CConstaterende datErmelo
Koppel je AI →
Document · PDF

Ruimtelijke onderbouwing e250009224

Gemeenteraad 19 maart 2025, gemeente ErmeloBij agendapunt: Vaststellen kaders Telgterweg 124.776 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Puntentabel beleid natuurinclusief bouwen (bron: Groenewold advies) Het verplicht aantal van 11 punten wordt ruimschoots gehaald met deze maatregelen. De voorgestelde maatregelen zijn ook op de inrichtings- en bouwkundige tekeningen vastgelegd en worden geborgd in de omgevingsvergunning. Het plan voldoet aan het Beleid Groen- en Natuurinclusief bouwen. 3.3.3 Nota Omgevingskwaliteit Vitaal, groen en zorgzaam zijn de kernwaarden waar het in Ermelo om draait. In de nota zijn de begrippen ‘gewoon’ en ‘bijzonder’ cruciaal. Een gewoon plan is een plan dat past bij een bestaand gebouw en/of directe omgeving. Een bouwplan voor een nieuwe woning, die aansluit bij de bestaande woningen in een bijzonder gebied, is een gewoon woningbouwplan. Bijzondere plannen wijken af van het gewone. Indien het bouwplan niet aan de gestelde criteria voldoet is het plan bijzonder. Karakteristieke bouwwerken en (maatschappelijke) voorzieningen zijn meestal ook bijzonder. De nota onderscheidt twee typen criteria, te weten ‘criteria voor veel voorkomende kleine bouwwerken’ en ‘gebiedsgerichte welstandscriteria: gewoon en bijzonder’. Deelgebied woonwijken Ermelo Volgens de kaart waarin de deelgebieden zijn aangegeven, valt het plangebied binnen ‘Woonwijken Ermelo’.

Ondanks de verschillende stedenbouwkundige principes die zijn toegepast bij de vormgeving van de woonwijken, schuilt er in elke wijk een sterke verbindende factor: de samenhang. Elke wijk heeft zijn eigen uitstraling doordat de bebouwing een sterke eenheid vormt of doordat er sprake is van een grote samenhang in de openbare ruimte (bijvoorbeeld bij een parkachtige opzet). Zolang een bouwinitiatief past binnen de samenhang van een wijk, zal deze over het algemeen niet als storend of afwijkend ervaren worden. 3.3.6.2 Toetsing plan aan de Nota Omgevingskwaliteit Er wordt ingespeeld op het benutten van de ruimte binnen het bestaand stedelijk gebied. Het plangebied betreft een inbreidingslocatie. De positie en opbouw van het nieuwe woongebouw passen binnen de stedenbouwkundige structuur van deze woonwijk.

26

Beeldkwaliteit Het appartementengebouw is uitgevoerd in een licht bruin-gele gevelsteen. Op sommige plaatsen is accentmetselwerk toegepast in dezelfde kleur, maar met een afwijkende voeg. De balkons en entree zijn voorzien van houten elementen die het gebouw verbijzonderen en de mogelijkheid bieden om gevelgroen toe te passen. Kozijnen en draaiende delen worden uitgevoerd in een midden-grijs bruine kleurstelling. Op 25 november 2024 heeft de Commissie Omgevingskwaliteit van de gemeente Ermelo een positief advies gegeven op het plan. 3.3.4 Nota parkeernormen Ermelo De wijze waarop de parkeerbehoefte moet worden aangetoond, is vastgelegd in de Nota parkeernormen van de gemeente Ermelo. In de nota zijn uitgangspunten opgenomen die in acht moeten worden genomen. Welke parkeernormen er voor een gebied gelden is o.a. afhankelijk van de stedelijkheidsgraad. De stedelijkheidsgraad wordt bepaald op basis van de omgevingsadressendichtheid (aantal adressen per km²), kortweg OAD. In een gebied met een hoge OAD is het aanbod - en de kwaliteit van andere vervoerswijzen – over het algemeen groter dan in een gebied met een lage OAD. Daarom worden in een gebied met een hoge stedelijkheidsgraad lagere parkeernormen toegepast. Daarnaast wordt gekeken naar de stedelijke zone (centrum, schil, overig) van een gebied.

Hoe dichter bij het centrum, des te beter is de kwaliteit en het aanbod van overige vervoerswijzen en des te lager dus de parkeernorm. De gemeente Ermelo valt qua stedelijkheidsgraad - in zijn geheel - in de categorie ‘weinig stedelijk’, het plangebied valt in het deelgebied ‘rest bebouwde kom’.

3.3.6.3 Toetsing plan aan de nota parkeernormen Ermelo De voorgenomen ontwikkeling betreft de herontwikkeling van het perceel aan de Telgterweg 1 in Ermelo. Het bestaande kantoorgebouw wordt gesloopt, daarvoor in plaats wordt een woongebouw met 18 appartementen gerealiseerd. De nieuwe appartementen vallen in de woning categorie goedkoop. Hiervoor is op basis van de nota uit 2017 een parkeernorm van 1,6 parkeerplaats per woning van toepassing. Er worden 18 betaalbare appartementen gerealiseerd in het plangebied, volgens de nota parkeernormen zijn

27

er dan 28,8 parkeerplaatsen benodigd (1,6 x 18). In deze berekening is echter geen rekening gehouden met aanwezigheidspercentages (50% en 20% voor bewoners en bezoekers op een werkdagavond). De parkeervraag voor deze ontwikkeling bedraagt dan 25 parkeerplaatsen. Voor de nieuwbouw aan de Telgterweg worden voor 18 betaalbare appartementen in totaal 25 parkeerplaatsen op eigen terrein aangelegd. Hiermee wordt aan de gemeentelijke parkeernormen. 3.3.6 Conclusie Het gemeentelijk beleid staat de planontwikkeling niet in de weg. De voorgenomen ontwikkeling voldoet aan de uitgangspunten zoals verwoord in de omgevingsvisie Ermelo en overige relevante beleidsstukken.

28

4. Effecten voor de fysieke leefomgeving Een ruimtelijke ontwikkeling kan gevolgen hebben voor de belangen van natuur en milieu, voor cultuurhistorische, landschappelijke en archeologische waarden, de waterhuishouding en andere waarden. In dit hoofdstuk wordt beschreven op welke wijze bij de activiteit rekening is gehouden met diverse aspecten van de fysieke leefomgeving en de evenwichtige toedeling van functies aan locaties (etfal). De aspecten sluiten aan op en dekken de onderdelen zoals genoemd in artikel 1.2 Omgevingswet. De beschrijving wordt per aspect in een aparte paragraaf opgenomen en kan vervolgens in subparagrafen worden onderverdeeld.

4.1

Cultureel erfgoed

In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening is gehouden met binnen of buiten de locatie van de activiteit aanwezig cultureel erfgoed. Onder cultureel erfgoed valt: archeologie, cultuurhistorie, monumenten, karakteristieke panden, beschermde gezichten, monumentale bomen, landschap etc. Aangezien de aspecten landschap, stedenbouw en cultureel erfgoed vaak met elkaar verwezen zijn worden deze aspecten ook behandeld in dit hoofdstuk. 4.1.1 Wettelijk kader De zorg voor ons erfgoed is erop gericht zoveel mogelijk in de bodem te bewaren voor het nageslacht: behoud ‘in situ’. Wie iets met de bodem wil, een "verstoorder", is verplicht de schade aan het erfgoed zoveel mogelijk te beperken. Dit streven naar behoud komt voort uit het Verdrag van Malta dat met de inwerkingtreding van de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz) in 2007 in onze wetgeving geïmplementeerd is. Sinds 1 juli 2016 is een deel van de omgang met archeologisch erfgoed geregeld in de Erfgoedwet (de Monumentenwet trad uit werking). Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving is overgegaan naar de Omgevingswet toen deze in werking trad op 1 januari 2024.

Artikel 5.130 van het Bkl bepaalt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed, met inbegrip van bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. De Erfgoedwet bevat de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Het is op basis hiervan verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. Voor de bescherming van het landschap geldt voor Nederland het Europees landschapsverdrag. Dit verdrag erkent dat landschappen een onderdeel zijn van de fysieke leefomgeving. In artikel 1.2 lid 1 sub g Omgevingswet worden ‘landschappen’ als onderdeel van de fysieke leefomgeving aangemerkt. Het landschapsbeleid kan door Rijk, provincie of gemeente in een omgevingsvisie zijn vastgelegd. Deels zijn landschapswaarden in instructieregels van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) verankerd. Artikel 5.129 Bkl bevat bijvoorbeeld een instructieregel over het behoud van uitzicht op de vrije horizon van de zee. Een ander voorbeeld is de instructieregel over het cultureel erfgoed over onder andere bescherming van cultuurlandschappen.

4.1.2 Onderzoek plangebied De voorgenomen ontwikkeling betreft de herontwikkeling van het perceel aan de Telgterweg 1 in Ermelo. Het bestaande kantoorgebouw wordt gesloopt, daarvoor in plaats wordt een woongebouw met 18 appartementen gerealiseerd. Archeologie Voor het plangebied is het omgevingsplan gemeente Ermelo van toepassing. De gronden binnen het plangebied hebben daarin niet de functie ‘Waarde – Archeologie’. Er is geen onderzoeksplicht.

29

Volgens de archeologische beleidskaart van de gemeente Ermelo geldt voor de locatie een hoge verwachtingswaarde. Een archeologisch onderzoek is nodig bij ingrepen dieper dan 30 cm onder maaiveld met een oppervlakte groter dan 100 m2. Die ondergrens wordt wel overschreden. Echter, het nieuwe pand wordt grotendeels binnen de contouren van de bestaande bebouwing gesitueerd. De grond is daar dus al geroerd. Het deel dat buiten de contouren van de bestaande bebouwing geprojecteerd is, bedraagt ongeveer 45 m2. Archeologisch onderzoek is niet noodzakelijk. Advies regioarcheoloog Op 16 april 2024 heeft de regioarcheoloog advies uitgebracht over de voorgenomen ontwikkeling. De conclusie is dat de kans op het aantreffen van archeologische waarden hier nihil is. Zowel de kaart van De Man (1806), het kadastrale minuutplan uit 1832 als de Topografische Militaire Kaart uit 1850 laten voor het plangebied zien dat het in gebruik was als bouwland. Het is daarmee een uitloper van de enk tussen Ermelo en Telgt. In principe is de aanwezigheid van een enk al voldoende voor een hoge verwachtingswaarde (vergelijkbaar met Stationsstraat 50-52 en Kampvelderveld). Maar dan verandert rond 1872 het grondgebruik. Dat heeft zeer waarschijnlijk te maken met de aanleg van de spoorlijn. Het gebied wordt namelijk weer heide. Eigenlijk wel een vreemde ontwikkeling.

Vanaf 1890 is het een hakhout/bosstruweel geworden. Rond 1930 wordt het bos weer gekapt en gereed gemaakt voor woningbouw. Op de historische kaart van 1932 is een smalle strook afgebeeld die noord-zuid ligt over het plangebied. Het lijkt erop dat er hier een afgraving heeft plaats gevonden. Het kan ook een doorgang zijn. Neemt niet weg dat er voor de huidige bebouwing ook nog wat anders daar gestaan heeft. Een archeologisch onderzoek wordt niet aanbevolen op basis van bovenstaande. De regioarcheoloog wordt graag op de hoogte gesteld worden van het moment dat er wordt afgegraven en in de gelegenheid gesteld worden een archeologische opname van het bodemprofiel te maken. Cultuurhistorie Ten behoeve van dit bestemmingsplan is de cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Ermelo geraadpleegd. In het plangebied zijn geen beschermde rijks- en/of gemeentelijke monumenten aanwezig. Ook ligt het plangebied niet binnen een beschermd dorps- of stadsgezicht. Er wordt met het plan ingespeeld op het benutten van de ruimte binnen het bestaand stedelijk gebied. Het plangebied betreft een inbreidingslocatie. De positie en opbouw van het nieuwe woongebouw passen binnen de stedenbouwkundige structuur van deze woonwijk. De kernkwaliteiten van het gebied worden daarmee niet aangetast. Onderhavig plan zal dus geen cultuurhistorische waarden schaden.

4.1.3 Conclusie Voorliggend plan wordt niet belemmerd vanuit het aspect cultureel erfgoed, nader onderzoek op het gebied van cultureel erfgoed is daarom ook niet nodig.

30

4.2

Natuur

Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Natuurwetgeving in de Omgevingswet (voorheen: Wet natuurbescherming, hierna: Wnb) en het beleid van de provincie ten aanzien van de bescherming van dier- en plantensoorten en de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland de uitvoering van het plan niet in de weg staan. In elk geval moet aannemelijk zijn dat omgevingsvergunning of afwijking van de bij of krachtens deze wet geldende verbodsbepalingen kan worden verkregen voor de activiteiten die mogelijk worden gemaakt. 4.2.1 Wettelijk kader Op 1 januari 2024 is de Wet natuurbescherming (Wnb) opgegaan in de Omgevingswet. Ter bescherming van de natuur zijn in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) diverse regels opgenomen. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die waren opgenomen in de Wet natuurbescherming. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Gebiedsbescherming De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden.

De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wijst de Natura 2000-gebieden aan. Op grond van artikel 2.43 Omgevingswet legt hij ook de instandhoudingsdoelstellingen vast. Dit gebeurt in een aanwijzingsbesluit. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een omgevingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: 1. Alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden; 2. Het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en 3.

De noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. In afdeling 8.6 Bkl staat het beoordelingskader voor de omgevingsvergunning voor Natura 2000activiteiten. Dit is door middel van het aanvullingsspoor Natuur gebeurd. Soortenbescherming Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het natuurnetwerk Nederland. Het kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hierover actief beleid voeren. Hierbij kan worden gedacht aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming. Door strikte formulering van een flora- en faunaactiviteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of: er soorten aanwezig zijn; en welke soorten dat zijn.

31

Het uitgangspunt van de wet is dat beschermde planten- en diersoorten geen schade mogen ondervinden. In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt bepaald wanneer een vergunning nodig is. Voor o.a. reguliere werkzaamheden of ruimtelijke ontwikkelingen, zoals de bouw van woningen, geldt de volgende vrijstellingsregeling: een algemene vrijstelling voor algemene soorten; een vrijstelling voor beschermde soorten en vogels op voorwaarden, dat gehandeld wordt volgens een door het Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie goedgekeurde gedragscode. Wanneer het onmogelijk is schade aan streng beschermde planten en dieren tijdens ruimtelijke ontwikkelingen en inrichting te voorkomen, moet altijd een ontheffing worden aangevraagd bij de provincie. De voorwaarden verbonden aan een vrijstelling of een ontheffing zijn afhankelijk van de status van de planten- en diersoorten die in het plangebied voorkomen. Houtopstanden Naast het soortenbeschermingsregime en gebiedsbeschermingsregime bevat de Omgevingswet ook de bepalingen ter bescherming van houtopstanden. Onder houtopstand wordt verstaan: een zelfstandige eenheid van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, die een oppervlakte grond beslaat van 10 ha of meer, of bestaat uit een rijbeplanting die meer dan 20 bomen omvat, gerekend over het totaal aantal rijen.

4.2.2 Onderzoek plangebied De voorgenomen ontwikkeling betreft de herontwikkeling van het perceel aan de Telgterweg 1 in Ermelo. Het bestaande kantoorgebouw wordt gesloopt, daarvoor in plaats wordt een woongebouw met 18 appartementen gerealiseerd. In november 2024 is er een quickscan natuur uitgevoerd (zie bijlage 1), uit de quickscan moet blijken of de realisatie van het plan gevolgen kan hebben voor beschermde natuurwaarden. Soortenbescherming Op het perceel is gekeken naar beschermde soorten en verblijfplaatsen. Specifiek is gezocht naar (potentiële) verblijfplaatsen van vleermuizen, marters en eventuele jaarrond beschermde nesten van vogels. Er zijn geen voor beschermde soorten geschikte toegangen gevonden. Er is een aantal open stootvoegen. De meeste daarvan zijn te klein/smal voor vleermuizen. Maar er is ook isolatiemateriaal aanwezig, waarmee er sowieso geen toegang is tot de spouw. Verblijfplaatsen van vleermuizen zijn uit te sluiten. Nader onderzoek of het aanvragen van een omgevingsvergunning flora en fauna-activiteit voor sloop van het gebouw is niet nodig. Er geldt een vrijstelling voor de algemeen beschermde soorten (Omgevingsverordening Gelderland). Overigens blijft de algemene zorgplicht altijd van kracht.

Gebiedsbescherming Op basis van de ligging en aard van de ruimtelijke ingrepen is de conclusie dat deze ingreep geen negatieve invloed heeft op de specifieke natuurwaarden. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is de Veluwe op ca. 725m afstand ten zuiden van het plangebied. Directe effecten op soorten of habitats zijn uit te sluiten. Stikstof In het kader van de Wet natuurbescherming, onderdeel Natura 2000, dient vooraf zekerheid te zijn verkregen dat er geen sprake is van negatieve effecten op Natura 2000-gebieden. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is de Veluwe op ca. 725 m afstand ten zuiden van het plangebied. Er zijn daarmee geen directe negatieve effecten te verwachten voor beschermde soorten of habitats. In november 2024 is er daarom een stikstofonderzoek uitgevoerd (zie bijlage 2). Voor de externe werking is gekeken naar eventuele stikstofdepositie op voor verzuring gevoelige gebieden op de Veluwe. Zowel de gebruiksfase als de aanlegfase zijn berekend met Aerius 2024. Er is na intern salderen met het bestaande gebruik geen toename van de stikstofdepositie berekend groter dan 0.00 mol/ha/jaar. Externe werking is uit te sluiten.

32

Nu de toename van de stikstofdepositie niet hoger is dan 0.00 mol/ha/jaar is nader onderzoek of een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit voor realisatie van het plan niet nodig. Zorgplicht In art. 11.27 van het Bal, is de zorgplicht voor alle in het wild voorkomende planten en dieren vastgelegd. Dit is vergelijkbaar met de algemene zorgplicht uit de Wnb. Het houdt in dat degene die een flora- en fauna-activiteit verricht passende maatregelen neemt om schade aan van nature in het wild voorkomende soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Dit omvat alle soorten, inclusief de vrijgestelde. Dit betekent onder meer dat een initiatiefnemer zich tijdig op de hoogte stelt van de aanwezige natuurwaarden, de kwetsbaarheid ervan en de mogelijke gevolgen van het plan. Bij de uitvoering moeten negatieve gevolgen zoveel mogelijk worden voorkomen dan wel beperkt of ongedaan gemaakt. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om het voorkómen van verontrusting of verstoring in de kwetsbare perioden zoals de broed-/voortplantingstijd en de periode van afhankelijkheid van de jongen. De kwetsbare perioden kan per soortgroep verschillen.

Als ‘veilige’ periode voor alle groepen geldt in het algemeen de periode van half augustus tot half november, de periode waarin de voortplantingstijd achter de rug is en dieren als vleermuizen, overige zoogdieren en amfibieën nog niet in winterslaap zijn. Indien een plangebied in die periode bouwrijp wordt gemaakt, geeft realisatie gedurende het winterseizoen en het daaropvolgende voorjaar meestal geen problemen. Vaak is het voldoende om rekening te houden met de broedtijd (15 maart-15 juli huismus tot 15 augustus). Als bekend is dat werkzaamheden moeten worden uitgevoerd binnen de kwetsbare perioden van de soorten, is het zaak ervoor te zorgen dat het gebied tegen die tijd ongeschikt is als leefgebied voor die soorten. Zo kan bijvoorbeeld vegetatie buiten het broedseizoen worden verwijderd of kunnen bomen buiten het broedseizoen worden gekapt, zodat er geen vogels gaan broeden. Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer passende maatregelen neemt om schade aan beschermde soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Dit betekent onder meer dat een initiatiefnemer zich tijdig op de hoogte stelt van de aanwezige natuurwaarden, de kwetsbaarheid ervan en de mogelijke gevolgen van het plan. Bij de uitvoering moeten negatieve gevolgen zoveel mogelijk worden voorkomen dan wel beperkt of ongedaan gemaakt.

Hierbij gaat het bijvoorbeeld om het voorkómen van verontrusting of verstoring in de kwetsbare perioden zoals de broed-/voortplantingstijd en de periode van afhankelijkheid van de jongen. Als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd. De kwetsbare perioden kan per soortgroep verschillen. Als ‘veilige’ periode voor alle groepen geldt in het algemeen de periode van half augustus tot half november, de periode waarin de voortplantingstijd achter de rug is en dieren als vleermuizen, overige zoogdieren en amfibieën nog niet in winterslaap zijn. Indien een plangebied in die periode bouwrijp wordt gemaakt, geeft realisatie gedurende het winterseizoen en het daaropvolgende voorjaar meestal geen problemen. Vaak is het voldoende om rekening te houden met de broedtijd (15 maart-15 juli huismus tot 15 augustus). Als bekend is dat werkzaamheden moeten worden uitgevoerd binnen de kwetsbare perioden van de soorten, is het zaak ervoor te zorgen dat het gebied tegen die tijd ongeschikt is als leefgebied voor die soorten. Zo kan bijvoorbeeld vegetatie buiten het broedseizoen worden verwijderd of kunnen bomen buiten het broedseizoen worden gekapt, zodat er geen vogels gaan broeden. Hierbij geldt overigens wel de algemene zorgplicht.

Indien tijdens de uitvoering van de werkzaamheden beschermde soorten worden waargenomen dienen maatregelen te worden genomen om schade aan deze individuen zo veel mogelijk te voorkomen (bijvoorbeeld wegvangen en verplaatsen).

33

Houtopstanden Er worden geen houtopstanden gekapt in het plangebied. Het onderdeel Houtopstanden uit de Omgevingswet is daarom niet van toepassing. 4.2.3 Conclusie Voorliggend plan wordt niet belemmerd vanuit het aspect natuur, nader onderzoek is daarom ook niet nodig.

34

4.3

Bodem

Bij iedere ontwikkeling met betrekking tot de fysieke leefomgeving is het van belang om te weten of de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde functie. Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit geen gezondheidsrisico oplevert voor de gebruikers van de bodem. In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect bodem. 4.3.1 Wettelijk kader Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels in het Bkl opgenomen. De inhoud van deze regels is via het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 Bkl. Het aanvullingsbesluit bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De kaders zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid. De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door in onderlinge samenhang; beschermen van de bodem tegen nieuwe verontreinigen en aantastingen; evenwichtig toedeling van functies aan locaties, rekening houdend met de kwaliteiten van de bodem; duurzaam en doelmatig beheren van de resterende historische verontreinigingen en aantastingen.

De gemeente stelt de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem vast. Deze waarde mag niet hoger zijn dan het blootstellingsniveau van het maximaal toelaatbaar risico voor de mens. Dit is opgenomen in bijlage VA van het Bkl. De toelaatbare kwaliteit van de bodem is een voorwaarde voor bouwen op verontreinigde bodem en is geen omgevingswaarde. De beoordeling van de mogelijke aanwezigheid van onaanvaardbare risico’s voor de gezondheid voor bodemgevoelige gebouwen kan met de risicotoolbox bodem met de module Beoordelen van de bodemkwaliteit voor een bodemgevoelig gebouw. Een bodemonderzoek is niet nodig als: Er geen bodemwerkzaamheden worden verricht (bijvoorbeeld het bouwen van een dakkapel of het plaatsen van een extra verdieping op een gebouw); Het gaat om een verandering of vergroting waarbij geen grond wordt verzet en het gebruik hetzelfde blijft; Er al voldoende actuele en bruikbare onderzoeksresultaten bij de gemeente beschikbaar zijn, waarop de bodemtoets kan worden gebaseerd. 4.3.2 Onderzoek plangebied De voorgenomen ontwikkeling betreft de herontwikkeling van het perceel aan de Telgterweg 1 in Ermelo. Het bestaande kantoorgebouw wordt gesloopt, daarvoor in plaats wordt een woongebouw met 18 appartementen gerealiseerd. In oktober 2024 is er een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (zie bijlage 3).

De doelstelling van het onderzoek is het bepalen van de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem ter plaatse van de onderzoekslocatie. Op basis van de NEN 5740 dient een onderzoekshypothese voor een verkennend bodemonderzoek te worden vastgesteld. Op basis van de resultaten van het milieuhygiënisch vooronderzoek wordt de locatie beschouwd als onverdacht. Voor het onderzoek wordt de onderzoeksstrategie voor een ‘onverdachte, nietlijnvormige (ONV-NL) locatie’ uit de NEN 5740 gehanteerd. Het veldonderzoek is op 16 en 23 september 2024 verricht. Resultaat

35

Op basis van de analyse- en toetsingsresultaten blijkt dat de grond niet verontreinigd is met de onderzochte parameters. Op basis van de analyse- en toetsingsresultaten blijkt dat het grondwater niet verontreinigd is met de onderzochte parameters. Ter plaatse van de onderzoekslocatie zijn geen verhogingen aangetoond in zowel de grond als het grondwater. De onderzoeksresultaten geven formeel geen aanleiding tot het uitvoeren van nader onderzoek. Gelet op de resultaten wordt geconcludeerd dat de gehanteerde onderzoeksstrategie ‘onverdachte locatie’ formeel wordt aangenomen. Beperkingen ten aanzien van de voorgenomen herontwikkeling van de onderzoekslocatie naar de functie wonen worden, vanuit milieuhygiënisch oogpunt, niet voorzien. 4.3.3 Conclusie Voorliggend plan wordt niet belemmerd vanuit het aspect bodem, nader bodemonderzoek is daarom ook niet nodig.

36

4.4

Water

In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect water en watersystemen. Om ervoor te zorgen dat de waterbelangen een goede plek krijgen en evenwichtig worden afgewogen bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen wordt de watertoets uitgevoerd. Ook onder de Omgevingswet is dit proces vastgelegd maar dan onder de noemer 'weging van het waterbelang'. De gemeente en/of de initiatiefnemer moet de opvattingen van de waterbeheerders betrekken bij het (wijzigen van het) omgevingsplan. 4.4.1 Wettelijk kader Het wettelijk kader is gericht op het verkrijgen van inzicht in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. Het wettelijk kader is afhankelijk van zowel gemeentelijk beleid als het beleid van het waterschap. De belangrijkste beleidsdocumenten waarin de waterhuishoudkundige doelstellingen zijn beschreven zijn de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW), het Nationaal Waterprogramma (NWP 2022-2027), de Provinciale Omgevingsverordening, de regionale Omgevingsprogramma’s en het gemeentelijk waterbeleid. In de toelichting op ruimtelijke plannen, een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin staat de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan op de waterhuishouding.

In die paragraaf dient uiteengezet te worden of en in welke mate het plan gevolgen heeft voor de waterhuishouding (waaronder grondwater en waterveiligheid). Het is de schriftelijke weerslag van de zogenaamde watertoets: 'het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren (door de waterbeheerder), afwegen en beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten'. Het regionale waterbeleid en het gemeentelijk waterbeleid wordt hieronder nader toegelicht. 4.4.1.1 De Blauwe Omgevingsvisie, Waterschap Vallei en Veluwe Met deze driedimensionale BOVI (3d-BOVI2050), zet Waterschap Vallei en Veluwe op geheel nieuwe wijze koers naar een duurzame en water inclusieve leefomgeving waarin water een belangrijke rol speelt. Geheel volgens de principes van de Omgevingswet wordt gezocht naar maximale samenhang én samenwerking. Het nieuwe waterdenken via de integrale en duurzame benadering leidt tot de formulering van drie waterprincipes. Deze principes maken de integrale en duurzame benadering van water toepasbaar voor ons als waterschap én voor onze publieke en private partners: 1. Water is het ordenend principe in de ruimtelijke Ontwikkeling De ruimtelijke ontwikkeling wordt gedomineerd door de grote vraag naar extra ruimte voor woningbouw, opwekking van duurzame energie en klimaatadaptatiemaatregelen.

Wij zoeken en benutten maximaal de synergie tussen water, energie, CO2emissiereductie, circulaire economie, natuur en klimaatverandering langs de natuurlijke processen van een gebied. Hiermee bedoelen we bijvoorbeeld dat er geen woningbouw moet plaatsvinden waar het vroeger kleddernat was en nu nog is. Natuurlijk bouwen we voort op de huidige inrichting van het gebied en het watersysteem en op een plek en met een ontwerp dat klimaatbestendig en CO2neutraal is. Tegelijkertijd zoeken wij voor de toekomst naar een nieuwe balans tussen de werking en de draagkracht van het watersysteem. Het denken in kringlopen helpt ons daarbij, niet alleen om water opnieuw te gebruiken, maar ook om het schone regenwater lokaal van het rioolwater gescheiden te houden. Zo sluiten we de lokale (water) kringlopen door het water terug te geven aan het oppervlakte grondwatersysteem. 2. Maximaal vasthouden en schoonhouden van water Het grondwatersysteem is van essentieel belang voor de watervoorziening in dit gebied. Daarom zetten we zoveel mogelijk in op het vasthouden van gebiedseigen water en het terugbrengen van water in de bodem. Op deze manier sparen we water voor tijden van droogte. Tegelijkertijd helpt dit ons ook om beter om te gaan met een tijdelijk teveel aan water. Het water geven we terug aan het oppervlakte en grondwatersysteem en hiermee sluiten we lokale (water) kringlopen.

37

3.

Partnerschap als watermerk Wij willen graag met een open en samenwerkingsgerichte houding in gesprek met onze maatschappelijke partners (publiek en privaat), die positief bijdragen aan de ruimtelijke kwaliteit van onze leefomgeving. We werken grens ontkennend en bundelen de krachten van iedereen zonder vooraf individuele organisatiebelangen voorop te stellen. We delen op gelijkwaardige wijze onze kennis en kunde om de integraliteit van de keuzes scherp te krijgen. De samenwerking is bepalend voor het succes van de oplossingsrichting om de grote maatschappelijke opgaven, zoals klimaatverandering en energietransitie, te sturen. We nodigen u graag uit om dit samen met ons te doen en bovendien laten we ons graag door u uitnodigen

4.4.1.2 Waterbeheerprogramma Waterschap Vallei en Veluwe Op 22 november 2022 is het Blauw Omgevingsprogramma (BOP) vastgesteld. Het BOP is de tactische uitwerking van de Blauwe omgevingsvisie (BOVI2050). Met als overkoepelend thema ‘een waardevolle leefomgeving’, worden de maatschappelijke thema’s klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie en biodiversiteit, gekoppeld aan de drie waterprincipes en geïntegreerd in vier gebiedsprogramma’s. Ermelo valt binnen het gebiedsprogramma Noord-Veluwe. In en rondom Ermelo zijn de volgende doelen opgesteld: Kansen benutten voor verbeteren watersysteem en versterken natuurwaarde in zone Veluwe – Wolderwijd-Nuldernauw tussen Ermelo en Putten; Deelnamen en kennis leveren aan klimaatadaptieve maatregelen, geïnitieerd door derden zoals klimaatmantels (bufferen hemelwater) rond stedelijke kernen; Met partners in de kernen lokaal water vasthouden op de flanken (in stedelijk gebied). 4.4.1.3 Waterschapsverordening Vallei en Veluwe De waterschapsverordening bevat alle regels over de fysieke leefomgeving die het waterschap stelt binnen haar beheergebied. Per waterschap is er 1 waterschapsverordening.

Normbenadering Omdat het watersysteem bij een T=100 neerslaggebeurtenis moet blijven functioneren is het uitgangspunt dat de neerslag die valt tot deze T=100 geen extra belasting mag veroorzaken dan dat er bij een onverharde situatie zou zijn geweest. Bij het bepalen van de maatgevende bui is uitgegaan van de neerslaggebeurtenissen die door het KNMI zijn bijgehouden. Daarbij zijn meerdere neerslaggebeurtenissen aan te wijzen (korte en langere buien). Aangezien de bui die in 24 uur valt veelal de meeste maatgevende is, wordt uitgegaan van deze bui met een neerslaghoeveelheid van 87mm. Niet al het water dat vrijkomt gedurende een regenbui, wordt afgevoerd. Een deel zal verdampen en achterblijven op de plek waar het valt (interceptie). Rekening houdend met deze factoren gaat Waterschap Vallei en Veluwe ervan uit dat er zonder voorzieningen 60mm meer geloosd wordt dan in een onverharde situatie. Deze hoeveelheid moet daarom gecompenseerd worden. De wijze waarop deze compensatie wordt gerealiseerd is aan de initiatiefnemer. De initiatiefnemer zal moeten aantonen dat de genoemde hoeveelheid ook vastgehouden kan worden. Vasthouden kan op verschillende manieren. Bergen op het maaiveld (wadi) of in een aan te leggen watersysteem is een optie maar ook onder maaiveld (infiltratiekratten) is mogelijk (zie de Beleidsregel Ondersteunende kunstwerken).

Er wordt sterk aangeraden om deze berging in openbare ruimte te realiseren, omdat de berging op terrein van particulieren niet goed handhaafbaar is. Toetsingscriteria 1. Bij nieuwe lozingen vanaf verhard oppervlak op oppervlaktewater geldt dat de hoeveelheid te lozen water geen nadelig effect mag hebben op het ontvangende watersysteem. 2. Aan het in het eerste lid gestelde wordt in ieder geval voldaan wanneer:

38

a.

3.

4.

er niet meer dan de plaatselijk geldende landelijke afvoer vanuit het plangebied geloosd wordt, of; b. er een berging van 60mm per m² verhard oppervlak wordt gerealiseerd, of; c. het nadelige effect op het watersysteem wordt gecompenseerd, of; d. er geloosd wordt vanaf verhard oppervlak dat hiervoor was aangesloten op het gemengd stelsel (afkoppelen) en het ontvangende oppervlaktewaterlichaam voldoende capaciteit heeft. De in het tweede lid genoemde berging kan o.a. worden gerealiseerd door middel van a. een statische berging met een capaciteit van 600m³ per hectare; b. een dynamische berging waarbij rekening wordt gehouden met infiltratie. De mate van infiltratie waarmee rekening gehouden mag worden dient door de initiatiefnemer te worden aangetoond. De in het derde lid genoemde compensatie kan o.a. worden gerealiseerd door het benutten of creëren van overcapaciteit in het ontvangende watersysteem, onder andere door de inzet van stuwconstructies.

Watertoets Via de website www.hetwateradvies.nl is de watertoets doorlopen, de uitkomst is een algemeen wateradvies. Het waterschap vraagt om in het plan met de volgende drie aandachtspunten rekening te houden. 1.

2.

3.

Vasthouden - bergen – afvoeren. Een belangrijk principe is dat een deel van het hemelwater binnen het plangebied wordt vastgehouden en/of geborgen en dus niet direct afgevoerd wordt naar de riolering of het oppervlaktewater. Hiermee wordt bereikt dat de waterzuiveringsinstallatie beter functioneert, verdroging wordt tegengegaan en piekafvoeren in het oppervlaktewater (met eventueel wateroverlast in benedenstrooms gelegen gebieden) wordt voorkomen. Bij lozing op oppervlaktewater zal hiervan een melding gedaan moeten worden bij het waterschap. Grondwaterneutraal bouwen. Om grondwateroverlast te voorkomen adviseert het waterschap om boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) te ontwerpen. Dit betekent dat aspecten zoals ontwateringsdiepte en infiltratie van hemelwater, beschouwd worden ten opzichte van de GHG. Het structureel onttrekken/ draineren van grondwater is geen duurzame oplossing en moet worden voorkomen. Het waterschap adviseert de initiatiefnemer dan ook om voorafgaand aan de ontwikkeling een goed beeld te krijgen van de heersende grondwaterstanden en GHG. Eventuele grondwateroverlast is in eerste instantie een zaak voor de betreffende perceeleigenaar. Schoonhouden - scheiden - schoon maken. Om verontreiniging van bodem, grond- en/of oppervlaktewater te voorkomen is het van belang dat het afstromende hemelwater niet verontreinigd raakt.

Dit kan door nadere eisen/ randvoorwaarden te stellen aan bijvoorbeeld de toegepaste (bouw)materialen. Wij vragen de initiatiefnemer om duurzame bouwmaterialen te gebruiken. De gemeente kan u hiermee verder helpen.

4.4.2 Onderzoek plangebied De voorgenomen ontwikkeling betreft de herontwikkeling van het perceel aan de Telgterweg 1 in Ermelo. Het bestaande kantoorgebouw wordt gesloopt, daarvoor in plaats wordt een woongebouw met 18 appartementen gerealiseerd. Het huidige bedrijfsgebouw heeft een bebouwd oppervlak van circa 600 m². De hoogte bedraagt 4 meter vanaf maaiveld. De nieuwe appartementen kennen een totaal bebouwd oppervlak van circa 400 m² (31 x 13). Het bebouwd oppervlak zal fors afnemen. Het huidige buitenterrein is volledig verhard via betonnen klinkerverharding. In de nieuwe situatie zal er een gezamenlijke buitenruimte worden aangelegd met groenvoorziening. De rijbaan wordt voorzien van klinkers en de parkeerplaatsen worden voorzien van grasbetontegels. Door vermindering van verharding zal dit een positief effect hebben op de waterhuishouding en hittestress in de omgeving. De appartementen worden voor het vuilwater aangesloten op de riolering.

39

Hemelwater Het hemelwater wordt opgevangen en geïnfiltreerd in het plangebied. Er wordt hiervoor gebruik gemaakt van 195 stuks infiltratiekratten. De maximale waterbergingscapaciteit bedraagt daarmee 39 m3. Voor de berekening is uitgegaan van 430 m2 aan dakoppervlak en 200 m2 aan verhard terrein. De waterbergingscapaciteit is hiermee ruimschoots voldoende om te kunnen voldoen aan de compensatie voorwaarden vanuit waterschap en gemeente. Oppervlaktewater In het plangebied liggen geen belangrijke oppervlaktewateren (zogenaamde primaire of A- watergangen), waterkeringen of gebieden die zijn aangewezen voor regionale waterberging. Watertoets Het waterschap wordt door de gemeente geïnformeerd over voorliggend initiatief. Het plan is, vanuit de waterhuishouding bezien, voor het waterschap niet van belang. Gezien plangebied geen watergangen raakt en er geen toename verharding is kan er uitgegaan worden van ‘geen procedure’. Gelet op de beperkte impact op het watersysteem geeft het waterschap een positief wateradvies. 4.4.3 Conclusie Het plan wordt niet belemmerd vanuit het aspect water, nader onderzoek op het gebied van water is daarom ook niet nodig.

40

4.5

Geluid

Veel activiteiten in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid; ze veroorzaken geluid(hinder) of worden eraan blootgesteld. Daarom worden er regels gesteld aan geluid. Deze regels gaan over het beheersen van geluid door bedrijven, wegen, spoorwegen en industrieterreinen enerzijds en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en locaties anderzijds. In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect geluid. Het betreft geluid door activiteiten (wegen, spoorwegen en industrieterreinen e.d.) en specifieke activiteiten (windturbines e.d.) 4.5.1 Wettelijk kader Het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) bevat instructieregels in afdeling 3.5 (o.a. normen) voor: het geluid van geluidveroorzakende activiteiten op geluidgevoelige gebouwen en het toelaten van geluidgevoelige gebouwen in het geluidaandachtsgebied (van wegen, spoorwegen en industrieterreinen, artikel 3.18 lid 1 Bkl). Geluidsgevoelige gebouwen De geluidsgevoelige gebouwen worden aangewezen in artikel 3.20 Bkl. Het betreft gebouwen, waaronder een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat een woonfunctie heeft.

De geluidsnormen hebben betrekking op het geluid op de gevel van een geluidsgevoelig gebouw en hebben primair als doel het beschermen van de gezondheid door het stellen van eisen aan het geluid op en rond woningen, waar mensen langdurig verblijven en slapen. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen de voorgevel, zijgevel en achtergevel. Een geluidgevoelig gebouw is een gebouw: met een woonfunctie; met een onderwijsfunctie; voor kinderopvang met bedden; voor gezondheidszorg met bedden. Ook een woonwagen is een geluidgevoelig gebouw. Standaardwaarden en grenswaarden voor geluid gelden echter niet op de gevel van een woonwagen, maar op de begrenzing van de locatie voor het plaatsen van een woonwagen. De ruimtes in een woonwagen zijn geen geluidgevoelige ruimtes. De waarden en eisen in de instructieregels voor het bereiken van een aanvaardbaar geluid gelden op de gevel van een geluidgevoelig gebouw dat langer dan 10 jaar toegelaten is. De instructieregels gelden dus niet voor tijdelijke bouwwerken. Geluidaandachtsgebieden In het Bkl is bepaald dat het omgevingsplan waarborgt dat het geluid veroorzaakt door een (spoor)weg of industrieterrein op een voor geluidgevoelig gebouw in een geluidaandachtsgebied aanvaardbaar is. Het Bkl bevat standaardwaarden en grenswaarden voor geluid door een geluidbronsoort op de gevel van een geluidgevoelig gebouw.

Deze waarden zijn van toepassing op het geluid door alle geluidbronnen binnen een geluidbronsoort. De waarden die bij toelaten van een geluidgevoelig gebouw voor de geluidbronsoorten met een geluidproductieplafond (gpp) als omgevingswaarde gelden, staan in navolgende tabel:

41

De geluidaandachtgebieden zijn - indien gepubliceerd - opgenomen op de kaart van de Centrale Voorziening Geluidgegevens (CVGG). Dit geluidsregister is op dit moment nog vrijwel leeg. Voldoen aan de standaardwaarde is de hoofdregel (artikel 3.34 Bkl). Als het geluid op de gevel van een geluidgevoelig gebouw voldoet aan de standaardwaarde, is het geluid in ieder geval aanvaardbaar en de kans op gezondheidsschade klein. Het bevoegd gezag mag meer geluid dan de standaardwaarde als aanvaardbaar beoordelen. Het besluit moet dan voldoen aan de eisen uit de instructieregels (artikelen 3.35 tot en met 3.40 Bkl). In het omgevingsplan kunnen dan flexibiliteitsbepalingen worden opgenomen om voor het toelaten van een geluidgevoelig gebouw af te wijken van de standaardwaarden (vergelijkbaar met het hogere grenswaardenbesluit zoals we dat voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet kenden). Bij geluid tussen de standaardwaarde en de grenswaarde vindt een bestuurlijke afweging plaats en gelden een aantal eisen. Het bevoegd gezag kan alleen geluid tot en met de grenswaarde op de gevel van een geluidgevoelig gebouw toestaan als voldaan wordt aan een van de voorwaarden onder artikel 5.78z lid 1 onder a of b, 5.78z lid 2, 5.78ab lid 2, 5.78ac en 5.78ad Bkl.

Op grond van artikel 5.78i Omgevingswet hebben alle verharde wegen met een jaargemiddelde verkeersintensiteit van 1.000 motorvoertuigen of meer - los van de snelheid - ook een geluidaandachtsgebied, met uitzondering van woonerven. Zolang er geen basisgeluidsemissies met bijbehorende aandachtsgebieden vast zijn gelegd geldt op grond van artikel 17.5 van de Omgevingsregeling een geluidaandachtsgebied waarbij bij een gemeentelijke weg of waterschapsweg de breedte van het geluidaandachtsgebied wordt bepaald door vaste afstanden: voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken, waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/u of minder geldt: 100 m; voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken, waarvoor een onbekende maximumsnelheid of een maximumsnelheid van meer dan 30 km/u geldt, en een spoorweg, bestaande uit een of twee sporen: 200 m; en voor een weg, bestaande uit drie of meer rijstroken, en een spoorweg, bestaande uit drie of meer sporen: 350 m. Geluid door activiteiten Onder 'geluid door activiteiten' vallen nagenoeg alle activiteiten (zoals activiteiten van bedrijven). Het Bkl wijst in artikel 5.55 de activiteiten aan die er niet onder vallen. Zo bepaalt het Bkl dat de activiteit wonen geen geluidveroorzakende activiteit is.

Het Bkl bevat zelf geen definitie van het begrip wonen, maar de toelichting bij het Bkl geeft aan dat een beroep of bedrijf aan huis en een 'uit de hand gelopen hobby' geen verband houden met de activiteit wonen. Dit is vergelijkbaar met de wetgeving voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet waar de milieuregels ook van toepassing zijn op activiteiten die worden verricht in een omvang alsof zij bedrijfsmatig zijn. Het Bkl bepaalt in artikel 5.59 dat het omgevingsplan waarborgt dat het geluid veroorzaakt door een geluidveroorzakende activiteit (zoals activiteiten bij bedrijven) op een geluidgevoelig gebouw aanvaardbaar is. Er wordt voldaan aan dit aanvaardbaarheidsvereiste als het omgevingsplan de standaardwaarden van het Bkl overneemt. Het Bkl bevat standaardwaarden voor toelaatbaar geluid op de gevel van een geluidgevoelig gebouw. Deze standaardwaarden zijn overgenomen in navolgende tabel:

42

Voldoen aan de standaardwaarde is de hoofdregel (artikel 5.64 Bkl). Als het geluid op de gevel van een geluidgevoelig gebouw voldoet aan de standaardwaarde, is het geluid in ieder geval aanvaardbaar en de kans op gezondheidsschade klein. Het bevoegd gezag mag meer geluid dan de standaardwaarde als aanvaardbaar beoordelen. Het besluit moet dan voldoen aan de eisen uit de instructieregels (artikelen 5.65 en 5.66 Bkl). Indien de gemeente een soepelere norm wil opnemen in het omgevingsplan, moet door middel van onderzoek vaststaan dat de binnenwaarde (het geluid binnen de geluidgevoelige gebouwen) niet hoger is dan de normen die het Bkl daarvoor stelt. Indien de gemeente een strengere norm wil opnemen, moet aangetoond worden dat de bestaande geluidveroorzakende activiteiten niet worden beperkt ten opzichte van het huidige recht. In het omgevingsplan kunnen dan flexibiliteitsbepalingen worden opgenomen om voor één of meerdere geluidgevoelige ruimte(n) binnen in- en aanpandige geluidgevoelige gebouwen af te wijken van de standaardwaarden. Deze mogen de grenswaarden niet overschrijden. De grenswaarden worden niet bepaald op de gevel, maar in geluidgevoelige ruimten binnen in- en aanpandige geluidgevoelige gebouwen. De grenswaarden zijn overgenomen in navolgende tabel:

Standaardwaarde en grenswaarde geluid op een geluidgevoelig gebouw In de Omgevingswet is bepaald dat het bevoegd gezag alleen geluid tot en met de grenswaarde op de gevel van een geluidgevoelig gebouw kan toegestaan als: 1. er geen geluidbeperkende maatregelen kunnen worden getroffen om aan de standaardwaarde te voldoen; 2. de overschrijding van de standaardwaarde zoveel mogelijk wordt beperkt door het treffen van geluidbeperkende maatregelen; 3. bij voorwaarde 1 en 2 geluidbeperkende maatregelen zijn overwogen die financieel doelmatig zijn en ertegen het treffen geen overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of technische aard bestaan; 4. het gecumuleerd geluid is beoordeeld; 5. het gezamenlijke geluid is bepaald; 6. het belang van het beschermen van de gezondheid door een geluidluwe gevel bij het overwegen van geluidbeperkende maatregelen is betrokken. Met andere woorden: wanneer door of na het treffen van geluidreducerende maatregelen, die niet bezwaarlijk zijn, de standaardwaarde nog steeds wordt overschreden, kan geluid tot en met de grenswaarde onder voorwaarden bij een nieuw geluidgevoelig gebouw worden toegestaan.

43

Gemeentelijk geluidbeleid De gemeente Ermelo heeft geluidbeleid vastgesteld. Onder de Omgevingswet zijn er in nieuwe situaties geen hogere grenswaarden meer. Daarmee is nu enigszins onduidelijk of en zo ja welke delen van het beleid nog geldig zijn. Vooralsnog is als uitgangspunt genomen dat het halen van de standaardwaarde zoveel mogelijk wordt nagestreefd. Bij een waarde van het geluid boven de standaardwaarde moet er een geluidluwe gevel en bij voorkeur ook een geluidluwe buitenruimte zijn. Een waarde boven de grenswaarde is in principe niet mogelijk. 4.5.2 Onderzoek plangebied De voorgenomen ontwikkeling betreft de herontwikkeling van het perceel aan de Telgterweg 1 in Ermelo. Het bestaande kantoorgebouw wordt gesloopt, daarvoor in plaats wordt een woongebouw met 18 appartementen gerealiseerd. In deze situatie ligt het project binnen het geluidaandachtsgebied van gemeentelijke wegen en van de spoorbaan Zwolle-Amersfoort. In september 2024 is er daarom een akoestisch onderzoek weg- en railverkeer uitgevoerd (zie bijlage 4), het onderzoek geeft inzicht over de vraag of er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies op basis van de Omgevingswet. Op basis van het verkeersgegevens van de gemeente is de maatgevende intensiteit bepaald voor peiljaar 2034. Deze bedraagt resp. 5.503 en 1.823 mvt/etmaal voor de resp. de Telgterweg en de Heidelaan.

De brongegevens van het spoor zijn verkregen van het geluidregister spoor uit het CVGG. De waarde van het geluid op de gevels van de nieuwe woningen voldoet vanwege de gemeentelijke wegen aan de standaardwaarde van 53 dB Lden. Vanwege de spoorbaan is op de oostgevels van de appartementen een waarde berekend van 54 dB Lden op de begane grond, tot 65 dB op de 2e verdieping. Op de westgevels voldoet het geluid overal aan de standaardwaarde. Langs de spoorbaan zijn al geluidschermen aanwezig. Aanpassen daarvan is niet aan de orde. Er zijn dan spoorschermen nodig van ca. 5m bovenkant spoor. De kosten van spoorschermen zijn erg hoog, ook vanwege alle veiligheidsvoorschriften. Dit nog los van het feit dat een dergelijke hoogte op aanzienlijke bezwaren stuit vanuit landschappelijk en stedenbouwkundig oogpunt. Het gaat hier om twee bronnen met een verschillende hinderbeleving. Bij overschrijding van de standaardwaarde is een beoordeling nodig van de aanvaarbaarheid van gecumuleerd geluid. Hierbij wordt het geluid omgerekend naar een hinderlijkheid vergelijkbaar met wegverkeer (Art. 3.25 Or). Als het geluid van een bronsoort toeneemt, dan is ook daarvoor een beoordeling nodig. Het bevoegd gezag kan zelf criteria bepalen voor de aanvaardbaarheid, waarbij de Ow een integrale benadering hanteert. Mogelijke aspecten zijn dan bijv.

hinder, gezonde leefomgeving, woningbouw, economie en mobiliteit. De gecumuleerde waarde voldoet op de begane grond aan de standaardwaarde van 50 dB. Op de 1e verdieping is het Lcum=55 dB of lager (redelijk) en op de 2e verdieping 58 dB of lager (matig). Vooralsnog is het gemeentelijke geluidbeleid als uitgangspunt genomen. Daarin staat dat er bij hogere niveaus een geluidluwe gevel en buitenruimte moet zijn. Op de westgevels voldoet het geluid overal aan de standaardwaarde. De balkons zijn aan de westzijde gelegen en daarmee ook geluidluw. Wel wordt geadviseerd de balkons aan de zuidzijde van het blok dicht te zetten (zuidzijde) om omloopgeluid te voorkomen. De gevels aan de spoorzijde zijn in een nieuwbouwsituatie verder goed te isoleren, zodat een goed binnenniveau is te garanderen. Daarmee is sprake van een goed woon- en leefklimaat en is het plan vanuit ETFAL aanvaardbaar voor wat betreft het aspect verkeersgeluid. Het gezamenlijke geluid (Lgez) is een ongewogen energetisch optelling van alle geluid en dit wordt gebruikt voor de bepaling van de geluidwering van de gevels. Vergelijkbaar met de oude regelgeving is de minimale karakteristieke geluidwering GA;k=20 dB en geldt een binnenwaarde van 33 dB of lager. Door de onder de Omgevingswet gewijzigde methodiek geldt daarvoor het gezamenlijke geluid en niet de mate van hinderlijkheid.

Daardoor is de te realiseren geluidwering in deze situatie met spoorgeluid reatief zwaar. Voorstel is daarom om voor de ventilatie te kiezen voor een systeem met mechanische toe- en afvoer.

44

De karakeristieke geluidwering van de gevels moet voor een goed binnenniveau dan voldoen aan GA;k=20-32 dB. Een bouwakoestisch rapport is daarom aan te bevelen Daarmee is sprake van een goed woon- en leefklimaat en is het plan vanuit ETFAL aanvaardbaar voor wat betreft het aspect verkeersgeluid. Het aspect weg- en railverkeerslawaai vormt hiermee geen belemmering voor realisatie van de aanvraag. 4.5.3 Conclusie Het plan wordt niet belemmerd vanuit het aspect geluid.

45

4.6

Omgevingsveiligheid

In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit de veiligheid gewaarborgd wordt. Omgevingsveiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Ook wordt onderscheid gemaakt in het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. 4.6.1 Wettelijk kader Vanaf 1 januari 2024 is de Omgevingswet van kracht [1]. Onder de Omgevingswet blijft de beoordeling van de externe veiligheidsrisico’s op basis van een plaatsgebonden risico (PR) en een groepsrisico (GR) bestaan. De Omgevingswet vult het groepsrisico anders in dan onder de Wro, Wet milieubeheer. Bij risicovolle activiteiten uit het Bal wijst het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) aandachtsgebieden aan. De gemeente moet binnen de aandachtsgebieden bij de vergunningverlening rekening houden met het groepsrisico (rekening houden met het risico van brand, explosies of gifwolken; dan gelden aanvullende bouwkundige eisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). De norm van het plaatsgebonden risico (PR) blijft gelijk en daarmee ook het basisbeschermingsniveau. De Omgevingswet rust op drie pijlers: 1.

Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) [2] Beschrijft in Bijlage VII de milieubelastende activiteiten met gevaarlijke stoffen en bijbehorende te berekenen of aan te houden PR-afstanden en aandachtsgebieden. 2. Besluit activiteit leefomgeving (Bal) [3] Beschrijft de activiteiten met (gevaarlijke) stoffen met een kleinere gevaarzetting dan die genoemd in het Bkl en bijbehorende aan te houden (veiligheids)afstanden. 3. Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) [4] Beschrijft typen bouwwerken en de eisen waaraan deze moeten voldoen. De hoofdlijnen van het wettelijk kader omtrent de externe veiligheid zijn opgenomen in instructieregels in afdeling 5.1.2 Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten: Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving. Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor). Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving. Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving.

Het werken met aandachtsgebieden voor externe veiligheidsrisico’s is een nieuwe manier van omgaan met het groepsrisico (artikel 5.12 t/m 5.15 Bkl). Een aandachtsgebied geldt van rechtswege. Deze worden vastgelegd in het Register Externe Veiligheid en zijn digitaal raadpleegbaar Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans dat een persoon die zich gedurende een jaar onafgebroken onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een Omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (art. 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl).

46

Groepsrisico Het groepsrisico (GR) is een berekening van de kans dat een groep personen binnen een bepaald gebied overlijdt ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Bij groepsrisico is sprake van ‘aandachtsgebieden’. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (art. 5.12 Bkl). Het opnemen van aandachtsgebieden in een omgevingsplan is niet verplicht. Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen (RIVM a, z.d.). Aandachtsgebieden zijn er voor brand, explosie en gifwolk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl). Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico’s (REV). Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied. Een gemeente kan in het Omgevingsplan afzien van aanwijzing van een brand- of explosievoorschriftengebied of een kleiner brandof explosievoorschriftengebied aanwijzen (art. 5.14 Bkl). Als het initiatief ligt in een voorschriftengebied, dan gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (art.

4.90 tot en met 4.96 Bbl. Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen, kinderdagopvang, en verzorgingstehuizen, geldt altijd een voorschriftengebied, en gelden dus aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (art. 5.14 Bkl). Los van een eventueel voorschriftengebied kan een gemeente aanvullende eisen stellen, bijvoorbeeld aan vluchtroutes en de bereikbaarheid van het gebied door hulpdiensten. Dergelijke eisen worden dan opgenomen in de omgevingsvergunning. Een berekening van het groepsrisico is onder de Omgevingswet optioneel; het is niet meer verplicht om het groepsrisico te bepalen, maar een gemeente mag hier nog wel om vragen (via een voorschrift) om de toelaatbaarheid van de situatie te beoordelen. Naast bovengenoemde regels over veelvoorkomende situaties zijn voor een aantal specifieke situaties nog de volgende delen van het Bkl van belang: Beperkingen in het belemmeringengebied (voormalige belemmeringenstrook in de huidige regelgeving) van buisleidingen: par. 5.1.2.3 Bkl; Veiligheid rond opslaan, herverpakken en bewerken van vuurwerk en pyrotechnische artikelen voor theatergebruik: par 5.1.2.4 Bkl; Veiligheid rond het bewerken en opslaan van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik en op militaire objecten (par. 5.1.2.5 Bkl); Veiligheid rond luchthavens (par. 5.1.2.6 Bkl).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15219366/1