CConstaterende datErmelo
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 BF9492IBRP007F02 ROB Tomassen definitieve versie 19 maart 2025

Gemeenteraad 15 oktober 2025, gemeente ErmeloBij agendapunt: Definitieve beslissing op aanvraag Verklaring van geen bedenkingen Tomassen Duck-To B.V.22.309 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

AANVRAAG OMGEVINGSVERGUNNING TOMASSEN DUCK-TO B.V.

BF9492-IB-RP007F02

46

Projectgerelateerd

3. Gasdrukmeet- en regelstation categorie C: gasdrukmeet- en regelstation met een maximale operationele inlaatzijdige werkdruk die kleiner of gelijk aan 100 bar is, niet zijnde een gasdrukmeeten regelstation categorie A of gasdrukmeet- en regelstation categorie B. Het gasstation in voorliggend geval betreft een categorie B gasdrukmeet- en regelstation, met een ontwerpcapaciteit van 100 Nm3/u en een inlaatzijdige werkdruk van 12 bar. Voor een categorie B installatie gelden vanuit het Activiteitenbesluit met betrekking tot de opstelplaats van een gasdrukmeet- en regelstation de volgende veiligheidsafstanden voor kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten (zie Activiteitenbesluit §3.2.2., tabel 3.12). Categorie-indeling

Opstellingswijze

Kwetsbare objecten

Beperkt kwetsbare objecten

B

Kast

4 meter

2 meter

Om te beoordelen of voldaan wordt aan de afstanden voor gasdrukmeet- en regelstation tot kwetsbare en/of beperkt kwetsbare objecten moet gekeken worden naar artikel 3.12 lid 6 Activiteitenbesluit. Binnen dit artikel worden verschillende opstellingswijzen voor gasdrukmeetstations aangehouden. Voor het station binnen deze ruimtelijke onderbouwing moet rekening worden gehouden met een maximale grootste afstand van 4 meter tot kwetsbare objecten. Geconstateerd wordt dat de kortste afstand tot het bouwblok van de meest dichtbijgelegen woning ongeveer 12 meter bedraagt. Hierdoor is de opstellingswijze van het station niet meer relevant. Nu vaststaat dat voldaan wordt aan de maximum gestelde grootste afstand is geen sprake van onaanvaardbare risico’s. Conclusie: Externe veiligheid vormt geen belemmering voor de ontwikkelingen binnen deze ruimtelijke onderbouwing.

4.5

Bedrijven- en milieuzonering

De pluimveeslachterij is binnen het bestemmingsplan ‘De Driehoek 2016’ toegestaan door een specifieke functieaanduiding en is daarmee geen verder onderwerp van onderzoek. Vastgesteld kan worden dat het gasontvang- en verdeelstation getoetst dient te worden aan de Staat van bedrijfsactiviteiten, zoals opgenomen als bijlage bij de regels. Op basis van de Staat van bedrijfsactiviteiten bedrijventerrein is aangegeven dat voor gasontvang- en verdeelstations een grootste afstand aangehouden moet worden van 50 meter voor het aspect geluid. De dichtstbijzijnde woning is op een afstand van 12 meter gesitueerd. Op grond van het voorgaande heeft geluidonderzoek plaatsgevonden. Het onderzoek met kenmerk BF9492-IBFN-250121-1553 met datum 18 februari 2025 is als bijlage 8 bij deze onderbouwing gevoegd. Op basis van de onderzoeksgegevens kan worden vastgesteld dat de geluidsuitstraling dermate gering is dat deze niet door middel van metingen kan worden vastgesteld. Het gasdrukregel- en meetstation is daarmee geen geluidsbron van betekenis. Het strijdig gebruik voor ‘opslag en transport’ van de percelen 112 en 122 dient eveneens getoetst te worden aan de Staat van bedrijfsactiviteiten. De opslagloods op het perceel 122 valt onder nummer 6312 opslaggebouwen, vallend onder bedrijfscategorie 2 en is daarmee geen verder onderwerp van onderzoek.

Immers bedrijven tot en met categorie 2 zijn hier toegestaan. Als het gaat om het onderdeel ‘transport’, dan kan verwezen worden naar nummer 6024 Goederenwegvervoerbedrijven. Hiervoor dient als grootste afstand aangehouden te worden 50 meter voor het aspect geluid. De andere aspecten zijn hier niet relevant. Op grond van het voorgaande heeft eveneens geluidonderzoek plaatsgevonden. Zie hiervoor bijlage.4 19 maart 2025

AANVRAAG OMGEVINGSVERGUNNING TOMASSEN DUCK-TO B.V.

BF9492-IB-RP007F02

47

Projectgerelateerd

Op basis van het onderzoek is aangegeven dat het geluid wordt veroorzaakt door het rijden met vrachtwagens, bestelbussen, auto’s en elektrische heftrucks en ook het wegen en laden/lossen van vrachtwagens. Verder kunnen zich piekgeluiden voordoen vanwege het sluiten van portieren. De bijdrage van deze geluidsbronnen aan het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau in de omgeving van het bedrijf is ten hoogste 41 en 34 dB(A) in respectievelijk de dag- en nachtperiode (woning aan de Fokko Kortlanglaan 120). Dit is lager dan de richtwaarden voor een rustige woonwijk. Het maximale geluidsniveau vanwege het sluiten van portieren is ter plaatse van de woningen ten hoogste 55 dB(A) in de dagperiode (woning aan de Fokko Kortlanglaan 120). Dit is gelijk aan de richtwaarde. Bij de berekening is rekening gehouden met cumulatie, door alle activiteiten van Tomassen en het al het verkeer op de Fokko Kortlanglaan en Julianalaan tezamen te betrekken bij het onderzoek. Op basis van het geluidonderzoek wordt geconcludeerd: Uit deze notitie blijkt dat de akoestische gevolgen van het huidige gebruik van het buitenterrein en enkele bouwwerken, voor zover in afwijking van het bestemmingsplan, uiterst beperkt dan wel nihil zijn. Waar de diverse onderdelen wél leiden tot noemenswaardige geluidsniveaus, voldoen deze aan de gehanteerde richtwaarden.

Ook blijkt dat het heersende akoestisch klimaat in de directe omgeving van het bedrijf geen gevolg is van het afwijkende gebruik van het buitenterrein en enkele bouwwerken, noch van de rest van de bedrijfsvoering. Behalve op de in deze notitie genoemde aspecten heeft de omgevingsvergunning ook betrekking op het mogelijk maken van een geluidsscherm c.q. legaliseren van de in 2019 gebouwde hal. Deze aspecten zijn vanzelfsprekend niet geluidsrelevant en zijn daarom buiten beschouwing gebleven. Sterker nog, de afschermende werking van deze objecten leidt voor de omgeving tot een betere situatie. Voor de effecten van de overige aangevraagde ontwikkelingen (luchtwasser met schoorsteen, de verenlaadplaats en de bloed- en slibtank) verwijzen we naar de paragrafen in dit hoofdstuk 4 over geur, geluid, luchtkwaliteit en veiligheid. Conclusie: Geconcludeerd wordt dat met het vergunnen van het huidige gebruik van het buitenterrein en enkele bouwwerken uit akoestisch oogpunt sprake is van een goede ruimtelijke ordening. De bedrijven- en milieuzonering vormt samen met de daarbij horende geluidsaspecten geen belemmering voor de ontwikkelingen binnen deze ruimtelijke onderbouwing.

4.6

Bodem

Algemeen De Wet bodembescherming (Wbb) stelt regels om de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem en haar fysieke eigenschappen te beschermen. Enerzijds heeft de wet een preventief doel en worden regels beschreven om te voorkomen dat een nieuwe verontreiniging van de bodem ontstaat. Anderzijds heeft de Wbb een curatief doel door voorwaarden te geven voor het opruimen, saneren, van al bestaande bodemverontreinigingen. De wet maakt onderscheid in historische en nieuwe bodemverontreiniging. Indien een verontreiniging veroorzaakt is na 31 december 1986, wordt dit gezien als nieuwe verontreiniging en geldt hiervoor de zorgplicht (Wbb, art. 13, Zorgplicht). Indien een verontreiniging veroorzaakt is voor 1 januari 1987, wordt dit gezien als historische verontreiniging. Een historische verontreiniging is saneringsplichtig als in een Wbb-beschikking de aard, mate en omvang ("ernst") en risico’s ("spoed") zijn vastgelegd. Binnen het plangebied zijn mogelijk historische verontreinigingen aanwezig. Volgens de Wbb moeten deze verontreinigingen gesaneerd worden als er een onaanvaardbaar risico is voor mens of milieu of indien er een verspreidingsrisico is. Als dit niet het geval is, moeten verontreinigingen gesaneerd worden op een natuurlijk moment.

Vanaf 1 januari 2006 is de norm dat de sanering van historische bodemverontreinigingen functiegericht en kosteneffectief moet worden uitgevoerd. 19 maart 2025

AANVRAAG OMGEVINGSVERGUNNING TOMASSEN DUCK-TO B.V.

BF9492-IB-RP007F02

48

Projectgerelateerd

Afweging De bodemgeschiktheid voor bedrijfsmatig gebruik van de locatie is voor alle percelen binnen deze ruimtelijke onderbouwing in het vigerend bestemmingsplan al aangetoond. In het kader van het bestemmingsplan is gesteld dat voor nieuwe ontwikkelingen, daar waar nodig, bodemonderzoek wordt uitgevoerd. De percelen die in voorliggende onderbouwing aan de orde komen, zijn in het kader van het bestemmingsplan niet aangemerkt als locaties waarvoor een verkennend bodemonderzoek en/of onderzoek naar asbest nodig is. In het kader van een nieuwe revisievergunningsaanvraag heeft een bodemrisicoanalyse plaatsgevonden. De analyse kan eveneens worden gebruikt in het kader van deze ruimtelijke onderbouwing. Het onderzoek is uitgevoerd om inzicht te krijgen in de mogelijk bodembedreigende bedrijfsactiviteiten en of daarmee sprake is van een verwaarloosbaar bodemrisico. Bij het onderzoek is rekening gehouden met de Nederlandse Richtlijn Bodembescherming Bedrijfsmatige Activiteiten (NRB), versie 2012. Wanneer een verwaarloosbaar bodemrisico wordt gerealiseerd volgens NRB 2012, wordt BBT toegepast. Het rapport is als bijlage 3 bij deze onderbouwing gevoegd. De van belang zijnde bloed- en slibtank zijn meegenomen in het onderzoek, onder ‘opslag vloeistoffen in tanks’.

Op basis van het onderzoek wordt vastgesteld dat het niveau van voorgenomen maatregelen en voorzieningen zodanig is, dat kan worden gesproken van een verwaarloosbaar bodemrisico voor de activiteiten binnen de inrichting. Overal wordt een verwaarloosbaar bodemrisico gerealiseerd volgens NRB 2012 en dat daarmee BBT wordt toegepast voor het aspect bodembescherming. Conclusie: De legalisatie van het huidig gebruik heeft geen gevolgen voor de bodemsituatie: deze is geschikt voor het huidige gebruik en als gevolg van de bedrijfsactiviteiten ontstaat geen onaanvaardbaar risico op bodemvervuiling. Het omgevingsaspect bodem vormt geen belemmering voor de ontwikkelingen binnen deze ruimtelijke onderbouwing.

4.7

Luchtkwaliteit

Algemeen kader De Wet milieubeheer (Wm) biedt de volgende grondslagen voor de onderbouwing dat een plan voldoet aan de wet- en regelgeving voor luchtkwaliteit: ◼

Het project leidt niet tot overschrijding van grenswaarden (art 5.16 lid 1 sub a);

◼

Het plan draagt niet in betekenende mate bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit (art. 5.16 lid 1 sub c);

◼

Er worden grenswaarden overschreden, maar ten gevolge van het project is er per saldo sprake van een verbetering van de concentratie van de betreffende stof of blijft de concentratie gelijk (art. 5.16 lid 1 sub b onder 1);

◼

Er worden grenswaarden overschreden, maar ten gevolge van een door het project optredend effect of een met het plan samenhangende maatregel is er per saldo sprake van een verbetering van de concentratie van de betreffende stof of blijft de concentratie gelijk (art. 5.16 lid 1 sub b onder 2);

Het project is genoemd of beschreven in, dan wel past binnen of is in elk geval niet strijdig met het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (art. 5.16 lid 1 sub d). Wanneer een plan voldoet aan één van bovenstaande grondslagen, kan het wat luchtkwaliteit betreft doorgang vinden. ◼

19 maart 2025

AANVRAAG OMGEVINGSVERGUNNING TOMASSEN DUCK-TO B.V.

BF9492-IB-RP007F02

49

Projectgerelateerd

Afweging In 2018 heeft al onderzoek plaatsgevonden naar de luchtkwaliteit. Destijds is vastgesteld dat de voorliggende ontwikkelingen uit de ruimtelijke onderbouwing niet bijdragen aan een significante verslechtering van de luchtkwaliteit in de omgeving van de inrichting Tomassen. Door gebruik te maken van de BBT wordt de uitstoot van NOx en fijnstof tot een minimum beperkt. Verder is geconstateerd dat de verkeersaantrekkende werking vanwege de wijzigingen op het terrein beperkt zijn en leiden tot verwaarloosbaar effect op de luchtkwaliteit. De verkeersaantrekkende werking als gevolg van de uitbreiding van de activiteiten van Tomassen draagt daarmee ‘Niet In Betekenende Mate’ bij aan verslechtering van de luchtkwaliteit. Hierbij is getoetst aan de luchtkwaliteitseisen zoals vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 5.2 ‘Luchtkwaliteitseisen’, van de Wet milieubeheer (Wm). Het onderdeel luchtkwaliteit vormt ook een onderdeel van de aanvraag omgevingsvergunning milieu (revisie) waarbij de eerdergenoemde grenswaarden uit de Wm in acht worden genomen. Hiermee zijn de ontwikkelingen behandeld in voorliggende ruimtelijke onderbouwing vanuit het aspect luchtkwaliteit aanvaardbaar. De gegevens zijn gebaseerd op ‘Luchtkwaliteitsonderzoek Tomassen Duck-To’ van 4 april 2018, opgesteld door Royal HaskoningDHV.

De gecumuleerde fijnstofbelasting wordt veroorzaakt door alle verkeersactiviteiten van Tomassen op het eigen terrein en op de openbare weg. Berekeningen hiervoor zijn al gemaakt in het luchtkwaliteitsrapport van 2018. Op basis van de resultaten van dat luchtkwaliteitsonderzoek kan worden geconcludeerd dat de voorgenomen bedrijfssituatie van Tomassen, ook gecumuleerd met de activiteiten in de omgeving, ruimschoots wordt voldaan aan de wettelijke luchtkwaliteitseisen. Door Royal HaskoningDHV is recent onderzocht wat de gevolgen van de verschillende ontwikkelingen zijn op het onderdeel fijnstof. De notitie heeft kenmerk BF9492-IB-ME-250303-1139, datum 17 maart 2025 en is als bijlage 7 bij deze onderbouwing gevoegd. Uit die notitie blijkt dat de gevolgen met betrekking tot de fijnstofbelasting van het huidige gebruik van het buitenterrein en enkele bouwwerken, voor zover in afwijking van het bestemmingsplan, uiterst beperkt, danwel nihil zijn. Ook is gebleken dat de bloed- en slibtank en de verenlaadplaats geen bron van fijnstof kunnen zijn. Verder is geconcludeerd dat het plaatsen van de luchtwasser louter een positief effect heeft op het terugdringen van de emissie van fijnstof. Het transport op het buitenterrein van percelen 112 en 122 brengt wel fijnstof emissies met zich mee.

Uit de berekeningen met de NIBM tool blijkt dat het verkeer op het buitenterrein van percelen 112 en 122 niet in betekende mate bijdraagt Conclusie: Het omgevingsaspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de ontwikkelingen die binnen deze ruimtelijke onderbouwing mogelijk worden gemaakt.

4.8

Water

Algemeen kader In Nederland heeft water een eigen plaats gekregen in de ruimtelijke besluitvorming via de watertoets. De watertoets is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen ruimtelijke plannen en besluiten. Het plangebied, gelegen in de gemeente Ermelo, valt binnen het beheersgebied van het Waterschap Vallei en Veluwe. Het beschermen van het watersysteem is geregeld en in de Keur van het Waterschap Vallei en Veluwe (2013) hierin staan de regels die een waterschap hanteert bij de bescherming van waterkeringen, watergangen en bijbehorende kunstwerken.

19 maart 2025

AANVRAAG OMGEVINGSVERGUNNING TOMASSEN DUCK-TO B.V.

BF9492-IB-RP007F02

50

Projectgerelateerd

Afweging In feite heeft een nadere afweging van het aspect water al plaatsgevonden bij vaststelling van het vigerend bestemmingsplan. Hierin wordt specifiek de problematiek bij piekbuien besproken en is het volgende opgenomen: “In nauw overleg met het Waterschap zal binnen de gemeente Ermelo een watersysteem gerealiseerd [sic] moeten worden. Een optie is de realisatie van een bergingsbezinkvoorziening binnen De Driehoek met een capaciteit van ongeveer 7.240 m3. Omdat de plannen op dit moment nog niet concreet genoeg zijn en andere opties nog verkend worden, is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen.” Deze reservering is opgenomen in de ZO hoek van De Driehoek (langs de Kalkoenweg). Tot op heden is daar geen invulling aan gegeven. In ieder geval kan worden vastgesteld dat de voorliggende ontwikkelingen niet voor een toename van verhard oppervlak zorgen. In hoofdstuk 2 (toetsing provinciaal beleid) is vastgesteld dat het projectgebied is gelegen binnen de gebiedsaanwijzing ‘intrekgebied’. Ter bescherming van de kwaliteit van het grondwater zijn regels opgenomen, vanwege het openbare drinkwaterreserveringsgebied. Wat bij het bodemrisicoanalyse onderzoek al is geconcludeerd heeft ook zijn uitwerking op het grondwateraspect.

Op basis van dit onderzoek is vastgesteld dat het niveau van voorgenomen maatregelen en voorzieningen zodanig is, dat kan worden gesproken van een verwaarloosbaar bodemrisico voor de activiteiten binnen de inrichting. Overal wordt een verwaarloosbaar bodemrisico gerealiseerd volgens NRB 2012 en dat daarmee BBT wordt toegepast voor het aspect bodembescherming. Met andere woorden het grondwater is voldoende beschermd door de maatregelen en voorzieningen binnen en buiten de inrichting. Op grond van het voorgaande kan worden vastgesteld dat de voorliggende ontwikkelingen vanuit het wateraspect uitvoerbaar zijn. Conclusie: Het omgevingsaspect water vormt geen belemmering voor de ontwikkelingen die binnen deze onderbouwing mogelijk worden gemaakt.

4.9

Trilling

Van hinder door trillingen op de omgeving door de inrichting is tot op heden niets gebleken. Verder kan worden vastgesteld dat de inrichting geen zware machines heeft, die aanleiding geven tot trillingshinder naar de omgeving. De voorliggende ontwikkelingen en het gebruik hiervan hebben geen significante trillingshinder naar de omgeving tot gevolg. De verkeersaantrekkende werking als gevolg van de leging van de bloed- en slibtanks op het terrein is beperkt en leidt tot verwaarloosbare trillingseffecten en daarmee trillinghinder. Hiermee zijn voorliggende ontwikkelingen vanuit het aspect trilling uitvoerbaar. Conclusie: Het omgevingsaspect trilling vormt geen belemmering voor de ontwikkelingen binnen deze ruimtelijke onderbouwing.

19 maart 2025

AANVRAAG OMGEVINGSVERGUNNING TOMASSEN DUCK-TO B.V.

BF9492-IB-RP007F02

51

Projectgerelateerd

4.10

Bezonning

Aangezien beide tanks ingesloten liggen tussen bestaande bedrijfsbebouwing en gesitueerd zijn op het middenterrein van Tomassen, de schoorsteen een zeer beperkte diameter kent en de meeste woonbestemmingen ten zuiden van de inrichting liggen, hebben voorliggende ontwikkelingen en het gebruik geen nadelige bezonningseffecten tot gevolg. Conclusie: Het aspect bezonning vormt geen belemmering voor de ontwikkelingen binnen deze ruimtelijke onderbouwing.

4.11

Visuele hinder

Voorliggende ontwikkelingen leiden mogelijk tot een beperkte visuele hinder voor wat betreft het geluidsscherm en de schoorsteen. Het scherm dient echter ook als geluidsscherm, wordt landschappelijk ingepast en is in overleg met de betrokken bewoners gekozen. Deels wordt het zicht hierdoor belemmerd, maar dit weegt niet op tegen vermindering van geluidshinder. De schoorsteen is beperkt van omvang en gelegen midden op het bedrijventerrein. Mede hierdoor en het feit dat de groenstructuren rondom het zicht op de schoorsteen deels belemmeren is sprake van een goede inpassing. De beide tanks op het terrein worden volledig afgeschermd door bedrijfsbebouwing, zodat deze niet zichtbaar zijn voor de zuidelijk gelegen woningen. De tanks kunnen in dit kader verder buiten beschouwing worden gelaten. Voor wat betreft het te plaatsen geluidsscherm en de schoorsteen kan worden vastgesteld dat het aspect visuele hinder niet opweegt tegen het wegnemen van geluidhinder door het geluidsscherm en de beperking van geurhinder door toepassing van de schoorsteen. Conclusie: Het aspect visuele hinder speelt enigszins voor wat betreft plaatsing van het geluidsscherm en de schoorsteen, maar weegt niet op tegen de beperking van geluidshinder en geurhinder. De visuele hinder is verwaarloosbaar en vormt geen belemmering voor de ontwikkelingen binnen deze ruimtelijke onderbouwing.

4.12

Afval

Het productieproces van Tomassen levert een afvalstroom op van onder andere bloed en slib. De voorliggende ontwikkeling maakt de opslag in een bloed- en slibtank mogelijk. Het afval wordt frequent opgehaald door een destructiebedrijf (zie paragraaf 3.6). Conclusie: Het aspect afval levert geen belemmeringen op voor de ontwikkelingen binnen deze ruimtelijke onderbouwing.

4.13

MER

Algemeen kader De maximale technische productiecapaciteit van Tomassen ligt boven de drempelwaarde van 25.000 ton vlees per jaar zoals genoemd in kolom 2 in de D-lijst van de bijlage bij het Besluit m.e.r. Gezien het feit dat de maximale productiecapaciteit is gelegen boven de grens van 25.000 ton vlees per jaar, is sprake van een formele beoordelingsplicht. Althans, nog wel gezien het feit dat het hier gaat om een lopende aanvraag welke nog valt onder het wettelijk regime van vóór 1 januari 2024. In casu is geen sprake van aanzienlijke 19 maart 2025

AANVRAAG OMGEVINGSVERGUNNING TOMASSEN DUCK-TO B.V.

BF9492-IB-RP007F02

52

Projectgerelateerd

milieueffecten, de maximale productiecapaciteit is uiteindelijk begrensd op 14.800 ton vlees per jaar, dus ver beneden de technische maximale capaciteit én de 25.000 ton-grens. Dit is één van de mitigerende maatregelen waardoor in de effectbeoordeling van dit maximale tonnage van 14.800 ton vlees per jaar kan worden uitgegaan. Op basis van de beschikbare gegevens blijkt dat de activiteiten van Tomassen Duck-To B.V. te Ermelo niet leiden tot mogelijke belangrijke nadelige milieugevolgen. Er is dus geen verplichting tot het opstellen van een milieueffectrapport.

Afweging Op 3 september 2018 is een Besluit m.e.r.-beoordelingsplicht genomen door de gemeente Ermelo voor de gehele inrichting van Tomassen (Fokko Kortlanglaan 112, 116 en 122). Er hoeft geen milieueffectrapport te worden opgesteld. Er is geen sprake van belangrijke nadelige gevolgen die reden geven voor een nadere milieueffectbeoordeling, als bedoeld in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer. In de overwegingen ten aanzien van de kernmerken en locatie van het project, en de soort en kenmerken van het potentiële effect overweegt het bevoegd gezag het volgende: ◼

Het project is relatief bescheiden omdat de slachtcapaciteit (en daarmee gepaard gaande bedrijvigheid) grotendeels al eerder vergund en gerealiseerd is;

◼

In het project worden diverse maatregelen genomen om de gevolgen voor het milieu te beperken;

◼

In de omgeving zijn geen vergelijkbare projecten waarmee sprake zou zijn van cumulatie;

◼

Door correct toezicht en onderhoud kunnen de belangrijkste risico’s afdoende beperkt worden;

◼

Negatieve effecten op Natura 2000-gebieden zijn niet te verwachten;

◼

De aspecten met de grootste ruimtelijke effecten zijn geur en geluid. Voor geluid blijft het effect beperkt tot enkele omliggende woningen. Voor geur ligt het effect over enkele tientallen burger- en bedrijfswoningen. Door de voorgestelde maatregelen blijven de effecten op een acceptabel niveau.

Voorliggende ontwikkelingen leiden niet tot een m.e.r.-plicht op basis van bijlagen C respectievelijk D van het Besluit milieueffectrapportage. Het college heeft op 3 september 2018 besloten dat geen milieueffectrapport hoeft te worden opgesteld. Dit besluit heeft gedurende zes weken ter inzage gelegen. Een nieuwe aanmeldnotitie is toegevoegd aan de aanvraag waarop bevoegd gezag een besluit zal nemen. De verwachting is echter dat de conclusie van het besluit van 3 september 2018 niet verandert. Conclusie: Geconcludeerd kan worden dat nu er geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk worden gemaakt binnen deze onderbouwing dat de besluitvorming ongewijzigd blijft en verder geen effect hebben op deze onderbouwing.

19 maart 2025

AANVRAAG OMGEVINGSVERGUNNING TOMASSEN DUCK-TO B.V.

BF9492-IB-RP007F02

53

Projectgerelateerd

4.14

Verkeer en parkeren

Algemeen kader In het belang van een goede ruimtelijke ordening moet sprake zijn van een aanvaardbare afwikkeling van alle soorten verkeer. Bij ruimtelijke plannen dienen verkeerskundige aspecten afgewogen te worden, omdat deze van grote invloed zijn op de het doelmatig functioneren van verschillende functies. Wanneer nieuwe ontwikkelingen worden gepland, is het van belang te onderzoeken welke effecten dit heeft op de verkeerskundige situatie om zo nodig passende maatregelen te kunnen nemen. Dit geldt ook voor de parkeerdruk en het aantal parkeerplaatsen. Afweging In de revisieaanvraag voor de milieuvergunning is de verkeerssituatie van Tomassen inzichtelijk gemaakt. Deze legalisatie draagt niet significant bij aan een toename van het aantal verkeersbewegingen. In onderstaande tabel is een overzicht opgenomen van het aantal voertuigen op het terrein van de inrichting. In verband met de aan- en afvoer van goederen is rekening gehouden met 4 bestelbussen en 10 vrachtwagens in de dagperiode. Verder is uitgegaan van in totaal 180 personenauto’s per etmaal. Het geluid- en stikstofonderzoek zijn beide gebaseerd op deze verkeersaantallen. Hieruit blijkt dat deze aantallen vervoersbewegingen niet voor overlast in de omgeving zorgen noch voor verkeersonveilige situaties. Tabel 3 Overzicht aantal voertuigen op het terrein van Tomassen uitgesplitst naar periode

Verkeer Het aspect verkeer als gevolg van deze uitbreiding vormt onderdeel van de aanvraag omgevingsvergunning milieu (revisie). De ontwikkelingen uit voorliggende onderbouwing dragen niet significant bij aan een toename van het aantal verkeersbewegingen. De ruimtelijke ontwikkelingen maken de uitbreiding van de bedrijfsactiviteiten echter wel mogelijk en zorgen daarmee voor een verkeersaantrekkende werking. Het aantal vrachtwagenbewegingen neemt wel af in de nieuwe vergunning (van 45 naar 40) maar het aantal personenauto's neemt toe (van 120 naar 180). In tabel 3 is een overzicht opgenomen van het aantal voertuigen op het terrein van de inrichting. In verband met de aan- en afvoer van goederen is rekening gehouden met 4 bestelbussen en 10 vrachtwagens in de dagperiode. Verder is uitgegaan van in totaal 180 personenauto’s per etmaal. De geluid- en stikstofdepositieonderzoeken zijn beide gebaseerd op deze verkeersaantallen. Parkeren De gemeente Ermelo heeft haar parkeernormen geborgd in het bestemmingsplan “Parkeernormen” (vastgesteld 8 juni 2017). Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden voldaan aan de normen zoals opgenomen in de nota parkeernormen van de gemeente Ermelo ten behoeve van (vracht)auto's en overige verkeersvoertuigen en bijhorende bepalingen over de ontsluiting en bevoorrading.

Deze eis geldt als een voorwaardelijke verplichting in de zin van de Wet ruimtelijke ordening.

19 maart 2025

AANVRAAG OMGEVINGSVERGUNNING TOMASSEN DUCK-TO B.V.

BF9492-IB-RP007F02

54

Projectgerelateerd

De uitbreiding van de verwerkingscapaciteit van Tomassen heeft geleid tot een toename van het aantal personenauto’s (van 120 naar 180). De Nota Parkeernormen Ermelo gaat ervan uit dat een initiatiefnemer de benodigde parkeerplaatsen op eigen terrein realiseert. Op het perceel is voldoende parkeergelegenheid aanwezig. Al het personeel parkeert dan ook op eigen terrein, waarmee voor Tomassen aan de Nota Parkeernormen Ermelo wordt voldaan. Conclusie: De ontwikkelingen binnen deze onderbouwing dragen niet significant bij aan een toename van het aantal verkeersbewegingen. Ook staat vast dat er voldoende parkeergelegenheid is op eigen terrein. Hiermee vormt het onderdeel verkeer en parkeren geen belemmering voor de ontwikkelingen binnen deze ruimtelijke onderbouwing.

19 maart 2025

AANVRAAG OMGEVINGSVERGUNNING TOMASSEN DUCK-TO B.V.

BF9492-IB-RP007F02

55

Projectgerelateerd

5

Uitvoerbaarheid

5.1

Economische uitvoerbaarheid

In artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is vastgelegd dat inzicht gegeven moet worden over de uitvoerbaarheid van het plan. De ontwikkelingen die concreet mogelijk gemaakt worden via een omgevingsvergunning voor het handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening, moeten (economisch) uitvoerbaar zijn en gerealiseerd kunnen worden. De kosten die gemoeid zijn met de genoemde ontwikkelingen binnen deze ruimtelijke onderbouwing komen geheel ten laste van Tomassen. Deze kosten komen daarom niet ten laste van het bevoegd gezag. Daarmee is de vergunning economisch uitvoerbaar.

5.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Overleg art 3.1.1 Bro In het kader van het vooroverleg ex artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening, zal de gemeente Ermelo de relevante maatschappelijke organisaties (overlegpartners) – die fysieke of beleidsmatige belangen hebben in het plangebied – in de gelegenheid stellen om te reageren op het ontwerpbesluit voor de omgevingsvergunning voor het handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening. Zienswijzen Op grond van de bepalingen in artikel 1.2.1a van het Besluit ruimtelijke ordening en artikel 3.4 van de algemene wet bestuursrecht, wordt eenieder in de gelegenheid gesteld een zienswijze in te dienen op het ontwerpbesluit voor de omgevingsvergunning voor het handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening. Overleg omgeving Tomassen is geruime tijd bezig vergunning technisch de zaken op orde te krijgen. Het streven hierbij is de omgeving zoveel als mogelijk te ontzien met betrekking tot eventuele overlast. Het bedrijf staat over het algemeen in goed contact met haar buren en vindt het van groot belang dat de omgeving wordt meegenomen in de ontwikkelingen die het bedrijf voor ogen heeft. Hiervoor treedt Tomassen in overleg met de direct omwonenden, zoals het overleg dat heeft plaatsgevonden met de buurman over het te plaatsen geluidsscherm.

Elke jaar gaat een directielid van Tomassen persoonlijk langs alle buren (Fokko Kortlanglaan/Julianalaan (ook de nieuwe woonwijk) om te praten over hoe het gaat. Omwonenden hebben contactgegevens van Tomassen en als er iets is over het bedrijf kunnen zij direct contact opnemen. Van de meeste omwonenden zijn nooit klachten ontvangen. Als overlast wordt ervaren in de omgeving onderneemt Tomassen direct actie en spant Tomassen zich in om dit te verhelpen. Kosten noch moeite worden daarbij gespaard, gezien de getroffen voorzieningen en inspanningen. Dit heeft onder meer geresulteerd in het plaatsen van het geluidsscherm zodat de geluidoverlast van vrachtverkeer beperkt blijft.

19 maart 2025

AANVRAAG OMGEVINGSVERGUNNING TOMASSEN DUCK-TO B.V.

BF9492-IB-RP007F02

56

Projectgerelateerd

6

Conclusie

De voorliggende ruimtelijke onderbouwing strekt tot een goede ruimtelijke onderbouwing van de beschreven ontwikkelingen en nu gerealiseerde voorzieningen waarvan het merendeel gericht is op het tegengaan van overlast naar de directe omgeving op het terrein van Tomassen aan de Fokko Kortlanglaan 116 te Ermelo. Verder is in deze ruimtelijke onderbouwing meegenomen het gegeven het strijdig gebruik op de percelen Fokko Kortlanglaan 122 en het achterste gedeelte van het perceel Fokko Kortlanglaan 112 ten behoeve van transport en opslag. Feitelijke pluimveeslachterij Gebleken is dat de in deze onderbouwing behandelde activiteiten afwijken van het geldende bestemmingsplan (zie paragraaf 1.3). Het gaat hier om het bouwen buiten de in het bestemmingsplan aangegeven bouwvlakken, buiten de functieaanduiding “specifieke vorm van bedrijf – pluimveeslachterij”, het overschrijden van de maximale bouwhoogte van terreinafscheidingen en de aanleg van een gasstation op een locatie waar dit niet is toegestaan en het deels bouwen binnen de bestemming ‘Groen’. Het gaat hierbij om de volgende onderdelen op het terrein van Tomassen: ◼

Luchtwasser (inclusief schoorsteen);

◼

Verenlaadplaats;

◼

Bloed- en slibtank;

◼

Geluidsscherm (nog te plaatsen);

◼

Gasdrukmeet- en regelstation (inclusief gasleiding).

◼

Opslagloods (binnen bestemming ‘Groen’).

Transport en opslag percelen 112 en 122 Vaststaat dat de transport en opslagactiviteiten op grond van het geluidonderzoek qua gebruik te rechtvaardigen zijn. In feite is het een voorzetting van de activiteiten die al jarenlang plaatsvinden op de percelen. Algemene afweging Met voorliggende ruimtelijke onderbouwing is voldoende gemotiveerd aangetoond waarom het strijdige voornemen: ◼

In overeenstemming is met landelijk-, provinciaal- en gemeentelijk beleid;

◼

Geen belemmeringen kent vanuit de kaderstellende wet- en regelgeving;

◼

In relatie tot de omgevingsaspecten, ruimtelijk en functioneel gezien aanvaardbaar is;

◼

Vanuit maatschappelijk en financieel oogpunt verantwoord is.

In voorliggende ruimtelijke onderbouwing is ook aangetoond dat op geen enkele wijze onevenredig afbreuk wordt gedaan aan: ◼

Het straat- en bebouwingsbeeld;

◼

De woonsituatie;

◼

De milieusituatie;

◼

De verkeersveiligheid;

◼

De sociale en/of externe veiligheid;

◼

De gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.

19 maart 2025

AANVRAAG OMGEVINGSVERGUNNING TOMASSEN DUCK-TO B.V.

BF9492-IB-RP007F02

57

Projectgerelateerd

Conclusie: Wil sprake zijn van een goede ruimtelijke ordening dan zal ook voldaan moeten worden aan de voorwaarden zoals opgenomen in het bestemmingsplan De Driehoek 2016. Zoals eerder vermeld is ten behoeve van de pluimveeslachterij een voorwaardelijke verplichting opgenomen om ervoor te zorgen dat het bedrijf als geheel landschappelijk wordt ingepast overeenkomstig de Beeldkwaliteitsparagraaf, zoals opgenomen in bijlage 4 bij de regels. Het landschappelijk compensatieplan voldoet met de compensatievoorstellen aan de uitgangspunten van eerdergenoemd Beeldkwaliteitsparagraaf. De uitvoering van het compensatieplan zal binnen een periode van 3 jaar uitgevoerd moeten worden. Wordt aan deze voorwaarde voldaan, dan is sprake van een goede ruimtelijke ordening. Daarmee is het aanvaardbaar ten behoeve van de al uitgevoerde en de voorgenomen ontwikkelingen een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.12 eerste lid van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht te verlenen. Alles afwegende is, rekening houdend met de ontwikkelingen binnen deze ruimtelijke onderbouwing, sprake van een goede ruimtelijke ordening.

19 maart 2025

AANVRAAG OMGEVINGSVERGUNNING TOMASSEN DUCK-TO B.V.

BF9492-IB-RP007F02

58

Bijlage 1 Geluidonderzoek gehele inrichting Zie de separate bijlage

Bijlage 2 Geuronderzoek gehele inrichting Zie de separate bijlage

Bijlage 3 Bodemrisicoanalyse Tomassen Zie de separate bijlage

Bijlage 4 Geurnotitie ontwikkelingen RO Zie de separate bijlage

Bijlage 5 Wnb-vergunning Zie de separate bijlage

Bijlage 6 QuickScan ecologie Zie de separate bijlage

Bijlage 7 Notitie fijnstof ontwikkelingen RO Zie de separate bijlage

Bijlage 8 Geluidnotitie ontwikkelingen RO Zie de separate bijlage

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15999661/1