Motivering e250070925
Tekst van het document
Figuur 5.1. Standaardwaarden en grenswaarden De geldende geluidsnormen onder de Omgevingswet hebben betrekking op het geluid op de gevel van een geluidgevoelig gebouw. Deze geluidsnormen hebben primair als doel het beschermen van de gezondheid door het stellen van eisen aan het geluid op en rond gebouwen waar mensen langdurig verblijven en slapen. De geluidgevoelige gebouwen zijn aangewezen in artikel 3.21 Bkl. Een geluidgevoelig gebouw is onder andere een gebouw met een woonfunctie, onderwijsfunctie, gezondheidszorgfunctie met bedgebied en kinderopvang met bedgebied. Indien de geluidbelasting op een plan voor een bepaalde geluidbronsoort hoger is dan de standaardwaarde, dan moet een afweging worden gemaakt waarbij maatregelen en beleid wordt betrokken. Na dit aanvullend onderzoek is het mogelijk dat een gemeente afwijkt van de standaardwaarden en bij de besluitvorming een hogere waarde vaststelt, tot maximaal de grenswaarde. Indien er voor meerdere bronsoorten de standaardwaarde wordt overschreden zal ook de cumulatieve geluidbelasting moeten worden bepaald en worden afgewogen. Uiteindelijk is de aanvaardbaarheid van de geluidsbelasting onder de Omgevingswet vooral een decentrale afweging, hierdoor is maatwerk mogelijk. Het gewenste binnenniveau voor geluid betreft 33dB.
Indien een hogere waarde dan de standaardwaarde wordt toegestaan, moet door middel van een gevelisolatieberekening worden aangetoond dat de geluidsbelasting binnen de woning de maximaal toelaatbare waarde van 33 dB niet overschrijdt. Bij een nieuwe woning maakt de gevelisolatieberekening onderdeel uit van de bouwaanvraag. Onder de Omgevingswet is het gezamenlijk geluid van de verschillende geluidbronnen tezamen op de gevel het uitgangspunt. Onder de Omgevingswet wordt, conform artikel 3.20 Bkl, gewerkt met geluidaandachtsgebieden. Dit zijn gebieden/zones langs een (spoor)weg of rond een industrieterrein waarbinnen het geluid hoger kan zijn dan de standaardwaarde. Binnen de geluidaandachtsgebieden moet de geluidbelasting op
Gemeente Ermelo
TAM-IMRO Omgevingsplan Buitenbrinkweg 41, Ermelo - ontwerp
pagina 30 van 50
een geluidgevoelig gebouwen worden getoetst aan de in de wet opgenomen geluidnormen. Deze geluidaandachtsgebieden worden door gemeente vastgelegd in het Omgevingsplan. Voor de periode waarin nog geen aandachtsgebieden zijn opgenomen in het Omgevingsplan, is er een overgangssituatie. Wanneer voor lokale wegen waarvan een geluidaandachtsgebied moet worden bepaald geen verkeersgegevens bekend zijn en van die wegen de verkeersintensiteit hoger kan zijn dan 1.000 motorvoertuigen per etmaal, worden contouren bepaald met de volgende afstanden van de rand van de contour tot de weg: voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken en een maximumsnelheid van 30 km/u of minder: ten minste 100 m; voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken en een onbekende maximumsnelheid of een maximumsnelheid van meer dan 30 km/u: ten minste 200 m; voor een weg, bestaande uit drie of meer rijstroken: ten minste 350 m. 4.3.2
Beoordeling
Het plan voorziet niet in de toevoeging van een nieuw geluidsgevoelig object. Het aspect geluid behoeft hierdoor geen nadere toetsing. Geluid vormt hiermee geen belemmering. 4.3.3
Conclusie
Het aspect geluid vormt geen belemmering.
4.4
Bodem
4.4.1
Algemeen
Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels (paragraaf 5.1.4.5) in het Bkl opgenomen. Het Rijk stelt instructieregels aan gemeenten voor het toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie. De gemeente moet daarom regels voor het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem opnemen in het omgevingsplan. De gemeente zorgt ervoor dat nazorg en instandhouding van bodemmaatregelen na het saneren in het omgevingsplan komt. Het kan zowel gaan om een sanering die is uitgevoerd volgens paragraaf 4.121 van het Bal, een omgevingsplan, een omgevingsvergunning of een maatwerkvoorschrift. De gemeente neemt in het omgevingsplan een bodemfunctieklassenkaart op. Deze kaart geeft de bodemfunctieklassen van de landbodem van het gemeentelijk grondgebied weer. De bodemfunctieklasse beschrijft het gebruik van de bodem 3 klassen van bodemfuncties: landbouw en natuur wonen industrie Bij de aanwijzing van deze klassen wordt rekening gehouden met de functie die in het omgevingsplan aan die locatie is toegedeeld. Bijvoorbeeld: wonen met tuin komt in de bodemfunctieklasse wonen. Het bevoegd gezag gebruikt de bodemfunctieklassen voor het vaststellen van de toepassingseisen voor de milieubelastende activiteit toepassen van grond en baggerspecie. De bodemfunctieklassen zijn nader uitgewerkt in de Regeling bodemkwaliteit.
De maximale waarden van deze bodemfunctieklassen zijn medebepalend voor de vraag aan welke kwaliteit de toe te passen grond of baggerspecie moet voldoen. Dit volgt uit artikel 5.89p van het Bkl. 4.4.2
Beoordeling
Ten aanzien van de geplande planologische procedure, aanvraag omgevingsvergunning en de geplande herontwikkeling van de locatie is door Lycens B.V. een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Onderstaand zijn de verschillende onderzoeken en sanering samengevat. Nadere onderzoeken Rapport: Verkennend bodemonderzoek inclusief asbest, Buitenbrinkweg 41 te Ermelo, door: Lycens B.V., kenmerk: 2023-0275, d.d. 29 juni 2023 (Bijlage 4 Verkennend bodemonderzoek) In het kader van de geplande herontwikkeling van de locatie is bodemonderzoek uitgevoerd op de kadastrale percelen: Ermelo, sectie I, nummers 5424, 5425 en 5331. Uit de onderzoeksresultaten blijkt dat direct ten westen van de manege asbest is aangetoond boven de interventiewaarde. Op het overige terreindeel zijn hooguit licht verhoogde gehalten gemeten. Rapport: Verkennend en aanvullend bodemonderzoek Buitenbrinkweg 41 te Ermelo door Lycens B.V., projectnummer: 2023-0940, d.d. 18 januari 2024 (Bijlage 5 Verkennend en aanvullend bodemonderzoek).
Gemeente Ermelo
TAM-IMRO Omgevingsplan Buitenbrinkweg 41, Ermelo - ontwerp
pagina 31 van 50
In het kader van de geplande planologische procedure en herontwikkeling van de onderzoekslocatie (de manege en de oprit ten westen daarvan) is een verkennend en aanvullend onderzoek uitgevoerd. Uit de onderzoeksresultaten blijkt dat plaatselijk asbest boven de interventiewaarde is aangetoond. Ter plaatse van de geplande werkplaats blijkt de bovengrond licht verontreinigd te zijn met PCB’s en minerale olie en matig verontreinigd met PAK. Het grondwater blijkt niet verontreinigd te zijn. Rapport: Nader Bodemonderzoek Buitenbrinkweg 41 te Ermelo, door Lycens B.V., kenmerk: 2023-0940, d.d. 4 april 2024 (Bijlage 6 Nader bodemonderzoek). Naar aanleiding van de resultaten van het Verkennend en aanvullend bodemonderzoek heeft nader onderzoek plaatsgevonden naar de aangetoonde verontreiniging met asbest en de aangetoonde verontreiniging met PAK. Uit de onderzoeksresultaten blijkt dat in de zuidwestelijke hoek van de manege een sterke PAK-verontreiniging aanwezig is, welke zich volledig in de aangetoonde asbestverontreiniging bevindt. Tevens is tijdens het onderzoek de aangetoonde asbestverontreiniging in voldoende mate afgeperkt. In totaal is circa 1.416 m3 met asbest verontreinigde grond aanwezig op de locatie verspreid over een oppervlakte van circa 2.360 m2. Evaluatierapport na sanering Als gevolg van de asbest- en PAK-verontreinigingen is in opdracht van Sight Landscaping B.V.
door Lycens B.V. een milieukundige begeleiding uitgevoerd voor de bodemsanering. Het doel van de geplande werkzaamheden is het voornemen van de opdrachtgever om de aangetoonde bodemverontreiniging met asbest en PAK zoveel mogelijk weg te nemen. De saneringslocatie zoals opgenomen in het MKB-plan is bepaald op basis van de reeds uitgevoerde bodemonderzoeken. Tijdens de sanering is de met asbest en PAK verontreinigde grond ontgraven en afgevoerd naar een erkende verwerker. Tijdens de sanering is in totaal 3.239,30 ton sterk verontreinigde grond onder afvalstroomnummer 062512400539 afgevoerd naar Theo Pouw te Utrecht en is 50,92 ton industriegrond afgevoerd naar Kamphorst grondbank. Op basis van de uitgevoerde sanering gelden geen gebruiksbeperkingen ten aanzien van het gebruik van de locatie. Het evaluatierapport is toegevoegd als bijlage Bijlage 7 Evaluatierapport bodemsanering. 4.4.3
Conclusie
In de uitgevoerde onderzoeken zijn verontreinigingen aangetroffen. Deze verontreinigingen zijn gesaneerd en de locatie is geschikt voor het beoogde gebruik van de locatie.
4.5
Luchtkwaliteit
4.5.1
Algemeen
In Afdeling 2.2 van het Bkl zijn omgevingswaarden opgenomen voor stikstofoxiden, stikstofdioxiden, fijnstof, benzeen, lood, koolmonoxide en ozon. In Nederland worden over het algemeen alleen voor stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10) mogelijk overschrijdingen verwacht. Uit paragraaf 5.1.4.1 van het Bkl volgt vervolgens dat wanneer een (wijziging van het) omgevingsplan activiteiten toestaat die leiden tot een verhoging van die concentratie stikstofdioxide dan wel fijnstof in de buitenlucht, de omgevingswaarden als genoemd in afdeling 2.2 in acht worden genomen in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Het Rijk toetst en monitort de luchtkwaliteit vooral in de zogenoemde aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) of fijnstof (PM10) dan verwacht mag worden. Soms worden hier de rijksomgevingswaarden overschreden of is de achtergrondconcentratie zo hoog, dat bij toevoeging van een nieuw project een rijksomgevingswaarde overschreden kan worden. Bij een aanvraag voor één of meerdere activiteiten in een aandachtsgebied, dient het effect van de ontwikkeling op de luchtkwaliteit beoordeeld te worden.
Als de gemeente activiteiten toelaat, die leiden tot gebruik van wegen, vaarwegen of spoorwegen (verkeersaantrekkende werking) of waarvoor luchtregels staan in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) moet worden voldaan aan de omgevingswaarden. Dit volgt uit artikel 5.51 van het Bkl. Indien een ontwikkeling niet is gelegen in of in de nabijheid van een aandachtsgebied, hoeft de luchtkwaliteit in de meeste gevallen niet beoordeeld te worden. Net als onder de voormalige Wet milieubeheer is er namelijk een uitzondering voor activiteiten die maar weinig bijdragen aan de luchtvervuiling, oftewel: niet in betekenende mate (NIBM). Conform artikel 5.53 en 5.54 Bkl draagt een project of activiteit NIBM bij als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 µg/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentratie. Door te
Gemeente Ermelo
TAM-IMRO Omgevingsplan Buitenbrinkweg 41, Ermelo - ontwerp
pagina 32 van 50
motiveren dat een project binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft, is het mogelijk om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft. Onder deze standaardgevallen NIBM vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet dan wel onder een bepaalde omvang blijven (artikel 5.54 Bkl). Woonwijken zijn NIMB als het gaat om maximaal: 1.500 woningen bij 1 ontsluitingsweg; 3.000 woningen bij 2 ontsluitingswegen. Een wijzigingsbesluit voldoet aan de luchtkwaliteitsnormen indien: aannemelijk is gemaakt dat het plan niet tot het overschrijden van een grenswaarde (vanaf ingangsdatum) dan wel niet leidt tot een toename van reeds bestaande overschrijding van een grenswaarde; aannemelijk is gemaakt dat de luchtkwaliteit als gevolg van het plan per saldo verbetert of ten minst gelijk blijft dan wel bij een beperkte verslechtering van de luchtkwaliteit, door een met hen plan samenhangende maatregel of een door die uitoefening of toepassing optredend effect, de luchtkwaliteit per saldo verbetert (saldering); aannemelijk is gemaakt dat het plan NIBM bijdraagt aan de concentratie in de buitenlucht van een stof waarvoor een grenswaarde is opgenomen. 4.5.2
Onderzoek
In Nederland zijn de maatgevende luchtverontreinigende stoffen stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Met betrekking tot luchtkwaliteit moet rekening worden gehouden met de luchtkwaliteitseisen in hoofdstuk 5 van de Wet Milieubeheer, en de bijbehorende bijlagen. Luchtkwaliteitseisen vormen geen belemmering voor ruimtelijke ontwikkeling als: er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt; een project ‘niet in betekenende mate’ bijdraagt aan de luchtverontreiniging (<3% van de jaargemiddelde grenswaarde); een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL, dat in werking treedt nadat de EU derogatie heeft verleend. Conform voorschrift 3B.2 van bijlage 3b van de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' draagt een bouwplan niet in betekenende mate bij aan de luchtkwaliteit wanneer het plan niet voorziet in de bouw van meer dan 1.500 woningen. Met voorliggend plan wordt ten opzichte van de huidige agrarische situatie een bedrijf mogelijk gemaakt. Dit betreft een lokale ontwikkeling. De conclusie is dan ook dat de ontwikkeling in het plangebied, niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit. 4.5.3
Conclusie
Op basis van vorenstaande wordt geconcludeerd dat het aspect 'Luchtkwaliteit' geen belemmering vormt voor het planvoornemen.
4.6
Geur
4.6.1
Algemeen
Er zijn diverse sectoren waarbij geurhinder een rol kan spelen, zoals onder meer bij veehouderijen en andere landbouwactiviteiten, de mengvoederindustrie, horeca, rioolwaterzuiveringsinstallaties, slachterijen en (andere) milieubelastende activiteiten. De gemeente moet bij de vaststelling van (een wijziging van) het omgevingsplan rekening houden met geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen. Rekening houden met geur werkt twee kanten op: bij het mogelijk maken van activiteiten met gebruiksruimte in de buurt van geurgevoelige gebouwen; bij het toelaten van geurgevoelige gebouwen in de buurt van bestaande activiteiten met gebruiksruimte (geurveroorzakende bedrijven); Aanvaardbare geurhinder De geur van een activiteit (met gebruiksruimte) op een geurgevoelig gebouw moet aanvaardbaar zijn (artikel 5.92 lid 2 Bkl). Dit betekent dat de gemeente moet beoordelen of waarden, afstanden of gebruiksregels in het omgevingsplan leiden tot een aanvaardbaar hinderniveau. Gemeenten bepalen zelf welke mate van geurhinder zij aanvaardbaar vinden. De gemeente legt in het omgevingsplan
Gemeente Ermelo
TAM-IMRO Omgevingsplan Buitenbrinkweg 41, Ermelo - ontwerp
pagina 33 van 50
vast wat de plaats is waar waarden voor geur gelden. Ook kennen sommige activiteiten afstandsregels. Dit zijn minimumafstanden tussen een geurgevoelig gebouw en een geurveroorzakende activiteit. Geurhinder door activiteiten Activiteiten die op enige wijze geurhinder veroorzaken moeten voldoen aan de regels die in het (tijdelijk) omgevingsplan staan. Indien er nog geen aanpassing heeft plaatsgevonden van het tijdelijk omgevingsplan en sprake is van een activiteit die voorheen onder de werkingssfeer van het Activiteitenbesluit milieubeheer viel, gelden de regels uit de Bruidsschat. Op termijn worden de regels uit de bruidsschat geïntegreerd in het (permanente) omgevingsplan van de gemeente. Voor een aantal milieubelastende activiteiten geldt een vergunningplicht op basis van hoofdstuk 3 van het (Bal). De beoordelingsregels zijn opgenomen in afdeling 8.5 'Omgevingsvergunning milieubelastende activiteit' van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Het bevoegd gezag gebruikt deze beoordelingsregels bij het beoordelen van de vergunningaanvraag. In het Bkl staan algemene beoordelingsregels en specifieke beoordelingsregels voor geur. 4.6.2
Onderzoek
De kantoren en het bedrijf in het plangebied zijn geen geurgevoelige objecten. Er is daarom geen sprake van een interne werking van geurhinder. In het plangebied worden 60 schapen gehouden. Daarmee is sprake van een milieubelastende activiteit in de zin van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Het houden van de schapen vindt plaats in de open lucht (weidegang) en betreft een extensieve vorm van dierhouderij. Er is geen sprake van intensieve stalhuisvesting of mestopslag. Gezien de aard en omvang van de activiteit is de geurbelasting verwaarloosbaar en leidt deze tot een verbetering ten opzichte van de huidige planologische toegestane agrarische bedrijfsvoering in de vorm van (intensieve) paardenhouderij. 4.6.3
Conclusie
Het aspect geur vormt geen belemmering voor de vaststelling van voorliggend plan.
4.7
Omgevingsveiligheid
4.7.1
Algemeen
De hoofdlijnen van het wettelijk kader omtrent de externe veiligheid zijn opgenomen in instructieregels in afdeling 5.1.2 Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico (PR) en aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten: a. b. c.
Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor). Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Bal. d. Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Bal. Onder de Omgevingswet is het werken met aandachtsgebieden voor externe veiligheidsrisico's een manier van omgaan met het groepsrisico (GR) (artikel 5.12 t/m 5.15 Bkl). Een aandachtsgebied geldt van rechtswege. Deze worden vastgelegd in het Register Externe Veiligheid (REV) en zijn digitaal raadpleegbaar. De data uit het REV wordt ontsloten via de Atlas leefomgeving. In het deelplan moet binnen deze aandachtsgebieden rekening worden gehouden met het groepsrisico. Hier wordt aan voldaan door in het aandachtsgebied geen beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen toe te laten en ook geen beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties. Deze gebouwen en locaties zijn wel toelaatbaar als er daarvoor extra maatregelen worden genomen. Kwetsbare gebouwen zijn alle gebouwen met een woonfunctie (niet verspreid liggende bebouwing). Gebouwen en locaties zijn ook kwetsbaar als er veel personen een groot deel van de dag aanwezig zijn, bijvoorbeeld gebouwen met een kantoorfunctie. Daarnaast bestaan er ook zeer kwetsbare gebouwen.
Een gebouw is 'zeer kwetsbaar' als het een gebouw is voor mensen die zichzelf niet op tijd in veiligheid kunnen brengen, zoals een kinderopvang, basisschool, school/verblijf voor personen met een lichamelijke of geestelijke beperking, een woonfunctie voor 24-uurszorg en gevangenissen. Onder de Omgevingswet werken gemeenten in het kader van externe veiligheid met aandachtsgebieden. Gemeenten moeten in hun omgevingsplan regels opnemen omtrent externe
Gemeente Ermelo
TAM-IMRO Omgevingsplan Buitenbrinkweg 41, Ermelo - ontwerp
pagina 34 van 50
veiligheid. Dat geldt onder meer als zij in de buurt van een risicobron nieuwe (kwetsbare) gebouwen toestaan of als de gemeente nieuwe risicobronnen op haar grondgebied wil toestaan. In het omgevingsplan zijn door de gemeente Ermelo (nog) geen aandachtsgebieden opgenomen in het kader van externe veiligheid, derhalve is vastgehouden aan het omgevingsplan van rechtswege. 4.7.2
Beoordeling
Het aspect externe veiligheid is beoordeeld. De ontwikkeling betreft de realisatie van een groenvoorzieningsbedrijf inclusief kantoor. In de buurt van het plangebied liggen geen risicobronnen die een belemmering vormen voor de ontwikkeling van het plangebied. Het plangebied ligt niet in een plaatsgebonden risicocontour, een aandachtsgebied of een voorschriftengebied. Externe veiligheid vormt hierdoor geen belemmering voor de ontwikkeling. 4.7.3
Conclusie
Gezien de ligging van het plangebied op voldoende afstand van de aanwezige risicobronnen vormt externe veiligheid geen belemmering voor de ontwikkeling.
4.8
Water
4.8.1
Beleidskader
Artikel 5.37 van het Bkl stelt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Naast de specifieke regels als gesteld in paragraaf 5.1.3 Bkl over delen van het watersysteem in het omgevingsplan, worden voor een duiding van de gevolgen voor het beheer van het watersysteem, de opvattingen van het bestuursorgaan dat belast is met het beheer van die watersystemen betrokken. Denk bijvoorbeeld aan (instructie)regels uit de provinciale omgevingsverordening en de waterschapsverordening. Het is aan het bevoegd gezag om te bepalen hoe andere bestuursorganen bij de besluitvorming worden betrokken bij de weging van het waterbelang. Onder de Omgevingswet is de oorspronkelijke watertoets niet langer voorgeschreven en is de gemeente vrij om hier zelf invulling aan te geven. Gemeenten kunnen zelf besluiten om omgevingswaarden vast te stellen. Indien hiervan sprake is, dient in een ruimtelijke procedure ook aan deze omgevingswaarde getoetst te worden. Ten slotte zijn de regels van art. 5.165 Bkl en paragraaf 22.3.8 uit de bruidsschat van belang met betrekking tot het lozen van (industrieel) afvalwater in het openbaar vuilwaterriool. In het algemeen is de specifieke zorgplicht voor milieubelastende activiteiten die in de bruidsschat zijn opgenomen voldoende. 4.8.2
Weging van waterbelang
Het waterschap Vallei en Veluwe is op 24 mei 2023 op de hoogte gesteld van voorliggend plan door het invullen van het wateradvies. Het resultaat van het wateradvies is bijgevoegd als Bijlage 8. Met het wateradvies vindt een eerste verkenning plaats van de effecten van het plan op de waterkwaliteit en -kwantiteit. 4.8.3
Beoordeling
Ten behoeve van het aspect water is het wateradvies uitgevoerd, daaruit blijkt dat de normale procedure kan worden gevolgd. Ondanks dat uit het wateradvies blijkt dat er A- of B-watergangen aanwezig zijn in het plangebied, heeft het waterschap Vallei en Veluwe aangegeven dat er langs het plangebied een C-watergang ligt . De belangen van deze watergang mogen niet worden geschaad. Daarnaast gelden de volgende aandachtspunten: Vasthouden - bergen - afvoeren Een belangrijk principe is dat een deel van het hemelwater binnen het plangebied wordt vastgehouden en/of geborgen en dus niet direct afgevoerd wordt naar de riolering of het oppervlaktewater. Hiermee wordt bereikt dat de waterzuiveringsinstallatie beter functioneert, verdroging wordt tegen gegaan en piekafvoeren in het oppervlaktewater (met eventueel wateroverlast in benedenstrooms gelegen gebieden) wordt voorkomen. Bij lozing op oppervlaktewater zal hiervan een melding gedaan moeten worden bij het waterschap. Er wordt geen verharding toegevoegd. Hierdoor is hetzelfde areaal beschikbaar voor infiltratie van hemelwater als voorheen. De waterhuishoudkundige situatie ter plaatse verslechtert derhalve niet. Het hemelwater dat op de verharding valt, kan afwateren naar het groen. Daar kan het tijdelijk worden geborgd en
Gemeente Ermelo
TAM-IMRO Omgevingsplan Buitenbrinkweg 41, Ermelo - ontwerp
pagina 35 van 50
kan het in de bodem infiltreren. Grondwaterneutraal bouwen Om grondwateroverlast te voorkomen adviseert het waterschap om boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) te ontwerpen. Dit betekent dat aspecten zoals ontwateringsdiepte en infiltratie van hemelwater, beschouwd worden ten opzichte van de GHG. Het structureel onttrekken/draineren van grondwater is geen duurzame oplossing en moet worden voorkomen. Het waterschap adviseert de initiatiefnemer dan ook om voorafgaand aan de ontwikkeling een goed beeld te krijgen van de heersende grondwaterstanden en GHG. Eventuele grondwateroverlast is in eerste instantie een zaak voor de betreffende perceeleigenaar. Schoon houden - scheiden - schoon maken Om verontreiniging van bodem, grond- en/of oppervlaktewater te voorkomen is het van belang dat het afstromende hemelwater niet verontreinigd raakt. Dit kan door nadere eisen/randvoorwaarden te stellen aan bijvoorbeeld de toegepaste (bouw)materialen. Wij vragen de initiatiefnemer om duurzame bouwmaterialen te gebruiken. De gemeente kan u hiermee verder helpen. Reactie Waterschap Vallei en Veluwe Naar aanleiding van het wateradvies heeft het waterschap positief gereageerd op het planvoornemen. Het vergroten van de waterbergingscapaciteit wordt niet noodzakelijk geacht vanuit het waterschap gezien de verharding binnen het plangebied hetzelfde blijft. 4.8.4
Conclusie
Het aspect water vormt geen belemmering voor de vaststelling van voorliggend plan.
4.9
Natuur
4.9.1
Algemeen
Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, nationaal landschap en provinciaal beschermde gebieden, regels voor soortenbescherming van te beschermen plant- en diersoorten en regels ter bescherming van houtopstanden. Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Gebiedsbescherming Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen en projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een omgevingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Bescherming van Natura 2000-gebieden, nationaal landschap en provinciaal beschermde gebieden kennen een interne alsook een externe werking. Zowel ingrepen die binnen als ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en negatieve effecten kunnen veroorzaken op de instandhoudingsdoelstellingen moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitatten. De regelgeving met betrekking tot stikstofdepositie wordt geregeld in artikel 22.20 van de Omgevingswet, voor nu is hier nog geen invulling aan gegeven.
De regels wat betreft stikstof onder artikel 5.5a van de Wet natuurbescherming (Wnb) blijven gelden tot een bij koninklijk besluit te bepalen datum. Hier vindt, vooralsnog, dus geen verandering plaats ten opzichte van oorspronkelijke wet- en regelgeving. In de Omgevingswet zal uiteindelijk een omgevingswaarde ten aanzien van stikstof worden ingevoerd. Intern salderen in het kader van stikstof onder de Omgevingswet wordt mogelijk vergunningplichtig, voor nu is dit nog niet het geval. Bij toepassing van intern salderen in een stikstofdepositieberekening wordt enkel de toename in stikstofemissie beoordeeld, ten opzichte van de reeds toegestane activiteit op die locatie. Soortenbescherming Onder de Omgevingswet zijn alle inheemse flora en fauna beschermt. De bescherming richt zich zowel op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als op bepaalde soorten van nationaal belang. Het kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f van de Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hierover
Gemeente Ermelo
TAM-IMRO Omgevingsplan Buitenbrinkweg 41, Ermelo - ontwerp
pagina 36 van 50
beleid voeren. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma van soortenbescherming. Soortenbescherming in de Omgevingswet is vooral gericht op het reguleren van flora- en fauna-activiteiten, dit zijn activiteiten die gevolgen kunnen hebben voor dieren en planten in het wild. Er kan dan een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit benodigd zijn. Door strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving worden onderzocht: of er soorten aanwezig zijn; welke soorten dat zijn; of deze negatief aangetast worden door de geplande werkzaamheden. In hoofdstuk 11 van het Bal staat beschreven wanneer een vergunning benodigd is. Houtopstanden Om bossen te beschermen en vanwege internationale regels geeft het Rijk regels voor het vellen van houtopstanden, herbeplanten, het verhandelen en bezit van hout(producten). Degene die zo'n activiteit uitvoert, moet voldoen aan die regels, zoals de specifieke zorgplicht. Ook kan een meldingsplicht gelden. De rijksregels met betrekking tot het vellen en herbeplanten van bomen gelden enkel voor houtopstanden buiten de bebouwingscontour voor houtkap. Tevens gelden de rijksregels niet op erven of in tuinen. Indien een ontwikkeling is beoogd binnen de bebouwingscontour voor houtkap (c.q.
stedelijk gebied), dient te worden voldaan aan de regels omtrent houtopstanden zoals door gemeente opgenomen in het omgevingsplan. 4.9.2
Beoordeling
Ten behoeve van ecologie is in juni 2023 door Lycens BV een quickscan ecologisch onderzoek uitgevoerd. Hieronder volgt de conclusie, de gehele rapportage is als Bijlage 9 opgenomen. Quickscan ecologie Gebiedsbescherming Voorgenomen activiteiten leiden niet tot consequenties met betrekking tot provinciaal beschermde gebieden ten aanzien van provinciaal beleid; Een negatief effect van fysieke activiteiten en van stikstofdepositie op Natura 2000-gebied kan op basis van voorliggende studie uitgesloten worden. Uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt niet tot wettelijke consequenties in het kader van gebiedsbescherming; Soortenbescherming De in het onderzoeksgebied voorkomende grondgebonden zoogdieren en amfibieën staan op de provinciale vrijstellingslijst voor ruimtelijke ingrepen. Er hoeft geen omgevingsvergunning te worden aangevraagd; Uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt niet tot wettelijke consequenties voor vleermuizen, beschermde plantensoorten en beschermde ongewervelden; Voor de aanwezige vogelsoorten geldt dat het uitvoeren van voorgenomen activiteiten buiten de broedperiode moet plaatsvinden of er dient een broedvogelscan te worden uitgevoerd; Er dient te allen tijde gewerkt te worden conform de specifieke zorgplicht. Houtopstanden Uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt niet tot wettelijke consequenties in het kader van houtopstanden.
Kwetsbare periode Uitvoering van voorgenomen activiteiten dient buiten de kwetsbare periode van de desbetreffende soorten plaats te vinden. In tabel 7.1 staan de indicatieve kwetsbare periodes per soortgroep weergegeven welke van toepassing zijn in het onderzoeksgebied. De tabel geeft slechts indicatieve kwetsbare periodes weer. Dit kan dus in werkelijkheid afwijken door weersomstandigheden. Stikstofdepositie Ten aanzien van stikstofdepositie afkomstig van het onderhavige plan op omliggende Natura 2000-gebieden is door Lycens BV een onderzoek uitgevoerd. Hieronder volgt de conclusie, de gehele rapportage is als Bijlage 10 opgenomen. Conclusie onderzoek stikstof i.r.t. N2000 Uit de rekenresultaten van AERIUS Calculator blijkt dat als gevolg van onderhavig project zowel in de realisatiefase als in de gebruiksfase geen sprake is van stikstofdeposities op de stikstofgevoelige
Gemeente Ermelo
TAM-IMRO Omgevingsplan Buitenbrinkweg 41, Ermelo - ontwerp
pagina 37 van 50
habitattypen en leefgebieden in de omliggende Natura 2000-gebieden hoger dan 0,00 mol N/ha/jr. Stikstofemissie afkomstig van onderhavig project heeft geen significant negatieve effecten voor Natura 2000-gebieden. In het voorliggende onderzoek is daarmee aangetoond dat de beoogde ontwikkeling, voor wat betreft stikstofdepositie, geen Natura 2000-activiteit betreft. Een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit zoals bedoeld in artikel 5.1 lid 1 van de Omgevingswet is niet noodzakelijk. Het onderhavige project is niet vergunningplichtig. Het aspect stikstof in relatie tot Natura 2000 vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Maatregelen groen- en natuurinclusief bouwen puntensysteem De gemeente Ermelo hanteert bij wijzigingen van bestemmingsplannen een verplicht puntensysteem. Naast woningbouwprojecten geldt dit puntensysteem ook voor andere projecten bijvoorbeeld aanleg infrastructuur en bouw van andere gebouwen dan woningbouw. Afhankelijk van de omvang van het bouwproject wordt een verplicht aantal punten voorgeschreven. Zeer grootschalige projecten oppervlakte groter dan 10.000 m2 moeten 26 punten halen. De volgende maatregelen worden getroffen om te voldoen aan het punten systeem. 15x (24x), 1 Inheemse haag > 10 meter 1x, 1 Ecologische wadi 5x, 1 Drie inheemse bomen 3x, 1 Waterschaal voor vogels 2x, 1 Nestplaats voor vogels (o.a.
zwaluw, mus, enz.) In Bijlage 2 is de toekomstige situatie weergegeven met daarin opgenomen welke en op welke locaties wordt voldaan aan de natuurinclusieve maatregelen. 4.9.3
Conclusie
Op basis van de uitgevoerde onderzoeken valt te concluderen dat het aspect natuur geen belemmering vormt voor de realisatie van het voorliggende plan.
4.10
Erfgoed
4.10.1 Algemeen Archeologie De essentie van het Europees beleid, conform het verdrag van Malta 1992, is dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden zodat daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie van deze wetgeving is behoud van archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap. Zo zijn er in het Bkl ten aanzien van de bescherming een aantal beginselen geformuleerd (art. 5.130 Bkl). Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten. Het gemeentelijk beleid over archeologie en cultuurhistorie is, vooruitlopend op de Omgevingswet, opgenomen op de archeologische beleidskaart en de cultuurhistorische waardenkaart. Middels deze kaarten kan worden afgeleid wat de archeologische en/of cultuurhistorische verwachting en het bijbehorende beleidsadvies is voor een specifieke locatie.
Dit beleidsadvies schrijft per verwachting zowel drempelwaarden voor waarboven onderzoek benodigd wordt geacht, als welke onderzoeken dit betreft. De archeologische waarden en verwachtingen, alsook de cultuurhistorische waarden, zijn nu nog doorvertaald in respectievelijk archeologische dubbelbestemmingen en cultuurhistorische dubbelbestemmingen, welke zijn opgenomen in het omgevingsplan van rechtswege. De dubbelbestemming is vaak gebaseerd op de gemeentelijke beleidskaart in combinatie met aanvullende informatie uit onderzoeken. Normaliter is de geldende dubbelbestemming bepalend ten opzichte van de beleidskaart. Voor de exacte ligging van de archeologische en verwachtingen en
Gemeente Ermelo
TAM-IMRO Omgevingsplan Buitenbrinkweg 41, Ermelo - ontwerp
pagina 38 van 50
cultuurhistorische waarden met betrekking tot de zoekgebieden, wordt beleidskaarten welke onderdeel uitmaken van de kaartenboeken in de bijlagen.
verwezen
naar
Cultuurhistorie In de Omgevingsvisie van de gemeente Ermelo is de Cultuurhistorische Waardenkaart Ermelo opgenomen. Het plangebied is gesitueerd in “Bebouwd gebied”, hier is geen sprake van cultuurhistorische waarde. Als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling zal geen afbreuk aan cultuurhistorische waarde plaatsvinden. 4.10.2 Beoordeling Archeologie Het plangebied is gelegen binnen zowel een zone met hoge als een zone met lage archeologische verwachtingswaarde, zoals weergegeven in figuur 4.2. Het noordelijke gedeelte van het plangebied is gelegen binnen de zone met een hoge verwachtingswaarde (oranje). Het zuidelijke gedeelte van het plangebied is gelegen binnen de zone met een lage verwachtingswaarde (groen). Binnen de zone met een hoge verwachting dient onderzoek uitgevoerd te worden indien bodemverstoringen plaatsvinden met een oppervlak groter dan 100 m² en over dit gehele oppervlak dieper in de bodem reiken dan 30 cm. Binnen de zone met een lage verwachting bedraagt dit oppervlak 5.000 m². De planlocatie ligt grotendeels in een zone met een hoge archeologische verwachting op het aantreffen van archeologische waarden. Aanleiding voor deze archeologische verwachting is de geomorfologische aanwezigheid van dekzandruggen en -koppen. Door het historische gebruik als bouwland is het maaiveld door potstalbemesting nog extra geaccentueerd.
Bij Horst zijn diverse archeologische onderzoeken uitgevoerd, die waarden uit de middeleeuwen hebben aangetoond. Dichter bij het plangebied (Buitenbrinkweg 32, 42, 36, 59) zijn ook veldonderzoeken uitgevoerd. Binnen het plan wordt een nieuw bijgebouw gebouwd en wat heggen aangeplant alsmede een nieuwe toegang gerealiseerd. Het nieuw te bouwen bijgebouw ligt in de zone met een lage archeologische waarde. De andere bodemingrepen zijn niet omvangrijk of diep.
Gemeente Ermelo
TAM-IMRO Omgevingsplan Buitenbrinkweg 41, Ermelo - ontwerp
pagina 39 van 50
Figuur 4.2 Uitsnede archeologische beleidskaart gemeente Ermelo Cultuurhistorie Op basis van het advies van de regioarcheoloog wordt er geen archeologisch onderzoek verlangd, aangezien er weinig roerende activiteiten worden uitgevoerd. Bij de werkzaamheden wordt de bodem niet veel geroerd. Ook ligt in het plangebied geen bebouwing die is opgenomen op de lijsten van Rijksmonumenten en gemeentelijke monumenten voor de gemeente Ermelo. 4.10.3 Conclusie Het aspect erfgoed vormt geen belemmering voor de vaststelling van voorliggend plan.
4.11
Verkeer en parkeren
4.11.1 Algemeen Primair is verkeersveiligheid geregeld in de weg- en verkeerswetgeving (o.a. Wegenverkeerswet). Daarnaast zijn richtlijnen opgenomen in het ASVV (Aanbevelingen voor Verkeersvoorzieningen Binnen de Bebouwde Kom). Ook gelden de richtlijnen vanuit het CROW met betrekking tot de verkeersgeneratie en het aantal benodigde parkeerplekken. Deze regelgeving maakt geen onderdeel uit van de Omgevingswet. Wel is een veilige en gezonde leefomgeving één van de maatschappelijke doelen van de Omgevingswet (artikel 1.3). Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met de extra verkeersgeneratie door een nieuwe ontwikkeling. Op basis van de publicatie 'Toekomstbestendig parkeren publicatie 381 (december 2018)' van het CROW kan de verkeersgeneratie van een ontwikkeling berekend worden. Bij iedere functie in de CROW-publicatie wordt een maximum en minimum genoemd, dit is de bandbreedte. Veelal wordt bij nieuwe ontwikkelingen het gemiddelde gehanteerd. Daarnaast bevat de omgevingsvisie van gemeenten een visie op verkeer en vervoer op gemeentelijk niveau, hier dient aan te worden getoetst. De gemeente Ermelo beschikt over de 'Nota parkeernormen', waarin normen en voorwaarden aan parkeervoorzieningen zijn opgenomen.
4.11.2 Beoordeling Voor het plangebied worden de volgende uitgangspunten gehanteerd: Verstedelijkingsgraad: Weinig stedelijk – gemeente Ermelo (Bron: CBS Statline). Stedelijke zone: Buitengebied. Kengetal voor de parkeerbehoefte en de verkeersgeneratie: het gemiddelde van de minimale en maximale bandbreedte. Omdat het bedrijf een mix is van opslag en een kantoor is het opgesplitst in twee bedrijfssoorten: kantoor (zonder baliefunctie) en bedrijf arbeidsextensief/bezoekersextensief waaronder loodsen en opslagplekken vallen. Verkeer Het planvoornemen gaat gepaard met een verandering van het aantal verkeersbewegingen. Voor het planvoornemen zal een overzichtelijke in- en uitrit worden gerealiseerd, zodat geen verkeersonveilige situaties ontstaan. Het plangebied wordt ontsloten op de Buitenbrinkweg en de Slagsteeg. Beoordeeld dient te worden of de verkeerswegenstructuur berekend is op de toename die met het planvoornemen zal ontstaan. Onderstaand zijn de berekeningen op basis van de CROW publicatie 'Toekomstbestendig parkeren' weergegeven. Stedelijkheidsklasse weinig stedelijk, Buitengebied Buitengebied, weinig stedelijke gemeente verkeersgeneratie per eenheid Kantoor (zonder baliefunctie)
8,8 (per 100 m2 bvo)
aantal eenheden 14,5
Totaal
Totaal 127,6 128
Stedelijkheidsklasse weinig stedelijk, Buitengebied Buitengebied, weinig stedelijke gemeente
Gemeente Ermelo
TAM-IMRO Omgevingsplan Buitenbrinkweg 41, Ermelo - ontwerp
pagina 40 van 50
parkeerkencijfers per eenheid Bedrijf arbeidsextensief/bezoek ersextensief
4,8 (per 100 m2 bvo)
aantal eenheden
Totaal
20,34
97,6
Totaal
98
Met de realisatie van het planvoornemen zal de verkeersgeneratie 226 motorvoertuigen per etmaal bedragen. De verkeersgeneratie leidt niet tot verkeersproblemen. In de regel kan een dergelijke gebiedsontsluitingsweg (60km/u) tot circa 48.000 motorvoertuigen per etmaal verwerken. Bovendien is een agrarisch bedrijf verdwenen en daarmee ook de verkeersbewegingen van het agrarische bedrijf. Op basis van bovenstaand kan worden geconstateerd dat het plangebied goed bereikbaar is en het omliggende wegennetwerk de beperkte toename aan verkeersbewegingen eenvoudig kan opvangen. Parkeren De wijze waarop de parkeerbehoefte moet worden aangetoond, is vastgelegd in de Nota parkeernormen van de gemeente Ermelo. Hieronder volgt de toets van het planvoornemen aan de parkeernormennota. Met het planvoornemen worden de volgende gebouwtypes met bijbehorende parkeernorm gerealiseerd. Stedelijkheidsklasse weinig stedelijk, Buitengebied Buitengebied, weinig stedelijke gemeente parkeerkencijfers per eenheid Kantoor (zonder baliefunctie)
2,6 (per 100 m2 bvo)
aantal eenheden
Totaal
14,5
37,7
Totaal
38
Stedelijkheidsklasse weinig stedelijk, Buitengebied Buitengebied, weinig stedelijke gemeente parkeerkencijfers per eenheid Bedrijf arbeidsextensief/bezoek ersextensief Totaal
1,1 (per 100 m2 bvo)
aantal eenheden 20,34
Totaal 22,37
23
Uit de parkeernormennota volgt dat met het planvoornemen 61 parkeerplaatsen op eigen terrein nodig zijn om aan de parkeernormennota te kunnen voldoen. In de beoogde situatie worden 63 parkeerplaasen gerealiseerd, wat dus voldoende is om de verwachte parkeerdruk op de vangen. Er wordt voldaan aan de Nota Parkeernormen van de gemeente Ermelo. 4.11.3 Conclusie Het aspect verkeer en parkeren vormt geen belemmering voor de uitvoering van voorliggend plan.
4.12
Duurzaamheid
4.12.1 Algemeen Conform artikel 1.3 Omgevingswet is duurzame ontwikkeling een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. Duurzaamheid wordt onder de Omgevingswet als een centraal en integraal aspect beschouwd. Toetsing aan het aspect duurzaamheid & klimaatadaptatie is sterk afhankelijk van het gemeentelijk beleid op dit thema. Het beoordelingskader kan dus per gemeente verschillen. Wel bevat het besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) relevante artikelen met betrekking tot duurzaamheid. Zo zijn de eisen met betrekking tot de milieuprestatie en energiezuinigheid van gebouwen opgenomen in afdeling 4.4. Hier zijn ook regels opgenomen over de 'Laadinfrastructuur voor elektrische voertuigen'.
Gemeente Ermelo
TAM-IMRO Omgevingsplan Buitenbrinkweg 41, Ermelo - ontwerp
pagina 41 van 50
Ten behoeve van de transitie naar emissie loze mobiliteit zal voldoende laadinfrastructuur voor elektrische voertuigen moeten worden gerealiseerd. Eisen daarvoor zijn opgenomen in het Bbl. Het Bbl eist met de BENG-norm dat bij nieuwbouw van woningen en andere categorieen invulling moet worden gegeven aan de volgende punten: beperken van de behoefte aan energie; beperken van het gebruik van fossiele energie; opwekken van duurzame energie voor verwarming en gebouw gebonden electriciteitsgebruik. Alle nieuwbouw zal voor toegepaste (bouw)materialen moeten voldoen aan de eisen die voor de MilieuPrestatie Gebouwen (MPG) in het Bbl zijn opgenomen. Het gemeentelijk beleid ten aanzien van duurzaamheid & klimaatadaptatie kan in het omgevingsplan zijn vastgelegd in de vorm van omgevingswaarden. Nagegaan moet worden of hieraan toepassing is gegeven. Indien dit het geval is, dient het initiatief getoetst te worden aan deze omgevingswaarden. Indien het gemeentelijk beleid ten aanzien van duurzaamheid & klimaatadaptatie nog niet is vastgelegd in het omgevingsplan, dient te worden getoetst aan het omgevingsplan van rechtswege. 4.12.2 Beoordeling Het aspect klimaatadaptatie is relevant voor onderhavige ontwikkeling. Ten behoeve van klimaatadaptatie wordt watercompensatie gerealiseerd. Tevens worden natuurinclusieve maatregelen genomen.
Waterveiligheid Op basis van onderstaande figuur is het plangebied niet overstromingsgevoelig. Klimaatadaptieve maatregelen met betrekking tot waterveiligheid zijn niet noodzakelijk.
Figuur 5.4. Overstromingsrisico Wateroverlast De kaart toont de resultaten van een analyse van een korte hevige bui: 140 mm in 2 uur tijd. Deze bui komt in het huidige klimaat bij benadering gemiddeld eens in de 100 jaar voor. Dit is een extreme bui die als stresstest wordt losgelaten op het gebied. De kaart geeft inzicht in locaties die, als gevolg van de bestaande inrichting en hoogteligging, gevoelig zijn voor wateroverlast bij extreme neerslag. Door twee buien te vergelijken geeft de scan inzicht in het effect van mogelijk hevigere buien in de toekomst. Onder normale omstandigheden infiltreert regenwater in groenstroken en tuinen en wordt het water
Gemeente Ermelo
TAM-IMRO Omgevingsplan Buitenbrinkweg 41, Ermelo - ontwerp
pagina 42 van 50
via het riool afgevoerd. De capaciteit van het riool bepaalt hoeveel water kan worden afgevoerd. Zodra bij hevige regenval het riool volstaat, blijft water op straat staan en zal het afstromen naar lager gelegen delen. Uit de figuur volgt dat bij een bui van 140 mm in 2 uur tijd waterdiepten van 5 tot 10 cm ontstaan in het plangebied. Bij een bui van 70 mm in 2 uur ontstaan dezelfde waterdiepten. Waar het water blijft liggen hebben de plassen meestal maar een waterdiepte van 5-10 cm. In de waterparagraaf is aangetoond dat het aantal m2 verharding gelijk blijft in de toekomstige situatie. Het is niet benodigd extra compenserende maatregelen te nemn m.b.t. waterberging.
Figuur 5.5. Waterdiepte bij hevige bui Droogte Door klimaatverandering zijn langere perioden van droogte mogelijk, met name in het voorjaar en in de zomer. Het is onzeker welk effect klimaatsverandering precies heeft op het grondwatersysteem. Als gevolg van klimaatverandering kunnen de gemiddelde laagste grondwaterstanden (GLG) meer dan 10 cm stijgen tot 2050. Een toenemende of hoge gemiddelde grondwaterstand kan leiden tot frequenter optredende wateroverlast in kruipruimten en tuinen, verwelking van flora, maar ook kortsluiting of het opdrijven van rioolbuizen en andere constructies kan in extreme situaties aan de orde zijn.
Gemeente Ermelo
TAM-IMRO Omgevingsplan Buitenbrinkweg 41, Ermelo - ontwerp
pagina 43 van 50
Figuur 5.6. Stijging grondwaterstand Hitte Door klimaatverandering wordt het in de zomer vaker heet. Het aantal tropische dagen (max. temperatuur hoger dan 30°C) zal toenemen. In het klimaatscenario WH verdrievoudigt dit aantal ongeveer rond 2050 ten opzichte van het huidige klimaat. Steden zijn (ook zonder klimaatverandering) al een stukje warmer dan het omliggende gebied. Dit wordt het stedelijk hitte eiland effect genoemd: steden nemen overdag meer warmte op en staan deze 's nachts maar langzaam weer af, waardoor vooral de nachten warmer blijven in de stad. In grote steden kan dit verschil oplopen tot gemiddeld 2 graden warmer. Na een warme, droge en zonnige dag met weinig wind kan het hitte eiland ook in Nederlandse steden oplopen tot rond de 10 graden. Het hitte eiland is geen exclusief grootstedelijk fenomeen: ook kleinere dorpen en steden in het landelijk gebied laten een soms sterk verhoogde minimumtemperatuur zien. De verhoging van de temperatuur is in het plangebied minimaal. Onderhavige activiteit heeft betrekking op een bedrijf. Het bedrijf wordt volgens de recentste normen omgebouwd waardoor het goed geïsoleerd is en de warmte goed buiten gehouden wordt. Daarnaast wordt veel verharding teruggebracht naar groen waardoor het vasthouden van hitte in bebouwing en verharding afneemt. Klimaatadaptieve maatregelen met betrekking tot hitte zijn niet noodzakelijk.
Gemeente Ermelo
TAM-IMRO Omgevingsplan Buitenbrinkweg 41, Ermelo - ontwerp
pagina 44 van 50
Figuur 5.7. Stedelijk hitte-eilandeffect 4.12.3 Conclusie Het aspect duurzaamheid vormt geen belemmering.
4.13
Besluit milieueffectrapportage
4.13.1 Algemeen De uitgangspunten van de milieueffectrapportage onder de Omgevingswet staan toegelicht in paragraaf 4.16.5 van de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel Omgevingswet. De wetgeving rond de milieueffectrapportage (hierna mer) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Daarnaast zijn in bijlage V bij het Omgevingsbesluit in één lijst zowel de mer-plichtige als de mer-beoordelingsplichtige gevallen opgenomen en de daarvoor benodigde besluiten. In alle gevallen moet het bevoegd gezag een mededeling ontvangen. Een plan of project heeft mogelijk invloed op de fysieke leefomgeving. Bij het uitvoeren van activiteiten in de fysieke leefomgeving kunnen tevens aanzienlijke milieueffecten ontstaan. Om bevoegde gezagen weloverwogen besluiten te kunnen laten nemen over plannen en projecten kan mer worden gedaan. Mer brengt de milieugevolgen van een plan of project in beeld voordat er een besluit wordt genomen door het bevoegd gezag. In het milieueffectrapport (hierna: MER) beschrijft de initiatiefnemer de effecten van het voorgenomen plan of project, en de effecten van alternatieven, op het milieu. Zo kan het bevoegd gezag dat het besluit neemt de milieugevolgen bij haar afwegingen betrekken.
Het uitvoeren van mer en het opstellen van een MER is hoofdzakelijk verplicht voor plannen en projecten die kunnen leiden tot aanzienlijke milieueffecten. Kleinschalige lokale ontwikkelingen hebben doorgaans geen aanzienlijke milieueffecten. Desalniettemin komen de meeste voorgenomen ontwikkelingen als project voor in kolom 1 van bijlage V van het Ob en dient het bevoegd gezag zich er derhalve van te vergewissen dat geen aanzienlijke milieueffecten kunnen ontstaan als gevolg van het project. Hiertoe geldt de mer-beoordelingsplicht.
Gemeente Ermelo
TAM-IMRO Omgevingsplan Buitenbrinkweg 41, Ermelo - ontwerp
pagina 45 van 50
4.13.2 Beoordeling Conform bovenstaande is ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling een mededeling mer-beoordelingsplicht opgesteld. Op basis van deze mededeling kan het bevoegd gezag, de gemeente Ermelo, een besluit nemen of mer al dan niet noodzakelijk is. Hieronder wordt de conclusie van deze mededeling beknopt toegelicht. Voor het volledige document wordt verwezen naar Bijlage 11 Mededeling mer-beoordelingsplicht. Op basis van de project-mer-beoordeling wordt, gelet op de kenmerken, plaats en potentiële effecten van het voorgenomen project, het optreden van aanzienlijke (negatieve) milieueffecten uitgesloten. Het bevoegd gezag wordt medegedeeld dat voor het onderhavige project geen mer noodzakelijk is. 4.13.3 Conclusie Op basis van deze vormvrije m.e.r.-toets neemt de gemeente een formeel besluit dat een m.e.r.-procedure niet doorlopen hoeft te worden. Het aspect m.e.r. vormt geen belemmering voor de realisatie van het onderhavige plan.
4.14
Gezondheid
4.14.1 Algemeen Conform artikel 1.3 sub a Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. Hierbij gaat het zowel om het beschermen van de gezondheid (bijvoorbeeld voorkomen ernstige nadelige gevolgen voor de gezondheid) als het bevorderen van de gezondheid (bijvoorbeeld middels sport en ontspanning). De Omgevingswet bevat een algemene zorgplicht. Dit houdt in dat overheden, bedrijven én burgers verantwoordelijk zijn voor een veilige en gezonde leefomgeving. Ook kent de omgevingswet 'specifieke zorgplichten', deze borduren voort op de algemene zorgplicht, maar zijn concreter. Een specifieke zorgplicht geldt voor specifieke activiteiten voor concreet genoemde belangen. Omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk doel is van de Omgevingswet, bevat het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) instructieregels die specifiek de bescherming van de gezondheid en het milieu tot doel hebben. De instructieregels hebben onder andere betrekking tot de aspecten geluid, geur, trillingen, luchtkwaliteit en bodem. In een ruimtelijke procedure dient te worden getoetst of aan dergelijke (planologisch) relevante aspecten met betrekking tot de bescherming van de gezondheid en het milieu wordt voldaan.
Toetsing aan het aspect gezondheid is sterk afhankelijk van het gemeentelijk beleid op dit thema. Het beoordelingskader kan dus per gemeente verschillen. Het gemeentelijk beleid ten aanzien van gezondheid kan in het omgevingsplan zijn vastgelegd in de vorm van omgevingswaarden. Nagegaan moet worden of hieraan toepassing is gegeven. Indien dit het geval is, dient het initiatief getoetst te worden aan deze omgevingswaarden. Indien het gemeentelijk beleid ten aanzien van gezondheid nog niet is vastgelegd in het omgevingsplan, dient te worden getoetst aan het omgevingsplan van rechtswege. 4.14.2 Beoordeling Tot op heden heeft de gemeente Ermelo in het omgevingsplan (nog) geen toepassing gegeven aan het vastleggen van het gemeentelijk beleid ten aanzien van gezondheid. Er kan dus ook niet worden getoetst aan bijbehorende omgevingswaarden. Wel is wat betreft gezondheid, in het kader van de specifieke zorgplicht, vanuit de Bruidsschat opgenomen dat in ieder geval alle passende preventieve maatregelen ter bescherming van de gezondheid moeten worden genomen. Ook gelden, met het oog op het beschermen van de gezondheid, onder andere regels voor het graven in de bodem, het tijdelijk opslaan van vrijkomende grond, de aansluiting op drinkwater, afvoer van huishoudelijk afvalwater & hemelwater en overbewoning van woonruimte.
In de hiernavolgende paragrafen van voorliggende motivering worden de relevante aspecten met betrekking tot de fysieke leefomgeving en het milieu beschouwd, onder ander in het kader van de bescherming van de gezondheid
Gemeente Ermelo
TAM-IMRO Omgevingsplan Buitenbrinkweg 41, Ermelo - ontwerp
pagina 46 van 50
4.14.3 Conclusie Op basis van de motivering zoals opgenomen in voorgaande paragrafen wordt geconcludeerd dat het aspect 'Gezondheid' geen belemmering vormt voor het planvoornemen.
Gemeente Ermelo
TAM-IMRO Omgevingsplan Buitenbrinkweg 41, Ermelo - ontwerp
pagina 47 van 50
Hoofdstuk 5 Juridische toelichting 5.1
Inleiding
In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op het plangebied, het relevante beleid en de milieu- en omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het maken van het juridische deel van het voorliggend TAM-Omgevingsplan: de verbeelding en de regels. In dit hoofdstuk wordt dieper ingegaan op de opzet van dit juridische deel. Daarnaast wordt een verantwoording gegeven van de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom een bepaalde functie ergens is toegestaan en waarom bepaalde bebouwing daar acceptabel is.
5.2
Opzet van de regels
Deze wijziging van het omgevingsplan betreft een TAM-omgevingsplan. TAM-IMRO is bedoeld voor gemeenten die nog geen gebruik kunnen maken van het planvormingsdeel van het DSO. Bijvoorbeeld doordat de plansoftware nog niet alle daarvoor benodigde functies biedt. Het kan ook zijn dat de gemeente te weinig tijd rest om het planproces goed te beproeven. Of dat er nog onvolkomenheden zijn in de landelijke voorziening. Met TAM-IMRO kunnen gemeenten toch hun omgevingsplan wijzigen. Kort gezegd houdt TAM-IMRO in dat de huidige techniek voor planvorming tijdelijk kan worden gebruikt onder de Omgevingswet. Deze techniek betreft de bestaande uitwisselingsstandaard IMRO (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) en de bestaande voorziening Ruimtelijke Plannen. IMRO is een bekende en functionerende techniek. De TAM-IMRO betreft niet alleen het gebruik maken van de oude software maar het gaat ook om langduriger gebruik van de bestaande systemen en koppelingen. Het juridisch bindend gedeelte van het TAM-omgevingsplan bestaat uit regels en bijbehorende verbeelding waarop de functies zijn aangegeven.. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken. De regels zijn onderverdeeld in vijf hoofdstukken: 1. 2. 3. 4. 5.
Inleidende bepalingen (begripsbepalingen en wijze van meten); Algemene gebiedsoverstijgende regels voor activiteiten (thema's); Activiteiten (voorheen: Bestemmingsregels); Algemene regels; Overgangsregels.
5.2.1
Inleidende bepalingen
De regels beginnen met een Pre-ambule. De gemeente heeft nu één omgevingsplan voor de hele gemeente. Om ervoor te zorgen dat de regels voor ontwikkeling aan de Buitenbrinkweg 41 op de juiste wijze onderdeel uit gaan maken van het omgevingsplan van de gemeente is de pre-ambule opgenomen. De regels worden opgenomen als paragraaf 22g van het omgevingsplan van de gemeente. Hoofdstuk 1 bevat de algemene bepalingen. Deze regels gelden voor de locatie waarvan de geometrisch bepaalde planobjecten zijn vervat in de bij het TAM-omgevingsplan behorende GML-bestand. De regels in dit hoofdstuk bevatten: Toepassingsbereik (artikel 1); Begrippen (artikel 2); deze begrippen zijn een aanvulling of afwijking op de begrippen zoals die al in het omgevingsplan inclusief bruidsschat zijn opgenomen. Meet- en rekenbepalingen (artikel 3). In artikel 1 is het toepassingsbereik opgenomen. In het toepassingsbereik is aangegeven welke besluiten niet van toepassing zijn op dit deel van het omgevingsplan en op welke locatie de regels van dit deel van het omgevingsplan wel van toepassing zijn. 5.2.2
Algemene gebiedsoverstijgende
regels voor activiteiten
(thema's)
Hoofdstuk 2 bevat algemene regels ten aanzien van parkeren en de landschappelijke inpassing. Er is een regeling opgenomen waarin de parkeernormen van de gemeente van toepassing zijn verklaard en een mogelijkheid om met een vergunning daarvan af te wijken.
Gemeente Ermelo
TAM-IMRO Omgevingsplan Buitenbrinkweg 41, Ermelo - ontwerp
pagina 48 van 50
Om te garanderen dat de landschappelijke inpassing zoals die bij het plan is opgenomen ook uitgevoerd wordt is een voorwaardelijke verplichting opgenomen. Deze regelt dat de gronden 1 jaar na vaststelling ingericht moeten zijn zoals opgenomen in de Landschappelijke inpassing en dat de Natuurinclusieve maatregelen moeten zijn uitgevoerd. Indien dat niet het geval is mogen de gronden niet gebruikt worden zoals opgenomen in het TAM – Omgevingsplan. 5.2.3
Specifieke regels over activiteiten
Hoofdstuk 3 van de regels bevat de juridische vertaling van de in het besluitgebied voorkomende activiteiten en gebiedsaanwijzingen. De regels zijn onderverdeeld in o.a.: Toepassingsbereik: op welke locatie de regels gelden; Oogmerk: wat wordt er beoogd met de toegestane activiteiten; Gebruiksactiviteiten; Bouwactiviteiten. Een TAM-omgevingsplan geeft aan welke functies waar zijn toegestaan en welke bebouwing mag worden opgericht. Bij het opstellen van dit TAM-omgevingsplan zijn keuzes gemaakt over welke activiteiten waar worden mogelijk gemaakt en is gekeken welke bebouwing stedenbouwkundig toegestaan kan worden. In deze paragraaf worden de gemaakte keuzes nader onderbouwd. Hierbij zullen functies in dezelfde volgorde als in de regels worden behandeld. Groen - Buitenbrinkweg 41 Ermelo Op voor 'Groen - Buitenbrinkweg 41 Ermelo' aangewezen gronden is het aanleggen en in stand houden van groen van belang. Daarnaast zijn maximaal 2 inritten toegestaan. Waarbij voor de inrit aan de Slagsteeg is bepaald dat deze alleen tussen 7.00 en 19.00 uur gebruikt mag worden. Er is geen bebouwing toegestaan binnen deze activiteit. Hovenier - Buitenbrinkweg 41 Ermelo Op de voor 'Hovenier - Buitenbrinkweg 41 Ermelo' aangewezen gronden is een hovenier toegestaan. Ondergeschikt is een kantoor tot maximaal 600 m² toegestaan en een kantine voor het eigen personeel tot maximaal 1.270 m².
Buitenopslag is alleen toegestaan waar dit is aangeduid. Er zijn bouwregels opgenomen zoals voor de omvang, hoogte en locatie. Schapenweide - Buitenbrinkweg 41 Ermelo Op de voor 'Schapenweide - Buitenbrinkweg 41 Ermelo' aangewezen gronden is het houden van maximaal 60 schapen toegestaan. Het is mogelijk aan schaapskooi of vergelijkbare voorziening te bouwen van maximaal 75 m² en tot een goothoogte van 3 meter en een bouwhoogte van 5 meter. 5.2.4