CConstaterende datEpe
Koppel je AI →
Document · PDF

972904 Toelichting Kloosterhof Oene

Gemeenteraad 30 mei 2024, gemeente EpeBij agendapunt: Gewijzigde vaststelling bestemmingsplan 'Kloosterhof, Oene'31.834 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

bestemmingsplan Kloosterhof Oene NL.IMRO.0232.OENE004Kloosterhof-OBP1

44

4.6

Luchtkwaliteit

Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan onder meer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen: Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen). Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip 'niet in betekenende mate' is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO 2) en fijn stof (PM10 en PM2,5). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging.

Enkele voorbeelden zijn: woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m² bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg. Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO 2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig. Toets Onderhavig bestemmingsplan heeft betrekking op de bouw van 39 woningen met bijbehorende voorzieningen zoals wegen en groen. Als wordt uitgegaan van een worst-case scenario kan het aantal verkeersbewegingen ten gevolge van deze ontwikkeling op 305 per dag gesteld worden (zie paragraaf 4.11).

Er zal in zeer beperkte mate sprake zijn van vrachtverkeer (pakketbezorging/afval ophaaldiensten), waardoor het percentage vrachtverkeer op 2% gezet kan worden. In figuur 4.3 is de worst-case berekening weergegeven met 305 extra voertuigbewegingen.

bestemmingsplan Kloosterhof Oene NL.IMRO.0232.OENE004Kloosterhof-OBP1

45

Figuur 4.3: Worst-case berekening voor bijdrage van extra verkeer (bron: infomil.nl) Uit deze berekening volgt dat de bijdrage van het extra verkeer niet in betekenende mate is. Er is geen nader onderzoek nodig. Uit de jaarlijkse rapportage van de luchtkwaliteit blijkt bovendien dat er, in de omgeving van het plangebied, langs wegen geen overschrijdingen van de grenswaarden aan de orde zijn. Een overschrijding van de grenswaarden is ook in de toekomst niet te verwachten. Aanvullend onderzoek naar de luchtkwaliteit is derhalve niet nodig. Tevens kan de realisatie van 39 woningen niet aangemerkt worden als de realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen de zone van een Rijks- of provinciale weg. Het aspect 'luchtkwaliteit' vormt geen belemmering voor de uitvoering van het plan.

4.7

Externe veiligheid

Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het daarbij om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico's zware ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit. Voor vervoer gevaarlijke stoffen geldt het Besluit externe veiligheid transportroutes en de Regeling Basisnet. Op transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen zijn het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) van toepassing. Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken.

Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico. Plaatsgebonden risico (PR): Risico op een plaats buiten een inrichting, uitgedrukt als een kans per jaar dat een persoon onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen een inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Groepsrisico (GR): Cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen de inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. In het BEVI zijn de risiconormen wettelijk vastgelegd. Deze normen zijn niet effectgericht maar gebaseerd op een kansberekening. Tevens geven de risiconormen alleen de kans weer om als

bestemmingsplan Kloosterhof Oene NL.IMRO.0232.OENE004Kloosterhof-OBP1

46

direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen te overlijden. Gezondheidsschade en de kans op verwonding of materiële schade zijn daarin niet meegenomen. Er is in het BEVI geen harde norm voor het groepsrisico vastgesteld. Voor het groepsrisico geldt geen norm maar slechts een oriënterende waarde. Er is sprake van een verantwoordingsplicht in geval van een toename van het groepsrisico. Risicokaart Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. Toets In september 2013 is de Beleidsvisie externe veiligheid vastgesteld. Uitgangspunt van deze visie is dat nieuwe risicobronnen alleen nog zijn toegestaan indien het gaat op een verplaatsing van een bestaande risicobron naar een bedrijventerrein. Daarnaast is in de beleidsvisie bepaald dat het groepsrisico ten gevolge van een risicobron niet groter mag zijn dan 1 maal de oriëntatiewaarde.

In de visie is tevens vastgelegd dat wanneer bijzonder kwetsbare objecten (objecten met verminderd zelfredzame personen zoals scholen en zorginstellingen) mogelijk worden gemaakt binnen het invloedsgebied van een risicobron, de besluitvorming op dit punt expliciet bij de gemeenteraad en het college van B&W wordt voorgelegd. In het Besluit externe veiligheid inrichtingen is de definitie van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten opgenomen. Met de bouw van woningen worden kwetsbare objecten toegevoegd. De dichtstbijzijnde riscobron bevindt zich op een afstand van circa 1268 meter van het plangebied. Dit betreft een gasleiding van de Gasunie (N-556-73). Deze leiding heeft geen 10 -6 plaatsgebonden risicocontour. Indien sprake is van ligging binnen een 1% letaliteitscontour dient een berekening te worden gemaakt van het groepsrisico. In dit geval, gezien de eigenschappen van de leiding (40 bar kPa, diameter 21,9 cm) geldt een 1% letaliteitscontour tussen de 95 en 120 meter. De 100% letaliteitscontour ligt op 50 meter. Het plangebied ligt ruim buiten de letaliteitscontouren. Een nadere beschouwing ten aanzien van het groepsrisico is niet vereist.

bestemmingsplan Kloosterhof Oene NL.IMRO.0232.OENE004Kloosterhof-OBP1

47

Figuur 4.4: uitsnede risicokaart (bron: atlasleefomgeving.nl/kaarten). Een en ander brengt met zich mee dat het project in overeenstemming is met wet- en regelgeving met betrekking tot externe veiligheid.

4.8

Water

4.8.1

Waterhuishoudkundig plan

In verband met de herziening van het bestemmingsplan en de geplande woningbouw is de lokale waterhuishouding en de gevolgen van de herontwikkeling op de huidige waterhuishoudkundige situatie in kaart gebracht. Door Geofoxx is een waterhuishoudkundig plan, inclusief geohydrologisch onderzoek opgesteld (Geofoxx, project 20220297/LGIE, 17 juni 2022). Het rapport is als onderzoek bij de toelichting van het bestemmingsplan gevoegd, zie bijlage 9. In deze waterparagraaf wordt ingegaan op het beleid van het Waterschap Vallei en Veluwe en de gemeente Epe en wordt samengevat weergegeven op welke wijze in dit bestemmingsplan rekening wordt gehouden met de verschillende randvoorwaarden die vanuit water gelden. Hierbij wordt ingegaan op de maatregelen en voorzieningen ten aanzien van afvalwater, hemelwater, maar bijvoorbeeld ook op de technische uitgangspunten zoals advies ten aanzien van de vloerpeilen van de woningen. 4.8.2

Beleid Waterschap Vallei en Veluwe

Het waterschap Vallei en Veluwe heeft een aantal normen en uitgangspunten opgenomen in het Blauw omgevingsprogramma (BOP) 2022 – 2027 Waterbeheerprogramma, oftewel het nieuwe waterbeheerprogramma, en in de Beleidsregels Keur Waterschap Vallei en Veluwe 2013. Het algemene uitgangspunt van het waterschap Vallei en Veluwe is dat het omliggende watersysteem niet extra belast wordt door de ontwikkelingen op de locatie. Daarom hanteert het waterschap de volgende trits vasthouden-bergen-afvoeren. Vasthouden – bergen – afvoeren De trits ‘vasthouden – bergen – afvoeren’ houdt in dat in eerste instantie getracht dient te

bestemmingsplan Kloosterhof Oene NL.IMRO.0232.OENE004Kloosterhof-OBP1

48

worden het (gebiedseigen) water zo lang mogelijk – daar waar het valt – vast te houden (infiltratie in de bodem). Indien dit niet mogelijk is dient het afstromend regenwater lokaal te worden geborgen in vijvers en watergangen. Pas in laatste instantie - wanneer noch vasthouden, noch bergen afdoende is - kan overwogen worden het water zo traag mogelijk af te voeren naar de omgeving. Het waterschap heeft als doelstelling om het schoon (regen) en vuil water aan de bron zoveel mogelijk te scheiden. In de Keur van waterschap Vallei en Veluwe is opgenomen in artikel 3.4 dat het verboden is zonder watervergunning van het bestuur water te brengen in of te onttrekken aan oppervlaktewaterlichamen. Water afkomstig van nieuw verhard oppervlak kan niet zondermeer worden afgevoerd naar het oppervlaktewater. In de algemene regels van de keur van het waterschap Vallei en Veluwe zijn de vrijstellingen hierop opgenomen (artikel 3.2.54). Uit de algemene regels van de keur blijkt dat indien er binnen de bebouwde kom verhard oppervlak wordt gecreëerd, er geen verbod geld indien het water wordt gebracht in een oppervlaktewaterlichaam categorie A, B en C als aangegeven in de legger en het totaal aaneengesloten nieuwe oppervlak niet meer bedraagt dan 1.500 m2 of indien de toename aan verhard oppervlak bestaat uit groen dak.

Daarnaast staan er in de Beleidsregels van het Waterschap Vallei en Veluwe regels hoe er moet worden omgegaan met het brengen van water in oppervlaktewater vanaf nieuw verhard oppervlak. Ook nieuwe lozingen vanaf bestaande verhardingen zoals bijvoorbeeld bij het afkoppelen van het gemengd rioleringsstelsel, vallen hieronder. Deze afvoer mag niet leiden tot een zwaardere belasting van het bestaande watersysteem. De beleidsregel is van toepassing op het brengen van water afkomstig van verhard oppervlak in oppervlaktewaterlichamen, voor zover dit niet bij algemene regel is vrijgesteld van de vergunningplicht. In de beleidsregels is het volgende opgenomen: 1. Bij nieuwe lozingen vanaf verhard oppervlak op oppervlaktewater geldt dat de hoeveelheid te lozen water geen nadelig effect mag hebben op het ontvangende watersysteem. 2. Aan het in het eerste lid gestelde wordt in ieder geval voldaan wanneer: a. er niet meer dan de plaatselijk geldende landelijke afvoer vanuit het plangebied geloosd wordt, of; b. er een berging van 60mm per m² verhard oppervlak wordt gerealiseerd, of; c. het nadelige effect op het watersysteem wordt gecompenseerd, of; d. er geloosd wordt vanaf verhard oppervlak dat hiervoor was aangesloten op het gemengd stelsel (afkoppelen) en het ontvangende oppervlaktewaterlichaam voldoende capaciteit heeft. 3. De in het tweede lid genoemde berging kan o.a.

worden gerealiseerd door middel van a. een statische berging met een capaciteit van 600m³ per hectare; b. een dynamische berging waarbij rekening wordt gehouden met infiltratie. De mate van infiltratie waarmee rekening gehouden mag worden dient door de initiatiefnemer te worden aangetoond. 4. De in het derde lid genoemde compensatie kan o.a. worden gerealiseerd door het benutten of creëren van overcapaciteit in het ontvangende watersysteem, onder andere door de inzet van stuwconstructies. Wanneer er wordt gekozen een ondergrondse waterberging te realiseren, zijn hier ook in de beleidsregels eisen over opgenomen. Algemeen 1. Ondergrondse waterberging mag alleen worden toegepast indien aan de volgende voorwaarden wordt voldaan: a. in het gebied zijn geen of onvoldoende mogelijkheden om extra open water te creëren; b. de ondergrondse waterberging kan de benodigde berging volledig waarborgen. 2. De alternatieve waterberging moet binnen de directe omgeving van de te compenseren toename van de verharding of het te vervangen open water worden aangelegd. 3. De afvoer van de alternatieve waterberging moet kleiner of gelijk zijn aan de afvoernormen zoals aangegeven op de in deze beleidsregels opgenomen afvoernormenkaart. 4. Alternatieve waterbergingen mogen geen schadelijke effecten hebben op de waterkwaliteit of de leefomgeving. Onderhoud 5.

De initiatiefnemer dient een beheer- en onderhoudsplan te leveren waarin het te verrichten

bestemmingsplan Kloosterhof Oene NL.IMRO.0232.OENE004Kloosterhof-OBP1

49

onderhoud en de frequentie daarvan wordt aangegeven en toegelicht. Dit onderhoud kan bestaan uit het nakijken van het waterbergingssysteem, het herstellen van mankementen, het doorspuiten van leidingen, het verwijderen van drijfvuil/sliblaag. 6. De aanwezigheid en werking van de alternatieve waterberging dient controleerbaar te zijn door het waterschap, bijvoorbeeld door het plaatsen van inspectieputten. 7. Tenzij anders is geregeld is de eigenaar van de grond waarop de alternatieve waterberging is gelegen, onderhoudsplichtig voor de betreffende alternatieve bergingsvoorziening. 4.8.3

Gemeentelijk beleid

Hemelwater (HWA) De planontwikkeling heeft na realisatie een hoeveelheid verhard oppervlak van 7.990 m2 tot gevolg. Compenserende maatregelen zijn derhalve noodzakelijk (verhard oppervlak >1.500 m2). Om te voldoen aan het voorkeursbeleid van de waterbeheerders, wordt hemelwater van verharding en bebouwing bij voorkeur bovengronds afgevoerd naar een (bovengrondse)infiltratievoorziening. Indien bovengrondse afvoer niet mogelijk of wenselijk is, dienen regenpijpen boven het maaiveld te worden voorzien van een bladvanger welke tevens kan dienen als noodoverloop. Uit contact met de gemeente Epe op 13 mei 2022 is gebleken dat de bergingseis vanuit de gemeente 60 mm per verharde vierkante meter bedraagt. Ontwateringsdiepte In figuur 4.5 zijn de definities van ontwateringsdiepte en drooglegging weergegeven.

Figuur 4.5: definities ontwateringsdiepte en drooglegging De ontwateringsdiepte is het verschil tussen maaiveldhoogte en grondwaterstand. De maaiveldhoogte zelf heeft vrijwel geen directe invloed op de grondwaterstand (afhankelijk van een bepaalde drooglegging werkt de maaiveldhoogte, via het oppervlaktewaterpeil, wel door in de grondwaterstand). De maaiveldhoogte is wel van belang voor de ontwateringsdiepte. Het uitgangspunt voor het stedelijk gebied is dat voldoende ontwateringsdiepte wordt gerealiseerd voor de gewenste functie. In figuur 4.6 zijn de ontwateringsdiepten weergegeven (de beoogde ontwateringsdiepte is geen vaste te garanderen grondwaterstand omdat de grondwaterstand een sterk dynamisch karakter heeft).

figuur 4.6: gewenste ontwateringsdiepte per gebruiksfunctie Bouwperiode Bij de aanleg en het onderhoud van het gebouw en bestrating mag geen gebruik gemaakt worden van uitloogbare bouwmaterialen, chemische bestrijdingsmiddelen en dient het gebruik van strooizout te worden beperkt. Indien er toch uitlogende materialen worden toegepast,

bestemmingsplan Kloosterhof Oene NL.IMRO.0232.OENE004Kloosterhof-OBP1

50

dient het desbetreffende materiaal jaarlijks gecoat te worden om diffuse verontreinigingen te voorkomen. Inrichting De straatpeilen dienen bij de straatpeilen in de omgeving van het plangebied aan te sluiten. Rondom de bouwkavels is voldoende ruimte om hoogteverschillen met de omgeving op te vangen. Het vloerpeil van de bebouwing dient normaal 0,2 m boven de kruin van de weg gelegen te zijn, echter is dit eveneens afhankelijk van de inrichting van het straat tracé (drempels, type wegprofiel, afstand tot straat etc). In het waterhuishoudingsplan wordt ingegaan op de vloerhoogten. Deze vloerpeilen zijn gebaseerd op de minimale drooglegging en benodigde straatpeilen. 4.8.4

Wateraspecten in relatie tot het plan

Hemelwater Op basis van contact met gemeente Epe kan worden uitgegaan van een minimale berging van 60 mm (uitbreidingslocatie). Het te bergen hemelwater zal in de openbare ruimte geborgen moeten worden en waar mogelijk ook infiltreren. Aangezien op dit moment onbekend is hoe de particuliere terreinen worden ingedeeld, wordt enkel bergingscapaciteit gerealiseerd voor het openbaar terrein. In figuur 4.7 is de benodigde capaciteit weergegeven.

figuur 4.7: bergingseis (bron: waterhuishoudkundig plan Geofoxx)

bestemmingsplan Kloosterhof Oene NL.IMRO.0232.OENE004Kloosterhof-OBP1

51

De planontwikkeling heeft een toename van verhard oppervlak met 7.990 m2 tot gevolg. Compenserende maatregelen zijn derhalve noodzakelijk (verhard oppervlak >1.500 m2). Er is 480 m3 benodigd. In het planontwerp is voorzien in de realisatie van wadi’s, in de groenstroken tussen de woningen. Hierdoor ontstaat voldoende bergingscapaciteit voor de nieuwe bebouwing. De afdelingen Infra en Beheer van de gemeente Epe hebben meerdere uitgangspunten betreffende groen aangegeven (Memo woningbouwlocatie Oene-Noordwest, eerste opmerkingen Infra en Beheer, 21-03-2022). Dit betreft onderstaande inrichtingspunten en bijbehorende locaties (voor afbeeldingen zie het waterhuiskundig rapport): Westzijde: De meidoornheg doortrekken aan deze zijde richting het noorden; Centraal: De groenstrook beplanten met verschillende oude hoogstam fruitboomrassen, ondergroei inzaaien met bloemrijk mengsel (“Cruydthoek G5”); Tussen de achterkanten: knotwilgen in het midden van het plangebied doortrekken naar het noorden. Onder de knotwilgen inzaaien met bloemrijk mengsel voor ruige onderbegroeing en boszomen op voedselrijke grond (“Cruydthoek 01”) In het planontwerp is getracht voldoende ruimte open te houden voor bomen/groen en aan de waterbergingseisen voor hemelwater te voldoen van zowel de gemeente Epe als het waterschap Vallei en Veluwe. In figuur 4.8 is het watersysteem weergegeven.

figuur 4.8: watersysteem plangebied (bron: waterhuishoudkundig plan Geofoxx) Hemelwater dat afstroomt op openbaar terrein kan naar de wadi worden geleid over het verhard oppervlak. Dit zal worden gerealiseerd doordat de verharding “op één oor” wordt aangelegd. Er wordt derhalve geen gebruik gemaakt van molgoten. Eventuele overstorten vanuit particulier terrein worden op de erfgrens -bovengronds- aangeboden, al dan niet middels een uitstroomput. Aanbevolen wordt om een bladscheider aan te brengen in de regenpijp teneinde ten allen tijde een afvoermogelijkheid te behouden bij verstopping. Wadi's Bij de dimensionering van de wadi dienen de volgende uitgangspunten van kracht te zijn: De wadi mag een maximale waterstand van 30 cm bevatten met een minimale wake van het waterpeil van 10 cm; De wadi moet in 24 uur weer leeg zijn doormiddel van infiltreren danwel vertraagd afvoeren; Het talud mag een maximaal verhang bevatten van 1:3; Wadi’s dienen ten allen tijde voorzien te zijn van een overstort en eventueel drainage om de infiltratiecapaciteit te bevorderen.

bestemmingsplan Kloosterhof Oene NL.IMRO.0232.OENE004Kloosterhof-OBP1

52

Westelijke wadi’s In figuur 4.9 is de bergingscapaciteit van de wadi's weergegeven. Aan de westzijde van het plangebied zijn twee wadi’s voorzien. De wadi aan de westelijke rand (wadi 1) van het plangebied heeft een oppervlakte (bodem) van circa 400 m2. Met een maximale waterstand van 30 cm en een verhang voor de taluds van 1:3 komt dit uit op een berging van circa 156 m3. Wadi 2 heeft een bodemoppervlak van 200 m2 en heeft een bergingscapaciteit van circa 78 m3. Wadi 3 heeft een bodemoppervlak van 30 m2 en een bergingscapaciteit van 11 m3. Wadi 2 en 3 zijn met elkaar verbonden middels een talud. De insteek van de wadi’s is gelegen op circa 4,8 m+NAP. Hierbij komt de bodem van de wadi’s op 4,4 m+NAP te liggen. Wadi’s 1, 2 en 3 zijn met elkaar verbonden middels een drain en stuwput. Hierdoor zal het water zich eerst over de 3 wadi’s verdelen voordat het overstort op de C-watergang aan de noordzijde van het plangebied via de slokop/overloopaan de noordzijde van wadi 1. Oostelijke en centrale wadi’s Aan de oostzijde van het plangebied zijn twee wadi’s voorzien. Tevens is in het centrale deel van het gebied een wadi voorzien. De centrale wadi (wadi 4) heeft een bodemoppervlakte van circa 150 m2 en resulteert met een maximale waterstand van 0,3 meter en een talud van 1:3 in een bergingscapaciteit van 58 m3.

Wadi 5 heeft een oppervlakte (bodem) van 190 m2, dit resulteert in een bergingscapaciteit van circa 74 m3. De oostelijkste wadi (wadi 6) heeft een oppervlakte (bodem) van circa 180 m2, met een maximale waterstand van 0,3 m en een verhang voor de taluds van 1:3 komt dit uit op een berging van circa 70 m3. De insteek van de wadi’s is gelegen op circa 4,5 m+NAP. Hierbij komt de bodem van de wadi’s op 4,1 m+NAP te liggen. Wadi’s 4, 5 en 6 zijn met elkaar verbonden middels een drain en stuwput en de bestaande greppel/C-watergang die al aan de zuidzijde van het plangebied aanwezig is. Hierdoor zal het water zich eerst over de 3 wadi’s verdelen voordat het overstort op de C-watergang aan de noordzijde van het plangebied via de slokop/overloop aan de noordzijde van wadi 5. Een overzicht van de bergingscapaciteit van de wadi's in opgenomen in onderstaande afbeelding. Er is minimaal 480 m2 vereist, er wordt in 493 m3 bergingscapaciteit voorzien.

figuur 4.9: overzicht bergingscapaciteit wadi's C-watergang en greppel Aan de zuidzijde van het plangebied is reeds een C-watergang/greppel aanwezig (groen). Deze greppel wordt middels duikers verbonden met de wadi’s waardoor het hemelwater binnen het plangebied verdeeld kan worden tot de totale bergingscapaciteit benut is en er daarna pas overstort van water plaatsvindt. Tevens wordt de greppel ter hoogte van wadi 1 en 2 aangepast zodat de wadi’s onderdeel worden van de greppel en er geen onnodige duikers aangelegd hoeven te worden. Duikers en drainage De wadi’s worden met elkaar verbonden middels duikers. Tussen de westelijke wadi’s hebben deze een uitstroomhoogte van 4,4-4,5 m+NAP. Tussen de oostelijke en centrale wadi’s hebben deze een uitstroomhoogte van 4,1 m+NAP. De duikers worden op de bodem van de wadi aangebracht, waardoor het water eerst overstort op de greppel en/of andere wadi’s, voordat het overstort op de slokop die gelegen is aan de noordzijde van wadi 1 en 5. Onder

bestemmingsplan Kloosterhof Oene NL.IMRO.0232.OENE004Kloosterhof-OBP1

53

de wadibodem is het mogelijk een drain aan te leggen om de infiltratie te vergroten. Indien hiervoor gekozen wordt aangeraden deze aan te leggen met een doorsneden van 160 mm. Op deze drain wordt eveneens de slokop/overloop van de wadi’s aangesloten. Het peil in deze drain wordt middels een stuwput tot 4,0 m+NAP (GHG) gestuwd, zodat niet onnodig veel water uit het gebied wordt onttrokken. De slokop/overloop kan het water lozen op de sloot aan de noodzijde van het plangebied. Afvalwater De gemeente is verantwoordelijk voor de inzameling en afvoer van afvalwater en daarmee de aanleg, het onderhoud en het beheer van het hoofdrioolstelsel. Het vuilwaterriool zal in overleg met de gemeente worden aangesloten op het bestaande stelstel richting Gerrit ten Holteweg. Dit zal gebeuren aan de zuidzijde van het plangebied. Hier heeft het bestaande riool een b.o.b. hoogte van 2,2 – 2,3 m+NAP. Het betreft een PVC buis met een diameter van 500 mm of 400 mmafhankelijk van de exacte locatie.

4.9

Ecologie

Bij een ruimtelijk plan moeten de gevolgen van de voorgenomen ontwikkeling met betrekking tot aanwezige natuurwaarden in beeld worden gebracht. Daarbij wordt ingegaan op de relatie van het plan met beschermde gebieden, beschermde soorten, en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De wettelijke kaders hiervoor worden gevormd door Europese richtlijnen (Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn), nationale regelgeving (Wet natuurbescherming) en provinciale regelgeving (GNN in provinciale verordening). Toetsing Natuurnetwerk Nederland Het plangebied ligt niet in het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De kernkwaliteiten van het NNN worden niet aangetast. Er hoeft geen verdere toetsing uitgevoerd te worden. De gebieden die onderdeel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland worden in de provincie Gelderland het Gelders Natuurnetwerk genoemd (GNN). Naast dit netwerk bestaat in de provincie Gelderland ook de Groene Ontwikkelingszone (GO). De GO is een gebied waar partners en partijen worden uitgenodigd om actief 'groene' doelen mee te helpen realiseren. Er is in dit gebied ruimte voor de verdere ontwikkeling van bestaande en bij het gebied behorende bedrijvigheid of bewoning. Afhankelijk van het type en de schaal van de ontwikkeling vraagt de provincie om een (extra) bijdrage te leveren aan de GO. Het plangebied ligt niet in het GNN of in een GO.

Natura 2000-gebied Het plangebied ligt niet in een Natura 2000-gebied. Het ligt op ruime afstand van de nabijgelegen Natura 2000-gebieden ‘Rijntakken’ en ‘Veluwe’, vanaf circa 2 kilometer. In figuur 4.10 is het plangebied ten opzichte van deze gebieden weergegeven.

bestemmingsplan Kloosterhof Oene NL.IMRO.0232.OENE004Kloosterhof-OBP1

54

Figuur 4.10: ligging van plangebied (rode stip) ten opzichte van Natura 2000-gebieden (groen), bron quick scan natuurtoets Gerrit ten Holteweg in Oene) Overige Natura 2000-gebieden zoals het Natura 2000-gebied ‘Veluwerandmeren’, liggen op ruime afstand van het plangebied, vanaf ruim 15 kilometer. Significante negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen en ontwikkelingsopgaven van desbetreffende Natura 2000-gebieden door directe verstoringsfactoren als oppervlakteverlies of versnippering worden niet verwacht. Door de ruime afstand tot de Natura 2000- Natura 2000-gebieden ‘Rijntakken’ en ‘Veluwe’ kunnen ook indirecte verstoringen als licht, geluid en trillingen op voorhand uitgesloten worden, met uitzondering van stikstofdepositie. Stikstofdepositie Stikstof is één van de grootste obstakels bij de realisatie van de Natura 2000-doelen. In veel Natura 2000-gebieden, waaronder ook Natura 2000-gebieden ‘Rijntakken’ en ‘Veluwe’, is de overbelasting door stikstofdepositie een groot probleem voor de realisatie van de instandhoudingsdoelstellingen. Het gaat daarbij om de gevolgen van stikstofdepositie afkomstig uit de landbouw, het verkeer en de industrie op voor stikstof gevoelige habitats. Een aantal van de habitattypen in de nabijgelegen Natura 2000-gebieden Natura 2000-gebieden ‘Rijntakken’ en ‘Veluwe’ zijn gevoelig voor depositie van stikstof.

Om voor afzonderlijke projecten aan te tonen wat het effect is op Natura 2000-gebieden is het rekeninstrument AERIUS in het leven geroepen. Op 5 oktober 2023 is de AERIUS Calculator geactualiseerd. De nieuwe versie van de AERIUS Calculator is de AERIUS Calculator 2022. De belangrijkste verandering tot nu toe voor de AERIUS Calculator ten opzichte van de voorgaande versies is dat de afkapgrens van 5 km verlegd is naar 25 km voor stikstofdepositie bij alle projecten. De aanleiding hiervoor is het eindrapport van het adviescollege ‘Meten en berekenen Stikstof’(ook wel de ‘Commissie Hordijk’) en de uitspraak van de Raad van State over de A15 van begin dit jaar. Eventuele deposities voorbij deze afkapgrens werden voorheen niet in beeld gebracht. De nieuwe afkapgrens van 25 km zal vooral voor grotere projecten consequenties hebben. Hoewel in de AERIUS 2020 ook een afkapgrens was opgenomen, gold deze slechts voor wegverkeer en was de afstand veel korter (5 km). Om te onderzoeken of het plan leidt tot toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebied is door Econsultancy een stikstofdepositieonderzoek uitgevoerd (rapportnummer 13592.002, d.d. 9 november 2023). Het onderzoek is als Bijlage 4 bij de toelichting van het bestemmingsplan opgenomen. Hieronder is het resultaat weergegeven.

Het projecteffect op de Natura 2000-gebieden ten gevolge van de aanlegfase in vergelijking tot de referentiesituatie is kleiner dan of gelijk aan 0,00 mol/ha/jaar. Tevens is het project effect in de gebruiksfase kleiner dan of gelijk aan 0,00 mol/ha/jaar. Bij een dergelijk projecteffect zal het beoogde plan niet voor een significante toename in stikstofdepositie zorgen en kunnen negatieve effecten worden uitgesloten. Op basis van het onderzoek blijkt

bestemmingsplan Kloosterhof Oene NL.IMRO.0232.OENE004Kloosterhof-OBP1

55

dat er geen vergunning Wet natuurbescherming (gebiedsbescherming) benodigd is voor het aspect stikstof. Soortenbescherming De gronden in het plangebied zijn momenteel agrarisch in gebruik. Er is een quick scan natuurtoets uitgevoerd (zie bijlage 5 quickscan natuurtoets perceel Gerrit ten Holteweg in Oene, Staring Advies, rapport 2425 15 april 2022). Uit de quickscan natuurtoets blijkt dat voor de geplande activiteit, bestaande uit het realiseren van nieuwbouw van woningen, aanvullend onderzoek naar de steenuil noodzakelijk is. Uit het onderzoek zal blijken of er ontheffing noodzakelijk is. Het verlenen van de ontheffing kan pas nadat dit onderzoek is uitgevoerd en de eventuele extra maatregelen zijn genomen. Aanvullend onderzoek naar de steenuil kan, conform de richtlijnen uit het Kennisdocument Steenuil van BIJ12 en de Soortinventarisatieprotocollen in het kader van de Wet natuurbescherming (versie juli 2017), alleen via 3 avondronden in de periode 1 februari tot en met 30 april uitgevoerd worden. De meest optimale periode is 15 februari – 15 april (bron: BIJ12 en Steenoverleg Nederland/STONE). Door Staring advies is een aanvullend onderzoek naar de steenuil uitgevoerd (rapportnummer 2586, d.d. 28 april 2023). Het onderzoek is als Bijlage 6 bij de toelichting van dit bestemmingsplan opgenomen.

Uit het onderzoek blijkt dat: Er geen broedterritoria van de steenuil in de omgeving van het plangebied, waaronder op de erven van de direct aan het plangebied grenzende woonhuizen aan de Donselaarsweg 6/6a en 8 aanwezig zijn; Het plangebied is daarnaast ook geen essentieel onderdeel van het functioneel leefgebied van de steenuil. De woningbouw leidt niet tot aantasting van de functionaliteit van vaste rust- en verblijfplaatsen van de soort, bijvoorbeeld door het verloren gaan of onbereikbaar worden van een belangrijk foerageergebied of andere functie. Het aanvragen van een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming en het treffen van mitigerende en/of compenserende maatregelen is niet noodzakelijk. Aan de hand van de verkregen resultaten en datgene wat gesteld wordt in de Wet natuurbescherming kunnen de volgende conclusies getrokken worden: Het aanvragen van een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming en het treffen van mitigerende en/of compenserende maatregelen is niet noodzakelijk voor de steenuil. Bij de aanlegwerkzaamheden moet rekening worden gehouden met (overige) broedvogels. De werkzaamheden moeten buiten het broedseizoen worden uitgevoerd of ruim voor aanvang van het broedseizoen gestart worden en/of er moet worden voorkomen dat broedvogels zich lokaal vestigen. Bezette nesten mogen, ongeacht de tijd van het jaar, niet worden verstoord.

Een kapmelding bij de provincie Gelderland voor beschermde houtopstanden is eveneens niet aan de orde. Er worden geen (beschermde) houtopstanden geveld. Conclusie Vanuit de Wet natuurbescherming (gebiedsbescherming) zijn er geen belemmeringen voor uitvoering van het plan.

4.10

Archeologie en Cultuurhistorie

Nederland heeft in 1992 het verdrag van Malta ondertekend. Het verdrag van Malta heeft als doel het archeologisch erfgoed in de bodem beter te beschermen. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar een reële verwachting bestaat dat er archeologische waarden aanwezig zijn dient er een archeologisch onderzoek uit te worden gevoerd, voordat er bodemingrepen plaatsvinden. Op 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden ter vervanging van de Monumentenwet 1988. Een deel van de monumentenwet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze in werking treedt. Tot die tijd blijven deze onderdelen van de Monumentenwet 1988 gelden als overgangsrecht binnen de Erfgoedwet. Gemeenten hebben een archeologische zorgplicht en initiatiefnemers van projecten waarbij de bodem wordt verstoord zijn verplicht rekening te houden met de archeologische relicten die in het plangebied aanwezig (kunnen) zijn. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische

bestemmingsplan Kloosterhof Oene NL.IMRO.0232.OENE004Kloosterhof-OBP1

56

vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. Archeologie Door Econsultancy is een archeologisch bureauonderzoek uitvoerd. Dit onderzoek toont aan dat er zich in het plangebied mogelijk archeologische waarden kunnen bevinden. Door Econsultancy is vervolgens een archeologisch verkennend booronderzoek uitgevoerd. De resultaten zijn vervat in bijlage 7 (archeologisch verkennend booronderzoek Gerrit ten Holteweg (ong.) te Oene, rapport 13592.005, datum 12 mei 2022. Op basis van de resultaten van het uitgevoerde bureauonderzoek geldt voor het plangebied in het algemeen een hoge verwachting op het voorkomen van archeologische resten/sporen uit alle archeologische perioden vanaf het Laat-Paleolithicum. Omdat er aangrenzend ten zuiden/zuidwesten van het plangebied tijdens gravend onderzoek meerdere erven daterend uit de 11e tot begin 12e eeuwzij aangetroffen (huisplattegronden/woonstalhuizen van het type Gasselte B), is geadviseerd om het vervolgonderzoek direct te laten uitvoeren in de vorm van een proefsleuvenonderzoek (IVO-P).

De bevoegde overheid (gemeente Epe) heeft echter geadviseerd om een archeologisch verkennend booronderzoek te laten uitvoeren te voeren, als eerste veldtoets van de archeologische verwachting en om specifieke informatie te krijgen over de genese en mate van intactheid van de bodemopbouw binnen het plangebied. Resultaten inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek) De resultaten van het verkennend booronderzoek laten een bodemopbouw zien bestaande uit een gemiddeld 55 cm dik plaggendek met hieronder de C-horizont, bestaande uit fluvioperiglaciale afzettingen (sneeuwsmeltwater-/daluitspoelingswaaierafzettingen). Het plaggendek is van een gemiddelde dikte dat er sprake is van een dik plaggendek (> 50 cm) en daarmee van een hoge enkeerdgrond, als huidig bodemprofiel. Het opbrengen van het plaggendek als de navolgende agrarische bewerking zal het archeologisch potentiële vondstniveau hebben verstoord, echter het potentiële sporenniveau zal waarschijnlijk nog wel merendeels intact aanwezig zijn. De boringen vertonen geen aanwijzingen dat er reeds binnen (delen van) het plangebied omvangrijke, diepgaande moderne bodemverstorende ingrepen zijn uitgevoerd.

Conclusie Geconcludeerd wordt dat het plangebied zijn in het algemeen hoge verwachting op het voorkomen van archeologische waarden behoudt uit alle archeologische perioden vanaf het Laat-Paleolithicum behoudt en dat zeker nog 11e/12e-eeuwse archeologische resten en sporen kunnen worden verwacht, gerelateerd aan de direct ten zuiden opgegraven vindplaats. Advies Op grond van de resultaten van het inventariserend veldonderzoek (IVO-O) wordt door Econsultancy de aanbeveling gedaan om binnen het gehele plangebied een vervolgonderzoek te laten uitvoeren. Er is sprake van een intacte hoge enkeerdgrond, waarbij het archeologisch potentiële sporenniveau waarschijnlijk nog merendeels intact aanwezig is en daarmee het plangebied zijn hoge verwachting behoudt op nog in situ aanwezige archeologische waarden. Geadviseerd wordt het vervolgonderzoek te laten uitvoeren in de vorm van een waardestellend proefsleuvenonderzoek. Het doel hiervan dient te zijn de intactheid, spreiding, diepte en mate van verstoring van archeologisch kansrijke niveaus in kaart te brengen en op basis daarvan inzichtelijk te maken wat de consequenties zijn van de voorgenomen plannen op mogelijke archeologische resten. Voor dit onderzoek dient een door de bevoegde overheid goedgekeurd Programma van Eisen te zijn opgesteld, waarin is vastgelegd waaraan het onderzoek moet voldoen.

Selectiebesluit De gemeente Epe heeft een selectiebesluit genomen (d.d. 11 mei 2022). Daarin is het volgende opgenomen: In het plangebied dient een proefsleuvenonderzoek uitgevoerd te worden met een dekkingsgraad van 10% van het plangebied. Deze dient in één keer te worden uitgevoerd, over het gehele plangebied. Voor dit onderzoek dient een Programma van Eisen (PvE) te worden opgesteld en te worden goedgekeurd door de gemeente Epe. Het goedgekeurde PvE dient als bijlage te worden gevoegd bij het voor de ontwikkeling benodigde nieuwe bestemmingsplan. Deze is als bijlage 8 bij dit bestemmingsplan opgenomen. Daarnaast dienen er een passende dubbelbestemming, planregels en toelichting met betrekking tot archeologie verwerkt te worden in het bestemmingsplan. Aangezien het eventueel mogelijk is dat het

bestemmingsplan Kloosterhof Oene NL.IMRO.0232.OENE004Kloosterhof-OBP1

57

plangebied tijdens de omgevingsvergunningsfase wordt opgeknipt in meerdere vergunningsaanvragen, dienen de vrijstellingsgrenzen van de archeologische dubbelbestemming op 0 m2 en 0 cm -Mv te worden gesteld en in de toelichting dient duidelijk te worden gesteld dat het proefsleuvenonderzoek in één keer dient te worden uitgevoerd over het gehele plangebied. Cultuurhistorie Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. De bescherming van cultuurhistorische elementen is vastgelegd in de Monumentenwet 1988 (die nog geldt als overgangsrecht binnen de Erfgoedwet). Deze wet is vooral gericht op het behouden van historische elementen voor latere generaties. Toets In het plangebied zijn geen monumenten gelegen. Buiten het plangebied (op circa 70 meter), aan de Donselaarsweg 6 is een gemeentelijk monument aanwezig (boerderij met woonhuis en hooiberg). De ontwikkeling in dit bestemmingsplan heeft geen invloed op de waarden van het monument. Derhalve word geconcludeerd dat voorliggend plan geen negatieve gevolgen heeft voor het aspect 'cultuurhistorie'.

4.11

Verkeer / parkeren

Het plangebied wordt ontsloten via de Gerrit ten Holteweg en Ida Pluckroosweg. Er worden meerdere aantakkingen gemaakt op deze weg. In figuur 4.11 is de ontsluiting weergegeven. Deze wegen betreffen wegen/woonstraten met een maximum snelheid van 30 km/h.

Figuur 4.11: Ontsluiting plangebied (bron: Building Design Architectuur/House2Start) Met de bouw van 39 woningen zal het aantal verkeersbewegingen toenemen. De verkeersgeneratie is berekend aan de hand van de CROW-publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren en verkeersgeneratie'. Het plangebied is gelegen in wijk 03 Oene. In de kencijfers van het CBS wordt dit gebied aangemerkt als 'niet stedelijke gemeente'. Het plangebied is gelegen in 'rest bebouwde kom' op basis van de Parkeernota 2018 gemeente Epe.

bestemmingsplan Kloosterhof Oene NL.IMRO.0232.OENE004Kloosterhof-OBP1

58

Er worden verschillende woningtypen gerealiseerd. Wat betreft de hofwoningen voor senioren is geen specifieke norm in de CROW-publicatie opgenomen. Hiervoor wordt dezelfde norm gehanteerd als de rijwoningen. Ten aanzien van de toename van het aantal verkeersbewegingen als gevolg van uitvoering van het woningbouwplan geldt het volgende:

Dit aantal verkeersbewegingen kan via de wegen in het plangebied en de wegen in de omgeving worden afgewikkeld. Het aspect 'verkeer' levert geen belemmeringen op voor dit plan. Parkeren De gemeente Epe hanteert de Nota parkeernormen 2018 gemeente Epe bij ontwikkelingen. Uitgaande van het woningbouwprogramma geldt de volgende parkeernorm (rest bebouwde kom gemeente, weinig stedelijk) uit de Nota: huurhuis, sociale huur (rijwoningen en hofwoningen): 1,6 parkeerplaats per woning koop, vrijstaand: 2,3 parkeerplaats per woning koop, twee onder een kap: 2,2 parkeerplaats per woning Bij iedere woning dient minimaal 0,3 parkeerplaats per woning behoeve van bezoekers openbaar toegankelijk te zijn. De totale parkeerbehoefte van het plan bedraagt derhalve: 30 rijwoningen en hofwoningen * 1,6 = 48 parkeerplaatsen 1 vrijstaande woning * 2,3 = 2,3 parkeerplaatsen 8 twee onder een kapwoningen * 2,2 = 17,6 parkeerplaatsen De totale parkeerbehoefte bedraagt (67,9) afgerond 68 parkeerplaatsen. Hieronder is de parkeerbehoefte en het berekeningsaantal schematisch weergegeven. In figuur 4.12 is de parkeersituatie in het plangebied weergegeven.

bestemmingsplan Kloosterhof Oene NL.IMRO.0232.OENE004Kloosterhof-OBP1

59

Figuur 4.12: stedenbouwkundig plan (bron: Building Design Architectuur) Bij de hofwoningen worden 16 (openbare) parkeerplaatsen gerealiseerd, waarvan 4 met laadpaal. Aan de linkerzijde van de hofwoningen worden - naast de rijtjeswoningen - zes openbare parkeerplaatsen gerealiseerd, waarvan 2 met laadpaal. Daarnaast worden in de westzijde van het plangebied 27 haaksparkeerplaatsen (waarvan 8 voorzien van een laadpaal) gerealiseerd en twee langsparkeerplaatsen. Daarmee voorziet het plan in 51 openbare parkeerplaatsen.

bestemmingsplan Kloosterhof Oene NL.IMRO.0232.OENE004Kloosterhof-OBP1

60

Bij de twee onder een kapwoningen en de vrijstaande woning wordt op het oprit voorzien in twee parkeerplaatsen (hetzij naast elkaar of achter elkaar). Daarmee wordt voorzien in 18 parkeerplaatsen. Tot slot wordt opgemerkt dat ter plaatse van de Ida Pluckroosweg (zuidwesten van het plangebied) zes langsparkeerplaatsen worden gerealiseerd. In totaal voorziet het plan in voldoende parkeerplaatsen. Daarmee wordt voldaan aan de parkeerbehoefte. Het aspect 'parkeren' levert derhalve geen belemmeringen op voor dit plan.

bestemmingsplan Kloosterhof Oene NL.IMRO.0232.OENE004Kloosterhof-OBP1

61

Hoofdstuk 5 5.1

Juridische toelichting

Planopzet en systematiek

De in Hoofdstuk 2 beschreven planopzet is juridisch-planologisch vertaald in een bestemmingsregeling, die bindend is voor overheid, bedrijven en burgers. Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding (plankaart) en regels en is voorzien van een toelichting. De regels en verbeelding (plankaart) vormen het juridisch bindende deel. Op de verbeelding worden de toegekende bestemmingen en aanduidingen visueel weergegeven. De regels bevatten het juridische instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De toelichting heeft zelf geen juridische bindende werking, maar moet worden beschouwd als handvat voor de uitleg en de onderbouwing van de opgenomen bestemmingen.

5.2

Toelichting op de regels

5.2.1

Opbouw

In deze paragraaf wordt de systematiek van de regels en de wijze waarop de regels gehanteerd dienen te worden, uiteengezet. De regels van het plan bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen. Voor de systematiek is aangesloten op de SVBP2012, zoals verplicht is sinds 1 juli 2013. Dit houdt onder meer in dat het plan IMRO-gecodeerd wordt opgeleverd. Navolgend wordt de opbouw, indeling en systematiek van de regels kort toegelicht. Inleidende regels Begrippen In deze bepaling zijn omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Begripsbepalingen zijn alleen nodig voor begrippen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn. Wijze van meten Om op een eenduidige manier afstanden, oppervlakten en inhoud van gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, te bepalen wordt in de wijze van meten uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeelding (plankaart) geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden. Bestemmingsregels De opbouw van de bestemmingen ziet er als volgt uit: bestemmingsomschrijving: De omschrijving van de doeleinden.

Hierbij gaat het in beginsel om een beschrijving van de aan de grond toegekende functies; bouwregels: In de bouwregels worden voor alle bouwwerken de van toepassing zijnde bebouwingsregels geregeld. Waar en met welke maatvoering mag worden gebouwd, wordt hier vastgelegd. Indien mogelijk wordt verwezen naar bouwvlakken en aanduidingen op de verbeelding (plankaart); afwijken van de bouwregels: Bij een omgevingsvergunning kan onder voorwaarden worden afgeweken van de bouwregels ten aanzien van het oppervlak en de vorm van bijbehorende bouwwerken; specifieke gebruiksregels: In dit onderdeel is aangegeven welke vormen van gebruik in ieder geval zijn toegestaan dan wel strijdig zijn met de bestemming. Daarbij zijn niet alle mogelijke toegestane en strijdige gebruiksvormen genoemd, maar alleen die functies, waarvan het niet op voorhand duidelijk is. Het gaat hierbij in feite om een aanvulling/verduidelijking op de in de

bestemmingsplan Kloosterhof Oene NL.IMRO.0232.OENE004Kloosterhof-OBP1

62

bestemmingsomschrijving genoemde functies; afwijken van de gebruiksregels: Bij een omgevingsvergunning kan onder voorwaarden worden afgeweken van het in de bestemmingsomschrijving beschreven gebruik van hoofdgebouwen; wijzigingsregels In dit onderdeel is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven het plan te wijzigen. Het gaat hier om wijzigingsbevoegdheden gekoppeld aan de desbetreffende bestemming. De criteria, die bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven. Algemene regels Anti-dubbeltelregel: Deze bepaling is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld; Algemene bouwregels: In dit artikel worden de algemene bouwregels voor het bouwen beschreven, onverminderd het bepaalde in de overige artikelen; Algemene gebruiksregels: Deze bepaling bevat een opsomming van strijdig gebruik van gronden en bouwwerken in algemene zin; Algemene aanduidingsregels: In dit artikel worden de algemene aanduidingsregels beschreven; Algemene afwijkingsregels: In deze bepaling is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven om af te wijken van bepaalde, in het bestemmingsplan

geregelde, onderwerpen. De criteria, die bij toepassing van de afwijkingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven; Algemene wijzigingsregels: In deze bepaling is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven het plan te wijzigen. Het gaat hier om wijzigingsbevoegdheden met een algemene strekking. De criteria, die bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven; Overige regels: Hier staan regels geformuleerd ten aanzien van bijvoorbeeld welstand en wegverkeerslawaai en er wordt de mogelijkheid geboden om nadere eisen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing. Overgangs- en slotregels Overgangsrecht: Bouwwerken welke op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan bestaan (of waarvoor een bouwvergunning is aangevraagd) mogen blijven bestaan, ook al is er strijd met de bebouwingsregels. De overgangsbepaling houdt niet in dat het bestaand, illegaal opgerichte, bouwwerk legaal wordt, noch brengt het met zich mee dat voor een dergelijk bouwwerk alsnog een bouwvergunning kan worden verleend. Burgemeester en wethouders kunnen in beginsel dus nog gewoon gebruik maken van hun handhavingsbevoegdheid. Het overgangsrecht is opgenomen zoals opgenomen in artikel 3.2.1 Bro.

Het gebruik van de grond en opstallen, dat afwijkt van de regels op het moment van inwerkingtreding van het plan mag eveneens worden voortgezet; Slotregel: Deze bepaling geeft aan op welke manier de regels kunnen worden aangehaald. 5.2.2

Bestemmingen

Naast de inleidende regels (begrippen en wijze van meten), algemene regels (zoals bouwregels, gebruiksregels en proceduregels) en de overgangs- en slotregels, zijn de volgende bestemmingen in dit plan opgenomen: Bestemmingen

bestemmingsplan Kloosterhof Oene NL.IMRO.0232.OENE004Kloosterhof-OBP1

63

Groen De voor Groen aangewezen gronden zijn bestemd voor beplantingen en groenvoorzieningen, (fiets)paden, speelvoorzieningen, evenementen, parkeervoorzieningen, waterhuishoudkundige voorzieningen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde en verhardingen. Tuin Voor de voorgevels van de woningen is de bestemming 'Tuin' opgenomen. Binnen deze bestemming is het bouwen van gebouwen niet toegestaan. Verkeer Deze bestemming heeft betrekking op de in het plangebied voorkomende, dan wel daarvoor aangewezen verblijfs- en verkeersvoorzieningen. Waarde - Archeologie 4 Deze dubbelbestemmingen zijn van toepassing vanwege de archeologische verwachtingswaarden in het plangebied. Wonen De woningen in het plangebied zijn bestemd tot 'Wonen'. Als uitgangspunt geldt dat in elk bouwvlak één hoofdgebouw (de woning) is toegestaan. Daar waar in het bouwvlak de aanduiding 'maximum aantal aaneen te bouwen woningen' staat vermeld geldt het aangegeven maximum en de regel dat uitsluitend rijenwoningen zijn toegestaan. Op de locaties waar in het bouwvlak de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden' staat vermeld, geldt het aangegeven maximum en de regel dat uitsluitend (half-) vrijstaande woningen zijn toegestaan. Deze bestemming kent ook een specifieke regeling voor het bouwen van aan-/uitbouw en/of bijgebouwen ten behoeve van grondgebonden woningen.

De toegestane oppervlakte aan aan-, uit- en/of bijgebouwen is namelijk afhankelijk gemaakt van de omvang van het bouwperceel. Hoe groter het bouwperceel hoe ruimer de mogelijkheden voor aan-/uitbouw en/of bijgebouwen. In de definities is het begrip 'bouwperceel' daarbij gedefinieerd als 'een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten'. In deze bestemming betreft het in alle gevallen het hoofdgebouw c.q. de grondgebonden woning met de bijhorende aan-, uit- en bijgebouwen. Ter plaatse van het wandelpad is een aanduiding 'wandelpad opgenomen.

bestemmingsplan Kloosterhof Oene NL.IMRO.0232.OENE004Kloosterhof-OBP1

64

Hoofdstuk 6

Economische uitvoerbaarheid

Bij de voorbereiding van een ontwerpbestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6, eerste lid, sub f van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) onderzoek plaats te vinden naar de uitvoerbaarheid van het plan. Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad gelijktijdig met de vaststelling van het bestemmingsplan moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk bestemmingsplan. Er zijn echter uitzonderingen. Het is mogelijk dat de raad verklaart dat met betrekking tot een bestemmingsplan geen exploitatieplan wordt vastgesteld indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is. Er wordt een overeenkomst gesloten tussen initiatiefnemer en de gemeente. De gemeentelijke kosten, waaronder planschadekosten, komen voor rekening van initiatiefnemer. Hiermee is het kostenverhaal anderzins verzekerd en kan de raad op grond van artikel 6.12, lid 2 onder a besluiten geen exploitatieplan vast te stellen.

bestemmingsplan Kloosterhof Oene NL.IMRO.0232.OENE004Kloosterhof-OBP1

65

Hoofdstuk 7 7.1

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Vooroverleg

Artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) schrijft voor dat het bestuursorgaan, dat belast is met de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg pleegt met instanties, zoals gemeenten, waterschappen, provinciale diensten en Rijk, die betrokken zijn bij de zorg voor ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Geoordeeld wordt dat dit bestemmingsplan geen nationale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk. Provincie Gelderland Conform het door de provincie Gelderland gehanteerde beleid is het plan voor vooroverleg verzonden aan de provincie. De provincie heeft in haar reactie aangegeven [reactie provincie Overijssel]. Waterschap Vallei en Veluwe Het (concept)ontwerp-waterhuishoudingsplan is besproken op 2 mei 2022 met het waterschap Vallei en Veluwe. Hierbij is aangegeven dat de voorkeur uitgaat naar infiltratie binnen het eigen plangebied middels wadi’s in het openbaar terrein.

Drainage (permanente verlaging van de grondwaterstanden) is niet toegestaan en vanuit het waterschap wordt een bergingseis van 60 mm gevraagd voor de compensatie van toekomstig verhard oppervlak. Verder is gevraagd om verdere afstemming met het Waterschap te zoeken wanneer de plannen verder uitgewerkt zijn. De conclusie van de digitale toets is dat het waterschap een positief advies geeft. Hiermee is voldaan aan het verplichte vooroverleg. Participatiebijeenkomst De initiatiefnemer heeft in de periode april tot en met juni 2022 diverse keukentafelgesprekken met buurtbewoners gevoerd. Daarnaast heeft op woensdag 29 juni 2022 een inloopavond plaatsgevonden. De resultaten van de keukentafelgesprekken en inloopavond zijn verwerkt in het in Bijlage 10 opgenomen participatielogboek.

7.2

Zienswijzen

Het ontwerpbestemmingsplan heeft met ingang van ......... voor een periode van zes weken ter inzage gelegen. Binnen deze periode kon een ieder zijn of haar zienswijze ten aanzien van dit bestemmingsplan kenbaar maken. Tijdens de termijn van de terinzagelegging zijn ......... zienswijzen binnengekomen.

bestemmingsplan Kloosterhof Oene NL.IMRO.0232.OENE004Kloosterhof-OBP1

66

Bijlagen toelichting

bestemmingsplan Kloosterhof Oene NL.IMRO.0232.OENE004Kloosterhof-OBP1

67

Bijlage 1

Stedenbouwkundig ontwerp

bestemmingsplan Kloosterhof Oene NL.IMRO.0232.OENE004Kloosterhof-OBP1

68

Kloosterhof Oene Situatie Werknummer: Datum: Schaal: Formaat:

20-237 13-11-2023 1:200 A0+ (1300 x 841 mm)

Bijlage 2

Aanmeldnotitie m.e.r.

bestemmingsplan Kloosterhof Oene NL.IMRO.0232.OENE004Kloosterhof-OBP1

70

Aan: Gemeente Epe Postbus 600 8160 AP Epe Borne, 16 november 2023 Ons kenmerk: 21AF203 Bijlagen: Geen

Betreft:

Aanmeldnotitie m.e.r.-beoordeling woningbouw Oene

Geacht college, Zoals bij u bekend zijn wij bezig met het opstellen van een bestemmingsplan voor de realisatie van 39 woningen in Oene. Het plan kan worden beschouwd als een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. Op basis van het Besluit m.e.r. en de Wet milieubeheer dient in dat geval een m.e.r-beoordelingsbesluit te worden genomen door het bevoegd gezag (college) voorafgaand aan het ontwerpbesluit inzake de voornoemde omgevingsvergunning. Het college van burgemeester en wethouders neemt de beslissing of, vanwege de belangrijke nadelige gevolgen die de activiteit mogelijk voor het milieu kan hebben, een m.e.r. moet worden doorlopen. In het kader van deze besluitvorming is voorliggende aanmeldingsnotitie opgesteld. Op basis van deze aanmeldingsnotitie kan het bevoegde gezag de gevolgen beoordelen van het plan en de beslissing nemen of er een m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk is in het kader van dit plan. De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Een m.e.r. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De m.e.r.

is wettelijk verankerd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer en het Besluit m.e.r. In de bijlage van het Besluit m.e.r zijn twee onderdelen (C en D) opgenomen. In onderdeel C zijn activiteiten genoemd waarbij direct sprake is van een m.e.r.-plicht als bij besluiten de genoemde drempelwaarden worden overschreden. Voor de activiteiten die zijn genoemd in onderdeel D geldt dat als de drempelwaarden worden overschreden een m.e.r.-beoordeling dient plaats te vinden. Voor besluiten met een omvang onder de drempelwaarden moet een zogenaamde vormvrije m.e.r.-beoordeling worden gedaan. Onderhavig plan, kan worden gekwalificeerd als de aanleg of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen als genoemd in onderdeel D.11.2 van de bijlage van het Besluit m.e.r.. Bij de uitleg van de Europese m.e.r.-richtlijn wordt immers aangegeven dat 'stedelijke ontwikkelingsprojecten' breed moet worden geïnterpreteerd. Bij de activiteit zijn drie relevante indicatieve drempelwaarden opgenomen, namelijk: • een oppervlakte van 100 hectare of meer; • een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen; • een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer.

Ad Fontem Juridisch Bouwadvies BV Stationsstraat 37  7622 LW Borne  T 074 255 70 20  IBAN NL92RABO 0331 6534 27  BIC RABONL2U KvK Veluwe-Twente 08140851  Btw nr. NL 8151.28.939.B01  info@ad-fontem.nl  www.ad-fontem.nl

Onderhavig plan heeft betrekking op de realisatie van 39 woningen. De omvang van het plan blijft hiermee ver onder de indicatieve drempelwaarden waardoor in eerste instantie met een vormvrije m.e.r.-beoordeling kan worden volstaan. In deze vormvrije m.e.r.-beoordeling moet worden beoordeeld of de activiteit daadwerkelijk geen belangrijke nadelige milieugevolgen kan hebben. Hierbij moet in het bijzonder worden nagegaan of er sprake is van de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de Europese Richtlijn betreffende de milieueffectbeoordeling. Daarbij dient te worden ingegaan op de volgende onderdelen: • de kenmerken van het project; • de plaats waar de activiteit plaatsvindt; • de kenmerken van het potentiële effect. Kenmerken van het betreffende project Voor een locatie die gelegen is nabij de Gerrit ten Holteweg ongenummerd in Oene, gemeente Epe, is een plan ontwikkeld. De initiatiefnemers van het plan, Hervormde Gemeente te Oene en House2Start, willen aansluitend aan de kern Oene 39 woningen met bijbehorende voorzieningen zoals wegen en groen (inclusief speelvoorzieningen) realiseren. Doel is om betaalbare woningen te realiseren voor de verschillende groepen inwoners van Oene. Er is een divers programma aan woningen voor starters, gezinswoningen alsmede levensloopbestendige woningen. In onderstaande figuur is de stedenbouwkundige schets weergegeven.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14089350/1