CConstaterende datEpe
Koppel je AI →
Document · PDF

Nationaal+Programma+Circulaire+Economie+2023-2030

Gemeenteraad 30 mei 2024, gemeente EpeBij agendapunt: Vaststelling Lijst ingekomen stukken46.041 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 6

Beleid dat past bij de fase van de transitie De overgang naar een circulaire economie is geen kwestie van een paar schakels omzetten. Hele productketens en uiteindelijk hele systemen moeten ‘om’. We willen immers toe naar een andere manier van ontwerpen en produceren, distribueren en consumeren. Dit vraagt ook om een eerlijk speelveld voor circulaire ondernemers. Circulaire ondernemers kunnen nu vaak niet op prijs concurreren met lineaire producenten, zolang ze zelf voor de meerkosten van circulair ondernemen opdraaien. Daarom zijn maatregelen nodig om ervoor te zorgen dat circulair ondernemen de enige logische, eerlijke en financieel haalbare manier van ondernemen zal zijn. De rijksoverheid zet erop in om het speelveld voor circulaire ondernemers eerlijker te maken in Nederland, op Europees niveau en uiteindelijk mondiaal.

33

Tweede Kamer, Kamerstuk 28663, nr. 78, Vergaderjaar 2021-2022. Nationaal Milieuprogramma

25 | Nationaal Programma Circulaire Economie 2023-2030

In onze huidige economie worden de kosten van maatschappelijke schade die met productie gepaard gaan, zoals CO2-uitstoot, milieuvervuiling en ecologische schade, nog nauwelijks ingerekend. Deze kosten komen dus vooral voor rekening van toekomstige generaties, in plaats van voor de veroorzaker ervan. In een circulaire economie betalen producenten en consumenten een eerlijke prijs voor grondstoffen, materialen en producten. De maatschappelijke kosten worden doorberekend in de prijs van producten en diensten, volgens het principe ‘de vervuiler betaalt’. Ook wordt in een circulaire economie het leveren van ecosysteemdiensten en sociaaleconomische waarde financieel gewaardeerd. Elke fase in een dergelijke transitie vraagt om een andere manier van denken en handelen. Om de juiste middelen in te zetten en daarmee maximale impact te realiseren, moeten we dus goed analyseren in welke fase de transitie zich bevindt. Dat kan overigens verschillen per domein en vraagt dus maatwerk per productketen. Verschillende duurzame circulaire oplossingen bevinden zich in verschillende fasen en vragen daarom om andere interventies met andere beleidsinstrumenten en met betrokkenheid van andere stakeholders. In onderstaand kader zijn de transitiefasen op hoofdlijnen beschreven.

De transitiefasen Urgentie wordt voelbaar Elke transitie start met het onhoudbaar worden van de huidige situatie, de status quo, en de gevoelde urgentie om deze situatie te veranderen. Pas op het moment dat deze urgentie en pijn echt wordt gevoeld, op verschillende terreinen en door verschillende partijen, gaan dingen veranderen. Pas dan is helder welk probleem zich voordoet en welke duurzame toekomstrichtingen verkend moeten worden. Op deze manier startte in 2016 ook het Rijksbrede programma Nederland Circulair in 2050, gevolgd door het Grondstoffenakkoord en de Transitieagenda’s. Experimenteer- en leerfase: partijen samenbrengen op basis van vrijwillige afspraken Deze fase kenmerkt zich door kleinschalige experimenten en pilots. Het beleid is daar tot op heden dan ook vooral op gericht geweest, met het Uitvoeringsprogramma vanaf 2019. Partijen zijn bij elkaar gebracht op basis van vrijwillige afspraken, zoals het Plastic Pact en de Denim Deal. We hebben veel verkenningen uitgevoerd, kennisontwikkeling bevorderd en kleinschalige pilots opgezet op een breed terrein. Centraal staat in deze fase het uitproberen en leren met als motto ‘duizend bloemen laten bloeien’. Pilots kunnen echter niet bij elkaar opgeteld worden, of vormen niet als vanzelfsprekend een strategie. Daar is meer voor nodig.

Koplopers belonen Op basis van de voorgaande fase waarin is geleerd en geëxperimenteerd, is het zaak om in deze fase de koplopers zichtbaar te maken en te ondersteunen. Het is belangrijk om deze koplopers te herkennen en erkennen en hier verdere concurrentie op uit te lokken. Dit vraagt een bewuste aanpak en betekent dat de risico’s voor deze koplopers

26 | Nationaal Programma Circulaire Economie 2023-2030

weggenomen en de meerkosten vergoed moeten worden. Gebeurt dat niet, dan kunnen deze koplopers niet concurreren met lineaire ondernemers die lagere kosten maken dankzij gevestigde schaalgrootte en het niet betalen van maatschappelijke kosten in de vorm van milieuschade. In deze fase wordt gaandeweg duidelijk welke circulaire oplossingen zouden kunnen werken. Opschaling In deze fase staat opschaling van circulaire oplossingen centraal, met bijbehorende duurzame en circulaire businessmodellen. Dit vraagt om een bredere samenwerking van partijen in ketens, een duidelijk toekomstbeeld met heldere doelen waar deze partijen zich in herkennen, zicht op welke duurzame circulaire oplossingen in dat toekomstbeeld een plek hebben en een schets van de weg daarnaar toe met duidelijke tijdslijnen. Kortom: een handelingsperspectief, zodat betrokken partijen weten wat er gedaan moet worden, soms in weerwil van gangbare praktijken. Om de best passende instrumentenmix te bepalen is een heldere analyse nodig van de belemmeringen (juridisch, fiscaal, technologisch of sociaal), die de gewenste opschaling in de verschillende domeinen tegenhouden. Institutionalisering In de laatste fase staat het normaliseren van de circulaire oplossingen centraal. Er ontstaat een nieuw evenwicht dat moet worden geborgd in normen, wetten, regels en afspraken.

Ook op het gebied van fiscaliteit en accounting zijn aanpassingen nodig. Zo ontstaat gaandeweg een nieuw normaal van gangbare praktijken; het resultaat is een nieuwe werkelijkheid.

Meer richtinggevende maatregelen nodig: de wortel en de stok Het circulaire-economiebeleid kenmerkt zich tot op heden vooral door vrijwilligheid en vrijblijvendheid. Om in 2050 te zijn overgeschakeld naar een circulaire economie moeten we de volgende stap in de transitie zetten. Deze volgende fase vraagt om een concretere uitwerking van waar we naartoe werken, inclusief doelen, tijdslijnen en wie welke rol daarin heeft. En het verder voortzetten van de koplopersaanpak om zo innovatie, nieuwe businessmodellen en marktdifferentiatie aan te jagen. Ook zijn een integraal perspectief en opschaling nodig om de benodigde versnelling te bereiken. Dit vraagt intensiever beleid en meer richtinggevende en dwingende maatregelen34. Bijvoorbeeld door vraag en aanbod te stimuleren, risico’s weg te nemen en met beleid op maatschappelijk verantwoord inkopen. Ook normering en normalisatie zijn nodig, het verleggen van fiscale accenten (bijvoorbeeld op primaire grondstoffen) en (integraal) beprijzen. Kortom, de overheid is aan zet om de economische, fysieke en sociale omgeving zodanig in te richten dat het voor bedrijven en burgers logisch, makkelijk en eerlijk wordt om te kiezen voor duurzame, circulaire producten.

Een verdergaande samenwerking tussen Rijk, medeoverheden en regionale partijen is daarbij belangrijk om te zorgen dat de beleidsinzet elkaar versterkt en om te zorgen dat we actief de kennis vanuit de regio’s benutten. Innovatieve circulaire ondernemers moeten worden ondersteund, net als ‘lineaire’ bedrijven die de omslag willen maken. In hoeverre dit mogelijk is, hangt af van nadere politieke besluitvorming over inzet van financiële middelen onder meer in het kader van het klimaaten transitiefonds. Van bedrijven die dit niet willen of kunnen, nemen we uiteindelijk afscheid. Om onze ambities te realiseren zetten we in op een mix van:

34

In de ICER 2021 wordt dit als ‘drang en dwang’ bestempeld.

27 | Nationaal Programma Circulaire Economie 2023-2030

• Beprijzende maatregelen – denk aan belastingen en heffingen die milieuschade direct in rekening brengen bij de veroorzaker ervan. Dit maakt vervuilende activiteiten duurder en duurzame, circulaire alternatieven aantrekkelijker; • Normerende maatregelen – denk aan wettelijke normen voor alle stappen in de productketen, zoals circulair ontwerpen, nieuwe vormen van eigenaarschap en productaansprakelijkheid en het invoeren van een productpaspoort, om zo activiteiten met een negatieve maatschappelijke impact inzichtelijk te maken, te remmen of te verbieden, zowel tijdens productie als consumptie; • Stimulerende maatregelen – denk aan subsidies, vouchers, of overgaan tot circulair inkopen door overheidsinstanties en andere afnemers van circulaire producten en diensten. Hiermee worden bedrijven en ketens gestimuleerd om over te schakelen naar een duurzamer en circulair businessmodel en zich hiermee (in eerste instantie) te onderscheiden in de markt. Het creëren van marktvraag voor circulaire producten is essentieel. Dit kan door bijvoorbeeld circulaire eisen te stellen bij inkoop, aanbesteding en subsidieverlening, of via normering van bijvoorbeeld een verplicht aandeel biogrondstoffen.

In de ‘koplopersfase’ en de ‘opschalingsfase’ vraagt dit in veel gevallen om het vergoeden van de meerkosten en om het faciliteren van innovaties en de toepassing daarvan, door middel van subsidies en fiscale maatregelen. In de beginfase zijn nieuw ontworpen circulaire producten mogelijk duurder, omdat het om nieuwe, nog niet bewezen technieken gaat en er nog geen EU-normen voor zijn geformuleerd. Ook moeten partijen in de keten afspraken maken over hoe ze eventuele financiële risico’s delen. In de fase na opschaling worden eisen gesteld waar alle marktpartijen aan moeten voldoen. Daarbij is het vergoeden van meerkosten niet meer aan de orde.

Circulaire businessmodellen als norm Businessmodellen in een circulaire economie leveren meervoudige waarde op: financiële waarde (winst voor de ondernemer), waarde voor het ecosysteem (door het verkleinen van de grondstoffenvoetafdruk en daarmee milieu-impact), economische waarde (waaronder leveringszekerheid) en sociale waarde. Het gaat dan bijvoorbeeld om de sociale waarde van gemeenschappen bij het delen van producten, om het realiseren van inclusieve werkplekken, het creëren van werkgelegenheid (ook voor mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt) en om kwalitatief goede banen. Omdat producten vaak buiten Nederland geproduceerd worden, dragen circulaire businessmodellen ook bij aan emissiereductie in andere landen.

4 Platform(deel)modellen. De kern van platform-(deel)modellen is het beter benutten van het gebruik van de bestaande capaciteit van producten die al in omloop zijn. Het zorgt dat partijen elkaar (al dan niet online) vinden om product/dienst transacties te realiseren. 5 Verdienstelijkingsmodellen. Bij deze modellen wordt ingezet op het verschaffen van toegang tot de functie van een product aan een gebruiker; het dienstbaar maken van het product. De gebruiker wordt niet langer automatisch eigenaar van het product. 6 Beheer(s)modellen. Essentie van deze modellen is dat producenten en importeurs de verantwoordelijkheid houden voor de inzameling en veilige en adequate verwerking van door hen gemaakte of geïmporteerde producten aan het einde van de levenscyclus. Ambitie van het beheer(s)model is dat bedrijven efficiënter producten kunnen traceren, terughalen, (her)gebruiken, recyclen/etc. 7 Levenscyclusmodellen. Essentie van deze modellen is dat een keten organisatie (een of meerdere partijen) gedurende de gehele levenscyclus zicht houden op de status van een product, inclusief de gebruikte en verbruikte materialen en grondstoffen, de slijtage, het noodzakelijke onderhoud (smart maintenance) en het optimale moment voor het einde van de levenscyclus.

In een circulaire economie zien we grofweg zeven verschillende basistypen van bestaande en toekomstige circulaire businessmodellen:35 1 Grondstofmodellen. Essentie van deze modellen is het terugwinnen en hergebruiken van al in omloop zijnde producten, componenten en (bewerkte) grondstoffen aan het einde van de levenscyclus (afdankfase). 2 Ontwerpmodellen. De essentie van ontwerpmodellen is het ontwerpen van producten zodat deze passen binnen de principes van circulariteit. Het gaat dan om: ontwerp voor reparatie en onderhoud, ontwerp voor terugwinning en recycling en ontwerp voor levensduurverlenging én op het toepassen van duurzame en/of circulaire materialen zoals recyclaat en biobased materialen. 3 Levensduurverlengingsmodellen. Essentie van deze modellen is het verlengen van de levensduur van producten en componenten zodat deze zo lang mogelijk functioneel blijven, al dan niet op basis van refurbishment of het hergebruiken van (onder) delen in een ander product, zonder dat deze eerst worden teruggebracht tot een nieuwe grondstof.

35

https://circulairemaakindustrie.nl/app/uploads/2022/02/Whitepaper-Classificatie-Circulaire-Businessmodellen_CTF.pdf

28 | Nationaal Programma Circulaire Economie 2023-2030

Businessmodellen worden concreet door ze in te vullen met verdienmodellen. Deze laten zien hoe een organisatie, een waardeketen of kringloop inkomsten genereert, wat de aard is van die inkomsten en voor wie ze dat doet. Verdienmodellen kunnen gestapeld worden; het gaat om een mix die past in een bepaalde situatie36.

36

In het rapport ‘Classificatie circulaire businessmodellen, een onderzoek naar bestaande en toekomstige vormen van waardecreatie en -behoud’, EZK (2022), wordt een verdere uitwerking gegeven van hoe circulaire businessmodellen in te vullen met mogelijke circulaire verdienmodellen. Daarin is een gedetailleerdere lijst van verdienmodellen opgenomen.

Figuur 7: Circulaire verdienmodellen

29 | Nationaal Programma Circulaire Economie 2023-2030

De focus moet liggen op maatregelen met de beste integrale milieuprestatie. Maatregelen die aan het begin van de keten worden genomen, werken daarbij door in de rest van de keten. Daar willen we dan ook meer de focus op leggen. Daarnaast blijven we inzetten op de achterkant van de keten: door te werken aan zo veel mogelijk inzameling van goed gesorteerde en schone inzamelstromen, hergebruik en hoogwaardige recycling.

Nederland koploper afvalverwerking en grondstoffenefficiëntie • Nederland behoort tot de wereldwijde koplopers op het gebied van afvalrecycling: ons land recyclet 80 procent van het afval. Kanttekening daarbij is dat dit vaak laagwaardige recycling betreft. In het Circularity Gap Report 2022 wordt het aandeel secundair materiaalgebruik wereldwijd en van verschillende landen gemeten. Wereldwijd is dit aandeel 8,6 procent; in Nederland is dit ruim 24 procent. Volgens het meest recente Landenrapport van de Europese Commissie is dit zelfs 30,9 procent, ten opzichte van het EU-gemiddelde van 12,8 procent.37 • Het grondstof­f engebruik voor eigen gebruik is in Nederland een vijfde lager dan het EU-gemiddelde, en ook is Nederland één van de best presterende EU-landen met betrekking tot hulpbronnenproductiviteit38. Daarnaast ligt de hoeveelheid gestort afval met 3 procent ver onder het EU-gemiddelde. De afvalproductie is losgekoppeld van de economische groei; we produceren in Nederland circa 60 megaton afval per jaar en die hoeveelheid groeit niet meer mee met het bruto binnenlands product.

Naast een generiek beleidsmaatregelenpakket is voor de vijf prioritaire productketens met de meeste negatieve (milieu-)impact, namelijk Kunststoffen, Consumptiegoederen, Biomassa & Voedsel, Bouw en de Maakindustrie, specifiek beleid ontwikkeld. Dit is gericht op de meest impactvolle productgroepen binnen deze ketens (zie hoofdstuk 3).

37

https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2022/11/18/2022260216-1-bijlage-kamerbrief-evaluatie-van-de-uitvoering-van-het-milieubeleid-2022-nederland

38

https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2022/11/18/2022260216-1-bijlage-kamerbrief-evaluatie-van-de-uitvoering-van-het-milieubeleid-2022-nederland

30 | Nationaal Programma Circulaire Economie 2023-2030

Daarnaast nemen we ook ondersteunende maatregelen die noodzakelijk zijn om de transitie naar een circulaire economie te realiseren. Het gaat dan om kennis, innovatie en vaardigheden binnen het onderwijs en de arbeidsmarkt, en om gedragsverandering (zie hoofdstuk 4). De juiste kennis, vaardigheden, waarden en attitudes zijn cruciaal voor het laten slagen van de transitie. Vanuit het onderwijsveld ontvangen we duidelijke signalen dat scholen soms ondersteuning nodig hebben om het thema duurzaamheid een plek te geven. Zo komt uit het draagvlakonderzoek Duurzame School in po, vo en mbo naar voren dat er behoefte is aan het delen van good practices, kwalitatieve interventies, professionele ondersteuning en een integraal informatie- en advies/kennispunt gefaciliteerd vanuit de overheid. Daarom gaat het kabinet verkennen hoe we de kennis en vaardigheden die nodig zijn voor duurzaamheid in brede zin en circulaire economie vraaggestuurd verder kunnen aanbieden aan het onderwijs. Dit alles ook in afstemming met de scholen, de onderwijsraden, betrokken partijen en andere departementen die het thema duurzaamheid in het onderwijs bevorderen. Daarnaast verdient circulariteit aandacht in leermodules voor bijvoorbeeld inkopers, marketeers en CEO’s in het bedrijfsleven.

Om de urgentie van de transitie te benadrukken, de richting te wijzen en de betrokkenheid van marktpartijen, maatschappelijke organisaties en burgers te vergroten, is het belangrijk om de visie en de doelstellingen van het beleid te blijven uitdragen, de uitvoering ervan te versterken en in dialoog te blijven. We willen burgers niet alleen stimuleren, maar ook meer betrekken bij beleid. We gaan kijken naar de meerwaarde van (burger)participatie bij beleidsvorming rond specifieke productgroepen. Door burgers vroegtijdig te betrekken krijgt de Rijksoverheid beter zicht op ideeën, behoeften en zorgen die mensen hebben, en tegen welke issues men aanloopt in de praktijk. De input die we van burgers ontvangen kan vervolgens actief benut worden om tot gerichte beleidsmaatregelen te komen, die beter aansluiten bij en uitvoerbaar zijn in het dagelijks leven van mensen. Voorafgaand aan een participatietraject voor een specifieke productgroep stellen we een participatieplan op om inzichtelijk te maken wie, wanneer, waarover en met welk doel betrokken wordt. Het beleidsprogramma circulair textiel is de eerste productgroep waarvoor we een participatieplan opstellen in 2023. De verwachting is dat gaandeweg de productgroepen waar burgerparticipatie op wordt ingezet zullen toenemen.

Ook concrete procesondersteuning in sectoren en ketens is nodig om innovatie, kennisontwikkeling en -verspreiding en nieuwe partnerschappen te faciliteren. Een circulaire economie komt namelijk alleen tot stand door circulaire ketensamenwerkingen. Dit vraagt om het anders organiseren van ketens. Een actieve samenwerking tussen producenten, afnemers en toeleveranciers is nodig om een product, proces, dienst of businessmodel meer circulair te ontwerpen, produceren

of organiseren zodat er minder grondstoffen worden verbruikt en er positieve effecten ontstaan voor het klimaat en het milieu. In de praktijk is gebleken dat circulaire oplossingen vaak alleen in samenwerking met andere partijen in de keten tot stand kunnen komen, maar ook dat deze samenwerking meer dan gemiddeld belemmeringen kent op het gebied van financiering, kennis, marktkansen en ketenbenadering. Ketenregie en procesondersteuning is dus hard nodig. Tot slot is het belangrijk de voortgang van de transitie te laten zien via een transparante monitor die de ontwikkelingen, het marktaandeel en de impact meet. Internationale agendering, afspraken en relaties Gezien het internationale karakter van grondstofstromen en productketens, is internationale samenwerking cruciaal om onze nationale ambitie – Nederland circulair in 2050 – te realiseren. Nationaal circulair beleid wordt ontwikkeld en uitgevoerd in een internationale context. Er zal goed gekeken moeten worden op welk niveau de maatregelen passend zijn en het meeste effect sorteren: regionaal in Nederland, nationaal, Europees of mondiaal niveau. Gezien de grote impact, reikwijdte en haalbaarheid, evenals vanuit het belang van een gelijk speelveld, geven we de voorkeur aan inzet op Europees niveau. Zeker waar het maatregelen op het terrein van wet- en regelgeving betreft.

Ook kiezen we onze partners zorgvuldig: andere overheden, bedrijfsleven, kennisinstellingen, financiële instellingen, ngo’s of een combinatie hiervan. Circulaire economie is ook in EU-verband een prioritair thema, als onderdeel van de European Green Deal en uitgewerkt in het EU-actieplan Circulaire Economie. Blijven meedoen aan beleidsontwikkeling op EU-niveau is dan ook van groot belang. Zo zijn er op Europees niveau afspraken nodig over minimale circulaire eisen aan producten die op de markt komen. Door deze steeds scherper te stellen, wordt het circulaire niveau van de markt steeds verder omhooggetrokken. Ook stimuleert de Europese Commissie de markt voor secundaire grondstoffen door in verschillende algemene en sectorspecifieke wetgeving te werken aan verplichte percentages recyclaat. En er wordt gewerkt aan het verruimen van de Europese staatssteunkaders voor de circulaire economie, net zoals dat voor klimaat is gedaan. Dit betekent niet dat we in Nederland of buiten de EU niets hoeven te doen. Wat moet en kan regelen we op Europees niveau; we kijken proactief wat we eventueel aanvullend op nationaal en internationaal niveau buiten de EU kunnen doen. Juist om onze koploperspositie op het gebied van recycling verder te verbreden naar hergebruik en reparatie en daar economisch de vruchten van te plukken.

31 | Nationaal Programma Circulaire Economie 2023-2030

Een andere mogelijkheid om te sturen in de internationale transitie naar de circulaire economie is je richten op internationale waardeketens, zoals textiel, de automotive of de maakindustrie. Veelal vindt de productie daarvan buiten Europa plaats. Door internationaal opererende bedrijven (brands, retailers, financiers) uit te dagen om hun grondstoffenvoetafdruk te verkleinen, de levensduur van hun producten te verlengen en betere kwaliteit te garanderen van de in Nederland op de markt gebrachte producten, met meer gerecyclede content, kunnen we vanuit Nederland invloed uitoefenen op deze transitie. Deze waardeketens bieden ook de kans om het gesprek aan te gaan over een ‘eerlijke transitie’, in de vorm van een leefbaar loon en goede arbeidsomstandigheden in de bedrijven in de productielanden. Ook in wereldwijde conferenties en in onze contacten met buitenlandse partners zoeken we samenwerking en maken we afspraken. Vanwege de globalisering van waardeketens vinden negatieve effecten van productie, zoals broeikasgasemissies en aantasting van de natuur door land- en watergebruik, vaak niet in Nederland, maar elders plaats. Bijvoorbeeld in landen waar arbeid goedkoper is of milieueisen minder strikt zijn.

In sommige ontwikkelingslanden worden de grondstoffen voor welvarende landen gewonnen, of afvalstoffen uit deze landen verwerkt, verbrand of gestort – vaak tegen lage kosten, onder lagere milieustandaarden en slechte arbeidsomstandigheden. Het is belangrijk te streven naar een eerlijke transitie (just transition). Dat streven geldt ook voor het onderkennen van negatieve effecten van de transitie naar een circulaire economie in andere delen van de wereld, zoals het verlies aan arbeid bij de winning van grondstoffen die minder nodig zijn in een circulaire economie. Daarvoor moeten internationale afspraken rond milieustandaarden, duurzame banen (arbeidsvoorwaarden) en arbeidsomstandigheden in productieprocessen worden omgezet in regelgeving.

De volgende doelstellingen en uitvoering staan centraal: a Nationaal: in samenwerking met de transitieteams en beleidsexperts van overheden worden beleidskalenders en beïnvloedingstrategieën opgesteld en uitgevoerd voor de internationale delen van de ketens van prioritaire productgroepen. b Europees: Nederlandse bijdrage aan circulaire economie beleidsontwikkeling en -uitvoering op EU-niveau, mede ten behoeve van onze nationale doelstellingen en ten behoeve van de Europese bijdragen aan circulaire transitie in derde landen. c Multilateraal: bijdragen aan creatie van internationale condities voor een wereldwijde circulaire economie op basis van EU wet- en regelgeving, internationale dialogen en verdragen. d Bilateraal: diplomatie, met daarbij creatie van internationale kansen voor Nederlandse bedrijven en samenwerking via private sector ontwikkeling, kennisoverdracht en capaciteitsontwikkeling. De betrokken departementen focussen daarbij op de voor hen prioritaire markten en landen, waaronder ontwikkelingslanden. Bij deze samenwerking houden we rekening met de risico’s en bestaande lokale situaties die hindernissen kunnen vormen voor het tot stand komen van transitie door en in de markt.

e Internationale samenwerking: het waar mogelijk beperken van eventuele negatieve consequenties van onze circulaire transitie op productie- en ontwikkelingslanden en het stimuleren van eerlijke lokale transitieprocessen. Daartoe behoren waarborgen en inzet op terreinen van milieu, klimaat, afvalverwerking en sociaaleconomische omstandigheden, waaronder arbeidsomstandigheden. Integrale aanpak: samenhang met andere transities en opgaven Voor het realiseren van onze missie voor 2050 is een integrale benadering nodig van de grote maatschappelijke opgaven van vandaag de dag. Dit vraagt een gezamenlijke en evenwichtige inzet op de klimaatopgave, de energietransitie, de transitie naar een circulaire economie, de milieuopgave, de verduurzaming van het voedselsysteem, de biodiversiteitsopgave en klimaatadaptatie. De digitale transitie levert daarbij belangrijke kansen op voor het realiseren van een duurzame klimaatneutrale en circulaire economie. Digitalisering verandert de manier waarop we produceren en stelt bedrijven in staat om nieuwe businessmodellen te ontwikkelen, data te delen en digitale technologieën verder te ontwikkelen en toe te passen zoals kunstmatige intelligentie en kwantum computing. Dit levert oplossingen voor allerlei maatschappelijke vraagstukken alsook kansen voor toekomstig verdienvermogen en brede welvaart.

32 | Nationaal Programma Circulaire Economie 2023-2030

De noodzaak van deze integrale benadering komt ook naar voren in de SER-verkenning en eerdere studies die door het ministerie van IenW zijn uitgevoerd39. De SER40 stelt dat, om echt werk te maken van de duurzaamheids-opgaven, meer evenwichtige sturing nodig is op de transities. Daarmee bedoelt de SER dat de transities gelijkwaardig aan elkaar behandeld moeten worden, ook qua inzet van instrumenten en financiële middelen. Door de nauwe samenhang tussen de duurzaamheidstransities kunnen ze elkaar potentieel versterken. Voorkomen moet worden dat door een te eenzijdige focus op één transitie of opgave, de voortgang op andere opgaven achterblijft of moeilijker te realiseren valt. Circulariteit betekent dus ook duurzaam omspringen met de grondstoffen die nodig zijn voor bijvoorbeeld de energietransitie, de woningbouwopgave en om ons aan te passen aan klimaatverandering en deze opgaven circulair uitvoeren. TNO41 geeft daarbij aan dat in de bestuurskamer van zowel overheden als bedrijven complexiteit van de opgaven, afruilen en versnipperde inzet op de verschillende opgaven, remmend werken op een integrale benadering van transities. Om voortgang te boeken in transities is dus duidelijke sturing vanuit de overheid nodig, zodat het voor bedrijven eenvoudiger wordt om de juiste keuzes te maken.

Ook hier is een duidelijke link met het komende NMP waarin het streefbeeld voor 2050 en doelen voor de korte en langere termijn waar al mogelijk nader worden ingevuld. Ook de ruimtelijke planvorming voor een circulaire economie vraagt om een integrale aanpak, waarbij ruimtelijke beslissingen in samenhang worden afgewogen. Dat betekent rekeninghouden met plannen zoals de woningbouwopgave, het Nationaal Programma Landelijk Gebied, het Nationaal Water Programma en met sturende principes van water en bodem.42 Daarnaast bieden de doorontwikkeling van de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) en uitvoering daarvan, in het kader van NOVEX-programma’s, integrale kaders. Om meer wetenschappelijk inzicht te krijgen in het (toekomstig) ruimtelijk beslag van een circulaire economie hebben de ministeries van IenW en BZK de handen ineengeslagen. In 2022 en 2023 wordt er een gezamenlijk onderzoek uitgevoerd, met als doel een betere

39

Zie Tweede Kamer brief, 32 852, nr. 18 Grondstoffenvoorzieningszekerheid.

40

SER-verkenning ‘Evenwichtig sturen op de grondstoffentransitie en de energietransitie voor brede welvaart’, 16 september 2022

41

TNO, Literatuuronderzoek integrale benadering van maatschappelijke opgaven en transities, 30 november 2021

42

https://open.overheid.nl/repository/ronl-c35e65eba0903d738ae26dab222462337b0d8de7/1/pdf/water-enbodem-sturend.pdf

kennisbasis te ontwikkelen en beeld te krijgen bij de mogelijke ruimtelijke effecten van en de voorwaarden voor de (overgang naar) een circulaire economie.

Zodat we ook als het moeilijk wordt, het gezamenlijke doel voor ogen houden: een leefbare wereld voor huidige en toekomstige generaties.

Door deze opgaves integraal aan te pakken kunnen de verschillende transities elkaar versterken en gezamenlijk bijdragen aan een toekomstbestendig Nederland. Een integrale benadering van deze transities en opgaven houdt in dat we ze in samenhang met elkaar aanpakken, met instrumenten die zijn gericht op meerdere transities tegelijk. De generatietoets is één van die instrumenten. Met de generatietoets kan de overheid mogelijke effecten van nieuwe wetgeving of nieuw beleid op de leefomstandigheden van generaties in het heden en in de toekomst inzichtelijk maken. Met de ontwikkelde generatietoetsmethodiek is, conform toezegging aan de Kamer43, in 2021 en 2022 een aantal experimenten uitgevoerd. De resultaten van deze experimenten zijn op respectievelijk 12 juli 202244 en 22 oktober 202245 aan de Kamer verzonden. Ook in het kader van het NPCE zal een generatietoets (in samenhang met het klimaatbeleid) worden uitgevoerd. In hoofdstuk 5 gaan we hier nader op in.

Hoewel deze transitie veel vraagt van de maatschappij, biedt het ook kansen. Denk aan nieuwe, circulaire businessmodellen waarmee we de internationale koploperpositie van Nederland verder kunnen uitbouwen en (financieel) verzilveren. Daarnaast creëert een circulaire economie meerwaarde op ecologisch, economisch en sociaal terrein: we dragen ermee bij aan het herstel van de aarde, door het menselijk en economisch handelen weer in balans te brengen. Dit gevoel van ‘betekenis geven’ inspireert en kan leiden tot grotere sociale verbondenheid tussen mensen. Overheden kunnen zorgen voor een bloeiende regionale economie door regionale ketens te versterken en innovaties verder aan te jagen. Ambachten worden in een circulaire economie weer meer gewaardeerd, net als kwalitatief goede medewerkers en banen. Tot slot kunnen burgers wonen in een fijne en schone leefomgeving.

Iedereen een rol Een systeemverandering is een langdurig proces dat stapsgewijs de manier verandert waarop we collectief denken, werken en organiseren. Om zo’n transitie te kunnen bewerkstelligen, moeten alle partijen aangehaakt zijn: overheden, bedrijfsleven, vakbonden, maatschappelijke organisaties, kennis- en onderwijsinstellingen, financiële instellingen en burgers. Het is essentieel dat iedereen in staat is om deze duurzame omslag te maken: huishoudens en gemeenschappen, bedrijven en coöperaties en dorpen en steden. Dit vergt een duidelijke visie op hoe deze circulaire economie er uitziet in 2050, welke vormen van industrie en bedrijvigheid daarbij horen en wat de doelen zijn voor 2030 en 2050. En vervolgens een heldere strategie om die te realiseren.

43

Zie Kabinetsreactie op SER-verkenning Hoge Verwachtingen. Motie van de leden Segers en Jetten over een generatietoets bij de totstandkoming van beleid, Kamerstukken II, 2019-2020, 35 300, nr. 24. (Nota over de toestand van ’s Rijks Financiën | Tweede Kamer der Staten-Generaal)

44

Bijlage bij Kamerbrief 12 juli 2022 Stand van Zaken Nationaal Groeifonds, Kamerstukken II, 2022-2023, 35925-XIX-14 (Mogelijke toepassing van de Generatietoets bij NGF-voorstellen | Rapport | Rijksoverheid.nl)

45

Memorie van Toelichting Wetsvoorstel Herinvoering Basisbeurs Hoger Onderwijs van 21 oktober 2022, Kamerstukken II, 36 229

33 | Nationaal Programma Circulaire Economie 2023-2030

Green Deal Circulaire Festivals Op de ADE Green conferentie op 21 oktober 2022 in Amsterdam hebben 23 Europese festivals zich aangesloten bij Green Deal Circular Festivals, het Europese samenwerkingsverband van koplopers voor een duurzame festivalsector. 43 festivals in veertien landen werken nu samen aan hun gezamenlijke doelstelling om in 2025 volledig circulair en klimaatneutraal te zijn. Om die ambitieuze doelstelling te kunnen halen werken ze samen op vijf thema’s: energie, eten en drinken, reizen en transport, resource efficiency en water. De festivals delen kennis en ervaring op het gebied van duurzaamheid; zo hoeft niet ieder festival zelf het wiel uit te vinden en kan de ambitieuze doelstelling worden bereikt. Festivals zijn niet alleen een bakermat voor circulaire ideeën en innovaties. Met hun grote aantal bezoekers en gedefinieerde duur en ruimte bieden festivals de perfecte plek om duurzaamheidsinnovaties te testen en mensen en sectoren te inspireren. Ze blijken daarmee een belangrijke proeftuin voor de implementatie van circulaire en klimaatneutrale werkwijzen. Beproefde wekwijzen worden niet alleen gedeeld en overgenomen door andere festivals, deze concepten vinden nu ook steeds vaker toepassing binnen diverse steden.

Festivals nemen dus niet alleen hun eigen verantwoordelijkheid voor verduurzaming, ze vervullen daarmee ook een belangrijke rol in de opschaling van circulaire concepten daarbuiten.

34 | Nationaal Programma Circulaire Economie 2023-2030

Lerend traject Inherent aan een transitie is dat we nog niet alle kennis in huis hebben. We staan namelijk nog aan het begin van de transitie naar een circulaire economie. Gezien het jonge en brede beleidsveld is de kennis over circulaire economie nog volop in opbouw. Dat betekent dat een lerende aanpak heel belangrijk is, met een centrale rol voor monitoring. Voor het klimaat- en energiebeleid bestaat al een lange traditie om kosten en effecten van technische maatregelen in beeld te brengen. Voor circulaire maatregelen is dit beeld nog minder volledig; veel informatie om het effect van beleidsinterventies te kunnen inschatten is in beperkte mate aanwezig en moet worden opgebouwd. Zowel de set aan maatregelen als de doelen op productgroepniveau dienen daarom periodiek geëvalueerd en indien nodig aangescherpt te worden naarmate de kennis toeneemt. Op deze manier zetten we wel de noodzakelijke stappen en intensiveren we de beleidsinzet, maar leren we tegelijkertijd en sturen we beleid bij naar aanleiding van de resultaten van monitoring. Vandaar dat we kiezen voor een tweejarige beleidscyclus (zie ook hoofdstuk 5). Er is al beleid en er zijn maatregelen om koplopers te helpen, maar dat is nog niet voldoende om de benodigde grootschalige systeemverandering te bewerkstelligen.

Voorliggend pakket aan beleid en maatregelen is solide voor de fase van de transitie waarin we zitten en gezien de middelen die we ter beschikking hebben. Maar hiermee zijn we er nog niet. Met het voorliggend pakket zijn de doelen van een circulaire economie in 2050 en 2030 niet binnen bereik. Daarom blijft het belangrijk om het pakket aan te vullen, te versterken en in de toekomst uit te breiden naar andere sectoren en productgroepen, op basis van de resultaten van monitoring. Door te monitoren krijgen we inzicht in hoever we op weg zijn en hoe acties en middelen bijdragen aan het realiseren van de doelen. En er komen gaandeweg nieuwe inzichten bij. We gaan dit beleidsprogramma dan ook elke twee jaar actualiseren en bijstellen naar aanleiding van de Integrale Circulaire Economie Rapportage (ICER) die het PBL elke twee jaar opstelt. De ICER geeft zicht op trends en doelbereik en geeft aanbevelingen voor het verstevigen van beleidsinzet. Ook wordt er een link gelegd met andere thema’s, zoals klimaatverandering, milieuvervuiling, biodiversiteit, landgebruik en leveringszekerheid. Deze tweejaarlijkse cyclus borgt het leren en het bijsturen van het relatief jonge circulaire-economiebeleid om uiteindelijk de beoogde systeemverandering te kunnen bewerkstelligen.

Interview

Idealisme getoetst aan het realisme van de markt Tiemen ter Hoeven is oprichter en CEO van Roetz Bikes, dat fietsen een tweede leven gunt en mensen een tweede kans. Het bedrijf won de Circular Award Business Small 2022.

35 | Nationaal Programma Circulaire Economie 2023-2030

‘Consumenten moeten hier ook van kunnen profiteren, maar op welke markt breng ik dit concept naar de klant?’ Met die vraag liep Tiemen ter Hoeven ongeveer 11 jaar geleden rond. Als consultant van Deloitte had hij net een studie verricht voor een grote fabrikant uit de automotive industrie. Het onderwerp: re-manufacturing, ofwel het terughalen, oplappen en hergebruiken van eerder verkochte componenten. Deze aanpak resulteert in 70 tot 80% minder materiaalgebruik, en is daardoor behalve duurzaam ook winstgevend. Ter Hoeven zag er een groene business case in. Hij vatte het plan op om re-manufacturing op de consumentenmarkt te introduceren. Hij wist alleen niet direct met welk product. Totdat hij in zijn woonplaats Amsterdam het bronmateriaal letterlijk op straat zag liggen: fietsen.

Sinds Ter Hoevens Eureka-moment op straat is er veel gebeurd. Roetz Bikes heeft het tweede lustrum achter de rug en laat jaar in jaar uit tientallen procenten groei zien. Het bedrijf gebruikt oude fietsframes van de straat en uit fietsendepots voor de productie van nieuwe design fietsen. Ze worden in elkaar gezet door medewerkers met een afstand tot de arbeidsmarkt, die in samenwerking met een stichting worden opgeleid voor een baan in de Roetz Fair Factory -of elders. Circulariteit, sociaal ondernemen en winstgevendheid gaan hier dus hand in hand. “Maar”, zo weet Ter Hoeven, “dat was slechts het begin. Circulariteit kent verschillende niveaus en wij zetten onze voet steeds een treetje hoger.” Zo’n volgende stap was de klus waarbij Roetz duizenden oude NS OV-fietsen door de fabriek trok, om ze weer als nieuw bij de opdrachtgever af te leveren. Een sterk staaltje opschalen. Maar een nog veel grotere stap zette het bedrijf onlangs. Een fiets voor het leven Oude fietsen zie je genoeg op straat. Ter Hoevens eigen fiets, waarmee hij 30 jaar geleden naar de middelbare school peddelde, staat nog altijd bij zijn moeder in de schuur. En als hij daar op bezoek is, springt hij gewoon weer op die trouwe tweewieler. “Maar oude e-bikes, die zie je niet in het straatbeeld”, zegt hij. “Dat komt doordat reparaties vaak duur zijn, de

36 | Nationaal Programma Circulaire Economie 2023-2030

accu’s slijten en door andere complexiteiten. Dat past bij het verdienmodel van de fabrikanten. Zij stappen naar ontwerpers met de vraag om een fiets te bedenken die net lang genoeg meegaat om klanten tevreden te houden, maar die na 5 of 6 jaar ook weer vraagt om een vervangende aankoop.” Dat, zo bedachten Ter Hoeven en zijn team, kan anders. Ze wilden aanhaken bij de snelgroeiende markt voor e-bikes, maar dan wel op een circulaire manier. “Wat je dan moet doen, is de fiets anders ontwerpen en dat koppelen aan een nieuw soort service. Daarmee krijg je een fiets die letterlijk een leven lang meegaat.”

“Wij hebben er belang bij dat de fietsen en alle onderdelen goed blijven, omdat alles altijd weer bij ons terugkomt.” E-bike zonder e-waste De Roetz Life e-bike is zo ontworpen, dat het verwisselen van onderdelen enorm simpel is. Het vervangen van een wiel kan in 20 seconden, maar ook het stuur en zelfs de motor zijn in een handomdraai te verwisselen. Dit betekent dat deze fietsen gemakkelijk te onderhouden zijn en nooit vervangen hoeven te worden. Met behulp van slimme IT wordt de status van fietsen op afstand bijgehouden. Zo kan het systeem signaleren dat een fietsband een minuscule lek heeft, nog voordat de klant dat merkt. De volgende dag komt een logistieke partner van Roetz langs, om het wiel te wisselen. Het oude exemplaar gaat mee terug en wordt gerepareerd in de fabriek. “Wij hebben er dus belang bij dat de fietsen en alle onderdelen goed blijven, omdat alles altijd weer bij ons terugkomt. Het voordeel voor de klant is dat hij weinig omkijken heeft naar zijn fiets. En als hij behoefte heeft aan iets anders, kunnen we de modules simpel omwisselen zodat een andere fiets ontstaat. Denk aan iemand die kinderen krijgt, en zijn fiets daarop wil aanpassen. Geen probleem!” Met deze aanpak stelt Roetz een daad tegen de e-bike als bron van e-waste, dat het in de traditionele vorm eigenlijk al is.

Net als alle afgedankte mobiele telefoons en computers vormen e-bikes een serieus afvalprobleem. “We zijn idealistisch”, aldus Ter Hoeven, “maar toetsen alles aan de realiteit van de markt. Gezien onze resultaten denk ik dat we op de goede weg zijn. Toch is het leuk om af en toe een aanmoediging te ontvangen, zoals de Circular Award. Het zet circulair ondernemen in de schijnwerpers, en geeft ons team een stimulans en de bevestiging dat we op het juiste spoor zitten.”

In de werkplaats van Roetz in Amsterdam zijn medewerkers met een afstand tot de arbeidsmarkt aan het werk met de gerecyclede fietsen.

37 | Nationaal Programma Circulaire Economie 2023-2030

Interview

Duurzaam verbeteren vanuit een moreel ethisch kompas Hydroloog en theoloog Samira I. Ibrahim is Klimaat­ ambassadeur voor de Toekomst en zet zich in voor inclusieve duurzaamheids­transities, mede vanuit het platform NieuwWij.

38 | Nationaal Programma Circulaire Economie 2023-2030

“Waarom hebben wij zo’n enorme klimaatcrisis nodig om meer aandacht te besteden aan hoe wij omgaan met ons zelf, onze medemens en met de aarde?” Met deze woorden nam Samira I. Ibrahim op 23 september 2022 de Wubbo Ockels Nova Zembla Prijs in ontvangst. Daarmee verlegt zij het perspectief van het behalen van klimaat- en aanverwante doelstellingen naar een moreel-ethische benadering, waarin eigen verantwoordelijkheid en intrinsieke motivatie centraal staan.

Klimaatverandering raakt ieder mens op de planeet. En toch, zo constateert Ibrahim, is het een exclusief gezelschap dat de agenda bepaalt, het begrip duurzaamheid definieert en kiest voor de maatregelen die we met zijn allen moeten nemen. “Ik ben zelf half Nederlands en half Egyptisch, in beide landen opgegroeid en heb in beide landen universitaire studies afgerond. Als ik mij al moeilijk herken in de termen en het verhaal rondom de klimaattransitie, is het niet gek om te veronderstellen dat dit voor een veel grotere groep geldt. Het is mijn ambitie om ook de stem van al die mensen een podium te geven in dit maatschappelijk debat.” Het belang daarvan is tweeledig. Het feit dat een select gezelschap de duurzaamheidsagenda bepaalt, sluit andere perspectieven uit. Het is rechtvaardiger als naar iedereen geluisterd wordt en aan alle perspectieven recht wordt gedaan. Maar er zit ook een praktische kant aan. De benodigde transities hebben immers alleen kans van slagen als iedereen meedoet. De vraag is hoe je dat voor elkaar krijgt.

communiceren en iedereen erbij proberen te betrekken.” Ibrahim zet zich hier zelf actief voor in, vanuit haar rol als Klimaatambassadeur van de Toekomst maar bijvoorbeeld ook als projectleider binnen het interculturele duurzaamheidsplatform NieuwWij. Concreet krijgt dat vorm in bijvoorbeeld masterclasses waarbij iedereen welkom is. Ook publiceert NieuwWij interviews met personen en partijen die niet gehoord worden en zo toch een platform krijgen. “Daarnaast”, zegt Ibrahim, “heb ik goede contacten binnen de diverse ministeries. Daar kaart ik dit aan, zodat ons werk ook daar wordt gezien en gehoord, en anderen het oppakken.” Kringloopeconomie Hoe ziet Ibrahim de samenhang tussen de klimaatcrisis en de circulaire economie? “Ik heb het liever over de kringloopeconomie, omdat ik denk dat dan meer mensen begrijpen wat we bedoelen. Maar is het niet verrassend dat we een klimaatcrisis nodig hebben om de kringloopeconomie de aandacht te geven die het verdient? Het is zo’n aantrekkelijk systeem: zuinig omgaan met wat wij hebben en creatief zijn met hergebruik. De overheid zou iedereen hierin moeten meenemen. Want elke burger kan een mini-kringloopeconomie in zijn eigen huishouden of op zijn werk creëren. De overheid moet dat mobiliseren, faciliteren en aantrekkelijk maken. Een goed voorbeeld zijn de plastic flesjes.

Sinds daar een klein beetje statiegeld op zit, brengt iedereen ze terug naar de supermarkt en hebben we minder afval.”

“Elke burger kan een mini-kringloop­economie in zijn eigen huishouden of op zijn werk creëren.”

Inclusieve communicatie Volgens Ibrahim zijn er taken weggelegd voor meerdere partijen en instellingen, zoals de overheid, de media en het onderwijs. “Tussen 2017 en 2020, de jaren waarin ik masteropleidingen volgde aan de TU Delft en de Vrije Universiteit, ben ik daar het begrip circulaire economie nauwelijks tegengekomen. Het onderwijs moet de inhoud van de programma’s veel sneller aanpassen aan actuele, urgente onderwerpen. In de media ontbreekt het aan personen die het zo helder kunnen uitleggen, dat iedereen begrijpt waar het over gaat en wat iedereen zelf kan doen. Dat heeft te maken met de moeilijke termen en de taal die erbij gebruikt worden. Ook de overheid moet inclusiever over deze onderwerpen

39 | Nationaal Programma Circulaire Economie 2023-2030

Ibrahim meent dat de transities zijn gebaseerd op angst voor de gevolgen van de huidige klimaatcrisis. “Dat is jammer, want angst is niet de meest effectieve kernhouding als je gedragspatronen blijvend wil veranderen. Het zou dan zomaar kunnen dat we, nadat de doelen bereikt zijn, weer terugvallen in onze oude, slechte patronen. Vanuit mijn levensbeschouwing kies ik voor een andere invalshoek. Het is belangrijk om te allen tijde goed te zijn voor alles: de mensen, de dieren en de aarde. Een dergelijke intrinsieke motivatie leidt tot blijvende, duurzame verbetering.”

Het klimaatfestival Springtij op Terschelling, waar Samira de Wubbo Ockels Nova Zembla Prijs in ontvangst nam.

40 | Nationaal Programma Circulaire Economie 2023-2030

Hoofdstuk 2 Algemene maatregelen voor een circulaire economie 41 | Nationaal Programma Circulaire Economie 2023-2030

2.1 Van visie naar maatregelen Zoals in hoofdstuk 1 is beschreven, gebruiken we in een circulaire economie zo min mogelijk nieuwe primaire grondstoffen en benutten we gebruikte grondstoffen optimaal. Producten worden op zo’n manier ontworpen dat zo min mogelijk grondstoffen nodig zijn, de producten en grondstoffen zo lang mogelijk worden gebruikt en deze daarna hoogwaardig worden verwerkt. Dat alles op een verantwoorde wijze vanuit het oogpunt van milieu en gezondheid. Daarmee brengen we het grondstoffengebruik weer binnen de draagkracht van de aarde. In dit hoofdstuk vertalen we de visie voor 2050 naar concrete algemene beleidsmaatregelen voor de periode tot en met 2030. Deze hebben betrekking op de in hoofdstuk 1 benoemde ‘knoppen’ om het grondstoffengebruik meer circulair te maken: • Vermindering van grondstoffengebruik (narrow the loop) • Substitutie van grondstoffen (substitute) • Levensduurverlenging (slow the loop) • Hoogwaardige verwerking (close the loop) Bij het opstellen van dit programma hebben we, binnen de bestaande middelen, de hoofdaanbevelingen uit de Integrale Circulaire Economie Rapportage (ICER) uit 2021 opgevolgd, zoals het uitwerken van doelen en het toepassen van beprijzing, regulering en normering. Een deel van de maatregelen vergt een intensievere uitvoering, toezicht en handhaving.

Bij de uitwerking van de maatregelen letten we op de implicaties voor uitvoering, toezicht en handhaving.

2.1.1 Vermindering van grondstoffengebruik Het Rijk werkt toe naar een verdere concretisering van de planetaire grenzen en de daaruit volgende veilige operationele ruimte voor grondstoffengebruik voor Nederland. Door vanuit deze ruimte te werken, met maatregelen die hieraan bijdragen, zorgen we voor een drastische verlaging van het grondstoffengebruik. Dat zal consequenties hebben voor de gehele maatschappij.

42 | Nationaal Programma Circulaire Economie 2023-2030

De meest voor de hand liggende bijdrage aan het verminderen van grondstoffengebruik is: afzien van het maken of kopen van producten. Daardoor hoeven grondstoffen immers niet te worden gewonnen of geproduceerd. Voor de hand liggend wil niet zeggen dat het eenvoudig is. Het raakt namelijk aan de belangen van bedrijven, die zoveel mogelijk producten willen verkopen, en aan de behoeften van burgers. Tot op heden stuurt de rijksoverheid niet direct op het verminderen van productie en consumptie. In Nederland is de vrije keuze van burgers immers een groot goed. Wel is er indirecte sturing op koopgedrag, bijvoorbeeld door accijns te heffen op rookwaren. Interventies die gericht zijn op minder consumeren, en die niet fiscaal van aard zijn, zitten op het vlak van bewustwording en het sturen van gedrag. Denk aan het gebruik van een deelauto (dus het afzien aan de aanschaf van een eigen auto). Dat ziet men vaak als een verlies van flexibiliteit, terwijl een product (auto) vervangen door een dienst (van a naar b rijden) juist een waardevolle invulling kan zijn van minder consumeren. Ook het afzien van een goedkoop product met een korte levensduur en kiezen voor een kwalitatief beter product dat langer meegaat, kan een moeilijke boodschap zijn. Zeker voor mensen met een kleine portemonnee. Hetzelfde geldt voor het duurder maken van grondstoffengebruik of milieuvervuilende diensten.

Toch kan de rijksoverheid maatregelen nemen om burgers tot minder consumeren aan te zetten, zonder producten of diensten (veel) duurder te maken. Zij kan producten verbieden vanwege hun milieu-impact, of omdat voor deze producten een redelijk alternatief beschikbaar is. Het verbieden van bepaalde plastic producten (zoals rietjes) voor eenmalig gebruik is hiervan een voorbeeld.

2.1.2 Substitutie van grondstoffen

Om grondstoffengebruik te verminderen zetten we in op de volgende generieke maatregelen: Tabel 2: Maatregelen op het gebied van het verminderen van grondstoffengebruik

We verkennen het beter beprijzen van milieuschade (EU-brede aanpak). De inzet zal daarbij zijn om op nationaal en Europees niveau te zoeken naar en gebruik te maken van mogelijkheden voor het beter beprijzen van milieuvervuiling, het verder beprijzen van primair grondstoffengebruik en – in overeenstemming met de afvalhiërarchie – beprijzen van activiteiten die het hoogwaardig benutten van grondstoffen belemmeren. Dit sluit aan bij de Europese ambitie om het principe ‘de vervuiler betaalt’ te integreren in beleid.

Stimuleren

Beprijzen

Normeren

Nieuwe maatregelen

Substitutie draait om het vervangen van eindige grondstoffen door secundaire (gebruikte) grondstoffen, biogrondstoffen zoals hout, vlas en suikerbieten of andere meer algemeen beschikbare primaire grondstoffen met een lagere milieudruk46. Nederland is op dit moment één van de best presterende EU-landen in het gebruik van secundaire grondstoffen47, terwijl we ook in Nederland nog maar aan het begin van de circulaire transitie staan. Circulair ontwerpen draagt in belangrijke mate bij aan dit streven. De komende periode leggen we daarom de focus op 1) de ontwikkeling, het actief ontsluiten en het gebruik van ontwerpmethodologie, toegepaste kennis en hulpmiddelen en 2) het creëren van (wettelijke) incentives om ondernemers tot circulair ontwerpen aan te zetten.

Programma CIRCO en Platform Circulair Ontwerpen (CIRCONNECT) Zonder het circulair ontwerpen van producten en diensten kan een circulaire economie niet worden gerealiseerd. Meer dan 80 procent van de milieueffecten van producten wordt bepaald tijdens de ontwerpfase. Met het programma CIRCO (Circulair Ontwerpen) stimuleert het ministerie van IenW sinds 2015 de praktische toepassing van circulair ontwerpen door bedrijven. De ontwikkeling en uitvoering van vele honderden CIRCO Tracks en CIRCO Classes heeft geleid tot een stevig fundament waarop de komende jaren kan worden voortgebouwd. In een CIRCO Track worden bedrijven geholpen een concrete circulaire propositie te formuleren voor hun product en keten. In een CIRCO Class worden professionele ontwerpers de circulaire ontwerpprincipes bijgebracht.

Primaire fossiele grondstofheffing: op nationaal en Europees niveau verkennen we de mogelijkheden om het niet-energetische gebruik van primaire fossiele grondstoffen te belasten om zo de markt voor secundaire grondstoffen te stimuleren. We voeren een verkenning uit naar mogelijkheden om burgers aan te zetten tot minder consumeren. We gaan, waar mogelijk en relevant, in reeds bestaande subsidie­ regelingen sturen op circulariteit, op basis van de uitkomsten van een door IenW en EZK uitgevoerde verkenning.

De operationele aansturing en uitvoering van CIRCO Tracks is inmiddels verankerd in een landelijk dekkend netwerk van decentrale CIRCO Hubs. Daarin werkt IenW samen met decentrale overheden, regionale ontwikkelingsmaatschappijen, regioversnellers, kennisorganisaties zoals universiteiten en hogescholen, netwerkorganisaties, branches en banken en andere co-financiers. Inmiddels is in vrijwel elke provincie een CIRCO Hub in werking die specifieke acties uitvoert op basis van behoeften

We geven nadere uitwerking aan de mogelijke doelstelling voor reductie van de grondstoffenvoetafdruk gekoppeld aan reductie van de milieu-impact: op basis van scenariostudies en verkenning naar mogelijke aansluiting bij reductievoorstel binnen de EU taxonomie van 50 procent in 2030 en 75 procent in 2050. Opgenomen maatregelen zijn financieel gedekt. In het geval van een verkenning of onderzoek, is de verkenning of het onderzoek zelf gedekt, maar de doorvertaling van de uitkomsten van de verkenningen en onderzoeken naar eventuele beleidsmaatregelen niet.

43 | Nationaal Programma Circulaire Economie 2023-2030

46

Omwille van de leesbaarheid wordt niet overal de volledige opsomming gebruikt.

47

https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2022/11/18/2022260216-1-bijlage-kamerbrief-evaluatie-van-de-uitvoering-van-het-milieubeleid-2022-nederland

die voortkomen uit de transitie- en actieagenda’s op circulair ontwerpen. Ook helpen de Hubs bedrijven verder in circulair ondernemen. Partijen uit de praktijk hebben op eigen initiatief een toekomstgericht kennisplatform gebouwd rond circulair ontwerpen: het Platform Circulair Ontwerpen (CIRCONNECT). Het dient als fundament voor de verdere ontwikkeling van circulair ontwerpen in Nederland en als motor voor circulair ondernemen. CIRCONNECT heeft als focus: • De wetenschappelijke en de toegepaste dimensie en scope van circulair ontwerpen verder ontwikkelen, met het oog op optimalisering, verspreiding en toepassing. • Opgedane ervaring en kennis, expertise, learnings, wetenschappelijke data, kennisvragen, monitoring, technologische en maatschappelijke innovaties en beleidsontwikkelingen verzamelen en breed beschikbaar stellen. • De CIRCO Hubs ondersteunen in de operationele uitvoering, met onderhoud en door de methodologie, instrumenten, tools en aanverwante materialen of ontwikkelingen beschikbaar te stellen. • Communicatie, informatie en voorlichting over circulair ontwerpen vanuit een snelle, aantrekkelijk ogende en laagdrempelig toegankelijke web-omgeving. Het streven is om het kennisplatform CIRCONNECT op basis van een multistakeholderpropositie op te bouwen en te bestendigen.

Om een gelijk speelveld te creëren en te behouden kunnen wettelijke (ontwerp)eisen aan producten alleen op internationaal niveau worden genomen. Onder de huidige Europese Ecodesign-richtlijn zijn al circulaire producteisen opgesteld voor veel energie-gerelateerde producten. Deze richtlijn wordt gewijzigd in een nieuwe Europese Kaderverordening voor duurzame producten (Ecodesign for Sustainable Products Regulation (ESPR). Dit betekent een verbreding en een verdieping: het wordt mogelijk om bredere duurzaamheidseisen te stellen aan vrijwel alle fysieke producten. Denk aan recyclebaarheid, herbruikbaarheid, levensduurverlenging, het gebruik van recyclaat en een verbod op bepaalde gevaarlijke stoffen. Ook het voorschrijven van een bepaald gehalte aan secundaire of biogrondstoffen bij nieuwe producten wordt mogelijk.

44 | Nationaal Programma Circulaire Economie 2023-2030

Producenten kunnen ervoor zorgen dat geen gevaarlijke stoffen meer worden verwerkt in nieuwe producten (minimaliseren en voorkomen). Dit is vooral van belang voor de groep (zeer) zorgwekkende stoffen (ZZS). Dat zijn stoffen die het schadelijkst zijn voor mens en milieu. Toch worden ze soms toegevoegd aan producten of materialen vanwege een bepaalde vereiste eigenschap of functionaliteit. Nederland kent concreet beleid voor het minimaliseren van emissies van ZZS. Het is ook belangrijk dat waar mogelijk het gebruik van ZZS in producten wordt voorkomen. Het op de markt brengen van stoffen, mengsels en producten is in hoge mate EU-geharmoniseerd. Daarom wordt vaak gekozen voor inzet op maatregelen op EU-niveau. In de komende Europese onderhandelingen over de invulling van de ESPR is aandacht voor ZZS. Ook via de RoHS-Richtlijn en REACH kunnen beperkingen worden opgelegd aan het gebruik van schadelijke stoffen in producten. In het Duurzaamheidskader biogrondstoffen is (met uitzondering van voedsel, voer, textiel en papier) bepaald welke toepassingen van biogrondstoffen hoogwaardig zijn en daarmee passen in een klimaatneutrale en circulaire economie. Er moeten natuurlijk wel voldoende biogrondstoffen beschikbaar zijn.

Het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW) werkt op dit moment aan het implementeren van duurzaamheidscriteria voor de productie van duurzame biogrondstoffen. Het ministerie van Economische Zaken en Klimaat (EZK) werkt aan stimuleringsinstrumentarium voor hoogwaardige toepassingen van biogrondstoffen. Het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) werkt aan het vergroten van de beschikbaarheid van duurzame biogrondstoffen uit Nederland, in samenhang met het stimuleren van nieuwe verdienmodellen voor de agrarische sector. LNV werkt daarnaast samen met verschillende ministeries om hoogwaardig gebruik van biotische reststromen en duurzame biogrondstoffen te stimuleren. Verder verkent de rijksoverheid, in lijn met het SER-advies Biomassa in Balans, of het duurzaamheidskader biogrondstoffen verbreed kan worden naar álle toepassingen (dus inclusief voedsel, voer, textiel en papier). Hierdoor kan een integrale afweging gemaakt worden tussen de verschillende toepassingen van duurzame hernieuwbare grondstoffen. Tegelijkertijd is het kabinet voornemens om in kaart te laten brengen hoeveel biogrondstoffen gewenst zijn vanuit de circulaire transitie en hoe zich dit verhoudt tot de beschikbaarheid van duurzame biogrondstoffen.

Tabel 3: Maatregelen op het gebied van substitutie van grondstoffen Stimuleren

Beprijzen

Normeren

Voortzetting en intensivering van beleid We zetten ons ervoor in om voor steeds meer producten Europeesrechtelijke minimumeisen aan duurzaamheid te stellen, inclusief een verplicht percentage recyclaat of duurzame biogrondstoffen. Dit doen we via de ESPR (uit te werken voor specifieke productgroepen, startend met prioritaire productgroepen), of via sectorale regelgeving (zoals de verpakkingenrichtlijn). We werken aan het implementeren van duurzaamheidscriteria voor de productie van duurzame biogrondstoffen. We werken de Routekaart Nationale Biogrondstoffen uit om de beschikbaarheid van duurzame biogrondstoffen uit Nederland te vergroten.

Stimuleren

Beprijzen

Normeren

Nieuwe maatregelen We verkennen het stimuleren van duurzame CCU-toepassingen (carbon capture utilisation) in producten en productieprocessen. We verkennen of het duurzaamheidskader biogrondstoffen verbreed kan worden naar voedsel, voer, textiel en papier.

Opgenomen maatregelen zijn financieel gedekt. In het geval van een verkenning of onderzoek, is de verkenning of het onderzoek zelf gedekt, maar de doorvertaling van de uitkomsten van de verkenningen en onderzoeken naar eventuele beleidsmaatregelen niet.

2.1.3 Levensduurverlenging Het circulair ontwerp en de repareerbaarheid van producten beïnvloeden de levensduur ervan. In 2030 moet circulair ontwerpen de gangbare praktijk zijn voor de industrie in Nederland. De komende periode zal daarom de focus moeten liggen op 1) de ontwikkeling, het actief ontsluiten en het gebruik van ontwerpmethodologie, toegepaste kennis en

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14165679/2