CConstaterende datEpe
Koppel je AI →
Document · PDF

920343 Toelichting Verordening fysieke leefomgeving gemeente Epe 2024

Gemeenteraad 14 december 2023, gemeente EpeBij agendapunt: Hamerstuk: Voorstel project Apv en Vfl28.688 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

TOELICHTING Verordening Fysieke Leefomgeving gemeente Epe 2024 Algemene toelichting Omgevingswet Op 19 juni 2014 diende de regering namens het kabinet Rutte ll het ontwerp van de Omgevingswet in bij de Eerste- en Tweede kamer. De Tweede kamer heeft de Omgevingswet op 1 juli 2015 aangenomen en de Eerste kamer op 22 maart 2016. Het heeft tot 20 maart 2023 geduurd voordat het KB tot vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet door de Koning werd ondertekend en op 22 maart 2023 werd gepubliceerd in het Staatsblad. De ingangsdatum van inwerkingtreding van de Omgevingswet werd in dit KB bepaald op 1 januari 2024. Deze lange aanloop bleek nodig voor het verkrijgen van een stabiel digitaal stelsel (DSO) Digitaal Stelsel Omgevingswet, dat de gehele implementatie van de Omgevingswet moet ondersteunen. De Omgevingswet bundelt de wetgeving voor de fysieke leefomgeving. De Omgevingswet heeft als doel het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en het gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften. Eén en ander resulteert erin dat op 1 januari 2024 de gemeente Epe een tijdelijk Omgevingsplan heeft, bestaande uit de Bruidsschat (de 600 regels die van het rijk overkomen) en de opgeschoonde ruimtelijke plannen van de gemeente Epe.

Gemeentelijke regels over de fysieke leefomgeving die niet in de ruimtelijke plannen zijn opgenomen komen niet in het tijdelijke Omgevingsplan van de gemeente Epe. Op dit moment staan deze regels nog verspreid in de diverse verordeningen, beleidsregels, aanwijzingsbesluiten en nadere regels. Door deze regelgeving te bundelen wordt het voor inwoners, ondernemers en organisaties overzichtelijker en zijn regels makkelijker te vinden. Om overzicht te houden in de immense hoeveelheid regels is het wenselijk deze op te nemen in een Verordening fysieke leefomgeving.

1

Inhoud verordening Deze verordening bevat regels over de fysieke leefomgeving, die al zijn vastgesteld door de gemeenteraad en het college. In de Verordening fysieke leefomgeving (hierna: Vfl) gemeente Epe 2024 worden de regels uit 7 verordeningen gebundeld. Hiervan gaan 5 verordeningen volledig op in de Vfl en worden daarom ingetrokken. Dit betreffen:     

Algemene Verordening Ondergrondse Infrastructuren 2015; Erfgoedverordening Epe 2010; Bouwverordening gemeente Epe 2011; Marktverordening gemeente Epe 2011; Afvalstoffenverordening gemeente Epe 2011.

Twee verordeningen wijzigen, omdat een deel van de regels overgaat naar de Vfl. Dit betreffen:  

Algemene plaatselijke verordening Epe 2008; en de Beheersverordening gemeentelijke begraafplaatsen Epe 2014.

De Verordening op de afvoer van afvloeiend hemel en grondwater houdt op te bestaan, direct na inwerkingtreding van de Omgevingswet. Een deel is opgenomen in het tijdelijke Omgevingsplan en een deel is na 1 januari 2024 niet meer van toepassing. Afwegingskader De meeste gemeentelijke verordeningen met regels over de fysieke leefomgeving komen niet in het tijdelijke deel van het Omgevingsplan. De gemeente bepaalt zelf welke van die regels zij wil voortzetten onder de Omgevingswet. Het afwegingskader van welke verordeningen opgenomen moeten, mogen of niet mogen worden opgenomen in het definitieve Omgevingsplan is als volgt: •

onderwerpen over de fysieke leefomgeving die plaatsgebonden activiteiten betreffen, moeten in het Omgevingsplan worden opgenomen;

•

regels over onderwerpen die de fysieke leefomgeving betreffen, maar ook een ander motief hebben, kunnen in het Omgevingsplan worden opgenomen, maar dat is niet verplicht en waar dit inbreuk zou maken op de taken en bevoegdheden van de burgemeester is dat zelfs niet toegestaan.

•

Andere regels over de fysieke leefomgeving die geen plaatsgebonden karakter hebben of regels met een persoonsgebonden karakter worden evenmin verplicht geregeld in het Omgevingsplan;

•

onderwerpen die niet de fysieke leefomgeving als motief hebben of onderwerpen waarbij de regelgevende bevoegdheid exclusief aan een ander bestuursorgaan toekomt dan het gemeentebestuur, zoals de noodverordeningbevoegdheid van de burgemeester, mogen niet in het Omgevingsplan worden opgenomen.

2

Deze driedeling ziet er in een schema als volgt uit:

Regels Omgevingsplan Regels m.b.t. de fysieke leefomgeving en plaatsgebonden activiteiten betreffen Regels m.b.t. de fysieke leefomgeving die ook een ander motief hebben Regels m.b.t. de fysieke leefomgeving die geen plaatsgebonden karakter hebben Regels m.b.t. fysieke leefomgeving die een persoonsgebonden karakter hebben Regels die geen betrekking hebben op de fysieke leefomgeving Regels waarbij de burgemeester de exclusieve bevoegdheid toekomt

Moet in het Omgevingsplan Mag in het Omgevingsplan Mag in het Omgevingsplan Mag in het Omgevingsplan Mag niet in het Omgevingsplan Mag niet in het Omgevingsplan

Verordening fysieke leefomgeving Tot de vaststelling van het definitieve Omgevingsplan van de gemeente Epe zullen de gemeentelijke regels die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving opgenomen worden in de Verordening fysieke leefomgeving gemeente Epe 2024. De onderstaande verordeningen zullen in de Verordening fysieke leefomgeving gedeeltelijk dan wel in z’n geheel worden opgenomen. Verordeningen: Verordening Algemene plaatselijke verordening

Uitleg De verordening heeft gedeeltelijk betrekking op de fysieke leefomgeving. Ook heeft het gedeeltelijk als motief de zorg voor een gezonde en veilige fysieke leefomgeving. Het andere gedeelte heeft betrekking op de openbare orde en heeft dit ook als motief. Over dit gedeelte heeft de burgemeester het bevoegde gezag. Dit gedeelte mag dus niet opgenomen worden. Het andere gedeelte mag wel opgenomen worden in het Omgevingsplan. De verordening heeft gedeeltelijk betrekking op de fysieke leefomgeving. Ook heeft het gedeeltelijk als motief de zorg voor een gezonde en veilige fysieke leefomgeving.

Beheersverordening gemeentelijke begraafplaatsen

Bouwverordening

Heeft betrekking op bouwen en dus op de fysieke leefomgeving. Het bindt burgers en het hoofdmotief is de zorg voor een gezonde en 3

veilige fysieke leefomgeving. Heeft betrekking op werkzaamheden in en op openbare gronden. Dit heeft betrekking op de fysieke leefomgeving, bindt burgers en het hoofdmotief is de zorg voor een gezonde en veilige fysieke leefomgeving. Dit heeft betrekking op de fysieke leefomgeving, bindt burgers en het hoofdmotief is de zorg voor een gezonde en veilige fysieke leefomgeving

Algemene verordening ondergrondse infrastructuur

Afvalstoffenverordening

Erfgoedverordening

Dit heeft betrekking op de fysieke leefomgeving, bindt burgers en het hoofdmotief is de zorg voor een gezonde en veilige fysieke leefomgeving

Marktverordening

Dit heeft betrekking op de fysieke leefomgeving, bindt burgers en het hoofdmotief is de zorg voor een gezonde en veilige fysieke leefomgeving.

De meeste verordeningen en afzonderlijke regels zijn nog goed herkenbaar in de Verordening fysieke leefomgeving. Een belangrijke uitzondering is de Bouwverordening. Als gevolg van wetswijzigingen de afgelopen jaren bevatte de Bouwverordening alleen nog regels voor het tegengaan van bouwen op verontreinigde grond. Deze regels lenen zich bij uitstek voor samenvoeging met de regels voor bodembescherming in een hoofdstuk met regels over de bodem. Om deze reden bevat de Verordening fysieke leefomgeving geen hoofdstuk over ‘Bouwen’. Er is ruimte gereserveerd voor regels uit andere verordeningen, beleidsstukken, nadere regels en aanwijzingsbesluiten. Aan het eind van de toelichting staat een transponeringstabel waarin is opgenomen waarop een artikel in deze verordening is gebaseerd.

Algemene toelichting per hoofdstuk Hoofdstuk 1

Algemene bepalingen

4

Het eerste hoofdstuk bevat inleidende algemene bepalingen. De meeste verordeningen beginnen met een opsomming van begripsbepalingen. In de Verordening fysieke leefomgeving is ervoor gekozen om in het eerste artikel te verwijzen naar een bijlage, waarin de begrippen zijn opgenomen. Hiermee wordt aangesloten bij de structuur van de Omgevingswet, waarin de begrippen ook in een bijlage zijn ondergebracht. De gebruikte begrippen zijn over het algemeen niet gewijzigd ten opzichte van eerdere verordeningen. Het aantal dubbele of overlappende begripsbepalingen is beperkt.

Hoofdstuk 2

Regels voor de instandhouding, bescherming, onderhoud en beheer fysieke leefomgeving

In hoofdstuk 2 worden de algemene zorgplicht, de specifieke zorgplicht, het verbod, de meldplicht en de gedoogplicht geïntroduceerd en uitgelegd. Zorgplicht in de Omgevingswet Een algemene zorgplicht, een algemeen verbod en een specifieke zorgplicht maken deel uit van de Omgevingswet. Samen zorgen ze ervoor dat overheid, bedrijven en burgers verantwoordelijk zijn voor een veilige en gezonde leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit. Algemene zorgplicht De Omgevingswet bevat een algemene zorgplicht. Dit houdt in dat zowel overheden, bedrijven als burgers verantwoordelijk zijn voor een veilige en gezonde fysieke leefomgeving. En dus niet alleen de overheid. Deze algemene zorgplicht is vooral een vangnet als er geen specifieke decentrale regels of rijksregels van toepassing zijn. Als deze specifieke decentrale- en rijksregels er wel zijn, geldt de algemene zorgplicht niet meer. Algemeen verbod Naast de algemene zorgplicht is in de Omgevingswet ook een algemeen verbod opgenomen (artikel 1.7a Omgevingswet). Het is verboden om een activiteit te verrichten of na te laten als daardoor aanzienlijke nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving (dreigen te) ontstaan. Bijvoorbeeld een milieuverontreiniging die aanzienlijke schade aan de kwaliteit van lucht, bodem of water veroorzaakt.

Het gaat niet om het verrichten of nalaten van activiteiten met beperkte gevolgen voor de fysieke leefomgeving. In het Omgevingsbesluit (artikel 1.3) staat wanneer sprake is van een aanzienlijk gevolg. En op welke gevallen het verbod van toepassing is. Dit verbod is ook een vangnet. Voor het geval er geen specifieke decentrale regels of rijksregels van toepassing zijn. Als deze specifieke decentrale- of rijksregels er wel zijn, geldt het algemeen verbod niet meer. Bijvoorbeeld als een specifieke zorgplicht of andere algemene regel of een vergunningvoorschrift van toepassing is. Specifieke zorgplicht Specifieke zorgplichten borduren voort op de algemene zorgplicht, maar zijn concreter. Een specifieke zorgplicht is toegespitst op specifieke activiteiten voor concreet genoemde belangen. Zowel in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) als het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) staan specifieke zorgplichten.

5

Deze specifieke zorgplichten maken duidelijk wat er wel en niet moet gebeuren. Bijvoorbeeld dat degene die verantwoordelijk is voor een activiteit, de beste beschikbare technieken (bbt) gebruikt. De specifieke zorgplichten zijn algemene regels. Deze regels gelden direct voor burgers en bedrijven. Naast het Rijk kunnen andere overheden specifieke zorgplichten opnemen in hun verordeningen en/ of Omgevingsplannen. Specifieke zorgplichten per activiteit In het Bal1 en het Bbl2 staan specifieke zorgplichten voor activiteiten, waaronder:           

milieubelastende en lozingsactiviteiten; beperkingengebiedactiviteit in een waterstaatswerk; ontgrondingsactiviteit; stortingsactiviteit op zee; wateronttrekkingsactiviteit; beperkingengebied installatie waterstaatswerk op zee; gebruik en onderhoud van bouwwerkinstallaties; brandveilig gebruik van bouwwerken; uitvoeren van bouw- en sloopwerkzaamheden; rijksmonumentenactiviteit; activiteit werelderfgoed.

De strekking van de specifieke zorgplicht voor lozingsactiviteiten is een oppervlaktewaterlichaam in beheer bij het Rijk (artikel 6.6 Bal) is gelijk die voor milieubelastende activiteiten. Verschil algemene zorgplicht, specifieke zorgplicht en specifieke regels Er is geen algemene zorgplicht als er een specifieke zorgplicht of gedetailleerde specifieke regels gelden. Dat is een belangrijk verschil met specifieke zorgplichten, die ook gelden als gedetailleerde specifieke regels. Dat kunnen zowel algemene regels als vergunningvoorschriften zijn. Als voorbeeld het Bal van toepassing is, gelden specifieke zorgplichten van het Bal én andere algemene regels. Toegespitst en inzichtelijk Eerdere wetgeving bevatte veel vanzelfsprekende maatregelen die helemaal waren uitgeschreven. Als een bedrijf bijvoorbeeld een filter moest hebben, stond er dat het bedrijf dat filter ook moest onderhouden. En als lekbak voor olie verplicht was, moest het bedrijf de lekbak regelmatig legen. Dit soort maatregelen horen bij ‘good housekeeping’. Het ligt voor de hand, dat de wet dit niet precies hoeft uit te spellen. Onder de Omgevingswet vallen al dit soort gevallen onder de specifieke zorgplichten van het Bal. Zowel de algemene rijksregels als de voorschriften in de vergunning zijn toegespitst op de essentie.

De regels zijn inzichtelijk, zonder overbodige details, maar ze doen wel een beroep op de eigen verantwoordelijkheid van het bedrijf. Onvoorziene situaties De specifieke zorgplicht is er ook omdat er altijd onvoorziene situaties kunnen ontstaan. Ontwikkelingen waarmee de wetgever vooraf geen rekening kon houden. Zo kan na nieuw onderzoek blijken dat bepaalde stoffen schadelijker zijn dan eerder bekend was. Of kan er een nieuwe techniek ontstaan om nadelige effecten tegen te gaan. 1 2

Besluit activiteiten leefomgeving Besluit bouwwerken leefomgeving

6

Burgers en bedrijfseigenaren moeten blijven nadenken over de gevolgen van hun activiteiten. Met name als situaties of omstandigheden veranderen. Zij zijn verplicht goed op nieuwe ontwikkelingen in te spelen. De specifieke zorgplicht biedt dus ook in toekomstige situaties bescherming van de leefomgeving. Maatwerkvoorschrift als mogelijkheid Bedrijven hebben wel keuze in de manier waarop ze de specifieke zorgplicht invullen. Een eigenaar van een wasstraat moet bijvoorbeeld voorkomen dat de nevel verspreid raakt in de omgeving. Dat mag op verschillende manieren, zolang het maar gebeurt. Vaak is duidelijk wat onder de specifieke zorgplicht het doel is. Maar soms is niet duidelijk wat precies de bedoeling is. Dan ligt het voor de hand en geheel in de sfeer van de Omgevingswet, dat de ondernemer en het bevoegd gezag samen overleggen. Zo kan het bevoegd gezag tot een maatwerkvoorschrift komen. Dit biedt duidelijkheid voor beide partijen. Ook decentrale overheden Niet het Rijk, maar gemeenten, waterschappen en provincies stellen de meeste regels voor activiteiten op. Ook deze decentrale overheden kunnen in hun regels specifieke zorgplichten opnemen. Dat kon al onder eerdere wetgeving en kan onder de Omgevingswet nog steeds.

Zo kan ook een Omgevingsplan, Omgevingsverordening, Waterschapsverordening of decentrale vergunning beperkt blijven tot de essentie en is er tegelijk de waarborg dat het milieu beschermd blijft. Ook bij nieuwe, onvoorziene situaties. De zorgplicht zorgt (er) voor:   

dat mensen bewust worden gemaakt van de eigen verantwoordelijk die zij hebben bij hun handelen in de fysieke leefomgeving; een leidraad voor gedrag, wanneer er geen concrete bepalingen aanwezig zijn en/of toereikend blijken; een maatstaf voor de beoordeling van gedrag en bieden een rechtvaardigingsgrond voor bestuursrechtelijke handhaving in gevallen van onmiskenbare strijd met de zorgplicht (vangnet).

De verwachting is dat de zorgplicht in de praktijk een beperkte, maar nuttige functie zal vervullen bij het waarborgen van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving. Tot slot laat de zorgplicht onverlet, dat de uit het burgerlijk recht voortvloeiende aansprakelijkheid alsmede de mogelijkheden van overheden om als rechtspersoon, met gebruikmaking van het privaatrecht, de naleving van rechtsregels te bevorderen.

Hoofdstuk 3

Proces, procedure en adviescommissie

In hoofdstuk 3 wordt het proces, procedure en adviescommissie verder uitgewerkt. Het gaat over de verhouding tussen de Omgevingswet en de Wabo, de beslistermijnen, voorschriften en beperkingen,

7

de algemene weigeringsgronden, de algemene wijzigings- en intrekkingsgronden en de nadere regels en aanwijzingsbesluiten.

Hoofdstuk 4

Aanwijzing van gemeentelijk monument, gemeentelijk archeologisch monument, beschermd stads- en dorpsgezicht

Het model Erfgoedverordening van de VNG is in zijn geheel geïntegreerd in de Verordening fysieke leefomgeving. Hierbij zijn de bepalingen herschikt en logisch geordend. Het model Erfgoedverordening is aangepast aan de Omgevingswet. Dit hoofdstuk geven het college de bevoegdheid om gemeentelijke monumenten, gemeentelijke archeologische monumenten en beschermde stads- en dorpsgezichten aan te wijzen. De bevoegdheid omvat ook het aanpassen en intrekken van deze aanwijzingen. In de formulering van deze bevoegdheden is de zinsnede ‘al dan niet op aanvraag van een belanghebbende’ geschrapt. Hier is geen inhoudelijk wijziging mee beoogd; de tekst is geschrapt omdat deze overbodig is. Uit de Algemene wet bestuursrecht volgt al dat een belanghebbende (inclusief rechtspersonen die bepaalde algemene belangen behartigen) een verzoek kan indienen om een besluit te nemen. Het is niet nodig dit apart in een verordening te vermelden. In dit hoofdstuk zijn ook de procedures geregeld die van toepassing zijn op de aanwijzingsbevoegdheden. De Erfgoedverordening bevatte hier nog veel termijnen voor advisering. Het is echter wenselijk om het regelen van termijnen in de verordening te beperken tot beslistermijnen en andere belangrijke termijnen. Termijnen voor advisering kunnen geregeld worden in werkafspraken en hoeven geen plaats te hebben in de Verordening fysieke leefomgeving.

Bovendien zijn al veel van deze termijnen voor advisering opgenomen in de verordening die de betreffende adviescommissies regelt. Vervolgens worden in dit hoofdstuk de regels voor het omgaan met gemeentelijke (archeologische) monumenten en beschermde stads- of dorpsgezichten geregeld. Het verbod op het vernielen en beschadigen van gemeentelijke monumenten is uitgebreid met een verbod op het onthouden van het onderhoud dat voor de instandhouding van het monument nodig is. Dit is een absoluut verbod. Het is niet mogelijk om hier een vergunning of ontheffing voor af te geven. Voor wijzigen van gemeentelijke monumenten geldt wel een vergunningstelsel. Concreet betekent dit dat een uitzondering voor vergunningplicht is ingevoerd in gevallen waarin het gewoon onderhoud betreft of activiteiten die het monument niet wijzigen.

Tot slot regelt dit hoofdstuk specifiek de instandhouding van gemeentelijke archeologische monumenten en archeologische terreinen. De regels over dit onderwerp zijn afgeslankt ten opzichte van de Erfgoedverordening, onder andere door het schrappen van zich niet meer voordoende uitzonderingen.

8

Hoofdstuk 5 Regels voor activiteiten In hoofdstuk 5 zijn de regels voor bodembescherming en de regels uit de Bouwverordening over het tegengaan van bouwen op verontreinigde grond, samengevoegd onder de titel ‘Regels voor activiteiten’. Aanvullend geldt nog de eis dat een onderzoek actueel is. Het moet derhalve een goed beeld van de bodemgesteldheid geven. De regels omtrent ondergrondse infrastructuur zijn tot op heden neergelegd in de Algemene verordening ondergrondse infrastructuur. Een uitzondering op de integratie is het volgende. De Algemene verordening ondergrondse infrastructuur bevat de mogelijkheid voor de burgemeester om spoedwerkzaamheden te verbieden in verband met de openbare orde (zie ook artikel 5.6, derde lid, van de Telecommunicatiewet). Deze bevoegdheid is in strijd met de uitgangspunten van de Omgevingswet. Deze laatste bevat immers geen burgemeestersbevoegdheden en heeft geen betrekking op openbare orde en veiligheid. In de Vfl is de Algemene verordening ondergrondse infrastructuur geïmplementeerd.

Hoofdstuk 6 Omgevingshinder Waar de andere inhoudelijke hoofdstukken een bepaald onderwerp in positieve zin beogen te regelen, is hoofdstuk 6 er juist op gericht onwenselijke effecten tegen te gaan. De bepalingen in dit hoofdstuk zijn ongewijzigd overgenomen uit de Algemene plaatselijke verordening.

Hoofdstuk 7 Buitenruimte In hoofdstuk 7 zijn deels de Beheersverordening begraafplaatsen gemeente Epe 2014 opgenomen en de Marktverordening gemeente Epe 2011. Verder zijn de regels uit de Algemene plaatselijke verordening over wegen, water, houtopstanden, kamperen, crossen, de beperking van verkeer in de natuur en honden in de Verordening fysieke leefomgeving geïmplementeerd.

Hoofdstuk 8 Overige bepalingen Hoofdstuk 8 zal in toekomstige versies van de Verordening fysieke leefomgeving gebruikt worden om de overige nog niet met namen te noemen bepalingen onder te brengen. Een gemeentelijke verordening is een op gemeentelijk niveau vastgesteld algemeen verbindend voorschrift. Met andere woorden (juridische) regels die voor iedereen gelden. De belangrijkste en meest omvattende gemeentelijke verordening is de Algemene plaatselijke verordening. Daar komt nu de Verordening fysieke leefomgeving bij, maar doordat er een groot aantal artikelen uit de Algemene plaatselijke verordening en de Beheersverordening begraafplaatsen worden gehaald en opgenomen in de Verordening fysieke leefomgeving en daarnaast 5 verordeningen in zijn geheel worden opgenomen in de Verordening fysieke leefomgeving, wordt deze verordening de meest omvattende verordening van de gemeente. Dit komt de leesbaarheid niet ten goede en daarom is deze uitgebreide toelichting toegevoegd ter verduidelijking van de vele artikelen die in de Verordening fysieke leefomgeving zijn opgenomen en nog worden opgenomen.

Hoofdstuk 9

Sanctie-, overgangs- en slotbepalingen 9

Hoofdstuk 9 bevat regels over strafbaarheid, toezicht en handhaving. In artikel 9.1 worden straffen gesteld op overtreding van de regels van de verordening. In de Verordening fysieke leefomgeving is de strafbaarheid van overtreding van de regels ongewijzigd overgenomen uit de geïntegreerde verordeningen. Dit betekent dat op overtreding van de regels de hoogst mogelijke straf staat die in een gemeentelijke verordening kan worden opgenomen. Uitzonderingen zijn de inhoudelijke regels uit de Bouwverordening en de regels voor bodembescherming. Op overtreding van deze regels was geen straf gesteld. Dit blijft ongewijzigd. In de Algemene verordening ondergrondse infrastructuur 2015 is slechts op overtreding van enkele bepalingen een straf gesteld, lager dan het maximaal toegestane. Dit lagere maximum is overgenomen in artikel 9.1, tweede lid, van de Verordening fysieke leefomgeving. De Wet op de economische delicten stelt straf op grond van de artikelen 7.1, 7.3, 7.4 en 7.11 van de Verordening fysieke leefomgeving. Om dubbele strafbaarstelling te voorkomen is een regel toegevoegd die strafbaarstelling op grond van artikel 9.1, eerste lid, uitsluit als de Wet op de economische delicten van toepassing is. In dit hoofdstuk worden verder het toezicht, binnentreden woningen, intrekken en vervallenverklaring oude verordening en de overgangs- en slotbepalingen geregeld.

Het laatste artikel regelt de citeertitel. Transponeringstabel Na hoofdstuk 9 in deze toelichting is een transponeringstabel opgenomen. Bijlagen Bijlage 1 Bij artikel 1.1 begripsbepalingen van de Verordening fysieke leefomgeving gemeente Epe 2024. Bijlage 2 Kaarten bebouwde komgrenzen gemeente Epe Bijlage 3

Bomenlijst gemeente Epe

Bomenlijst op grond van artikel 7.10a, eerste lid, onder a, b en c van de Verordening fysieke leefomgeving gemeente Epe 2024. Bijlage 4

Omgevingsplanactiviteiten

Omgevingsplanactiviteiten van gemeenten die op grond van de Bruidsschat Omgevingsplan op 1 januari 2024 in het tijdelijke Omgevingsplan van de gemeente Epe staan.

Artikelsgewijze toelichting Hoofdstuk 1 Artikel 1.1

Algemene Bepalingen Begripsbepalingen 10

In dit artikel wordt verwezen naar bijlage l waar een aantal begrippen die in de verordening worden gebruikt, worden gedefinieerd. De volgende begrippen vereisen een extra toelichting: Bouwwerk: constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren, met inbegrip van de daarvan deel uitmakende bouwwerk gebonden installaties; Fysieke leefomgeving: het begrip fysieke leefomgeving is een belangrijk nieuw begrip in het stelsel van de Omgevingswet. Een afgebakende definitie van de ‘fysieke leefomgeving’ is er niet. In de wet staat een opsomming van onderdelen die in ieder geval onder de fysieke leefomgeving vallen: bouwwerken, infrastructuur, watersystemen, water, bodem, lucht, landschappen, natuur, cultureel erfgoed en werelderfgoed. Inrichting: de Omgevingswet kent het begrip inrichting niet (meer) en is vervangen door het algemene begrip activiteit en waar dit van toepassing is, in gebouw, instelling of openbare gelegenheid. Openbare plaats: plaats die krachtens bestemming of vast gebruik openstaat voor het publiek. Hiervoor is aangehaakt bij de Wet openbare manifestaties. Artikel 1.2

Toepassingsbereik

Dit artikel is nieuw. De Vfl bevat een deel van de regels die voorheen waren opgenomen in de verschillende verordeningen. Deze verordening wordt aangevuld met regels over andere onderwerpen, die gaan vallen onder de reikwijdte van de Omgevingswet. Dit ter voorbereiding op het definitieve Omgevingsplan van de gemeente Epe, die uiterlijk op 31 december 2031 door de Raad dient te zijn vastgesteld. De inwerkingtreding van de Omgevingswet is op 1 januari 2024. Er staat 8 jaar voor de totstandkoming van het definitieve Omgevingsplan. Een Koninklijk Besluit hierover is op 10 juli 2023 ondertekend en op 18 juli 2023 in de Staatscourant gepubliceerd. Daarnaast dienen de regels aan de eisen van de Omgevingswet te voldoen en voor de vragenbomen in het DSO ‘toepasbaar’ worden gemaakt. Dit gebeurt in de volgende versies van de Verordening fysieke leefomgeving. Artikel 1.3

Doel van de verordening

Het eerste lid geeft het doel van deze verordening weer. Het tweede lid is gebaseerd op de algemene doelen uit de Omgevingswet en geeft zodoende het overkoepelende doel van de regels van deze verordening aan.

Hoofdstuk 2

Algemene regels ter instandhouding, bescherming, onderhoud en beheer fysieke leefomgeving

Artikel 2.1

Doel van de regels

11

Dit artikel spreekt voor zich en behoeft geen verdere toelichting Artikel 2.2

Algemene zorgplicht voor de fysieke leefomgeving

Dit artikel is gebaseerd op artikel 1.6 van de Omgevingswet. In de fysieke leefomgeving vindt een breed scala aan activiteiten plaats, die door veel actoren worden uitgevoerd en die verschillend van aard, omvang en duur zijn. Ook de gevolgen van die activiteiten voor de fysieke leefomgeving lopen sterk uiteen. De algemene zorgplicht houdt in dat eenieder bij zijn activiteiten voldoende zorg voor de fysieke leefomgeving in acht neemt. De functies van de zorgplicht zijn: 1.

bewust maken van de eigen verantwoordelijkheid van burgers voor de behartiging of het ontzien van bepaalde belangen;

2.

bieden van een leidraad voor gedrag, wanneer geen concrete gedragsbepalingen voorhanden zijn of deze niet toereikend blijken;

3.

bieden van een maatstaf voor de beoordeling van gedrag en het bieden van een rechtvaardigingsgrond voor bestuursrechtelijke handhaving in gevallen van onmiskenbare strijd met de zorgplicht (vangnetfunctie).

Het is de verwachting dat de zorgplicht in de praktijk een beperkte, maar nuttige functie zal vervullen bij het waarborgen van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit. Volledigheidshalve wordt nog opgemerkt dat deze artikelen de uit het burgerlijk recht voortvloeiende aansprakelijkheid en ook de mogelijkheden van overheden om als rechtspersoon met gebruikmaking van het privaatrecht de naleving van rechtsregels te bevorderen, onverlet laten. Artikel 2.3

(Specifieke) zorgplicht bij nadelige gevolgen

Dit artikel is gebaseerd op artikel 1.7 van de Omgevingswet. Zie ook toelichting bij artikel 2.2. Artikel 2.4

(Specifieke) zorgplicht voor toestand object op openbare plaats

Zie toelichting bij artikel 2.2 Artikel 2.5

(Specifieke) zorgplicht voor toestand onroerend cultureel erfgoed

Dit artikel is gebaseerd op de artikelen 13.11 en 13.12 van het Besluit activiteiten leefomgeving. De zorgplicht geldt voor al het onroerend cultureel erfgoed, te weten gemeentelijke-, provinciale- en rijksmonumenten, beschermd stads- of dorpsgezicht en archeologische monumenten. Artikel 2.6

(Specifieke) zorgplicht voor toestand van sloten en wateren

Dit artikel is ter vervanging van een deel van artikel 4:9 APV. Vooruitlopend op de opname in het Omgevingsplan is artikel 4:9 Apv gesplitst in artikel 2.6 en 2.7.

12

Artikel 2.7

(Specifieke) zorgplicht voor de toestand niet openbare riolen en putten buiten gebouwen

Dit artikel is ter vervanging van een deel van artikel 4:9 Apv. Vooruitlopend op de opname in het Omgevingsplan is artikel 4:9 APV gesplitst in artikel 2.6 en 2.7. Artikel 2.8

(Specifieke) zorgplicht voorkomen van de verspreiding van moeilijk te bestrijden planten

In aanvulling op de toelichting van artikel 2.2 geeft dit artikel een specifiekere leidraad voor het voorkomen van de verspreiding van moeilijk te bestrijden planten. Artikel 2.9

(Specifieke) zorgplicht voorkomen en verwijderen zwerfafval in de openbare ruimte

Dit artikel is gebaseerd op het voormalige artikel 19 van de Afvalstoffenverordening. Dit artikel heeft als doel om de fysieke leefomgeving te beschermen en aantrekkelijk te houden. Het legt aan alle gebruikers van de openbare ruimte een zorgplicht op. Het gaat vooral over afval dat onderweg in de openbare ruimte ontstaat. Er moet worden voorkomen dat afval als zwerfafval op straat of in het plantsoen terecht komt. Het gaat om afval dat buiten een perceel ontstaat. Huishoudelijk afval, dat ontstaat op of binnen het perceel, moet worden aangeboden volgens de bepalingen in deze verordening. NB Ook het achterlaten van afval van grotere omvang en gewicht valt niet onder de reikwijdte van dit artikel. Dit wordt beschouwd als het dumpen van een voorwerp. Klein chemisch afval is uitdrukkelijk uitgesloten van de omschrijving zwerfafval. Dit afval moet in alle gevallen via de daarvoor opgezette inzamelstructuur te worden verwijderd. Eerste lid Met dit lid wordt de algemene zorgplicht voor de fysieke leefomgeving specifieker gemaakt, omdat zwerfafval te vaak voor komt. Tweede lid In de openbare ruimte zijn afvalbakken en andere algemene of specifieke inzamelvoorzieningen aanwezig. Denk aan voorzieningen voor het inzamelen van papier, plastic, glas en wijkcontainers voor meerdere huishoudens. Derde lid Het komt vaak voor dat materiaal wordt aangeboden.

Naast de zorgplicht van degene die dat materiaal aanneemt, heeft ook degene die het aanbiedt de zorgplicht dat niets wordt achtergelaten in de openbare ruimte. Vierde lid Ook dit lid heeft het doel om zwerfafval te voorkomen.

13

Artikel 2.10

(Specifieke) zorgplicht voorkomen en verwijderen zwerfafval rondom verkooppunten

Dit artikel is gebaseerd op het voormalige artikel 16 van de Afvalstoffenverordening. Dit artikel heeft als doel om de fysieke leefomgeving te beschermen en aantrekkelijk te houden. Bij de verkoop van eet- of drinkwaren ontstaat heel vaak afval. De verkoper is ervoor verantwoordelijk dat er geen zwerfafval ontstaat. Op basis hiervan geldt voor openbare gelegenheden in de zin van het Besluit activiteiten leefomgeving al een verplichting ten aanzien van het opruimen van zwerfafval. Bijvoorbeeld voor een horecagelegenheid, crematorium als sportaccommodatie geldt de verplichting om binnen een straal van 25 meter afval van onder andere etensresten op te ruimen. Eerste lid De verkoper van eet- en drinkwaren zorgt dat er middelen voor de inzameling van het afval en het verpakkingsmateriaal aanwezig zijn. Bijvoorbeeld afvalbakken of (verzamel)containers. Tweede lid Uitpuilende afvalbakken veroorzaken zwerfafval. Daarom heeft de verkoper ook de plicht om de afvalbakken op tijd te legen. Derde lid (vervallen), staat in de Bruidsschat Omgevingsplan § 22.3.3 Zwerfafval, artikel 22.53 Afval: zwerfvuil). Lid 3.

De koper verwijdert binnen een straal van ten minste 25 meter het zwerfafval dat afkomstig is van het verkooppunt.

Vierde lid Dit artikel is een aanvulling op het voormalige artikel 2.13 van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Het is toegespitst op de problematiek van zwerfafval en wijkt daarom op een aantal punten af van artikel 2.13. Artikel 2.11

(Specifieke) zorgplicht voor (telecom) kabels en leidingen

Dit artikel was opgenomen in artikel 3.4 van de AVOI. Deze bepaling heeft een algemene vangnetfunctie en verwoordt dat een netbeheerder of een telecomaanbieder primair verantwoordelijk is voor een goede staat en onderhoud van (telecom)kabels of leidingen. Wanneer (telecom)kabels en leidingen als gevolg van een slechte staat en onderhoud een gevaar vormen voor de openbare orde en veiligheid of voor de overige belangen die afdeling 5.3 van deze verordening behartigen, biedt dit artikel aan de gemeenten een handvat om de netbeheerder hierop aan te spreken. Artikel 2.12

Algemeen verbod oplaten ballonnen

Dit artikel is ter vervanging van het voormalige artikel 4:7 Apv. 14

Het is wenselijk het oplaten van ballonnen te verbieden. Ballonnen komen na het oplaten ongecontroleerd neer op het aardoppervlak en veroorzaken op de bodem en in de waterschade aan het milieu. Dieren kunnen verstrikt raken in (de resten van) neergekomen ballonnen en zien deze aan voor voedsel. Ballonnen veroorzaken zo sterfte onder dieren. Daarnaast leveren ballonnen die opgelaten worden met hete lucht door middel van een brandertje door de constructie en het open vuur, ook een risico op schade en brand op. Het gaat hier dus zowel om met gas gevulde ballonnen als om ballonnen met een brandertje die onder allerlei fantasienamen in de handel zijn (herdenkingsballon, geluksballon, vuurballon, gelukslampion, Thaise wensballon enzovoorts). Om te voorkomen dat ook weerballonnen en heteluchtballonnen onder het verbod vallen is opgenomen dat het alleen ballonnen betreft die zonder sturing wegdrijven. Artikel 2.13

Verbod houtopstanden of objecten onder hoogspanningslijn

Voor de aanleg van een hoogspanningslijn werd veelal in het bestemmingsplan een strook grond als zodanig bestemd en werden tevens gebruiksvoorschriften opgesteld waarmee aantasting van deze bestemming voorkomen moet worden. Hierbij kan gedacht worden aan voorschriften over de hoogte van toe te laten gebouwen. Dit artikel is een vangnetartikel voor het geval dat in het (tijdelijke) Omgevingsplan een strook grond niet als zodanig is bestemd. Het biedt een publiekrechtelijke basis om overtreding van deze bepaling, waardoor een gevaarlijke situatie ontstaat, zo nodig met bestuursdwang recht te kunnen zetten. Artikel 2.14

Verbod dumpen stoffen of voorwerpen

Dit artikel is gebaseerd op het voormalige artikel 14 van de Afvalstoffenverordening. Dit artikel heeft als doel om de natuur en het milieu te beschermen. Het geeft de gemeente een instrument om illegale dumpingen en het ontstaan van zwerfafval tegen te gaan. Tweede lid Dit lid geeft aan wanneer dit artikel niet van toepassing is. Dit betekent niet dat de activiteit niet verboden en strafbaar is. Maar de handhaving gebeurt op basis van een andere gemeentelijke regelgeving of hogere wet- of regelgeving. Derde lid Deze bepaling zorgt ervoor dat de handhaving en de bewijslast makkelijker wordt, omdat niet altijd te achterhalen is wie de stoffen of voorwerpen heeft gedumpt. Artikel 2.15 Verbod op verontreinigen van de weg Dit artikel is gebaseerd op het voormalige artikel 17 van de Afvalstoffenverordening. Dit artikel heeft als doel om de fysieke leefomgeving te beschermen, veilig en aantrekkelijk te houden.

15

Wanneer bij het vervoeren, laden en lossen regelmatig verontreiniging optreedt geeft het de gemeente de mogelijkheid om door middel van bestuursdwang tot opruimen te dwingen. Artikel 2.16

Verbod opslaan afval in de open lucht

Dit artikel is gebaseerd op het voormalige artikel 18 van de Afvalstoffenverordening. Dit artikel heeft als doel om de fysieke leefomgeving aantrekkelijk te houden. Eerste lid Het verbod gaat over het langdurige opslaan van afval, waardoor de fysieke leefomgeving wordt ontsierd en er (reuk)overlast kan ontstaan. Het gaat niet om het tijdelijk bewaren van afval voor aanbieding tijdens de eerstvolgende inzameling daarvan. Tweede lid Dit artikel is niet van toepassing op situaties die zijn geregeld in deze verordening of de Wet milieubeheer. Het richt zich dus niet op bedrijven die handelen met een vergunning op basis van de genoemde weten regelgeving. Artikel 2.17

Verbod plaatsen van autowrakken en onderdelen in de openbare ruimte

Dit artikel is gebaseerd op het artikel 19 van de Afvalstoffenverordening. Maar artikel 20 blijft ook van kracht, want heeft ook andere motieven dan bescherming van de fysieke leefomgeving. Dit artikel is een aanvulling op het Besluit beheer autowrakken. Het doel is om de fysieke leefomgeving aantrekkelijk te houden. Het is verboden om autowrakken in de openbare ruimte te plaatsen, omdat daardoor de fysieke leefomgeving wordt ontsierd en er overlast kan ontstaan. Artikel 2.18

Meldplicht bij brand of broei

In aanvulling op de toelichting van artikel 2.2 geeft dit artikel een specifiekere leidraad voor gedrag ten aanzien van de meldplicht bij brand en broei. Artikel 2.19

Gedoogplicht voorzieningen voor verkeer, verlichting, nummering en naamgeving

In beginsel biedt de Belemmeringenwet privaatrecht het kader om op het eigendomsrecht van anderen inbreuk te maken. De Belemmeringenwet is echter in haar toepassing bedoeld voor zodanige inbreuken op dat eigendomsrecht waardoor het gebruik van de desbetreffende onroerend zaak al dan niet tijdelijk beperkt wordt.

16

Deze gedoogplicht is alleen dan aanwezig wanneer de voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het verkeer, de openbare verlichting, huisnummering en wijk-, buurt- of straatnaamgeving het gebruiksrecht van de eigenaar niet aantasten. Naast de gedoogplicht is ook een zorgplicht opgenomen om ervoor te zorgen dat de objecten ook daadwerkelijk zichtbaar blijven en hun functie kunnen uitoefenen.

Hoofdstuk 3 Artikel 3.1

Proces, procedure en adviescommissie Verhouding Omgevingswet tot de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht

Deze verordening kent een aantal onderwerpen die op grond van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht als omgevingsvergunning moeten worden behandeld. Verder in dit hoofdstuk de beslistermijnen, de voorschriften en beperkingen, de algemene weigeringsgronden, de algemene wijzigings- en intrekkingsgronden, het erfgoedregister en de nadere regels en aanwijzingsbesluiten. De Omgevingswet geeft aan wie het bevoegd gezag is. Artikel 3.2

(Beslis)termijnen

Deze termijn is genoemd in diverse verordeningen en staat eveneens in artikel 16.64 van de Omgevingswet. Uit artikel 4:15, eerste lid, aanhef en onder a van de Algemene wet bestuursrecht (verder Awb) volgt dat de beslistermijn ingaat op het moment dat de oorspronkelijke aanvraag is ingediend. De beslistermijn wordt opgeschort als de aanvraag niet volledig is. De aanvrager wordt verzocht de aanvraag te complementeren binnen een bepaalde termijn. Wanneer de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Awb van toepassing wordt verklaard, neemt het college binnen 6 maanden een besluit. Artikel 3.3

Voorschriften en beperkingen

Voorschriften wil zeggen: bijzondere verplichtingen die alleen voor deze vergunninghouder gelden of beperkingen, bijvoorbeeld naar plaats of naar tijdsduur. Vanzelfsprekend is het verplicht de voorschriften of beperkingen na te komen. Artikel 3.4

Algemene weigeringsgronden

Naast deze algemene weigeringsgronden kent de wet en deze verordening ook specifieke weigeringsgronden. Artikel 3.5

Algemene wijzigings- en intrekkingsgronden

Dit artikel is gebaseerd op artikel 1:6 Apv en op artikel 5.40 van de Omgevingswet. Naast deze algemene wijzigings- en intrekkingsgronden kent de onderliggende wet en deze verordening ook specifieke wijzigings- en intrekkingsgronden.

17

Artikel 3.6

Gemeentelijke Adviescommissie Ruimtelijke kwaliteit

De gemeentelijke adviescommissie omgevingskwaliteit gemeente Epe is ontleend aan Omgevingswet. De Verordening op de gemeentelijke adviescommissie omgevingskwaliteit gemeente Epe 2024 treedt gelijktijdig met de Omgevingswet in werking. Artikel 3.7

Gemeentelijk erfgoedregister

Dit artikel is gebaseerd op de artikel 2 van de model Erfgoedverordening. Vierde lid Dit artikel bepaalt dat op het schrappen uit het register van een aanwijzing als gemeentelijk monument dezelfde procedure geldt als bij de aanwijzing daarvan. Artikel 3.8

Nadere regels en aanwijzingsbesluiten

Het college kan net als bij de Apv nadere regels vaststellen en aanwijzingsbesluiten nemen op basis van deze verordening. Hoofdstuk 4

Erfgoed (Monumenten en Archeologie)

Artikel 4.1

Definities

Dit artikel behoeft geen verdere toelichting Artikel 4.2

Doel van aanwijzen gemeentelijk cultureel erfgoed

Uit de Erfgoedwet blijkt dat cultureel erfgoed de overkoepelende term is. Hieronder vallen zowel het roerende cultuurgoed, als onroerend cultureel erfgoed. Echter alleen onroerend cultureel erfgoed valt onder de reikwijdte van de Omgevingswet, want het is onderdeel van de fysieke leefomgeving. Roerend cultuurgoed, bijvoorbeeld het verzamelen boeken, heeft geen betrekking op de fysieke leefomgeving. Artikel 4.3

Aanwijzing als gemeentelijk beschermd cultuurgoed of gemeentelijk beschermde verzameling Dit artikel maakt het mogelijk dat topstukken van het gemeentelijk cultuurbezit worden aangewezen als gemeentelijk beschermde cultuurgoederen of gemeentelijk beschermde verzamelingen, voor zover deze niet al voor het Nederlandse cultuurbezit als beschermde cultuurgoederen zijn aangewezen door de minister op grond van artikel 3.7 van de Erfgoedwet of door gedeputeerde staten op grond van de provinciale Erfgoedverordening krachtens artikel 3.17 van de Erfgoedwet. De formele gevolgen van een aanwijzing van een cultuurgoed of verzameling als gemeentelijk beschermd cultuurgoed of gemeentelijk beschermde verzameling zijn beperkt: ingevolge artikel 3.7 van deze verordening zullen ze ingeschreven dienen te worden in het gemeentelijk erfgoedregister en er geldt op grond van het derde lid, in aanvulling op artikel 4.18 van de Erfgoedwet, een advies verplichting bij een eventuele vervreemding daarvan door de gemeente of wanneer de gemeente afstand wil doen van het eigendom of de zorg voor het cultuurgoed dat of de verzameling die aan haar was toevertrouwd. 18

De aanwijzing heeft daarnaast vooral een symbolische betekenis en geeft uitdrukking aan het belang dat de gemeente stelt in het betreffende cultuurgoed of de betreffende verzameling. De aanwijzing van gemeentelijk beschermde cultuurgoederen en verzamelingen kan uitsluitend betrekking hebben op cultuurgoederen en verzamelingen die in eigendom zijn van de gemeente of cultuurgoederen en verzamelingen waarvan de zorg aan de gemeente is toevertrouwd. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn bij cultuurgoederen die door de gemeente in bruikleen zijn verkregen uit collecties van derden. Voor aanwijzing van dergelijke cultuurgoederen is overeenstemming met de eigenaar een vereiste. Burgemeester en wethouders moeten voorts in het geval van een schenking, erfstelling, legaat of aankoop eventuele beperkende of andere juridische voorwaarden in acht nemen. Er kan op grond van deze verordening geen sprake zijn van de aanwijzing van cultuurgoederen van derden als gemeentelijk beschermde cultuurgoederen of verzamelingen, zonder toestemming van de eigenaar. Er bestaat onvoldoende wettelijke grondslag om bij verordening een juridisch beschermingsregime eenzijdig aan een andere eigenaar op te leggen, zoals dat geldt voor de op rijksniveau beschermde cultuurgoederen (zie hoofdstuk 4 van de Erfgoedwet). Van een eventuele aanwijzing zou daardoor geen enkele beschermde werking uitgaan.

Daarom is ervan afgezien een aanwijzingsbevoegdheid voor het college te creëren. Artikel 4.4

Wijziging, intrekking en vervallen van de aanwijzing als gemeentelijk beschermd cultuurgoed of gemeentelijk beschermde verzameling

Dit artikel bepaalt onder andere dat bij wijziging (van niet-ondergeschikte aard) van een aanwijzing en bij intrekking van de status als gemeentelijk beschermd cultuurgoed of gemeentelijk beschermde verzameling dezelfde adviesprocedure geldt als bij onder meer de aanwijzing daarvan. Over het voornemen daartoe vragen burgemeester en wethouders advies aan een commissie als bedoeld in artikel 4.18 van de Erfgoedwet. Bij een wijziging van ondergeschikte betekenis kan onder andere gedacht worden aan de plaatsaanduiding in verband met verhuizing van een cultuurgoed naar een andere locatie ter plekke of omdat het in tijdelijke bruikleen wordt gegeven aan een museum. Voorts is hier bepaald dat een aanwijzing vervalt zodra het cultuurgoed of de verzameling waarop de aanwijzing betrekking heeft door de minister of een provincie wordt aangewezen als beschermd cultuurgoed of beschermde verzameling. Artikel 4.5 Aanwijzing als gemeentelijk monument Dit artikel regelt de toekenning van de status van gemeentelijk monument aan een monument of archeologisch monument (een tuin en een park vallen binnen het begrip ‘monument’, ‘natuurlandschap niet’).

19

De aanwijzing vergt een belangenafweging tussen het met de aanwijzing te dienen belang en de overige bij de aanwijzing betrokken belangen, waaronder planologische en/of economische belangen of het gebruik van het monument of archeologisch monument. Deze formulering is ontleend aan de artikelen 3.1, eerste lid, en 3.16, tweede lid, van de Erfgoedwet. Het college heeft beleidsvrijheid bij de aanwijzing van een monument of archeologisch monument als gemeentelijk beschermd monument. Er geldt bovendien niet zoiets als de voorheen gehanteerde vijftigjarengrens voor monumenten. Bij de afweging van belangen die daarbij een rol spelen moeten ook de belangen van het gebruik ten opzichte van de te beschermen monumentale waarde uitdrukkelijk en gemotiveerd naar voren komen. Bij de voorbereiding van een aanwijzing moeten deze belangen derhalve in concreto worden onderzocht. Voor de aanwijzing als gemeentelijk monument voegt de bepaling over het gebruik van het (archeologisch) monument geen belang toe dat niet al op grond van artikel 3:4, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) dient te worden meegewogen.

Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State gaat het bij een besluit over de aanwijzing als beschermd monument om de afweging van het algemeen belang dat is gemoeid met de bescherming van het cultureel erfgoed tegen de belangen die de eigenaar heeft bij al dan niet aanwijzing. Het gebruik van het monument wordt beschouwd als een aspect van de belangen van de eigenaar en behoeft daarom niet afzonderlijk te worden benoemd. Artikel 4.6

Voornemen tot aanwijzing

Eerste lid Ieder monument is gegeven de begripsbepaling van artikel 1.1 van de Erfgoedwet per definitie een onroerende zaak (een bouwwerk of (groen)aanleg). Ieder archeologisch monument omvat ten minste één onroerende zaak (het terrein, dat vanwege en samen met de daar aanwezige overblijfselen, voorwerpen of andere sporen van menselijke aanwezigheid in het verleden, met inbegrip van die overblijfselen, voorwerpen en sporen, gegeven de begripsbepaling van artikel 1.1 van de Erfgoedwet wordt aangemerkt als archeologisch monument). Voor alle zakelijke gerechtigden op de betreffende onroerende zaken is ontvangst van het voornemen van een aanwijzing door het college van belang, niet alleen voor de eigenaar. Zie ook artikel 1, onder a, onderdeel 1, jo. artikel 1, onder b, onderdeel 5, van de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken (verder: Wkpb). Onder zakelijk gerechtigden vallen ook hypothecaire schuldeisers ten aanzien van de onroerende zaak.

20

Tweede lid De aanwijzing van kerkelijke monumenten vereist voorafgaand overleg met de eigenaar. Het gaat dan per definitie om een monument dat eigendom is van een kerkgenootschap, een zelfstandig onderdeel daarvan, een lichaam waarin kerkgenootschappen zijn verenigd, of van een ander genootschap op geestelijke grondslag en dat uitsluitend of voor een overwegend deel wordt gebruikt voor het gezamenlijk belijden van de godsdienst of levensovertuiging (artikel 1.1 van de Erfgoedwet). Dit lid stemt overeen met de vergelijkbare eis in artikel 3.1 van de Erfgoedwet en artikel 16.58 van de Omgevingswet en doet recht aan de bijzondere positie van het kerkelijk monument als plaats voor het gezamenlijk belijden van godsdienst of levensovertuiging. Dit geldt naast de algemene regel van artikel 4:8 van de Awb op grond waarvan belanghebbenden zoals eigenaren moeten worden gehoord. Artikel 4.7

Voorbescherming

Het is wenselijk ook ten aanzien van gemeentelijke monumenten in voorbescherming te voorzien. Dat gebeurt met dit artikel. De voorbescherming start zodra het college het voornemen tot aanwijzing hebben bekendgemaakt aan de zakelijk gerechtigden. De voorbescherming voor gemeentelijk monumenten is gebaseerd op artikel 1 van de Wkpb en vergelijkbaar met de voorbescherming voor rijksmonumenten die voortvloeide uit artikel 5 van de Monumentenwet 1988 (dat, zoals dat luidde voor inwerkingtreding van Erfgoedwet, tot inwerkingtreding van de Omgevingswet blijft gelden voor rijksmonumenten). De voorbescherming van rijksmonumenten loopt onder de Omgevingswet via de definities ‘voorbeschermd rijksmonument’ en ‘rijksmonumentenactiviteit’ en de vergunningplicht in artikel 5.1, eerste lid, onder b, van de Omgevingswet. Een rijksmonumentenactiviteit is vergunningsplichtig en betreft gelet op de definitie ook voorbeschermde rijksmonumenten. In de definitie van ‘voorbeschermd rijksmonument’ staat wat er onder wordt verstaan. Artikel 4.8

Advies gemeentelijke adviescommissie

Artikel 15 van de Monumentenwet 1988 blijft van kracht tot de invoering van de Omgevingswet. Op grond van dat artikel dient ten minste in deze verordening te zijn geregeld de inschakeling van ‘een commissie op het gebied van de monumentenzorg die in elk geval tot taak heeft te adviseren over aanvragen om een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in het voormalige artikel 2.1, eerste lid, onder f, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.’ Binnen de commissie zijn enkele leden deskundig op het gebied van de monumentenzorg. Hiertoe behoort ook de archeologische monumentenzorg. De Monumentenwet 1988 laat de ruimte om voor de adviestaak voor monumenten de inschakeling te regelen van een commissie waaraan in de praktijk meer taken in de fysieke leefomgeving zijn toegedicht.

21

In de praktijk wordt de monumentencommissie bijvoorbeeld wel gecombineerd met een commissie voor ruimtelijke kwaliteit. Dit artikel maakt daarvan gebruik om mogelijk te maken dat vooruitlopend op de Omgevingswet gewerkt kan worden met een bredere gemeentelijke adviescommissie omgevingskwaliteit. Nu een voorwaarde van de Omgevingswet zal zijn dat geen leden van het gemeentebestuur deel uitmaken van deze commissie (onder de Monumentenwet 1988 geldt dat voor leden van burgemeester en wethouders), is deze voorwaarde daartoe overgenomen in dit hoofdstuk. Onder de Omgevingswet zal op basis van artikel 17.9 een gemeentelijke adviescommissie ingesteld moeten worden die tot taak heeft te adviseren over de aanvragen om een omgevingsvergunning voor een rijksmonumentenactiviteit, voor zover het andere dan archeologische monumenten betreft. Ook daarbinnen dienen enkele leden deskundig te zijn op het gebied van de monumentenzorg. Het gaat onder de Omgevingswet om een adviescommissie met een bredere taak voor de omgevingskwaliteit, waarin de erkenning ligt van het belang van aspecten als cultureel erfgoed, architectonische kwaliteit van bouwwerken, stedenbouwkundige kwaliteit en kwaliteit van natuur en landschap.

Het gaat daarbij onder de Omgevingswet zowel om de menselijke beleving van de fysieke leefomgeving als om de intrinsieke waarden die de maatschappij toekent aan de identiteit van gebieden en aan dier- en plantensoorten. De Omgevingswet maakt uitdrukkelijk een bredere taakstelling van deze adviescommissie mogelijk. De gemeentelijke adviescommissie is geregeld in de Verordening op de gemeentelijke adviescommissie omgevingskwaliteit. Artikel 4.9

Beslistermijn en inhoud aanwijzingsbesluit

Nadere toelichting Wat betreft de termijn van 26 weken is aangesloten bij de termijn die gehanteerd wordt in de Erfgoedwet (artikel 3.2, derde lid). Artikel 4.10

Bekendmaking aanwijzingsbesluit aan rechthebbenden en inschrijving

Eerste lid Dit artikel geldt naast de algemene verplichting tot bekendmaking van besluiten op basis van de Awb. Ontvangst van de aanwijzing door burgemeester en wethouders is voor alle zakelijk gerechtigden van belang, niet alleen voor de eigenaar. Zie ook artikel 1, onder a, onderdeel 1, jo. artikel 1, onder b, onderdeel 5, van de Wkpb. Op een aanwijzingsbesluit is deze wet ook van toepassing. Onder zakelijk gerechtigden vallen ook hypothecaire schuldeisers. Tweede lid De registratie van de aanwijzing in het gemeentelijk erfgoedregister is een louter administratieve verrichting en niet een besluit. Overigens zal van de aanwijzing ook inschrijving in het gemeentelijke beperkingenregister en in het kadaster plaatsvinden op grond van artikel 1, onder c en e, van de Wkpb.

22

Artikel 4.11 Dit artikel biedt burgemeester en wethouders de mogelijkheid om in spoedeisende gevallen een monument of archeologisch monument als gemeentelijk monument aan te wijzen. In dat geval wordt de adviescommissie zoals bedoeld in artikel 4.8 van deze verordening pas ingeschakeld na de voorlopige aanwijzing. Aanwijzing als voorlopig gemeentelijk monument De bescherming van de artikelen 4.13 tot en met 4.16 van deze verordening geldt echter vanaf het moment dat belanghebbenden schriftelijk in kennis zijn gesteld van de voorlopige aanwijzing. Een bezwaarschrift heeft dus geen opschortende werking en daarmee kan de voorlopige aanwijzing dus niet eenvoudig omzeild worden. Als de aanwijzing definitief wordt door de opname in het erfgoedregister loopt deze bescherming door. Als er uiteindelijk geen opname in het erfgoedregister plaatsvindt vervalt de bescherming. Artikel 4.12 Wijziging gemeentelijk erfgoedregister, vervallen aanwijzing monument Dit artikel bepaalt dat op het schrappen uit het register van een aanwijzing als gemeentelijk monument dezelfde procedure geldt als bij de aanwijzing daarvan. Voorts is hierin bepaald dat de aanwijzing als gemeentelijk monument vervalt zodra een monument is opgenomen in het rijksmonumentenregister, in een provinciaal erfgoedregister of een provinciale Omgevingsverordening.

Artikel 4.13 Instandhoudingsplicht gemeentelijk monument Dit artikel is voor gemeentelijke monumenten naar analogie met artikel 11, eerste lid, van de Monumentenwet 1988 geschreven, zoals dat is gewijzigd door artikel 10.18 van de Erfgoedwet, met inbegrip van de instandhoudingsplicht die daarbij is geïntroduceerd. Het verbod op beschadigen en vernielen van rijksmonumenten en voorbeschermde rijksmonumenten wordt onder de Omgevingswet geregeld in artikel 13.12 van het Besluit activiteiten leefomgeving (hierna: Bal). Artikel 4.14 Omgevingsvergunning gemeentelijk monument Dit artikel is oorspronkelijk gebaseerd op artikel 2.2 van de Wabo en vanwege het overgangsrecht tot 1 januari 2032 inhoudelijk zoveel mogelijk gelijk gebleven. Wel is een bepaling conform artikel 3.11 van het Bal onder andere handelend over rijksmonumentenactiviteiten bij begraafplaatsen en grafmonumenten toegevoegd. Artikel 4.15 (Vervallen) Nadere toelichting Artikel 15 vervalt vanwege de inwerkingtreding van de Omgevingswet en wordt vervangen door een beperkender regime. Na inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn de intrekkingsgronden van een omgevingsvergunning uitputtend geregeld in onder andere de artikelen 5.39 en 5.40 van de Omgevingswet, artikel 8.97 e.v. van het Besluit kwaliteit leefomgeving (hierna: Bkl) en in verband met het overgangsrecht ook in artikel 10a.12 van het Bkl.

23

Artikel 4.16 Weigeringsgronden In het eerste lid ligt op grond van de belangenafweging die moet worden gemaakt tevens besloten dat rekening wordt gehouden met het gebruik van het monument. In het tweede lid is voor wat betreft de vereiste overeenstemming met de eigenaar van een kerkelijk monument aangesloten bij het voormalige artikel 3.2a van de Wabo. Dit geldt ook deels voor artikel 16.58 van de Omgevingswet, maar er is geen gebruik gemaakt van het eerste lid van dit artikel waarin wordt gesproken over ‘overleg’ en niet over ‘overeenstemming’ omdat dit de kerkelijke eigenaar minder rechten geeft. Artikel 4.17 (Vervallen) Artikel 4.18 Aanwijzing als gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht Dit artikel geeft de mogelijkheid aan de gemeenteraad om gemeentelijke stads- of dorpsgezichten aan te wijzen, die vervolgens krachtens het Omgevingsplan moeten worden beschermd. Het is mogelijk dat het (tijdelijke) Omgevingsplan, onderdelen van het bestemmingsplan of de beheersverordening, als beschermend worden aangemerkt. Dit is vergelijkbaar met de tot inwerkingtreding van de Omgevingswet nog geldende artikelen 35 en 36 van de Monumentenwet 1988 voor rijksbeschermde stads- of dorpsgezichten. Daarna is het aanwijzen gemeentelijke van stads- of dorpsgezichten mogelijk via deze verordening (tot het eind van de overgangsfase) of in het definitieve Omgevingsplan.

Voor de bescherming van rijksmonumenten binnen het gemeentelijke stads- of dorpsgezicht geldt dan de artikelen 5.1 en 5.22 van de Omgevingswet en van gemeentelijke monumenten artikel 4.13 van deze verordening. Ook het Rijk zal de bescherming van nieuwe stads- of dorpsgezichten van landelijke betekenis dan op basis van de Omgevingswet regelen via een instructie aan de gemeenten, die zij moeten overnemen in hun Omgevingsplan. Voor bestaande rijksbeschermde stads- of dorpsgezichten geldt artikel 4.35 van de Invoeringswet Omgevingswet. Zevende lid De voorgaande leden zijn niet van toepassing op een stads- of dorpsgezicht dat via instructies de functie-aanduiding rijksbeschermd heeft op grond van artikel 2.34, vierde lid, van de Omgevingswet, of provinciaal beschermd heeft op grond van artikel 2.33, eerste lid, van de Omgevingswet. Artikel 4.19

Wijziging, intrekking en vervallen van de aanwijzing als gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht Dit artikel bepaalt onder andere dat bij wijziging (van niet-ondergeschikte aard) van een aanwijzing en bij intrekking van de status als gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht dezelfde procedure geldt als bij de aanwijzing daarvan.

24

Voorts is hier bepaald dat een aanwijzing vervalt zodra het stads- of dorpsgezicht waarop de aanwijzing betrekking door de minister of een provincie wordt aangewezen als beschermd stads- of dorpsgezicht. Bij een wijziging van ondergeschikte betekenis kan onder andere gedacht worden aan wijzigingen in verband met de verandering van bijvoorbeeld straatnamen of huisnummers. Artikel 4.20 Verbodsbepaling en aanvraag omgevingsvergunning Het voormalige artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo gaf de gemeente de mogelijkheid om op basis van hun verordening het slopen in een gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht aan een omgevingsvergunningplicht te onderwerpen. Daaraan is hier uitvoering gegeven. Artikel 5.1, aanhef en onder a, van de Omgevingswet geeft de gemeenten de mogelijkheid een dergelijke verplichting op te nemen als een omgevingsplanactiviteit in het Omgevingsplan. Totdat het Omgevingsplan is aangepast, kan het verbod in deze verordening blijven staan, in aanvulling op het overgangsrecht ten aanzien van de artikel 2.2 van de Wabo activiteiten. De Omgevingswet regelt in de artikelen 22.2, 22.8 en 2.1a van het Omgevingsbesluit het overgangsrecht. Artikel 4.21

Vangnet archeologie

Er dient in het tijdelijke Omgevingsplan in de toelichting een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Met de invoering van deze verplichting is de bescherming archeologische waarden in beginsel ruimtelijk geborgd. Er zijn echter nog bestemmingsplannen, opgenomen in het (tijdelijke Omgevingsplan), van kracht van vóór de invoering van deze eisen. Om, mede gelet op de verplichtingen van het Verdrag van Malta, ook voor de gronden waar deze oudere bestemmingsplannen, opgenomen in het tijdelijke Omgevingsplan, nog gelden de bescherming van archeologische waarden te verzekeren, is dit artikel opgenomen. De strekking van dit artikel is te waarborgen dat mogelijk in deze gronden aanwezige archeologische waarden niet worden verstoord, tenzij daaraan aandacht is besteed die gelijkwaardig is, door middel van de verwachtingskaarten, een omgevingsvergunning of eigen onderzoek dat aan die eisen kan voldoen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13480120/2