920343 Toelichting Verordening fysieke leefomgeving gemeente Epe 2024
Tekst van het document
Hoofdstuk 5
Regels voor activiteiten
Afdeling 5.1
Omgevingsvergunning voor het bouwen
Artikel 5.1
Doel van de regels voor bodem en bodembescherming
Het doel van de regels voor bodem en bodembescherming staan beschreven in artikel 5.1 en behoeven geen verdere toelichting. Deze afdeling bevat regels, die voorheen waren opgenomen in de Bouwverordening.
25
Afdeling 5.2
Bodem
Artikel 5.2
Op wie van toepassing
Deze afdeling is niet van toepassing op waterbodems, omdat waterbodems niet onder de Aanvullingswet bodem vallen, maar onder de Waterwet. De Waterwet is van toepassing op het beheer van de bodem en oevers van oppervlaktewaterlichamen (de waterbodem). De Wet bodembescherming is van toepassing op de overige bodem. Bij de uitvoering op basis van de Waterwet is het Waterschap het bevoegd gezag. Artikel 5.3
Verbod tot bouwen op verontreinigde bodem
Artikel 5.3 berust op het Besluit bouwwerken leefomgeving. De overige artikelen van deze afdeling berusten op de Aanvullingswet bodem en het Aanvullingsbesluit bodem; In het Besluit bouwwerken leefomgeving wordt aan de gemeenteraden de opdracht gegeven om in een verordening voorschriften op te nemen over het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem. In het derde lid is uitgewerkt op welke bouwwerken deze voorschriften betrekking dienen te hebben. Het woord 'uitsluitend' in de redactie van dit derde lid duidt erop dat aanvulling in deze verordening niet is toegestaan. De gezondheidsrisico's voor de mens bij het gebruik van het bouwwerk vormen in deze benadering het onderscheidend criterium. De indieningsvereisten voor het in behandeling nemen van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen, waartoe het bodemonderzoek behoort, staan in de Regeling bouwwerken leefomgeving. In de Regeling bouwwerken leefomgeving is de verplichting opgenomen dat de aanvrager bij de aanvraag om een vergunning voor een bouwactiviteit een onderzoeksrapport verstrekt betreffende verontreiniging van de bodem, gebaseerd op onderzoek dat is uitgevoerd door een persoon of een instelling die daartoe is erkend op grond van het Aanvullingsbesluit bodem.
Bouwwerken bestemd voor het verblijf van mensen Wat verstaan moet worden onder ‘bouwwerken waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen zullen verblijven’ werd in de Memorie van toelichting bij de Wet tot wijziging van de Woningwet inzake het tegengaan van bouwen op verontreinigde grond (TK 1995-1996, 24 809, nr. 3) nader omschreven. Het betreft hier bouwwerken waarin dagelijks gedurende enige tijd dezelfde mensen verblijven, bijvoorbeeld om te werken of onderwijs te geven of te genieten. Bij ‘enige tijd’ moet gedacht worden aan een verblijfsduur van twee of meer uren per (werk)dag. Het gaat dus niet om een enkele keer twee of meer uren, maar om een meer structureel (over een langere periode dan één dag) twee of meer uren verblijven van dezelfde mensen in het gebouw. Bouwwerken die de grond niet raken Hierbij moet gedacht worden aan dakkapellen en het realiseren van een extra verdieping op een gebouw. 26
Artikel 5.4
Bodemonderzoek
Dit artikel is gebaseerd op het voormalige artikel 2.1.5 van de Bouwverordening. Het artikel over het onderzoek heeft tot doel te bevorderen dat niet wordt gebouwd op verontreinigde grond. Indien het vooronderzoek naar de historie en de bodemgesteldheid uitwijst dat de locatie onverdacht is, kan het bevoegd gezag op basis van het derde lid besluiten af te wijken van de verplichting tot het uitvoeren van het verkennend onderzoek. Lid 3 richt zich specifiek op het onderzoek naar asbest in de grond. Het bodemonderzoek volgens NEN 5740 is niet toereikend om asbest in grond te onderzoeken. Daartoe is de NEN 5707, vigerende uitgave, ontwikkeld. De afwijking vindt plaats door deze op te nemen in de omgevingsvergunning. Er komt geen afzonderlijk besluit tot het afwijken, geen beschikking. De omgevingsvergunning van de Omgevingswet is er immers op gericht alles in één brede omgevingsvergunning te regelen. Bouwwerken met een beperkte instandhoudingstermijn kunnen velerlei zijn, van klein tot groot en voor een zeer divers gebruik. Vermelding van deze categorie betekent niet dat in alle gevallen ontheffing wordt verleend. Artikel 5.5
Aanwijsbevoegdheid interferentiegebieden
Het risico dat thermische invloed gebieden elkaar overlappen neemt met de stijging van het plaatsen van bodemenergiesystemen in toenemende mate toe. Het is derhalve belangrijk dat de gemeente hierover de regie voert om de vraag naar en de beschikbaarheid van de ruimte voor bodemenergie op elkaar af te stemmen.
Afdeling 5.3 Artikel 5.6
Ondergrondse infrastructuur Toepasselijkheid kabels en leidingen
Deze afdeling geeft invulling aan de wettelijke plicht van de gemeente om een verordening op te stellen voor werkzaamheden aan kabels en leidingen ten dienste van een openbaar elektronisch communicatienetwerk. Het bepaalde in deze verordening geldt voor netbeheerders en hun eventuele rechtsopvolger(s). Eventuele bepalingen in deze afdeling, gelden niet voor deze kabels en leidingen indien en voor zover hierin reeds is voorzien in de Telecommunicatiewet of privaatrechtelijke overeenkomsten. Vooralsnog is er geen vergelijkbare wettelijke regeling voor andere kabels en leidingen, zoals elektriciteitskabels en waterleidingen. Regels en afspraken met betrekking tot deze netbeheerders werden steeds opgenomen in de Algemene verordening ondergrondse infrastructuur en/of in privaatrechtelijke overeenkomsten. Met deze afdeling wordt voorzien in, zoveel mogelijk uniforme, regelgeving voor alle netbeheerders die binnen de gemeente werken.
27
Artikel 5.7
Nadere regels
Het college kan in voorkomende gevallen nadere regels ter uitvoering van deze afdeling vaststellen. Denk hierbij aan een Nadeelcompensatieregeling, een Schaderegeling ingravingen, tarieven voor onder andere herstel, beheer- en degeneratiekosten en een handboek kabels en leidingen. Artikel 5.8
Instemmingsvereisten
Uitgangspunt is dat werkzaamheden in de openbare ruimte verboden zijn, tenzij men beschikt over een instemmingsbesluit. De in de Telecommunicatiewet neergelegde verplichting dat instemming van burgemeester en wethouders is vereist, is opgenomen in deze afdeling en is van toepassing op de werkzaamheden van alle netbeheerders. Daarmee wordt ook voorzien in de toestemming of vergunning die andere kabel- en leidingeigenaren voorheen dienden te hebben voor voorgenomen werkzaamheden in gemeentegrond. Conform het bepaalde in de Telecommunicatiewet geldt dat die instemming betrekking heeft op de plaats, het tijdstip en de wijze van uitvoering van de werkzaamheden. In dit artikel wordt voor de instemmingsprocedure onderscheid gemaakt tussen werkzaamheden van niet ingrijpende aard en spoedeisende werkzaamheden. Niet ingrijpende werkzaamheden zijn werkzaamheden waarvoor gedurende niet meer dan een korte tijd in een beperkt gedeelte van het netwerkwerkzaamheden worden verricht en waarvan de impact voor de omgeving relatief beperkt en kortstondig is. Er wordt als norm een in deze afdeling bepaalde lengte van de kabels en/of leidingen gehanteerd en daarbij mogen geen verhardingen of groenvoorzieningen worden gekruist. Bij spoedeisende werkzaamheden kan het voorkomen dat, juist vanwege de urgentie, digitaal melden vooraf onmogelijk is.
De uitzonderingsbepaling voor spoedeisende werkzaamheden geldt niet als werkzaamheden moeten worden verricht in gebieden die door de raad op een vooraf bekendgemaakte kaart zijn aangegeven. Dit betekent dat in gebieden die op deze kaart staan geen spoedeisende werkzaamheden uitgevoerd mogen worden zonder voorafgaand instemmingsbesluit. Voorbeelden van dergelijke gebieden die op de kaart kunnen staan zijn:
risicogebieden als industriegebieden met buisleidingen voor transport met gevaarlijke stoffen; historische stadskernen of historische straten of natuurgebieden; toegangswegen van en naar gebouwen van hulpdiensten, brandweerkazernes, politie en gemeentelijke gebouwen. de gemeente kan voor toegangswegen naar zulke gebouwen de doorgang altijd opeisen.
In bovenstaande gevallen is het niet aanvaardbaar dat zonder specifiek toezicht van de gemeente wordt gegraven. Voor werkzaamheden rond de kabels en/of leidingen van de gemeente zelf, zoals de riolering, netten voor openbare verlichting, is om praktische redenen deze afdeling niet van toepassing.
28
Om redenen van effectiviteit en kwaliteit is het wel zeer wenselijk dat waar mogelijk binnen de gemeente afspraken en procedures worden gemaakt om de doelen van deze afdeling ook intern zoveel mogelijk na te leven. Ondanks het feit dat er een instemmingsbesluit of een goedkeuring op een melding voor de werkzaamheden is verstrekt, is het college bevoegd een breekverbod in te stellen tijdens door de gemeente vergunde evenementen of als er naar haar oordeel sprake is van weersomstandigheden, waarbij de uitvoering van de werkzaamheden tot overlast of gevaar voor de bewoners en/of schade voor de gemeente kan leiden. Een afweging die hierbij gemaakt wordt is de kans op schade en de omvang hiervan aan de openbare gronden als er gegraven wordt. Het breekverbod wordt op de dag dat dit ingaat, gecommuniceerd naar de betrokken uitvoerende partijen. In ieder geval een dag voor het beëindigen van het breekverbod wordt dit meegedeeld aan de betrokken uitvoerende partijen. Gedurende het breekverbod mogen er op geen enkele wijze werkzaamheden plaatsvinden in de openbare grond en/of bestrating. In het geval van spoedeisende werkzaamheden is het breekverbod niet van toepassing. Een nadere omschrijving van het breekverbod is opgenomen in het handboek kabels en leidingen.
De geldigheidsduur van het instemmingsbesluit en/of goedgekeurde melding wordt automatisch verlengd met de periode van het breekverbod. Artikel 5.9
Aanvragen en melden
In het artikel wordt aangegeven dat de aanvraag van de voorgenomen werkzaamheden bij het college moet worden gedaan. Dat kan bij burgemeester en wethouders of bij de daarvoor gemandateerde ambtenaren. Voor spoedeisende werkzaamheden, zoals ingeval van storingen, wordt een uitzondering gemaakt. Deze moeten zoveel mogelijk voor aanvang van de werkzaamheden gemeld worden, als dit niet mogelijk is moet dit in ieder geval binnen een werkdag na uitvoering van de werkzaamheden zijn gedaan. Spoedeisende werkzaamheden moeten bij het college worden gemeld dan wel bij een daartoe door hen gemachtigd ambtenaar. In de praktijk kan buiten kantooruren de melding veelal plaatsvinden bij de calamiteiten- of piketdienst. De burgemeester kan besluiten dat de werkzaamheden op een ander dan het voorgenomen tijdstip plaatsvinden als de openbare orde zich verzet tegen de uitvoering van bovengenoemde werkzaamheden. Dit geldt ook als er gevaar dan wel de vrees voor het ontstaan van gevaar is. In dit artikel wordt beschreven dat de voorgenomen werkzaamheden ook betrekking kunnen hebben op openbare gronden van andere gedoogplichtigen of grondeigenaren dan de gemeente. Omdat de gemeente een coördinerende rol heeft over alle openbare gronden binnen de gemeentelijke grenzen moet voor alle voorgenomen werkzaamheden in openbare grond een aanvraag voor een instemmingsbesluit worden gedaan.
Dit geldt dus ook in het geval dat voorgenomen werkzaamheden zich beperken tot bijvoorbeeld openbare gronden van de Provincie of het Waterschap. Wellicht ten overvloede wordt erop gewezen dat naast het instemmingsbesluit mogelijk ook andere vergunningen aangevraagd moeten worden voor de voorgenomen werkzaamheden. In het geval dat naast een instemmingsbesluit een vergunning van een al dan niet ander bestuursorgaan dan de gemeente nodig is, heeft de gemeente hierin een coördinerende rol om afstemming te bevorderen. 29
Als de aanvrager daar om verzoekt kan de gemeente inhoudelijke afstemming van de beoordeling van de aanvragen bij andere bestuursorganen nastreven. De aanvrager blijft echter zelf verantwoordelijk voor de afstemming en toestemming van alle betrokken gedoogplichtigen of grondeigenaren en het aanvragen en verkrijgen van de benodigde vergunningen. Het is belangrijk dat aanvragers zelf bij het aanvragen van een instemmingsbesluit rekening houden met een eventueel vergunning traject waarop de aanvraag voor het instemmingsbesluit betrekking heeft. Dit kan onnodige vertraging voorkomen bij het afgeven van het instemmingsbesluit omdat het verlenen van een benodigde vergunning eerst afgewacht moet worden voordat er instemming kan worden verleend. Artikel 5.10
Gegevensverstrekking
In dit artikel is verduidelijkt op welke wijze een aanvraag moet worden gedaan en welke gegevens daarbij verstrekt moeten worden. Het betreft informatie die de gemeente als beheerder van de openbare gronden nodig heeft om een juiste beoordeling te maken en inzicht te krijgen in de belangen die door de voorgenomen werkzaamheden worden geraakt. Zo moeten in het geval dat een netbeheerder opdracht geeft om de werkzaamheden te laten verrichten en daartoe een externe uitvoerder machtigt, behalve de gegevens van de externe partij ook die van de netbeheerder worden verstrekt. De aanvraag moet digitaal gebeuren door middel van het door het college gehanteerde registratiesysteem. Voor aanvragen voor werkzaamheden van niet ingrijpende aard behoeft slechts een beperkt aantal gegevens verstrekt te worden. Voor reguliere aanvragen moeten meer gegevens verstrekt worden. Het college kan besluiten de aanvraag niet in behandeling te nemen in overeenstemming met het bepaalde in artikel 4:5, lid 1, van de Algemene wet bestuursrecht. Bij de aard van de kabels en/of leidingen gaat het erom of deze deel uitmaken van een openbaar netwerk. Is dit niet het geval dan hoeft de gemeente de aanleg van die kabels en/of leidingen niet toe te staan.
Het waarborgen van de blijvende bereikbaarheid van de kabels en/of leidingen kan bijvoorbeeld worden aangetoond door een opgave van de doorsnede van de kabel- en/of leidingsleuf of -goot waarin het ruimtebeslag van de aanwezige en de aan te brengen kabels en/of leidingen gezamenlijk is aangegeven. Indien de aanleg van kabels en/of leidingen (mogelijk) hinderlijke ligging teweeg zal brengen moet aan de gemeente overlegd worden wat de uitkomst is van overleg met andere netbeheerders en welke afspraken inzake de hinderlijke ligging er zijn gemaakt tussen netbeheerders. Indien het beoogde tracé geen ruimte biedt voor de aanleg van nieuwe kabels en/of leidingen moet een alternatief tracé worden gekozen. Op grond van de Wet informatie-uitwisseling bovengrondse en ondergrondse netten (WIBON) is er een elektronisch informatiesysteem waarmee informatie tussen beheerders enerzijds en opdrachtgevers, grondroerders en bestuursorganen anderzijds wordt uitgewisseld. De netbeheerders zijn verplicht, conform WIBON, om hun kabels en/of leidingen zodanig te registreren, dat steeds inzicht daarin kan worden verkregen.
30
Er is samenhang tussen de WIBON en deze afdeling. De WIBON heeft betrekking op het voorkomen van graafschade via een plicht tot zorgvuldig graven én een plicht tot zorgvuldige en tijdige informatie-uitwisseling. De WIBON bepaalt in artikel 44 dat het onverlet laat dat de gemeente in het belang van openbare orde en veiligheid bij verordening voorschriften kan geven over werkzaamheden, waaronder het binden van graafwerkzaamheden aan het hebben van een vergunning (in de zin van deze afdeling een instemmingsbesluit). Artikel 5.11
Voorschriften bij instemmingsbesluit
Op grond van deze afdeling gelden een aantal verplichtingen voor degene die werkzaamheden gaan verrichten. Daarnaast kan het college aan het instemmingsbesluit aanvullende voorschriften verbinden. In deze afdeling is geregeld onder welke voorwaarden dit kan en welke soort voorschriften dit zijn. De voorschriften hebben vooral te maken met de wijze van uitvoering en zijn gericht op de (deels wettelijk vastgelegde) belangen die de gemeente geacht wordt te behartigen. Daarnaast kunnen door burgemeester en wethouders lokaal geldende regels van toepassing worden verklaard als die er ten aanzien van de aanleg van kabels en/of leidingen zijn. In het kader van de ondergrondse ordening kan gedacht worden aan bescherming van reeds in de grond aanwezige netwerken van bijvoorbeeld de riolering en de levering of het transport van elektronische informatie, gas, water, elektriciteit of vaste stoffen. Bescherming van deze netwerken betekent onder meer het niet in gevaar brengen of zonder noodzaak bemoeilijken van deze netwerken. Voorts kan dit (indirect) met zich meebrengen dat deze netwerken zo min mogelijk worden gehinderd in hun ligging. Dit artikel benadrukt dat alle belanghebbenden worden geïnformeerd. Hieronder vallen onder andere bewoners van percelen langs het tracé, maar ook de bedrijfsmatige gebruikers, winkeliers en gebruikers van kantoorpanden.
Als het college vooraf heeft aangegeven zelf zorg te dragen voor het in oude staat terugbrengen van verhardingen en beplanting moet de netbeheerder de marktconforme kosten daarvan aan de gemeente vergoeden. Artikel 5.12
(Mede)gebruik van voorzieningen
Dit artikel heeft als doel om medegebruik zoveel als mogelijk te bevorderen. Op verzoek van het college moet zoveel mogelijk gebruik gemaakt worden van reeds aanwezige voorzieningen, mits deze tegen een marktconforme prijs worden aangeboden. Het doel hiervan is te voorkomen dat onnodig gegraven wordt in gemeentegrond en dat er zo effectief mogelijk gebruik wordt gemaakt van de openbare ruimte, bijvoorbeeld door middel van het delen van voorzieningen. Voorzieningen zijn bijvoorbeeld kabelgoten en geleidingen. Artikel 5.13
Termijnen
De beslistermijn van het college is maximaal acht weken en is afgeleid uit de Telecommunicatiewet en de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
31
Op grond van de Telecommunicatiewet en de Awb deelt het college indien een instemmingsbesluit niet binnen de bij wettelijk voorschrift bepaalde termijn kan worden genomen, dit aan de aanvrager mee en noemen daarbij een zo kort mogelijke termijn waarbinnen het instemmingsbesluit wel kan worden genomen. Artikel 5.14
Het nemen van maatregelen en nadeelcompensatie
Op het nemen van maatregelen, waaronder het verplaatsen, ten aanzien van kabels en/of leidingen in of op openbare gronden gelden de geformuleerde bepalingen, in samenhang met de Telecommunicatiewet of eventuele geldende privaatrechtelijke overeenkomsten met de netbeheerder(s). Een netbeheerder is verplicht maatregelen te nemen, waaronder het verplaatsen, als dat noodzakelijk is voor werken door of vanwege de gemeente. De gemeente zal dus de noodzaak moeten aantonen. De eventuele compensatie van kosten van het nemen van maatregelen, waaronder het verplaatsen, worden berekend aan de hand van de gemeentelijke publiekrechtelijke Nadeelcompensatieregeling, de tussen partijen van toepassing zijnde privaatrechtelijke afspraken of de Telecommunicatiewet. Alle hierboven bedoelde kosten van het nemen van maatregelen, waaronder het verplaatsen, ten aanzien van kabels en/of leidingen, op verzoek van de gemeente zijn onvermijdelijke maatschappelijke kosten die zo laag mogelijk gehouden moeten worden. Dat is één van de redenen waarom op initiatief van de gemeente proactieve regie wordt gevoerd. Hierbij worden de plannen van de gemeente én van de netbeheerders vanuit een lange termijnplanning (tot vijf jaar vooruit) zoveel als mogelijk inzichtelijk gemaakt en gemonitord teneinde werkzaamheden zoveel als mogelijk op elkaar af te stemmen en/of te combineren. Artikel 5.15
Overleg
Ter afstemming van allerlei zaken en het voeren van proactieve regie wordt er regelmatig een periodiek (lange termijn-) overleg gepland tussen de gemeente en netbeheerders en andere betrokken of belanghebbende partijen. Dit gebeurt op initiatief van de gemeente. Het kan ook in samenwerking met andere gemeenten of overheden gebeuren. De gemeente overlegt met de netbeheerders indien de gemeente plannen heeft tot verkoop van gronden waarin (mogelijk) kabels en leidingen liggen. In overleg tussen de gemeente en de netbeheerder wordt mogelijk een zakelijk recht van opstal gevestigd of wordt tot verplaatsing van de kabels en leidingen overgegaan. Artikel 5.16
Niet openbare netwerken
Met een niet openbaar netwerk worden kabels en/of leidingen bedoeld die niet gebruikt worden om openbare diensten aan te bieden. Voorbeelden hiervan zijn warmtenetten of een point-to-point (glasvezel)verbinding tussen twee gebouwen als deze (gedeeltelijk) in openbare grond is aangelegd door de gebouweneigenaar zelf. De gemeente gedoogt (onder voorwaarden) kabels en/of leidingen met een publieke of openbare functie in de openbare ruimte. De gemeente kan echter ook aanvragen krijgen van partijen die kabels en/of leidingen wensen aan te leggen die niet onder het begrip openbaar netwerk vallen.
32
Vanwege het intensieve gebruik van de ondergrondse ruimte en de veiligheidsrisico’s gaat de gemeente terughoudend om met het verlenen van toestemming voor de aanleg van niet openbare netwerken van particulieren en/of bedrijven. Particulieren die een eigen verbinding wensen, moeten bij voorkeur gebruik maken van openbare netstructuren. Toch zijn er uitzonderingssituaties en indien de beschikbare (ondergrondse) ruimte het toestaat kan de gemeente onder strikte voorwaarden daarvoor toestemming geven. Bij werkzaamheden in verband met de aanleg, instandhouding en opruiming van niet openbare netwerken in openbare wegen en wateren is het bepaalde in deze afdeling van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat waar wordt bedoeld openbare netwerken daar moet worden gelezen niet openbaar netwerk. Dat betekent echter niet dat de gemeente daarmee een gedoogplicht voor deze kabels en/of leidingen heeft. Artikel 5.17
Informatieplicht
Ten aanzien van kabels (en bijbehorende voorzieningen) ten dienste van openbare elektronische communicatienetwerken is wettelijk voorzien in regels voor de duur van de gedoogplicht. Het is mede daarom van belang om inzichtelijk te hebben of kabels en/of leidingen nog deel uitmaken van een netwerk. Ook gezien de mogelijkheden tot medegebruik van al bestaande voorzieningen. Netbeheerders moet het college informeren over het al dan niet in gebruik zijn van bepaalde voorzieningen. Op verzoek van burgemeester en wethouders moeten zij gegevens kunnen overleggen van alle al dan niet in gebruik zijnde kabels en/of leidingen. Het gaat daarbij om gegevens over de status van de kabels en/of leidingen, bijvoorbeeld dat deze (tijdelijk) niet in gebruik zijn, maar op enig moment wel weer in gebruik kunnen worden genomen, of dat deze verlaten worden en op een geschikt moment kunnen worden opgeruimd. De bewijslast van ingebruikname en het in gebruik hebben, ligt bij de netbeheerder. Wijzigingen kunnen ook optreden door het vervallen van het openbare karakter van gronden. Dit heeft ook gevolgen voor het al dan niet mogen hebben en houden van kabels en/of leidingen in deze gronden. Het college moet op de hoogte gesteld worden van het feit dat het eigendom wordt overgedragen.
Indien eigendom, exploitatie of beheer van de kabel en/of leiding wordt overgedragen aan een andere netbeheerder, gaan de rechten en plichten volgens deze afdeling van rechtswege over op de nieuwe netbeheerder. Op het eigendom van kabels en leidingen zijn de wettelijke bepalingen van toepassing. Artikel 5.18
Toezicht en handhaving
De gemeente is belast met de handhaving van hetgeen in deze afdeling is opgenomen en ten aanzien van het instemmingsbesluit. Dit artikel geeft aan dat het college ambtenaren kan aanwijzen die belast zijn met toezicht op de naleving van het bepaalde krachtens deze afdeling. Als één of meer partijen zich niet houden aan de voorschriften van deze afdeling behoudt het college zich nadrukkelijk het recht voor gebruik te maken van de hen toekomende bevoegdheden en mogelijkheden zowel bestuursrechtelijk als civielrechtelijk en eventueel strafrechtelijk. 33
Bestuursrechtelijk zijn met name de Awb en de Gemeentewet van belang met de huidige bepalingen inzake bestuursdwang, last onder dwangsom en de bestuurlijke boete. Civielrechtelijk blijven de opties van onrechtmatige daad van toepassing. Strafrechtelijk is naast het wetboek van Strafrecht in algemene zin ook de Wet op de economische delicten relevant, omdat daarin rechtstreeks bepalingen uit de Telecommunicatiewet van toepassing zijn verklaard. Afgezien van voornoemde preventieve en vooral correctieve of repressieve acties kan het college in voorkomende gevallen ook ingrijpen in het lopende proces en werkzaamheden (onder bepaalde voorwaarden) ook tijdelijk stil leggen. In dit artikel staat beschreven in welke gevallen dit kan. Bijvoorbeeld bij overtreding van het breekverbod. Normaliter zal het college handhavend optreden, maar onder bijzondere omstandigheden kan worden verlangd dat achteraf een situatie wordt gelegaliseerd. Bijvoorbeeld indien voor reeds uitgevoerde werkzaamheden een melding is gedaan terwijl een instemmingsbesluit had moeten worden aangevraagd. Het laten verwijderen of verplaatsen van de kabels en/of leidingen kan zodanig onevenredig zijn in verhouding tot het openbaar belang dat de vereiste instemmingsprocedure alsnog moet worden gevolgd. Daarbij is het belangrijk dat er voldaan moet worden aan de voorwaarden die zijn verbonden aan de instemmingsprocedure.
Te denken valt onder andere aan een aantal (praktische) zaken, zoals het verstrekken van relevante gegevens. De kosten die de gemeente maakt voor het alsnog volgen van de vereiste procedure, is ook te beschouwen als een dienst van de gemeente waarvoor alsnog (verhoogde) leges verschuldigd kunnen zijn. Ook eventuele herstraatkosten en dergelijke kunnen in rekening worden gebracht. Het college heeft de mogelijkheid de verleende instemming in te trekken als er niet voldaan is aan de voorschriften wat betreft plaats, tijdstip en wijze van uitvoering van werkzaamheden. Het college gaat niet over tot intrekking van het instemmingsbesluit voordat het college de houder van het instemmingsbesluit hebben gehoord. Aan het besluit tot intrekking van het instemmingsbesluit kan de verplichting worden verbonden om de betreffende kabels en/of leidingen te verplaatsen of deze te verwijderen, zodat weer de oorspronkelijke situatie ontstaat. Artikel 5.19
Aanleggen, instandhouden, opruimen van (telecom)kabels en leidingen
Deze artikelen waren opgenomen in artikel 2.1, eerste tot en met derde lid van de AVOI. Voor kabels en leidingen die niet onder de Telecommunicatiewet vallen, geldt de vergunningplicht slechts voor openbare gronden die in beheer zijn bij de gemeente. Voor telecomkabels zijn de regels van toepassing op alle openbare gronden, ongeacht wie deze beheert. Zo is de gemeente bijvoorbeeld voor gronden waar de provincie haar beheergebied heeft, toch het bevoegde gezag om voor werkzaamheden in die gronden een instemmingsbesluit af te geven. Dit vloeit voort uit artikel 5.4 van de Telecommunicatiewet. Zoals gezegd gaat dit dus niet op voor werkzaamheden van andere netbeheerders (zoals Gasunie en TenneT), zodat er buiten het beheergebied van de gemeente geen vergunningplicht op basis van de Vfl geldt.
34
Ook is het in het eerste lid opgenomen verbod niet van toepassing op kabels en leidingen waarvoor reeds een ander bestuursorgaan zoals het Rijk of de provincie op grond van haar beheertaak de vergunningverlenende instantie is. Van belang is dus dat bij regelgeving van andere bestuursorganen voorzien wordt in hetzelfde onderwerp. De overlap van beheergebied bij de vergunningverlening van een waterschap en de gemeente ten aanzien van kabels en leidingen, raakt elkaar vaak. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer er een gemeentelijke openbare weg over een waterkering loopt. In dit geval zal de netbeheerder zowel bij de gemeente als bij het waterschap een vergunning dan wel ontheffing aan dienen te vragen. De uit te voeren toets van het waterschap ziet namelijk op het belang van het waterstaatswerk, de toetsing van de gemeente op het belang van de weg. In dat kader wordt door beide bestuursorganen voorzien in een verschillend onderwerp. Het definiëren van het onderscheid tussen werkzaamheden van al dan niet ingrijpende aard vloeit voort uit artikel 5.4, vijfde lid van de Telecommunicatiewet, maar geldt ook voor kabels en leidingen die niet onder de Telecommunicatiewet vallen. Het betreffen werkzaamheden waarvoor geen instemmingsbesluit of vergunning hoeft te worden aangevraagd, maar waarbij kan worden volstaan met een melding aan het college.
Naast werkzaamheden aan huisaansluitingen worden andere kleine werkzaamheden aan een lichter regime onderworpen, zolang de werkzaamheden voldoen aan de vastgestelde eisen en randvoorwaarden. Dit kan omdat deze werkzaamheden veelal slechts gedurende relatief korte tijd in een beperkt gedeelte van het netwerk worden verricht, en de impact relatief beperkt en kortstondig is. Voor deze kleine werkzaamheden geldt een verkorte meldingsprocedure. Het college kan bepalen dat voor werkzaamheden die vallen binnen een aangegeven categorie van kleine werkzaamheden, maar welke zijn gesitueerd binnen een bepaald aangewezen gebied, niet met een melding kan worden volstaan, maar altijd een vergunning of een instemmingsbesluit moet worden aangevraagd. Hierbij moet gedacht worden aan gebieden als de ‘oude’ binnenstad. Gelet op de grote publieke belangen die in het geding kunnen zijn, zoals het waarborgen van bereikbaarheid voor politie, brandweer en ambulance en de veiligheid voor het publiek, is het niet verantwoord dat zonder meer met de werkzaamheden mag worden begonnen als de gemeente verzuimd zou hebben binnen de gestelde termijn te beslissen. Dat laat natuurlijk onverlet dat, indien de gemeente in gebreke is, daartegen rechtsmiddelen openstaan.
Hierbij moet gedacht worden aan de beroepsmogelijkheden die de Awb in artikel 6:12 biedt bij het niet tijdig nemen van een besluit door een overheidsinstantie. Artikel 5.20 en 5.21
Voorschriften en bepalingen bij vergunning en melding
Deze artikelen waren opgenomen in artikel 2.5 van de AVOI. Meestal kan door het verbinden van voorschriften en beperkingen aan het instemmingsbesluit of de vergunning worden bereikt dat aan hetgeen in afdeling 5.3 is gesteld kan worden voldaan en de belangen waartoe deze paragrafen strekken voldoende worden beschermd.
35
Als ook door het stellen van voorschriften en beperkingen de genoemde belangen niet voldoende kunnen worden beschermd dan moet een vergunningaanvraag op basis van artikel 5.21 worden geweigerd. Een instemmingsbesluit kan vanwege de uit de Telecommunicatiewet voortvloeiende gedoogplicht formeel niet worden geweigerd. Aan een instemmingsbesluit kunnen wel voorschriften en beperkingen worden verbonden. Daarnaast geldt dat een telecomaanbieder, ondanks het ontbreken van een vergunningplicht, ingevolge artikel 5.2, elfde lid van de Telecommunicatiewet gebonden is aan voorschriften die gelden bij of krachtens andere wetten zoals de Wet beheer rijkswaterstaatswerken. Artikel 5.22
Wijziging en intrekken bij vergunning en melding
Deze artikelen waren opgenomen in artikel 2.6 van de AVOI. Artikel 5.22 geeft het college de bevoegdheid om een vergunning of instemmingsbesluit in te trekken of te wijzigen indien sprake is van één of meer van de in het eerste lid genoemde situaties. Hierbij dient opgemerkt te worden dat voor een vergunning vier gronden zijn benoemd en voor een instemmingsbesluit enkel twee gronden zijn benoemd. De reden hiervan is gelegen in het feit dat een instemmingsbesluit vervalt nadat de werkzaamheden zijn voltooid. Daardoor kan een instemmingsbesluit alleen worden gewijzigd of ingetrokken voor of gedurende de werkzaamheden. Wanneer kabels of leidingen definitief buiten gebruik worden gesteld, kan de vergunning worden ingetrokken. Dit is verwoord onder c van het eerste lid. Dit geldt niet voor telecomkabels, omdat het instemmingsbesluit vervalt na de werkzaamheden. In gevallen waarin kabels of leidingen nog wel worden onderhouden of in reserve worden gehouden zal er in beginsel geen sprake zijn van het intrekken van een vergunning.
Afdeling 5.4 Artikel 5.23
Aansluiten op de gemeentelijke riolering Doel van de regels in deze afdeling
Het doel van de regels in deze afdeling is het behouden en beschermen van de gemeentelijke voorziening voor het beheer van afvalwater en regenwater en daarmee het beschermen van bodem en water. Dit draagt bij aan een veilige en gezonde fysieke leefomgeving voor mens, dier en plant. Artikel 5.24
Aanleggen rioolaansluiting
De gemeente legt de rioolaansluiting aan tot de perceelgrens. Het aanleggen van de rioolaansluiting en het herstel van de openbare ruimte gebeurt op kosten van de eigenaar of een andere rechthebbende op het perceel. Artikel 5.25
Eigendom rioolaansluiting
De grens tussen het gemeentelijke eigendom en het particuliere eigendom van een rioolaansluiting ligt ter plaatse van het ontstoppingsstuk in die rioolaansluiting. Als voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater een rioolwaterpomp is vereist ligt de grens, in afwijking van het vorenstaande, ter plaatse van de uitmonding van de rioolwaterpomp. Bij afwezigheid van een ontstoppingsstuk en rioolpomp ligt de grens in de rioolaansluiting op een afstand van 0,5 meter buiten de perceelsgrens.
36
Artikel 5.26
Kosten rioolaansluitingen
Het college stelt jaarlijks vóór 1 december in een Tarievenbesluit rioolaansluitingen de bedragen vast waarvoor gedurende het daaropvolgende jaar een rioolaansluiting, met inbegrip van hulpstukken, aansluitingsputten en putdeksels en de kosten van eventuele herbestrating en plantsoenherstel, wordt verzorgd. Artikel 5.27
Verwijderen septic tanks
De eigenaar of andere rechthebbende op het perceel dat wordt aangesloten op de gemeentelijke riolering verwijdert op eigen kosten de aanwezige septic tank.
Afdeling 5.5 Afvalstoffen Artikel 5.28
Definities
De begrippen inzamelmiddel, inzamelplaats en inzamelvoorziening zijn opgenomen om deze van elkaar te onderscheiden. Een inzamelmiddel is bestemd voor een enkel huishouden en is bijvoorbeeld een huisvuilzak, minicontainer, afvalemmer, kca-box of big bag. Een inzamelplaats is aangewezen op grond van artikel 5. Meestal wordt de inzamelplaats gemeentelijke afvaldepot, brengdepot of milieustraat genoemd. Een inzamelvoorziening is bestemd voor meerdere huishoudens. Een inzamelvoorziening is bijvoorbeeld een (ondergrondse) verzamelcontainer, wijkcontainer of brengdepot. Uit artikel 10 wordt duidelijk dat inzamelmiddelen gebruikt worden voor het aanbieden ter inzameling bij een perceel en inzamelvoorzieningen voor het aanbieden nabij een perceel. Het begrip perceel is omwille van de leesbaarheid opgenomen met een vaste toevoeging die bij het gebruik van dit begrip in de verordening telkens moet worden meegelezen. Het gaat immers telkens om percelen waar huishoudelijke afvalstoffen kunnen ontstaan. Deze toevoeging is opgenomen in verband met de artikelen 10.21 en 10.22 van de Wm, waarin sprake is van de zorg van de gemeente voor de inzameling van huishoudelijke afvalstoffen “bij elk binnen haar grondgebied gelegen perceel waar zodanige afvalstoffen geregeld kunnen ontstaan”. Wat onder perceel moet worden verstaan kan niet goed op het niveau van deze verordening worden vastgesteld.
Ingevolge het arrest van de Hoge Raad van 18 september 1991, nr. 27597, BNB 1991/333, is een perceel een plaats waar huishoudelijke afvalstoffen geregeld binnen een particuliere huishouding kunnen ontstaan. Slechts dan is geen sprake van een perceel, indien het gaat om een gedeelte van een onroerende (of roerende) zaak dat blijkens indeling en inrichting niet is bestemd voor het voeren van een particuliere huishouding waarin geregeld huishoudelijke afvalstoffen kunnen ontstaan. Dit zal telkens naar de feiten en het spraakgebruik bepaald moeten worden. Ingevolge het arrest van de Hoge Raad van 10 juli 2015 (ECLI:NL:HR:2015:1773) kon ook een woonruimte in een zorgcentrum een particuliere huishouding zijn waar geregeld huishoudelijke afvalstoffen kunnen ontstaan (zie voor de feiten Gerechtshof Den Haag 19 augustus 2014, ECLI:NL:GHDHA:2014:2862).
37
Artikel 5.29
Doelstelling
In dit artikel is het met de verordening te dienen doel vermeld. Deze volgt uit de wettelijke grondslag van de verordening. De toepassing van bevoegdheden op basis van deze verordening zullen derhalve telkens in dat kader moeten plaatsvinden. Doelmatig afvalstoffenbeheer is onderdeel van de bescherming van het milieu. Het begrip afvalstoffenbeheer is gedefinieerd in de Kaderrichtlijn afvalstoffen als: “inzameling, vervoer, nuttige toepassing en verwijdering van afvalstoffen, met inbegrip van het toezicht op die handelingen en de nazorg voor de stortplaatsen na sluiting en met inbegrip van activiteiten van handelaars of makelaars”. Artikel 5.30
Aanwijzing van de inzameldienst
In het eerste lid geeft de raad aan het college de opdracht om een onderdeel van de gemeentelijke inzameldienst of een onderneming aan te wijzen, die met de inzameling van huishoudelijke afvalstoffen is belast. De zorg voor deze inzameling berust ingevolge de artikelen 10.21 en 10.22 van de Wet milieubeheer op de raad en het college. De aangewezen inzameldienst zal aan die zorg praktische uitvoering geven. Hoofdstuk 10 van de Wet milieubeheer blijft ook na de inwerkingtreding van de Omgevingswet van kracht. In het derde lid wordt een grondslag gegeven om nadere regels te stellen over de wijze waarop de inzameldienst huishoudelijke afvalstoffen inzamelt. Redenen van algemeen belang van milieu en gezondheid die met de aanwijzing van inzameldiensten zijn gemoeid, dwingen ertoe geen regeling op te nemen voor het van rechtswege nemen van aanwijzingsbesluiten in gevallen waarin niet tijdig op een daartoe strekkende aanvraag zou worden beslist. Zo nodig kunnen bij het aanwijzingsbesluit beperkingen of voorschriften worden verbonden aan de inzameling van huishoudelijke afvalstoffen. Het ligt in de rede dat dit alleen aan de orde is wanneer er ten aanzien van de aan te wijzen instantie bijzondere voorschriften of beperkingen moeten gelden. Artikel 5.31
Regulering van andere inzamelaars
Dit artikel regelt de mate waarin het voor anderen dan de inzameldienst mogelijk is huishoudelijke afvalstoffen in te zamelen. In beginsel is dit verboden. Er zijn echter drie categorieën van andere inzamelaars dan de inzameldienst, die bepaalde bestanddelen van huishoudelijke afvalstoffen mogen inzamelen. Ten eerste als een inzamelaar is aangewezen. Het gaat dan om een beschikking, waaraan op grond van het tweede lid voorschriften en beperkingen kunnen worden verbonden. Een aanwijzing wordt niet van rechtswege verleend als sprake zou zijn van niet tijdig beslissen. Ten tweede kan het college bepaalde personen of organisaties vrijstellen bij nadere regels. In het eerste lid, onder b, is mogelijk gemaakt dat er met generieke vrijstellingen kan worden gewerkt voor bijvoorbeeld scholen die papier inzamelen of voor andere organisaties of personen die bestanddelen huishoudelijke afvalstoffen inzamelen als inzamelaar. 38
Ten derde zijn er producenten van bijvoorbeeld witgoed voor wie op grond van de Wet milieubeheer in algemene maatregelen van bestuur verplichtingen bestaan tot inname van afgedankte producten. Het gaat dan om de producenten verantwoordelijkheid. Vanzelfsprekend kan daarvoor geen verbod gelden. De aanwijzing van inzamelaars verschilt qua karakter van de aanwijzing van de inzameldienst. Het gaat bij de inzamelaars om personen of organisaties die om verschillende redenen behulpzaam willen zijn bij de taak om huishoudelijk afval in te zamelen. Deze aanwijzing heeft - anders dan de aanwijzing van de inzameldienst - het karakter van een vergunning en gaat niet gepaard met een uitvoeringsplicht. Artikel 5.32
Aanwijzing van inzamelplaats
Op deze plaats wordt afzonderlijk geregeld dat op ten minste een plaats ook buiten kantooruren of in het weekend (in voldoende mate dus) gelegenheid wordt geboden om huishoudelijke afvalstoffen achter te laten. Hiertoe is het gemeentebestuur verplicht in verband met de in artikel 5.31 geboden mogelijkheid om niet telkens per week en bij elk perceel in te zamelen. Ingevolge artikel 10.26, tweede lid, van de Wet milieubeheer is dit verplicht. Het gaat hier om een daartoe ter beschikking gestelde plaats, waar alle bestanddelen van huishoudelijke afvalstoffen kunnen worden achtergelaten. Artikel 5.33
Algemene verboden
Dit artikel regelt dat het aanbieden, overdragen of achterlaten van huishoudelijke afvalstoffen alleen mag geschieden via de kanalen die daarvoor in de artikelen 5.30 en 5.31 van deze verordening zijn aangewezen. Dit verbod is de keerzijde van de bij of krachtens die artikelen tot de inzameldienst en andere inzamelaars gerichte gebod om het afval in te zamelen en het in artikel 5.31, eerste lid, van deze verordening, opgenomen verbod voor anderen om afval in te zamelen. Artikel 5.34
Gescheiden afvalinzameling
Dit artikel regelt welke bestanddelen van huishoudelijke afvalstoffen afzonderlijk moeten worden ingezameld, met welke frequentie en op welke locatie. Deze locatie kan zijn bij elk perceel, nabij elk perceel of een van deze met uitzondering van bepaalde gebieden van de gemeente. Het Besluit GIHA bevat ook voorschriften over de gescheiden inzameling van afvalstoffen. Deze verordening vult de verplichting tot gescheiden inzameling aan door nader te bepalen welke bestanddelen gescheiden worden ingezameld. Deze verordening maakt een fijnmaziger onderscheid dan artikel 1 van het Besluit GIHA, dat voorschrijft dat ‘ten minste’ bepaalde bestanddelen gescheiden worden ingezameld. De raad kan volgens artikel 10.21, vierde lid, van de Wet milieubeheer besluiten tot het afzonderlijk inzamelen van andere bestanddelen van huishoudelijke afvalstoffen. De raad kan tevens een onderscheid maken binnen de genoemde bestanddelen.
39
Artikel 10.21 van de Wet milieubeheer schrijft voor dat het gemeentebestuur, al dan niet samen met het gemeentebestuur van andere gemeenten, ervoor zorgt dat ten minste eenmaal per week de huishoudelijke afvalstoffen worden ingezameld bij elk binnen haar grondgebied gelegen perceel waar zodanige afvalstoffen geregeld kunnen ontstaan. Grove huishoudelijke afvalstoffen zijn daarvan uitgezonderd. De raad kan volgens artikel 10.21, vierde lid, van de Wet milieubeheer besluiten tot het afzonderlijk inzamelen van andere bestanddelen van huishoudelijke afvalstoffen. Op grond van artikel 10.26 van de Wet milieubeheer kan de raad in het belang van een doelmatig beheer van huishoudelijke afvalstoffen bij deze verordening afwijken: a. van de inzameling bij elk perceel (bepaald mag worden nabij elk perceel); b. van de frequentie van eenmaal per week (bepaald mag worden met welke regelmaat bij de verordening); c. van de inzameling in het gehele grondgebied (bepaald mag worden dat in een gedeelte van het grondgebied geen huishoudelijke afvalstoffen worden ingezameld); Artikel 2, eerste lid, van het Besluit GIHA bepaalt verder dat onder voorwaarden voor de volgende bestanddelen afgezien kan worden van de gescheiden inzameling voor: d. bioafval (wanneer gescheiden inzameling technisch niet mogelijk is of buitensporig duur); e.
metaal, kunststof of glas (als de kwaliteit voor hergebruik of recycling gelijk blijft). Deze Verordening die één van deze mogelijkheden benut, dient te worden voorbereid met toepassing van de Inspraakverordening die op grond van artikel 150 van de Gemeentewet is vastgesteld (artikel 10.26 van de Wet milieubeheer). Indien toepassing wordt gegeven aan de onderdelen b of c, dan moet de gemeente zorgen voor een daartoe ter beschikking gestelde plaats voor het achterlaten van huishoudelijke afvalstoffen. Het regelen van de frequentie en locatie van de inzameling wordt in beginsel overgelaten aan het college. De raad bepaalt wel welke bestanddelen in ieder geval afzonderlijk ingezameld dienen te worden. Dit is onder meer van belang omdat artikel 5.35 van deze verordening aan burgers het verbod oplegt om die bestanddelen ongescheiden ter inzameling aan te bieden. Artikel 5.35
Gescheiden aanbieding
Dit artikel regelt de keerzijde van artikel 5.34 van deze verordening. Wat gescheiden moet worden ingezameld, moet ook gescheiden worden aangeboden. Voor de bestanddelen die niet gescheiden worden ingezameld, geldt dat het tweede lid regelt dat niet-afzonderlijke aanbieding is toegestaan. Ook kan van de vrijstellingsmogelijkheid gebruik worden gemaakt om te regelen dat bepaalde hoeveelheden (fracties) van de bestanddelen mogen voorkomen bij de inzameling van andere bestanddelen. Zo zal het niet verboden hoeven te zijn als er eens een papiertje tussen het gft-afval voorkomt.
40
Het is niet mogelijk om bij nadere regels af te wijken van de verplichting om gescheiden in te zamelen en aan te bieden, voor zover die verplichting voortvloeit uit artikel 1 van het Besluit GIHA. Artikel 5.36
Tijdstip van aanbieding
De tijdstippen voor de inzameling van huishoudelijk afval worden door het college bepaald. Het gaat hier om een besluit van algemene strekking, niet zijnde een algemeen verbindend voorschrift. Het besluit is daarom vatbaar voor bezwaar en beroep. Artikel 5.37
Wijze en plaats van aanbieding
Er is een onderscheid tussen inzamelmiddelen en inzamelvoorzieningen. Inzamelmiddelen dienen het ter inzameling aanbieden door een huishouden, zoals een minicontainer, afvalemmer, plastic afvalzak. Inzamelvoorzieningen, dienen het collectief ter inzameling aanbieden door meerdere huishoudens, zoals een verzamelcontainer of een wijkcontainer, voor het inzamelen daarvan. Op grond van dit artikel kunnen inzamelmiddelen worden voorgeschreven. Ook kunnen hier regels worden gesteld over het gebruik van inzamelvoorzieningen. De regels over het gebruik van de inzamelmiddelen en inzamelvoorzieningen zijn in beginsel algemeen verbindende voorschriften. Het college kan in deze regels ook concreet locaties aanwijzen voor de inzamelvoorzieningen. Een dergelijk onderdeel van de regels is geen algemeen verbindend voorschrift dus daartegen staat bezwaar en beroep open. Het tweede lid bevat een verbod om de inzamelmiddelen buiten het perceel te laten staan na afloop van de bepaalde dag en tijden. Gebruikers van een perceel zijn gehouden de inzamelmiddelen binnen het perceel te bewaren. Het verbod geldt ook voor afval dat op de ophaaldag is buitengezet, maar om wat voor reden dan ook, niet is opgehaald. Het derde lid bevat een grondslag voor nadere regels over de wijze van gebruik van inzamelmiddelen en inzamelvoorzieningen voor categorieën van percelen.
Te denken valt aan een onderscheid dat gemaakt kan worden tussen hoogbouw en laagbouw. De regels kunnen een vrijstelling van het verbod in het eerste lid [of het verbod in het tweede lid] inhouden. Deze vrijstelling blijkt dan uit de nadere regels van het college. Artikel 5.38
Inzameling bedrijfsafvalstoffen door inzameldienst
De inzameldienst kan ook bepaalde bestanddelen van bedrijfsafvalstoffen inzamelen. Anders dan bij huishoudelijke afvalstoffen geldt voor bedrijfsafvalstoffen echter geen zorgplicht voor de gemeente. Inzameling van bedrijfsafvalstoffen door de inzameldienst is daarom een daarvan te onderscheiden activiteit waarbij de inzameldienst tegen vergoeding afval inzamelt bij bedrijven. In de praktijk gaat het daarbij veelal om afval uit de KWD-sector of bouw- en sloopafval (voor zover dit niet wordt gerekend tot het huishoudelijk afval). Artikel 5.39
Aanbieden ter inzameling van bedrijfsafvalstoffen
Alleen die bedrijven die betalen voor de gemeentelijke inzamelvoorzieningen mogen hun bedrijfsafvalstoffen aanbieden aan de inzameldienst.
41
Artikel 5.40
Regeling van inzameling van bedrijfsafvalstoffen
Het college kan, net als bij huishoudelijke afvalstoffen, regels stellen over de wijze waarop de bedrijfsafvalstoffen ter inzameling moeten worden aangeboden. De basis voor het stellen van regels over de inzameling van bedrijfsafvalstoffen kan worden gevonden in artikel 10.23, derde lid, van de Wet milieubeheer. De memorie van toelichting zegt hierover: ‘ten aanzien van de inzameling van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen mogen ook in het belang van de bescherming van het milieuregels worden gesteld. Blijkens het derde lid mogen deze regels geen vergunningstelsel inhouden. Dit is krachtens artikel 10.48 van de Wet milieubeheer voorbehouden aan de minister. Vanzelfsprekend mogen de gemeenten hun bevoegdheid evenmin benutten ter bevoordeling van de eigen inzameldienst en ten nadele van andere aanbieders op de markt. (Kamerstukken, 26 638, nu. 3, blz. 48). Het is dus mogelijk om in het belang van het milieu bepaalde dagen te kunnen aanwijzen waarop bedrijfsafvalstoffen mogen worden ingezameld. Bijvoorbeeld ter beperking of voorkoming van geluidhinder of aanzuigende werking of om ritten zoveel mogelijk te combineren. Dit artikel kan met name van belang zijn voor de inzameling van bedrijfsafvalstoffen in een (historisch) centrum. Uiteraard kunnen deze regels gelden voor alle betrokken inzamelaars die bedrijfsafvalstoffen ophalen. Artikel 5.41
Dumpingsverbod
Dit artikel is vervallen, omdat artikel 2.14 van de verordening hierin voorziet. (Verbod dumpen stoffen en voorwerpen). Artikel 5.42
Zwerfafval in de openbare ruimte
Dit artikel is vervallen, omdat artikel 2.9 van deze verordening hierin voorziet (Specifieke zorgplicht voorkomen en verwijderen zwerfafval in de openbare ruimte). Artikel 5.42a
Ongeadresseerd drukwerk
Artikel 5.42a heeft als doel om de verspreiding van ongewenst drukwerk, en daarmee uiteindelijk afval, te voorkomen. De grondslag voor dit artikel is artikel 10.23 van de Wet milieubeheer. In het eerste lid zijn de definities opgenomen met het onderscheid tussen ongeadresseerd reclamedrukwerk voor commerciële doeleinden en huis-aan-huisbladen of drukwerk van niet commerciële organisaties, waaronder ook politieke partijen. Met ongeadresseerd reclamedrukwerk wordt in deze Verordening bedoeld al het reclamedrukwerk dat zonder adres wordt aangeboden. Onder deze definitie vallen alle aanduidingen zonder toevoeging van een feitelijk adres, zoals bijvoorbeeld ‘aan de bewoners van dit pand of gebouw. De gemeente kiest voor dit onderscheid omdat huis-aan-huisbladen en pamfletten een belangrijke functie vervullen voor onder meer de nieuwsverspreiding op lokaal niveau en de sociale cohesie in de buurt. Daarbij hebben deze bladen een lage frequentie.
42
In de definitie van huis-aan-huisblad is aangesloten bij de landelijke norm van de Stichting Reclamecode van 10% aan buurtgerichte redactionele inhoud. In het tweede lid is bepaald dat huis-aan-huisbladen bezorgd mogen worden bij een perceel (een woning, bedrijf of woonschip), tenzij de ontvanger onmiskenbaar duidelijk heeft gemaakt deze bladen niet te willen ontvangen. Met de komst van nee-nee-, ja-ja- en nee-ja-brievenbusstickers kunnen bewoners hun voorkeur ten aanzien van de ontvangst van commercieel reclamedrukwerk en/of de huis-aan-huisbladen kenbaar maken (zie Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 25 februari 2020, ECLI:NL: GHARL:2020:1528). Tabel: Overzicht wanneer bezorging gewenst is en dus mag geschieden Overzicht stickers ja-ja sticker
Ongeadresseerd reclamedrukwerk gewenst Ja
Ongeadresseerde huis-aan-huisbladen gewenst Ja
geen sticker
Nee
Ja
Nee
Nee
of nee-ja sticker nee-nee sticker
In het derde lid is bepaald dat de gemeente bezorging van ongeadresseerd reclamedrukwerk uitsluitend toestaat als de ontvangende bewoner of gebruiker van een perceel (een woning, bedrijf of woonschip) onmiskenbaar – met een ja-ja sticker – duidelijk heeft gemaakt dat hij het ongeadresseerde reclamedrukwerk wil ontvangen. Daarbij gaat het niet alleen om de bezorging maar ook om het laten bezorgen. De adverteerders dienen zich ook aan dit zogenoemde opt-in systeem te houden (zie Gerechtshof Amsterdam 24 september 2019, ECLI:NL:GHAMS:2019:3423). Artikel 5.43
Zwerfafval rondom verkooppunten
Dit artikel is vervallen, omdat artikel 2.10 van deze verordening hierin voorziet. (Specifieke zorgplicht voorkomen en verwijderen zwerfafval rondom verkooppunten). Artikel 5.44
Afval en verontreiniging op de weg
Dit artikel is vervallen, omdat artikel 2.15 van deze verordening hierin voorziet. (Verbod verontreinigen van de weg). Artikel 5.45
Geen opslag van afval in de open lucht
Dit artikel is vervallen omdat, artikel 2.16 hierin voorziet. (Verbod opslaan afval in de open lucht).
43
Artikel 5.46
Ontdoen van autowrakken
In dit artikel is de afgifte van autowrakken door huishoudens geregeld. Op grond van artikel 6 van het Besluit beheer autowrakken (hierna: BBA) moeten gemeenten in een verordening bepalen dat een autowrak, zijnde een huishoudelijk afvalstof, slechts mag worden afgegeven aan auto demontagebedrijven, garages en autoschadeherstelbedrijven of aan een persoon die in een ander land dan Nederland is gevestigd (onder strikte voorwaarden). Op grond van artikel 7 van het BBA worden autowrakken, afkomstig van huishoudens uitdrukkelijk uitgezonderd van de gemeentelijke zorgplicht voor de inzameling van huishoudelijk afval. Artikel 5.47
Kadavers van gezelschapsdieren
Dit artikel betreft de inzameling van kadavers van gezelschapsdieren. Het eerste lid regelt wat onder gezelschapsdier moet worden verstaan. Tot de gezelschapsdieren worden gerekend onder meer honden, katten, knaagdieren, kooi- en volièredieren, duiven en vissen. Konijnen, kippen, kalkoenen, kwartels, parelhoenders, eenden, ganzen en fazanten behoren eveneens tot deze categorie indien er geen commerciële opbrengst aan verbonden is, zoals de (commerciële) productie van vlees, wol, pels, eieren, pluimen of huiden. Het artikel heeft geen betrekking op hobby- en landbouwhuisdieren zoals runderen, paarden, schapen, (dwerg)geiten, hangbuikzwijnen, varkens en herten. De gemeente draagt zorg voor de verwerking en verwijdering van kadavers van gezelschapsdieren. De kadavers zijn een bijzondere vorm van afvalstoffen, die op grond van de Wet dieren nadere regeling behoeven. De grondslag voor deze nadere regeling is deels gelegen in artikel 10.23 van de Wet milieubeheer, en voor het overige in artikel 3.5 van de Wet dieren. De Wet dieren verplicht de gemeente diegene aan te wijzen die met de inzameling van kadavers is belast (tweede lid). Deze draagt dan zorg voor de overdracht van de kadavers van gezelschapsdieren aan Rendac Son B.V. Deze verwerker is door de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit aangewezen op grond van artikel 3.3, eerste lid, van de Wet dieren.
In het vierde tot en met zesde lid zijn de verantwoordelijkheden en plichten van de houder van een kadaver van een gezelschapsdier opgenomen. De houder (meestal de eigenaar) is ervoor verantwoordelijk dat het kadaver wordt verwijderd. Op grond van de Wet dieren kan de houder het dier op eigen terrein begraven, of afgeven aan een van de erkende dierencrematoria of dierenbegraafplaatsen. In dat geval gelden de bepalingen in het vierde lid niet voor de houder op grond van het zesde lid. Als de houder van die mogelijkheid geen gebruik maakt, dan moet de houder het kadaver afgeven aan degene die de inzameling daarvan doet. Deze afgifte vindt plaats uiterlijk op de eerste werkdag nadat de houder het overlijden heeft geconstateerd. Tot het moment van afgifte wordt het kadaver zodanig bewaard dat er geen vermenging met ander materiaal kan plaatsvinden (vijfde lid). Artikel 5.48
Opslag voertuigen, vaartuigen, mest en afvalstoffen
Dit artikel is gebaseerd op artikel 4:13 van de Algemene plaatselijke verordening Epe 2008. 44
Artikel 5.49
Openbare straatkolken
Dit artikel is gebaseerd op artikel 2:16 van de Algemene plaatselijke verordening Epe 2008 Artikel 5.50
Rookverbod in bossen en natuurterreinen
Dit artikel is gebaseerd op artikel 2:18 van de Algemene plaatselijke verordening Epe 2008. Artikel 5.51
Voorzieningen voor verkeer en verlichting
Dit artikel is gebaseerd op artikel 2:21 van de Algemene plaatselijke verordening Epe 2008.
Hoofdstuk 6 Omgevingshinder Afdeling 6.1 Voorkomen of beperken geluidshinder en door verlichting Artikel 6.1
Definities
Dit artikel is gebaseerd op artikel 4:1 van de Algemene plaatselijke verordening Epe 2008 Artikel 6.2
Aanwijzing collectieve festiviteiten
Dit artikel is gebaseerd op artikel 4:2 van de Algemene plaatselijk verordening Epe 2008. Artikel 6.3
Aanwijzing/kennisgeving Incidentele festiviteiten
Dit artikel is gebaseerd op artikel 4:3 van de Algemene plaatselijk verordening Epe 2008. Artikel 6.4
Geluidsplafond
Dit artikel is gebaseerd op het voormalige artikel 4:4 van de Algemene plaatselijke verordening Epe 2008. Is voor de volledigheid opnieuw opgenomen. Artikel 6.5
Het ten gehore brengen van onversterkte muziek
Dit artikel is gebaseerd op artikel 4:5 van de Algemene plaatselijk verordening Epe 2008. Artikel 6.6
Geluidhinder door geluidsapparaat, machine of handelingen in de open lucht
Dit artikel is gebaseerd op artikel 4:5a van de Algemene plaatselijke verordening Epe 2008. Artikel 6.7
Geluidhinder door motorvoertuigen en bromfietsen
Dit artikel is gebaseerd op artikel 4:5c van de Algemene plaatselijke verordening Epe 2008. Artikel 6.8
Geluidhinder door dieren
Dit artikel is gebaseerd op artikel 4:5b van de Algemene plaatselijke verordening Epe 2008.
45
Artikel 6.9
Geluidhinder door vrachtauto’s
Dit artikel is gebaseerd op artikel 4:5d van de Algemene plaatselijke verordening Epe 2008. Artikel 6.10
Routering
Dit artikel is gebaseerd op artikel 4:5 van de Algemene plaatselijke verordening 2008. Artikel 6.11
Overige geluidhinder
Dit artikel is gebaseerd op artikel 4:6 van de Algemene plaatselijk verordening Epe 2008.
Afdeling 6.2
Lichthinder (Gereserveerd)
Afdeling 6.3
Vuur(werk)
Artikel 6.12
Definitie
Dit artikel is gebaseerd op artikel 2:71 van de Algemene plaatselijke verordening Epe 2008. Artikel 6.13
Ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk tijdens de verkoopdagen
Dit artikel is gebaseerd op het voormalige artikel 2:72 van de Algemene plaatselijk verordening Epe 2008. Is voor de volledigheid opnieuw opgenomen. Artikel 6.14
Gebruik van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling
Dit artikel is gebaseerd op artikel 2:73 van de Algemene plaatselijk verordening Epe 2008. Consumentenvuurwerk: vuurwerk waarop het Vuurwerkbesluit van toepassing is Artikel 6.15
Verbod carbidschieten
Dit artikel is gebaseerd op artikel 2:73a van de Algemene plaatselijke verordening Epe 2008. Carbidschieten: het in een (melk)bus op explosieve wijze verbranden van acetyleengas afkomstig van een reactie tussen calciumacetylide (carbid) en water of gasmengsels met vergelijkbare eigenschappen; Artikel 6.16
Verbod afvalstoffen te verbranden buiten gebouwen, instellingen of openbare gelegenheden of anderszins vuur te stoken
Dit artikel is gebaseerd op artikel 5:34 van de Algemene plaatselijk verordening Epe 2008. Artikel 6.17
Plakken en kladden
Dit artikel is gebaseerd op artikel 2:42 van de Algemene plaatselijk verordening Epe 2008. Artikel 6.18
Vervoer plakgereedschap
Dit artikel is gebaseerd op artikel 2:43 van de Algemene plaatselijke verordening Epe 2008. 46
Artikel 6.19
Houden of voeren van hinderlijke of schadelijke dieren
Dit artikel is gebaseerd op artikel 2:60 van de Algemene plaatselijke verordening Epe 2008. Artikel 6.20
Verbod hinderlijke of gevaarlijke reclame
Dit artikel is gebaseerd op artikel 4:15 van de Algemene plaatselijk verordening Epe 2008. Artikel 6.21
Natuurlijke behoefte doen
Dit artikel is gebaseerd op artikel 4:8 van de Algemene plaatselijke verordening Epe 2008. Artikel 6.22
Zwartwildraster
Dit artikel is gebaseerd op artikel 2:61a van de Algemene plaatselijke verordening Epe 2008. Artikel 6.23
Loslopend Vee
Dit artikel is gebaseerd op artikel 2:62 van de Algemene plaatselijke verordening Epe 2008. Artikel 6.24
Bedelarij
Dit artikel is gebaseerd op artikel 2:65 van de Algemene plaatselijke verordening Epe 2008. Artikel 6.25
Verspreiden van geschreven of gedrukte stukken of afbeeldingen
Dit artikel is gebaseerd op artikel 2:6 van de Algemene plaatselijke verordening Epe 2008.
Hoofdstuk 7
Buitenruimte
Afdeling 7.1 Wegen Artikel 7.1
Voorwerpen op, in of aan een openbare plaats
Dit artikel is gebaseerd op artikel 2:10 van de Algemene plaatselijk verordening Epe 2008. Artikel 7.2
Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp
Dit artikel is gebaseerd op artikel 2:15 van de Algemene plaatselijk verordening Epe 2008. Artikel 7.3