Motivering e260016681 (Geanonimiseerd)
Tekst van het document
,
,
Wat onder stedelijke ontwikkeling wordt verstaan is in het Bkl opgenomen. Een stedelijke ontwikkeling wordt gedefinieerd als ‘de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein een zeehaventerrein een woningbouwlocatie kantoren een detailhandel-voorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is. ’ Of een ontwikkeling of uitbreiding voldoende substantieel is volgt uit jurisprudentie. Daaruit blijkt onder meer dat een woningbouwontwikkeling die voorziet in de realisatie van meer dan 11 woningen binnen de bebouwde kom moet worden aangemerkt als woningbouwlocatie. Ook een kantoor detailhandelsvoorziening of bedrijf met een oppervlakte van meer dan 500 m2 brutovloeroppervlak kan worden beschouwd als een stedelijke ontwikkeling
,
,
,
,
,
,
Toetsing De Laddertoets geldt alleen voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Daarvan is in het beginsel sprake als het nieuwe ruimtelijke besluit meer bebouwing mogelijk maakt dan er op grond van het voorheen geldende planologische regime aanwezig was of kon worden gerealiseerd. In het Bro is geen ondergrens voor de minimale omvang vastgelegd. Inmiddels heeft jurisprudentie reeds bepaald bij welke minimale omvang sprake is van een 'nieuwe stedelijke ontwikkeling'. Conform jurisprudentie is bij 11 woningen geen sprake van een 'nieuwe stedelijke ontwikkeling' (ABRvS 16 september 2015 ; ECLI:NL:RVS:2015:2921) en bij 12 woningen wel sprake van een 'nieuwe stedelijke ontwikkeling' (ABRvS 25 maart 2015 ; ECLI:NL:RVS:2015:953). ,
Voorliggend initiatief betreft de realisatie van 6 woningen dit is minder dan 11 woningen en er is derhalve geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. De laddertoets is daarmee niet van toepassing. ,
Conclusie Op basis van vorenstaande wordt geconcludeerd dat het planvoornemen in overeenstemming is met de uitgangspunten van de Ladder voor duurzame verstedelijking. 5. 2. 3
Mobiliteit (bereikbaarheid , parkeren , openbare ruimte)
Wettelijk kader Primair is verkeersveiligheid geregeld in de weg- en verkeerswetgeving (o. a. Wegenverkeerswet). Daarnaast zijn richtlijnen opgenomen in het ASVV (Aanbevelingen voor Verkeersvoorzieningen Binnen de Bebouwde Kom). Ook gelden de richtlijnen vanuit het CROW met betrekking tot de verkeersgeneratie en het aantal benodigde parkeerplekken. Deze regelgeving maakt geen onderdeel uit van de Omgevingswet. Wel is een veilige en gezonde leefomgeving één van de maatschappelijke doelen van de Omgevingswet (artikel 1. 3). Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met de extra verkeersgeneratie door een nieuwe ontwikkeling. Op basis van CROW-publicatie 744 kan de verkeersgeneratie van een Gemeente Ermelo steld
TAM-IMRO omgevingsplan 22f Rodeschuurderwegje 18 , Ermelo - vastge
pagina 30 van 321
ontwikkeling berekend worden. Bij iedere functie in de CROW-publicatie wordt een maximum en minimum genoemd dit is de bandbreedte. Veelal wordt bij nieuwe ontwikkelingen het gemiddelde gehanteerd. Daarnaast bevat de omgevingsvisie van gemeenten een visie op verkeer en vervoer op gemeentelijk niveau hier dient aan te worden getoetst. De gemeente Ermelo beschikt over de 'Nota parkeernormen' waarin normen en voorwaarden aan parkeervoorzieningen zijn opgenomen. ,
,
,
Toetsing Voor het plangebied worden de volgende uitgangspunten gehanteerd: Verstedelijkingsgraad: Weinig stedelijk – gemeente Ermelo (Bron: CBS Statline). Stedelijke zone: Buitengebied. Kengetal voor de parkeerbehoefte en de verkeersgeneratie: Het gemiddelde van de minimale maximale bandbreedte. Verkeer
en
Voorliggend plan betreft een wijziging van een bedrijfsbestemming naar een woonfunctie. Hiermee gaat een lichte toename van verkeersbewegingen gepaard. Voor het planvoornemen zal gebruik gemaakt worden van een bestaande in- en uitrit. Het plangebied wordt ontsloten op Rodeschuurderwegje en de Slagsteeg. Beoordeeld dient te worden of de verkeerswegenstructuur berekend is op de toename die met het planvoornemen zal ontstaan. Onderstaand zijn de berekeningen op basis van de CROW publicatie 'Toekomstbestendig parkeren' weergegeven. Verkeersaantrekkend Aantal Totaal e werking Koop huis tussen/hoek78 4 312 Koop huis 82 2 164 twee-onder-een-kap 86 86 Koop huis vrijstaand 1 (bestaand) TOTAAL 562 In de toekomstige situatie neemt het aantal verkeersbewegingen per etmaal toe met 476. De omliggende wegen zijn hierop berekend. Parkeren De wijze waarop de parkeerbehoefte moet worden aangetoond is vastgelegd in de Nota parkeernormen van de gemeente Ermelo. Hieronder volgt de toets van het planvoornemen aan de parkeernormennota. Met het planvoornemen worden de volgende gebouwtypes met bijbehorende parkeernorm gerealiseerd. Woningtype ,
,
,
,
,
,
,
,
,
,
,
,
,
,
,
Woningtype Parkeernorm Koop huis tussen/hoek20 22 Koop huis twee-onder-een-kap Koop huis vrijstaand 24 (bestaand) TOTAAL ,
,
,
,
,
,
Aantal 4 2
,
,
,
1
Totaal 8 44 24
,
,
148 ,
Uit de parkeernormennota volgt dat met het planvoornemen 15 parkeerplaatsen op eigen terrein nodig zijn om aan de parkeernormennota te kunnen voldoen. De woningen hebben voldoende ruimte op eigen terrein om te voorzien in de parkeerbehoefte. Ter plaatse van het plangebied is tevens voldoende ruimte beschikbaar voor het parkeren van fietsen. Verkeersontsluiting en -veiligheid In de bestaande situatie is sprake van twee zeer dichtbij elkaar gelegen uitwegen. Hierdoor kunnen onveilige verkeerssituaties ontstaan (o. a. door belemmerde zichtlijnen). De in het plangebied aanwezige bedrijvigheid wordt in de toekomstige situatie middels één uitweg ontsloten op de
Gemeente Ermelo steld
TAM-IMRO omgevingsplan 22f Rodeschuurderwegje 18 , Ermelo - vastge
pagina 31 van 321
Harderwijkerweg. Met het wegnemen van één van de uitwegen wordt de situatie veiliger. De Harderwijkerweg betreft een ontsluitingsweg die geschikt is voor licht tot zwaar verkeer. Langzaam en snel verkeer zijn van elkaar gescheiden. Onderhavig initiatief doet geen afbreuk aan de plaatselijke verkeersveiligheid. Conclusie Het aspect mobiliteit vormt 5. 2. 4
geen
belemmering
voor
de uitvoering
van
voorliggend plan.
Geluid
Wettelijk kader Op grond van de Omgevingswet is het noodzakelijk om bij een ruimtelijke procedure te onderzoeken welke geluidbelasting een plan ondervindt door activiteiten in de omgeving. De regels voor geluid hebben een tweezijdige werking om de bescherming tegen geluidsbelasting vorm te geven. Enerzijds bij de aanleg of aanpassing van (spoor)wegen of industrieterreinen en anderzijds bij het mogelijk maken van nieuwe geluidsgevoelige gebouwen en locaties nabij een geluidsbron. Allereerst moet worden vastgesteld of een plan in een aandachtsgebied is gelegen. Indien dit het geval is dan gelden er standaardwaarden waar het geluid op geluidgevoelige objecten niet boven uit mag komen. ,
Het omgevingsplan bevat op grond van en in overeenstemming met de instructieregels in paragraaf 5. 1. 4. 2 Bkl waarden voor geluid (immissienormen) die leiden tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Per geluidbronsoort moet de geluidbelasting worden bepaald en worden getoetst aan onderstaande standaardwaarden en grenswaarden uit het Bkl (art. 3. 34):
Figuur 5. 1. Standaardwaarden en grenswaarden De geldende geluidsnormen onder de Omgevingswet hebben betrekking op het geluid op de gevel van een geluidgevoelig gebouw. Deze geluidsnormen hebben primair als doel het beschermen van de gezondheid door het stellen van eisen aan het geluid op en rond gebouwen waar mensen langdurig verblijven en slapen. De geluidgevoelige gebouwen zijn aangewezen in artikel 3. 21 Bkl. Een geluidgevoelig gebouw is onder andere een gebouw met een woonfunctie onderwijsfunctie gezondheidszorgfunctie met bedgebied en kinderopvang met bedgebied. ,
Indien de geluidbelasting op een plan voor een bepaalde geluidbronsoort hoger is dan de standaardwaarde dan moet een afweging worden gemaakt waarbij maatregelen en beleid wordt betrokken. Na dit aanvullend onderzoek is het mogelijk dat een gemeente afwijkt van de standaardwaarden en bij de besluitvorming een hogere waarde vaststelt tot maximaal de grenswaarde. Indien er voor meerdere bronsoorten de standaardwaarde wordt overschreden zal ook de cumulatieve geluidbelasting moeten worden bepaald en worden afgewogen. Uiteindelijk is de aanvaardbaarheid van de geluidsbelasting onder de Omgevingswet vooral een decentrale afweging hierdoor is maatwerk mogelijk.
,
,
,
,
Het gewenste binnenniveau voor geluid betreft 33dB. Indien een hogere waarde dan de standaardwaarde wordt toegestaan moet door middel van een gevelisolatieberekening worden aangetoond dat de geluidsbelasting binnen de woning de maximaal toelaatbare waarde van 33 dB niet overschrijdt. Bij een nieuwe woning maakt de gevelisolatieberekening onderdeel uit van de bouwaanvraag. Onder de Omgevingswet is het gezamenlijk geluid van de verschillende geluidbronnen tezamen op de gevel het uitgangspunt. Onder de Omgevingswet wordt conform artikel 3. 20 Bkl gewerkt met geluidaandachtsgebieden. Dit zijn gebieden/zones langs een (spoor)weg of rond een industrieterrein waarbinnen het geluid hoger ,
,
Gemeente Ermelo steld
,
TAM-IMRO omgevingsplan 22f Rodeschuurderwegje 18 , Ermelo - vastge
pagina 32 van 321
kan zijn dan de standaardwaarde. Binnen de geluidaandachtsgebieden moet de geluidbelasting op een geluidgevoelig gebouwen worden getoetst aan de in de wet opgenomen geluidnormen. Deze geluidaandachtsgebieden worden door gemeente vastgelegd in het Omgevingsplan. Voor de periode waarin nog geen aandachtsgebieden zijn opgenomen in het Omgevingsplan is er een overgangssituatie. Wanneer voor lokale wegen waarvan een geluidaandachtsgebied moet worden bepaald geen verkeersgegevens bekend zijn en van die wegen de verkeersintensiteit hoger kan zijn dan 1. 000 motorvoertuigen per etmaal worden contouren bepaald met de volgende afstanden van de rand van de contour tot de weg: voor een weg bestaande uit een of twee rijstroken en een maximumsnelheid van 30 km/u of minder: ten minste 100 m ; voor een weg bestaande uit een of twee rijstroken en een onbekende maximumsnelheid of een maximumsnelheid van meer dan 30 km/u: ten minste 200 m ; voor een weg bestaande uit drie of meer rijstroken: ten minste 350 m. Toetsing ,
,
,
,
,
In het geldende omgevingsplan ter plaatse van het plangebied zijn (nog) geen geluidaandachtsgebieden opgenomen. Voor onderhavig plan is wat betreft de toetsing daarom vastgehouden aan de contouren welke gelden in de overgangssituatie onder de Omgevingswet. De woningen bevinden zich binnen de onderzoekszone van zowel de Slagsteeg als de Rodeschuurderwegje. Daarmee zou in de basis een akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai uitgevoerd moeten worden. Op de Webmap verkeersgegevens Ermelo zijn de verkeersintensiteiten voor 2030 bekeken. Er rijden op de Slagsteeg (maatgevende weg) circa 800 motorvoertuigen per dag. De dichtstbijzijnde woning is op 68 meter van de weg gesitueerd. Op basis van de SRM-I rekenmethode is een inschatting gemaakt van de geluidbelasting op locatie. Hieruit blijkt dat de voorkeursgrenswaarde niet wordt overschreden. De Rodeschuurderwegje ligt op grotere afstand en er rijden minder voertuigen over. Verder ligt de locatie in het geluidsaandachtsgebied van de rijksweg A28. Uit de kaart Geluid verkeer op hoofdwegen gemaakt voor de Europese Richtlijn omgevingslawaai (END) en geraadpleegd via de Atlas Leefomgeving blijkt dat de 50 Lden-contour ruim buiten het plangebied ligt. Aanvullend is de kaart Geluid in Nederland bekeken die een meer gedetailleerde weergave geeft van de geluidssituatie.
Ook hieruit blijkt dat ter plaatse van het plangebied een geluidsbelasting van circa 44 dB optreedt. Gezien de afstand van ruim 13 kilometer tot de A28 en de uitkomsten van beide kaarten wordt geconcludeerd dat de standaardwaarde van 50 dB niet wordt overschreden en dat wegverkeerslawaai vanuit de A28 geen belemmering vormt voor de ontwikkeling. ,
,
,
,
Daarmee is het aspect wegverkeerslawaai niet belemmerend. Er hoeft wegverkeer te worden uitgevoerd.
geen
akoestisch onderzoek
Conclusie Op basis van vorenstaande wordt geconcludeerd dat het aspect 'Geluid' geen belemmering vormt voor het planvoornemen. 5. 2. 5
Geur
Wettelijk kader Er zijn diverse sectoren waarbij geurhinder een rol kan spelen zoals onder meer bij veehouderijen en andere landbouwactiviteiten de mengvoederindustrie horeca rioolwaterzuiveringsinstallaties slachterijen en (andere) milieubelastende activiteiten. De gemeente moet bij de vaststelling van (een wijziging van) het omgevingsplan rekening houden met geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen. Rekening houden met geur werkt twee kanten op: bij het mogelijk maken van activiteiten met gebruiksruimte in de buurt van geurgevoelige gebouwen ; bij het toelaten van geurgevoelige gebouwen in de buurt van bestaande activiteiten met gebruiksruimte (geurveroorzakende bedrijven). Onder de Omgevingswet dienen activiteiten allereerst te voldoen aan de regels welke onderdeel uitmaken van het tijdelijk omgevingsplan. De gemeentelijke geurverordening maakt hier ook onderdeel van uit hierin kan worden afgeweken van de standaardnormen. Indien er nog geen aanpassing heeft plaatsgevonden van het tijdelijk omgevingsplan en sprake is van een activiteit/inrichting die voorheen onder het Activiteitenbesluit milieubeheer viel dan gelden de regels uit de Bruidsschat. ,
,
,
,
,
,
,
Gemeente Ermelo steld
TAM-IMRO omgevingsplan 22f Rodeschuurderwegje 18 , Ermelo - vastge
pagina 33 van 321
De geur van een activiteit (met gebruiksruimte) op een geurgevoelig gebouw moet aanvaardbaar zijn (artikel 5. 92 lid 2 Bkl). De instructieregels van het Bkl voor geur zijn gericht op aangewezen geurgevoelige gebouwen. In de aanwijzing van geurgevoelige gebouwen is de functie bepalend. Hierbij kan gedacht worden aan wonen onderwijs of zorg. Voor overige gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van geurbescherming. Dat doet de gemeente vanuit haar taak van het evenwichtig toedelen van functies aan locaties. ,
Dit betekent dat de gemeente moet beoordelen of waarden afstanden of gebruiksregels in het omgevingsplan leiden tot een aanvaardbaar hinderniveau. Gemeenten bepalen zelf welke mate van geurhinder zij aanvaardbaar vinden. De gemeente legt in het omgevingsplan vast wat de plaats is waar waarden voor geur gelden. Ook kennen sommige activiteiten afstandsregels. Dit zijn minimumafstanden tussen een geurgevoelig gebouw en een geurveroorzakende activiteit. ,
Toetsing Het planvoornemen voorziet niet in het (planologisch) mogelijk maken van een milieubelastende activiteit in het kader van geur. Wel voorziet de voorgenomen ontwikkeling in de realisatie van geurgevoelige objecten in de vorm van woningen. Ten opzichte van de huidige (vergunde) situatie worden dus geurgevoelige objecten toegevoegd. Derhalve dient te worden onderzocht of ter plaatse van het plangebied sprake is van een aanvaardbaar geurhinderniveau. Onderstaand wordt het planvoornemen getoetst aan het geldende geurbeleid. De gemeente Ermelo beschikt niet over een geldende geurverordening. ,
,
Locis Adviseurs heeft een geuronderzoek uitgevoerd om te garanderen dat er een wenselijk woonen leefklimaat te garanderen is. Dit onderzoek is toegevoegd als Bijlage 3. De achtergrondbelasting (cumulatief) is berekend op maximaal 84 ouE/m 3 en wordt daarmee als ‘goed’ beoordeeld. De voorgrondbelasting afkomstig van de veehouderij aan het Rodeschuurderwegje 17 bedraagt maximaal 59 ouE/m 3 bij de nieuwe woningen en 116 ouE/m 3 in de worst-case situatie bij de bestaande woning. Ook deze waarden blijven onder de wettelijke norm van 14 ouE/m.3 Daarmee is zowel de voorgrond- als achtergrondbelasting toelaatbaar en is sprake van een acceptabel woonen leefklimaat. Omliggende agrarische bedrijven worden niet beperkt. ,
,
,
,
,
Conclusie Op basis van vorenstaande wordt geconcludeerd dat het aspect 'Geur' voor het planvoornemen. 5. 2. 6
geen
belemmering vormt
Luchtkwaliteit
Wettelijk kader In Afdeling 2. 2 van het Bkl zijn omgevingswaarden opgenomen voor stikstofoxiden stikstofdioxiden fijnstof benzeen lood koolmonoxide en ozon. In Nederland worden over het algemeen alleen voor stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10) mogelijk overschrijdingen verwacht. Uit paragraaf 5. 1. 4. 1 van het Bkl volgt vervolgens dat wanneer een (wijziging van het) omgevingsplan activiteiten toestaat die leiden tot een verhoging van die concentratie stikstofdioxide dan wel fijnstof in de buitenlucht de omgevingswaarden als genoemd in afdeling 2. 2 in acht worden genomen in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. ,
,
,
,
,
,
Het Rijk toetst en monitort de luchtkwaliteit vooral in de zogenoemde aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) of fijnstof (PM10) dan verwacht mag worden. Soms worden hier de rijksomgevingswaarden overschreden of is de achtergrondconcentratie zo hoog dat bij toevoeging van een een nieuw project rijksomgevingswaarde overschreden kan worden. Bij een aanvraag voor één of meerdere activiteiten in een aandachtsgebied dient het effect van de ontwikkeling op de luchtkwaliteit beoordeeld te worden. Als de gemeente activiteiten toelaat die leiden tot gebruik van wegen vaarwegen of spoorwegen (verkeersaantrekkende werking) of waarvoor luchtregels staan in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) moet worden voldaan aan de omgevingswaarden. Dit volgt uit artikel 5. 51 van het Bkl. ,
,
,
,
Indien een ontwikkeling niet is gelegen in of in de nabijheid van een aandachtsgebied hoeft de luchtkwaliteit in de meeste gevallen niet beoordeeld te worden. Net als onder de voormalige Wet milieubeheer is er namelijk een uitzondering voor activiteiten die maar weinig bijdragen aan de luchtvervuiling oftewel: niet in betekenende mate (NIBM). Conform artikel 5. 53 en 5. 54 Bkl draagt een project of activiteit NIBM bij als de toename van de concentratie NO 2 en PM 10 niet hoger is dan 12 µg/m.3 Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentratie. Door te ,
,
,
Gemeente Ermelo steld
TAM-IMRO omgevingsplan 22f Rodeschuurderwegje 18 , Ermelo - vastge
pagina 34 van 321
motiveren dat een project binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft is het mogelijk om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft. Onder deze standaardgevallen NIBM vallen kantoren woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet dan wel onder een bepaalde omvang blijven (artikel 5. 54 Bkl). Woonwijken zijn NIMB als het gaat om maximaal: 1. 500 woningen bij 1 ontsluitingsweg ; 3. 000 woningen bij 2 ontsluitingswegen. Een wijzigingsbesluit voldoet aan de luchtkwaliteitsnormen indien: aannemelijk is gemaakt dat het plan niet tot het overschrijden van een grenswaarde (vanaf ingangsdatum) dan wel niet leidt tot een toename van reeds bestaande overschrijding van een grenswaarde ; aannemelijk is gemaakt dat de luchtkwaliteit als gevolg van het plan per saldo verbetert of ten minst gelijk blijft dan wel bij een beperkte verslechtering van de luchtkwaliteit door een met hen plan samenhangende maatregel of een door die uitoefening of toepassing optredend effect de luchtkwaliteit per saldo verbetert (saldering) ; aannemelijk is gemaakt dat het plan NIBM bijdraagt aan de concentratie in de buitenlucht van een stof waarvoor een grenswaarde is opgenomen. Toetsing In Nederland zijn de maatgevende luchtverontreinigende stoffen stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10).
Met betrekking tot luchtkwaliteit moet rekening worden gehouden met de luchtkwaliteitseisen in hoofdstuk 5 van de Wet Milieubeheer en de bijbehorende bijlagen. ,
,
,
,
,
Luchtkwaliteitseisen vormen geen belemmering voor ruimtelijke ontwikkeling als: er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde ; een project al dan niet per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt ; < een project ‘niet in betekenende mate’ bijdraagt aan de luchtverontreiniging (3% van de jaargemiddelde grenswaarde) ; een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL dat in werking treedt nadat de EU derogatie heeft verleend. Conform voorschrift 3B. 2 van bijlage 3b van de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' draagt een bouwplan niet in betekenende mate bij aan de luchtkwaliteit wanneer het plan niet voorziet in de bouw van meer dan 1. 500 woningen. ,
,
,
Er worden 6 woningen gerealiseerd. De conclusie is dan ook dat de ontwikkeling in het plangebied niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit. Conclusie Op basis
van
,
vorenstaande wordt geconcludeerd dat het aspect 'Luchtkwaliteit' geen belemmering
vormt voor het planvoornemen.
5. 2. 7
Trillingen
Wettelijk kader Onder de Omgevingswet zijn de regels van trillingen door bedrijven (activiteiten) gedecentraliseerd. Dat betekent dat gemeenten zelf regels mogen stellen over trillingen van activiteiten. Hiervoor gelden de instructieregels over trillingen door activiteiten op trillinggevoelige gebouwen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Toetsing Het onderdeel Trillingen is ook geregeld in paragraaf 22. 3. 5 van de Bruidsschat. Daarin worden regels gesteld aan trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz door een activiteit in een trillinggevoelige die op een locatie is toegelaten op grond van een ruimte van een trillinggevoelig gebouw omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Er gelden maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen. De maximale waarden zijn opgenomen in de tabellen in artikel 22. 88 en 5. 87a van de Bruidsschat. ,
Het planvoornemen voorziet in de realisatie van trillinggevoelige gebouwen. Tot op heden zijn door de gemeente Ermelo (nog) geen omgevingswaarden dan wel specifieke regels in het kader van trillingen opgenomen in het omgevingsplan hier kan dus niet aan worden getoetst. Echter aangezien in de nabijheid van het plangebied geen (gezoneerd) industrieterrein of een spoorweg is gelegen wordt verondersteld dat trillingen geen belemmering vormen voor onderhavig initiatief. ,
Gemeente Ermelo steld
,
,
TAM-IMRO omgevingsplan 22f Rodeschuurderwegje 18 , Ermelo - vastge
pagina 35 van 321
Conclusie Op basis van vorenstaande wordt geconcludeerd dat het aspect 'Trillingen' geen belemmering vormt voor het planvoornemen. 5. 2. 8
Bodem
Wettelijk kader Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels in het Bkl opgenomen. De inhoud van deze regels is via het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet opgenomen in paragraaf 5. 1. 4. 5 Bkl. Het aanvullingsbesluit bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Er worden drie basisvormen voor bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur wonen en industrie. De kaders zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid. De gemeente stelt de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem vast dit wordt opgenomen in het definitieve omgevingsplan (art. 5. 89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen en mogen niet hoger zijn dan het blootstellingsniveau van het maximaal toelaatbaar risico voor de mens dit is opgenomen in bijlage VA van het Bkl. ,
,
,
De toelaatbare kwaliteit van de bodem is een voorwaarde voor bouwen op verontreinigde bodem en is geen omgevingswaarde. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde (zie art. 5. 89i Bkl) is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (art. 5. 89k Bkl art. IIIa onder 2 Aanvullingbesluit Bodem).
,
Een bodemgevoelige locatie is in ieder geval een locatie waarop bodemgevoelige gebouwen (o. a. woningen) zijn toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Tot een bodemgevoelige locatie hoort ook een aaneengesloten terrein direct grenzend aan een bodemgevoelig gebouw. Bij wijzigingen van activiteiten geldt dat de bodem geschikt moet zijn voor het beoogde gebruik. Dit kan betekenen dat een onderzoek moet worden verricht naar de bodem- en grondwaterkwaliteit om aan te tonen dat bodem al dan niet geschikt is voor het beoogde gebruik. Toetsing Lycens B. V. heeft een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd op de locatie aan de Rodeschuurderwegje 18 te Ermelo opgenomen als Bijlage 5. De aanleiding voor het onderzoek is de geplande planologische procedure aanvraag omgevingsvergunning en de geplande herinrichting van de locatie. Het doel van het onderzoek is het bepalen van de bodemkwaliteit op de locatie en daarmee mogelijke verontreinigingen in grond en grondwater te signaleren welke consequenties kunnen hebben voor de voorgenomen planologische procedure aanvraag omgevingsvergunning en de geplande herinrichting van de locatie. Op grond van de beschikbare gegevens (resultaten vooronderzoek zintuiglijke waarnemingen gedaan tijdens het veldwerk en de analyseresultaten) kan het volgende worden geconcludeerd: ,
,
,
,
Resultaten grond Uit de resultaten blijkt dat de zintuiglijk schone bovengrond een licht verhoogd gehalte aan PAK bevat. Overige parameters zijn niet verhoogd gemeten. Ter plaatse van de druppelzone is PCB niet verhoogd gemeten. Resultaten asbest Visueel is geen asbestverdacht plaatmateriaal aangetroffen. In het puin is analytisch geen asbest aangetoond in de fijne fractie. Ter plaatse van de druppelzone is 390 mg/kg ds. aan asbest aangetoond in de fijne fractie. Daarmee wordt de interventiewaarde overschreden. Resultaten grondwater In het grondwater is een zeer licht verhoogde concentratie aan naftaleen gemeten. Een directe bron is niet bekend. De interventiewaarde wordt niet benaderd of overschreden. Op basis van de bekende literatuur kan voor druppelzones een breedte van 10 meter en diepte van 01 m-mv worden aangehouden wat betreft verontreinigd oppervlak. De totale lengte van de druppelzone is circa 25 meter waardoor de omvang geraamd kan worden op circa 25 m3 (25 x 10 x 01). Geadviseerd wordt om de asbestverontreiniging in het kader van de herontwikkeling te saneren. Daarbij dient opgemerkt te worden dat voorafgaande aan de saneringswerkzaamheden ,
,
,
,
,
Gemeente Ermelo steld
TAM-IMRO omgevingsplan 22f Rodeschuurderwegje 18 , Ermelo - vastge
pagina 36 van 321
sprake is van een informatie- en meldingsplicht. De proceduretermijn bedraagt vier weken. De saneringswerkzaamheden dienen door een erkende aannemer (BRL7000) en onder milieukundige begeleiding (BRL6000) te worden uitgevoerd. De overige resultaten vormen geen belemmering Conclusie
de voorgenomen herontwikkeling.
voor
Op basis van vorenstaande wordt geconcludeerd dat het aspect 'Bodem' geen belemmering vormt voor het planvoornemen mits de asbestverontreiniging wordt gesaneerd voor de bouw start. ,
5. 2. 9
Activiteiten
milieuzonering
en
Wettelijk kader De Omgevingswet zorgt voor een samenhangende benadering van de fysieke leefomgeving. In de systematiek onder de Omgevingswet wordt gebruikgemaakt van milieuwaarden in plaats van vaste afstanden. Niet met een vaste richtafstand voor iedere activiteit ongeacht of de activiteit die afstand wel nodig heeft maar met een concrete waarde per activiteit met daarbij een zo reëel mogelijk ruimtebeslag. Hiermee wordt beoogd discussie over de toewijzing van bedrijven aan milieucategorieën en onnodig grote gebruiksruimte te voorkomen. ,
,
Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de daarvoor algemeen aanvaarde VNGuitgave Bedrijven en Milieuzonering uit 2009 gebruikt. Deze uitgave bevat een lijst waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur stof geluid en gevaar. ,
,
,
In de VNG-publicatie zijn twee omgevingstyperingen opgenomen voor de omgevingskwaliteit: Rustige woonwijk en rustig buitengebied: een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven of kantoren) voor. Langs de randen (in de overgang naar mogelijke bedrijfsfuncties) is weinig verstoring door verkeer. Een vergelijkbaar omgevingstype qua aanvaardbare milieubelasting is een rustig buitengebied (eventueel inclusief verblijfsrecreatie) een stiltegebied of een natuurgebied. Gemengd gebied: een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. In een rustige woonwijk of buitengebied wordt functiescheiding nagestreefd. In tegenstelling tot rustige woongebieden worden in gemengde gebieden milieubelastende activiteiten op kortere afstand van milieuhinder gevoelige functies acceptabel geacht. ,
,
Toetsing Type gebied: buitengebied (gemengd gebied) ‘Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. ’ ,
Kijkende naar de definitie van gemengd gebied zoals deze omschreven staat in de VNG brochure kan de omgeving van het plangebied getypeerd worden als gemengd gebied. In de directe nabijheid zitten onder andere de functies wonen agrarisch bos en bedrijven. ,
,
Milieubelastende activiteit of milieuhindergevoelige functie De te realiseren woningen betreffen geen milieubelastende activiteiten. Er hoeft derhalve niet te worden getoetst of omliggende milieugevoelige functies last ondervinden van het onderhavige plan als milieubelastende activiteit. Er dient wel te worden beoordeeld of ter plaatse van het plangebied sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties' en of omliggende milieubelastende functies in de bedrijfsvoering worden belemmerd. Nabijgelegen milieubelastende activiteiten Om te kunnen beoordelen of er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en of omliggende milieubelastende functies in de bedrijfsvoering worden belemmerd is er gekeken naar alle nabijgelegen milieubelastende activiteiten. Hieronder in tabel 4. 1 zijn richtafstanden en Gemeente Ermelo steld
TAM-IMRO omgevingsplan 22f Rodeschuurderwegje 18 , Ermelo - vastge
pagina 37 van 321
werkelijke afstanden tot activiteiten in de omgeving van het plan. In Bijlage 6 Notitie Activiteiten en milieuzonering zijn onderstaande tabel en de beoordeling van de nabijgelegen milieubelastende activiteiten verder uitgewerkt. Tabel 5. 1: Richtafstanden activiteiten in de omgeving Adres Omschrijving cf. systematiek Richtafstand VNG-richtlijn (m) Slagsteeg 32 Rodeschuurderwegje 15 Rodeschuurderwegje 14 Rodeschuurderwegje 17 Rodeschuurderwegje 12 - 12a Slagsteeg 36 Rodeschuurderwegje 26-28 Horsterweg 199-201 Zeeweg 62-b Zeeweg 60 Slagsteeg 32
Niet gespecificeerd Houden van rundvee
100 / 50 100 / 50
Werk. afstand (m) 54 57
Houden
van
eenden
100 / 50
132
Geur
Houden
van
rundvee
100 / 50
145
Geur
Houden
van
rundvee
100 / 50
162
Geur
Varkenshouderij Grondopslagbedrijf
200 / 100 300 / 150
220 243
Geur Geluid
200 / 100 30 / 10 30 / 10
320 394 451
Geur Geur Geluid
Houden van kalveren Poeliersbedrijf Caravanstalling
en
varkens
Milieu bepalend aspect
Geur Geur
Het bedrijf aan de Slagsteeg 32 ten noorden van het plangebied kent de bestemming ''Agrarisch gebied'' zonder verdere functieaanduiding. De als zodanig op de plankaart aangegeven gronden zijn bestemd voor uitoefening van het agrarisch bedrijf dagrecreatie verkeer extensieve nutsvoorzieningen voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding. ,
,
,
,
Omdat er geen bedrijfsactiviteiten zijn gespecificeerd wordt rekening gehouden met de maximale planologische mogelijkheden. In dit geval is rekening gehouden met het houden van runderen. De hoogste richtafstand die hierbij hoort is 50 meter voor geur. De afstand tussen het bouwvlak van de Slagsteeg 32 en de dichtstbijzijnde nieuw te realiseren woning is circa 47 meter. Ondanks dat niet aan de richtafstand voldaan wordt en anders dan gesteld in genoemde rapportage is deze afstand ook niet zodanig klein dat hinder te verwachten is. Het grootste deel van de woning ligt daarnaast buiten de 50 meter. Daarbij komt dat er in de bestaande situatie geen agarisch bedrijf ingeschreven staat aan de Slagsteeg 32. ,
Nabijliggende agrarische bedrijven In de directe omgeving van het plangebied bevinden zich enkele agrarische bedrijven hierom is het aspect geur van belang voor onderhavig plan. Uit het onderzoek is gebleken dat er als gevolg van de bedrijfsvoering van de in de omgeving aanwezige agrarische bedrijven geen afbreuk wordt gedaan aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Er wordt in deze paragraaf derhalve niet verder ingegaan op de aanwezigheid van deze bedrijven. De minimumafstand voor ruimte-voor-ruimte woningen is conform artikel 14 Wet geurhinder en veehouderijen buiten de bebouwde kom 50 meter. Het bouwvlak van de beoogde woningen ligt buiten de 50-meter-zone van de intensieve veehouderijen in de omgeving. Voor geur is dus niet de VNG-publicatie leidend maar artikel 5. 92 lid 2 Bkl welke in paragraaf 5. 2. 5 Geur uitgebreider wordt beschreven. Voor de overige milieuaspecten worden de richtafstanden niet overschreden. ,
,
,
Windpark Horst
,
en Telgt
Ten westen van het plangebied ligt een ontwerp bestemmingsplan ter inzage door Prowind om een windpark te ontwikkelen. In de projectfase wordt uitgegaan van maximaal 7 grote windmolens van 250 meter hoog. In onderstaande figuur zijn de locaties van de windmolens weergeven middels rode punten. In blauw is het plangebied van voorliggend plan gemarkeerd. De dichtstbijzijnde windmolen is op circa 1. 46 kilometer van de nieuw te realiseren woningen geprojecteerd.
Gemeente Ermelo steld
TAM-IMRO omgevingsplan 22f Rodeschuurderwegje 18 , Ermelo - vastge
pagina 38 van 321
Figuur 5. 2. Windmolens In de VNG-publicatie zijn richtafstanden voor windmolens opgenomen. Afhankelijk van de wiekdiameter (20 30 of 40 meter) bedraagt de richtafstand (uitgaande van functiescheiding) 100 200 of 300 meter vanwege het aspect geluid. De beoogde windmolens krijgen een wiekdiameter van 725 tot 85 meter. De wiekdiameter wordt gemeten vanaf het middelpunt van de wieken tot het uiteinde van de wieken. De wiekdiameter van de beoogde windmolens is daarmee groter dan de in de VNG-publicatie opgenomen categorieën en geconcludeerd wordt dat de VNG-publicatie niet kan worden toegepast op onderhavige ontwikkeling. ,
,
,
Gelet op de afstand van 1. 460 meter van de beoogde woningen tot de windmolens de demping van het geluid door tussenliggende objecten en geluidswerende maatregelen conform Bouwbesluit is het zeer onwaarschijnlijk dat ter plaatse van het plangebied sprake zal zijn van geluidshinder als gevolg van de windmolens. ,
,
Naast geluidshinder door windmolens is slagschaduw een relevant aspect voor mogelijke milieuhinder. Wettelijk gezien mag er op gevoelige objecten niet meer dan gemiddeld 17 dagen per jaar gedurende meer dan 20 minuten per dag slagschaduw optreden. In de milieuwetgeving zijn voorschriften opgenomen om hinder door slagschaduw te beperken. In de Activiteitenregeling milieubeheer (Activiteitenbesluit) staat hoe vaak en hoe lang per dag de slagschaduw van een windturbine een woning mag raken. Via de vergunning zijn windturbines bijna altijd verplicht voorzien van een stilstandvoorziening. Die schakelt de windturbine uit tijdens de slagschaduw. Een stilstandvoorziening is nodig als: de afstand van de windturbine tot de woningen en andere ‘gevoelige functies' (bijvoorbeeld scholen) minder dan 12 maal de rotordiameter is. Bij een rotordiameter van 110 meter (blad van 55 meter) geldt dan: binnen een afstand van 1. 320 meter. gemiddeld meer dan 17 dagen per jaar gedurende meer dan 20 minuten per dag slagschaduw kán optreden. In de toekomstige situatie is sprake van een rotordiameter van minimaal (725 x 2 =) 145 meter (max 170 meter) dus geldt zone van 145 maal 12 maakt 1. 740 meter. De rotordiameter is twee maal de wiekdiameter. Op 1. 460 meter liggen de beoogde woningen binnen deze afstand en is een stilstandvoorziening dus noodzakelijk.
In deze zone zijn in de bestaande situatie reeds woningen aanwezig en een stilstandvoorziening is voor de beoogde windmolens in de huidige situatie reeds ,
,
Gemeente Ermelo steld
TAM-IMRO omgevingsplan 22f Rodeschuurderwegje 18 , Ermelo - vastge
pagina 39 van 321
noodzakelijk. De initiatiefnemer van het windpark wordt in die zin niet nader beperkt als gevolg de onderhavige ontwikkeling.
van
Conclusie Op basis van vorenstaande wordt geconcludeerd dat het aspect 'Activiteiten & milieuzonering' belemmering vormt voor het planvoornemen.
geen
5. 2. 10 Omgevingsveiligheid Wettelijk kader De hoofdlijnen van het wettelijk kader omtrent de externe veiligheid zijn opgenomen in instructieregels in afdeling 5. 1. 2 Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico (PR) en aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten: a. Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. b. Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg water en spoor). c. Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Bal. d. Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Bal. Onder de Omgevingswet is het werken met aandachtsgebieden voor externe veiligheidsrisico's een manier van omgaan met het groepsrisico (GR) (artikel 5. 12 t/m 5. 15 Bkl). Een aandachtsgebied geldt van rechtswege. Deze worden vastgelegd in het Register Externe Veiligheid (REV) en zijn digitaal raadpleegbaar. De data uit het REV wordt ontsloten via de Atlas leefomgeving. In het deelplan moet binnen deze aandachtsgebieden rekening worden gehouden met het groepsrisico. Hier wordt aan voldaan door in het aandachtsgebied geen beperkt kwetsbare kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen toe te laten en ook geen beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties.
Deze gebouwen en locaties zijn wel toelaatbaar als er daarvoor extra maatregelen worden genomen. ,
,
Kwetsbare gebouwen zijn alle gebouwen met een woonfunctie (niet verspreid liggende bebouwing). Gebouwen en locaties zijn ook kwetsbaar als er veel personen een groot deel van de dag aanwezig zijn bijvoorbeeld gebouwen met een kantoorfunctie. Daarnaast bestaan er ook zeer kwetsbare gebouwen. Een gebouw is 'zeer kwetsbaar' als het een gebouw is voor mensen die zichzelf niet op tijd in veiligheid kunnen brengen zoals een kinderopvang basisschool school/verblijf voor personen met een lichamelijke of geestelijke beperking een woonfunctie voor 24-uurszorg en gevangenissen. ,
,
,
,
,
Onder de Omgevingswet werken gemeenten in het kader van externe veiligheid met aandachtsgebieden. Gemeenten moeten in hun omgevingsplan regels opnemen omtrent externe veiligheid. Dat geldt onder meer als zij in de buurt van een risicobron nieuwe (kwetsbare) gebouwen toestaan of als de gemeente nieuwe risicobronnen op haar grondgebied wil toestaan. In het omgevingsplan zijn door de gemeente Ermelo (nog) geen aandachtsgebieden opgenomen in het kader van externe veiligheid derhalve is vastgehouden aan het omgevingsplan van rechtswege. ,
Toetsing De
voorgenomen ontwikkeling voorziet niet in de realisatie van nieuwe risicobron. Wel voorziet de voorgenomen ontwikkeling in de realisatie van kwetsbare gebouwen , namelijk de woningen. Tot op heden heeft de gemeente Ermelo in het omgevingsplan (nog) geen invulling gegeven aan het opnemen van aandachtsgebieden met betrekking tot externe veiligheidsrisico's. Aan de hand van het REV uit Atlas leefomgeving is derhalve een inventarisatie verricht van de risicobronnen in en rondom
het plangebied (zie figuur 5. 3).
Gemeente Ermelo steld
TAM-IMRO omgevingsplan 22f Rodeschuurderwegje 18 , Ermelo - vastge
pagina 40 van 321
Figuur 5. 3 Risicokaart Transport over het water Het plangebied bevindt zich niet binnen een invloedsgebied van een waterweg waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. De risico’s als gevolg van transport over het water vormen geen aandachtspunt voor de planvorming waardoor een verantwoordingsplicht niet aan de orde is. Transport over de weg Op circa 13 kilometer van het plangebied is de rijksweg A28 gelegen waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Het plaatsgebonden risico en het PAG vormen geen aandachtspunt voor de planontwikkeling. Gezien de ligging buiten 200 meter van de weg is de hoogte van het groepsrisico als gevolg van de weg lager is dan 01 maal de oriënterende waarde. Een RBM II-berekening is derhalve niet noodzakelijk. Het plangebied ligt niet binnen het invloedsgebied van deze rijksweg. ,
,
,
,
Transport over het spoor Op circa 22 kilometer ten oosten van het plangebied bevindt zich de spoorlijn Amersfoort – Zwolle waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Dit tracé heeft een plaatsgebonden risicocontour 10-6 van 6 meter. Het plasbrandaandachtsgebied (PAG) van het spoor bedraagt 30 meter. Het invloedsgebied voor de verantwoording van het groepsrisico bedraagt 460 meter voor brand & explosie. Voor toxisch is dit 4. 000 meter. Het plaatsgebonden risico en het PAG vormen geen aandachtspunt voor de planontwikkeling. Aangezien het plangebied op meer dan 200 meter van de spoorlijn is gelegen is het ook niet noodzakelijk de invloed van de planvorming op de hoogte van het groepsrisico kwantitatief inzichtelijk te maken. Het plangebied ligt echter wel binnen het invloedsgebied van deze spoorlijn aangezien er toxisch gas en toxische vloeistoffen over de spoorlijn worden vervoerd. Gezien de ligging van het plangebied binnen het invloedsgebied van de spoorlijn is in principe een verantwoording van het groepsrisico nodig. Omdat het plangebied buiten de 200-meter-zone ligt volstaat een beperkte verantwoording. ,
,
,
,
,
,
Verantwoording groepsrisico Maatgevende scenario's Over de spoorlijn Amersfoort-Zwolle worden brandbare gassen en toxische vloeistoffen/gassen getransporteerd. Het maatgevende scenario is een toxische wolk. Onderstaand is vanuit dit scenario Gemeente Ermelo steld
TAM-IMRO omgevingsplan 22f Rodeschuurderwegje 18 , Ermelo - vastge
pagina 41 van 321
ingegaan op de mogelijkheden voor de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. De mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang
van een ramp
Bij een calamiteit zal de brandweer zich inzetten om effecten ten gevolge van het incident te beperken of te voorkomen. Deze inzet zal voornamelijk plaatsvinden bij de bron. De brandweer richt zich dan niet direct op het bestrijden van effecten in of nabij het plangebied. Eventuele secundaire branden in het plangebied kunnen met behulp van de primaire bluswatervoorzieningen worden bestreden door de brandweer. De mogelijkheden voor bestrijdbaarheid worden daarom niet verder in beschouwing genomen. De mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen Bij een calamiteit is het belangrijk dat de aanwezigen in het plangebied worden geïnformeerd hoe te handelen bij een incident. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de zogenaamde waarschuwings- en alarmeringspalen (WAS-palen) of NL-alert. Bij een scenario waarin toxische stoffen vrijkomen is het advies om te schuilen in een gebouw waarvan ramen deuren en ventilatie gesloten kunnen worden. ,
,
,
Buisleidingen Het plangebied ligt niet binnen de 1% letaliteitsafstand van een aardgasleiding. Echter bevindt het plangebied zich binnen het invloedsgebied van de aardgasleiding A-510. Risicobron Werkdruk Richtafstand Werk. afstand Naam Diameter (mm) (bar) (m) (m) Aardgasleidin N-510 914 6620 700 1200 ,
g
In de voorgenomen ontwikkeling worden drie woningen toegevoegd. Het plangebied ligt op geruime afstand van de aardgasleiding A-510. Gezien het plangebied op dusdanig grote afstand van de aardgasleiding ligt is er geen afbreuk van de veiligheid van de beoogde woningen binnen het plangebied. ,
Inrichtingen Het plangebied ligt niet binnen een invloedsgebied van een risicovolle inrichting in de omgeving. De beoogde woningen komen op ongeveer 608 meter van een LPG-Explosieaandachtsgebied. Deze afstand is dermate groot dat de aanwezigheid geen belemmering vormt voor de ontwikkeling. Er is geen wettelijke belemmering vanuit externe veiligheid voor het realiseren van de planontwikkeling. Conclusie Op basis van vorenstaande wordt geconcludeerd dat het aspect 'Omgevingsveiligheid' geen belemmering vormt voor het planvoornemen. 5. 2. 11
Water
Wettelijk kader Artikel 5. 37 van het Bkl stelt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Naast de specifieke regels als gesteld in paragraaf 5. 1. 3 Bkl over delen van het watersysteem in het omgevingsplan worden voor een duiding van de gevolgen voor het beheer van het watersysteem de opvattingen van het bestuursorgaan dat belast is met het beheer van die watersystemen betrokken. Denk bijvoorbeeld aan (instructie)regels uit de provinciale omgevingsverordening en de waterschapsverordening. ,
,
Het is aan het bevoegd gezag om te bepalen hoe andere bestuursorganen bij de besluitvorming worden betrokken bij de weging van het waterbelang. Onder de Omgevingswet is de oorspronkelijke watertoets niet langer voorgeschreven en is de gemeente vrij om hier zelf invulling aan te geven. Gemeenten kunnen zelf besluiten om omgevingswaarden vast te stellen. Indien hiervan sprake is dient in een ruimtelijke procedure ook aan deze omgevingswaarde getoetst te worden. ,
Ten slotte zijn de regels van art. 5. 165 Bkl en paragraaf 22. 3. 8 uit de bruidsschat van belang met betrekking tot het lozen van (industrieel) afvalwater in het openbaar vuilwaterriool. In het algemeen is de specifieke zorgplicht voor milieubelastende activiteiten die in de bruidsschat zijn opgenomen voldoende. Toetsing Waterschap In het kader Gemeente Ermelo steld
van
afstemming
en
vooroverleg
met
het
Waterschap
is de
digitale
watertoets
TAM-IMRO omgevingsplan 22f Rodeschuurderwegje 18 , Ermelo - vastge
pagina 42 van 321
uitgevoerd. Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid wateroverlast tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering omgang met hemelwater lozingen op oppervlaktewater). ,
,
,
,
Op basis van de watertoets is geconcludeerd dat belangen van het waterschap worden geraakt. Daarom dient de normale procedure te worden gevolgd. Het waterschap heeft op basis hiervan een uitgangspuntennotitie opgesteld voor de voorgenomen ontwikkeling. Vanuit het waterschap zijn er de volgende bijzonderheden Ligging B-watergang: voor veranderingen hieraan is een vergunning/melding nodig. Aanleggen duiker met melding mist voldaan aan voorwaarden zie waterschapsverordening 2. 133 en algemene regels 2. 134 en 2. 135. Voor dempen is een vergunning nodig maar dan zal een oplossing voor de afvoerfunctie van het bovenstroomse deel van de watergang gevonden moeten worden. Zie waterschapsverordening artikel 2. 96 en bijbehorende beleidsregel 3. 2. 1. Vasthouden-bergen-afvoeren. Benodigde waterberging als compensatie voor verhard oppervlak conform regels gemeente Ermelo. Grondwaterneutraal bouwen. Schoon houden-scheiden-schoon maken. ,
,
Figuur 5. 4. Groen is B-watergang oranje is C-watergang ,
Waterberging Gezien de omvang van het plangebied (meer dan 1. 500 m²) moet er in het plan waterberging worden opgenomen van 60 mm. Dit komt neer op een totale bergingscapaciteit van 90 m³ (60 mm x 1. 500 m²). Er wordt aan de achterzijde een ecologische wadi gerealiseerd met een omvang van 116 m 2 gerealiseerd. Daarmee wordt ruimschoots voldaan aan de bergingsopgave van 90 m.3 Het hemelwater dat op de nieuwe gebouwen valt zal opgevangen en afgevoerd worden richting de wadi en omliggende gronden waar het in de bodem kan infiltreren. ,
Oppervlaktewater
Gemeente Ermelo steld
TAM-IMRO omgevingsplan 22f Rodeschuurderwegje 18 , Ermelo - vastge
pagina 43 van 321
In het plangebied en de omgeving is geen grondwateroverlast bekend. Direct naast het plangebied ligt een C-watergang. Dit plan wijzigt niets aan de watergangen. Vuilwaterafvoer Het gebied wordt momenteel bediend door een mechanisch rioolstelsel. Aansluiting op de bestaande pompunit is in principe mogelijk mits dit technisch haalbaar is met betrekking tot de hoogteligging en het benodigde afschot. De haalbaarheid hiervan wort door de ontwikkelaar onderzocht. ,
Verder worden de woningen op voldoende hoogte aangelegd. Daarvoor wordt gebruik gemaakt het PVE Water en Riolering van de gemeente Ermelo.
van
Conclusie Op basis van vorenstaande wordt geconcludeerd dat het aspect 'Water' geen belemmering vormt voor het planvoornemen. 5. 2. 12 Natuur Wettelijk kader Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden nationaal landschap en provinciaal beschermde gebieden regels voor soortenbescherming van te beschermen plant- en diersoorten en regels ter bescherming van houtopstanden. Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen te weten de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. ,
,
,
Gebiedsbescherming Als er naar aanleiding van projecten plannen en activiteiten afzonderlijk of in combinatie met andere plannen en projecten mogelijkerwijs significante effecten optreden dienen deze bij de voorbereiding van een omgevingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Bescherming van Natura 2000-gebieden nationaal landschap en provinciaal beschermde gebieden kennen een interne alsook een externe werking. Zowel ingrepen die binnen als ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en negatieve effecten kunnen veroorzaken op de instandhoudingsdoelstellingen moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitatten. De regelgeving met betrekking tot stikstofdepositie wordt geregeld in artikel 22. 20 van de Omgevingswet voor nu is hier nog geen invulling aan gegeven. De regels wat betreft stikstof onder artikel 5. 5a van de Wet natuurbescherming (Wnb) blijven gelden tot een bij koninklijk besluit te bepalen datum. Hier vindt vooralsnog dus geen verandering plaats ten opzichte van oorspronkelijke wet- en regelgeving. In de Omgevingswet zal uiteindelijk een omgevingswaarde ten aanzien van stikstof worden ingevoerd. Intern salderen is verguningplichtig. Bij toepassing van intern salderen in een stikstofdepositieberekening wordt de hele stikstofemissie beoordeeld ten opzichte van de reeds toegestane activiteit op die locatie. ,
,
,
,
,
,
,
,
,
Soortenbescherming Onder de Omgevingswet zijn alle inheemse flora en fauna beschermt. De bescherming richt zich zowel op soorten van Europees belang die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen als op bepaalde soorten van nationaal belang. Het kan de vorm hebben van wet- en regelgeving maar ook van fysieke maatregelen die bescherming vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2. 18 lid 1 sub f van de Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter ook decentrale overheden kunnen hierover beleid voeren. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma van soortenbescherming. Soortenbescherming in de Omgevingswet is vooral gericht op het reguleren van flora- en fauna-activiteiten dit zijn activiteiten die gevolgen kunnen hebben voor dieren en planten in het wild. Er kan dan een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit benodigd zijn. Door strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving worden onderzocht: of er soorten aanwezig zijn ; welke soorten dat zijn ; of deze negatief aangetast worden door de geplande werkzaamheden. hoofdstuk In 11 van het Bal staat beschreven wanneer een vergunning benodigd is. ,
,
,
,
,
,
Gemeente Ermelo steld
TAM-IMRO omgevingsplan 22f Rodeschuurderwegje 18 , Ermelo - vastge
pagina 44 van 321
Houtopstanden Om bossen te beschermen en vanwege internationale regels geeft het Rijk regels voor het vellen van houtopstanden herbeplanten het verhandelen en bezit van hout(producten). Degene die zo'n activiteit uitvoert moet voldoen aan die regels zoals de specifieke zorgplicht. Ook kan een meldingsplicht gelden. De rijksregels met betrekking tot het vellen en herbeplanten van bomen gelden enkel voor houtopstanden buiten de bebouwingscontour voor houtkap. Tevens gelden de rijksregels niet op erven of in tuinen. Indien een ontwikkeling is beoogd binnen de bebouwingscontour voor houtkap (c. q. stedelijk gebied) dient te worden voldaan aan de regels omtrent houtopstanden zoals door gemeente opgenomen in het omgevingsplan. ,
,
,
,
,
Toetsing Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is het plangebied in augustus 2023 onderzocht op de (potentiële) aanwezigheid van beschermde planten dieren en beschermde nesten holen vaste rust- en voortplantingslocaties en andere beschermde functies zoals foerageergebied en vliegroutes van vleermuizen. Ook is onderzocht of de voorgenomen activiteiten een negatief effect hebben op houtopstanden en beschermd (natuur)gebied zoals Natura 2000 Natuurnetwerk Nederland en Nationaal Landschap. Hieronder worden de uitkomsten van het onderzoek per onderdeel toegelicht voor het volledige rapport wordt verwezen naar Bijlage 7. ,
,
,
,
,
,
,
Gebiedsbescherming Het onderzoeksgebied ligt buiten gronden die tot het Natuurnetwerk Nederland en Nationaal landschap behoren. De bescherming van het Natuurnetwerk Nederland en Nationaal landschap kent geen externe werking. Vanwege de ligging buiten deze gronden hebben hoeft er niet getoetst te worden aan het NNN en NL ten aanzien van het provinciaal beleid. Voorgenomen activiteiten leiden niet tot consequenties ten aanzien van provinciaal beleid. Een negatief effect van voorgenomen activiteiten op Natura 2000-gebied kan op basis van de uitgevoerde stikstofberekening uitgesloten worden. Uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt niet tot wettelijke consequenties in het kader van gebiedsbescherming. ontwikkeling door Teus' Advies een Daarnaast is ten behoeve van de voorgenomen stikstofdepositie-onderzoek uitgevoerd (zie Bijlage 8). Uit de berekeningen volgen geen toenames hoger dan 000 mol/ha/jaar. Gezien het resultaat van de met Aerius uitgevoerde berekeningen zijn geen negatieve effecten aan de orde door stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. Het project is niet vergunningplichtig op grond van de Omgevingswet (Natura 2000-activiteit). ,
,
Soortenbescherming De inrichting en het gevoerde beheer maken het onderzoeksgebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde planten maar wel tot een geschikt functioneel leefgebied van verschillende beschermde diersoorten. Beschermde diersoorten benutten het onderzoeksgebied als foerageergebied en mogelijk bezet een beschermd grondgebonden zoogdier er een vaste rusten/of voortplantingsplaats bezetten amfibieën er een (winter)rustplaats en nestelen er vogels. ,
Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten wordt mogelijk een vleermuis verstoord of gedood en wordt mogelijk een vaste rust- of voortplantingsplaats beschadigd of vernield. Er wordt geen essentieel foerageergebied of essentiële vliegroute aangetast. Verblijfplaatsen van vleermuizen mogen alleen verstoord verwond of gedood worden indien daarvoor een omgevingsvergunning is verkregen. Om de functie van de bebouwing voor vleermuizen vast te kunnen stellen is specifiek vervolgonderzoek vereist. Een volledig onderzoek conform het vleermuisprotocol bestaat uit minimaal vijf bezoeken aan het onderzoeksgebied in de periode van 15 mei tot en met september. Daarnaast is een nader onderzoek naar steenmarter en kleine marterachtigen binnen het onderzoeksgebied verplicht. ,
,
,
Van de in het onderzoeksgebied nestelende vogelsoorten is uitsluitend het bezette nest beschermd niet het oude nest of de nestplaats. Werkzaamheden die kunnen leiden tot het verstoren/vernielen van bezette vogelnesten dienen buiten de voortplantingsperiode van vogels uitgevoerd te worden. De meest geschikte periode om de voorgenomen activiteiten uit te voeren is september-februari. Voorgenomen werkzaamheden mogen juridisch beschouwd wel plaatsvinden tijdens het broedseizoen van vogels mits geen bezette vogelnesten beschadigd/vernield worden. Indien de voorgenomen activiteiten uitgevoerd worden tijdens de voortplantingsperiode dient een broedvogelscan uitgevoerd te worden om de aanwezigheid van een bezet vogelnest uit te sluiten.
,
,
Mogelijk komen algemeen beschermde grondgebonden zoogdieren
Gemeente Ermelo steld
en
amfibieën
voor
binnen het
TAM-IMRO omgevingsplan 22f Rodeschuurderwegje 18 , Ermelo - vastge
pagina 45 van 321
onderzoeksgebied. Deze soorten staan op de provinciale vrijstellingslijst voor ruimtelijke ingrepen. Er hoeft dan ook geen ontheffing voor de uitvoering van voorgenomen activiteiten te worden aangevraagd. Aanbevolen wordt om buiten de kwetsbare periode (augustus-oktober) van de soorten aan het werk te gaan en één richting op te werken zodat de dieren de mogelijkheid hebben om te vluchten. In het kader van de zorgplicht moet rekening worden gehouden met alle in het onderzoeksgebied aanwezige planten en dieren en moet er gekozen worden voor een werkmethode en/of planning in de tijd waardoor planten en dieren zo min mogelijk schade ondervinden als gevolg van de voorgenomen activiteiten. Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten wordt de functie van het onderzoeksgebied als foerageergebied tijdelijk aangetast. Dit leidt echter niet tot wettelijke consequentie. ,
Houtopstanden Wegens de ligging buiten de bebouwingscontour van houtkap van de Omgevingswet zijn de rijksregels van toepassing. Regulier onderhoud ten behoeve van de houtopstand kan vergunningsvrij worden uitgevoerd. Voor het uitvoeren van een dunning dient er een melding gemaakt te worden bij de provincie. Bij het geheel kappen van de houtopstand dient het areaal te worden gecompenseerd en dient er een omgevingsvergunning te worden verkregen. Nader onderzoek In de quickscan is een verdiepend onderzoek voorgesteld voor de vleermuizen (met name gewone dwergvleermuis) steenmarter en kleine marters. Uit het verdiepend onderzoek moet blijken of beschermde soorten of verblijfplaatsen in het gebied aanwezig zijn en of daarvoor een omgevingsvergunning nodig is. Het nadere soortenonderzoek is bijgevoegd als Bijlage 9. ,
Hieronder worden de conclusies
weergegeven:
1) Uit het uitgevoerde verdiepend onderzoek in het seizoen 2024 blijkt dat in de te slopen opstallen geen beschermde soorten of verblijfplaatsen zijn aangetroffen. Het onderzoek betrof de kleine marters en vleermuizen. 2) Kleine marters (bunzing wezel en hermelijn) zijn niet waargenomen. Wel is er een aantal registraties van de das en de steenmarter. Ook zijn er veel foeragerende vleermuizen langs met name de groenstrook aan de noordzijde en de eiken aan de zuidwestzijde. ,
3) Voor zowel de steenmarter en de das gaat het om een looproute en wordt het terrein overgestoken tijdens foerageertochten. Dat blijft ook in de nieuwe situatie mogelijk. Negatieve effecten op deze soorten zijn uit te sluiten. ,
4) Het aanvragen van verblijfplaatsen is niet nodig.
een
omgevingsvergunning
FF-activiteit
voor
beschermde
soorten
of
5) Bij uitvoering van de werkzaamheden altijd invulling geven aan de algemene en specifieke zorgplichtt wat inhoudt dat de initiatiefnemer passende maatregelen neemt om schade aan beschermde soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. ,
6) Concreet betekent de zorgplicht hier dat de sloop en het bouwrijp maken moet plaats-vinden buiten de gevoelige tijd. De beste tijd voor uitvoering van de werkzaamheden is dan in de periode november/half maart. 7) Als onverhoopt toch beschermde soorten of verblijfplaatsen worden gevonden het werk worden stilgelegd en moet eerst een oplossing worden gevonden.