenlijke verantwoordelijkheid voor het opstellen van het NWP. Dit ontwikkelen zij samen met medeoverheden, drinkwaterbedrijven, maatschappelijke organisaties en branche- en sectorpartijen. Om de uitdagingen rondom water het hoofd te bieden is samenwerking cruciaal.

NL.IMRO.0233.TAMnijkerkerwg65-0301

TAM-omgevingsplan 22a, Nijkerkerweg 65

|41

Bestuursakkoord Water Het Bestuursakkoord Water volgt op het Nationaal Bestuursakkoord Water en bevat hernieuwde afspraken over bestuur, financiën en richtinggevende kader voor onder andere water. De maatregelen uit het Bestuursakkoord Water zijn gericht op: • Heldere verantwoordelijkheden, minder bestuurlijke drukte; • Beheersbaar programma voor de waterkeringen; • Doelmatig beheer van de waterketen; • Werkzaamheden slim combineren; • Het waterschapsbestuur. Regionaal waterprogramma 2021-2027 In het Regionaal Waterprogramma Gelderland wordt het thema water op de volgende aspecten uitgewerkt: drinkwater, waterveiligheid en wateroverlast, natuur, waterkwaliteit en diverse gebruiksfuncties. Dit waterprogramma betreft een detaillering van het onderwerp ‘water’ in de Omgevingsvisie. Het waterprogramma betreft een voortzetting van bestaand waterbeleid, maar wordt in de geest van de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland opgezet. Dit betekent dat wordt gezocht naar synergie, samenhang en uitruilmogelijkheden om Gelderland ook in de toekomst gaaf te houden. Raakvlakken worden in elk geval voorzien tussen water en de beleidsterreinen bodem, natuur-/soortenbescherming, Natura 2000, klimaatadaptatie en met de programma’s van gebiedsontwikkelingen. In de toekomst wordt dit nader onderzocht en concreet gemaakt.

In het waterprogramma wordt ieder aspect opgedeeld in sub onderwerpen en voor deze sub onderwerpen wordt de provinciale ambitie en aanpak beschreven. Blauw Omgevingsprogramma 2022-2027 Het Blauw Omgevingsprogramma 2022- 2027 (BOP) is het meest recente waterbeheerprogramma van het waterschap Vallei en Veluwe. Met de BOP heeft het Waterschap Vallei en Veluwe tactische doelen geformuleerd. Per jaarplan wordt concreet invulling gegeven aan de daadwerkelijke realisatie van deze doelen. De BOP onderscheidt hun doelen in vijf categorieën. Dit zijn de drie programmalijnen waterveiligheid, watersysteem, wonen en zuiveren en de twee veranderprogramma’s circulaire economie en energietransitie. Keur Waterschap Vallei en Veluwe Op 1 januari 2014 is de nieuwe Keur met de Algemene regels en Beleidsregels van het Waterschap Vallei en Veluwe in werking getreden. Het waterschap stelt deze regels vast ter behartiging van de waterschapstaak en het bereiken van de doelstelling zoals genoemd in artikel 2.1 van de Waterwet. Alle handelingen in of nabij een waterstaatswerk worden hieraan getoetst. Zuiveringskring Afvalwaterketen Plan, gemeente Ermelo De gemeenten Harderwijk, Ermelo en Putten en het waterschap Vallei en Veluwe werken als partners samen in afwaterketen. Het ZAP is voor de gemeenten een vervang van het wettelijk verplichte gemeentelijk rioleringsplan (GRP).

De gezamenlijke visie is concreet gemaakt door voor het (stedelijk)afvalwater, hemelwater en grondwater samen beleidsvoornemens te formuleren. Voor het (stedelijk)afvalwater worden wettelijke verplichtingen als uitgangspunt genomen. Duurzaamheid is hier voor alle partijen een belangrijk aandachtspunt. In de plannen wordt vooralsnog uitgegaan van bestaande concepten (centrale zuivering en drukriolering buitengebied). Voor de belangrijke relatie tussen waterketen en watersysteem wordt niet zonder meer uitgegaan van de normen maar wordt de ontvangende draagkracht van het oppervlaktewater centraal gesteld

NL.IMRO.0233.TAMnijkerkerwg65-0301

TAM-omgevingsplan 22a, Nijkerkerweg 65

|42

waarop effluent (gezuiverd rioolwater) en ongezuiverde riooloverstortingen geloosd worden en is het leveren van maatwerk afhankelijk van de situatie. Op het gebied van hemelwater is de belangrijkste opgave de gevolgen van de klimaatverandering op te vangen. De systemen worden aangepast en er wordt meer gebruik gemaakt van de openbare ruimte voor opvang en afvoer van hemelwater. De eigen rol van de particulier wordt vergroot. In nieuwbouwgebieden wordt hieraan nu al invulling gegeven. Toetsing van wateroverlast situaties worden op elkaar afgestemd en treffen alleen maat- regelen als ook in de praktijk wateroverlast wordt ervaren, om de overlast te verminderen of te voorkomen. Gezamenlijk wordt beter gebruik gemaakt van berging in rioolstelsels door Real Time Control (RTC). Daarnaast heeft elke gemeente op de lokale situatie afgestemde verbeteringen uitgewerkt (BRP). Voor de gemeente Ermelo betekent dit specifiek dat er meer waterberging wordt gerealiseerd en hemelwaterafvoer wordt afgekoppeld van het bestaande stelsel. Onderzoek Om ervoor te zorgen dat de waterbelangen een goede plek krijgen en evenwichtig worden afgewogen bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dient een ‘weging van het waterbelang' te worden uitgevoerd. Om hier uitvoering aan de geven dient een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling te worden getoetst aan het waterschap.

Derhalve is voor onderhavige locatie een watertoets en het aanvraagformulier ingevuld. Op basis van de locatie is hieruit gekomen dat blijkt dat er waterschapsbelangen worden geraakt en dat de ‘normale procedure’ van toepassing is. Vanuit het waterschap wordt gevraagd om rekening te houden met: 1. Vasthouden – bergen – afvoeren. Principe hierbij is dat het water binnen het plangebied wordt vastgehouden en/of geborgen en dus niet direct wordt afgevoerd naar de riolering of het oppervlaktewater. 2. Grondwaterneutraal bouwen. 3. Schoon houden – scheiden – schoon maken. Om verontreiniging van de bodem, gronden/of oppervlaktewater te voorkomen is het van belang dat het afstromende hemelwater niet verontreinigd raakt. Verharding Met het planvoornemen worden twee stallen van de te beëindigen kalverhouderij aan de Nijkerkerweg 65 gesloopt. Daarvoor in de plaats wordt een nieuwe loods gebouwd ten behoeve van caravanstalling en verhuur aan derden. De terug te bouwen loods heeft een significant kleinere oppervlakte dan de twee stallen. Hierdoor is meer ruimte beschikbaar binnen het plangebied voor infiltratie van hemelwater en wordt de waterhuishoudkundige situatie ter plaatse verbeterd. In navolgende tabel is de huidige en toekomstige situatie van de oppervlakteverhardingen weergegeven. Bruto (verharde) oppervlakten Totale oppervlakte planlocatie Verhard oppervlak Onverhard oppervlak

NL.IMRO.0233.TAMnijkerkerwg65-0301

Huidige situatie (m²)

7.200 31.100

Toekomstige situatie (m²) 38.300 5.500 32.800

TAM-omgevingsplan 22a, Nijkerkerweg 65

|43

Vasthouden – bergen – afvoeren Een belangrijk principe is dat een deel van het hemelwater binnen het plangebied wordt vastgehouden en/of geborgen en dus niet direct afgevoerd wordt naar de riolering of het oppervlaktewater. Hiermee wordt bereikt dat dat de waterzuiveringsinstallatie beter functioneert, verdroging wordt tegengegaan en piekafvoeren in het oppervlaktewater wordt voorkomen. Voor onderhavige locatie kan worden gesteld dat het hemelwater zal worden opgevangen en uiteindelijk worden afgevoerd op oppervlaktewater. Schoon houden – scheiden – schoon maken Voor onderhavige locatie zal hemelwater worden gescheiden van afvalwater om zodoende de oppervlaktewaterkwaliteit te kunnen borgen. Schoon hemelwater/dakwater wordt opgevangen en uiteindelijk afgevoerd op de omliggende watergangen/wadi. Ten behoeve van de beoogde bedrijfsactiviteiten zal er geen sprake zijn van huishoudelijk afvalwater (bv. rioolwater of waswater). Onderhavige locatie betreft schone droge opslag waardoor er geen sprake is van afvalwater van bv. erfafspoeling. Qua bouwmaterialen kan er worden gesteld dat er dakgoten worden gebruikt van naadloos aluminium wat geen uitlogende stoffen bevat. In de bijlage is het volledige aanvraagformulier bijgevoegd. Conclusie Vanuit het aspect water is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies.

NL.IMRO.0233.TAMnijkerkerwg65-0301

TAM-omgevingsplan 22a, Nijkerkerweg 65

|44

Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid 6.1 Economische uitvoerbaarheid 6.1.1 Economische haalbaarheid Het planvoornemen betreft een particulier initiatief op particulier terrein. Tussen de initiatiefnemer en de gemeente zal ten behoeve van de kosten een overeenkomst gesloten worden. Hiermee is het verhaal van kosten van de grondexploitatie over in het plan begrepen gronden anderszins verzekerd en hoeft geen exploitatieplan te worden opgesteld. Initiatiefnemer en gemeente sluiten daarnaast een planschadeovereenkomst.

6.1.2 Kostenverhaal Tussen de initiatiefnemer en de gemeente zal ten behoeve van de kosten een overeenkomst gesloten worden. Hiermee is het verhaal van kosten van de grondexploitatie over in het plan begrepen gronden anderszins verzekerd en hoeft geen exploitatieplan te worden opgesteld. Hiermee is de economische uitvoerbaarheid van voorliggend plan voldoende aangetoond.

6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 6.2.1 Advies en instemming In het kader van advies en instemming, wordt het TAM-Omgevingsplan toegezonden aan de volgende overleginstanties: de provincie Gelderland en het Waterschap Veluwe en Vallei.

6.2.2 Procedure Op de onderhavige aanvraag is conform artikel 16.62 Omgevingswet de reguliere procedure van titel 4.1 Algemene wet bestuursrecht van toepassing. De beslistermijn is acht weken.

6.2.3 Participatie De gemeente Ermelo heeft een participatiebeleid. Uitgangspunt is dat er altijd participatie wordt toegepast. Bij het opstellen van een omgevingsplan heeft de gemeente de zogenaamde motiveringsplicht. Vanuit de motiveringsplicht is het participatietraject onderdeel van het besluit. Daarin moet worden toegelicht hoe participatie is vormgegeven, hoe inwoners, bedrijven, maatschappelijke partners en ketenpartners zijn betrokken. Daarnaast wordt toegelicht wat er uiteindelijk met de inbreng is gedaan. Bij het opstellen van een omgevingsplan is er ook sprake van verplichte kennisgeving: de gemeente moet inwoners vooraf informeren. Dit betekent dat de gemeente belanghebbenden informeert over het opstellen van een omgevingsplan en daarbij aangeeft hoe het participatietraject wordt vormgegeven.

NL.IMRO.0233.TAMnijkerkerwg65-0301

TAM-omgevingsplan 22a, Nijkerkerweg 65

|45

De motiveringsplicht en plicht tot kennisgeving gelden voor de vaststelling van het omgevingsplan en ook later voor de actualisaties (geheel of gedeeltelijk). Belangrijk zijn het participatiedoel, bepalen van de belanghebbenden, en de manier van participatie. De input uit het participatietraject dienen te worden uitgewerkt in een memo. Participatie wordt in dit geval uitgevoerd om de omgeving te informeren over een ruimtelijke ontwikkeling in haar omgeving, het draagvlak te vergroten voor het plan en om te inventariseren of alle belangen zijn meegenomen in het plan. Initiatiefnemers is bij de direct omwonenden langs gegaan om het plan uit te leggen en heeft hen gevraagd om een reactie op het plan. Deze reacties zijn beschreven in een memo. Deze memo is in bezit van het bevoegd gezag. Samengevat zijn er geen bezwaren op het plan. De reacties hebben niet geleid tot aanpassingen van het plan. Het volledige participatieformulier is als bijlage bij deze motivering opgenomen.

NL.IMRO.0233.TAMnijkerkerwg65-0301

TAM-omgevingsplan 22a, Nijkerkerweg 65

|46

Hoofdstuk 7 Juridische Toelichting 7.1 Inleiding In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op het plangebied, het relevante beleid en de milieu- en omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het maken van het juridische deel van het voorliggend TAM-Omgevingsplan: de verbeelding en de regels. In dit hoofdstuk wordt dieper ingegaan op de opzet van dit juridische deel. Daarnaast wordt een verantwoording gegeven van de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom een bepaalde functie ergens is toegestaan en waarom bepaalde bebouwing daar acceptabel is.

7.2 Opzet van de regels Deze wijziging van het omgevingsplan betreft een TAM-omgevingsplan. TAM-IMRO is bedoeld voor gemeenten die nog geen gebruik kunnen maken van het planvormingsdeel van het DSO. Bijvoorbeeld doordat de plansoftware nog niet alle daarvoor benodigde functies biedt. Het kan ook zijn dat de gemeente te weinig tijd rest om het planproces goed te beproeven. Of dat er nog onvolkomenheden zijn in de landelijke voorziening. Met TAM-IMRO kunnen gemeenten toch hun omgevingsplan wijzigen. Kort gezegd houdt TAM-IMRO in dat de huidige techniek voor planvorming tijdelijk kan worden gebruikt onder de Omgevingswet. Deze techniek betreft de bestaande uitwisselingsstandaard IMRO (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) en de bestaande voorziening Ruimtelijke Plannen. IMRO is een bekende en functionerende techniek. De TAM-IMRO betreft niet alleen het gebruik maken van de oude software maar het gaat ook om langduriger gebruik van de bestaande systemen en koppelingen. Het juridisch bindend gedeelte van het TAM-omgevingsplan bestaat uit regels en bijbehorende verbeelding waarop de functies zijn aangegeven.. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken. De regels zijn onderverdeeld in drie hoofdstukken: 1. Inleidende bepalingen (begripsbepalingen en wijze van meten); 2. Activiteiten (voorheen: Bestemmingsregels); 3. Overgangsregels.

7.2.1 Inleidende bepalingen De regels beginnen met een Pre-ambule. De gemeente heeft nu één omgevingsplan voor de hele gemeente. Om ervoor te zorgen dat de regels voor ontwikkeling aan de Nijkerkerweg 65 op de juiste wijze onderdeel uit gaan maken van het omgevingsplan van de gemeente is de pre-ambule opgenomen. De regels worden opgenomen als paragraaf 22a van het omgevingsplan van de gemeente. Hoofdstuk 1 bevat de algemene bepalingen. Deze regels gelden voor de locatie waarvan de geometrisch bepaalde planobjecten zijn vervat in de bij het TAM-omgevingsplan behorende GMLbestand. De regels in dit hoofdstuk bevatten: NL.IMRO.0233.TAMnijkerkerwg65-0301

TAM-omgevingsplan 22a, Nijkerkerweg 65

|47

-

Toepassingsbereik (artikel 1); Begrippen (artikel 2); deze begrippen zijn een aanvulling of afwijking op de begrippen zoals die al in het omgevingsplan inclusief bruidsschat zijn opgenomen. Meet- en rekenbepalingen (artikel 3).

In artikel 1 is het toepassingsbereik opgenomen. In het toepassingsbereik is aangegeven welke besluiten niet van toepassing zijn op dit deel van het omgevingsplan en op welke locatie de regels van dit deel van het omgevingsplan wel van toepassing zijn. 7.2.2 Specifieke regels over activiteiten Hoofdstuk 2 van de regels bevat de juridische vertaling van de in het besluitgebied voorkomende activiteiten en gebiedsaanwijzingen. De regels zijn onderverdeeld in o.a.: -

Toepassingsbereik: op welke locatie de regels gelden;

-

Oogmerk: wat wordt er beoogd met de toegestane activiteiten;

-

Gebruiksactiviteiten;

-

Bouwactiviteiten.

Een TAM-omgevingsplan geeft aan welke functies waar zijn toegestaan en welke bebouwing mag worden opgericht. Bij het opstellen van dit TAM-omgevingsplan zijn keuzes gemaakt over welke activiteiten waar worden mogelijk gemaakt en is gekeken welke bebouwing stedenbouwkundig toegestaan kan worden. In deze paragraaf worden de gemaakte keuzes nader onderbouwd. Hierbij zullen functies in dezelfde volgorde als in de regels worden behandeld. Bedrijf – Nijkerkerweg 65 Ermelo Op voor ‘Bedrijf – Nijkerkerweg 65 Ermelo’ aangewezen gronden is het stallen van caravans in een gebouw en de opslag voor handel ten behoeve van agrarische, bedrijfs- en woondoeleinden toegestaan. Detailhandelsactiviteiten en geluidzoneringsplichtige activiteiten zijn niet toegestaan. In het kader van de Omgevingswet gaat het om activiteiten die in aanzienlijke mate geluid kunnen produceren. Verder zijn bij het bedrijf, als ondergeschikte en ondersteunende activiteit een kantoor ten behoeve van administratieve werkzaamheden toegestaan.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15665322/1