CConstaterende datErmelo
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 BF9492IBRP007F02 ROB Tomassen definitieve versie 19 maart 2025

Gemeenteraad 15 oktober 2025, gemeente ErmeloBij agendapunt: Definitieve beslissing op aanvraag Verklaring van geen bedenkingen Tomassen Duck-To B.V.22.309 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Afbeelding 3.4. Voorbeeld van een vergelijkbaar geluidsscherm

Met het oog op de milieutechnische haalbaarheid, geluidwerende voorziening, is het vergunnen van dit geluidsscherm van essentieel belang en rechtvaardigt dit een hoogte van 2.20 meter in het voorerf.

19 maart 2025

AANVRAAG OMGEVINGSVERGUNNING TOMASSEN DUCK-TO B.V.

BF9492-IB-RP007F02

24

Projectgerelateerd

Conclusie: Geconcludeerd kan worden dat de plaatsing van het geluidsscherm geen onevenredige afbreuk doet aan het omgevingsbeeld. Er is optimaal rekening gehouden met de verkeersveiligheid en plaatsing van het geluidsscherm geeft een maximaal resultaat voor wat betreft afscherming van het geluidshinder. Het geluidsaspect dient te prevaleren boven de planologische aspecten, zodat een hoger geluidsscherm geplaatst kan worden dan bij recht mogelijk is. Bij afweging van de verschillende aspecten is nog steeds sprake van een goede ruimtelijke ordening.

3.4

Verenlaadplaats

Een ander onderdeel dat deels buiten het bouwvlak en de functieaanduiding “specifieke vorm van bedrijf – pluimveeslachterij” gerealiseerd is, is de verenlaadplaats. Dit gebouw dient als opslag en laadplaats van de veren die als bijproduct ontstaan. De veren worden afgevoerd en krijgen op deze wijze nog een zinvolle bestemming. Afbeelding 3.5 toont het deel van de verenlaadplaats dat buiten het bouwvlak gerealiseerd is. Verder moet worden opgemerkt dat de verenlaadplaats, net als de luchtwasser, buiten de bestemmingsaanduiding van de feitelijke pluimveeslachterij ligt en daarmee valt binnen de bestemming ‘Bedrijf’, waar enkel bedrijven zijn toegestaan tot en met milieucategorie 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten, zoals opgenomen in bijlage 2 van de regels.

Afbeelding 3.5: Ligging verenlaadplaats (rood) ten opzichte van de grens van het bouwvlak (zwarte stippellijn)

Gebleken is dat van de verenlaadplaats 171 m2 buiten het bouwvlak van de pluimveeslachterij is aangelegd. Daarnaast overschrijdt de goothoogte van de verenlaadplaats (8 meter) de in de bestemmingsplanregels opgenomen maximale goothoogte (5 meter). De locatie van de verenlaadplaats is gesitueerd op de meest logische plek en is ook de voorkeurplek als gekeken wordt vanuit het bedrijfsproces. De overschrijding van het bouwvlak met de functieaanduiding “specifieke vorm van bedrijf – pluimveeslachterij” is beperkt in vergelijking met de gehele bedrijfsoppervlakte. De verenlaadplaats dient voornamelijk gezien te worden als onderdeel uitmakend van het productieproces en is in die zin op de meest logische plek in het proces geplaatst. Op perceelsniveau kan worden aangegeven dat de verenlaadplaats in feite deel uitmaakt van transport en opslag ten dienste van de pluimveehouderij, doordat de veren afzonderlijk opgeslagen worden en als bijproduct (donsveren) later worden afgevoerd. Het gebruik van het gehele perceel 112 wordt gewijzigd, zodat de functieaanduiding ‘transport en opslag’ voor het gehele perceel gaat gelden. Wordt puur en alleen gekeken naar de goot- en bouwhoogte voor bedrijfsgebouwen, dan kan worden vastgesteld dat de verenlaadplaats daaraan voldoet.

Verder kan worden opgemerkt dat de verenlaadplaats op deze locatie is afgeschermd van de nabijgelegen woningen door het naastgelegen bedrijfspand en de rond de inrichting gelegen groenstructuren. Dit betekent dat de stedenbouwkundige impact van de verenlaadplaats past in het ruimtelijke beeld ter plaatse. De verenlaadplaats heeft verder geen ruimtelijke impact op de omgeving aangezien het al een vergunde activiteit is die nu alleen overdekt plaatsvindt.

19 maart 2025

AANVRAAG OMGEVINGSVERGUNNING TOMASSEN DUCK-TO B.V.

BF9492-IB-RP007F02

25

Projectgerelateerd

Conclusie: Vanuit milieutechnisch oogpunt (zie hiervoor ook paragraaf 4.1) en vanuit een goede ruimtelijke ordening stuit het vergunnen van de verenlaadplaats (buitenplans) qua activiteit en gebruik niet op bezwaren.

3.5

Luchtwasser en schoorsteen

De locatie van de luchtwasser is bewust gekozen, enerzijds vanuit de functie van de luchtwasser en anderzijds vanuit de meest geschikte en voor de hand liggende inpassing in het bestaande bedrijfsproces. Daarnaast is gekozen voor deze locatie, omdat hiermee de noodzaak voor de aanleg van lange leidingen werd voorkomen. De instandhouding en legalisering van de luchtwasser is essentieel om te kunnen blijven voldoen aan de milieuregels. Ten overvloede dient vermeld te worden dat de schoorsteen zelf feitelijk binnen de functieaanduiding van pluimveeslachterij valt. Afbeelding 3.6 toont het deel van de luchtwasser dat buiten het bouwvlak gerealiseerd is. Het emissiepunt ligt binnen het bouwvlak van de pluimveeslachterij.

Afbeelding 3.6: Ligging luchtwasser (rood) ten opzichte van de grens van het bouwvlak van de feitelijke pluimveeslachterij (zwarte stippellijn)

De schoorsteen overschrijdt met een totale hoogte van 22,8 meter de in het bestemmingsplan “De Driehoek 2016” opgenomen maximale bouwhoogte van 3 m voor overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde (artikel 4.2.4, sub h bestemmingsplan). Op grond van artikel 2.1.2, dat de wijze van meten van de “bouwhoogte van een bouwwerk” voorschrijft, geldt het volgende: “vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen”. Ditzelfde bestemmingsplan biedt de mogelijkheid met een binnenplanse afwijkingsbevoegdheid om af te wijken van de hoogte gesteld in artikel 4.2.4 sub h. In artikel 20.1 is de afwijkingsbevoegdheid opgenomen, waarbij onder sub h van voornoemd artikel het volgende is bepaald: “het bepaalde ten aanzien van de maximale bouwhoogte van gebouwen en toegestaan dat de bouwhoogte van de gebouwen wordt vergroot ten behoeve van plaatselijke verhogingen, zoals schoorstenen, luchtkokers, liftkokers, lichtkappen, schotelantennes en installaties, indien de oppervlakte van de vergroting van de verhoging niet meer bedraagt dan 1 m2, met dien verstande dat de oppervlakte van de vergroting ten behoeve van een liftkoker niet meer bedraagt dan 4 m2”.

In voorliggend geval is sprake van een schoorsteen met een hoogte van 22,8 meter en een oppervlakte van 0,5 m2. Dit betekent dat de schoorsteen binnen de in bovenstaande afwijkingsbevoegdheid opgenomen voorwaarden valt. Gezien de functionele verbinding tussen luchtwasser en schoorsteen en het feit dat beide al zijn gerealiseerd, wordt ook de schoorsteen meegenomen in de buitenplanse afwijkingsprocedure.

19 maart 2025

AANVRAAG OMGEVINGSVERGUNNING TOMASSEN DUCK-TO B.V.

BF9492-IB-RP007F02

26

Projectgerelateerd

In het kader van de belangenafweging dient expliciet te worden opgemerkt dat de al aanwezige schoorsteen geen significant negatief visueel effect heeft. Deze valt slechts beperkt op aangezien de schoorsteen midden op het terrein van Tomassen is gelegen. In positieve zin draagt de schoorsteen bij aan het beperken van het negatief milieueffect, specifiek ten aanzien van het minimaliseren van geurhinder voor de omgeving. Conclusie: Vanuit milieutechnisch oogpunt (zie hiervoor ook paragraaf 4.1) en vanuit een goede ruimtelijke ordening stuit het vergunnen van de luchtwasser (buitenplans) en de schoorsteen qua activiteit en gebruik niet op onoverkomelijke bezwaren. Vastgesteld kan worden dat de schoorsteen geen significante negatieve visuele impact heeft naar de omgeving. Daarnaast heeft de hoogte van de schoorsteen een positieve invloed op het woon- en leefklimaat (voorkomen geuroverlast). Bij afweging dient beperking van de geuroverlast te prevaleren, waardoor bij afweging zeker sprake is van een goede ruimtelijke ordening.

3.6

Bloed- en slibtank

De bloedtank en de slibtank zijn in tegenstelling tot de luchtwasser en verenlaadplaats ‘bouwwerken, geen gebouwen zijnde’. Het feit dat deze, net als de luchtwasser en verenlaadplaats, buiten het bouwvlak zijn gesitueerd is daarmee in dit geval niet relevant. Beide tanks zijn echter wel aangelegd buiten de functieaanduiding “specifieke vorm van bedrijf – pluimveeslachterij” en liggen nu binnen de bestemmingsaanduiding ‘transport en opslag’. De bloedtank en de slibtank worden enkele keren per week geleegd door een destructiebedrijf. Afbeelding 3.7 toont de situering van beide tanks ten opzichte van de inrichting.

Afbeelding 3.7: Ligging bloed- en slibtank (rood) ten opzichte van de grens van het bouwvlak van het perceel Fokko Kortlanglaan 116 (zwarte stippellijn)

Het gaat hier om 2 tanks met een inhoud van 30 m3 en een hoogte van (ongeveer) 6 meter. Het vigerende bestemmingsplan staat de aanleg van bouwwerken toe tot een hoogte van 3 meter. Beide tanks overschrijden deze maximale bouwhoogte. De algemene afwijkingsregels (artikel 20.1, sub d) staan echter een toename van de bouwhoogte van bouwwerken toe tot maximaal 10 meter. Voor wat betreft de ligging van beide tanks buiten de in het bestemmingsplan opgenomen functieaanduiding “specifieke vorm van bedrijf – pluimveeslachterij” moet echter een buitenplanse afwijkingsprocedure worden doorlopen, zodat ook het gebruik wordt gelegaliseerd. Aangezien het zicht op beide tanks vanuit de ten zuiden van de inrichting gelegen woningen afgeschermd is door het naastgelegen bedrijfspand, mag worden gesteld dat deze ontwikkeling geen onevenredige afbreuk doet aan het omgevingsbeeld. Het feit dat beide tanks buiten het bouwvlak zijn gelegen is in dit geval niet relevant, omdat het bestemmingsplan geen aanvullende regels stelt aan het bouwen van bouwwerken geen gebouwen zijnde buiten het bouwvlak. Waarbij ten overvloede nog dient te worden opgemerkt dat indien de 19 maart 2025

AANVRAAG OMGEVINGSVERGUNNING TOMASSEN DUCK-TO B.V.

BF9492-IB-RP007F02

27

Projectgerelateerd

betreffende ontwikkelingen aan de noord- of oostzijde van het perceel (binnen het bouwvlak) waren gerealiseerd, dit tot meer visuele hinder had geleid voor de omliggende woningen aan de noordzijde, omdat er aan deze zijde geen bebouwing als buffer voor visuele hinder door beide tanks aanwezig is. Conclusie: De tanks hebben verder geen ruimtelijke impact op de omgeving aangezien het al een vergunde activiteit is. Aanvullend kan worden opgemerkt dat de tanks door de bedrijfsbebouwing aan het zicht worden onttrokken, waardoor plaatsing geen onevenredige afbreuk doet aan het omgevingsbeeld.

3.7

Gasdrukmeet- en regelstation

Op een stukje terrein ten zuiden op zo’n 75 meter buiten de inrichtingsgrenzen is een gasdrukmeet- en regelstation geplaatst door Liander. Dit perceel is in eigendom bij Liander NV en is derhalve geen onderdeel van de inrichting van Tomassen. Omdat het gasstation alleen wordt gebruikt voor Tomassen wordt het gasstation zelf gezien als behorend tot de inrichting. Afbeelding 3.8 toont de situering en een beeld van het betreffende gasstation.

Afbeelding 3.8: Ligging (links) en foto gasdrukmeet- en regelstation (rechts)

Het station is geplaatst op een stuk grond dat als ‘Groen’ is bestemd. Deze bestemming staat alleen bouwwerken toe die ten dienste van de bestemming worden gebouwd. Dit is in voorliggend geval niet aan de orde. Het gasdrukmeet- en regelstation en bijbehorende gasleiding is bedoeld voor de aanvoer van hogedrukaardgas voor de inrichting Tomassen. Het gaat hier wel om een nutsvoorziening, maar het betreft geen openbare voorziening. De gastoevoer betreft enkel en alleen de inrichting van Tomassen. Hiermee kan voorliggende strijdigheid niet met de categorieën gevallen waarin voor bouwactiviteiten en planologische gebruiksactiviteiten geen omgevingsvergunning is vereist (Bor bijlage 2, artikel 2, lid 18, sub a) worden toegelaten, omdat deze uitgaat van een openbare voorziening. Aan deze voorwaarde wordt niet voldaan. Voorgaande houdt in dat het gasdrukmeet- en regelstation en de gasleiding buitenplans gerealiseerd moeten worden. Het gasstation maakt het gebruik van gas binnen het bedrijfsproces mogelijk, waar eerder nog gebruik werd gemaakt van dieselgeneratoren. Met deze energiebesparende maatregel is niet alleen verbetering bereikt op het gebied van duurzaamheid maar ook op het gebied van overlast, onder meer voor geluid en luchtkwaliteit. Daarnaast is het gasstation dusdanig gesitueerd en vormgegeven dat deze een minimale ruimtelijke impact heeft (zie afbeelding 3.8).

Daarmee is het gasstation inclusief bijbehorende gasleiding puur ruimtelijk gezien aanvaardbaar op deze locatie. 19 maart 2025

AANVRAAG OMGEVINGSVERGUNNING TOMASSEN DUCK-TO B.V.

BF9492-IB-RP007F02

28

Projectgerelateerd

Conclusie: De ruimtelijke impact van het gerealiseerde gasstation naar de omgeving is gering, danwel verwaarloosbaar. In hoofdstuk 4 vindt een nadere afweging plaats voor het omgevingsaspecten externe veiligheid en bedrijfs- en milieuzonering.

3.8

Voorwaardelijke verplichting

Voorwaarde binnen het bestemmingsplan Binnen het bestemmingsplan ‘De Driehoek 2016’ is ten behoeve van de Driehoek een Beeldkwaliteitsparagraaf opgenomen in bijlage 4 bij de regels. Het vormt een landschappelijk raamwerk voor initiatieven. Binnen de visie wordt gestreefd naar een samenhangend en aantrekkelijk vormgegeven stedelijk uitloopgebied, waarbij het groene karakter overheerst en waarin rode elementen op verantwoorde manier worden ingepast binnen dat groene kader. Het zogenaamde groen werklandschap kent een drietal doelen, namelijk: ◼

Het opheffen van de verrommeling;

◼

Het realiseren van een groene landschappelijke herstructurering met doorkoppelingen richting ecologische waardevolle gebieden;

◼

Het bieden van ruimte voor milieubewuste lokale ondernemers.

Binnen het bestemmingsplan is hiertoe al de bestemming ‘Groen’ opgenomen als een soort groen raamwerk (dooradering).

Afbeelding 3.9: Gedeelte van het Beeld landschappelijke inpassing ontwikkelingsgebieden

19 maart 2025

AANVRAAG OMGEVINGSVERGUNNING TOMASSEN DUCK-TO B.V.

BF9492-IB-RP007F02

29

Projectgerelateerd

Afbeelding 3.10. Legenda behorend bij Beeld landschappelijke inpassing ontwikkelingsgebieden

Beschrijving situatie Ten behoeve van de bedrijfsactiviteiten zijn delen van de bestemming ‘Groen’ in gebruik genomen. Het beeldkwaliteitsplan gaat uit van een groene dooradering van het gebied De Driehoek met houtsingels. Vastgesteld kan worden dat de houtsingels ook zijn versterkt. Aangezien het bedrijfsperceel na vaststelling van het bestemmingsplan voor een deel anders is ingericht, met name voor wat betreft het transport en opslag, vraagt voorgaande om een landschappelijk compensatieplan. Een compensatieplan is gevonden binnen het terrein of in de directe omgeving van het bedrijf, zodat voldaan kan worden aan de uitgangspunten van de Beeldkwaliteitsparagraaf van het bestemmingsplan De Driehoek. Bij het opstellen van het compensatieplan is rekening gehouden met de landschappelijke karakteristieken van het gebied. Onderstaande afbeelding geeft de inventarisatie weer van het gerealiseerde en nog te realiseren groen volgens het bestemmingsplan en kan gezien worden als huidige situatie.

19 maart 2025

AANVRAAG OMGEVINGSVERGUNNING TOMASSEN DUCK-TO B.V.

BF9492-IB-RP007F02

30

Projectgerelateerd

Afbeelding 3.11: gegenereerd overzicht van gerealiseerd en nog te realiseren volgens bestemmingsplan

Vergelijking Beeldkwaliteitsparagraaf in bestemmingsplan en landschappelijk compensatieplan Vastgesteld kan worden dat binnen het perceel nog 2.738 m2 groen gerealiseerd moet worden. Verder kan worden vastgesteld dat het compensatieplan uitgaat van realisering van 820 m2 groen binnen de bedrijfsbestemming. Het compensatieplan gaat er verder vanuit dat naast de bestaande groenvoorzieningen, zoals weergegeven in onderstaande afbeelding 3.12, de volgende groenontwikkeling op het perceel wordt gerealiseerd.

19 maart 2025

AANVRAAG OMGEVINGSVERGUNNING TOMASSEN DUCK-TO B.V.

BF9492-IB-RP007F02

31

Projectgerelateerd

Afbeelding 3.12: kaartbeeld groenontwikkeling uit het landschappelijke compensatieplan

Het compensatieplan voorziet in de inrichting van drie typologieën landschappelijke beplanting namelijk: de houtsingels met boomvormers, bomenrijen en kruidenrijk gras. Zoals gesteld voorziet het compensatieplan in het compenseren van de ontwikkelingen op het terrein, zoals beschreven binnen deze ruimtelijke onderbouwing. De oppervlakte van de ontwikkelingen bedraagt in totaliteit minder dan 500 m2. Vastgesteld kan worden dat ter compensatie van deze oppervlakte mimimaal 5 punten zijn benodigd volgens de Beeldkwaliteitsparagraaf in het bestemmingsplan ‘De Driehoek 2016’. Het compensatieplan voorziet hier ruimschoots in door de toepassing van takkenrillen van minimaal 1 meter breed en vijf meter lang, kruidenrijk grasland en houtsingels. Houtsingels en mantel-zoomvegetatie (1.543 m2) Vastgesteld kan worden dat de houtsingels overeenkomstig de Beeldkwaliteitsparagraaf worden aangeplant. Het heesterplantsoen uit de tabel wordt in de houtsingels groepsgewijs gemengd toegepast met vijf tot negen stuks per soort per groep om onderlinge concurrentie te voorkomen. De rhododendrons worden niet toegepast in het plan. De zoomvegetatie wordt niet aangeplant, maar ontstaat door een extensief maaibeheer door het elk jaar gefaseerd te maaien. In de houtsingels worden om de ongeveer vier meter boomvormers toegepast bestaande uit berk, zomereik, ruwe berk en veldesdoorn/Spaanse aak.

Op diverse nattere plekken binnen het plangebied is zwarte els mogelijk. Cultuurvariëteiten worden bij voorkeur niet toegepast. In algemene zin kan nog worden opgemerkt dat naast de genoemde soorten uit de beeldkwaliteitsparagraaf het assortiment verrijkt is met enkele inheemse, gebiedseigen soorten (sleedoorn, hazelaar en meidoorn). Voorgaande is gedaan om de biodiversiteit te bevorderen. De toevoegingen zijn vastgesteld aan de hand van potentiële natuurlijke vegetatie en biedt nest-, schuil- en foerageergelegenheid voor diverse faunasoorten.

19 maart 2025

AANVRAAG OMGEVINGSVERGUNNING TOMASSEN DUCK-TO B.V.

BF9492-IB-RP007F02

32

Projectgerelateerd

Kruidenrijk grasland (1.436 m2) Het kruidenrijk grasland komt tot stand door een aangepast maaibeheer. Het gras wordt 1 tot 2 keer per jaar gemaaid (vroeg voorjaar en in de zomer). Compenserende maatregelen De vergelijking van de huidige en de niet gerealiseerde groenbestemmingen met het landschappelijk compensatieplan is gedaan op basis van vergelijking van de plattegronden. Hieronder wordt dit weergegeven in de twee afbeeldingen.

Afbeelding 3.13: huidige situatie van de groenbestemming en het gerealiseerd groen.

Afbeelding 3.14: beoogde eindsituatie compenserende maatregelen 19 maart 2025

AANVRAAG OMGEVINGSVERGUNNING TOMASSEN DUCK-TO B.V.

BF9492-IB-RP007F02

33

Projectgerelateerd

Waar de bedrijfsvoering het toelaat wordt ‘niet gerealiseerd groen’ mogelijk gemaakt. Dit is mogelijk langs de noordzijde van het plangebied. Daarnaast is groen gerealiseerd in de bedrijfsbestemming (donkergroen) en toegevoegd aan het totaal oppervlak gerealiseerd groen. Hiermee wordt het oppervlak wat in verband met de bedrijfsvoering niet met groen kan worden ingericht deels gecompenseerd. Het betreft hier een oppervlak van 820 m², dat in mindering wordt gebracht op het oppervlak niet gerealiseerd groen. Het gerealiseerde groen binnen het plangebied bedraagt daarmee 6.366 m² (was 4.143 m²). Het niet gerealiseerde groen in de groenbestemming wordt gecompenseerd en neemt daarmee in oppervlakte af van 2.738 m² naar 515 m². De oppervlakte van 515 m2 wordt vervolgens gecompenseerd door het aanbrengen van landschappelijke en ecologische kwaliteit binnen de al gerealiseerde groenoppervlaktes. Het gearceerde perceel van 3.000 m² (zie afbeelding 3.14) wordt daarvoor voorzien van gemengde inheemse vegetatie en de houtsingelstructuur wordt op verschillende plekken versterkt in het plangebied. Aanvullend kan nog worden opgemerkt dat een gewijzigde bedrijfsvoering het niet mogelijk maakt de strook tussen de percelen Fokko Kortlanglaan 116 en nummer 122 en 122a als groen te bestemmen. De strook wordt gebruikt als ontsluitingsweg en is daardoor te smal.

Compensatie wordt hiervoor geboden, zoals in voorgaande tekst is weergegeven. Door plaatsing van de opslagloods binnen de bestemming ‘Groen’ kan een deel van de houtsingel niet gerealiseerd worden. De gewenste groene dooradering uit de Beeldkwaliteitsparagraaf kan daardoor, zo lijkt het, niet plaatsvinden. Van een dooradering is in ruimtelijk planologisch opzicht nog steeds sprake, doordat het aangrenzend perceel een bestemming ‘Bos’ heeft. Hierdoor geldt het ruimtelijk gezien nog steeds als groene dooradering en is van doorsnijding geen sprake. Wordt inhoudelijk gekeken naar het landschappelijke inpassingsplan, dan kan worden aangegeven dat het plan voorziet in houtsingel aan de noordoostzijde van de inrichting, waardoor de visuele impact van het bedrijf wordt beperkt. Hetzelfde geldt voor de aangebrachte beplanting aan de zijde van de Fokko Kortlanglaan. Verder kan worden opgemerkt dat de aan de zuidwestzijde van de inrichting rekening is gehouden met de opvang van hemelwater, door de aanleg van een wadi. Hierbij kan eveneens worden opgemerkt dat door het volledig beplanten hier sprake is van potentie voor toename van de biodiversiteit door toepassing van verschillende structuren, zoals bijvoorbeeld kruidenvegetatie en struweelbeplanting.

Het integreren van groen (bomen, struiken en planten) kan de luchtkwaliteit verbeteren (opname CO2 en productie O2) en zo een bijdrage leveren aan een gezondere leefomgeving. Meer in algemene zin kan worden aangegeven dat het inrichtingsplan gericht is op versterking van de houtsingelstructuur. In het kader van de landschappelijke inpassing zijn hiermee de relevante aspecten waterbeheer, flora en fauna en de visuele impact op het landschap afdoende beschreven (en verder wordt verwezen naar de desbetreffende paragrafen in hoofdstuk 4). Conclusie: Vastgesteld kan worden dat het compensatieplan in oppervlakte groen, te realiseren groen en door toepassing van takkenrillen van minimaal 1 meter breed en vijf meter lang, kruidenrijk grasland en houtsingels voldoet aan de Beeldkwaliteitsparagraaf, zoals opgenomen in het bestemmingsplan De Driehoek 2016. Wat betreft de groene dooradering van de houtsingel ter hoogte van de opslagloods kan worden opgemerkt dat van een dooradering nog steeds sprake is nu het aangrenzend perceel ten oosten de bestemming ‘Bos’ heeft, waardoor het groene karakter en de beleving van groen nog immer in stand is gebleven. Door het vele groen ter plaatse is hier nog steeds sprake van een doorkoppeling richting ecologische waardevolle gebieden, wat gezien wordt als één van de doelen binnen het werklandschap.

De landschappelijke inpassing vormt geen belemmering voor de ontwikkelingen die binnen deze ruimtelijke onderbouwing mogelijk worden gemaakt en draagt bij aan een goede ruimtelijke ordening, zoals binnen het bestemmingsplan De Driehoek 2016 ook als uitgangspunt is gekozen. Evenwel kan, doordat er gebouwd is binnen de bestemming ‘Groen’, niet meer voldaan worden aan de voorwaardelijke verplichting zoals opgenomen in artikel 18.8 van de planregels. De afwijking van deze verplichting maakt daarmee onderdeel uit van de vergunningsaanvraag. 19 maart 2025

AANVRAAG OMGEVINGSVERGUNNING TOMASSEN DUCK-TO B.V.

BF9492-IB-RP007F02

34

Projectgerelateerd

3.9

Opslagloods binnen groenbestemming

Algemeen Door de bouw en situering van de opslagloods voor een klein deel binnen de bestemming ‘Groen’ wordt de geplande groene dooradering deels kort doorbroken. Binnen paragraaf 3.8 is al aangegeven dat hier nog steeds sprake is van een goede ruimtelijke ordening, doordat het aangrenzend perceel de bestemming ‘Bos’ heeft. Er is daardoor nog immer sprake van een gesloten groenvoorziening dat een doorkoppeling mogelijk maakt richting ecologische waardevolle gebieden, zoals dat als uitgangspunt in het bestemmingsplan ‘De Driehoek 2016’ ook is opgenomen. Het vormt één van de doelen binnen het werklandschap. Afweging Vastgesteld kan worden dat de korte doorbreking in ruimtelijke zin wordt opgevangen door het aangrenzend perceel met de bestemming ‘Bos’. De dooradering blijft daardoor in stand. De hierdoor verloren gegane oppervlakte aan groen is, zoals blijkt uit paragraaf 3.6, voldoende gecompenseerd. Conclusie: De bouw mag dan strijdig zijn met de regels binnen het bestemmingsplan ‘De Driehoek 2016’, echter wordt door de bestemming ‘Bos’ de doorbroken dooradering opgevangen en wordt de oppervlakte aan groen die verloren is gegaan gecompenseerd, zodat in totaliteit nog immer sprake is van een goede ruimtelijke ordening.

3.10

Strijdig gebruik percelen 112 en 122

Algemeen Voor wat betreft de percelen Fokko Kortlanglaan 112 en 122 kan de planologische situatie als volgt worden weergegeven. Voor de percelen geldt volgens het bestemmingsplan ‘De Driehoek 2016’ (vastgesteld op 8 maart 2018) een bedrijfsbestemming. Op de percelen is artikel 4 van toepassing, dat kort als volgt kan worden weergegeven: Artikel 4 Bedrijf 4.1 Bestemmingsomschrijving De voor ‘Bedrijf’ aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. bedrijven tot en met categorie 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten die is opgenomen als bijlage 2 van de regels, alsmede voor; b. een pluimveeslachterij, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding specifieke vorm van bedrijf pluimveeslachterij; (…) f. transport en opslag ten dienste van een pluimveeslachterij, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding specifieke vorm van bedrijf - transport en opslag; met daarbij behorende gebouwen, bouwwerken geen gebouwen zijnde, en in ondergeschikte mate en ten dienste van de bestemming tevens voor wegen en paden, parkeervoorzieningen, groenvoorzieningen, water en voorzieningen voor de waterhuishouding, tuinen en erven. Voor het perceel 112 valt de specifieke functieaanduiding voor transport en opslag samen met het bouwvlak. Het onbebouwde gedeelte heeft deze functieaanduiding niet.

Voor het perceel 122 is voor de gehele bedrijfsbestemming geen functieaanduiding opgenomen, behalve bij de bedrijfswoning aan de voorzijde, die behoort bij het bedrijf dat aan de voorzijde van het perceel is gevestigd, een bedrijf dat geen onderdeel uitmaakt van Tomassen. Op het achterste deel van perceel 112 en perceel 122 vinden activiteiten plaats ten dienste van het pluimveeslachtbedrijf, zoals vervoers- en transportbewegingen, laden en lossen en opslag. De expeditie route 19 maart 2025

AANVRAAG OMGEVINGSVERGUNNING TOMASSEN DUCK-TO B.V.

BF9492-IB-RP007F02

35

Projectgerelateerd

loopt vanaf de entree aan de Fokko Kortlanglaan 112 over de volledige lengte van perceel 112, langs de achterkant van de pluimveeslachterij op perceel 116, tot aan perceel 122. Opgemerkt moet worden dat de achterzijde van perceel 122 geheel omsloten wordt door een strook met de bestemming ‘Groen’ en functieaanduiding ‘houtsingel’. Deze strook is volgens het bestemmingsplan uitsluitend bestemd voor de aanleg en instandhouding van een houtsingel die voldoet aan de eisen uit de beeldkwaliteitsparagraaf De Driehoek. Voor de voorwaardelijke verplichting kan worden verwezen naar paragraaf 3.8. Voor de percelen 112 en 122 geldt dat hier enkel bedrijven tot en met milieucategorie 2 volgens de Staat van Bedrijfsactiviteiten zijn toegestaan. Planologische afweging Voor het gebruik van de percelen 112 en 122 ten behoeve van de pluimveeslachterij kan geen gebruik worden gemaakt van in het bestemmingsplan opgenomen afwijkingsbevoegdheden, omdat het plan geen afwijkingsregels voor strijdig gebruik bevat. Ook kan worden vastgesteld dat de kruimelgevallenregeling hierop niet van toepassing is. Het strijdig gebruik gaat om activiteiten die op deze percelen worden uitgevoerd ten dienste van de slachterij en daardoor planologisch en milieutechnisch gezien ertoe behoren. Het gebruik van het terrein als het gaat om transport en opslag kan als volgt worden beschreven.

Op de achterzijde van het perceel 112 vinden de volgende werkzaamheden plaats. In de tekst wordt verwezen naar afbeelding 3.15. 1. Stalling van de twee verenauto’s in de kleine bruine verenlaadplaats – zie B in afbeelding 3.15. Deze worden gedurende de dag gevuld en rijden vol weg en komen leeg terug. Vervolgens parkeren ze meteen weer in de (verder de gehele dag afgesloten) verenlaadplaats. 2. Gebruik van de weegbrug – zie A in afbeelding 3.15. Hier komen vrachtwagens eenden aanvoeren die twee wegingen doen (een keer leeg en een keer vol). Enkele vrachtwagens per dag halen afvalproducten, slib en bloed op en worden gewogen. 3. Transportbewegingen door het schuifhek onderaan het rode vlak (eventueel over de weegbrug) – zie E in afbeelding 3.15, naar de zijingang (enige ingang) van de slachterij in het geval van aanvoer van pluimvee of bij het ophalen van afvalproducten – zie C. Daarnaast vindt transport van vrachtwagens door het schuifhek plaats, die eindproducten komen afhalen bij de laadput – zie D. Vanuit verkeersveiligheid vindt de expeditieroute plaats vanuit het vereiste eenrichtingsverkeer om de feitelijke slachterij plaats. De ontsluiting vindt op dezelfde manier plaats en is al meer dan 30 jaar op deze manier georganiseerd.

19 maart 2025

AANVRAAG OMGEVINGSVERGUNNING TOMASSEN DUCK-TO B.V.

BF9492-IB-RP007F02

36

Projectgerelateerd

Afbeelding 3.15: aanzicht bedrijfspercelen Tomassen met rood gearceerd het relevante deel van perceel 112 en geel gearceerd het gedeelte op perceel 122.

19 maart 2025

AANVRAAG OMGEVINGSVERGUNNING TOMASSEN DUCK-TO B.V.

BF9492-IB-RP007F02

37

Projectgerelateerd

Op het achterste deel van het perceel 122 vinden de volgende activiteiten plaats: 1. Opslag van plastic, karton en kratten (verpakkingsmateriaal) in de opslagloods welke is vergund als zodanig bij besluit van 19 maart 2019 (kenmerk e190013293). 2. Er zijn zonnepanelen geplaatst op het dak van deze loods (plus omvormers aan de achterwand van de loods). 3. Parkeren van een aantal vrachtwagens op het terrein van 122 naar aanleiding van de brand in 2020, waarbij een activist heeft getracht het bedrijf en wagenpark in brand te steken. Dat laatste lukte ook deels omdat de vrachtwagens dicht tegen elkaar aan stonden. Nu zijn de vrachtwagens met grote(re) tussenruimtes geparkeerd. Daarvoor is het terrein van 122 ook deels gebruikt. Op dit perceel bevindt zich dus een opslagloods, welke is vergund als zodanig bij besluit van 19 maart 2019. Uit de vergunning, doch ook uit de aanvraag, blijkt dat het gaat om een opslaghal ten dienste van de slachterij. De routes die worden gevolgd op het (achter)terrein van perceel 112 en 122 en de aantallen vrachtwagens die hiervan gebruik maken zijn betrokken in het akoestisch onderzoek. Het onderzoek is als bijlage 8 bij deze onderbouwing gevoegd. Aanvullend kan nog worden opgemerkt dat op het (achter)terrein van perceel 112 en 122 gebruik wordt gemaakt van elektrische heftrucks.

In hoofdstuk 4 zijn voor het strijdig gebruik relevante omgevingsaspecten meegenomen. Het gaat hierbij om het aspect geluid, geur, bodem, bedrijfs- en milieuzonering, luchtkwaliteit, water, ecologie, verkeer en m.e.r.beoordeling. Conclusie: Vanuit een goede ruimtelijke ordening stuit het vergunnen van het gebruik van (achter)terrein van percelen 112 en 122 qua activiteit en gebruik niet op onoverkomelijke bezwaren. Hierdoor is zeker sprake van een goede ruimtelijke ordening.

19 maart 2025

AANVRAAG OMGEVINGSVERGUNNING TOMASSEN DUCK-TO B.V.

BF9492-IB-RP007F02

38

Projectgerelateerd

4

Omgevingsaspecten

Ten tijde van het vaststellen van het bestemmingsplan ‘De Driehoek 2016’ (vastgesteld 8 maart 2018) is voor het gehele plangebied onderzoek uitgevoerd naar de verschillende milieu- en omgevingsaspecten. Gezien de beperkte impact van de voorliggende ontwikkelingen waarbij wordt afgeweken van het bestemmingsplan “De Driehoek 2016”, is de uitvoerbaarheid vanuit de meeste milieu- en omgevingsaspecten in het vigerende bestemmingsplan al grotendeels aangetoond. Voor enkele milieu- en omgevingsaspecten kunnen de afwijkingen van het vigerende bestemmingsplan echter wel consequenties hebben. De belangrijkste aspecten hierbij vormen geluid en geur. Om de uitvoerbaarheid van de in deze ruimtelijke onderbouwing beschouwde ontwikkelingen aan te tonen zijn de aspecten geluid en geur in ieder geval binnen dit hoofdstuk nader beschouwd. Daarnaast worden de overige omgevingsaspecten op hoofdlijnen behandeld.

4.1

Geur

Algemeen kader In het plangebied geldt het Gelders geurbeleid en dat vormt het wettelijk kader voor het omgevingsaspect geur. Het Gelders geurbeleid voor bedrijven (niet-veehouderijen) richt zich op industriële bedrijven waarvoor de provincie een wettelijke taak heeft op het gebied van vergunningverlening en handhaving. Provincie Gelderland gaat uit van de hedonische waarde H=-2 en verdisconteert deze in de normstelling in odour units per m³ (ouE/m³) voor het beoordelen van de geur in categorieën. De hedonische waarden (H=-0,5 en H=-1) geven de mate van hinderlijkheid van de betreffende geur weer, op een beoordelingsschaal van -4 (uiterst onaangenaam) tot +4 (uiterst aangenaam). De geurconcentratie in ouE/m³ die leidt tot een geur met een hedonische waarde van H=-1 is bij een banketbakkerij bijvoorbeeld veel hoger dan bij de overslag van huishoudelijk afval. Door het opnemen van een geurruimte op basis van een hedonische waarde wordt rekening gehouden met de aard van de geur. In onderstaande tabel is het beoordelingskader van GS opgenomen (uit het geurbeleid). Tabel 1: Beoordeling geur op basis van hedonische waarde

Door de Gedeputeerde Staten worden verschillende categorieën geurgevoelige objecten onderscheiden: ◼

Categorie A: woningen en vergelijkbare objecten gelegen in gebiedscategorie ‘wonen’;

◼

Categorie B: woningen en vergelijkbare objecten gelegen in gebiedscategorie ‘werken’

◼

Categorie C: verblijfsobjecten, niet zijnde woningen of vergelijkbare objecten, gelegen in gebiedscategorie ‘wonen’ of ‘werken’;

◼

Categorie D: verblijfsobjecten gelegen op een industrieterrein op de gronden die zijn bestemd voor bedrijven in categorie 4 of hoger volgens de VNG Brochure ‘Bedrijven en Milieuzonering’.

In het Gelders geurbeleid staan de immissie geurconcentratie-eisen uitgedrukt in ouE/m³ als 98-percentiel. Hieronder zijn de voor dit planvoornemen relevante waarden voor categorie A en B opgenomen.

19 maart 2025

AANVRAAG OMGEVINGSVERGUNNING TOMASSEN DUCK-TO B.V.

BF9492-IB-RP007F02

39

Projectgerelateerd

Tabel 2: Immissie geurconcentraties in ouE/m³ als 98-percentiel

In de VNG-publicatie Handreiking bedrijven en milieuzonering is een stappenplan opgenomen voor het bepalen van de inpasbaarheid van (nieuwe) bedrijfsactiviteiten nabij woningen. Stap 1 betreft het in kaart brengen van de richtafstanden op basis van de aangevraagde bedrijfsactiviteiten. Als de aldus bepaalde milieuzone de locatie van een woning overlapt, is nader onderzoek noodzakelijk (stap 2) en kan een nadere afweging over de geurgrenswaarden aan de orde zijn. Afweging In het kader van deze ruimtelijke onderbouwing zijn twee geuronderzoeken uitgevoerd (d.d. 7 februari 2019 en d.d. 18 maart 2025). Het onderzoek van 2019 omvat de gehele inrichting, wat betekent dat ook is gekeken naar de ontwikkelingen die in voorliggende ruimtelijke onderbouwing aan de orde komen. Hierin is de geur in de omgeving ten gevolge van de activiteiten binnen de inrichting bepaald. Het kader voor dit onderzoek wordt gevormd door het Gelders geurbeleid. Het onderzoek is opgenomen in bijlage 2 bij deze onderbouwing. Het onderzoek van 2025 omvat eveneens de gehele inrichting, maar hierin is specifiek gekeken naar de ruimtelijke inpasbaarheid in het vigerende bestemmingsplan. Een belangrijk hulpmiddel hierbij is de VNG Handreiking bedrijven en milieuzonering. Deze Handreiking geeft richtafstanden tot gevoelige bestemmingen vanwege onder andere geur.

Het onderzoek van 18 maart 2025 is opgenomen in bijlage 4 bij deze onderbouwing. Ten tijde van vaststelling van het bestemmingsplan De Driehoek 2016 was al sprake van een legale situatie rond de pluimveeslachterij. De slachterij stond ten tijde van de vaststelling niet ter discussie. Voor het aspect geur speelt alleen de aangebrachte ontwikkelingen van luchtwasser met een schoorsteen als emissiepunt. De gewenste bedrijfsvoering van Tomassen is strijdig met het vigerende bestemmingsplan, omdat de luchtwasser deels buiten het bouwvlak is gebouwd en de schoorsteen de maximale bouwhoogte overschrijdt. In het kader van een planologische afweging is het gewenst de geuremissies van de gewenste bedrijfsvoering in kaart te brengen. Een luchtwasser wordt in de intensieve (pluim-)veehouderij gebruikt om de geurimmissie in de omgeving te beperken en daarmee geuroverlast te voorkomen. Alle andere ontwikkelingen zijn niet relevant voor het aspect geur. De bloed- en slibtank zijn aangesloten op de luchtwasser en daarmee geen separate geurbron. Zoals eerder gesteld vormt de schoorsteen (emissiepunt) een onlosmakelijk onderdeel van de luchtwasser. Uit milieuoverwegingen en ter voorkoming van hinder voor omwonenden heeft Tomassen de schoorsteen van de luchtwasser verhoogd. Dit is mede gebeurd op basis van de aanbeveling uit het geuronderzoek van 2019.

Door het opvolgen van de aanbeveling uit het rapport is in dit onderzoek opgemerkt dat “Tomassen (meer dan) volledig invulling geeft aan de (technische) mogelijkheden om de geurimmissie in de omgeving te beperken”. Binnen de inrichting Tomassen wordt de lucht van de ruimtes behorende bij het productie- en verwerkingsproces afgezogen en door een luchtwasser geleid, voordat het wordt geëmitteerd naar de 19 maart 2025

AANVRAAG OMGEVINGSVERGUNNING TOMASSEN DUCK-TO B.V.

BF9492-IB-RP007F02

40

Projectgerelateerd

omgeving. De bedrijfstijden waarin geslacht wordt, zijn van 6:00 uur tot 17:30 uur. Buiten deze tijden vinden geen geurrelevante activiteiten plaats. Door de gebruikte ruimteafzuiging is diffuse geuremissie niet relevant. Tomassen heeft inmiddels een nieuwe schoorsteen en ventilator in gebruik genomen (zie ook paragraaf 3.5). In de BREF-toetsingen behorende bij de revisievergunningaanvraag is vastgesteld dat Tomassen voldoet aan de Best-Beschikbare Technieken (BBT) voor het aspect geur en volledig invulling geeft aan de (technische) mogelijkheden om de geurimmissie in de omgeving te beperken, hetgeen ook blijkt uit de berekende niveaus in de omgeving. Voorliggende ruimtelijke onderbouwing gaat ook specifiek in op de schoorsteen behorende bij de luchtwasser (zie ook paragraaf 3.5). Deze schoorsteen heeft een hoogte van 22,8 meter. Voor voldoende verspreiding in de omgeving wordt (onder andere in de regelgeving) uitgegaan van een hoogte van 2 meter boven de hoogste daklijn binnen een straal van 25 meter. Voor Tomassen resulteert dit met een daklijn van 10 meter in een minimale schoorsteenhoogte van 12 meter. De gerealiseerde schoorsteen is aanzienlijk hoger. De uittreesnelheid van deze schoorsteen bedraagt ongeveer 16 m/s. Voor voldoende verspreiding in de omgeving is een minimale snelheid noodzakelijk van 10 m/s. De snelheid bij Tomassen is dus aanzienlijk hoger.

Uitgangspunt voor de optredende geurbelasting in de onderzoeken gaat uit van het gegeven dat de woning Fokko Kortlanglaan 120 op grond van het bestemmingsplan De Driehoek wordt aangemerkt als bedrijfswoning. Reden waarom deze woning valt binnen de gebiedscategorie werken. De andere woningen in de omgeving worden gezien als behorend bij de categorie wonen. Deze hebben ook een woonbestemming binnen het bestemmingsplan. Uit de resultaten van het onderzoek blijkt dat de optredende geurbelasting ter hoogte van de bedrijfswoning aan de Fokko Kortlanglaan 120 1,79 ouE/m3 als 98-percentiel bedraagt en ten hoogte van de overige beoordelingsposities maximaal 0,99 ouE/m3 als 98-percentiel bedraagt. Hieruit volgt dat aan de streefwaarde van 5 ouE/m3 als 98-percentiel voor woningen met gebiedscategorie werken en 1,5 ouE/m3 als 98-percentiel voor de overige woningen wordt voldaan. Geconcludeerd kan worden dat de geur op basis van de metingen en bij toetsing aan het Gelders Geurbeleid als ‘niet hinderlijk’ kan worden gekwalificeerd. Om aan te tonen dat de milieueffecten voldoen is getoetst aan de richtafstand van 30 meter (categorie 3.1 in gemengd gebied) in de VNG-publicatie Handreiking bedrijven en milieuzonering.

Overeenkomstig stap 2 van het stappenplan gelden voor verspreid liggende woningen in het buitengebied (categorie A), in het geval van niet hinderlijke gekwalificeerde geur, streefwaarden van 1,5 ouE/m3 als 98-percentiel. Uit de resultaten van het onderzoek volgt dat: ◼

De geur op basis van de metingen, na het passeren van de gaswasser, als niet hinderlijk kan worden gekwalificeerd. De streefwaarde is dan op basis van het Gelders geurbeleid 1,5 ouE/m3 als 98-percentiel ter hoogte van geurgevoelige objecten in de omgeving;

◼

de optredende geurbelasting op 30 meter van de inrichtingsgrens ruimschoots voldoet aan de streefwaarde van 1,5 ouE/m3 als 98-percentiel;

◼

Tomassen aan alle relevante BBT-conclusies voldoet.

Bij de beoordeling of al dan niet sprake is van een goede ruimtelijke ordening dient gekeken te worden of de gevraagde ontwikkelingen binnen deze ruimtelijke onderbouwing gevolgen hebben op het omgevingsaspect geur. Vaststaat dat geur niet eerder is beoordeeld en dat het geuronderzoek is uitgevoerd voor het gehele bedrijf inclusief de gevraagde ontwikkelingen. In het geurrapport zijn geurmetingen uitgevoerd voor de situatie zonder de luchtwasser en geurmetingen nadat de afgezogen lucht de luchtwasser is gepasseerd. Op basis van de metingen van de geurconcentratie vóór en na de luchtwasser is het rendement van de luchtwasser bepaald. Het geurverwijderingsrendement bedraagt 41,4%.

19 maart 2025

AANVRAAG OMGEVINGSVERGUNNING TOMASSEN DUCK-TO B.V.

BF9492-IB-RP007F02

41

Projectgerelateerd

Op basis van het onderzoek kan worden vastgesteld dat geur geen belemmering vormt doordat voor de omliggende woningen aan de gestelde streefwaarden wordt voldaan. Ook kan worden vastgesteld dat de luchtwasser een positief effect op geurverwijdering heeft en daarmee ook op de geurhinder in de omgeving. Conclusie: Het onderdeel geur vormt geen belemmering voor de ontwikkelingen binnen deze ruimtelijke onderbouwing.

4.2

Geluid

4.2.1 Algemeen kader De Wet geluidhinder (Wgh) biedt een toetsingskader voor het geluidniveau op de gevels van geluidgevoelige bestemmingen, zoals woningen en scholen. De wet kent een ondergrens, de zogenaamde voorkeursgrenswaarde. Wanneer de geluidbelasting lager is dan deze waarde, zijn de voorwaarden die de Wet geluidhinder stelt aan het realiseren van geluidgevoelige bestemmingen niet van toepassing. Daarnaast is er in de wet een bovengrens opgenomen, de maximaal toelaatbare geluidbelasting. Als de geluidbelasting hoger is dan deze waarde, is het realiseren van geluidgevoelige bestemmingen in principe niet mogelijk. Wanneer de geluidbelasting tussen de voorkeursgrenswaarde en de maximaal toelaatbare geluidbelasting ligt, is het realiseren van geluidgevoelige bestemmingen aan beperkingen gebonden en alleen onder voorwaarden mogelijk. Dit wordt een 'hogere waarde' genoemd ('hoger' in de zin van hoger dan de voorkeursgrenswaarde) en wordt via een formele procedure vastgelegd. 4.2.2 Relevante bedrijfsomstandigheden Kijkend naar de specifieke bedrijfsomstandigheden in het kader van het geluid kan het volgende worden weergegeven. De aangevraagde slachttijden zijn van maandag tot en met vrijdag van 06.00 uur tot 17.30 uur. Aansluitend zullen er van 17:30 uur tot 22.00 uur schoonmaakwerkzaamheden en eventueel onderhoud (technische dienst) plaatsvinden.

Van 05.00 uur tot 06.00 uur vinden er voorbereidende werkzaamheden voor de slacht plaats (inclusief voorbereidingen ter plaatse door NVWA). De installaties van Tomassen Duck-To voldoen aan de huidige stand der techniek. De meeste van deze installaties zijn geluidarm of akoestisch niet relevant. De condensorbank had een grote invloed op de totale geluiduitstraling van de inrichting, maar deze is inmiddels buiten werking gesteld. De vriesbanken zijn nu aangesloten op de koelinstallatie. Deze heeft een maximale overschrijding van 2 dB(A) ten opzichte van de richtwaarden gedurende de nachtperiode. Voor het transport van de eenden worden eigen vrachtwagens en vrachtwagens van derden ingezet. De transportbewegingen vóór 07.00 uur vinden in ieder geval plaats met eigen vrachtwagens. Bij aankomst en vertrek rijden de chauffeurs in principe om de opslagloods heen, waarbij gebruik wordt gemaakt van de zuidelijke en noordelijke in-/uitrit. De geluidbelasting vanwege de verkeersaantrekkende werking bedraagt ten hoogste 58 dB(A) ter plaatse van de omliggende woningen, waarbij de nachtperiode bepalend is. De voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) wordt met maximaal 8 dB(A) overschreden. Aan de grenswaarde van 65 dB(A) wordt ruimschoots voldaan.

Bij de beoordeling van deze geluidniveaus moet worden meegewogen dat er sprake is van een bestaande situatie waarin de aangevraagde verkeersbewegingen al zijn toegestaan. Het ligt dan ook voor de hand dat de geluidbelasting in het kader van eerdere ruimtelijke procedures en vergunningaanvragen als aanvaardbaar is beschouwd en dat daarbij tevens de geluidwering van de woningen een rol heeft gespeeld. Daarbij zet het bedrijf, waar mogelijk, aanhangers in voor de transporten. Hiermee wordt het totale aantal rijbewegingen gereduceerd. Verder wordt vóór 07.00 uur gereden met eigen, nieuwe vrachtwagens. Deuren worden gesloten gehouden, met uitzondering van het kortstondig doorlaten van personen, goederen of voertuigen. Daarnaast zullen diverse hallen uit duurzaamheidsoverwegingen worden geïsoleerd. Geluid ten 19 maart 2025

AANVRAAG OMGEVINGSVERGUNNING TOMASSEN DUCK-TO B.V.

BF9492-IB-RP007F02

42

Projectgerelateerd

gevolge van inpandige activiteiten dringt daardoor zo min mogelijk door naar buiten. Ten slotte bevindt zich op zowel de noordelijke als de zuidelijke terreingrens een geluidscherm. De inrichting past hiermee voor het aspect geluid de beste beschikbare technieken toe. 4.2.3

Afweging

4.2.3.1 Gehele inrichting In het kader van deze ruimtelijke onderbouwing is een geluidsonderzoek uitgevoerd (Geluidonderzoek Tomassen Duck-To te Ermelo, Royal HaskoningDHV, 27 februari 2024). Het onderzoek omvat de gehele inrichting, inclusief de onderdelen die in voorliggende ruimtelijke onderbouwing aan de orde komen. Het onderzoek geeft inzicht in de door de inrichting veroorzaakte geluidniveaus berekend ter plaatse van de dichtstbijzijnde woningen. De berekeningen zijn uitgevoerd volgens methode II.8 van de Handleiding meten en rekenen Industrielawaai (HMRI), uitgegeven in 1999 door het voormalige ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, en Standaardrekenmethode 2 voor wegverkeer uit het Reken- en meetvoorschrift geluid 2012. Het onderzoek is opgenomen in bijlage 1 bij deze onderbouwing. De toetsing van geluidniveaus ten gevolge van inrichtingen en het opstellen van geluidvoorschriften voor een omgevingsvergunning, en ook het stellen van aanvullende eisen aan bedrijven waarvoor de vergunningplicht is opgeheven vanwege artikel 8.40 van de Wet milieubeheer, verloopt volgens de systematiek beschreven in hoofdstuk 4 van de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening, uitgegeven in 1998 door het voormalige ministerie van VROM.

Vastgesteld kan worden dat voor het bedrijf de maximale geluidsnormen gelden van 55, 50 en 45 dB(A) voor respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode. Deze normen moeten gelezen worden als voorkeursgrenswaarden. Verder gelden in deze situatie maximale grenswaarden, die uitgaan van respectievelijk 70, 65 en 60 dB(A). Binnen het geluidsonderzoek is vastgesteld dat hieraan wordt voldaan. Voorgaande houdt ook in dat volgens de Handleiding geen uitzonderingen hoeven te worden gemaakt op de maximale grenswaarden. Tomassen maakt gebruik van de uit akoestisch oogpunt Beste Beschikbare Technieken (BBT). Mede hierdoor voldoen de door Tomassen veroorzaakte geluidniveaus ter plaatse van vrijwel alle omliggende woningen aan de van toepassing zijnde richt- en grenswaarden. In de nachtperiode wordt de richtwaarde van het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau met maximaal 5 dB(A) overschreden. De geconstateerde overschrijding van het langtijdgemiddelde wordt als toelaatbaar gezien. Verder kan worden geconstateerd dat wordt voldaan aan de geluidvoorschriften van de vigerende vergunning. In het geluidonderzoek wordt aan het bevoegd gezag geadviseerd om de betreffende langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus op te nemen in de geluidvoorschriften bij de nieuwe vergunning. Uit onderzoek blijkt dat het geluidsniveau ter plaatse van de (bedrijfs-)woning Fokko Kortlanglaan 120 niet wordt gehaald.

Om het geluidniveau te beperken dient op de erfgrens een terreinafscheiding gerealiseerd te worden met een bouwhoogte van 2.20 meter, die ook dienstdoet als geluidwerend scherm. Gekeken is of naast het geluidsscherm nog meer aanvullende technische maatregelen mogelijk zijn. In het geluidsonderzoek is echter geconstateerd dat het treffen van aanvullende technische maatregelen (zoals stillere vrachtwagens, extra geluidschermen) onevenredig hoge kosten met zich meebrengen gelet op feit dat al BBT wordt toegepast. Uit het geluidonderzoek dat is uitgevoerd blijkt voor wat betreft het nog te plaatsen geluidsscherm onder meer het volgende (zie bijlage 1):

19 maart 2025

AANVRAAG OMGEVINGSVERGUNNING TOMASSEN DUCK-TO B.V.

BF9492-IB-RP007F02

43

Projectgerelateerd

“In de RBS is er op F. Kortlanglaan 120 een overschrijding van de geluidnormen in de nachtperiode, door de vertrekkende vrachtwagens in de nachtperiode. Als langs de uitrit een scherm wordt gerealiseerd van 2,20 m hoog is op alle punten wel te voldoen aan de vergunde grenswaarden.” Voor het plaatsen van het geluidsscherm is overleg geweest met de eigenaar van het naastgelegen perceel en Tomassen, waarbij het type scherm en de goede invulling als geluidswal bepalend zijn geweest. Door het geluidsscherm (zie afbeelding 3.4 van voorbeeldscherm) wordt voldaan aan een aanvaardbaar geluidniveau op de naastgelegen bedrijfswoning. 4.2.3.2 Aangevraagde wijzigingen Voor wat betreft de inrichting is aanvullend geluidonderzoek uitgevoerd op 18 februari 2025, kenmerk BF9492-IB-FN-250121-1553. Hierbij zijn de akoestische gevolgen in beeld gebracht voor wat betreft de bloed- en slibtank, het gebouw voor de verenlaadplaats, de luchtwasser inclusief schoorsteen, transport en opslag op het buitenterrein en het gasdrukregel- en meetstation inclusief gasleiding. De laatste twee onderdelen worden verder behandeld in paragraaf 4.5 in het kader van de bedrijfs- en milieuzonering. Het onderzoek is als bijlage 8 bij deze onderbouwing gevoegd. Bloed- en slibtank Ter plaatse is geconstateerd dat het roerwerk van de bloedtank geluidsrelevant is, maar de slibtank niet.

Het geluidsvermogen van het roerwerk is in 2018 door middel van metingen vastgesteld op 81 dB(A) en onlangs gecontroleerd. Hierbij is eveneens een waarde van 81 dB(A) gemeten. Het gebruikte rekenmodel wordt nu dus ook op dit punt ondersteund door recente metingen en behoeft daarom geen aanpassing. De bijdrage van deze geluidsbron aan het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau in de omgeving van het bedrijf is ten hoogste 21 dB(A) in de dagperiode (recreatiewoning aan de Fokko Kortlanglaan 101-127) en 21 en 18 dB(A) in respectievelijk de avond- en nachtperiode (woning aan de Julianalaan 126). Deze waarden zijn ruimschoots lager dan de richtwaarden voor een rustige woonwijk. Gebouw voor de verenlaadplaats In dit gebouw worden de veren gescheiden van het proceswater met behulp van een separator. Vanuit deze installatie vallen de veren direct in een vrachtwagen. Tijdens het laden is de motor van de vrachtwagen uitgeschakeld. Het belangrijkste geluid in de verenlaadplaats is daarom afkomstig van de separator, die wordt aangedreven door een elektromotor. Ter plaatse is geconstateerd dat de verenlaadplaats geen geluidsbron van betekenis is, aangezien de werkzaamheden volledig inpandig en met gesloten deuren plaatsvinden. Buiten het gebouw is geen geluid waarneembaar en derhalve heeft het geen zin om daar metingen te verrichten.

Luchtwasser inclusief schoorsteen De luchtwasser zelf staat in een goed geïsoleerde ruimte. Ter plaatse is vastgesteld dat deze vanuit akoestisch oogpunt verwaarloosbaar is. De gereinigde lucht wordt geëmitteerd via een uitlaat waarvan de opening zich op 22,8 m boven maaiveld bevindt. Het geluidsvermogen hiervan is eind 2021 gemeten en bedraagt respectievelijk 87 dB(A) (afstraling zijkant) en 77 dB(A) (bovenzijde). De bijdrage van deze geluidsbron aan het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau in de omgeving van het bedrijf is ten hoogste 36, 28 en 31 dB(A) in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode (woning aan de Julianalaan 132). Dit is (ruimschoots) lager dan de richtwaarden voor een rustige woonwijk. Cumulatie Bij de berekening is rekening gehouden met cumulatie, door alle activiteiten van Tomassen en het al het verkeer op de Fokko Kortlanglaan en Julianalaan tezamen te betrekken bij het onderzoek.

19 maart 2025

AANVRAAG OMGEVINGSVERGUNNING TOMASSEN DUCK-TO B.V.

BF9492-IB-RP007F02

44

Projectgerelateerd

4.2.4

Conclusie:

Het aspect geluidhinder vormt na plaatsing van een geluidsscherm, zoals voorgesteld, geen belemmering voor de ontwikkelingen binnen deze ruimtelijke onderbouwing.

4.3

Ecologie

Algemeen kader De bescherming van natuur in Nederland is vastgelegd in Europese en nationale wet- en regelgeving, waarin een onderscheid wordt gemaakt tussen soortenbescherming en gebiedsbescherming. Voorheen was de soortenbescherming in Nederland geregeld in de Flora- en faunawet en de gebiedsbescherming in de Natuurbeschermingswet 1998. Sinds 1 januari 2017 zijn de Natuurbeschermingswet, Flora- en faunawet en de Boswet opgegaan in één nieuwe wet: de Wet natuurbescherming (Wnb). Gebiedsbescherming wordt ook gewaarborgd onder het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). De Wnb heeft tot doel in het wild voorkomende planten- en diersoorten in stand te houden en te beschermen. De wet kent daardoor zowel verbodsbepalingen, gebiedsbescherming als een algemene zorgplicht. De zorgplicht geldt te allen tijde voor alle in het wild levende dieren en planten en hun leefomgeving. De verbodsbepalingen zijn gebaseerd op het 'nee, tenzij'-principe. Alle schadelijke handelingen ten aanzien van beschermde plantenen diersoorten zijn in principe verboden, maar er kan worden afgeweken van de verbodsbepalingen via ontheffingen. Door middel van gebiedsbescherming wordt een beschermingskader geboden voor de flora en fauna binnen aangewezen beschermde gebieden.

Hieronder vallen de speciale beschermingszones volgens de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn (Natura 2000-gebieden), gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voormalige EHS), beschermde natuurmonumenten en staatsnatuurmonumenten. Afweging Algemeen Onderhavig verzoek tot legalisatie van planologisch strijdig gebruik heeft geen gevolgen voor beschermde soorten. In het kader van de Wet natuurbescherming (Wnb) dient voor de beoogde ontwikkelingen het effect op de stikstofdepositie in nabijgelegen natuurgebieden te worden beoordeeld. De afstand tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied Veluwe is 1,4 km. Gelet op de afstand tot Natura 2000-gebied Veluwe kunnen overige effecten behalve stikstof op voorhand worden uitgesloten. Naast de revisieaanvraag milieuvergunning heeft Tomassen een Wnb-aanvraag ingediend en het bevoegd gezag (provincie Gelderland) heeft hiervoor op 25 november 2021 een ontwerpbeschikking gepubliceerd om op die manier de referentiesituatie voor toekomstige ontwikkelingen eenduidig vast te stellen. De definitieve Wnb vergunning is op 13 mei 2022 onder zaaknummer 2019-009185 verleend – zie Bijlage 5. De Wnb vergunning is inmiddels vernietigd door de rechtbank MiddenNederland op 12 februari 2025, als gevolg van de toepassing van een onjuist referentiekader in het besluit.

Soortenbescherming Wat betreft de soortenbescherming heeft een Quickscan plaatsgevonden. De Quickscan heeft plaatsgevonden op basis van de aanvraag omgevingsvergunning Fokko Kortlanglaan 112-122 Ermelo. De scan is opgesteld door Groenewold Adviesbureau voor Milieu en Natuur op 17 mei 2024. Op basis van de scan wordt vastgesteld dat er geen verblijfplaats voor beschermde soorten is aangetroffen of te verwachten. Op basis van het voorgaande kan worden geconcludeerd dat er geen sprake is van een aanhaakplicht met de ontheffing voor flora en fauna. De Quickscan is als bijlage 6 bij deze onderbouwing gevoegd. Stikstofdepositie In het kader van de Wet natuurbescherming (Wnb) dient voor de beoogde ontwikkelingen het effect op de stikstofdepositie in nabijgelegen natuurgebieden te worden beoordeeld. In dit geval betreft de situatie een wijziging van een bestaande activiteit zonder Wnb- (of andere natuur) -vergunning. Concreet betekent dit dat, als er een effect is, de beoogde situatie vergeleken dient te worden met de referentiesituatie om te 19 maart 2025

AANVRAAG OMGEVINGSVERGUNNING TOMASSEN DUCK-TO B.V.

BF9492-IB-RP007F02

45

Projectgerelateerd

kijken of er interne saldering mogelijk is. De Aerius berekening van de beoogde situatie laat een depositie zien in drie Natura 2000-gebieden. Alle drie gebieden zijn aangewezen op 24 maart 2000. Uit de resultaten van het onderzoek blijkt dat er geen toename is in stikstofdepositie in de beoogde situatie ten opzichte van de referentiesituatie. Er is zelfs sprake van een afname wanneer de beoogde situatie wordt vergeleken met de referentiesituatie. Hierdoor was er in beginsel, vanwege intern salderen, geen vergunningplicht. Tomassen heeft wel een separate Wnb-aanvraag ingediend en het bevoegd gezag (provincie Gelderland) heeft hiervoor op 13 mei 2022 een definitieve Wnb vergunning (zaaknummer 2019-009185) verleend om op die manier de referentiesituatie voor toekomstige ontwikkelingen eenduidig vast te stellen. De Wnb vergunning is inmiddels vernietigd door de rechtbank Midden-Nederland in februari 2025, als gevolg van de toepassing van een onjuist referentiekader in het besluit. Overigens had het besluit überhaupt geen stand gehouden gezien de recente relevante uitspraken van de Afdeling in het kader van intern salderen (18 december 2024). Er zal nu alsnog een passende beoordeling moeten worden opgesteld. Voor nu is het vooralsnog afwachten, aangezien de provincie Gelderland heeft aangegeven dat er voorlopig geen natuurvergunningen worden verleend.

De kans bestaat dat er provinciaal beleid gaat worden opgesteld voor gevallen waarbij sprake is van intern salderen. Tomassen heeft nieuwe stukken aangeleverd bij de Provincie. Op grond van deze berekening kan worden gesteld dat alsnog sprake is van een situatie waarbij intern gesaldeerd kan worden. Bovenstaande staat echter de verlening van de omgevingsvergunning voor Bouwen, Milieu en afwijken ruimtelijke ordening niet in de weg aangezien de procedure voor de omgevingsvergunning voor de Natura2000activiteit volledig losgekoppeld is van de procedures voor de omgevingsvergunning voor Bouwen, Milieu en afwijken ruimtelijke ordening. Zodra de provincie Gelderland weer aanvragen voor een omgevingsvergunning voor Natura2000-activiteiten in behandeling neemt, zal Tomassen deze aanvragen. Conclusie: Op basis van de Quickscan is vastgesteld dat er geen verblijfplaats voor beschermde soorten is aangetroffen of te verwachten. Het onderdeel ecologie vormt geen belemmering voor de ontwikkelingen binnen deze ruimtelijke onderbouwing. De procedure voor de omgevingsvergunning voor de Natura2000-activiteit is volledig losgekoppeld van de procedures voor de omgevingsvergunning voor Bouwen, Milieu en afwijken ruimtelijke ordening en vormt derhalve geen belemmering voor de ontwikkelingen binnen deze ruimtelijke onderbouwing.

4.4

Externe Veiligheid

Een van de strijdige onderdelen die met behulp van voorliggende ruimtelijke onderbouwing buitenplans mogelijk wordt gemaakt is het gasdrukmeet- en regelstation. In het Activiteitenbesluit wordt onderscheid gemaakt in categorie A, B of C gasdrukmeet- en regelstations. Artikel 1.1 van het Activiteitenbesluit maakt het volgende onderscheid: 1. Gasdrukmeet- en regelstation categorie A: gasdrukmeet- en regelstation met: een ontwerpcapaciteit die kleiner of gelijk aan 650 normaal kubieke meter per uur is met een maximale operationele inlaatzijdige werkdruk die kleiner of gelijk aan 0,1 bar is; een ontwerpcapaciteit die kleiner of gelijk aan 10 normaal kubieke meter per uur is met een maximale operationele inlaatzijdige werkdruk die kleiner of gelijk aan 16 bar is. 2. Gasdrukmeet- en regelstation categorie B: gasdrukmeet- en regelstation met een ontwerpcapaciteit die kleiner of gelijk aan 6000 normaal kubieke meter per uur is met een maximale operationele inlaatzijdige werkdruk die kleiner of gelijk aan 16 bar is, niet zijnde een gasdrukmeeten regelstation categorie A; 19 maart 2025

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15999661/1