CConstaterende datErmelo
Koppel je AI →
Document · PDF

Ruimtelijke onderbouwing e250009224

Gemeenteraad 19 maart 2025, gemeente ErmeloBij agendapunt: Vaststellen kaders Telgterweg 124.776 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

4.6.2 Onderzoek Plangebied De voorgenomen ontwikkeling betreft de herontwikkeling van het perceel aan de Telgterweg 1 in Ermelo. Het bestaande kantoorgebouw wordt gesloopt, daarvoor in plaats wordt een woongebouw met 18 appartementen gerealiseerd. In het plangebied is er geen sprake van het toevoegen van gevaarlijke functies en er is wel sprake van de toevoeging van een kwetsbaar object. Het is daarom noodzakelijk om een inventarisatie naar risicobronnen in de omgeving uit te voeren. De risicokaart geeft aan dat er in de omgeving geen risicovolle inrichtingen aanwezig zijn die van invloed kunnen zijn op het plangebied. Er zijn geen ondergrondse buisleidingen aanwezig waarvan de risicocontouren in of aangrenzend aan het plangebied zijn gelegen. De planlocatie ligt niet binnen een indicatieve zone langs een hoogspanningslijn, waarbinnen geen objecten voor permanent verblijf mogen worden opgericht. Er zijn in de omgeving geen zendmasten (GSM, UMTS, e.d.) waarvan de elektromagnetische straling de planlocatie kan beïnvloeden. De volgende relevante transportroute is gelegen in de nabijheid van het plangebied: Spoorlijn Amersfoort – Zwolle.

47

De planlocatie ligt binnen het brandaandachtsgebied van de spoorlijn Amersfoort-Zwolle waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. In het kader van omgevingsveiligheid moeten de externe veiligheidsrisico’s van deze risicobron daarom worden beschouwd. In oktober 2024 is er daarom een onderzoek omgevingsveiligheid uitgevoerd (zie bijlage 5). Het plangebied ligt nabij de omgeving Zwolle – Amersfoort, het betreft het segment Putten - Hattem van basisnetroute 360]. De planlocatie ligt binnen de aandachtsgebieden van de spoorlijn. De EV-contouren van het spoor in relatie tot de planontwikkeling worden nader beschouwd. Plaatsgebonden risico Voor het trajectdeel Putten - Hattem geldt de afstand van maximaal 6 m, gemeten vanaf het midden van de spoorbundel. De kortste afstand vanaf de plangrens tot het midden van de spoorbundel is ca. 12 m. Het plaatsgebonden risico vormt daarmee geen belemmering voor de ontwikkeling. Aandachtsgebieden Het geprojecteerde appartementencomplex bevindt zich op ca. 25 meter van de dichtstbij gelegen spoorstaaf. Daarmee ligt de planlocatie gedeeltelijk binnen het brandaandachtsgebied (BAG) en volledig binnen het explosieaandachtsgebied (EAG) en het toekomstige gifwolkaandachtsgebied (GAG).

Conform artikel 5.15 van het Bkl dient daarom rekening te worden gehouden met de kans op het overlijden van tien of meer personen in het geval van een incident (het groepsrisico). 100% letaliteitscontour De planlocatie ligt volledig binnen de 100% letaliteitscontour van 100 meter rond de spoorlijn. Dit betekent dat de ontwikkeling van invloed kan zijn op de hoogte van het groepsrisico. Gelet op de omvang van de ontwikkeling in vergelijking met de reeds aanwezige personen nabij de spoorlijn, zal de invloed op het groepsrisico naar verwachting beperkt zijn. Groepsrisico Aangezien het afsluitbaar maken van automatische ventilatie een standaard bouwkundige eis is in het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl art. 4.124 vierde lid) is het niet nodig aanvullende maatregelen te treffen tegen de effecten van een gifwolk. Om invulling te geven aan de bescherming van personen in het BAG en het EAG van de spoorlijn wordt een aantal maatregelen uit de gereedschapskist hieronder nader uitgewerkt: Afstand houden tot de risicobron binnen het aandachtsgebied De oppervlakte van het perceel is beperkt. Daarmee zijn ook de mogelijkheden om afstand te houden tussen het appartementencomplex en de spoorlijn beperkt. Slechts met een ingrijpende wijziging van het planontwerp zou het appartementencomplex buiten het brandvoorschriftengebied gerealiseerd kunnen worden.

Aanvullende risicocommunicatie Informatiebrochures omtrent handelingsperspectief en vluchtwegen in geval van een calamiteit op de spoorlijn kunnen aan de bewoners worden verstrekt. Deze maatregel geldt niet enkel voor de nieuwe gebouwen, maar ook voor de bestaande bebouwing. Beperken van personendichtheden in de omgeving van de risicobron De planlocatie ligt in het gebied waar relatief veel personen reeds aanwezig zijn. De gegevens over de populatie zijn opgevraagd bij de BAG-populatieservice. Binnen het EAG rond het getoonde deeltraject (totale lengte van ca. 2 km) bevinden zich maximaal 3200 personen. Uitgaande van 2.4 personen per appartement waarvan 50% aanwezig is overdag en 100% ’s nachts, komen er maximaal circa 43 personen bij als gevolg van de ontwikkeling. Deze toename is een logisch gevolg van de ontwikkeling. Ondanks dat het appartementencomplex binnen de 100% letaliteitscontour ligt, zal door de relatief kleine toename van het aantal personen ook de toename van het groepsrisico beperkt blijven. Vlucht- en schuilmogelijkheden

48

Binnen de 100%-letaliteitszone bieden de gebouwen mogelijk onvoldoende bescherming tegen de effecten van een brand of een explosie. De enige mogelijkheid voor de bewoners om zichzelf in veiligheid te brengen is het gebied ontvluchten. Er dient te worden gezorgd voor voldoende nooduitgangen aan de westelijke kant van de gebouwen zodat de bewoners via de Meerkoetstraat het gebied kunnen verlaten. De entrees en portieken van het appartementengebouw ontsluiten allemaal aan deze zijde. Veiligheidsregio Noord- en Oost Gelderland Naast artikel 5.15 dient ook invulling te worden gegeven aan artikel 5.2 van het Bkl. Dit artikel schrijft voor dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met het belang van: 1. het voorkomen, beperken en bestrijden van branden, rampen en crises; 2. de mogelijkheden voor personen om zich daarbij in veiligheid te brengen; en 3. de geneeskundige hulpverlening aan personen. Bluswatervoorziening en bereikbaarheid is redelijk op orde, tijdens de indiening van het bouwplan zal hier verder op worden geadviseerd door de Veiligheidsregio Noord- en Oost Gelderland (VNOG). Wat betreft de bereikbaarheid is het van belang dat de hulpverleningsvoertuigen (waaronder ook ambulances) dichtbij bouwwerken geparkeerd kunnen worden (o.m. voorkomen obstakels, goede bewegwijzering). Het plangebied is goed bereikbaar voor hulpdiensten, doordat er twee ontsluitingsroutes zijn.

Er kan dichtbij het woongebouw geparkeerd worden Wat betreft de zelfredzaamheid valt het plangebied valt binnen het bereik van de bestaande WAS-palen van Ermelo. Aanvullend kunnen enkele andere maatregelen worden genomen (informeren nieuwe bewoners). Er dient wel contact opgenomen te worden met de VNOG voor een definitief advies. 4.6.3 Conclusie Het plan wordt niet belemmerd vanuit het aspect externe veiligheid, nader onderzoek op het gebied van externe veiligheid is daarom ook niet nodig.

49

4.7

Luchtkwaliteit

In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect luchtkwaliteit 4.7.1 Wettelijk kader De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging. Mede door het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) is in de afgelopen jaren in Nederland de luchtkwaliteit aanzienlijk verbeterd. Vanwege deze verbetering komt het NSL na de inwerkingtreding van de Omgevingswet dan ook te vervallen. De beoordeling van de luchtkwaliteit vindt niet overal plaats. Voor een activiteit die niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig.

Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: 1. Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft. Onder deze ‘standaardgevallen NIBM’ vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet wel onder een bepaalde omvang blijven conform artikel 5.54 Bkl. Valt een project binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen? Het is dan mogelijk om alsnog via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden.3 2. Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt. Soms kan een kwalitatieve berekening voldoende zijn. Veel mensen bepalen met de NIBM-tool op een eenvoudige en snelle manier of een project in betekende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Soms zijn detailberekeningen nodig als aanvulling op de NIBM-tool. Daarnaast zijn in artikel 5.54 Bkl standaardactiviteiten genoemd die niet in betekenende mate bijdragen.

Als een activiteit niet in betekenende mate bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit, dan is het omgevingsaspect luchtkwaliteit geen belemmering. Aandachtsgebieden Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) en/of fijnstof (PM10). De aandachtsgebieden staan in artikel 5.51 lid 2 Bkl. Gemeenten die onder agglomeraties vallen staan in artikel 2.38 Omgevingsregeling. In enkele situaties moet de luchtkwaliteit altijd worden beoordeeld: bij een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit’ bij de aanleg van een tunnel langer dan 100 meter, of als een tunnel wijzigt en daarbij minimaal 100 meter toeneemt; bij de aanleg van een autoweg of een autosnelweg.

50

4.7.2 Onderzoek Plangebied De voorgenomen ontwikkeling betreft de herontwikkeling van het perceel aan de Telgterweg 1 in Ermelo. Het bestaande kantoorgebouw wordt gesloopt, daarvoor in plaats wordt een woongebouw met 18 appartementen gerealiseerd. De verkeersgeneratie voor een kantoorgebouw met baliefunctie (matig stedelijk, rest bebouwde kom) bedraagt minimaal 12,4 motorvoertuigbewegingen per etmaal en maximaal 14,8 motorvoertuigbewegingen per etmaal per 100 m2 bvo. Het kantoorgebouw heeft een oppervlak van 600 m2, het maximaal aantal motorvoertuigbewegingen per etmaal bedraagt dan 88,8. De verkeersgeneratie voor een appartement (matig stedelijk, schil centrum, koop, goedkoop) bedraagt minimaal 5,2 en maximaal 6,0 parkeerplaats per woning. Er worden 18 appartementen gerealiseerd, het maximaal aantal motorvoertuigbewegingen per etmaal bedraagt dan 108. Het aantal verkeersbewegingen door de straat zal met deze ontwikkeling iets toenemen (zie paragraaf 4.14 voor een nadere toelichting). De bijdrage van het verkeer is bij het voorliggend plan echter in 'niet betekende mate'. De gemeente Ermelo valt niet binnen een aandachtsgebied met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) en/of fijnstof (PM10).

Wat betreft de toets ten behoeve van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties worden bij verblijfsgebouwen mensen blootgesteld aan luchtverontreiniging gedurende een significante periode ten opzichte van een etmaal. De Atlas Leefomgeving geeft een goede indicatie van de achtergrondconcentraties ter plekke. Uit de kaarten blijkt dat de achtergrondconcentraties luchtvervuilende stoffen ter plaatse van het plangebied relatief laag te zijn. Ook liggen ze ver onder de grenswaarden. De cijfers zijn van 2022.

Fijnstof PM 2,5 Fijnstof PM 10 Stikstofdioxide

Achtergrondconcentratie 2022 9-10 ug/m3 15-16 ug/m3 10-12 ug/m3

Grenswaarde 25 ug/m3 40 ug/m3 40 ug/m3

Een algemene trend is evenwel dat de emissiefactoren van wegverkeer en de concentraties stikstofdioxide en fijn stof al jaren afnemen. Het RIVM verwacht dat dit ook in de komende jaren het geval zal zijn. De blootstelling aan luchtverontreiniging in het plangebied is hierdoor beperkt en leidt niet tot onaanvaardbare gezondheidsrisico's. 4.7.3 Conclusie Het plan wordt niet belemmerd vanuit het aspect luchtkwaliteit, nader onderzoek op het gebied van luchtkwaliteit is daarom ook niet nodig

51

4.8

Geur

In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect geur. Geurhinder kan optreden bij het houden van dieren in dierenverblijven (stallen, inclusief een vaste uitloop) en het opslaan en bewerken van agrarische bedrijfsstoffen (mest, kuilvoer, krachtvoer). Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen. 4.8.1 Wettelijk kader In het kader van het beschermen van de gezondheid en het milieu (artikel 2.1 lid 3 onder b en c Ow) worden ten aanzien van diverse sectoren regels gesteld op het gebied van geur(hinder). Het gaat onder meer om veehouderijen en andere landbouwactiviteiten, de mengvoederindustrie, horeca, rioolwaterzuiveringsinstallaties, slachterijen, en (andere) milieubelastende activiteiten. Regels over geur zijn verdeeld over verschillende Amvb’s. Het verschilt per type activiteit waar er regels zijn opgenomen. De instructieregels van het Bkl voor geur zijn gericht op aangewezen geurgevoelige gebouwen. In de aanwijzing van geurgevoelige gebouwen is de functie bepalend. Hierbij kan gedacht worden aan wonen, onderwijs of zorg. Voor overige gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van geurbescherming. Dat doet de gemeente vanuit haar taak van het evenwichtig toedelen van functies aan locaties.

In artikel 5.91 Bkl worden de geurgevoelige gebouwen aangewezen die in ieder geval beschermd moeten worden. Hieronder vallen ook gebouwen met een woonfunctie, gebouwen voor onderwijs, gezondheidszorg en kinderopvang. Specifieke beoordelingsregels voor geur voor de milieubelastende activiteit staan in artikel 8.20 Bkl. Op industrie- en bedrijventerreinen kunnen bedrijfsmatige activiteiten voorkomen die geurhinder veroorzaken. Die activiteiten zijn dan zelf een relevante geurbron. Het bevoegd gezag bepaalt echter zelf welke mate van geurhinder ze aanvaardbaar vindt. De vergunningverlener moet dus bij het beoordelen van het aanvaardbaar geurhinderniveau rekening houden met het omgevingsplan. In het omgevingsplan regelt de gemeente de geur van veehouderijen. In paragraaf 5.1.4.6 Bkl staan de instructieregels hiervoor. De instructieregels gelden alleen voor geur van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf op een geurgevoelig gebouw en gaan over: Geurnormen in het omgevingsplan; Rekenen; Afstandeisen; Randvoorwaarden. Na inwerkingtreding van de Omgevingswet dienen de activiteiten allereerst te voldoen aan de regels die in het tijdelijk omgevingsplan staan.

Indien er nog geen aanpassing heeft plaatsgevonden van het tijdelijk omgevingsplan en sprake is van een activiteit/inrichting die/dat voorheen onder het Activiteitenbesluit milieubeheer viel, dan gelden de regels uit de Bruidsschat. De Bruidsschat bevat regels over: Geur door het houden van landbouwhuisdieren en paarden en pony’s voor het berijden in een dierenverblijf (par. 22.3.6.2 BS); Geur door het houden van fokteven van nertsen (par. 22.3.6.3 BS); Geur door andere agrarische activiteiten, zoals o.a. het opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie en het composteren of opslaan van groenafval (par. 22.3.6.4 BS); Geur door het exploiteren van zuiveringstechnische werken (par. 22.3.6.5 BS). Voor een aantal milieubelastende activiteiten geldt een vergunningplicht op basis van hoofdstuk 3 van het (Bal). In afdeling 8.5 'Omgevingsvergunning milieubelastende activiteit' van het (Bkl) staan beoordelingsregels. Het bevoegd gezag gebruikt deze beoordelingsregels bij het beoordelen van de vergunningaanvraag. In het Bkl staan algemene beoordelingsregels en specifieke beoordelingsregels voor

52

geur. De vergunningverlener moet bij het beoordelen van het aanvaardbaar geurhinderniveau rekening houden met het omgevingsplan. Zo staat in het omgevingsplan wat de geurgevoelige gebouwen en locaties zijn. Ook kunnen in het omgevingsplan andere regels voor geur staan (of een omgevingswaarde voor geur). In het omgevingsplan staan bijvoorbeeld geurregels voor veehouderijen. De vergunningverlener moet dan rekening houden met deze regels. 4.8.2 Onderzoek plangebied De voorgenomen ontwikkeling betreft de herontwikkeling van het perceel aan de Telgterweg 1 in Ermelo. Het bestaande kantoorgebouw wordt gesloopt, daarvoor in plaats wordt een woongebouw met 18 appartementen gerealiseerd. In de nabije omgeving van het plangebied liggen geen veehouderijen, andere landbouwactiviteiten of (andere) milieubelastende activiteiten die geurhinder veroorzaken. 4.8.3 Conclusie Het plan wordt niet belemmerd vanuit het aspect geur, nader onderzoek op het gebied van geur is daarom ook niet nodig.

53

4.9

Activiteiten en milieuzonering

Voor het behoud en de verbetering van de kwaliteit van de woon- en leefomgeving is een juiste afstemming tussen de verschillende voorkomende functies en wonen noodzakelijk. In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met de gebruiksruimte activiteiten met een milieuzonering. 4.9.1 Wettelijk kader De omgevingswet heeft als doel een evenwichtige toedeling van functies. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende activiteiten enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige activiteiten. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende activiteit het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de Vernieuwde VNG-handreiking toegepast. In de handreiking gaat de VNG uit van drie gebiedstypes: 1.

Industrieterreinen, bedrijventerreinen of andere werkgebieden: dit zijn gebieden waar de bedrijfsfunctie (of een andere werkgerelateerde functie) prevaleert; 2. Woongebieden: dit zijn gebieden waar de woonfunctie (en andere milieugevoelige functies) overheerst; 3. Gemengde gebieden met wonen (functiemenging): dit zijn gebieden met een tussenvorm met zowel milieugevoelige functies als bedrijfsfuncties, maar ook andere milieubelastende functies zoals horeca en detailhandel. Er wordt in deze handreiking geen gebruik meer gemaakt van milieucategorieën, maar van de gebruiksruimte. Onder gebruiksruimte wordt verstaan de ruimte die een bedrijf mag benutten, zoals geluidof geurruimte. Er wordt dan bijvoorbeeld binnen een zone rondom woningen een maximale geluidsnorm voorgeschreven. Hoe groter de afstand tot de woningen, hoe hoger deze norm zal zijn. Dit is dus een verschil met de ‘statische’ afstandsnormen uit de oude handreiking die uitgaan van richtafstanden op basis van de grootste overlastfactor per categorie bedrijf. Milieuzonering oude stijl De Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) geeft in een handreiking genaamd ‘Bedrijven en milieuzonering’ een lijst met richtafstanden per milieucategorie. Een bedrijf uit milieucategorie 1 is het minst belastend voor de omgeving, waardoor de richtafstand tot milieugevoelige functies (zoals woningen) het kleinste is.

Een bedrijf uit milieucategorie 6 is het meest belastend en de VNG-richtafstand is dus het grootst. Voorbeelden van bedrijven in deze categorie zijn: een luchthaven, een autocircuit en een ijzerenen stalenbuizenfabriek. In onderstaande tabel zijn de richtafstanden per milieucategorie aangegeven.

54

In de tabel staan de VNG-richtafstanden zoals deze gelden tussen een bedrijf en een woning in een rustige woonwijk of een rustig buitengebied. In een ‘gemengd gebied’ zijn andere richtafstanden van toepassing. De afstand wordt met een stap verkleind. Dat wil zeggen dat tussen een woning en een bedrijf van milieucategorie 2 in een gemengd gebied, een richtafstand van 10 meter passend is. In een rustige woonwijk zou dit 30 meter zijn. 4.9.2 Onderzoek plangebied De voorgenomen ontwikkeling betreft de herontwikkeling van het perceel aan de Telgterweg 1 in Ermelo. Het bestaande kantoorgebouw wordt gesloopt, daarvoor in plaats wordt een woongebouw met 18 appartementen gerealiseerd. In het plangebied is er geen sprake van het toevoegen van bedrijfsmatige activiteiten, in de omgeving van het plangebied worden geen bedrijfsmatige activiteiten uitgevoerd die mogelijk een belemmering kunnen vormen voor deze planontwikkeling. 4.9.3 Conclusie Het plan wordt niet belemmerd vanuit het aspect activiteiten en milieuzonering, nader onderzoek op het gebied van activiteiten en milieuzonering is daarom ook niet nodig.

4.10 Trilling In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met de trillingshinder. 4.10.1 Wettelijk kader Het omgevingsaspect trillingen is geregeld in paragraaf 22.3.5 van de Bruidsschat. Daarin worden regels gesteld aan trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz door een activiteit in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw, die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Er gelden maximale waarden voor continue

55

trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen. De maximale waarden zijn opgenomen in de tabellen in artikel 22.88 en 5.87a van de Bruidsschat. 4.10.2 Onderzoek plangebied De voorgenomen ontwikkeling betreft de herontwikkeling van het perceel aan de Telgterweg 1 in Ermelo. Het bestaande kantoorgebouw wordt gesloopt, daarvoor in plaats wordt een woongebouw met 18 appartementen gerealiseerd. Het plangebied ligt in de nabijheid van de spoorlijn Zwolle – Amersfoort. Rond het spoor zijn soms trillingen voelbaar van passerende treinen. Die trillingen kunnen invloed hebben op mensen en op gebouwen. In het kader daarvan is er in oktober 2024 een trillingsonderzoek uitgevoerd (zie bijlage 6). Doel van het onderzoek is het prognosticeren van de trillingsniveaus in de panden ten gevolge van het treinverkeer op de spoorlijn Amersfoort - Zwolle. In het onderzoek worden randvoorwaarden aan het stedenbouwkundig plan geadviseerd ten einde te voldoen aan de streefwaarden uit de SBR-richtlijn B: “Hinder voor personen in gebouwen”. Uit de resultaten van het onderzoek inzake hinder voor personen in gebouwen vanwege spoortrillingen kan het volgende worden geconcludeerd: de geprognosticeerde trillingen zijn in de avond- en nachtperiode hoger dan de voorkeurswaarde uit de SBR-B. Zonder aanvullende hinder zal er matige hinder optreden.

De uiteindelijke afweging omtrent de acceptatie van de overschrijding van de streefwaarde wordt gemaakt door de gemeente; Uitgaand van zwaardere vloeren met een eigenfrequentie rond de ≥ 20Hz is de verwachting dan voldaan wordt aan de streefwaarden uit de SBR-B; De volgende maatregelen aan het gebouw worden uitgevoerd om hinder te voorkomen: korte overspanning van de betonvloer (5,4 meter); breedplaatvloeren met een dikte van 300 – 350 mm (incl dekvloer); inpakken van de fundering met 100 XPS-isolatie en massieve bouwmuren. 4.10.3 Conclusie Het plan wordt niet belemmerd vanuit het aspect trilling, nader onderzoek op het gebied van trilling is daarom ook niet nodig.

56

4.11 Slagschaduw en windhinder In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met de slagschaduw en windhinder. 4.11.1 Wettelijk kader In het omgevingsplan staan regels voor de bescherming tegen slagschaduw door activiteiten, zoals een windturbine. De regels voor windturbines en windparken staan eerst in het tijdelijk deel. In de bruidsschat staan gebruiksregels over slagschaduw van windturbines met een rotordiameter van meer dan 2 meter. Het beschermingsniveau bij windturbines en windparken in de bruidsschat is voor slagschaduw in de bruidsschat gelijk aan het beschermingsniveau uit het Activiteitenbesluit. Een windturbine moet voorzien zijn van een automatische stilstandvoorziening. Deze schakelt de windturbine uit als er te veel slagschaduw optreedt in een verblijfsruimte van een slagschaduwgevoelig gebouw. De windturbine wordt afgeschakeld als gemiddeld meer dan zeventien dagen per jaar gedurende meer dan twintig minuten per dag slagschaduw kan optreden. Dit staat in artikel 22.216 bruidsschat omgevingsplan. Voor het nieuwe deel bepaalt de gemeente zelf welke mate van hinder door slagschaduw aanvaardbaar is. Daarbij moet het omgevingsplan voldoen aan het evenwichtig toedelen van functies en aan de instructieregels uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl).

4.11.2 Onderzoek plangebied De voorgenomen ontwikkeling betreft de herontwikkeling van het perceel aan de Telgterweg 1 in Ermelo. Het bestaande kantoorgebouw wordt gesloopt, daarvoor in plaats wordt een woongebouw met 18 appartementen gerealiseerd. De activiteiten in het plangebied veroorzaken geen slagschaduw en windhinder, er zijn geen activiteiten op korte afstand van het plangebied die slagschaduw en windhinder veroorzaken. 4.11.3 Conclusie Het plan wordt niet belemmerd vanuit het aspect slagschaduw en windhinder, nader onderzoek op het gebied van slagschaduw en windhinder is daarom ook niet nodig.

57

4.12 Lichthinder 4.12.1 Wettelijk kader Er zijn veel locaties met kunstmatige verlichting zoals (autosnel)wegen, woonkernen, industrie- en bedrijventerreinen, glastuinbouwbedrijven en sportterreinen. Dit kan verschillende soorten negatieve effecten veroorzaken. Kunstmatige verlichting kan 4 soorten negatieve effecten veroorzaken: 1.

2.

3.

4.

Hinder voor de mens Hinder bij mensen ontstaat wanneer mensen zich niet kunnen onttrekken aan het aanwezige kunstlicht, terwijl ze daar wel behoefte aan hebben. Bijvoorbeeld om te kunnen rusten of slapen. Bij de beoordeling van lichthinder voor mensen maken overheden een afweging tussen maatschappelijke belangen (bijvoorbeeld veiligheid op straat, of bruikbaarheid sportvelden) en de hinderbeleving. Hinder langs wegen Langs (rijks)wegen kan licht van objecten ook leiden tot hinder en daardoor onveilige situaties. Denk bijvoorbeeld aan verlichte reclamezuilen. Verstoring van de natuur Nachtelijke, kunstmatige verlichting kan het gedrag van dieren (negatief) beïnvloeden. Naast mogelijke aanpassingen van de levenscyclus aan de kunstmatige verlichting, kan er sprake zijn van desoriëntatie, afstoting of aantrekking. Deze effecten kunnen leiden tot uitputting en sterfte. Ook kan kunstmatige verlichting als een barrière werken als dieren zich verplaatsen (in vaktaal: migreren). De verschillende negatieve effecten van kunstmatige verlichting hebben niet alleen een individueel effect. Kunstmatige verlichting kan ook een negatieve invloed hebben op de instandhoudingsdoelstellingen van specifieke soorten. Horizonvervuiling Bij horizonvervuiling of donkertebescherming gaat het om de zichtbaarheid van licht op langere afstand.

Bijvoorbeeld het zichtbaar zijn van een open stal of een verlicht sportveld in een open landschap. Het gaat hierbij om grotere afstanden. Er is dan geen direct licht meer te meten van een lamp. Het licht is nog wel zichtbaar. Het gaat dan om een afstand tot 5 à 10 kilometer en boven zee tot maximaal 15 kilometer.

De lichthinder die kunstmatige verlichting veroorzaakt hangt af van de aard, intensiteit, duur en plaats van de verlichting. Over effectafstanden van kunstmatige verlichting is nog weinig bekend. Deze afstanden zijn afhankelijk van verschillende aspecten: de kenmerken van de verlichting (zoals verlichtingsintensiteit, de golflengtes ofwel spectrale samenstelling van het licht, de vorm van de armatuur, et cetera) de situatie waarin de verlichting plaatsvindt (de transparantie van het landschap) Lichthinder en Omgevingswet Lichthinder is een thema dat decentrale overheden moeten afwegen. Het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) bevat daarom geen rijksinstructieregels voor lichthinder. Alleen voor kunstlicht in de tuinbouw bij kassen staan rijksregels in het Besluit activiteiten leefomgeving. Verschillende instrumenten zijn van belang als het gaat om lichthinder: Omgevingsvisie, In bepaalde gebieden kan het van belang zijn om lichthinder, verstoring door licht en horizonvervuiling op te nemen in de omgevingsvisie. Bijvoorbeeld rond lichtgevoelige natuurgebieden, voor kassengebieden of grootschalige bedrijventerreinen. De visie kan beleid bevatten om de lichthinder, verstoring of horizonvervuiling terug te dringen. Een gemeente kan zelf bepalen of lichthinder, verstoring of horizonvervuiling een (of meer) thema’s is (zijn) in de gemeentelijke omgevingsvisie.

Omgevingsplan In het gemeentelijke omgevingsplan is lichthinder een aspect dat meeweegt vanuit een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit. Een gemeente kan zelf bepalen

58

-

of ze regels ter voorkoming van lichthinder wil stellen in het omgevingsplan. Alleen voor kunstlicht in de tuinbouw bij kassen gelden rijksregels uit het Besluit activiteiten leefomgeving. Omgevingsplan en bruidsschat Bij het opstellen van het omgevingsplan vindt een afweging plaats of er regels nodig zijn om lichthinder en verstoring van de natuur te voorkomen.

Voor lichthinder bij sportvelden bevat de bruidsschat specifieke regels. Het gaat om regels die niet vanuit het Activiteitenbesluit zijn overgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving. De bruidsschat zorgt ervoor dat deze regels landen in de omgevingsplannen van de gemeenten. Deze regels kan de gemeente in het omgevingsplan aanpassen en afstemmen op de lokale omstandigheden. 4.12.2 Onderzoek plangebied De voorgenomen ontwikkeling betreft de herontwikkeling van het perceel aan de Telgterweg 1 in Ermelo. Het bestaande kantoorgebouw wordt gesloopt, daarvoor in plaats wordt een woongebouw met 18 appartementen gerealiseerd. De activiteiten in het plangebied veroorzaken geen lichthinder, er zijn geen activiteiten op korte afstand van het plangebied die lichthinder veroorzaken. 4.12.3 Conclusie Het plan wordt niet belemmerd vanuit het aspect lichthinder, nader onderzoek op het gebied van lichthinder is daarom ook niet nodig.

59

4.13 Kabels en leidingen In het kader van de omgevingsvergunning danwel omgevingsplan dient rekening te worden gehouden met de aanwezigheid van ondergrondse planologisch relevante leidingen (hoofd transportleidingen). Indien daartoe aanleiding bestaat dient rondom een leiding een zone te worden aangegeven waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. 4.13.1 Onderzoek plangebied In en nabij het projectgebied zijn geen planologisch relevante leidingen en/of verbindingen aanwezig. Er zijn derhalve geen belemmeringen te verwachten. Bij eventuele graafwerkzaamheden op het terrein dient wel rekening te worden gehouden met eventueel aanwezige kabels en niet-planologische leidingen 4.13.2 Conclusie Het plan wordt niet belemmerd vanuit het aspect kabels en leidingen, nader onderzoek op het gebied van kabels en leidingen is daarom ook niet nodig.

60

4.14 Verkeer en parkeren Bij de aspecten verkeer en parkeren gaat erom dat het plangebied goed bereikbaar is, er geen onveilige verkeerskundige situaties ontstaan en er voldoende parkeergelegenheid in het plangebied aanwezig is. 4.14.1 Wettelijk kader In de Omgevingswet is geen regelgeving opgenomen met betrekking tot mobiliteit en parkeren. De verkeersveiligheid is primair geborgd in de weg- en verkeerswetgeving, waaronder de Wegenverkeerswet. Daarnaast zijn richtlijnen opgenomen in het ASVV (Aanbevelingen voor Verkeersvoorzieningen Binnen de Bebouwde Kom). Wel kan een verandering van functies zorgen voor een verkeersaantrekkende werking. Bij het toelaten van een nieuwe functie moet daarom worden aangetoond wat het effect is op de bereikbaarheid en verkeersafwikkeling. Daarbij dient in beeld te worden gebracht of er sprake is van een (extra) parkeerbehoefte voor auto's, fietsen en/of scooters. Er mag geen onaanvaardbaar effect zijn. Gemeentelijk beleid De gemeente Ermelo heeft parkeerbeleid opgesteld met daarin parkeernormen waaraan nieuwe ontwikkelingen moeten voldoen. De activiteit dient dus aan het gemeentelijk beleid getoetst te worden. 4.14.2 Onderzoek plangebied De voorgenomen ontwikkeling betreft de herontwikkeling van het perceel aan de Telgterweg 1 in Ermelo.

Het bestaande kantoorgebouw wordt gesloopt, daarvoor in plaats wordt een woongebouw met 18 appartementen gerealiseerd. Verkeer bestaande situatie In de huidige situatie is het perceel via twee wegen te ontsluiten. De toegang en directe ontsluiting naar de parkeervoorzieningen op eigen terrein is via de Telgterweg langs de Telgterpoort. Voor voetgangers is de ontsluiting van het perceel gelegen aan de Meerkoetstraat en kent een brede toegang. Via de Meerkoetstraat kan het verkeer ontsluiten op de Telgterweg en de Rietgansstraat. De Telgterweg biedt een verbinding naar onder andere het centrum of richting de A28. Langs het perceel ligt een verbinding voor voetgangers met de omliggende wijk. De verkeersgeneratie voor een kantoorgebouw met baliefunctie (matig stedelijk, rest bebouwde kom) bedraagt minimaal 12,4 motorvoertuigbewegingen per etmaal en maximaal 14,8 motorvoertuigbewegingen per etmaal per 100 m2 bvo. Het kantoorgebouw heeft een oppervlak van 600 m2, het maximaal aantal motorvoertuigbewegingen per etmaal bedraagt dan 88,8. Verkeer nieuwe situatie De verkeersgeneratie voor een appartement (matig stedelijk, schil centrum, koop, goedkoop) bedraagt minimaal 5,2 en maximaal 6,0 parkeerplaats per woning. Er worden 18 appartementen gerealiseerd, het maximaal aantal motorvoertuigbewegingen per etmaal bedraagt dan 108.

Deze minimale toename heeft geen negatief effect op de verkeersveiligheid van de omliggende wegen. Parkeren bestaande situatie Het parkeren vindt plaats aan de voorzijde van het kantoorgebouw op het eigen perceel. De parkeernorm voor een kantoorgebouw (matig stedelijk, rest bebouwde kom) bedraagt minimaal 1,8 en maximaal 2,3 parkeerplaats per 100 m2 bvo. Het kantoorgebouw heeft een oppervlak van 600 m, in totaal moeten er dan gemiddeld 13 parkeerplaatsen aanwezig zijn. Parkeren nieuwe situatie Op dit moment is de nota parkeernormen Ermelo uit 2017 van toepassing. De nieuwe appartementen vallen in de woning categorie goedkoop. Hiervoor is op basis van de nota uit 2017 een parkeernorm van

61

1,6 parkeerplaats per woning van toepassing. Er worden 18 betaalbare appartementen gerealiseerd in het plangebied, volgens de nota parkeernormen zijn er dan 28,8 parkeerplaatsen benodigd (1,6 x 18). In deze berekening is echter geen rekening gehouden met aanwezigheidspercentages (50% en 20% voor bewoners en bezoekers op een werkdagavond). De parkeervraag voor deze ontwikkeling bedraagt dan 25 parkeerplaatsen. Voor de nieuwbouw aan de Telgterweg worden voor 18 betaalbare appartementen in totaal 25 parkeerplaatsen op eigen terrein aangelegd. Hiermee wordt aan de gemeentelijke parkeernormen.

Parkeerberekening (bron: gemeente Ermelo)

Toekomstige parkeersituatie in het plangebied 4.14.3 Conclusie Het plan wordt niet belemmerd vanuit het aspect verkeer en parkeren, nader onderzoek op het gebied van verkeer en parkeren is daarom ook niet nodig.

62

63

4.15 Milieueffectrapportage (MER) De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een toets om na te gaan of sprake is van een plan met grote milieugevolgen. Bij wijzigingen van het omgevingsplan en besluiten die mogelijk gevolgen kunnen hebben voor het milieu moet worden beoordeeld of ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling in het kader van de fysieke leefomgeving een milieueffectrapportage moet worden opgesteld. Een milieueffectrapportage is bedoeld om milieubelangen bij verschillende ruimtelijke procedures een volwaardige plaats bij de besluitvorming te geven. 4.15.1 Wettelijk kader Onderdeel van de beoordeling of een aanvraag om een Bopa volledig is, is een toets aan de regels over een milieueffectrapportage. Dit gebeurt overeenkomstig paragraaf 16.4.2 van de Omgevingswet en afdeling 11.2 van het Omgevingsbesluit. Of een besluit over een project-merplichtig of mer-beoordelingsplichtig is, kan worden afgeleid uit bijlage V bij het Omgevingsbesluit, in samenhang met de artikelen 11.6 en 11.8 van het Omgevingsbesluit. Bijlage V heeft als ingang (eerste kolom) de omschrijving van het project van de initiatiefnemer. In kolom 4 staan de besluiten genoemd waarvoor dan de mer-verplichtingen gelden. Het gaat dan om besluiten waarmee de toestemming voor het project wordt verleend. In dit geval is dat de omgevingsvergunning.

Het betreft dan overigens altijd een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit (of een ontgrondingenactiviteit, wateractiviteit e.d.). Daarnaast kunnen de mer-verplichtingen nog gelden voor enkele bijzondere besluiten uit andere wetten, zoals de vergunning op basis van de Kernenergiewet. Of er voor het besluit een mer-plicht of een mer-beoordelingsplicht geldt, volgt uit de tweede en derde kolom. Als het project voldoet aan de voorwaarden van kolom 2, geldt een mer-plicht. Anders geldt een mer-beoordelingsplicht, tenzij ook in kolom 3 nog voorwaarden staan. In bijlage V bij het omgevingsbesluit wordt onder J11 stedelijke ontwikkelingsprojecten aangewezen als geval waarin de mer-beoordelingsplicht geldt. De initiatiefnemer van een in Bijlage V aangewezen project moet daarvan mededeling doen bij het bevoegd gezag, doorgaans het college van B&W (artikel 16.45, lid 1, Ow). In die mededeling (de aanmeldingsnotitie) is een beschrijving van het project, de locatie en de mogelijke milieueffecten opgenomen (artikel 11.10 Ob). Het bevoegd gezag beslist binnen zes weken of sprake is van aanzienlijke milieueffecten en neemt die beoordeling op in de omgevingsvergunning (artikel 11.11 Ob). 4.15.2 Onderzoek Plangebied De voorgenomen ontwikkeling betreft de herontwikkeling van het perceel aan de Telgterweg 1 in Ermelo.

Het bestaande kantoorgebouw wordt gesloopt, daarvoor in plaats wordt een woongebouw met 18 appartementen gerealiseerd. Er is geen sprake van een activiteit die genoemd is in de bijlage V van het Omgevingsbesluit. Er is geen aanleiding om een m.e.r. of m.e.r.-beoordeling te doen. Er is geen sprake van categorie J11 ‘De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen’ want: de omvang is beperkt waardoor de impact van de functieverandering ook beperkt blijft. 4.15.3 Conclusie Het plan wordt niet belemmerd vanuit het aspect milieu, nader onderzoek op het gebied van milieu is daarom ook niet nodig.

64

4.16 Duurzaamheid Bij nieuwbouw of vervangende nieuwbouw verdient het aanbeveling zoveel mogelijk rekening te houden met duurzaamheidsaspecten zoals duurzaam bouwen, duurzame energievoorzieningen, bevordering van fietsverkeer en openbaar vervoer, duurzaam ruimtegebruik en dergelijke. Duurzaam bouwen Milieuaspecten krijgen bij het duurzaam bouwen een volwaardige plaats in het ontwerpen, bouwen en beheren van bebouwing. In de praktijk betekent duurzaam bouwen dat met onder meer de volgende aspecten rekening gehouden wordt: het materiaalgebruik, de vormgeving van het bouwblok, gebruik maken van wind- en/of zonne-energie, compact bouwen, intensief ruimtegebruik en flexibel bouwen. Bij deze laatste moeten gebouwen op eenvoudige wijze geschikt gemaakt kunnen worden voor hergebruik, zodat de levensduur wordt verlengd. Klimaatadaptatie Steeds belangrijker wordt het aspect klimaatadaptatie. Klimaatadaptatie is niet alleen een eigen thema, maar ook een aspect dat in heel veel andere thema's terugkomt. Het is één van de vier prioriteiten in de NOVI. Belangrijke input voor de NOVI komt uit het Deltaprogramma en de Nationale Adaptatie Strategie (NAS). Bij ontwikkelingen dient rekening gehouden te worden met de aspecten: waterveiligheid, wateroverlast, droogte en hitte. Daarnaast heeft het Rijk, voorlopig nog als hulpmiddel, de maatlat “Groene klimaatadaptieve gebouwde omgeving” opgesteld.

Energie Nederland werkt aan duurzame, betrouwbare en beschikbare energie, die voor iedereen betaalbaar is. Het opwekken, verspreiden en gebruiken van hernieuwbare (duurzame) energie draagt bij aan het streven om in 2050 klimaatneutraal te zijn. Dat betekent dat we de uitstoot van broeikasgassen, met name CO2, verminderen naar nul. In 2019 kwam 8,7% van alle gebruikte energie in Nederland uit duurzame bronnen. In 2030 moet dat minimaal 27% zijn. In 2050 moet de energievoorziening bijna helemaal duurzaam zijn. 4.16.1 Wettelijk kader De Omgevingswet benoemt specifiek de doelen duurzaamheid en natuur. Dit volgt op de verslechterde staat van de natuur en de merkbare verandering van het klimaat. Vanwege klimaatverandering zijn aanpassingen van de fysieke leefomgeving nodig. Denk aan maatregelen tegen hittestress (meer groen en bomen), wateroverlast (meer waterbergingsmogelijkheden), droogte (beter en langer vasthouden van water) en waterveiligheid (dijken). Doelen van de Omgevingswet zijn onder meer het tegengaan van klimaatverandering, het beheer van geobiologische en geothermische systemen en ecosystemen en het beheer van natuurlijke hulpbronnen (artikel 2.1, lid 3, onder i, o en p Ow). Met het oog op die doelen moet het plan aan het omgevingsaspect duurzaamheid worden getoetst. In artikel 22.52 Bruidsschat zijn regels op het gebied van energiebesparende maatregelen opgenomen.

4.16.2 Onderzoek plangebied De voorgenomen ontwikkeling betreft de herontwikkeling van het perceel aan de Telgterweg 1 in Ermelo. Het bestaande kantoorgebouw wordt gesloopt, daarvoor in plaats wordt een woongebouw met 18 appartementen gerealiseerd. Er wordt effectief gebruik gemaakt van bestaande ruimte binnen het stedelijk gebied, een duurzame gebiedsontwikkeling. Het huidige bedrijfsgebouw heeft een bebouwd oppervlak van circa 600 m². De nieuwe appartementen kennen een totaal bebouwd oppervlak van circa 400 m². Het bebouwd oppervlak zal fors afnemen. Het huidige buitenterrein is volledig verhard via betonnen klinkerverharding. In de nieuwe situatie zal er een gezamenlijke buitenruimte worden aangelegd met groenvoorziening. De rijbaan wordt voorzien van

65

klinkers en de parkeerplaatsen worden voorzien van grasbetontegels. Door vermindering van verharding zal dit een positief effect hebben op de waterhuishouding en hittestress in de omgeving. Bij het ontwerp van zowel de woningen als de buitenruimte wordt veel aandacht besteed aan het verbeteren van de biodiversiteit en de ecologische waarden in de omgeving. Zo worden er bij de woningen nestkasten voor vogels, verblijfplaatsen voor vleermuizen en insecten geïntegreerd in het metselwerk en de architectuur. In de buitenruimte worden inheemse bomen, struiken en hagen geplaatst De nieuwe appartementen worden vanzelfsprekend ‘bijna energieneutraal (BENG)’ of ‘nul-op-de-meter’ gerealiseerd. Ieder appartement wordt voorzien van een individuele warmtepomp (zonder buitenunit) en voorzien van PV-panelen gesitueerd op het platte dak. 4.16.3 Conclusie Het plan wordt niet belemmerd vanuit het aspect duurzaamheid, nader onderzoek op het gebied van duurzaamheid is daarom ook niet nodig.

66

4.17 Gezondheid In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect gezondheid. Het gaat om: het beschermen van gezondheid (is er sprake van bijzondere omstandigheden waardoor het verlenen van de vergunning leidt tot ernstige nadelige of mogelijk ernstige nadelige gevolgen voor de gezondheid?) het bevorderen van de gezondheid, zoals bevorderen sport en ontspanning (positieve gezondheid). 4.17.1 Wettelijk kader Doel van de Omgevingswet is ook het beschermen van de gezondheid (artikel 2.1, lid 3, onder b). In lid 4 benadrukt de wet dat bij het stellen van regels met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in ieder geval rekening gehouden met het belang van het beschermen van de gezondheid. Omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk doel is van de Omgevingswet bevat het Bkl een aantal instructieregels die specifiek de bescherming van de gezondheid en het milieu tot doel hebben. De instructieregels hebben onder andere betrekking tot de aspecten geluid, geur, trillingen, luchtkwaliteit en bodem. Conform artikel 1.3 sub a Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet.

De aspecten veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit hangen nauw met elkaar samen. Gelet op de centrale rol van het gezondheidsaspect binnen de Omgevingswet dient dit aspect breed te worden gemotiveerd. 4.17.2 Onderzoek plangebied De voorgenomen ontwikkeling betreft de herontwikkeling van het perceel aan de Telgterweg 1 in Ermelo. Het bestaande kantoorgebouw wordt gesloopt, daarvoor in plaats wordt een woongebouw met 18 appartementen gerealiseerd. Uit de paragrafen van hoofdstuk 4 van deze onderbouwing blijkt dat er door deze ontwikkeling geen nadelige effecten zijn voor een gezonde fysieke leefomgeving. Daarnaast draagt de vergroening van de ruimte bij aan de gezonde leefomgeving. 4.17.3 Conclusie Het plan wordt niet belemmerd vanuit het aspect gezondheid, nader onderzoek op het gebied van gezondheid is daarom ook niet nodig.

67

5. Uitvoerbaarheid van het plan Conform de Omgevingswet dient bij het opstellen van een bestemmingsplan dan wel ruimtelijke onderbouwing onderzoek te worden ingesteld naar de uitvoerbaarheid van het plan. Bij de uitvoering van een project kan in zijn algemeenheid onderscheid worden gemaakt tussen de economische uitvoerbaarheid en de maatschappelijke uitvoerbaarheid.

5.1

Economische uitvoerbaarheid

Overheden zijn verplicht om de kosten te verhalen. Het afsluiten van een overeenkomst tussen de initiatiefnemer van de bouwactiviteit en het bevoegd gezag heeft daarbij de voorkeur. Als het niet mogelijk is een overeenkomst af te sluiten, is de publiekrechtelijke weg verplicht. Dan verhaalt het bevoegd gezag de kosten op basis van de regels in een omgevingsplan, een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit of een projectbesluit. Kostenverhaal geldt voor kostenverhaalplichtige activiteiten. Het Omgevingsbesluit bevat relevante regels over (verplicht) kostenverhaal (zie artikel 8.13 Ob voor aangewezen activiteiten waarvoor kostenverhaal verplicht is, artikel 8.14 Ob voor de mogelijkheden om af te zien van kostenverhaal en artikel 8.15 Ob voor de kostensoortenlijst). Pas nadat is betaald, is het toegestaan de activiteiten uit te voeren (zie artikel 13.12 Ow). Eén van de bouwactiviteiten waarvoor kosten verhaald worden is de bouw van een of meer gebouwen met een woonfunctie (zie artikel 8.13 aanhef en sub a Ob). Er zijn bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet nog geen activiteiten vanwege gebruikswijzigingen aangewezen. Het voorliggende project wordt gerealiseerd op particulier initiatief.

De kosten die gepaard gaan met de aanvraag van de omgevingsvergunning en de kosten voor ontwikkeling en inrichting van het plangebied zijn voor rekening van de initiatiefnemer. Door middel van leges en een overeenkomst worden de gemeentelijke kosten, die verband houden met de ruimtelijke procedure, op de initiatiefnemer verhaald.

5.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

5.2.1 Participatie Art. 7.4, lid 1 Omgevingsregeling bepaalt dat bij de aanvraag van een Omgevingsvergunning voor een Buitenplanse Omgevingsplanactiviteit (BOPA) wordt aangegeven of burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding van de aanvraag worden betrokken. De initiatiefnemer heeft de omwonenden en belanghebbenden geïnformeerd over de voorgenomen ontwikkeling (zie bijlage 8 van deze onderbouwing). 5.2.2 Procedure De korte procedure is het uitgangspunt in de Omgevingswet. De beslistermijn voor de korte procedure is maximaal 8 weken (plus eventueel 6 weken verlenging). Daarna is er nog bezwaar en beroep mogelijk. Het bevoegd gezag kan besluiten de uitgebreide voorbereidingsprocedure op de BOPA van toepassing te verklaren. Dat kan als de activiteit aanzienlijke gevolgen voor de fysieke leefomgeving kan hebben of verschillende belanghebbenden bedenkingen kunnen hebben. In de uitgebreide procedure beslist het bevoegd gezag binnen 6 maanden (26 weken) na een aanvraag. Eventueel te verlengen met 6 weken. Tijdens de uitgebreide procedure maakt het bestuursorgaan een ontwerpbesluit waarover zienswijzen openstaan (6 weken). Nadat het besluit is genomen, is er nog beroep bij de rechtbank mogelijk.

Als de uitgebreide voorbereidingsprocedure is gevolgd, treedt het besluit in werking als het besluit op de voorgeschreven wijze ter inzage is gelegd (overeenkomstig artikel 3:44, eerste lid, onder a, van de Awb). De beroepstermijn start met ingang van de dag na die waarop het besluit overeenkomstig art. 3:44 lid 1 onderdeel a van de Awb ter inzage is gelegd.

68

69

6. Ruimtelijke afweging De initiatiefnemer is eigenaar van de gronden behorend bij de Telgterweg 1 in Ermelo. Op deze gronden staat een bedrijfsgebouw met kantoorfunctie. Het voornemen is om het verouderde bestaande gebouw te slopen en hier een nieuw gebouw met 18 appartementen te realiseren. Dit voornemen draagt bij aan de behoefte in de gemeente Ermelo om binnen bestaand stedelijk gebied, nieuwe betaalbare woningen toe te voegen. De gronden behorend bij de Telgterweg 1 hebben in het omgevingsplan gemeente Ermelo (tijdelijk deel bestemmingsplan Ermelo West) een kantoorfunctie. Het is niet bij recht toegestaan om binnen deze functie woonappartementen te realiseren. Daarom is het voorgestelde plan strijdig met het omgevingsplan. Een aanpassing of afwijking van het omgevingsplan is noodzakelijk om dit mogelijk te maken. De voorgenomen ontwikkeling is niet in strijd met het beleid van de verschillende overheden. De ontwikkeling sluit aan bij het opgestelde beleid van de provincie Gelderland en de gemeente Ermelo. In het voorgaande hoofdstuk zijn de effecten voor de fysieke leefomgeving van het plan beschreven. Het project levert geen problemen op ten aanzien van de onderzochte milieukundige en ruimtelijke aandachtspunten (ecologie, water, bodem, geluid, externe veiligheid, luchtkwaliteit, verkeer, archeologie, milieuzonering, duurzaamheid, gezondheid, etc.).

Tenslotte is geconcludeerd dat de gewenste ontwikkeling ook economisch uitvoerbaar wordt geacht, doordat de kosten volledig voor de initiatiefnemer zijn. De kosten voor van de ruimtelijk-juridische procedure zullen door middel van een overeenkomst worden verrekend met de initiatiefnemer.

6.1

Conclusie ETFAL

Concluderend kan worden gesteld dat het plan mogelijk is binnen het toekomstige beleid en er geen belemmeringen zijn ten aanzien van de uitvoering. Er is sprake van een ‘Evenwichtige toedeling van functies aan locaties’ (ETFAL).

6.2

Vertaling in omgevingsplan

De verleende vergunning voor de Telgterweg 1 dient uiteindelijk opgenomen te worden in het Omgevingsplan van de gemeente Ermelo. Hierbij dient de activiteit voor de gronden van het woongebouw gewijzigd te worden in een woonfunctie, waarmee de huidige functies uit het omgevingsplan komen te vervallen en worden vervangen door de functies zoals deze zijn vastgelegd in deze BOPA.

70

Bijlagen Bijlage 1 Quickscan ecologie Bijlage 2 Stikstof onderzoek Bijlage 3 Bodemonderzoek Bijlage 4 Akoestisch onderzoek Bijlage 5 Onderzoek omgevingsveiligheid Bijlage 6 Trillingsonderzoek Bijlage 7 Project m.e.r.-beoordeling Bijlage 8 Participatietraject

71

Bijlage 1 Quickscan ecologie

72

Bijlage 2 Stikstof onderzoek

73

Bijlage 3 Bodemonderzoek

74

Bijlage 4 Akoestisch onderzoek

75

Bijlage 5 Onderzoek omgevingsveiligheid

76

Bijlage 6 Trillingsonderzoek

77

Bijlage 7 Project m.e.r.-beoordeling

78

Bijlage 8 Participatietraject

79

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15219366/1