CConstaterende datEpe
Koppel je AI →
Document · PDF

972904 Toelichting Kloosterhof Oene

Gemeenteraad 30 mei 2024, gemeente EpeBij agendapunt: Gewijzigde vaststelling bestemmingsplan 'Kloosterhof, Oene'31.834 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 4

Plaats van het project Het plangebied bestaat uit de percelen die kadastraal bekend staan als gemeente Epe en Oene, sectie E, nummers 1958, 1959, 376, 377, 1523 en 2221, 2223 (gedeeltelijk) en 2226 (gedeeltelijk). Het plangebied ligt ten noordwesten van Oene, aansluitend aan de bestaande woonwijk. In onderstaande afbeelding is de begrenzing van het plangebied weergegeven.

-2-

Kenmerken van de potentiële effecten Voor wat betreft de potentiele milieueffecten van de planontwikkeling zijn de volgende aspecten van belang/relevant. Verkeerseffecten en luchtkwaliteit Het plangebied wordt ontsloten via de Gerrit ten Holteweg en Ida Pluckroosweg. Er worden meerdere aantakkingen gemaakt op deze weg. Met de bouw van 39 woningen zal het aantal verkeersbewegingen toenemen. De verkeersgeneratie is berekend aan de hand van de CROW-publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren en verkeersgeneratie'. Het plangebied is gelegen in wijk 03 Oene. In de kencijfers van het CBS wordt dit gebied aangemerkt als 'niet stedelijke gemeente'. Het plangebied is gelegen in 'rest bebouwde kom' op basis van de Parkeernota 2018 gemeente Epe. Er worden verschillende woningtypen gerealiseerd. Wat betreft de hofwoningen voor senioren is geen specifieke norm in de CROW-publicatie opgenomen. Hiervoor wordt dezelfde norm gehanteerd als de rijwoningen. Ten aanzien van de toename van het aantal verkeersbewegingen als gevolg van uitvoering van het woningbouwplan geldt het volgende:

-3-

In de Wet luchtkwaliteit staan onder meer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen:  Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen);  Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen). Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip 'niet in betekenende mate' is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10 en PM2,5). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn:   

woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m² bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg.

Als wordt uitgegaan van een worst-case scenario kan het aantal verkeersbewegingen op 305 verkeersbewegingen per dag gesteld worden. Er zal in zeer beperkte mate sprake zijn van vrachtverkeer (pakketbezorging/afval ophaaldiensten), waardoor het percentage vrachtverkeer op 2% gezet kan worden. In onderstaande figuur is de berekening weergegeven.

-4-

Uit deze berekening volgt dat de bijdrage van het extra verkeer niet in betekenende mate is. Er is geen nader onderzoek nodig. Uit de jaarlijkse rapportage van de luchtkwaliteit blijkt bovendien dat er, in de omgeving van het plangebied, langs wegen geen overschrijdingen van de grenswaarden aan de orde zijn. Een overschrijding van de grenswaarden is ook in de toekomst niet te verwachten. Aanvullend onderzoek naar de luchtkwaliteit is derhalve niet nodig. Tevens kan de realisatie van 39 woningen niet aangemerkt worden als de realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen de zone van een Rijks- of provinciale weg. Het aspect 'luchtkwaliteit' vormt geen belemmering voor de uitvoering van het plan. Archeologie Door Econsultancy is een archeologisch bureauonderzoek uitvoerd. Dit onderzoek toont aan dat er zich in het plangebied mogelijk archeologische waarden kunnen bevinden. Door Econsultancy is vervolgens een archeologisch verkennend booronderzoek uitgevoerd. De resultaten zijn vervat in de bijlagen bij de toelichting van het bestemmingsplan (archeologisch verkennend booronderzoek Gerrit ten Holteweg (ong.) te Oene, rapport 13592.005, datum 12 mei 2022).

Op basis van de resultaten van het uitgevoerde bureauonderzoek geldt voor het plangebied in het algemeen een hoge verwachting op het voorkomen van archeologische resten/sporen uit alle archeologische perioden vanaf het Laat-Paleolithicum. Omdat er aangrenzend ten zuiden/zuidwesten van het plangebied tijdens gravend onderzoek meerdere erven daterend uit de 11e tot begin 12e eeuwzij aangetroffen (huisplattegronden/woonstalhuizen van het type Gasselte B), is geadviseerd om het vervolgonderzoek direct te laten uitvoeren in de vorm van een proefsleuvenonderzoek (IVO-P). De bevoegde overheid (gemeente Epe) heeft echter geadviseerd om een archeologisch verkennend booronderzoek te laten uitvoeren te voeren, als eerste veldtoets van de archeologische verwachting en om specifieke informatie te krijgen over de genese en mate van intactheid van de bodemopbouw binnen het plangebied. Resultaten inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek) De resultaten van het verkennend booronderzoek laten een bodemopbouw zien bestaande uit een gemiddeld 55 cm dik plaggendek met hieronder de C-horizont, bestaande uit fluvioperiglaciale afzettingen (sneeuwsmeltwater-/daluitspoelingswaaierafzettingen). Het plaggendek is van een gemiddelde dikte dat er sprake is van een dik plaggendek (> 50 cm) en daarmee van een hoge enkeerdgrond, als huidig bodemprofiel.

Het opbrengen van het plaggendek als de navolgende agrarische bewerking zal het archeologisch potentiële vondstniveau hebben verstoord, echter het potentiële sporenniveau zal waarschijnlijk nog wel merendeels intact aanwezig zijn. De boringen vertonen geen aanwijzingen dat er reeds binnen (delen van) het plangebied omvangrijke, diepgaande moderne bodemverstorende ingrepen zijn uitgevoerd. Conclusie Geconcludeerd wordt dat het plangebied zijn in het algemeen hoge verwachting op het voorkomen van archeologische waarden behoudt uit alle archeologische perioden vanaf het Laat-Paleolithicum behoudt en dat zeker nog 11e/12e-eeuwse archeologische resten en sporen kunnen worden verwacht, gerelateerd aan de direct ten zuiden opgegraven vindplaats. Advies Op grond van de resultaten van het inventariserend veldonderzoek (IVO-O) wordt door Econsultancy de aanbeveling gedaan om binnen het gehele plangebied een vervolgonderzoek te laten uitvoeren. Er is sprake van een intacte hoge enkeerdgrond, waarbij het archeologisch potentiële sporenniveau waarschijnlijk nog merendeels intact aanwezig is en daarmee het plangebied zijn hoge verwachting behoudt op nog in situ aanwezige archeologische waarden. Geadviseerd wordt het vervolgonderzoek te laten uitvoeren in de vorm van een waardestellend proefsleuvenonderzoek.

Het doel hiervan dient te zijn de intactheid, spreiding, diepte en mate van verstoring van archeologisch kansrijke niveaus in kaart te brengen en op basis daarvan inzichtelijk te maken wat de consequenties zijn van de voorgenomen plannen op mogelijke archeologische resten. Voor dit onderzoek dient een door de bevoegde overheid goedgekeurd Programma van Eisen te zijn opgesteld, waarin is vastgelegd waaraan het onderzoek moet voldoen. Selectiebesluit De gemeente Epe heeft een selectiebesluit genomen. Daarin is het volgende opgenomen: -5-

In het plangebied dient een proefsleuvenonderzoek uitgevoerd te worden met een dekkingsgraad van 10% van het plangebied. Deze dient in één keer te worden uitgevoerd, over het gehele plangebied. Voor dit onderzoek dient een Programma van Eisen (PvE) te worden opgesteld en te worden goedgekeurd door de gemeente Epe. Het goedgekeurde PvE dient als bijlage te worden gevoegd bij het voor de ontwikkeling benodigde nieuwe bestemmingsplan. Deze is als bijlage 7 bij het bestemmingsplan opgenomen. Daarnaast dienen er een passende dubbelbestemming, planregels en toelichting met betrekking tot archeologie verwerkt te worden in het bestemmingsplan. Aangezien het eventueel mogelijk is dat het plangebied tijdens de omgevingsvergunningsfase wordt opgeknipt in meerdere vergunningsaanvragen, dienen de vrijstellingsgrenzen van de archeologische dubbelbestemming op 0 m2 en 0 cm -Mv te worden gesteld en in de toelichting dient duidelijk te worden gesteld dat het proefsleuvenonderzoek in één keer dient te worden uitgevoerd over het gehele plangebied.

Geluid Wegverkeerslawaai Op grond van het artikel 74 van de Wet geluidhinder bevindt zich langs een weg een geluidszone, die aan weerszijde een breedte heeft van: • in stedelijk gebied: o voor een weg, bestaande uit drie of meer rijstroken: 350 meter; o voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken: 200 meter; • in buitenstedelijk gebied: o voor een weg, bestaande uit vijf of meer rijstroken: 600 meter; o voor een weg, bestaande uit drie of vier rijstroken: 400 meter; o voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken: 250 meter. Deze zonering geldt niet: • voor wegen die zijn gelegen binnen een als woonerf aangeduid gebied; • voor wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 kilometer per uur geldt; • wegen waarvan op grond van een door de gemeenteraad vastgestelde geluidsniveau vaststaat dat de geluidsbelasting op 10 meter uit de as van de meest nabij gelegen rijstrook 48 dB (A) of minder bedraagt (art. 74, lid 3 Wgh). Woningen zijn geluidgevoelige functies. De wegen rondom en in het plangebied betreffen wegen met een maximumsnelheid van 30 km/h. Hiervoor geldt geen zone. In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient voor deze wegen wel gemotiveerd te worden dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Uit de Atlas voor de leefomgeving is af te leiden dat de geluidbelasting door wegverkeer in het plangebied laag is.

Daarmee kan worden vastgesteld dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

-6-

Railverkeerslawaai Er zijn geen spoorwegen in de omgeving van het plangebied aanwezig. Industrielawaai Er zijn geen bedrijventerreinen in de nabijheid van het plangebied aanwezig die op het aspect geluid nadere beschouwing behoeven. Bodem Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, dient in de daarvoor aangewezen gevallen een bodemonderzoek te worden verricht. Artikel 3.1.6 van het Bro bepaalt dat in het bestemmingsplan rekening gehouden moet worden met de bodemkwaliteit ter plaatse. De reden hiervoor is dat een eventueel aanwezige bodemverontreiniging van groot belang kan zijn voor de keuze van bepaalde bestemmingen en/of de (financiële) uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. De bodemtoets moet worden uitgevoerd bij het opstellen of wijzigen van het bestemmingsplan of een planologische afwijking. Als er verontreiniging aanwezig is moet bepaald (nader onderzoek) worden of het een geval is in de zin de Wbb of een diffuse verontreiniging. In de exploitatieopzet moeten de saneringskosten en de verwerkingskosten voor diffuus verontreinigde grond worden opgenomen.

Ten behoeve van onderhavig bestemmingsplan is gebruik gemaakt van een verkennend en nader bodemonderzoek (Gerrit ten Holteweg te Oene, Lycens, projectnummer 2020-0354, 8 juni 2022 om ter plaatse de milieu-hygiënische kwaliteit van de bodem vast te stellen. Het rapport is als bijlage bij de toelichting van het bestemmingsplan gevoegd. De resultaten zijn samengevat als volgt:

-7-

Het doel van het verkennend bodemonderzoek is het bepalen van de bodemkwaliteit op de locatie en daarmee mogelijke verontreinigingen in grond en grondwater te signaleren welke een negatieve invloed op de financiele waardering van het perceel kunnen hebben en welke consequenties kunnen hebben voor de geplande herontwikkeling van de locatie. Naar aanleiding van de resultaten van het verkennend bodemonderzoek heeft op het oostelijk deel van de onderzoekslocatie nader bodemonderzoek plaatsvonden. Het doel van het nader onderzoek is het vaststellen van de omvang van de sterke verontreiniging met koper, nikkel en/of zink in de ondergrond. Daarnaast heeft, naar aanleiding van zintuiglijk aantreffen van asbestverdacht materaal in de bovengrond tijdens het nader onderzoek, aanvullend asbestonderzoek plaatsgevonden in de bovengrond. Op grond van de beschikbare gegevens (resultaten vooronderzoek, zintuiglijke waarnemingen gedaan tijdens het veldwerk en de analyseresultaten) kan het volgende worden geconcludeerd: Bodem Uit de analyseresultaten blijkt dat de grond op het grootste gedeelte van de onderzoekslocatie (behoudens het oostelijke deel) geen verhoogde gehalten aan onderzochte stoffen bevat. Op het meeste oostelijk gedeelte van de onderzoekslocatie zijn in de ondergrond van boringen 11 en 18 matig tot sterk verhoogtde gehalten aan koper, nikkel en zink gemeten.

Uit het nader onderzoek blijkt er over een strook met een lengte van circa 200 meter sprake is van een sterke verontreiniging met koper en zink. Deze sterke verontreiniging is in noordelijke, oostelijk en westelijke richting afgeperkt. In zuidelijke richting is deze verontreiniging zintuigelijk nog aanwezig tot aan de zuidelijke perceelsgrens. De omvang van de sterk verontreiniging met koper en/of zink wordt binnen de onderzoekslocatie geschat op circa 475 m3. De verontreiniging is voor 1987 ontstaan. Op basis hiervan wordt concludeerd dat sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging met de zware metalen koper, nikkel en zink. Voorafgaand aan de herontwikkeling van het terrein dient de bodemverontreiniging gesaneerd te worden door BRL 6000 en BRL 7000 erkende bedrijven. Ter hoogte van de noordelijke erfgrens is tevens (zowel visueel als analytisch) asbest aangetroffen in de bovengrond, waardoor nader asbestonderzoek nodig wordt geacht. De omvang van die verontreiniging is immers niet bekend. Grondwater Chemisch analytisch bevat het grondwater plaatselijk verhoogde concentraties aan nikkel, zink en/of barium. Gezien het feit dat voor geen van de stoffen de interventiewaarde wordt overschreden, wordt nader onderzoek niet nodig geacht.

Conclusie Uit de resultaten van het verkennend en nader bodemonderzoek kan worden geconcludeerd dat er over het algemeen geen belemmeringen zijn voor de transactie en de herontwikkeling, behoudens de aangetoond verontreiniging met metalen en asbest. In het kader van de herontwikkeling voor woningbouw dienen zowel de verontreiniging met koper, nikkel en zink als de verontreiniging met asbest gesaneerd te worden. De sanering dient te worden uitgevoerd door BRL7000 en BRL6000 erkende bedrijven. Voorafgaand aan de sanering dient een BUSmelding opgesteld te worden. Na sanering vorm de bodemkwaliteit in principe geen belemmeringen meer voor de herontwikkeling van het terrein voor woningbouw. Ecologie Bij een ruimtelijk plan moeten de gevolgen van de voorgenomen ontwikkeling met betrekking tot aanwezige natuurwaarden in beeld worden gebracht. Daarbij wordt ingegaan op de relatie van het plan met beschermde gebieden, beschermde soorten, en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De wettelijke kaders hiervoor worden gevormd door Europese richtlijnen (Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn), nationale regelgeving (Wet natuurbescherming) en provinciale regelgeving (NNN in provinciale verordening). Natuurnetwerk Nederland Het plangebied ligt niet in het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De kernkwaliteiten van het NNN worden niet aangetast. Er hoeft geen verdere toetsing uitgevoerd te worden.

-8-

De gebieden die onderdeel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland worden in de provincie Gelderland het Gelders Natuurnetwerk genoemd (GNN). Naast dit netwerk bestaat in de provincie Gelderland ook de Groene Ontwikkelingszone (GO). De GO is een gebied waar partners en partijen worden uitgenodigd om actief 'groene' doelen mee te helpen realiseren. Er is in dit gebied ruimte voor de verdere ontwikkeling van bestaande en bij het gebied behorende bedrijvigheid of bewoning. Afhankelijk van het type en de schaal van de ontwikkeling vraagt de provincie om een (extra) bijdrage te leveren aan de GO. Het plangebied ligt niet in het GNN of in een GO. Natura 2000-gebied Het plangebied ligt niet in een Natura 2000-gebied. Het ligt op ruime afstand van de nabijgelegen Natura 2000-gebieden ‘Rijntakken’ en ‘Veluwe’, vanaf circa 2 kilometer. In onderstaande afbeelding is de ligging van het plangebied ten opzichte van Natura 2000-gebied weergegeven.

Overige Natura 2000-gebieden zoals het Natura 2000-gebied ‘Veluwerandmeren’, liggen op ruime afstand van het plangebied, vanaf ruim 15 kilometer. Significante negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen en ontwikkelingsopgaven van desbetreffende Natura 2000-gebieden door directe verstoringsfactoren als oppervlakteverlies of versnippering worden niet verwacht. Door de ruime afstand tot de Natura 2000- Natura 2000-gebieden ‘Rijntakken’ en ‘Veluwe’ kunnen ook indirecte verstoringen als licht, geluid en trillingen op voorhand uitgesloten worden, met uitzondering van stikstofdepositie. Stikstofdepositie op Natura 2000-gebied Stikstof is één van de grootste obstakels bij de realisatie van de Natura 2000-doelen. In veel Natura 2000-gebieden, waaronder ook Natura 2000-gebieden ‘Rijntakken’ en ‘Veluwe’, is de overbelasting door stikstofdepositie een groot probleem voor de realisatie van de instandhoudingsdoelstellingen. Het gaat daarbij om de gevolgen van stikstofdepositie afkomstig uit de landbouw, het verkeer en de industrie op voor stikstof gevoelige habitats. Een aantal van de habitattypen in de nabijgelegen Natura 2000-gebieden Natura 2000-gebieden ‘Rijntakken’ en ‘Veluwe’ zijn gevoelig voor depositie van stikstof. Om voor afzonderlijke projecten aan te tonen wat het effect is op Natura 2000-gebieden is het rekeninstrument AERIUS in het leven geroepen.

Op 5 oktober 2023 is de AERIUS Calculator geactualiseerd. De nieuwe versie van de AERIUS Calculator is de AERIUS Calculator 2022. De belangrijkste verandering tot nu toe voor de AERIUS Calculator ten opzichte van de voorgaande versies is dat de afkapgrens van 5 km verlegd is naar 25 km voor stikstofdepositie bij alle projecten. De -9-

aanleiding hiervoor is het eindrapport van het adviescollege ‘Meten en berekenen Stikstof’(ook wel de ‘Commissie Hordijk’) en de uitspraak van de Raad van State over de A15 van begin dit jaar. Eventuele deposities voorbij deze afkapgrens werden voorheen niet in beeld gebracht. De nieuwe afkapgrens van 25 km zal vooral voor grotere projecten consequenties hebben. Hoewel in de AERIUS 2020 ook een afkapgrens was opgenomen, gold deze slechts voor wegverkeer en was de afstand veel korter (5 km). Om te onderzoeken of het plan leidt tot toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebied is door Econsultancy een stikstofdepositieonderzoek uitgevoerd (rapportnummer 13592.002, d.d. 9 november 2023). Het onderzoek is als bijlage bij de toelichting van het bestemmingsplan opgenomen. Hieronder is het resultaat/conclusie weergegeven. Het projecteffect op de Natura 2000-gebieden ten gevolge van de aanlegfase in vergelijking tot de referentiesituatie is kleiner dan of gelijk aan 0,00 mol/ha/jaar. Tevens is het project effect in de gebruiksfase kleiner dan of gelijk aan 0,00 mol/ha/jaar. Bij een dergelijk projecteffect zal het beoogde plan niet voor een significante toename in stikstofdepositie zorgen en kunnen negatieve effecten worden uitgesloten. Op basis van het onderzoek blijkt dat er geen vergunning Wet natuurbescherming (gebiedsbescherming) benodigd is voor het aspect stikstof.

Soortenbescherming De gronden in het plangebied zijn momenteel agrarisch in gebruik. Er is een quick scan natuurtoets uitgevoerd (zie bijlage bij het bestemmingsplan: quickscan natuurtoets perceel Gerrit ten Holteweg in Oene, Staring Advies, rapport 2425 15 april 2022). Uit de quickscan natuurtoets blijkt dat voor de geplande activiteit, bestaande uit het realiseren van nieuwbouw van woningen, aanvullend onderzoek naar de steenuil noodzakelijk is. Uit het onderzoek zal blijken of er ontheffing noodzakelijk is. Het verlenen van de ontheffing kan pas nadat dit onderzoek is uitgevoerd en de eventuele extra maatregelen zijn genomen. Aanvullend onderzoek naar de steenuil kan, conform de richtlijnen uit het Kennisdocument Steenuil van BIJ12 en de Soortinventarisatieprotocollen in het kader van de Wet natuurbescherming (versie juli 2017), alleen via 3 avondronden in de periode 1 februari tot en met 30 april uitgevoerd worden. De meest optimale periode is 15 februari – 15 april (bron: BIJ12 en Steenoverleg Nederland/STONE). Door Staring advies is een aanvullend onderzoek naar de steenuil uitgevoerd (rapportnummer 2586, d.d. 28 april 2023). Het onderzoek is als Bijlage 5 bij de toelichting van dit bestemmingsplan opgenomen.

Uit het onderzoek blijkt dat: • Er geen broedterritoria van de steenuil in de omgeving van het plangebied, waaronder op de erven van de direct aan het plangebied grenzende woonhuizen aan de Donselaarsweg 6/6a en 8 aanwezig zijn; • Het plangebied is daarnaast ook geen essentieel onderdeel van het functioneel leefgebied van de steenuil. De woningbouw leidt niet tot aantasting van de functionaliteit van vaste rust- en verblijfplaatsen van de soort, bijvoorbeeld door het verloren gaan of onbereikbaar worden van een belangrijk foerageergebied of andere functie. Het aanvragen van een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming en het treffen van mitigerende en/of compenserende maatregelen is niet noodzakelijk. Aan de hand van de verkregen resultaten en datgene wat gesteld wordt in de Wet natuurbescherming kunnen de volgende conclusies getrokken worden: • Het aanvragen van een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming en het treffen van mitigerende en/of compenserende maatregelen is niet noodzakelijk voor de steenuil. • Bij de aanlegwerkzaamheden moet rekening worden gehouden met (overige) broedvogels. De werkzaamheden moeten buiten het broedseizoen worden uitgevoerd of ruim voor aanvang van het broedseizoen gestart worden en/of er moet worden voorkomen dat broedvogels zich lokaal vestigen.

Bezette nesten mogen, ongeacht de tijd van het jaar, niet worden verstoord. • Een kapmelding bij de provincie Gelderland voor beschermde houtopstanden is eveneens niet aan de orde. Er worden geen (beschermde) houtopstanden geveld. Het aspect 'ecologie' vormt derhalve geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

- 10 -

Externe veiligheid Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. In september 2013 is de Beleidsvisie externe veiligheid vastgesteld. Uitgangspunt van deze visie is dat nieuwe risicobronnen alleen nog zijn toegestaan indien het gaat op een verplaatsing van een bestaande risicobron naar een bedrijventerrein. Daarnaast is in de beleidsvisie bepaald dat het groepsrisico ten gevolge van een risicobron niet groter mag zijn dan 1 maal de oriëntatiewaarde. In de visie is tevens vastgelegd dat wanneer bijzonder kwetsbare objecten (objecten met verminderd zelfredzame personen zoals scholen en zorginstellingen) mogelijk worden gemaakt binnen het invloedsgebied van een risicobron, de besluitvorming op dit punt expliciet bij de gemeenteraad en het college van B&W wordt voorgelegd. In het Besluit externe veiligheid inrichtingen is de definitie van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten opgenomen. Met de bouw van woningen worden kwetsbare objecten toegevoegd. De dichtstbijzijnde riscobron bevindt zich op een afstand van circa 1268 meter van het plangebied.

Dit betreft een gasleiding van de Gasunie (N-556-73). Deze leiding heeft geen 10 -6 plaatsgebonden risicocontour. Indien sprake is van ligging binnen een 1% letaliteitscontour dient een berekening te worden gemaakt van het groepsrisico. In dit geval, gezien de eigenschappen van de leiding (40 bar kPa, diameter 21,9 cm) geldt een 1% letaliteitscontour tussen de 95 en 120 meter. De 100% letaliteitscontour ligt op 50 meter. Het plangebied ligt ruim buiten de letaliteitscontouren. Een nadere beschouwing ten aanzien van het groepsrisico is niet vereist.

- 11 -

Een en ander brengt met zich mee dat het project in overeenstemming is met wet- en regelgeving met betrekking tot externe veiligheid. Geur De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader voor vergunningverlening als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. De Wgv stelt één landsdekkend beoordelingskader met een indeling in twee categorieën. Voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld, wordt deze waarde uitgedrukt in een ten hoogste toegestane geurbelasting op een geurgevoelig object. Voor de andere diercategorieën is die waarde een wettelijke vastgestelde afstand die ten minste moet worden aangehouden. Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) dient voor diercategorieën waarvoor per dier geen geuremissie is vastgesteld (bijvoorbeeld melkkoeien) en een geurgevoelig object de volgende afstanden aangehouden te worden: • ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen; • ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen. Voor diercategorieën waarvoor in de Wgv een geuremissie per dier is vastgesteld geldt dat, binnen een concentratiegebied, de geurbelasting op geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom niet meer dan 3 odour units per kubieke meter lucht mag bedragen.

Voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom mag deze niet meer bedragen dan 14 odour units per kubieke meter lucht. Woningen zijn geurgevoelige objecten. In de omgeving van het plangebied zijn enkele agrarische bedrijven gelegen. Het dichtstbijzijnde agrarische bedrijf is gelegen aan de Boshoekerweg 4a, op circa 390 meter afstand van de nieuwe woningen. Op dit perceel is grondgebonden veehouderij toegestaan, evenals uitoefening van een agrarisch hobbybedrijf en een paardenhouderij. Wat betreft de aan te houden afstand geldt een afstand van tenminste 100 meter (gezien de ligging van de geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom). Een grondgebonden veehouderijbedrijf is op grond van het bestemmingsplan 'Buitengebied Epe' een agrarisch bedrijf dat gericht is op het ontwikkelen van activiteiten waarbij de productie voor meer dan 50 procent afhankelijk is van het producerend vermogen van de grond waarover het bedrijf in de omgeving van de bedrijfsgebouwen kan beschikken (= circa 10 km). Dat wil zeggen dat het bedrijf beschikt over cultuurgrond om de dieren op het bedrijf voor meer dan 50% in de ruwvoerbehoefte te kunnen voorzien. Dat biedt de basis voor meer gesloten groene kringlopen. Wanneer het overgrote deel van het (ruw)voer van elders wordt aangevoerd en (rest)producten weer worden afgevoerd, is er geen sprake van een locatie- of grondgebonden bedrijf.

Het betekent dus ook dat melkveehouderijen met weinig grond moeten worden aangemerkt als niet-grondgebonden veehouderijen. Aan de afstand van 100 meter wordt ruimschoots voldaan. In de basis zijn ook diercategorieen met geuremissie toegestaan binnen een agrarisch bouwperceel, waarvoor geen vaste afstand geldt. Vanuit de Planmer die in het kader van het bestemmingsplan Buitengebied Epe is opgesteld is vastgesteld dat er ter plaatse van het plangebied sprake is van een geurbelasting die voldoet aan de normen van een goed woon- en leefklimaat. Voor het overige zijn er geen relevante agrarische bedrijven in de omgeving van het plangebied aanwezig waarvoor een nadere beschouwing vereist is. Vanuit geur zijn er geen belemmeringen voor ontwikkeling van het plangebied voor woningbouw. Water In verband met de herziening van het bestemmingsplan en de geplande woningbouw is de lokale waterhuishouding en de gevolgen van de herontwikkeling op de huidige waterhuishoudkundige situatie in kaart gebracht. Door Geofoxx is een waterhuishoudkundig plan, inclusief geohydrologisch onderzoek opgesteld (Geofoxx, project 20220297/LGIE, 17 juni 2022). Het rapport is als bijlage bij de toelichting van het bestemmingsplan gevoegd. In het rapport is op het volgende ongegaan: het vooronderzoek en

- 12 -

geohydrologisch onderzoek, de veldwerkzaamheden inclusief gemeten doorlatendheid, de vigerende regels voor de waterhuishouding bij ruimtelijke ontwikkeling en de interpretatie van de verzamelde gegevens, de conclusies en het advies. Binnen het plangebied zal het hemelwater en vuilwater (droogweerafvoer) gescheiden worden afgevoerd. Hierbij is gekozen om het hemelwater over het maaiveld te laten afstromen naar een wadi’s verspreid over het plangebied. Door de ontwikkeling is in het openbaar gebied straks circa 7.990 m2 verharding aanwezig. In lijn met de beringseis (60 mm) is binnen het plangebied 480 m3 bergingscapaciteit benodigd. Deze bergingscapaciteit wordt onder andere behaald door toepassing van wadi’s verspreid in het plangebied. Conclusie In deze aanmeldingsnotitie is een vormvrije m.e.r.-beoordeling uitgevoerd. Hieruit volgt dat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden ten aanzien van de kenmerken en locatie van het project die leiden tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu ter plaatse. Voor de beoordeelde milieuaspecten geldt dat er geen of een zeer beperkt effect optreedt. De conclusie is dan ook dat belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten. Het volgen van een m.e.r.(beoordelings-) procedure is daarom niet nodig. Wij vertrouwen erop u hiermee van dienst te zijn geweest. Hoogachtend,

Ad Fontem BV, T. Boswerger

- 13 -

Bijlage 3

Verkennend en nader bodemonderzoek

bestemmingsplan Kloosterhof Oene NL.IMRO.0232.OENE004Kloosterhof-OBP1

84

• • • • • • • • •

-

Analysemonster Grond MM BG 1

Traject (m -mv)

Deelmonsters

Motivatie

0,00 - 0,50

Bepalen milieuhygienische van de kwaliteit van de bovengrond op het meest oostelijke deel van de onderzoekslocatie

MM BG 2

0,00 - 0,50

MM BG 3

0,00 - 0,50

MM BG 4

0,00 - 0,50

MM OG 1

0,50 - 2,10

MM OG 2

0,65 - 1,70

MM OG 3

1,60 - 2,00

01 (0,00 - 0,50) 10 (0,00 - 0,50) 11 (0,00 - 0,40) 19 (0,00 - 0,50) 02 (0,00 - 0,50) 06 (0,00 - 0,50) 12 (0,00 - 0,50) 15 (0,00 - 0,50) 24 (0,00 - 0,50) 25 (0,00 - 0,50) 03 (0,00 - 0,50) 04 (0,00 - 0,50) 05 (0,00 - 0,50) 14 (0,00 - 0,50) 16 (0,00 - 0,50) 17 (0,00 - 0,50) 27 (0,00 - 0,50) 07 (0,00 - 0,50) 08 (0,00 - 0,50) 13 (0,00 - 0,50) 20 (0,00 - 0,50) 21 (0,00 - 0,50) 22 (0,00 - 0,50) 23 (0,00 - 0,50) 01 (1,30 - 1,80) 02 (0,50 - 1,00) 03 (1,70 - 2,10) 04 (1,00 - 1,30) 05 (1,00 - 1,50) 06 (1,40 - 1,70) 07 (0,50 - 1,00) 08 (1,00 - 1,50) 10 (1,00 - 1,50) 12 (1,00 - 1,40) 11 (0,70 - 1,20) 11 (1,20 - 1,70) 18 (0,65 - 1,15) 18 (1,15 - 1,65) 14 (1,60 - 2,00) 16 (1,80 - 2,00) 11 (0,70 - 1,20) 11 (1,20 - 1,70) 18 (0,65 - 1,15) 18 (1,15 - 1,65)

Separate analyse van de zintuilijk verdachte lagen uit de ondergrond van boringen 11 en 18 en analyse op zware metalen

Uitsplitsing mengmonster MMOG2 M11-3 0,70 - 1,20 M11-4 1,20 - 1,70 M18-3 0,65 - 1,15 M18-4 1,15 - 1,65 Asbest MM FF BG 01 0,00 - 0,50 MM FF BG 02 0,00 - 0,50 MM FF BG 03 0,00 - 0,50 MM FF BG 04 0,00 - 0,50 Grondwater 02-1-1 1,28 - 2,28 03-1-1 1,50 - 2,50 18-1-1 0,98 - 1,98

Bepalen milieuhygienische kwaliteit van de bovengrond op het middendeel onderzoekslocatie

Bepalen milieuhygienische kwaliteit van de bovengrond op het meest westelijke deel van de onderzoekslocatie

Bepalen milieuhygienische kwaliteit van de bovengrond op het oostelijke deel onderzoekslocatie, ten westen van de lijn waar baksteen en sporen kolengruis zijn aangetroffen.

Bepalen milieuhygienische van de kwaliteit van de ondergrond op het oostelijke deel van de onderzoekslocatie

Bepalen milieuhygienische kwaliteit van de ondergrond van de zintuiglijk meest verontreinigde lagen uit boringen 11 en 18 Bepalen milieuhygienische van de kwaliteit van de zintuiglijk onverdachte, plantenhoudende laag van de ondergrond van boringen 14 en 16

05 (0,00 - 0,50) 12 (0,00 - 0,50) 14 (0,00 - 0,50) 21 (0,00 - 0,50)

Bepalen aanwezigheid (en eventueel concentratie) van asbest in de bovengrond

Pb 02 Pb 03 Pb 18

Vaststellen milieuhygiënische kwaliteit grondwater

(Meng)monster MM BG 1 MM BG 2 MM BG 3

Parameter

Barium Barium Barium Lood MM BG 4 Barium MM OG 1 Barium MM OG 2 Barium Cadmium Kobalt Koper Kwik Molybdeen Nikkel Lood Zink PAK MM OG 3 Barium Uitsplitsing mengmonster MM OG 2 M11-3 Koper Nikkel Zink M11-4 Koper Nikkel Zink M18-3 Koper Nikkel Zink M18-4 Koper Nikkel Zink

Meetwaarde

GSSD

Index

Monsterconclusie

* * * 46 * * 200 1,6 11 210 0,24 1,6 29 210 650 *

71 775 1,8 39 308 0,31 1,6 85 271 1184 17,06 -

0,04 0,1 0,14 1,79 0 0 0,76 0,46 1,8 0,4 -

Voldoet aan de achtergrondwaarde Voldoet aan de achtergrondwaarde Voldoet aan de achtergrondwaarde

53 23 560 220 25 1000 56 17 350 140 34 1400

83 67 1075 348 66 1884 99 48 735 175 82 2148

0,29 0,49 1,61 2,06 0,47 3,01 0,4 0,21 1,03 0,9 0,72 3,46

Overschrijding van de interventiewaarde

Voldoet aan de achtergrondwaarde Voldoet aan de achtergrondwaarde Overschrijding van de interventiewaarde

Voldoet aan de achtergrondwaarde

Overschrijding van de interventiewaarde Overschrijding van de interventiewaarde Overschrijding van de interventiewaarde

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14089350/1