Bijlage 0.2 - Motivering - wijziging omgevingsplan 003 'Kerkenland'
Tekst van het document
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
47
Kerkenland Definitief het planten van bomen en struiken welke zorgen voor schaduw en verkoeling, maar ook door goed geïsoleerde woningen te realiseren. Voor het toepassen van beplanting is daarbij een beplantingsplan opgesteld (zie bijlage 14). Ten slotte is in het beeldkwaliteitsplan nadrukkelijk aandacht voor het natuurinclusief bouwen (zie bijlage 4). 8.7.3 Conclusie Het voornemen houdt in voldoende mate rekening met de risico’s op het gebied van klimaatverandering.
8.8
Lichthinder
8.8.1
Algemeen
In het Besluit kwaliteit leefomgeving staan rijksinstructieregels die in acht moeten worden genomen bij het opnemen van regels over activiteiten in het omgevingsplan. Uit afdeling 5.1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving blijkt dat bij het opnemen van regels over activiteiten waarbij lichthinder en schaduw kan ontstaan geen rijksinstructieregels gelden. De wetgever heeft bepaald dat lichthinder en schaduw een onderwerp is waar op decentraal niveau regels voor bedacht kunnen worden. Het Besluit kwaliteit leefomgeving bevat geen rijksinstructieregels voor lichthinder en schaduw. Lichthinder en schaduw is een onderwerp waar op decentraal niveau regels voor bedacht kunnen worden. Alleen voor kunstlicht in de tuinbouw bij kassen staan rijksregels in het Besluit activiteiten leefomgeving. Dit betekent dat bij het verrichten van de milieubelastende activiteit ‘het telen van gewassen in kassen’ de instructieregel over lichtuitstraling in acht moet worden genomen. De bruidsschat – rijksregels die met de inwerkingtreding van de Omgevingswet over zijn gegaan naar gemeenten en waterschappen – bevat regels voor lichthinder bij sportvelden. Deze regels stonden in het Activiteitenbesluit en zijn dus door de wetgever niet opgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving. Dit betekent dat de gemeente de oude rijksregels over lichthinder bij sportvelden mag opnemen in het omgevingsplan.
In het omgevingsplan is lichthinder en schaduw een omgevingsaspect dat meeweegt vanuit een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit. Locaties met kunstmatige verlichting kunnen namelijk negatieve effecten veroorzaken op de fysieke leefomgeving. De gemeente kan zelf bepalen of in het omgevingsplan regels worden opgenomen ter voorkoming van lichthinder en schaduw. Op dit moment bevat het omgevingsplan van gemeente Epe geen regels over het voorkomen en beperken van lichthinder en schaduw bij het uitvoeren van bepaalde activiteiten. In het Omgevingsplan van de Gemeente Epe zijn geen normen opgenomen voor lichthinder. 8.8.2
Situatie plangebied
In voorliggend geval wordt de realisatie van een extra tennisbaan, die mogelijk ook van verlichting wordt voorzien, mogelijk gemaakt. De verlichtingsinstallaties bij de tennisbanen zouden lichthinder kunnen veroorzaken bij het beoogde woongebied. Om dit inzichtelijk te maken, is een onderzoek lichthinder uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen in bijlage 15. In dit onderzoek zijn de verticale verlichtingssterkte en de lichtsterkte per armatuur bepaald. Deze zijn getoetst aan de grenswaarden uit de Richtlijn Lichthinder van de NSVV. Hieruit volgt dat voor de verschillende parameters de berekende waarden voldoen aan de grenswaarden uit de Richtlijn Lichthinder. Hieruit volgt dat bij de beoogde woningen geen lichthinder te verwachten is als gevolg van bestaande en nieuwe tennisbanen. 8.8.3
Conclusie
Het voornemen houdt in voldoende mate rekening met het aspect lichthinder.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
48
Kerkenland Definitief
HOOFDSTUK 9
BESCHERMING VAN DE NATUUR
In dit hoofdstuk komt aan de orde op welke wijze binnen het voornemen rekening wordt gehouden met het aspect natuur. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Voor deze aspecten zijn diverse regels opgenomen in het Bkl.
9.1
Gebiedsbescherming
9.1.1
Natura 2000-gebieden
De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wijst de Natura 2000-gebieden aan. Op grond van artikel 2.43 Omgevingswet legt hij ook de instandhoudingsdoelstellingen vast. Dit gebeurt in een aanwijzingsbesluit. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een omgevingsplan of afwijken van het omgevingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten.
Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: • • •
9.1.2
Alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden; Het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en De noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. Gelders natuurnetwerk (GNN)
Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. In Gelderland wordt dit ook wel het Gelders Natuurnetwerk (GNN) genoemd. Het GNN is in provinciale omgevingsvisies- en verordeningen uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het GNN geldt het 'nee, tenzij'- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. 9.1.3
Situatie plangebied
9.1.3.1 Natura 2000-gebieden Het plangebied ligt op circa 100 meter van het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied “Veluwe”. Het gedeelte Natura 2000-gebied op korte afstand (< 1 kilometer) van het plangebied betreft een beek die een uitloper van het Natura 2000-gebied vormt en uitmondt in de Grift. Tot ongeveer 500 meter in zuidoostelijke richting is deze beekloop nog onderdeel van Natura 2000. De beek stroomt vanuit het westen eerst langs het kasteelpark van de Cannenburch door de woonwijk Heggerenk, en stroomt vervolgens onder de Laan van Fasna door langs de noordkant van woonwijk Oosterhof naar de agrarische percelen tussen Deventerstraat en Bottertweg. Ondanks de relatief geringe afstand tot dit onderdeel van het Natura 2000-gebied zijn effecten (behalve stikstof) redelijkerwijs uitgesloten. Er is geen sprake van oppervlakteverlies, versnippering of mechanische effecten aangezien het plangebied buiten de begrenzing ligt. De aanleg van de woonwijk zal niet leiden tot BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
49
Kerkenland Definitief verontreiniging. Van verdroging is geen sprake aangezien de watergangen rond het plangebied niet aantakken op de Natura 2000-beek en bovendien geen verdroging te verwachten is door de ontwikkelingen. Verstoring door licht, geluid, trillingen en optische verstoring kunnen in bepaalde gevallen leiden tot externe negatieve effecten op aangewezen Natura 2000-doelsoorten en/of -habitattypen. Echter, in dit geval is de beek voornamelijk aangewezen vanwege de beekprik en kan verder hooguit de ijsvogel foeragerend verwacht worden. Tussen het plangebied en de beek ligt de Laan van Fasna, een belangrijke en daardoor drukke ontsluitingsweg tussen Vaassen en de A50. Ook liggen o.a. een brandweerkazerne en tennisvereniging tussen plangebied en beek en stroomt de beek door en langs woonwijken. Het is uitgesloten dat de ontwikkelingen leiden tot effecten op instandhoudingsdoelstellingen van beekprik en ijsvogel. Voor de andere soorten en de habitattypen geldt dat deze op veel grotere afstand (> 1 kilometer) voorkomen en dat externe effecten met uitzondering van stikstof op voorhand zijn uitgesloten. Om mogelijke externe effecten als gevolg van een toename van stikstof te kunnen beoordelen, is een onderzoek stikstofdepositie uitgevoerd. De resultaten hiervan zijn opgenomen in bijlage 15 van deze motivering.
Geconcludeerd wordt dat voor zowel de aanlegfase als de gebruiksfase sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/jr. Intern salderen met de referentiesituatie levert een afname op in stikstofdepositie. Er wordt voor zowel de aanlegfase als de gebruiksfase voldaan aan de afroomfactor van 35% voor habitattypes met een ‘nee, tenzij-oordeel’. Hierdoor is per saldo in beide fases met toepassing van intern salderen geen sprake van stikstofdepositie hoger dan 0,00 mol/ha/jr. Hiermee wordt voldaan aan de voorwaarden voor het verlenen van de omgevingsvergunning Natura 2000activiteit. Bij de aanvraag van deze vergunning dient een passende beoordeling te worden opgesteld. Het plan is op voorhand niet evident onuitvoerbaar. 9.1.3.2 Gelders Natuurnetwerk Het dichtstbijzijnde gebied dat is aangewezen als GNN bevindt zich op circa 100 meter ten zuiden van het plangebied. Ter plaatse ligt een beek die tot het GNN hoort. Toetsing aan externe werking is niet aan de orde in de provincie Gelderland. Er zijn derhalve geen vervolgacties nodig ten aanzien van provinciaal beschermde natuurgebieden. Bovendien zijn externe effecten op kernkwaliteiten en ontwikkelingsdoelen van GNN en de Groene ontwikkelingszone (GO) in dit geval niet te verwachten gezien de aard van de ontwikkelingen in relatie tot de ligging ten opzichte van onderdelen van GNN en GO.
9.2
Soortenbescherming
9.2.1
Algemeen
Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het Natuurnetwerk Nederland. Het kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hierover actief beleid voeren. Hierbij kan worden gedacht aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming. Door strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of: • •
er soorten aanwezig zijn; en welke soorten dat zijn.
In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt bepaald wanneer een vergunning nodig is.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
50
Kerkenland Definitief 9.2.2
Situatie plangebied
Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is door De Slijpkruik een ecologische quickscan uitgevoerd. Het volledige onderzoeksrapport is opgenomen in bijlage 16. De quickscan gaf aanleiding om soortgericht onderzoek uit te voeren naar de steenuil en marterachtigen. Het onderzoeksrapport hiervan is opgenomen in bijlage 17. Hierna wordt op de bevindingen ingegaan. 9.2.2.1 Ecologische quickscan Vogels met jaarrond beschermde nesten categorie 1 t/m 4 De ontwikkelingen leiden niet tot overtreding van verbodsbepalingen ten aanzien van vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten categorie 1 t/m 4. Voor steenuil is aanvullend onderzoek uitgevoerd (zie paragraaf 9.2.2.2). Vogelsoorten categorie 5 en overige broedvogels Voor alle inheemse vogelsoorten geldt dat het nest beschermd is vanaf balts en nestbouw, in de periode dat de vogel broedt en het nest nodig heeft om jongen groot te brengen én de periode van verzorging van vliegvlugge jongen. Werkzaamheden mogen niet leiden tot negatieve effecten op het functioneren van deze nestplaatsen. Hier dient rekening mee worden gehouden, bij voorkeur door verstorende werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren. Het verwijderen van opgaand groen dient hoe dan ook buiten het broedseizoen plaats te vinden omdat vrijwel zeker broedgevallen aanwezig zullen zijn.
Voor de meeste soorten is het broedseizoen de periode half maart - half augustus, maar eerdere of latere broedgevallen van met name duiven zijn niet op voorhand uitgesloten. Indien dit niet mogelijk is, dient een broedvogeldeskundige ingeschakeld te worden. De deskundige bepaalt onder welke voorwaarden de werkzaamheden uitgevoerd kunnen worden. Vleermuizen Negatieve effecten op foerageergebied of vliegroutes zijn niet aan de orde, met mogelijke uitzondering van lichtverstoring van de vliegroute langs het fietspad en (niet-essentieel) foerageergebied. Uitstraling van verlichting richting de bomenrij langs het spoor en lichtverstoring van foerageergebied dient voorkomen te worden door spaarzaam om te gaan met (bouw-)verlichting nabij opgaand groen. Voer werkzaamheden zoveel mogelijk overdag uit of neem maatregelen om uitstraling van kunstlicht richting bomen te voorkomen. Daarbij dient de verlichtingshoogte tot maximaal 3 meter beperkt te worden, gebruik gemaakt te worden van afgeschermde armaturen, amberkleurige ‘batlampen’ en er voor gezorgd te worden dat lampen niet op omliggende bomen gericht worden. Wanneer deze maatregelen in acht worden genomen is er geen aanvullend onderzoek nodig ten aanzien van deze gebiedsfuncties.
Effecten op vleermuisverblijfplaatsen zijn uitgesloten zolang uitstraling van verlichting richting geschikte gebouwen naast het plangebied en de bomenrij langs het fietspad voorkomen wordt. Overige zoogdieren De groenstroken binnen het plangebied zijn mogelijk onderdeel van de functionele leefomgeving van steenmarter, bunzing en wezel. Steenmarter en kleine marterachtigen Door aanwezigheid van beschadigingen/gaten aan de onderzijde van de gevelbekleding van het zuidelijke gebouw kan de ruimte onder het gebouw bereikt worden. Deze ruimte is mogelijk geschikt voor steenmarters als vaste rust- of voortplantingsplaats. Om vast te stellen of het plangebied daadwerkelijk een functie heeft voor steenmarter is soortgericht vervolgonderzoek uitgevoerd (zie paragraaf 9.2.2.2). Overige zoogdieren Voor wat betreft overige soortgroepen (amfibieën, vissen, reptielen, ongewervelden en flora) heeft het plangebied geen functie voor beschermde soorten. Aanwezigheid van beschermde gebiedsfuncties in het plangebied van deze soortgroepen is uitgesloten. Er dient wel rekening met de algemene en specifieke zorgplicht gehouden te worden die geldt voor alle dieren, beschermd of niet. Dit geldt met name voor werkzaamheden aan en rond groenstructuren. Voer werkzaamheden op een rustig tempo en in één richting uit om eventueel aanwezige fauna tijd en ruimte te gunnen om een veilig heenkomen te zoeken.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
51
Kerkenland Definitief Houtopstanden Er worden geen houtopstanden gekapt die onder de Omgevingswet beschermd zijn. Het gehele plangebied ligt binnen de begrenzing van de bebouwingscontour houtkap. Voor de kap van bomen is mogelijk wel een gemeentelijke kapvergunning nodig. 9.2.2.2 Soortgericht onderzoek steenuil en marterachtigen Steenuil Het plangebied is geen onderdeel van het leefgebied van steenuilen. Er is daarom geen sprake van overtreding van de omgevingswet ten aanzien van de steenuil. Voor steenuil zijn daarom geen vervolgacties zoals het aanvragen van een ‘omgevingsvergunning flora en fauna activiteit’ of het inrichten van alternatief leefgebied nodig. Kleine marterachtigen en steenmarter Van steenmarter is bekend dat deze in het plangebied en omgeving voorkomt. Ook tijdens het soortgericht onderzoek is de steenmarter vastgesteld op camera. Er zijn echter geen aanwijzingen voor een voortplantingsplaats binnen het plangebied. Van aantasting van essentieel leefgebied van de steenmarter is geen sprake indien de noordelijke groenstrook met bomen en ondergroei behouden blijft.
Voor de rest is er namelijk geschikt leefgebied in overvloed aanwezig, zo worden bijvoorbeeld zeer regelmatig steenmarters in de naastgelegen woonwijk gezien en zijn er ook vele geschikte erven, diepe tuinen en bomenrijen of andere groenstructuren met dekking in de omgeving van het plangebied aanwezig. Het beoogde groene wijkje zal naar verwachting voor de steenmarter zelfs geschikter als jachtgebied zijn dan de huidige situatie waarbij het plangebied vooral uit open grasland of maïsakker bestaat. Er zijn geen vervolgstappen, zoals een activiteitenplan en omgevingsvergunning flora en fauna noodzakelijk ten aanzien van kleine marterachtigen en steenmarter.
9.3
Conclusie
Het aspect natuur staat de ontwikkeling niet in de weg, indien voldaan wordt aan de voorwaarden uit de quickscan en het soortgericht onderzoek. Dit betreffen de volgende voorwaarden: • • •
• •
Geen werkzaamheden binnen invloedssfeer bezette vogelnesten uitvoeren. Bij start in de periode 1 maart - 15 augustus afstemmen met broedvogeldeskundige over voortgang werkzaamheden. Voorkom lichtverstoring door uitstraling van kunstlicht richting bomen langs fietspad ten westen plangebied. Er dient altijd rekening te worden gehouden met de algemene en specifieke zorgplicht die geldt voor alle dieren, beschermd of niet. Dit is vooral belangrijk bij werkzaamheden in en rondom groenstructuren. Voer werkzaamheden rustig in één richting uit, zodat eventuele aanwezige dieren voldoende tijd en ruimte krijgen om veilig te vluchten. Ontzie mogelijke voortplantings- en overwinteringslocaties van egel, vooral in de kwetsbare periodes. De periode september - oktober vóór het invallen van de eerste koude periode is hiervoor het meest geschikt. Verstorende werkzaamheden dienen buiten de voortplantingsperiode van haas te worden uitgevoerd waarbij eventueel aanwezige dieren de kans krijgen om te vluchten in een veilige richting, in dit geval de agrarische percelen ten oosten van de Pastoorsweg. Er zijn verschillende methodes waarmee hazen geweerd kunnen worden. Let op: deze maatregelen moeten al (ruim) voor het voortplantingsseizoen (dus voor februari) ingezet worden. Als er eenmaal jongen zijn, dient gewacht te worden tot het najaar.
Het voornemen houdt in voldoende mate rekening met de bescherming van de natuur.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
52
Kerkenland Definitief
HOOFDSTUK 10
10.1
ARCHEOLOGIE EN CULTUURHISTORIE
Wettelijk kader
Artikel 5.130 van het Bkl bepaalt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed, met inbegrip van bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. In dit hoofdstuk komt aan de orde op welke wijze binnen deze ontwikkeling rekening is gehouden met cultureel erfgoed en archeologische waarden. De regelgeving over het behoud en beheer van cultureel erfgoed is sinds 2016 ondergebracht in de Erfgoedwet. Samen met de Erfgoedwet maakt de Omgevingswet een integrale bescherming van het cultureel erfgoed mogelijk. Wat onder cultureel erfgoed wordt verstaan is opgenomen in bijlage A (begrippen) van de Omgevingswet. Het gaat hierbij om monumenten, archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschappen en, voor zover dat voorwerp is of kan zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het omgevingsplan, ander cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet.
10.2
Archeologie
Lid 3 van artikel 5.130 Bkl bepaalt dat in het belang van de archeologische monumentenzorg in een omgevingsplan regels kunnen worden gesteld over eisen aan onderzoek naar de archeologische waarde van een locatie. Ook kunnen eisen worden gesteld aan de wijze van het verrichten van opgravingen of archeologische begeleiding van andere activiteiten die tot bodemverstoring leiden. De gemeente Epe beschikt over een archeologische beleidsadvieskaart. Op deze kaart ligt het plangebied grotendeels in een zone met een hoge archeologische verwachting. Het zuidelijke deel van het plangebied ligt overwegend in een zone met een lage archeologische verwachting. Gelet op de omvang van de voorgenomen ontwikkeling is archeologisch onderzoek noodzakelijk. In voorliggend geval is door Laagland archeologie een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek uitgevoerd. Het onderzoeksrapport is in bijlage 18 opgenomen. Op basis van de bevindingen van het voorgaande onderzoek is geadviseerd om aanvullend archeologisch onderzoek uit te voeren in de vorm van een proefsleuvenonderzoek binnen het kasrijke deel (lichtrood gekleurd in Afbeelding 10.1) voor zover daar daadwerkelijk bodemingrepen plaatsvinden. Dit onderzoek zal worden uitgevoerd voorafgaand aan de bouw. Ter bescherming van eventuele archeologische waarden is in de regels van dit omgevingsplan een gebiedsaanwijzing ‘Archeologie’ opgenomen.
Voorafgaand aan het bouwen op deze gronden dient zodoende eerst een rapport overlegd te worden waarin de archeologische waarden van de gronden, naar oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate zijn vastgesteld.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
53
Kerkenland Definitief
Afbeelding 10.1 Adviesgebied vervolgonderzoek (Bron: Laagland archeologie)
10.3
Cultuurhistorie
Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. Hierbij kan ook gedacht worden aan in de nabijheid het plangebied gelegen werelderfgoed. Bij het beschermen van cultureel erfgoed in het omgevingsplan moet de gemeente rekening houden met bepaalde uitgangspunten. In artikel 5.130 lid 2 Bkl staan de instructieregels gesteld door het Rijk. Deze gaan over: • • • • • •
ontsiering, beschadiging of sloop van beschermde monumenten of archeologische monumenten; verplaatsing van beschermde monumenten; gebruik van monumenten ter voorkoming van leegstand; aantasting van de omgeving van een beschermend monument; aantasting van karakteristieke stads- en dorpsgezichten en cultuurlandschappen; conserveren en in stand houden van archeologische monumenten.
Op basis van de cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Epe (zie afbeelding 10.2), bevinden zich in en om het plangebied diverse cultuurhistorisch waardevolle elementen. Het gaat om water (een beek of spreng), kavelgrenzen van voor 1832 en de wegenstructuur rondom het gebied (Pastoorsweg en Laan van Fasna. Daarnaast kenmerkt het noordelijke deel van het plangebied zich als een kampontginningslandschap en het zuidelijke deel als broekontginningslandschap.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
54
Kerkenland Definitief
Afbeelding 10.2 Cultuurhistorische waarden plangebied (Bron: gemeente Epe)
Bij de totstandkoming van de voorgenomen ontwikkeling is rekening gehouden met de hiervoor genoemde elementen. De wegenstructuur om het plangebied wordt niet gewijzigd. Daarnaast wordt de beek/spreng geïntegreerd in het woningbouwplan en blijven oude kavelgrenzen tot op zekere hoogte beleefbaar. Gelet op het vorenstaande wordt geconcludeerd dat voldoende rekening wordt gehouden met cultuurhistorische elementen.
10.4
Conclusie
Geconcludeerd wordt dat het voornemen in voldoende mate rekening houdt met de bescherming van archeologische en cultuurhistorische waarden.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
55
Kerkenland Definitief
HOOFDSTUK 11
11.1
M.E.R.- BEOORDELING
Algemeen
Een milieueffectrapportage (m.e.r.) brengt het effect van een project op het milieu in beeld. De regelgeving voor de m.e.r. is te vinden in afdeling 16.4 van de Omgevingswet (Ow) en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit (Ob). Uit bijlage V van het Ob kan worden bepaald of een plan mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig is. In deze bijlage is een tabel opgenomen met vier kolommen: • • • •
In kolom 1 staan de projecten opgesomd; In kolom 2 zijn de gevallen genoemd waarin een project-mer verplicht is; In kolom 3 staan de gevallen genoemd waarin de project-mer-beoordelingsplicht geldt; Tot slot bevat kolom 4 de besluiten waarvoor dan de mer-verplichtingen gelden. Het gaat dan om besluiten waarmee de toestemming voor het project wordt verleend.
Indien een wijziging van het omgevingsplan wordt opgesteld dat een kader vormt voor een projectmer-(beoordelings)plichtige projecten dan is een plan-mer aan de orde (artikel 16.36 lid 1 Ow). Ook is een plan-mer aan de orde als Voor plan/ programma een passende beoordeling voor natuur moet worden opgesteld zoals bedoeld in artikel 16.53c Ow (artikel 16.36 lid 2 Ow). Als een plan wordt gemaakt voor een klein gebied op lokaal niveau of het plan maakt een kleine wijziging mogelijk, kan worden volstaan met een plan-mer-beoordeling (artikel 16.36 lid 3 Ow) als uit de beoordeling blijkt dat het plan geen aanzienlijke milieueffecten heeft.
11.2
Situatie plangebied
Voorgenomen ontwikkeling kan worden aangemerkt als een ‘stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en de aanleg van parkeerterreinen’ (J11) uit Bijlage V van het Omgevingsbesluit. Om te onderzoeken of de voorgenomen activiteit een aanzienlijk milieueffect heeft, is een milieueffectrapport opgesteld. Of het project aanzienlijke milieueffecten kan hebben moet worden beoordeeld aan de hand van de relevante criteria van bijlage III bij de mer-richtlijn, dat wil zeggen: de kenmerken van het project, de plaats van het project en de potentiële effecten. Hiertoe is een m.e.r.-beoordeling opgesteld, deze is bijgevoegd als bijlage 19 van deze onderbouwing, hieruit blijkt dat geen milieueffectrapport hoeft te worden gemaakt.
11.3
Conclusie
Gelet op de beoordeling van de bovengenoemde kenmerken van de ontwikkeling en de kenmerken van de potentiële effecten, zijn er geen belangrijke negatieve milieugevolgen te verwachten. Het opstellen van een milieueffectrapport is niet nodig. Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
56
Kerkenland Definitief
HOOFDSTUK 12
12.1
ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID
Algemeen
In deze paragraaf wordt getoetst of de betreffende ontwikkeling niet evident onuitvoerbaar is. Vastgesteld moet kunnen worden dat er geen financieel-economische redenen zijn waardoor het op voorhand aannemelijk is dat de ontwikkeling niet uitgevoerd kan worden.
12.2
Kostenverhaal
Overheden zijn verplicht om de kosten te verhalen. Het afsluiten van een overeenkomst tussen de initiatiefnemer van de bouwactiviteit en het bevoegd gezag heeft daarbij de voorkeur. Als het niet mogelijk is een overeenkomst af te sluiten, is de publiekrechtelijke weg verplicht. Dan verhaalt het bevoegd gezag de kosten op basis van de regels in een omgevingsplan, een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit of een projectbesluit. Kostenverhaal geldt voor kostenverhaalplichtige activiteiten. Het Omgevingsbesluit bevat relevante regels over (verplicht) kostenverhaal (zie artikel 8.13 Ob voor aangewezen activiteiten waarvoor kostenverhaal verplicht is, artikel 8.14 Ob voor de mogelijkheden om af te zien van kostenverhaal en artikel 8.15 Ob voor de kostensoortenlijst). Pas nadat is betaald, is het toegestaan de activiteiten uit te voeren (zie artikel 13.12 Ow). Eén van de bouwactiviteiten waarvoor kosten verhaald worden is de bouw van een of meer gebouwen met een woonfunctie (zie artikel 8.13 aanhef en sub a Ob). Er zijn bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet nog geen activiteiten vanwege gebruikswijzigingen aangewezen.
12.3
Situatie plangebied
In dit geval is een overeenkomst gesloten tussen initiatiefnemer en de gemeente. Hierin is verzekerd dat het risico op nadeelcompensatie voor rekening van de initiatiefnemer komt. De gemeentelijke kosten zijn hier ook in opgenomen. Het kostenverhaal voor de gemeente is hiermee volledig verzekerd.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
57
Kerkenland Definitief
HOOFDSTUK 13
13.1
MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID
Participatie
Participatie is onder de Omgevingswet een belangrijk aspect in de procedure van een ruimtelijke ontwikkeling. Een ontwikkeling heeft namelijk niet alleen invloed op de fysieke leefomgeving, maar ook op de mensen die daar wonen, werken en recreëren. Het is daarom van belang dat deze mensen in een vroeg stadium worden betrokken bij het initiatief. Om inzicht te krijgen in de belangen, zorgen en ideeën van omwonenden en andere belanghebbenden als ondernemers en woningzoekenden is een participatieplan opgesteld. Deze is opgenomen in bijlage 20. Bij het opstellen van het participatieplan is het beleidsstuk ‘Samen werken aan een plan’ van de gemeente Epe als uitgangspunt genomen. Voor het initiatief zijn verschillende doelgroepen (gemeente, stakeholders en belanghebbenden) vastgesteld. Vervolgens is een strategie opgesteld om de doelgroepen zorgvuldig mee te nemen in het participatieproces. Op het moment van schrijven zijn al verschillende onderdelen van het participatieproces uitgevoerd. Zo hebben omgevingsgesprekken plaatsgevonden om de buurt te informeren, betrekken en mee te laten denken. Is een visiedocument opgesteld door de gemeente op basis van de vigerende beleidskaders, welke handvatten biedt en als vertrekpunt geldt voor de ontwikkeling. Dit document is opgenomen in paragraaf 5.4.3 van deze ruimtelijke motivering.
13.2
Afstemming overlegpartners
Het plan is voorgelegd aan de relevante overlegpartners. In dit geval betreffen dit het rijk, de provincie, het waterschap, de veiligheidsregio, de brandweer.
13.3
Zienswijzen
Het wijzigingsbesluit heeft voor een periode van zes weken ter inzage gelegen. Er zijn geen zienswijzen ingediend.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
58
Kerkenland Definitief
HOOFDSTUK 14
14.1
JURIDISCHE VERANTWOORDING
Inleiding
In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op het plangebied, het relevante beleid en de milieuen omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het maken van het juridische deel van voorliggende omgevingsplanwijziging: de werkingsgebieden en de regels. In dit hoofdstuk wordt dieper ingegaan op de opzet van dit juridische deel. Daarnaast wordt een verantwoording gegeven van de gemaakte keuzes. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom een bepaalde functie ergens is toegestaan en waarom bepaalde bebouwing daar acceptabel is.
14.2
Verantwoording van de regels
Ter plaatse van het plangebied zijn de volgende functies opgenomen: ‘Agrarisch Kerkenland’, ‘Groen Kerkenland’, Sport-buitenaccommodatie Kerkenland’, ‘Verkeer Kerkenland’, ‘Water Kerkenland’, ‘Wonen Kerkenland’ en ‘Archeologie Kerkenland’. Hierna wordt per functie nader ingegaan. Agrarisch Kerkenland De gronden binnen de functie ‘Agrarisch Kerkenland’ hebben als hoofdfunctie de uitoefening van de agrarische functie in combinatie met het behoud en ontwikkeling van cultuurhistorische waarden, landschappelijke waarden en natuurwaarden. Deze gronden kennen in de huidige situatie ook al een agrarische functie. Ter bescherming van de gezondheid van de woonfuncties in het plangebied is een zone opgenomen die het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen voorkomt. Groen Kerkenland De gronden gelegen tussen de woonkavels hebben de functie ‘Groen Kerkenland’ gekregen. De voor ‘Groen Kerkenland’ aangewezen gronden zijn bestemd voor groenvoorzieningen en beplantingen, (fiets)paden, speelvoorzieningen, parkeervoorzieningen en waterhuishoudkundige voorzieningen met daarbij behorende bouwwerken geen gebouwen zijnde. Binnen deze functie mogen bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden gebouwd. Sport-buitenaccommodatie Kerkeland De gronden ter plaatse van de nieuw te realiseren tennisbaan hebben de functie ‘Sportbuitenaccommodatie Kerkenland’ gekregen.
Ter plaatse wordt de gelegenheid geboden tot tennissportbeoefening. Verkeer Kerkenland De belangrijkste wegen in het plangebied hebben de functie ‘Verkeer Kerkenland’ gekregen. De voor 'Verkeer Kerkenland' aangewezen gronden zijn bestemd voor wegen en straten, voet- en rijwielpaden, parkeervoorzieningen, nutsvoorzieningen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen. Water Kerkenland Binnen het plangebied is sprake van een waterloop. Deze heeft de functie ‘Water Kerkenland’ toegekend gekregen. Gronden met deze functie mogen worden gebruik voor waterberging, waterhuishouding, waterlopen, waterwegen en/of vijvers.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
59
Kerkenland Definitief Wonen Kerkenland De woonkavels hebben de functie ‘Wonen Kerkenland’ gekregen. Woningen dienen binnen een bouwvlak te worden gebouwd, waarbij tevens het type woning is vastgelegd. Daarnaast is door middel van maatvoeringsaanduidingen het maximum aantal woningen per bouwvlak en de maximale goot- en bouwhoogte aangegeven. Zone met archeologische waarden Kerkenland Ten behoeve van mogelijk voorkomende archeologische waarden in het plangebied is de functie 'Zone met archeologische waarden Kerkenland’ naar aanleiding van het uitgevoerde archeologische bureauonderzoek opgenomen. Bij ingrepen groter dan 100 m2 en dieper dan 35 centimeter is archeologisch onderzoek nodig.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
60
Kerkenland Definitief
BIJLAGEN BIJ DE RUIMTELIJKE ONDERBOUWING
Bijlage 1
Stedenbouwkundig plan
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
61
Kerkenland Definitief
Bijlage 2
Verkeersanalyse
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
62
Kerkenland Definitief
Bijlage 3
Ladder voor duurzame verstedelijking
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
63
Kerkenland Definitief
Bijlage 4
Beeldkwaliteitsplan
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
64
Kerkenland Definitief
Bijlage 5
Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
65
Kerkenland Definitief
Bijlage 6
Akoestisch onderzoek bedrijvigheid
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
66
Kerkenland Definitief
Bijlage 7
Akoestisch onderzoek tennisbaan
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
67
Kerkenland Definitief
Bijlage 8
Gecumuleerd en gezamenlijk geluid
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
68
Kerkenland Definitief
Bijlage 9
Verkennend bodem- en asbestonderzoek op de locatie ten westen van de Pastoorsweg 60
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
69
Kerkenland Definitief
Bijlage 10
Verkennend en nader bodemonderzoek (deellocaties A en B)
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
70
Kerkenland Definitief
Bijlage 11
Verkennend en nader bodemonderzoek (deellocaties C en D)
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
71
Kerkenland Definitief
Bijlage 12
Verkennend en afperkend bodemonderzoek NEN 6740
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
72
Kerkenland Definitief
Bijlage 13
Verkennend bodemonderzoek nabij Pastoorsweg 60
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
73
Kerkenland Definitief
Bijlage 14
Quickscan luchtkwaliteit
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
74
Kerkenland Definitief
Bijlage 15
Notitie spuitzonering
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
75
Kerkenland Definitief
Bijlage 16
Quickscan klimaatadaptatie
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
76
Kerkenland Definitief
Bijlage 17
Onderzoek lichthinder
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
77
Kerkenland Definitief
Bijlage 18
Beplantingsplan
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
78
Kerkenland Definitief
Bijlage 19
Stikstofonderzoek
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
79
Kerkenland Definitief
Bijlage 20
Quickscan ecologie
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
80
Kerkenland Definitief
Bijlage 21
Soortgericht onderzoek steenuil en marterachtigen
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
81
Kerkenland Definitief
Bijlage 22
Bureau- en inventariserend veldonderzoek archeologie
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
82
Kerkenland Definitief
Bijlage 23
Aanmeldnotitie m.e.r.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
83
Kerkenland Definitief
Bijlage 24
Participatieplan
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
84