948515 Bestemmingsplan Griseeweg Epe (toelichting, regels en bijlagen)
Tekst van het document
De bronmaatregelen die getroffen kunnen worden om aan de voorkeurswaarde te voldoen ontmoeten bezwaren van stedenbouwkundige, landschappelijke, verkeerskundige of financiële aard. Met het realiseren van een geluidsdichte schutting ter plaatse van de kavels langs de N309 kan de geluidbelasting ter plaatse van de begane grond en de achtertuin gereduceerd worden tot een goed geluidsniveau volgens van de classicifcatie van Miedema. In het bestemmingsplan zal geborgd dienen worden dat deze geluidsdichte schutting gerealiseerd dient te worden. Gevelmaatregelen zijn het meest doelmatig en met een gevelwering van hoogstens 24 dB wordt ter plaatse van alle gevels voldaan aan de maximale binnenwaarde van 33 dB. Er zal een hogere waarde moeten worden vastgesteld vanwege de N309 en de Tongerenseweg. Hiervoor is een aanvraag ingediend en het ontwerp bestemmingsplan ligt tegelijkertijd met het ontwerp HGW besluit ter inzage. Met het verlenen van de benodigde hogere waarde, het nemen van extra gevelmaatregelen en realiseren van het geluidsdichte scherm is er sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. 5.1.2.2 Railverkeerslawaai Railverkeerslawaai wordt in dit geval buiten beschouwing gelaten, omdat er in de nabijheid van het plangebied geen spoorlijn is gelegen.
5.1.2.3 Industrielawaai Het plangebied ligt niet binnen of nabij een geluidszone van een gezoneerd bedrijventerrein, als bedoeld in de Wet geluidhinder. Wat betreft de invloed van individuele bedrijven op de nieuwe woning wordt verwezen naar paragraaf 5.5 (milieuzonering). 5.1.3
Conclusie
De Wet geluidhinder vormt, mits gelijktijdig met dit bestemmingsplan een hogere waarde wordt vastgesteld, geen belemmering voor de uitvoering van het voorgenomen plan.
5.2
Bodemkwaliteit
5.2.1
Algemeen
Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, dient doorgaans een bodemonderzoek te worden verricht. Sigma Bouw & Milieu heeft ter plaatse van het plangebied een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Een samenvatting van de resultaten en de conclusies uit dit onderzoek is in het volgende subparagraaf opgenomen. Voor een nadere toelichting hierop wordt verwezen naar het complete bodemonderzoek wat is opgenomen in Bijlage 3 van deze toelichting.
32
Toelichting (ontwerp)
bestemmingsplan Griseeweg Epe
5.2.2
Beoordeling
Op basis van zintuiglijke waarnemingen zijn in het opgeboorde bodemmateriaal geen bodemvreemde afwijkingen of asbestverdacht materiaal waargenomen (indicatieve waarneming). In de bovengrond, ondergrond en grondwater zijn geen verontreinigingen aangetroffen die aanleiding geven tot het instellen van een nader of aanvullend onderzoek. De grond ter plaatse van de onderzoekslocatie bevat plaatselijk een verhoogd gehalte PAK's ten opzichte van de achtergrondwaarde. Het licht verhoogd gemeten gehalte overschrijdt de tussenwaarde/bodemindex-waarde (>0.5) niet en geeft daardoor geen directe aanleiding tot het instellen van een nader onderzoek. 5.2.3
Conclusie
Uit milieukundig oogpunt is er geen bezwaar tegen de voorgenomen bestemmingsplanwijziging en de nieuwbouwplannen, aangezien de vastgestelde verontreiniging geen risico voor de volksgezondheid oplevert. De bodem wordt geschikt geacht voor het huidige en toekomstige gebruik (wonen met tuin).
5.3
Luchtkwaliteit
5.3.1
Algemeen
Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese Unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan ondermeer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen: Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen). 5.3.1.1 Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip “niet in betekenende mate” is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging.
Enkele voorbeelden zijn: woningen: 1.500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3.000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg. Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. 5.3.1.2 Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleegen bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig.
Toelichting (ontwerp)
33
bestemmingsplan Griseeweg Epe
5.3.2
Beoordeling
Gelet op de aard en omvang van dit project, in verhouding tot categorieën van gevallen zoals beschreven in paragraaf 5.3.1.1 kan worden gesteld dat voorliggend project 'niet in betekenende mate bijdraagt' aan de luchtverontreiniging. Tot slot wordt geconcludeerd dat de ontwikkeling niet wordt aangemerkt als een gevoelige bestemming in het kader van het 'Besluit gevoelige bestemmingen'. 5.3.3
Conclusie
Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
5.4
Externe veiligheid
5.4.1
Algemeen
Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden voldaan aan strikte risicogrenzen. Een en ander brengt met zich mee dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico's zware ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit. Voor vervoer gevaarlijke stoffen geldt de 'Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen' (Wet Basisnet). Dat vervoer gaat over water, spoor, wegen, per buisleiding of door de lucht. De regels van het Basisnet voor ruimtelijke ordening zijn vastgesteld in: het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); de Regeling basisnet; de (aanpassing) Regeling Bouwbesluit (veiligheidszone en plasbrandaandachtsgebied).
De regelgeving omtrent buisleidingen is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico. 5.4.2
Beoordeling
Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. In afbeelding 5.1 is een uitsnede van de Risicokaart met betrekking tot het plangebied (zwarte cirkel) en omgeving weergegeven.
34
Toelichting (ontwerp)
bestemmingsplan Griseeweg Epe
Afbeelding 5.1: Uitsnede Risicokaart (Bron: Risicokaart)
Uit de inventarisatie blijkt dat het plangebied: zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); zich niet bevindt binnen een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. 5.4.3
Conclusie
Geconcludeerd wordt dat het aspect externe veiligheid geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling.
5.5
Bedrijven en milieuzonering
5.5.1
Algemeen
Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: 1. het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; 2. het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige
Toelichting (ontwerp)
35
bestemmingsplan Griseeweg Epe functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan/wijzigingsplan mogelijk is. Hoewel deze richtafstanden indicatief zijn, volgt uit jurisprudentie dat deze afstanden als harde eis gezien worden door de Raad van State bij de beoordeling of (zorg)woningen op een passende afstand van bedrijven worden gesitueerd. 5.5.2
Gebiedstypen
Volgens de VNG-uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” dient eerst te worden beoordeeld of in de omgeving wordt gestreefd naar functiemenging of functiescheiding. Binnen de functiescheiding worden twee gebiedstypen onderscheiden; 'rustige woonwijk' en 'gemengd gebied'. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig verstoring van verkeer. Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend. Het gebied waarin het plangebied zich bevindt is aan te merken als een 'rustige woonwijk'. Dit vanwege het feit dat er in de directe omgeving geen sprake is van functiemenging.
5.5.3
Beoordeling
5.5.3.1 Algemeen Aan de hand van vorenstaande regeling is onderzoek verricht naar de feitelijke situatie. De VNG uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” geeft een eerste inzicht in de milieuhinder van inrichtingen. Zoals reeds hiervoor genoemd wordt, dient bij het realiseren van nieuwe bestemmingen gekeken te worden naar de omgeving waarin de nieuwe bestemmingen gerealiseerd worden. Hierbij spelen twee vragen een rol: 1. past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking); 2. laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking).
36
Toelichting (ontwerp)
bestemmingsplan Griseeweg Epe
5.5.3.2 Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ontwikkeling. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast. De functie 'wonen' betreft geen milieubelastende functie voor de omgeving en is daarom niet opgenomen in de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering'. Er is geen sprake van een aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden. 5.5.3.3 Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of de nieuwe functies binnen het plangebied hinder ondervinden van bestaande functies in de omgeving. Woningen betreffen milieugevoelige functies. Omgekeerd gaat het om de vraag of bestaande functies in de omgeving belemmerd worden in de bedrijfsvoering door de nieuwe milieugevoelige functies. In de omgeving van het plangebied zijn diverse functies aanwezig. In de onderstaande tabel worden de activiteiten/functies benoemd die nabij het plangebied liggen. Tevens is aangegeven tot welke milieucategorie deze activiteit of functie wordt gerekend, welke richtafstand aangehouden moet worden tussen de gevels van de nieuwe woningen en het bestemmingsvlak/bouwvlak van de betreffende milieubelastende functie en wat de daadwerkelijke afstand hiertussen bedraagt.
Opgemerkt wordt dat voor veehouderijen, op basis van de VNG-uitgave ‘Bedrijven en milieuzonering’, de grootste richtafstand veelal voor het aspect geur geldt. Bij veehouderijen zijn echter niet de richtafstanden, maar de wettelijk aan te houden afstanden of de berekenende geuremissiecontouren voor vergunningsplichtige veebedrijven bepalend. In deze paragraaf zullen de richtafstanden bij veehouderijen voor wat betreft het aspect geur buiten beschouwing blijven, maar worden wel de overige milieuaspecten behandeld. In paragraaf 5.6 wordt nader ingegaan op het aspect geur. Functie
Categorie
Richtafstand rustige woonwijk
Daadwerkelijke afstand (circa)
Hoveniersbedrijf annex kwekerij, Tongerenseweg 116
3.1
50 m
115 m
Recreatiepark, Tongerenseweg 126
3.1
50 m
210 m
Horeca, Tongerenseweg 125
1
10 m
240 m
Fokken en houden van rundvee/ paardenhouderij, Paalbeekweg 10
3.2
30 m (stof en geluid)
200 m
Fokken en houden van rundvee/ paardenhouderij, Tongerenseweg Zuid 117
3.2
30 m (stof en geluid)
185 m
In voorliggend geval wordt voldaan aan de richtafstanden. Gelet op het vorenstaande worden omliggende milieubelastende functies niet in de ontwikkelmogelijkheden belemmerd. Daarnaast is ter plaatse van het plangebied sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. 5.5.4
Conclusie
Geconcludeerd wordt dat het gewenste plan in het kader van milieuzonering in overeenstemming is te achten met een goede ruimtelijke ordening.
Toelichting (ontwerp)
37
bestemmingsplan Griseeweg Epe
5.6
Geur
5.6.1
Algemeen
5.6.1.1 Wet geurhinder en veehouderij De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader vergunningverlening, als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. De Wgv stelt één landsdekkend beoordelingskader met een indeling in twee categorieën. Voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld, wordt deze waarde uitgedrukt in een ten hoogste toegestane geurbelasting op een geurgevoelig object. Voor de andere diercategorieën is die waarde een wettelijke vastgestelde afstand die ten minste moet worden aangehouden. Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) dient voor diercategorieën waarvoor per dier geen geuremissie is vastgesteld (bijvoorbeeld melkkoeien en paarden) en een geurgevoelig object de volgende afstanden aangehouden te worden: ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen, en ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen. Voor diercategorieën waarvoor in de Wgv een geuremissie per dier is vastgesteld geldt dat, binnen een concentratiegebied, de geurbelasting op geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom niet meer dan kom 3 odour units per kubieke meter lucht mag bedragen. Voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom mag deze niet meer bedragen dan 14 odour units per kubieke meter lucht.
De definitie van een geurgevoelig object luidt: gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt. 5.6.1.2 Activiteitenbesluit Vanaf 1 januari 2013 is het Activiteitbesluit ook van toepassing op agrarische activiteiten. Het Besluit landbouw milieubeheer is tegelijkertijd komen te vervallen. Agrarische bedrijven hebben geen vergunning meer nodig als al hun activiteiten onder de reikwijdte van het Activiteitenbesluit vallen. Dit zijn type B-bedrijven, zoals veehouderijen, kinderboerderijen (en andere bedrijven die kleinschalig dieren houden), glastuinbouwbedrijven, bedrijven met teelt in gebouwen, bedrijven met open teelt, agrarische loonwerkers en losse opslagen (bijvoorbeeld mest). Voor geurhinder is in het Activiteitenbesluit een soortgelijk beoordelingskader opgenomen als in de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv). Zo gelden binnen en buiten de bebouwde kom dezelfde normen als in de Wgv. Ook de geurbelasting wordt bepaald volgens het bepaalde in de Wgv. Hetzelfde geldt voor het meten van de afstanden. 5.6.2
Situatie plangebied
Zoals in paragraaf 5.5 reeds is aangegeven bevinden zich rondom het plangebied een aantal agrarische bedrijfspercelen waar grondgebonden veehouderijen worden geëxploiteerd of waar planologisch gezien een grondgebonden veehouderijen zijn toegestaan. In beide gevallen gaan het om het fokken en houden van rundvee/ paardenhouderij waarvoor op basis van de Wgv aan vaste afstand geldt van 100 meter. Zoals ook in paragraaf 5.5 aangegeven bedraagt de afstand tussen de bouwvlakken behorend bij de veehouderij en het plangebied ruim meer dan 100 meter. Gelet op het vorenstaande wordt geconcludeerd dat ter plaatse van de beoogde woningen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Daarnaast worden de veehouderijen niet onevenredig belemmerd in de bedrijfsvoering. 5.6.3
Conclusie
Het aspect 'geur' vormt geen belemmering voor de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling.
38
Toelichting (ontwerp)
bestemmingsplan Griseeweg Epe
5.7
Ecologie
5.7.1
Algemeen
Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebieds- en soortenbescherming vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met Natura 2000-gebieden en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Soortenbescherming gaat uit van de bescherming van dier- en plantensoorten. 5.7.2
Gebiedsbescherming
5.7.2.1 Natura 2000-gebieden Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Deze gebieden worden in Nederland op grond van de Wet natuurbescherming beschermd. Het plangebied is niet gelegen binnen een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied de 'Veluwe' is gelegen op circa 900 meter afstand van het plangebied. Voor elk Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen geformuleerd voor alle beschermde soorten en habitats die daar aanwezig zijn. Per soort of habitat is aangegeven of behoud van de huidige aantallen/arealen voldoende is, danwel of uitbreiding of een verbetering nodig is. Niet alleen activiteiten binnen een Natura 2000-gebied maar ook activiteiten buiten een Natura 2000-gebied kunnen de instandhoudingsdoelstellingen in gevaar brengen. Dit wordt externe werking genoemd. Gezien de mogelijke externe werking van de beoogde ontwikkeling op het nabijgelegen Natura 2000-gebied, is het van belang om te toetsen of de realisatie van de beoogde ontwikkeling conflicteert met de waarden waarvoor dit gebied is aangewezen. Hiervoor is in elk geval een toetsing aan de Wet natuurbescherming noodzakelijk.
Gelet op de onderlinge afstand is directe hinder (bijv. geluid, verstrooiing van licht etc.) niet aan de orde. Naast directe hinder dient tevens te worden gekeken naar de mogelijke toename van stikstofdepositie op kwetsbare habitattypen binnen Natura 2000-gebieden. Om dit te beoordelen is er een zogenaamde AERIUS-berekening uitgevoerd. Hierna wordt de belangrijkste conclusie van het onderzoek weergegeven. Voor de volledig onderzoeksrapportage wordt verwezen naar Bijlage 4 bij deze toelichting. Uit de berekeningen wordt geconcludeerd dat er geen sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Er is daarmee geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstelling van Natura 2000-gebieden. De in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling is in het kader van de Wet natuurbescherming, ten aanzien van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000- gebieden, niet vergunningsplichtig. 5.7.2.2 Gelders Natuurnetwerk / Groene ontwikkelingszone Het Gelders Natuurnetwerk (GNN) / de Groene ontwikkelingszone (GO), is als onderdeel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het GNN/GO is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het GNN/GO geldt het ‘nee, tenzij’- principe.
In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. Het plangebied ligt buiten de begrenzing van het GNN en GO. Het GNN ligt op een afstand van circa 440 meter van het plangebied. De GO ligt op circa 40 meter van het plangebied. Gezien de ruime afstand tot het GNN en de GO en de aard van de ontwikkeling wordt geconcludeerd dat er geen aantasting plaatsvindt van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN.
Toelichting (ontwerp)
39
bestemmingsplan Griseeweg Epe
5.7.3
Soortenbescherming
5.7.3.1 Algemeen Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van kracht. Het is verboden om alle soorten die beschermd zijn volgens de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn, evenals de in paragraaf 3.2 en 3.3 van de Wet natuurbescherming genoemde soorten te doden en te verwonden, evenals het beschadigen en vernielen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. In voorliggend geval heeft Natuurbank Overijssel ter plaatse van het plangebied een quickscan natuurwaardenonderzoek uitgevoerd. Hierna zijn de resultaten van het onderzoek opgenomen. Voor het volledige onderzoek wordt verwezen naar Bijlage 5 van deze toelichting. 5.7.3.2 Resultaten quickscan natuurwaardenonderzoek De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Beschermde diersoorten benutten het plangebied hoofdzakelijk als foerageergebied, maar mogelijk nestelen er vogels, bezetten grondgebonden zoogdieren er een vaste rust- of voortplantingsplaats en bezetten amfibieën er een (winter)rustplaats.
Vleermuizen bezetten geen vaste rust- of voortplantingsplaats in het plangebied maar gebruiken het wel als foerageergebied en mogelijk benutten ze de beplanting net ten noorden en zuiden van het plangebied als vliegroute. Van de in het plangebied nestelende vogelsoorten, is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Bezette vogelnesten zijn beschermd en mogen niet verstoord, beschadigd of vernield worden. Gelet op de aard van de werkzaamheden kan geen ontheffing verkregen worden voor het beschadigen of vernielen van bezette vogelnesten. Indien de beplanting verwijderd wordt tijdens de voortplantingsperiode, wordt geadviseerd vooraf een broedvogelscan uit te voeren om de aanwezigheid van een bezet vogelnest uit te kunnen sluiten Voor de beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën die een (winter)rust- en/of voortplantingslocatie in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen ‘vangen’ en het ‘beschadigen en vernielen van rust- en voortplantingslocaties. Beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën mogen niet gedood worden als gevolg van het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten. Wel geldt een vrijstelling voor het beschadigen en vernielen van rust- en voortplantingslocaties. Deze vrijstelling is van toepassing omdat er sprake is van een ruimtelijke ontwikkeling.
Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten neemt de betekenis van het plangebied als foerageergebied voor sommige beschermde dieren af, maar dat leidt niet tot overtreding van verbodsbepalingen. Als gevolg van de inrichting van het plangebied als woningbouwlocatie, worden mogelijk vliegroutes van vleermuizen aangetast. Om dit vast te kunnen stellen is een nader onderzoek naar vleermuizen uitgevoerd. Voor het volledige onderzoek wordt verwezen naar Bijlage 6 bij deze toelichting. Uit veldbiologisch onderzoek, uitgevoerd in de zomer van 2022, is gebleken dat de lijnvormige structuren ten noorden en ten zuiden van het plangebied, benut worden door vleermuizen als vliegroute. De aantallen vleermuizen, die gebruik maken van de lijnvormige structuren zijn gering. De soorten die vastgesteld zijn, hebben een ruime tolerantie ten aanzien van kunstlicht. Een gebruikelijke toename van kunstlicht op dergelijke structuren, zodra het naastgelegen gebied ingericht en benut wordt als woonwijk, maakt de lijnvormige structuren voor deze soorten niet ongeschikt als vliegroute. De toename van kunstlicht op de omgeving van de nieuwe woonwijk, leidt niet tot overtreding van een verbodsbepaling van de Wet natuurbescherming. Er hoeft geen ontheffing aangevraagd te worden.
40
Toelichting (ontwerp)
bestemmingsplan Griseeweg Epe
5.7.4
Conclusie
Er is geen sprake van significante negatieve effecten op de NNN en Natura 2000-gebieden. Daarnaast zijn er geen negatieve effecten op beschermde soorten te verwachten.
5.8
Archeologie & cultuurhistorie
5.8.1
Archeologie
5.8.1.1 Algemeen De Monumentenwet 1988 is per 1 juli 2016 vervallen. Een deel van de wet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze in 2023 in werking treedt. Vooruitlopend op de datum van ingang van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het Overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. 5.8.1.2 Situatie plangebied Op basis van de archeologische waardekaart van de gemeente Epe is ter plaatse van het plangebied sprake van een hoge verwachte dichtheid aan archeologische resten (zie afbeelding 5.2).
Afbeelding 5.2: Uitsnede archeologische waardekaart gemeente Epe (Bron: gemeente Epe) Gelet op de hoge archeologische dichtheid aan archeologische resten is in het kader van voorliggend bestemmingsplan een archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek uitgevoerd. Hierna zijn de resultaten van het onderzoek opgenomen. Voor het volledige onderzoek wordt verwezen naar Bijlage 7 van deze toelichting. Er is sprake van een verstoord bodemprofiel tot circa 70 cm. Zeer waarschijnlijk gaat het hier om een verploegd plaggendek. Hieronder zijn in vier boringen intacte B- of BC-horizonten aangetroffen en in een Toelichting (ontwerp)
41
bestemmingsplan Griseeweg Epe aantal boringen een verstoorde BC-horizont. De boringen met een enigszins intact bodemprofiel bevinden zich overwegend in de meest zuidelijke hoek en hier is ook de intacte natuurlijke ondergrond wat hoger ten opzichte van het resterende plangebied. Op basis van de resultaten van veldonderzoek lijkt de kans op een redelijk intacte archeologische vindplaats alleen aanwezig in het zuidelijke deel van het plangebied. Het archeologische niveau is in de rest van het plangebied verdwenen. Dit betekent dat het oorspronkelijke leefniveau - en daarmee de vondstenlaag - eveneens is verdwenen. Eventuele diepere grondsporen kunnen in het gehele plangebied nog aanwezig zijn onder het verstoorde pakket. Naar aanleiding van het archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek is een nader archeologisch onderzoek uitgevoerd ter plaatse van de zuidwesthoek van het plangebied. Hierna zijn de resultaten van het onderzoek opgenomen. Voor het volledige onderzoek wordt verwezen naar Bijlage 8 van deze toelichting. In het onderzoeksgebied is sprake van een verstoorde top van het bodemprofiel met een gemiddelde dikte van 77 cm. Hieronder is in alle boringen een (deels) intacte B-horizont aangetroffen die geleidelijk overgaat in een C-horizont (dekzand). De relevante lagen zijn op een 4 mm zeef gezeefd.
Hierbij zijn geen archeologische indicatoren aangetroffen. De kans op aanwezigheid van archeologische vondsten kan daarom worden bijgesteld naar laag. Op basis van het uitgevoerde booronderzoek is de kans klein dat het plangebied archeologische resten bevat: er zijn geen archeologische indicatoren aangetroffen. Daarbij moet worden opgemerkt dat het hier uitgevoerde karterende booronderzoek geschikt is om indicatoren (aardewerk, vuursteen en dergelijke) op te sporen, maar ongeschikt voor het opsporen van grondsporen (paalkuilen en dergelijke). Aangezien geen indicatoren zijn aangetroffen, wordt echter aangenomen dat er ook geen grondsporen in het plangebied aanwezig zijn. Om deze reden wordt het plangebied ten aanzien van archeologie vrijgegeven. 5.8.2
Cultuurhistorie
5.8.2.1 Algemeen Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden verstaan die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. In de Bro is sinds 1 januari 2012 (artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a) opgenomen dat een ruimtelijk plan “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” dient te bevatten. 5.8.2.2 Beoordeling Er bevinden zich in het plangebied zelf geen rijks- dan wel gemeentelijke monumenten. In het plangebied of in de directe nabijheid van het plangebied is er geen sprake van bijzondere cultuurhistorische waarden. Geconcludeerd wordt dat het aspect cultuurhistorie geen belemmering vormt voor dit plan. 5.8.3
Conclusie
Geconcludeerd kan worden dat er geen archeologisch onderzoek benodigd is en er geen sprake is van negatieve effecten op de cultuurhistorische waarden.
42
Toelichting (ontwerp)
bestemmingsplan Griseeweg Epe
5.9
Water
5.9.1
Vigerend beleid
5.9.1.1 Europees beleid De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Streefdatum voor het bereiken van gewenste waterkwaliteit is 2015. Eventueel kan er, mits goed onderbouwd, uitstel (derogatie) verleend worden tot uiteindelijk 2027. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebiedbeheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald. 5.9.1.2 Rijksbeleid Het Rijksbeleid op het gebied van het waterbeheer is vastgelegd in het Nationaal Water Programma 2022-2027. Het NWP geeft het integrale kader voor het waterbeleid en -beheer van het Rijk voor de periode 2022-2027 (inclusief het Noordzeebeleid). De Stroomgebiedbeheerplannen en Overstromingsrisicobeheerplannen voor de stroomgebieden van de Rijn, Maas, Schelde en Eems en het Programma Noordzee (inclusief het programma Kaderrichtlijn Mariene Strategie) zijn een bijlage bij het NWP.
In het NWP worden de nationale componenten van de herijking van het Deltaprogramma vastgelegd. In het NWP worden de voor het waterbeleid relevante nationale belangen uit de NOVI en de toepassing van de afwegingsprincipes hierbij, verder uitgewerkt. Verder geeft het NWP uitvoering aan de Europese richtlijnen voor waterkwaliteit, de mariene strategie en overstromingsrisico’s. 5.9.1.3 Provinciaal beleid In de Omgevingsvisie Gelderland wordt onder meer de ambitie en de rol van de provincie voor het aspect water aangegeven. De provincie stuurt op een veerkrachtig en duurzaam water- en bodemsysteem. Dit bestaat uit bodem en ondergrond, grondwater en oppervlaktewater. Een veerkrachtig en duurzaam water- en bodemsysteem helpt mee aan een optimale en duurzame driedimensionale inrichting van Gelderland. 5.9.1.4 Beleid waterschap Vallei en Veluwe Op 22 november 2021 is het nieuwe waterbeheerprogramma van Waterschap Vallei en Veluwe, het Blauw Omgevingsprogramma 2022-2027 (BOP) officieel vastgesteld door het algemeen bestuur. Het waterbeheerprogramma is een kerninstrument onder de omgevingswet en bevat naast de verplichte onderdelen van het programma (zoals Kader Richtlijn Water (KRW), Richtlijn Overstromings Risico's (ROR), zwemwaterrichtlijn) ook een niet verplichte deel.
Het BOP is daarmee het wettelijk instrument van het waterschap om de doelen voor de middellange termijn vast te leggen. Het waterbeheerprogramma is resultaatsverplichtend en zelfbindend. 5.9.2
Waterparagraaf
5.9.2.1 Algemeen Zoals in voorgaande paragrafen uiteen is gezet, wordt in het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets, die sinds 1 november 2003 in ruimtelijke plannen is verankerd. In de toelichting op ruimtelijke plannen dient een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets). Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater).
Toelichting (ontwerp)
43
bestemmingsplan Griseeweg Epe
5.9.2.2 Watertoetsproces Het waterschap Vallei en Veluwe is geïnformeerd over voorliggende ontwikkeling door gebruik te maken van de digitale watertoets. De beantwoording van de vragen heeft er toe geleid dat de normale procedure van toepassing is (zie Bijlage 9). Aandachtspunten Voor de verdere uitwerking en concretisering van de beoogde ontwikkeling, geeft het waterschap aan dat rekening gehouden moet worden met een aantal algemene en gebiedsspecifieke aandachtspunten voor water. Algemene aandachtspunten Vasthouden - bergen - afvoeren Een belangrijk principe is dat een deel van het hemelwater binnen het plangebied wordt vastgehouden en/of geborgen en dus niet direct afgevoerd wordt naar de riolering of het oppervlaktewater. Hiermee wordt bereikt dat de waterzuiveringsinstallatie beter functioneert, verdroging wordt tegen gegaan en piekafvoeren in het oppervlaktewater (met eventueel wateroverlast in benedenstrooms gelegen gebieden) wordt voorkomen. Bij lozing op oppervlaktewater zal hiervan een melding gedaan moeten worden bij het waterschap. Grondwaterneutraal bouwen Om grondwateroverlast te voorkomen adviseert het waterschap om boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) te ontwerpen. Dit betekent dat aspecten zoals ontwateringsdiepte en infiltratie van hemelwater, beschouwd worden ten opzichte van de GHG.
Het structureel onttrekken / draineren van grondwater is geen duurzame oplossing en moet worden voorkomen. Het waterschap adviseert de initiatiefnemer dan ook om voorafgaand aan de ontwikkeling een goed beeld te krijgen van de heersende grondwaterstanden en GHG. Eventuele grondwateroverlast is in eerste instantie een zaak voor de betreffende perceeleigenaar. Schoon houden - scheiden - schoon maken Om verontreiniging van bodem, grond- en/of oppervlaktewater te voorkomen is het van belang dat het afstromende hemelwater niet verontreinigd raakt. Dit kan door nadere eisen /randvoorwaarden te stellen aan bijvoorbeeld de toegepaste (bouw)materialen. Wij vragen de initiatiefnemer om duurzame bouwmaterialen te gebruiken. De gemeente kan u hiermee verder helpen. Advies toename verharding Het verhard oppervlak in het plangebied neemt toe. Bij nieuwe lozingen vanaf verhard oppervlak op oppervlaktewater geldt dat de hoeveelheid te lozen water geen nadelig effect mag hebben op het ontvangende watersysteem. Door deze toename aan verharding zal neerslag versneld worden afgevoerd naar het oppervlaktewater, al dan niet via het rioolstelsel. Dit leidt tijdens extreme situaties tot pieken in de waterstand met kans op wateroverlast als gevolg.
Om ervoor te zorgen dat de waterhuishoudkundige situatie niet verslechtert ten gevolge van de verhardingstoename zullen er compenserende maatregelen getroffen moeten worden. Gebiedsspecifieke aandachtspunten Grondwaterfluctuatiezone Het plangebied ligt binnen de grondwaterfluctuatiezone, zoals die door de Provincie Gelderland is bepaald. Dit is een zone langs de flanken van het Veluwemassief, waar de grondwaterstanden naar verwachting op termijn zullen stijgen. Afhankelijk van de verwachtte stijging kan het raadzaam zijn daar nu rekening mee te houden, om daarmee toekomstig grondwateroverlast te voorkomen. Meer informatie over de grondwaterfluctuatiezone kan worden gevonden op de website van de Provincie Gelderland.
44
Toelichting (ontwerp)
bestemmingsplan Griseeweg Epe
5.9.2.3 Waterhuishoudingsplan In het kader van voorgenomen ontwikkeling is door Roelofs Groep een waterhuishoudingsplan opgesteld. Het volledige plan is opgenomen in Bijlage 10 van de toelichting. Hierna wordt ingegaan op de belangrijkste bevindingen. Principe Door de ligging van het plangebied op een es, loopt het terrein af in noordelijke richting. Hemelwater van de daken wordt bij voorkeur bovengronds aangeboden op de erfgrens. Het hemelwater wordt vervolgens bovengronds afgevoerd richting de wadi centraal in het plan. Deze wadi fungeert tevens als speelvoorziening. Parkeerplaatsen worden voorzien van halfverhardingen (grasbetonstenen) en de platte daken van schuurtjes e.d. worden voorzien van sedumdaken. De waterberging op de sedumdaken en in de grasbetonverharding fungeren vooral voor de kleine regenbuien. Bij extremere neerslag gaan ook deze oppervlakken afstromen naar de openbare ruimte. Indien het bovengronds afvoeren van hemelwater niet mogelijk is of de bergingseis in de wadi niet behaald wordt, kan een infiltratieriool toegepast worden. In de Griseeweg kan het water naar de greppels langs de Tongerenseweg worden geleid of via diepinfiltratie naar de ondergrond worden afgevoerd. Tussen de achtertuinen van de Schotakker en het plangebied wordt een greppel aangelegd die het bestaande maaiveld volgt richting de Griseeweg.
Deze greppel zal speels aangelegd worden met groen en verschillende compartimenten. Ontwerpuitgangspunten Vuilwater Minimale diameter PVC Ø 250 mm en vanaf Ø 400 mm beton; Minimale dekking op de buis 1,00 m. Bij voorkeur wordt een dekking van 1,20 m gehanteerd; De afstand tussen de putten bedraagt maximaal 50 m (HIOR); Buisverhang minimaal 1:1.000 en maximaal 1:150 (HIOR). Voorgesteld wordt om de eerste 100 m 1:250, vervolgens 150 m 1:333 en de overige buizen 1:500 te hanteren; Minimale afstand tussen kruisende leidingen 0,20 m; Een maximale vulling van het vuilwaterriool van 50% (Stichting RIONED); Hemelwater Bui bui10 (herhalingstijd T=10 jaar) mag er geen water-op-straat berekend worden (HIOR); Minimale diameter PVC Ø 315 mm en vanaf Ø 400 mm beton; Minimale dekking op de buis 1,00 m. Bij voorkeur wordt een dekking van 1,20 m gehanteerd; De afstand tussen de putten bedraagt maximaal 50 m (HIOR); Buisverhang minimaal 1:1.000 en maximaal 1:150 (HIOR). Voorgesteld wordt om een verhang 1:1.000 te hanteren; Bij een kruising van een HWA-riool met een DWA-riool kruist het HWA-riool boven- of onderlangs en is hoogteligging DWA-riool leidend. Straat- en vloerpeilen Voor de ontwatering wordt aangehouden dat de onderkant van de kruipruimtes minimaal 0,20 m boven de GHG moeten liggen en de vloerpeilen minimaal 1,10 m boven de GHG.
Secundaire wegen worden minimaal 0,70 m boven de GHG aangelegd en openbaar groen 0,50 m. De vloerpeilen liggen 0,25 tot 0,30 m boven de straatpeilen.
Toelichting (ontwerp)
45
bestemmingsplan Griseeweg Epe
Hemelwater Verhard oppervlak Voor de verhardingen op de kavels wordt uitgegaan van de volgende uitgangspunten (totaal van dak en tuinverhardingen): Rijwoningen: 100 m² 2-onder-1-kapwoningen: 160 m² Vrijstaande woningen: 220 m² De parkeerplaatsen worden voorzien van grasbetonstenen (halfverharding). Het hemelwater kan hierdoor ter plekke infiltreren in de ondergrond, mits de opbouw van de fundering dit toelaat. Met de gemeente is afgesproken om deze halfverharding vooralsnog als afvoerend te beschouwen.
46
Toelichting (ontwerp)
bestemmingsplan Griseeweg Epe
Bergingsopgave en compensatie Het waterschap Vallei en Veluwe hanteert een bergingseis van 60 mm. In de huidige situatie is er geen sprake van verharde oppervlakken binnen het plangebied. Op basis van een afvoerend verhard oppervlak van 9.141 m² bedraagt de bergingsopgave 548 m³. Deze berging dient gerealiseerd te worden binnen het plangebied. Afvoer hemelwater Zoals aangegeven wordt bij lage neerslagintensiteiten het hemelwater geborgen op de platte sedumdaken en in de fundering onder de halfverhardingen ter hoogte van de parkeervakken. Een deel van het hemelwater voert over maaiveld af naar de wadi, waar het hemelwater kan infiltreren in de ondergrond. Openbare verhardingen rond de wadi liggen op één oor richting de wadi. In de overige straten worden goten met een minimaal verhang van 1:250 toegepast. In de wadi kan maximaal 319 m³ berging worden gerealiseerd. De wadi is 0,50 m diep en krijgt een talud 1:3. De bodem van de wadi ligt op NAP + 16,15 m, ruim boven de GHG van NAP + 14,45.
Omdat de bergingsopgave in de wadi niet behaald wordt, dient in de Griseeweg de resterende berging gerealiseerd te worden (229 m³). Het betreft hier het laagste punt in de omgeving. Met de gemeente Epe en het waterschap Vallei en Veluwe is afgesproken dat er twee opties zijn om deze berging ter hoogte van de Griseeweg te realiseren, namelijk:
Toelichting (ontwerp)
47
bestemmingsplan Griseeweg Epe
1. Ondergrondse afvoer vanuit de Griseeweg naar een wadi parallel aan de Tongerenseweg. In de huidige situatie ligt hier een greppel die binnen het kadastrale eigendom van de Provincie Gelderland valt. Deze mogelijkheid dient nader afgestemd te worden met de provincie; 2. Indien optie 1 niet haalbaar is, heeft de gemeente Epe de voorkeur uitgesproken voor de DSItechniek van Henk van Tongeren. De DSI-techniek (Düsensauginfiltration) betreft een put waarbij diepinfiltratie plaatsvindt. Gemeente Epe heeft hier goede ervaringen mee en heeft reeds een onderhoudsplan voor dergelijke putten die elders in de gemeente al met succes zijn toegepast. Zoals eerder aangeven dient tussen het plangebied en de bestaande bebouwing van de Schotakker een greppel aangelegd te worden. Deze greppel krijgt een diepte van 0,30-0,40 m. Aangezien deze greppel onder afschot richting de Griseeweg ligt, wordt voorgesteld om de greppel gecompartimenteerd aan te leggen. Daarmee wordt voorkomen dat het hemelwater via de greppel rechtstreeks richting de Griseeweg tot afvoer komt. Optie 1: Vergroten greppel Tongerenseweg naar wadi De greppels langs de Tongerenseweg kunnen vergroot worden tot een wadi. In onderstaande afbeelding is een voorbeeld gegeven hoe groot de wadi kan worden. Hierbij is rekening gehouden met hoogteligging, bestaande bomen en de ligging van bestaande verhardingen.
Het hemelwater dient in de Griseeweg te worden ingezameld met een infiltratieriool, met een afvoer naar de wadi. Het IT-riool staat een deel van het jaar deels gevuld met grondwater. De vertraagde afvoer vanuit de wadi zal plaatsvinden richting de greppels van de N309 aan de zuidkant. Geadviseerd wordt om bij het landmeten ook de eventuele duikers van de greppel aan de noordkant van de voorgenomen wadi in te meten. DSI diepinfiltratie Bij DSI wordt het hemelwater via diepinfiltratieputten in een watervoerend pakket in de ondergrond gebracht. De diameters van deze buizen bedraagt ø 160 mm. Het wordt gecombineerd met een IT-riool, dat overstort in de DSI-putten. De DSI-putten hebben, op basis van praktijkervaringen van de gemeente Epe, een capaciteit van 3 tot 6 m³/uur waarbij de infiltratiecapaciteit over 24 uur gerekend mag worden.
48
Toelichting (ontwerp)
bestemmingsplan Griseeweg Epe Het IT-riool in de Griseeweg ligt onder de GHG, dus zal een deel van het jaar (deels) gevuld zijn met grondwater. Er dient speciale aandacht zijn voor het voorkomen van vervuiling van het systeem. In overleg met bevoegd gezag dient bepaald te worden hoeveel infiltratieputten nodig zijn. Waarschijnlijk kan worden volstaan met 2 of 3 infiltratieputten in de Griseeweg. Afvalwater Hoeveelheden afvalwater Uitgaande van 44 woningen voor het gehele plan en uitgaande van 2,5 inwoner/woning en een afvalwaterproductie van 12 l/inwoner/uur is een afvalwaterstroom te verwachten van 1,32 m³/uur (0,37 l/s). De verwachting is dat deze toename van de afvalwaterstroom geen problemen oplevert voor het gemengde rioolstelsel van de wijk Burgerenk.
Afvoer afvalwater Uitgaande van een DWA-riool PVC Ø 250 mm, de voorgeschreven buisverhangen en een minimaledekking op de buis van 1,00 m, kan bij een weghoogte in de Griseeweg op NAP + 15,40 m precies ondervrijverval aangesloten worden op het bestaande riool in het Vleerveld (NAP + 13,70 m). Doordat het maaiveld in het plan oploopt, kan hier het afschot van de buizen ongeveer met het maaiveld mee lopen. Wanneer uit de controle door de landmeters blijkt dat het bestaande riool hoger ligt dan de aangegevenNAP + 13,70 m, dan dienen de laatste twee strengen vervangen te worden door een wat dieper liggendebuis met buisverhang 1:500 en kan alsnog onder vrijverval worden aangesloten. Geadviseerd wordt omde Griseeweg en het Vleerveld tot de kruising met de Schotakker in dat geval op te hogen naar NAP + 15,50. Straat- en vloerpeilen In onderstaande afbeelding zijn de geadviseerde straat- en vloerpeilen aangegeven. Rondom de centrale wadi liggen de straat en vloerpeilen op een gelijk niveau, waarbij de straten op één oor ligging richting de wadi. Naar het noorden toe loopt het maaiveld af naar een peil van NAP + 15,40 m in de Griseeweg. Wat opvalt zijn de grote hoogteverschillen in het plan, met name aan de noordzijde. Voorkomen moet worden dat hemelwater via de tuinen naar de lager gelegen woningen langs de Griseeweg tot afvoer komt.
Ook de aansluiting van de tuinen van woningen met een verschillend vloerpeil is een
Toelichting (ontwerp)
49
bestemmingsplan Griseeweg Epe aandachtspunt. Op enkele punten zal dit hoogteverschil opgevangen moeten worden door het plaatsen van keerwandjes.
5.9.3
Conclusie wateraspecten
Het aspect waterhuishouding vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
5.10
Besluit milieueffectrapportage
5.10.1 Algemeen De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in deze integrale afweging te geven. Een bestemmingsplan kan op drie manieren met milieueffectrapportage in aanraking komen: Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan); Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 3); Er ontstaat een m.e.r.-plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen). Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4); Er ontstaat een m.e.r.-(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten).
50
Toelichting (ontwerp)
bestemmingsplan Griseeweg Epe
In het Besluit m.e.r. neemt het bestemmingsplan een bijzondere positie in, want het kan namelijk tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r.. Of het bestemmingsplan in deze gevallen voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit in het bestemmingsplan wordt bestemd. Als voor de activiteit eerst één of meerdere uitwerkings- of wijzigingsplannen moeten worden vastgesteld dan is sprake van 'kaderstellend voor' en voldoet het bestemmingsplan aan de definitie van het plan. Is de activiteit geheel of gedeeltelijk als eindbestemming opgenomen voldoet het aan de definitie van het besluit. Een belangrijk element in het Besluit m.e.r., is het (in feite) indicatief maken van de gevalsdefinities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst). Dit betekent dat het bevoegd gezag meer moet doen dan onder de oude regelgeving. Kon vroeger worden volstaan met de mededeling in het besluit dat de omvang van de activiteit onder de drempelwaarde lag en dus geen m.e.r. (beoordeling) noodzakelijk was, onder de nu geldende regeling moet een motivering worden gegeven. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd. 5.10.2 Beoordeling 5.10.2.1
Artikel 2.8 van de Wet natuurbescherming
Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ligt op circa 900 meter van het plangebied. Zoals in paragraaf 5.7.2.1 en Bijlage 4 van deze toelichting is beschreven is geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatieve effecten heeft op de instandhoudingsdoelstelling van Natura 2000-gebieden. Het voornemen is in het kader van de Wet natuurbescherming, ten aanzien van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, niet vergunningsplichtig. 5.10.2.2
Drempelwaarden Besluit m.e.r.
De voorgenomen ontwikkeling wordt mogelijk gemaakt door het partieel herzien van het geldende bestemmingsplan. Dit betekent dat voorliggende ontwikkeling m.e.r.-(beoordelings)plichtig is, indien activiteiten worden mogelijk gemaakt die genoemd worden in onderdeel C of D van het Besluit m.e.r. en de daarin opgenomen drempelwaarden overschrijden. In dit geval is sprake van een ontwikkeling die niet wordt genoemd in onderdeel C van het Besluit m.e.r. en is daarom niet direct m.e.r.-plichtig. Op basis van onderdeel D kan de in dit plan besloten ontwikkeling worden aangemerkt als: 'De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen' (onderdeel D 11.2 besluit m.e.r.). De ontwikkeling in dit bestemmingsplan is m.e.r.-beoordelingsplichtig indien de volgende drempelwaarden worden overschreden: 1. een oppervlakte van 100 hectare of meer, 2. een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of 3. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. Gezien de drempelwaarden wordt geconcludeerd dat voor dit bestemmingsplan geen sprake is van een m.e.r.-beoordelingsplicht. Echter dient ook wanneer ontwikkelingen onder drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich er van te vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben.
Hiertoe is een aanmeldnotitie vormvrije m.e.r-beoordeling opgesteld, deze is opgenomen in Bijlage 11 bij deze toelichting. Uit deze notitie blijkt dat voorliggend bestemmingsplan geen belangrijke nadelige milieugevolgen tot gevolg heeft die het doorlopen van een m.e.r.-procedure noodzakelijk maakt. De gemeente heeft besloten dat in het kader van voorliggend bestemmingsplan geen milieueffectrapportage als bedoeld in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer opgesteld hoeft te worden. Het besluit is opgenomen in Bijlage 12 behorend bij deze toelichting. 5.10.3 Conclusie Dit bestemmingsplan is niet m.e.r.-plichtig. Tevens zijn geen nadelige milieugevolgen te verwachten als gevolg van de vaststelling van dit bestemmingsplan.
Toelichting (ontwerp)
51
bestemmingsplan Griseeweg Epe
Hoofdstuk 6
Juridisch bestuurlijke aspecten
In dit hoofdstuk wordt aangegeven hoe het beleid en de planuitgangspunten zijn verwoord in de planregels. Zo wordt een toelichting gegeven op het juridische systeem en op alle afzonderlijke bestemmingen.
6.1
Inleiding
In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op het plangebied, het relevante beleid en de milieu- en omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het maken van het juridische deel van het bestemmingsplan: de verbeelding en de regels. In dit hoofdstuk wordt dieper ingegaan op de opzet van dit juridische deel. Daarnaast wordt een verantwoording gegeven van de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom een bepaalde functie ergens is toegestaan en waarom bepaalde bebouwing daar acceptabel is.
6.2
Opzet van de regels
6.2.1
Algemeen
In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) die op 1 juli 2008 in werking is getreden, is de verplichting opgenomen om ruimtelijke plannen en besluiten digitaal vast te stellen. De digitaliseringsverplichting geldt vanaf 1 januari 2010. In de ministeriële Regeling standaarden ruimtelijke ordening is vastgelegd dat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) de norm is voor de vergelijkbaarheid van bestemmingsplannen. Naast de SVBP zijn ook het Informatiemodel Ruimtelijke Ordening en de Standaard Toegankelijkheid Ruimtelijke Instrumenten normerend bij het vastleggen en beschikbaar stellen van bestemmingsplannen. De SVBP geeft normen voor de opbouw van de planregels en voor de digitale verbeelding van het bestemmingsplan. Dit bestemmingsplan is opgesteld conform de normen van de SVBP2012. Het juridisch bindend gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de bestemmingen zijn aangegeven. Deze verbeelding kan zowel digitaal als analoog worden verbeeld. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: 1. 2. 3. 4.
Inleidende regels (begripsbepalingen en wijze van meten); Bestemmingsregels; Algemene regels (o.a. afwijkingsregels); Overgangs- en slotregels.
6.2.2
Inleidende regels
Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied en bevatten: Begrippen (Artikel 1) In dit artikel zijn definities van de in de regels gebruikte begrippen opgenomen. Hiermee is een eenduidige interpretatie van deze begrippen vastgelegd. Wijze van meten (Artikel 2) Dit artikel geeft op een eenduidige manier aan op welke wijze bouwhoogten, afstanden, dakhellingen en oppervlakten moeten worden gemeten en hoe voorkomende eisen betreffende de maatvoering begrepen moeten worden. 6.2.3
Bestemmingsregels
Hoofdstuk 2 van de regels bevat de juridische vertaling van de in het plangebied voorkomende bestemmingen. De regels zijn onderverdeeld in o.a.: Bestemmingsomschrijving: omschrijving van de activiteiten die zijn toegestaan; Bouwregels: eisen waaraan de bebouwing moet voldoen (bebouwingshoogte, bebouwingspercentage, etc.);
52
Toelichting (ontwerp)
bestemmingsplan Griseeweg Epe Nadere eisen: burgemeester en wethouders kunnen nader eisen stellen aan plaats en afmetingen van de bebouwing en ten aanzien van aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteit; Specifieke gebruiksregels: regels ten aanzien van strijdig gebruik; Afwijken van de gebruiks- en bouwregels: onder welke voorwaarde mag afgeweken worden van de aangegeven bestemmingen en bouwregels. 6.2.4
Algemene regels
Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied. Dit hoofdstuk is opgebouwd uit: Anti-dubbeltelregel (Artikel 7) Deze regel is opgenomen om een ongewenste verdichting van de bebouwing te voorkomen. Deze verdichting kan zich met name voordoen, indien een perceel of een gedeelte daarvan, meer dan één keer betrokken wordt bij de berekening van een maximaal bebouwingspercentage. Algemene gebruiksregels (Artikel 8) In dit artikel staat beschreven welk gebruik van gronden en bouwwerken in elk geval strijdig zijn met het bestemmingsplan. Algemene afwijkingsregels (Artikel 9) In dit artikel worden de algemene afwijkingsregels beschreven. Deze regels maken het mogelijk om op ondergeschikte punten van de regels in het bestemmingsplan af te wijken. Algemene procedure regels (Artikel 10) In dit artikel worden algemene procedure regels bij het stellen van nadere eisen beschreven.
6.2.5
Overgangs- en slotregels
In Hoofdstuk 4 van de regels staan de overgangs- en slotregels. In de overgangsregels is aangegeven wat de juridische consequenties zijn van bestaande situaties die in strijd zijn met dit bestemmingsplan. In de slotregels wordt aangegeven hoe het bestemmingsplan wordt genoemd.
6.3
Verantwoording van de regels
Kenmerk van de Nederlandse ruimtelijke ordeningsregelgeving is dat er uitgegaan wordt van toelatingsplanologie. Een bestemmingsplan geeft aan welke functies waar zijn toegestaan en welke bebouwing mag worden opgericht. Bij het opstellen van dit bestemmingsplan zijn keuzes gemaakt over welke functies waar worden mogelijk gemaakt en is gekeken welke bebouwing stedenbouwkundig toegestaan kan worden. Het is noodzakelijk dat het bestemmingsplan een compleet inzicht biedt in de bouw- en gebruiksmogelijkheden binnen het betreffende plangebied. Het bestemmingsplan is het juridische toetsingskader dat bindend is voor de burger en overheid en geeft aan wat de gewenste planologische situatie voor het plangebied is. In deze paragraaf worden de gemaakte keuzes nader onderbouwd.