Bijlage 0.2 - Motivering - wijziging omgevingsplan 003 'Kerkenland'
Tekst van het document
27
Kerkenland Definitief 5.4.2.3 De juiste woningen bouwen Op dit moment is de druk op de woningmarkt zodanig dat er in vrijwel elk segment wel ruimte is om woningen toe te voegen. Maar er zijn wel diverse doelgroepen op de woningmarkt voor wie het vinden van een geschikte woning extra lastig is. De onderstaande grafiek geeft weer welke type woningen kansrijk en kwetsbaar zijn.
Afbeelding 5.1: Grafiek kansrijke en kwetsbare woningtypes (Bron: gemeente Epe)
Om kwalitatief gezien de juiste woning te realiseren, zet de gemeente Epe in op: 1. Betaalbare koopwoningen bouwen én behouden. Tot 2023 dienen ruim 540 betaalbare koopwoningen te worden gebouwd. 2. Meer woningaanbod (en doorstroming) voor senioren. 3. Doorstroming bevorderen. 4. Meer sociale huur, vooral voor kleine huishoudens. 5. Bescheiden opgave middeldure huur. 5.4.2.2 Toetsing initiatief aan de woonagenda 2024 - 2028 De voorgenomen ontwikkeling draagt kwantitatief gezien bij aan de grote woningbouwopgave in de gemeente Epe. Kwalitatief gezien wordt aangesloten op de beschreven doelstellingen. In het plangebied wordt een grote verscheidenheid aan woningtypen gerealiseerd. Deze dragen bij aan de behoefte aan o.a. betaalbare woningen, levensloopbestendige en zorgwoningen. De duurdere woningen dragen daarnaast bij aan de gewenste doorstroming op de woningmarkt. Geconcludeerd wordt dat de voorgenomen ontwikkeling past binnen de woonagenda van de gemeente Epe. 5.4.3
Visiedocument Gebiedsontwikkeling Kerkenland Vaassen
5.4.3.1 Algemeen De gemeente Epe heeft op 25 april 2024 het Visiedocument Gebiedsontwikkeling Kerkenland Vaassen vastgesteld. In dit visiedocument worden de kaders voor de gebiedsontwikkeling Kerkenland (het plangebied van dit wijzigingsbesluit) uitgewerkt. Dit betreffen randvoorwaarden met betrekking tot landschap, historie, bodem en water, ecologie, verkeer, openbare ruimte, publieke voorzieningen en het woonprogramma, zodat een integraal ruimtelijk kader voor de ontwikkeling ontstaat. Hierna wordt ingegaan op de visies voor de verschillende onderdelen. In de volgende paragraaf volgt een samenvatting van de gestelde voorwaarden.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
28
Kerkenland Definitief 5.4.3.2 Visie Historie In de planvorming dienen historische structuren zoals het open karakter en de glooiing van de enk, de watergang, de landschappelijke oost-west structuren en de Baronnenlijn met groenstructuur waar mogelijk te worden behouden. In het stedenbouwkundige plan zal de relatie met het landschap en de zichtlijnen vanuit de locatie op het landschap worden ingepast. De enk zal vanwege het gewenste bouwprogramma niet geheel open kunnen blijven. Randen In de uitwerking wordt aansluiting gezocht met het karakter van de verschillende randen en waar mogelijk worden versterkt. Hierbij zal er onder andere aandacht zijn voor het dorpse karakter van Vaassen en het karakter van het historische lint van de Pastoorsweg met (boeren) erven. Daarnaast zal er rekening gehouden worden met de brandweer en de tennisbanen (hindercontour geluid en licht) en de geluidscontouren van de Laan van Fasna. Landschap In de planvorming wordt aansluiting gezocht bij de landschappelijke eigenschappen en karakteristieken van Kerkenland. Behoud en herkenbaarheid van kenmerkende elementen van de enk zoals het glooiende karakter en die van het sprengenlandschap zoals de watergang met bijbehorende beplanting, zijn hierin een belangrijk uitgangspunt.
Ook de begeleidende groenstructuur langs de historische Baronnenlijn en het landelijke karakter van de Pastoorsweg zijn aanknopingspunten voor de planvorming. De aanwezigheid van de watergang geeft kansen en kan mede invulling geven aan verschillende opgaven zoals het versterken van de biodiversiteit, natuurwaarden en lokale identiteit. Ecologie, landschapselementen en biodiversiteit De groene zone langs de watergang in het zuiden van de locatie zal worden versterkt. De bestaande houtwal aan de noordzijde, de groenstructuur langs de voormalige Baronnenlijn eveneens de groenstructuur in oost-westrichting in het midden van het plangebied met de bijbehorende boomgroepen worden behouden en waar mogelijk versterkt. De bestaande groenstructuur langs de Laan van Fasna ter plaatse van de tennisbanen zal worden doorgezet in oostelijke richting ter plaatse van de huidige gemeentewerf. Vanuit ecologie liggen er kansen om de groenstructuur van de noordelijke houtwal te verbinden met de groenstructuur van de watergang zodat er een ecologische verbinding in noord-zuidelijke richting ontstaat. In de ontwikkeling zal de historische watergang als onderdeel van het sprengenlandschap een belangrijke ecologische structuur zijn en wordt deze waar mogelijk versterkt. In het plangebied zal daarnaast ruimte worden gemaakt voor nieuwe groenstructuren en landschapselementen.
Klimaat, bodem, water, lucht en duurzaamheid De waterhuishouding en buffering van water dienen integraal onderdeel uit te maken van de planvorming. Hierbij dient er maximaal ingezet te worden op de infiltratie van regenwater. Het uitgangspunt voor Kerkenland is om dit te realiseren door middel van wadi’s en greppels. Wonen Conform de gemeentelijke Woonagenda 2019-2023 en het bijbehorende prijsklassenbeleid wordt er fors ingezet op het aandeel betaalbare woningbouw. Daarnaast zal er aandacht zijn voor een gevarieerde doelgroep zoals starters, senioren en gezinnen. Dit betekent dat er een brede mix zal komen van verschillende woningtypes zowel grondgebonden als in gestapelde vorm, aansluitende bij de verschillende doelgroepen en categorieën. Wonen en Zorg De ontwikkelaar voor Kerkenland onderzoekt om op één of twee plekken in het plan een woonzorgcombinatie en/of hofjeswonen te realiseren. Samenwerking tussen de gemeente, de ontwikkelaars, wooncorporatie Triada en zorgaanbieders is noodzakelijk om de mogelijkheden te verkennen bij deze woningbouwontwikkeling.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
29
Kerkenland Definitief Bestaand tenniscentrum de Kouwenaar Ten zuiden van de locatie, direct grenzend aan het plangebied, bevinden zich bestaande tennisbanen en een eenlaags gebouw met voorzieningen ten behoeve van de tennisbanen. Er bestaat bij de tennisclub de wens om extra padelbanen aan te leggen. Het is nog niet duidelijk of dit ook past in relatie tot de ontwikkeling van Kerkenland. In de reeds aanwezige gebiedsanalyse is ook de parkeerplaats van de tennisclub meegenomen. In de planvorming wordt rekening gehouden met een nieuwe parkeervoorziening voor de tennisclub. Gemeentedepot Voor de woningbouwontwikkeling op Kerkenland maakt het depot onderdeel uit van het plangebied. Het depot bevindt zich op een zichtlocatie op een prominente hoek ter plaatse van de entree van de nieuwe woonwijk Kerkenland. Infrastructuur auto Er wordt voor het autoverkeer zo veel mogelijk gebruik gemaakt van reeds in het gebied aanwezige infrastructuur, zoals de Pastoorsweg en de Laan van Fasna. Er worden geen nieuwe hoofdontsluitingswegen aangelegd, maar bestaande wegen worden waar nodig aangepast. De meest aannemelijke ontsluiting van het plangebied loopt via de Pastoorsweg aangezien een extra aansluiting op de doorgaande Laan van Fasna ongewenst is met het oog op de verkeersveiligheid.
In de Pastoorsweg komt ter hoogte van toekomstige fietstracé F50 een knip, waardoor autoverkeer uitsluitend in zuidelijke richting kan worden ontsloten. Infrastructuur fiets en voetganger Het uitgangspunt voor de ontsluiting van de Kerkenland voor autoverkeer is een entree via de Pastoorsweg. Hiermee wordt invulling gegeven aan het STOP principe (Stappen, Trappen, Openbaar, Personenwagens) waarbij bewoners worden gestimuleerd om lopend of met de fiets naar het centrum te gaan, doordat de route met fiets of te voet korter is dan die voor de auto. Voor de voetganger zal aansluiting gezocht worden met het bestaande looppaden in de wijk Heggerenk en de groenstructuren langs het fietspad en de watergang. Voor de fiets wordt aansluiting gezocht met de bestaande fietspaden, Daarnaast geven de ontwikkelingen rondom de - Hoogwaardige regionale fietsroute (F50: fietsroute/verbinding tussen Apeldoorn en Zwolle)- een kans voor Kerkenland. Deze toekomstige F50-fietsroute route zal over het traject van het bestaande fietspad gaan lopen. Daarnaast zal ook als onderdeel van deze fietsroute een feeder door het plangebied lopen die het bedrijventerrein Eekterveld, ten oosten van het plangebied, moet verbinden met de F50 fietsroute.
Infrastructuur openbaar vervoer De bestaande openbare infrastructuur bestaat uit een buslijn die door de aangrenzende wijk Heggerenk loopt, die Vaassen verbindt met de omliggende steden. De dichtstbijzijnde bushalte ligt op ca. 5 minuten lopen vanuit het plangebied. In de uitwerking van het plangebied zal aandacht zijn voor goede loop en fietsaansluitingen naar deze bushalte. Openbare ruimte Voor nieuwe speelvoorzieningen zal aansluiting worden gezocht met de bestaande watergang en zal participatie plaatsvinden in de uitwerking. Het openbare gebied (openbaar groen) dient van dusdanige kwaliteit te zijn dat deze de functies, die de gemeente aan deze openbare ruimte toebedeeld, kan dragen. In de verdeling van het plangebied in privé en openbaar zal hier rekening mee gehouden dienen te worden zodat de openbare ruimte van voldoende afmeting is om functies zoals klimaat-adaptief en biodivers, zoals is vastgelegd in het college programma, te kunnen waarmaken. 5.4.3.2 Toetsing van het initiatief aan het Visiedocument Gebiedsontwikkeling Kerkenland Vaassen De randvoorwaarden uit het visiedocument zijn vertaald in de stedenbouwkundige opzet, zoals opgenomen in bijlage 1. Een nadere toelichting hierop wordt gegeven in hoofdstuk 3 en 4 van deze ruimtelijke motivering.
Op deze plek wordt geconcludeerd dat het plan naadloos aansluit op het Visiedocument Gebiedsontwikkeling Kerkenland Vaassen.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
30
Kerkenland Definitief 5.4.3
Conclusie toetsing aan het gemeentelijk beleid
Geconcludeerd wordt dat het voornemen aansluit bij het relevante gemeentelijke beleid.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
31
Kerkenland Definitief
HOOFDSTUK 6 6.1
OMGEVINGSVEILIGHEID
Algemeen
Op basis van paragraaf 5.1.2 van het Bkl houdt het bevoegd gezag bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties rekening met het waarborgen van de veiligheid. In dit hoofdstuk komt aan de orde op welke wijze bij dit wijzigingsbesluit de veiligheid gewaarborgd wordt. Gedoeld wordt op het waarborgen van de veiligheid ter voorkoming van een branden, rampen of crises. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten: • • • •
Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving; Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor); Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving; Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving.
Daarnaast staan in het Bkl ook instructieregels voor de volgende risicobronnen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving: • • • •
Opslaan, bewerken en herverpakken van vuurwerk (afdeling 5.1.2.4 Bkl); Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl); Exploiteren van een IPPC-installatie voor het maken van explosieven (afdeling 5.1.2.5 Bkl); Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor militair gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl).
Het werken met aandachtsgebieden voor externe veiligheidsrisico’s is een nieuwe manier van omgaan met het groepsrisico (artikel 5.12 t/m 5.15 Bkl). Een aandachtsgebied geldt van rechtswege. Deze worden vastgelegd in het Register Externe Veiligheid en zijn digitaal raadpleegbaar. Voor het project moet binnen deze aandachtsgebieden rekening worden gehouden met het groepsrisico. Een gemeente kan binnen een aandachtsgebied voorschriftengebieden aanwijzen. Ze is verplicht een besluit te nemen over het wel of niet aanwijzen van voorschriftengebieden binnen een aandachtsgebied. Locaties binnen aandachtsgebieden waar zeer kwetsbare gebouwen zijn toegelaten moeten altijd als voorschriftengebied worden aangewezen. Een voorschriftengebied kan een deel van of het gehele aandachtsgebied zijn. In dit deel van het aandachtsgebied gelden dan aanvullende bouweisen voor nieuwbouw en vervangende nieuwbouw van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen. 6.2
Situatie in en bij het plangebied
Aan de hand van de EV-signaleringskaart is een inventarisatie verricht van de risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico’s, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In afbeelding 6.1 is een uitsnede van de risicokaart weergegeven met daarop middels een rode contour de locatie van het plangebied.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
32
Kerkenland Definitief
Afbeelding 6.1: Uitsnede risicokaart (Bron: Atlastleefomgeving.nl)
Zoals weergegeven op de risicokaart betreffen de risicobronnen in de omgeving van het plangebied 2 buisleidingen voor het transport van aardgas. Het plangebied ligt voor een klein deel (meest noordelijke deel) binnen het brandaandachtsgebied van een buisleiding. Binnen dit aandachtsgebied worden echter geen woningen gerealiseerd. Daarmee kan geconcludeerd worden dat er geen (veiligheids)maatregelen getroffen moeten worden in het kader van het voorkomen, beperken en bestrijden van een brand, een ramp of een crisis. 6.3
Conclusie
Met voorliggend wijzigingsbesluit wordt de omgevingsveiligheid in voldoende mate gewaarborgd.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
33
Kerkenland Definitief
HOOFDSTUK 7
BESCHERMEN VAN DE WATERBELANGEN
Op basis van paragraaf 5.1.3 van het Bkl houdt het bevoegd gezag bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties rekening met het beschermen van de waterbelangen. In dit hoofdstuk wordt daarom ingegaan op het effect van de ontwikkeling op de waterhuishouding.
7.1
Vigerend beleid
7.1.1
Europees beleid
De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebiedbeheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald. 7.1.2
Rijksbeleid
Het Nationaal Water Programma 2022–2027 (vastgesteld op 18 maart 2022) geeft een overzicht van de ontwikkelingen binnen het waterdomein en legt nieuw ontwikkeld beleid vast. We werken aan schoon, veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Ook is er aandacht voor de raakvlakken van water met andere sectoren. Er liggen grote opgaven voor het waterdomein: • • •
Nederland moet zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering; We moeten blijven werken aan een goede bescherming tegen overstromingen en klimaatrobuuste zoetwatervoorziening tegen toenemende droogte; Ook de zorg voor goede waterkwaliteit en duurzame drinkwatervoorziening verdient aandacht.
Daarnaast zijn allerlei functies afhankelijk van water, zoals de scheepvaart, de landbouw en de natuur. Op de Noordzee moeten vele functies, waaronder de opgaven voor windenergie, natuurontwikkeling, duurzame visserij, scheepvaart en zandwinning, in balans met elkaar een plek krijgen. Om aan te geven hoe om te gaan met de uitdagingen van ons water, ontwikkelde de Rijksoverheid het Nationaal Water Programma 2022-2027. 7.1.3
Provinciaal beleid
De Omgevingsvisie Gelderland is mede kader voor de wijze waarop omgegaan wordt met water in het plangebied. Het waterplan is beschreven aan de hand van een aantal thema’s zoals landbouw, wateroverlast, watertekort, natte natuur, grondwaterbescherming en hoogwaterbescherming. Hierbij is rekening gehouden met de Europese kaderrichtlijn water en het beleid. 7.1.4
Beleid Waterschap
Op 22 november 2021 is het nieuwe waterbeheerprogramma van Waterschap Vallei en Veluwe, het Blauw Omgevingsprogramma 2022-2027 (BOP) officieel vastgesteld door het algemeen bestuur. De Blauwe Omgevingsvisie 2050 (BOVI2050) koerst naar een duurzame en water inclusieve leefomgeving. De BOVI2050 beschrijft waar het Waterschap Vallei en Veluwe in 2050 wil staan en geeft kleur aan deze doelstelling. Het BOP is de gebiedsgerichte en tactische uitwerking van de beleidsvisie. Hierin zijn de eigen doelen verbonden aan de maatschappelijke opgaven zoals de klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, hervorming landbouw, natuur- en stikstofopgave en de verstedelijking. Het BOP bevat vier gebiedsprogramma’s. Het plangebied ligt in de gebiedsopgave 'IJsselvallei’.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
34
Kerkenland Definitief Gebiedsopgave Gelderse Vallei Een duurzame toekomst van dit gebied is alleen mogelijk door het natuurlijk systeem van bodem en water centraal te stellen. Met de partners werkt het waterschap daarom aan een robuuster watersysteem in combinatie met het versterken van de onderscheidende kwaliteit van het VeluweIJsselgebied. In brongebieden streeft het waterschap naar een betere sponswerking. Bij de groei van Apeldoorn is een aantrekkelijke, waterinclusieve, klimaatbestendige en energieneutrale leefomgeving gewenst.
7.2
Wateraspecten
In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de ontwikkeling rekening wordt gehouden met het aspect water. Het wettelijk kader is gericht op het verkrijgen van inzicht in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. In het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) wordt gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets. Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). In deze paragraaf wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie.
7.3
Watertoetsproces en waterhuishouding plangebied
Verhard oppervlak en bergingsopgave De gemeente Epe hanteert voor dit project een bergingseis van 66 mm (6,6 m³/100 m² toename van de verharding) ten opzichte van het aangesloten verharde oppervlak. Daarbij geldt voor hardverharde oppervlakten dat deze voor 50% meegenomen mogen worden in de watercompensatie. Hierna is een tabel opgenomen, waarin de benodigde watercompensatie is bepaald. Open verharding Halfverharding Daken Particuliere erven Totaal:
Totaal m2 12.500 1.750 * 0,5 = 875 7.385 12.910 * 0,25 = 3.228 23.988
Benodigde berging (m3) 825 58 487 213 1.583
In de toekomstige situatie is er sprake van circa 2,4 hectare verhard oppervlak. Daarbij zijn halfverhardingen voor 50% meegenomen. Afvoer hemelwater De gemeente Epe heeft als voorkeur dat het hemelwater zo dicht mogelijk bij de bron wordt geborgen. Door de indeling van het projectgebied zijn er twee hemelwatersystemen ontstaan. Eén aan de noordzijde van de A-watergang en één aan de zuidzijde van de A-watergang. Beide systemen zijn hetzelfde opgebouwd. Het hemelwater van daken, particuliere verhardingen en openbare verhardingen wordt bovengronds afgevoerd naar wadi’s. Uitzonderingen hierop zijn de twee ‘hofjes’ welke direct aansluiten op de Pastoorweg. Door het aanwezige hoogteverloop is het niet haalbaar het water bovengronds te laten afstromen naar de bergingsvoorzieningen. De hofjes krijgen een afwateringssysteem van kolken welke aansluiten op een Infiltratie riool. Het infiltratieriool kan weer overstorten op de wadi’s. De wadi’s zijn onderling met elkaar gekoppeld via slokops. Dit is noodzakelijk om een robuust systeem te maken en een evenredige verdeling van verharde oppervlakken en bergingsvoorzieningen te krijgen. De wadi’s krijgen een overstort welke aangesloten zijn op een infiltratieriool. Het infiltratieriool krijgt een noodoverlaat op de A-watergang.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
35
Kerkenland Definitief Wadi’s De wadi’s zijn opgebouwd volgens de eisen in de HIOR. Dit betekend dat de wadi’s onderling gekoppeld zijn middels slokops. Ook is er een noodoverlaat welke zorgt voor, onder normale omstandigheden, een maximale waterdiepte van 30 cm in de wadi’s is. Het hemelwater wordt bovengronds afgevoerd naar de wadi’s. De beschikbare berging in de wadi’s is zo goed mogelijk afgestemd op het aangesloten verharde oppervlak. Infiltratieriool Het infiltratieriool heeft in het hemelwatersysteem twee functies. De eerste is berging om te kunnen voldoen aan de eis van de gemeente Epe. Daarnaast is het een overstortvoorziening voor de aanwezige wadi’s. Het infiltratieriool wordt in 1,0 m3/m drainzand gelegd. Dit is om de infiltrerende werking te verbeteren maar ook om meer berging te maken. Greppel Aan de oostzijde in het projectgebied is een greppel in het ontwerp opgenomen. Dit is gedaan omdat de breedte tussen de parkeervakken en de bestaande, particuliere percelen niet voldoende is voor een wadi en een groenzone. De greppel heeft een bodembreedte van 1,0 meter en taluds van 1,0 meter breed. De diepte is 0,75 meter en de maximale peilstijging is 0,60 meter. De greppel krijgt een overlaat die zorgt voor deze maximale peilstijging. De overlaat sluit aan op het infiltratieriool.
Wegen en parkeervakken Het hemelwater van de wegen stroomt bovengronds af via (mol)goten naar de wadi’s. Op de twee eerder genoemde locaties na, deze voeren via een afwateringssysteem (kolken) naar het infiltratieriool. Woningen Daken van woningen grenzend aan wadi’s voeren daar bovengronds op af. Daken van woningen bij woonstraten voeren bovengronds af op de aanliggende verhardingen (voetpaden of rijbaan). Tuinen De tuinen voeren, net als de woningen, af richting de wadi’s en de rijbaan. Hydraulische belasting Het hemelwatersysteem is gebaseerd op bovengrondse afstroming naar bergingsvoorzieningen. De voorzieningen hebben een berging van 66 mm ten opzichte van het aangesloten verharde oppervlak wat zeer robuust is. De overstort naar de A-watergang is na de waterbergende voorzieningen gesitueerd en zal beperkt in werking treden. Er is geen toets uitgevoerd op hydraulische belasting. Afvalwater De nieuwbouwwoningen krijgen een vuilwaterriool. Het hemelwater wordt zoveel mogelijk bovengronds aangeboden op de perceelgrens. De vuilwater aansluiting wordt ondergronds aangeboden op de erfgrens. Het vuilwatersysteem verzamelt het door de nieuwbouwwoningen aangeboden vuilwater en voert het, via een nieuw te plaatsen gemaal, af naar een persleiding van het Waterschap Vallei en Veluwe. Ontwerp DWA-stelsel De materialisatie is afgestemd op de HIOR.
Het vuilwatersysteem is grotendeels in de rijbaan gesitueerd. Van een aantal nieuwe woningen is aan de voorzijde van de woning geen rijbaan. Daar is een verzamelleiding ontworpen welke aangesloten is op het vuilwatersysteem in de rijbaan. Het systeem van het nieuwbouwplan voert af naar het gemaal in de zuidoosthoek van het projectgebied. Vanuit het gemaal wordt het verpompt via een nieuw te leggen persleiding naar een persleiding van het waterschap Vallei en Veluwe. Het nieuwe persriool wordt ‘ingeprikt’ op de persleiding van het waterschap. Capaciteit systeem In het projectgebied worden 181 nieuwe woningen gerealiseerd. Er wordt uitgegaan van een maatgevende situatie van 12 l/inw per uur. Bij een gemiddelde woningbezetting van 3 personen per woning is de belasting 6516 l/uur. Dit is 1,81 l/s. Het aantal woningen is niet maatgevend voor het
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
36
Kerkenland Definitief bepalen van de diameter van het riool. Dat is de minimale afmeting van vuilwater riool (Ø250 mm) zoals is voorgeschreven in de HIOR.
7.4
Conclusie
Met voorliggend wijzigingsbesluit worden de waterbelangen in voldoende mate beschermd.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
37
Kerkenland Definitief
HOOFDSTUK 8
BESCHERMING GEZONDHEID EN HET MILIEU
Op basis van paragraaf 5.1.4 houdt een omgevingsplan rekening met de bescherming van de gezondheid en het milieu, waaronder in ieder geval begrepen: • • • • •
geluid; bodemkwaliteit; de kwaliteit van de buitenlucht; geur en; trillingen.
In dit hoofdstuk wordt beschreven op welke wijze het voornemen rekening houdt met bovenstaande onderwerpen. Tevens worden de aspecten ‘gezondheid’ en ‘duurzaamheid’ behandeld.
8.1
Geluid door activiteiten
8.1.1
Algemeen
In het kader van het beschermen van de gezondheid en het milieu stelt het Besluit kwaliteit leefomgeving regels voor het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en andere gebouwen en plekken (afdeling 3.5 Bkl). De wetgever maakt onderscheid tussen geluidbronnen met een geluidproductieplafond als omgevingswaarde (gpp) en bronnen met een basisgeluidemissie (bge). Voor een aantal geluidgevoelige gebouwen en stiltegebieden (artikel 7.11 Bkl) gelden specifieke regels. In de aanwijzing van geluidgevoelige gebouwen is de functie (zoals wonen, onderwijs of zorg) bepalend (artikel 3.21 Bkl). Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid. Dat doet de gemeente vanuit haar taak 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties'. In dat kader zijn de regels in paragraaf 22.3.4 Bruidsschat van toepassing. Daarin staan regels over geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. In de Bruidsschat zijn waarden bepaald (artikel 22.57 Bruidsschat). Daarbij is onderscheid gemaakt in geluid door de volgende activiteiten: • • •
activiteiten anders dan door windturbines en windparken en civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen (par. 22.3.4.2 BS); geluid door windturbines en windparken (par. 22.3.4.3 BS); geluid door civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen (par. 22.3.4.4 BS).
Geluidsgevoelige gebouwen De geluidsgevoelige gebouwen worden aangewezen in artikel 3.21 Bkl. Het betreft gebouwen, waaronder een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat een woonfunctie heeft. De geluidsnormen hebben betrekking op het geluid op de gevel van een geluidsgevoelig gebouw en hebben primair als doel het beschermen van de gezondheid door het stellen van eisen aan het geluid op en rond woningen, waar mensen langdurig verblijven en slapen. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen de voorgevel, zijgevel en achtergevel. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect geluid instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.2 Bkl. Het omgevingsplan bevat op grond van en in overeenstemming met instructieregels waarden voor geluid (immissienormen) die leiden tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 8.1.2
Situatie plangebied
Met de voorgenomen ontwikkeling worden geluidgevoelige gebouwen (woningen) mogelijk gemaakt. Het bevoegd gezag beoordeelt het geluid bij het toelaten van een geluidgevoelig gebouw in een geluidaandachtsgebied. Dit is een gebied waar het geluid hoger kan zijn dan de standaardwaarde. Wegen, spoorwegen en industrieterreinen hebben een geluidsaandachtsgebied. Verder kan
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
38
Kerkenland Definitief geluidhinder worden ondervonden als gevolg van omliggende bedrijvigheid. Hierna worden deze aspecten behandeld voor de beoogde ontwikkeling. Weg- en railverkeerslawaai In het omgevingsplan zijn nog geen geluidsaandachtsgebieden opgenomen. Daarom gelden voor wegen en spoorwegen de volgende afstanden: • • •
voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken en een maximumsnelheid van 30 km/u of minder: 100 m; voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken, waarvoor een maximumsnelheid van meer dan 30 km/u geldt, en een spoorweg, bestaande uit een of twee sporen: 200 m; en voor een weg, bestaande uit drie of meer rijstroken, en een spoorweg, bestaande uit drie of meer sporen: 350 m.
Het plangebied ligt niet binnen aan geluidsaandachtsgebied van een spoorweg. Wel ligt het plangebied binnen het geluidsaandachtsgebied van verschillende gemeentelijke wegen, namelijk: • • • • • •
Pastoorsweg; Laan van Fasna; Kornoeljestraat; Vuurdoornstraat; Heggerenkweg; Jasmijnstraat.
In voorliggend geval is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. Hierna zijn de resultaten uit het onderzoek opgenomen. Voor het volledige onderzoek wordt verwezen naar bijlage 5. De geluidsbelasting ligt op enkele plekken hoger dan de standaardwaarde van 53 dB uit het Bkl (zie ook bijlage 5 van het akoestisch onderzoek). De geluidbelasting ten gevolge van de gemeentelijke wegen bedraagt hoogstens 60 dB Lden. Met deze waarde wordt niet voldaan aan de standaardwaarde, maar wel aan de grenswaarde van 70 dB. Er is een gevelwering van minimaal 60-33 = 27 dB benodigd om ter plaatse van alle woningen aan de binnenwaarde van 33 dB te kunnen voldoen. Ten tijde van de aanvraag van de omgevingsvergunning voor de bouw van de woningen dient te worden beoordeeld of sprake is van voldoende gevelwering om ter plaatse van de woningen een binnenniveau van 33 dB te waarborgen. Dit is in de beoordelingsregels van het omgevingsplan geborgd. Doordat een nieuwbouwwoning dient te beschikken over een gevelwering van 20 dB, wordt verwacht dat met geringe gevelmaatregelen een binnenniveau van 33 dB is te realiseren. Indien de standaardwaarde bij de gevels wordt overschreden, maar wel wordt voldaan aan de grenswaarde, moet het belang van het beschermen van de gezondheid door een geluidluwe gevel worden betrokken (5.78ab Bkl).
De definitie van een geluidluwe gevel is: gevel die ten opzichte van de andere gevels van een geluidgevoelig gebouw relatief weinig wordt belast door geluid. Hierbij wordt er vanuit gegaan dat een gevel waar wordt voldaan aan de standaardwaarde in ieder geval als geluidsluwe gevel kan worden aangemerkt. De gemeente heeft echter beleidsvrijheid om te bepalen hoe zij een geluidsluwe gevel definieert en welke geluidswaarden hieraan worden gekoppeld. De gemeente Epe beschikt (nog) niet over geluidsbeleid. In het geval van de grondgebonden woningen binnen het plangebied, waarbij sprake is van een overschrijding van de standaardwaarde, is in alle gevallen sprake van een geluidsluwe gevel. Er is daarmee sprake van een aanvaardbare situatie. Daarnaast is bij het nieuw te realiseren appartementengebouw aan de zuidoostzijde van het plangebied sprake van overschrijdingen van de standaardwaarde. De maximale geluidsbelasting bedraagt 60 dB. Met een logische opzet hebben de meeste appartementen maar één gevel, het realiseren van een geluidluwe gevel (volgens de definitie van het BKL) is voor deze appartementen nagenoeg onmogelijk. Er zouden maatregelen kunnen worden getroffen om toch de mogelijkheid te bieden om te ventileren zonder hinder van geluid door het plaatsen van silent-air gevelsystemen, harbouwfensters en/of volledig afsluitbare balkons.
Verder kunnen er "geluidluwe" geveldelen worden gerealiseerd door bijvoorbeeld loggia balkons. In de nadere bouwkundige uitwerking van het appartementengebouw zullen maatregelen overwogen worden. In de regels van het omgevingsplan is vastgelegd dat bij de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het appartementengebouw dient te worden getoetst aan artikel 5.78ab van het BKL. Aangezien de
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
39
Kerkenland Definitief geluidbelasting op het appartementengebouw nog ruimschoots onder de grenswaarde ligt (minimaal 10 dB onder de grenswaarde), wordt de situatie in ieder geval aanvaardbaar geacht. Met het inachtneming van voorstaande is er sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de woningen. Industrielawaai Het plangebied ligt niet binnen een geluidgezoneerd industrieterrein. Solitaire bedrijvigheid Ten zuiden van het plangebied, aan de Laan van Fasna, bevinden zich twee percelen voor bedrijfsmatige activiteiten. Het betreffen een brandweerkazerne en een tennisvereniging. Dit betreffen beide milieucategorie 3.1 activiteiten, waarvoor op basis van de VNG-uitgave “Bedrijven en milieuzonering” een richtafstand van 50 meter wordt aanbevolen ten aanzien van geluid. Binnen deze richtafstand zijn woningen voorzien. Daarom is een akoestisch onderzoek naar bedrijvigheid uitgevoerd. Voor het volledige onderzoek wordt verwezen naar bijlage 6. Tennisvereniging Voor de tennisvereniging geldt dat in enkele specifieke gevallen de richtwaarden worden overschreden. De langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus worden overschreden als: • •
Op een avond op alle 4 de banen tegelijk tot 23:00 uur wordt getennist; Het terras bij de vereniging nog in de avond wordt gebruikt.
De richtwaarden worden overschreden als: •
Bezoekers na 23:00 uur vertrekken, met de auto, en geparkeerd staan op de meest noordelijk parkeerplaatsen.
Hoe vaak dit voorkomt is niet op voorhand te zeggen. Op basis van gesprekken met de tennisvereniging zal dit om uitzonderingen gaan. Doorgaans wordt er tot circa 22:00 getennist en zijn niet alle banen continu in gebruik. Aannemelijk is dat over het algemeen aan de richtwaarde van stap 2 voor rustige woonwijk wordt voldaan. In het rapport worden bron-, overdracht- en maatregelen bij de ontvanger overwogen. Bronmaatregelen: het is niet mogelijk om bronmaatregelen te treffen ter plaatse van de tennisvereniging. Het is praktisch niet te verwachten van de tennisvereniging dat zij maatregelen zullen nemen als bijvoorbeeld stille rackets of het verplaatsen van tennisbanen. Overdrachtsmaatregelen: het plaatsen van een 2 meter hoog scherm langs de tennisbanen levert een reductie van maximaal 0,9 dB(A) op de verdiepingen. Dit is ter plaatse van twee van de overschrijdingen vanwege de tennisvereniging voldoende om te kunnen voldoen aan de eisen van de VNG-publicatie. Er zijn nog steeds overschrijdingen op de (hogere) verdiepingen van de woonblokken. Het scherm heeft geen effect voor de overige verdiepingen. Daarnaast is het niet wenselijk om een scherm te realiseren tussen het verenigingsgebouw/terras en de banen. Ontvanger: uit de voorgaande alinea’s blijkt dat bron- en overdrachtsmaatregelen hier niet doelmatig zijn. Daarom dient gekeken te worden naar maatregelen bij de ontvanger.
Bij de berekening van de geluidwering van de gevels dient rekening gehouden te worden met de geluidbelasting ten gevolge van de tennisvereniging. Doordat in de regels van dit omgevingsplan is vastgelegd dat het binnenniveau uit artikel 4.103 Bbl gehaald dient te worden (artikel 21.15) is verzekerd dat er voldoende geluidswering wordt gerealiseerd. Brandweerkazerne Voor de brandweerkazerne geldt dat er een langtijdgemiddelde geluidniveaus plaatsvindt als: •
overschrijding
op
de
richtwaarde
voor
Er wordt geoefend en nagezeten op een donderdagavond en -nacht.
Dit betreft een regelmatige afwijkende bedrijfssituatie Op alle overige dagen is het aanzienlijk stiller en zijn er geen overschrijdingen. De richtwaarde voor piekgeluiden wordt overschreden als: • •
Er wordt geoefend op donderdagavond; De brandweerwagen met sirene wegrijdt (gemiddeld 1x per week);
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
40
Kerkenland Definitief •
Er in de nacht portieren worden dichtgeslagen bij parkeren op de meest noordelijke parkeerplaatsen.
Wel zijn er overschrijdingen ten gevolge van de brandweerkazerne op donderdagavond- en nacht. Uit het onderzoek blijkt dat slechts onder specifieke omstandigheden (veelal regelmatig afwijkende bedrijfssituaties) niet wordt voldaan aan de geluidsnormen. Omdat het gaat om tijdelijke en incidentele overschrijdingen wordt dit als acceptabel beschouwd. Er is geen sprake van langdurige of continue overlast. In het geval van de brandweerkazerne gaat het om uitzonderlijke situaties, zoals bij dringende noodgevallen en bij oefeningen. Daarbij wordt opgemerkt dat een brandweerkazerne essentieel is voor de veiligheid van de gemeenschap en daardoor doorgaans maatschappelijk geaccepteerd wordt. In het geval van de tennisclub gaat het eveneens om uitzonderingsgevallen, zoals het op alle 4 de banen gelijk tennissen en het na 23:00 vertrekken van bezoekers. In het onderzoek worden bron-, overdrachts- en ontvangstmaatregelen genoemd om de overschrijdingen te beperken. Bij de uitvoering van de plannen zal hier, waar mogelijk, uitvoer aan gegeven worden. Uitbreiding tennisbaan Onderdeel van het plan betreft het uitbreiden van de bestaande tennisclub aan de zuidzijde van het plangebied met een extra tennisbaan.
Ten behoeve van het voorgenomen wijzigingsbesluit dient de geluidbelasting van de geplande tennisbaan en de activiteiten van de tennisclub te worden getoetst aan de standaard- en/of grenswaarden uit de Omgevingswet. Hiermee wordt bepaald of een goed woon- en leefklimaat kan worden gewaarborgd voor de woningen die in de nabijheid van de uitgebreide tennisbaan zijn gelegen. Hiertoe is een geluidonderzoek uitgevoerd. Voor het volledige onderzoek wordt verwezen naar bijlage 7. Er wordt geconcludeerd dat bij uitbreiding van de tennisbaan aan de oostzijde van de tennisclub voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau wordt voldaan aan de standaardwaarden van de Omgevingswet voor de dag- en nachtperiode. In de avondperiode is echter sprake van een overschrijding van 3 dB ten opzichte van de standaardwaarde van 45 dB(A). Dit is inclusief 5 dB strafcorrectie voor impulsachtig geluid. Uitgaande van een minimale geluidisolatie van 20 dB van de gevel van een nieuwbouwwoning wordt binnen in de woning aan de grenswaarde voor langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus voldaan. Met betrekking tot de maximale beoordelingsniveaus wordt eveneens voldaan aan de standaardwaarden in de dag- en nachtperiode. Tijdens de avondperiode is echter sprake van een overschrijding van 3 dB(A) van de standaardwaarde uit de Omgevingswet.
Dit is het gevolg van schreeuwen op een niveau van 108 dB(A) op het oostelijke veld. Om aan de grenswaarde voor piekgeluiden binnen in de woning te voldoen dient de gevelisolatie 23 dB of meer te bedragen. Gecumuleerd geluid Aanvullend op de voorgenoemde berekening is een gecumuleerde berekening uitgevoerd. De betreffende rapportage is opgenomen in bijlage 8. De cumulatieve en gezamenlijke geluidbelasting bedraagt maximaal 60 dB, ter plaatse van beoordelingspunten 19 en 20 op het appartementengebouw. Ter plaatse van allee beoordelingspunten geldt dat wegverkeerslawaai maatgevend is. De geluidwering van de gevels waar de gezamenlijke geluidbelasting hoger is dan 53 dB zal in een later stadium berekend moeten worden om te toetsen of ook wordt voldaan aan het Besluit bouwwerken leefomgeving. De binnenwaarde mag maximaal 33 dB bedragen. Dit is in de beoordelingsregels van het omgevingsplan vastgelegd (artikel 21.15). 8.1.3
Conclusie
Met voorliggend wijzigingsbesluit wordt in voldoende mate rekening gehouden met het aspect geluid.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
41
Kerkenland Definitief
8.2
Bodemkwaliteit
8.2.1
Algemeen
Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels in het Bkl opgenomen. De inhoud van deze regels is via het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 Bkl. Het aanvullingsbesluit bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De kaders zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid. De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door in onderlinge samenhang; • • •
beschermen van de bodem tegen nieuwe verontreinigen en aantastingen; evenwichtig toedeling van functies aan locaties, rekening houdend met de kwaliteiten van de bodem; duurzaam en doelmatig beheren van de resterende historische verontreinigingen en aantastingen.
De gemeente stelt de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem vast. Deze waarde mag niet hoger zijn dan het blootstellingsniveau van het maximaal toelaatbaar risico voor de mens. Dit is opgenomen in bijlage VA van het Bkl. De toelaatbare kwaliteit van de bodem is een voorwaarde voor bouwen op verontreinigde bodem en is geen omgevingswaarde. Het Rijk stelt instructieregels aan gemeenten voor het toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie. De gemeente moet: • • • •
Op grond van artikel 5.89i en artikel 5.89j Bkl de waarde vaststellen waarboven er bij de realisatie van gebouwen op bodemgevoelige locaties maatregelen nodig zijn. Op grond van artikel 5.89k Bkl aangeven welke sanerende of andere beschermende maatregelen nodig zijn bij overschrijding van de waarde. Op grond van artikel 5.89l Bkl een meldingsplicht instellen voor locaties die op grond van het omgevingsplan niet vergunningplichtig zijn. Op grond van artikel 5.89m Bkl een bepaling opnemen over de ingebruikname.
Deze regels zorgen voor zowel een evenwichtige toedeling van functies aan locaties als het beschermen van de gezondheid en van het milieu, in het bijzonder van de bodemkwaliteit. 8.2.2 Situatie plangebied In voorliggend geval zijn vijf bodemonderzoeken uitgevoerd (zie bijlagen 8 t/m 11). Het betreffen de volgende onderzoeken: 1. Verkennend bodem- en asbestonderzoek op de locatie ten westen van de Pastoorsweg 60 te Vaassen, 210491/dh/sh, Hunnenman Milieu-Advies (21 juni 2021); 2. Verkennend en nader bodemonderzoek NEN 5740 Laan van Fasna te Vaassen (deellocaties A en B), B0234163/JJ, Mateboer Milieutechniek BV (26 maart 2024); 3. Verkennend en nader bodemonderzoek NEN 5740 Laan van Fasna te Vaassen (deellocaties C en D), B0234163/JJS, Mateboer Milieutechniek BV (15 april 2024). 4. Verkennend en afperkend bodemonderzoek NEN 6740 Pastoorsweg te Vaassen, BO233391/JJS, Mateboer Milieutechniek BV (9 juni 2023); 5. Verkennend bodemonderoek nabij Pastoorsweg 60 te Vaassen, BO245274/JJS, Mateboer Milieutechniek BV (22 januari 2025). De onderzoeken gezamenlijk betreffen het plangebied. In de onderzoeken zijn op enkele gedeelten sterk verhoogde gehalten aan koper en plaatselijk aan koper, lood en zink aangetoond. De omvang hiervan is bepaald (zie voor de locatie en omvang bijlage 1 van de onderzoeken onder punt 2, 3 en 4).
De aangetoonde sterke verontreinigingen dienen gesaneerd te worden. Voor de overige gronden is de actuele bodemkwaliteit afdoende vastgelegd en vormen deze geen belemmering. Onder voorwaarde dat de (sterke) verontreinigingen worden gesaneerd, is er geen bezwaar tegen voorliggend wijzigingsbesluit. De saneringen zijn opgenomen als voorwaardelijke verplichtingen in de regels van het omgevingsplan.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
42
Kerkenland Definitief 8.2.3 Conclusie Uit milieukundig oogpunt is er, na sanering van de aangetoonde verontreinigingen, voor het aspect bodem sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
8.3
Luchtkwaliteit
8.3.1
Algemeen
De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO 2) en fijnstof (PM10). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: • • •
er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging.
Mede door het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) is in de afgelopen jaren in Nederland de luchtkwaliteit aanzienlijk verbeterd. Vanwege deze verbetering is het NSL met de inwerkingtreding van de Omgevingswet dan ook komen te vervallen. De beoordeling van de luchtkwaliteit vindt niet overal plaats. Voor een activiteit die niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO 2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: 1. Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft. Onder deze ‘standaardgevallen NIBM’ vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet wel onder een bepaalde omvang blijven conform artikel 5.54 Bkl. Valt een project binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen? Het is dan mogelijk om alsnog via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden. 2. Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt.
Veelal kan een kwalitatieve berekening met de NIBM-tool op een eenvoudige en snelle manier inzichtelijk maken of een project in betekende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Wanneer deze tool aangeeft dat er sprake is van een betekende mate, dan zijn aanvullende detailberekeningen nodig. 8.3.2
Situatie plangebied
Voor de voorliggende ontwikkeling is een quickscan luchtkwaliteit uitgevoerd. Het rapport is opgenomen in bijlage 12. Op basis van het onderzoek wordt geconcludeerd dat de voorgenomen ontwikkeling 'niet in betekenende mate bijdraagt' aan de luchtverontreiniging. Tot slot is voldoende duidelijk dat het woon- en leefklimaat voor het aspect luchtkwaliteit aanvaardbaar is voor realisatie van voorgenomen ontwikkeling. Uit het onderzoek blijkt dat er voldaan wordt aan de normen vanuit het Bkl. Voor de concentratie PM2,5 is de verwachting dat over een aantal jaar zal worden voldaan aan het advies van de WHO. Voor NO2 en PM10 is dit al het geval. 8.3.3
Conclusie
Vanuit het aspect luchtkwaliteit is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
43
Kerkenland Definitief
8.4
Geur
8.4.1
Algemeen
In het kader van het beschermen van de gezondheid en het milieu (artikel 2.1 lid 3 onder b en c Ow) worden ten aanzien van diverse sectoren regels gesteld op het gebied van geur(hinder). Het gaat onder meer om veehouderijen en andere landbouwactiviteiten, de mengvoederindustrie, horeca, rioolwaterzuiveringsinstallaties, slachterijen, en (andere) milieubelastende activiteiten. Regels over geur zijn verdeeld over verschillende Amvb’s. Het verschilt per type activiteit waar er regels zijn opgenomen. Na inwerkingtreding van de Omgevingswet dienen de activiteiten allereerst te voldoen aan de regels die in het tijdelijk omgevingsplan staan. Indien er nog geen aanpassing heeft plaatsgevonden van het tijdelijk omgevingsplan en sprake is van een activiteit/inrichting die/dat voorheen onder het Activiteitenbesluit milieubeheer viel, dan gelden de regels uit de Bruidsschat. De Bruidsschat bevat regels over: • • • •
Geur door het houden van landbouwhuisdieren en paarden en pony’s voor het berijden in een dierenverblijf (par. 22.3.6.2 Bruidsschat); Geur door het houden van fokteven van nertsen (par. 22.3.6.3 Bruidsschat); Geur door andere agrarische activiteiten, zoals o.a. het opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie en het composteren of opslaan van groenafval (par. 22.3.6.4 Bruidsschat); Geur door het exploiteren van zuiveringstechnische werken (par. 22.3.6.5 Bruidsschat).
Voor een aantal milieubelastende activiteiten geldt een vergunningplicht op basis van hoofdstuk 3 van het (Bal). In afdeling 8.5 'Omgevingsvergunning milieubelastende activiteit' van het (Bkl) staan beoordelingsregels. Het bevoegd gezag gebruikt deze beoordelingsregels bij het beoordelen van de vergunningaanvraag. In het Bkl staan algemene beoordelingsregels en specifieke beoordelingsregels voor geur. De vergunningverlener moet bij het beoordelen van het aanvaardbaar geurhinderniveau rekening houden met het omgevingsplan. Zo staat in het omgevingsplan wat de geurgevoelige gebouwen en locaties zijn. Ook kunnen in het omgevingsplan andere regels voor geur staan (of een omgevingswaarde voor geur). In het omgevingsplan staan bijvoorbeeld geurregels voor veehouderijen. De vergunningverlener moet dan rekening houden met deze regels. Veehouderijen In het omgevingsplan regelt de gemeente de geur van veehouderijen. In paragraaf 5.1.4.6 Bkl staan de instructieregels hiervoor. De instructieregels gelden alleen voor geur van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf op een geurgevoelig gebouw en gaan over: • • • • 8.4.2
Geurnormen in het omgevingsplan Rekenen Afstandseisen Randvoorwaarden Situatie plangebied
In dit geval zijn er geen agrarische bedrijven of andere milieubelastende activiteiten met een geuremissie aanwezig in de directe omgeving van het plangebied. Het meest nabijgelegen agrarisch bouwperceel bevindt zich op ruim 250 meter afstand van het plangebied. Ter plaatse zijn uitsluitend grondgebonden veehouderijen toegestaan (dus geen intensieve veehouderij). De vaste afstand van 50 meter voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom wordt ruimschoots gehaald. Opgemerkt wordt dat ook de vaste afstand van 100 meter voor geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom wordt gehaald. Ter plaatse van het plangebied is zodoende ten aanzien van het aspect geur een aanvaardbaar woon- en leefklimaat te verwachten. 8.4.3
Conclusie
Vanuit het aspect geur is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
44
Kerkenland Definitief
8.5
Trillingshinder
8.5.1
Algemeen
De beoordeling van het aspect trillingen vindt zijn grondslag in artikel 4.2 van de Omgevingswet. Trillingshinder kan op twee manier optreden. Ten eerste kan er sprake zijn van de toevoeging van een milieubelastende activiteit met een trillingsemissie. In artikel 22.88 van de bruidsschat, die onderdeel uitmaakt van het tijdelijke omgevingsplan, zijn maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen opgenomen. Ten tweede kan er sprake zijn van de toevoeging van een trillinggevoelig gebouw. De Omgevingswet beschermt trillinggevoelige gebouwen tegen trillingen van activiteiten. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan hiervoor instructieregels. Voor de activiteiten wonen, wegen, vaarwegen en spoorwegen zijn er geen instructieregels voor trillingen. De gemeente kan hier eigen regels voor opstellen. Om de mogelijke trillingshinder in kaart te brengen kan de SBR-richtlijn worden gebruikt, de Beleidsregel Trillingshinder Spoor en de Handreiking Nieuwbouw en Spoortrillingen. De gebruikelijke gehanteerde afstand waarbinnen trillingshinder als gevolg van een spoorweg wordt getoetst is een zone tot 100 meter van het spoor. Uit verschillende trillinghinderonderzoeken blijkt dat buiten deze afstand tot het spoor meestal geen trillingsniveaus optreden boven de streefwaarde van Vmax van 0,1.
Binnen een afstand van 100 meter tot het spoor moet bij nieuwbouw rekening worden gehouden met spoortrillingen en het voorkomen van hinder hierdoor. Indien de afstand tot het spoor meer dan 100 meter en minder dan 250 meter bedraagt, kan een quickscan trillinghinder raadzaam zijn indien bestaande klachten, de bodemopbouw en/of het treinbeeld hiertoe aanleiding geven. 8.5.2
Situatie plangebied
Het plangebied ligt niet nabij een spoorweg. De meest nabijgelegen spoorweg ligt op een afstand van ruim 8 kilometer afstand van het plangebied. Hiermee wordt geconcludeerd dat het trillingsniveau niet boven de streefwaarde uitkomt. 8.5.3
Conclusie
Vanuit het aspect ‘trillingen’ is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
8.6
Gezondheid
8.6.1
Wettelijk kader
Algemeen Conform artikel 1.3 sub a Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. De aspecten veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit hangen nauw met elkaar samen. Gelet op de centrale rol van het gezondheidsaspect binnen de Omgevingswet dient dit aspect breed te worden gemotiveerd. Omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk doel is van de Omgevingswet bevat het Bkl een aantal instructieregels die specifiek de bescherming van de gezondheid en het milieu tot doel hebben. De instructieregels hebben onder andere betrekking tot de aspecten geluid, geur, trillingen, luchtkwaliteit en bodem. Deze aspecten zijn in voorgaande paragrafen reeds behandeld gemotiveerd. Het is wenselijk om daarnaast aan te geven op welke wijze het gezondheidsaspect bij de motivering is meegenomen. Dit niet alleen omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk maatschappelijk doel is van de Omgevingswet, waar logischerwijs bij het nemen van een besluit op grond van deze wet aandacht voor moet zijn. Ook omwonenden en rondom het project gevestigde bedrijven zijn vaak geïnteresseerd in de gezondheidssituatie die ten gevolge van de activiteit optreedt.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
45
Kerkenland Definitief Spuitzonering Er is in Nederland geen wettelijke regeling die ziet op minimaal aan te houden afstanden tussen gronden waarop gewassen worden geteeld met daarbij het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en in de buurt gelegen woningen. In artikel 2a van de Wet Gewasbeschermingsmiddelen en Biociden is een zorgplicht opgenomen die beschrijft dat iedereen de plicht heeft om zorgvuldig om te gaan met gewasbeschermingsmiddelen en biociden. In de praktijk is daarom een vuistregel ontstaan die uitgaat van een afstand van 50 meter tussen de betreffende agrarische gronden en woningen. Deze vuistregel is ontstaan vanuit de fruitteelt. Als die afstand wordt aangehouden wordt enerzijds het agrarische bedrijf niet belemmerd en anderzijds het woon- en leefklimaat bij de woningen gegarandeerd. In de vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State is deze afstand geaccepteerd. Naast deze algemene lijn is er vanuit jurisprudentie ook de mogelijkheid gegeven om in een kleinere spuitzone te voorzien. Voorwaarde is dat dit zorgvuldig onderbouwd wordt door middel van een locatie specifiek onderzoek. Een detailbeschrijving van de inhoudelijke eisen van een dergelijk onderzoek is tot op heden echter niet uitgewerkt. In het verleden werden dergelijke onderzoeken opgesteld door middel van verschillende wetenschappelijke modellen.
Deze modellen konden de mate van drift en gezondheidsrisico’s van de beoogde locatie en het beoogde gebruik berekenen. Wanneer hieruit bleek dat er werd voldaan aan de gestelde eisen, kon worden onderbouwd dat er sprake was van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Door onzekerheden over de volledigheid van deze modellen is door de rechter uitgesproken dat deze modellen niet meer kunnen voorzien in een onderbouwing van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. 8.6.2
Situatie plangebied
Algemeen Het initiatief voorziet niet in mogelijkheden die een risico zouden kunnen vormen ten aanzien van het aspect gezondheid. De woningen passen binnen de leefomgeving ter plaatse en voldoen aan de aspecten geluid, geur, trillingen, luchtkwaliteit en bodem. In de omgeving zijn mogelijkheden voor ontspanning in de groene omgeving en in de aangrenzende kern Vaassen zijn diverse sport- en zorgvoorzieningen aanwezig. Het woongebied zelf wordt ruim en groen opgezet, waarbij diverse groenstructuren aangelegd en bestaande structuren worden versterkt. Groen zuivert de lucht en biedt schaduw en verkoeling. In de openbare gebieden is ruimte voor verblijf en ontmoeting en er worden speelplekken gecreëerd in het groen. Zodoende wordt de sociale interactie bevorderd, wat belangrijk is voor de mentale gezondheid en het gevoel van verbondenheid.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
46
Kerkenland Definitief Spuitzonering In een zone van 50 meter rond de woonfuncties binnen het plangebied zijn agrarische gronden aanwezig waarbij het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen niet is uitgesloten. Deze gronden bevinden zich ten oosten en ten noorden van het plangebied. Er is daarom een notitie spuitzonering opgesteld. Deze is opgenomen in bijlage 15. Dit heeft erin geresulteerd dat ter bescherming van de gezondheid van de toekomstige bewoners tegen de effecten van gewasbeschermingsmiddelen een spuitvrije zone op de agrarische gronden rondom de woonfuncties gelegd. Op de betreffende agrarische gronden verboden is om gewasbeschermingsmiddelen te gebruiken bij het telen van gewassen in de open lucht. Gelet op het zwaarwegende maatschappelijke belang van de realisatie van 181 woningen, een project dat voorziet in een aantoonbare lokale en regionale woningbehoefte en is aangewezen als sleutelproject in de regionale woondeal, en de beperkte en zorgvuldig afgewogen impact op agrarische belangen, is het opnemen van spuitvrije zones op gronden van derden evenredig en gerechtvaardigd. 8.6.3
Conclusie
Vanuit het aspect gezondheid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies op locaties.
8.7
Duurzaamheid en klimaatadaptatie
8.7.1
Algemeen
Omdat het Nederlandse klimaat aan verandering onderhevig is, is het van belang dat bij ruimtelijke ontwikkelingen het aspect klimaatadaptatie wordt meegenomen. 8.7.2
Situatie plangebied
Voor de voorgenomen ontwikkeling is een quickscan klimaatadaptatie uitgevoerd (bijlage 13). In de quickscan klimaatadaptatie is de kwetsbaarheid van het plangebied voor hittestress, wateroverlast en droogte beoordeeld. In de quickscan is ingegaan op het geldende klimaatbeleid voor het gebied, de uitdagingen voor en rondom het gebied als gevolg van klimaatverandering en de kansen voor klimaatadaptatie. De quickscan geeft een eerste inzicht in de uitdagingen als gevolg van het veranderde klimaat, maar ook in de kansen die binnen en rondom dit projectgebied liggen op het gebied van klimaatadaptatie. Een deel van het plangebied is in de huidige situatie gevoelig voor wateroverlast bij piekbuien. In dit geval wordt aanbevolen om bij de herinrichting rekening te houden met de hemelwatergevoelige locaties. Aangeraden wordt om op deze locaties meer ruimte voor groen en water te creëren. Gezien de grote toename aan verhard oppervlak op de onbebouwde agrarische gronden, wordt aangeraden om ter plaatse waterbergende voorzieningen aan te leggen, waarbij de voorkeur uitgaat naar voorzieningen die het water laten infiltreren in de bodem, om regenwater maximaal vast te houden waar het valt. Voor infiltratie in de bodem zou er gebruik gemaakt kunnen worden van waterbergende maatregelen zoals greppels en wadi’s.
Verder wordt vermeld dat er bij de positionering van wadi’s en greppels rekening moet worden gehouden met bestaande hoogteverschillen en de samenstelling van de bodem. Tot slot wordt geadviseerd in het kader van hittestress om waar mogelijk maatregelen hiertegen te nemen. Zowel bij de inrichting van de buitenruimte als bij het bouwplan zelf. Op die manier wordt een gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit gerealiseerd. De quickscan biedt geen directe concrete oplossingen, maar schetst mogelijke richtingen die in het verdere planproces. In het waterhuishoudkundig plan, het beeldkwaliteitsplan en het stedenbouwkundige plan zijn de uitkomsten van de quickscan klimaatadaptatie meegenomen in de overwegingen. Zo wordt er, zoals aangeraden in de quickscan, gebruik gemaakt van een systeem van greppels en wadi’s voor het infiltreren van hemelwater (zie hiervoor ook paragraaf 7.3). De wadi’s zijn onderling gekoppeld via slokops. Ook is in het stedenbouwkundige plan bij de inrichting rekening gehouden met hemelwatergevoelige locaties. De lager gelegen gebieden zijn zo ingericht dat meer ruimte is voor groen en water. Ook is rekening gehouden met het aspect hittestress. Door