CConstaterende datEpe
Koppel je AI →
Document · PDF

645197 Kadernota 2024-2027

Gemeenteraad 25 mei 2023, gemeente EpeBij agendapunt: Vaststelling Lijst ingekomen stukken 25 mei 202322.936 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

De financiele consequenties die dit met zich mee kan brengen zijn nog niet duidelijk. Mogelijk zullen er extra middelen nodig zijn om deze wettelijke activiteit van de VNOG uit te (laten) voeren. In dat geval worden nadere voorstellen gedaan. Het onderwerp is tevens opgenomen in de risicoparagraaf (zie hoofdstuk 11). 7.3. LCMS geneeskundige zorg LCMS is de digitale tool die gebruikt wordt door veiligheidsregio’s en crisispartners om netcentrisch samen te werken. LCMS staat voor Landelijk Crisismanagement Systeem en wordt gebruikt om een actueel en gedeeld beeld te onderhouden. LCMS wordt gebruikt door alle 25 veiligheidsregio’s en landelijke partijen zoals het NCC en LOCC. De laatste jaren maken steeds meer organisaties gebruik van het systeem. Binnen LCMS wordt alle informatie rondom risico’s, incidenten, rampen en crises gedeeld om tot een actueel gedeeld beeld te komen. In de Kadernota 2020 was het budget voor het geneeskundige deel van LCMS ingaande 2022 met € 32.000 verlaagd op basis van de verwachting dat ingaande 2022 de door VNOG af te dragen landelijke bijdrage met dit bedrag zou verminderen. Het NIPV heeft echter meegedeeld dat deze daling niet gerealiseerd wordt, met name doordat minder partijen dan destijds verwacht participeren in dit deel van het LCMS. Daardoor is ingaande 1 januari 2023 een structureel nadeel van € 32.000 ontstaan. 7.4.

Extra opslagcapaciteit voor e-mail archivering De archivering van e-mail leverde bij vele overheden praktische uitvoeringsproblemen op. De werkwijze was erg bewerkelijk en in de praktijk lastig uitvoerbaar. Eigenlijk moest elke mail separaat worden beoordeeld en opgeslagen. De Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) heeft daarom nieuw ontwikkelde selectielijsten voor e-mail gemaakt. Op grond daarvan mogen mails voortaan, afhankelijk van de functie van medewerkers, in bulk worden opgeslagen, namelijk door de mailbox als geheel in één handeling te archiveren. Dit gebeurt bij voorkeur door automatische labeling. Voor medewerkers geldt een zevenjarige bewaartermijn, voor sleutelfunctionarissen een permanente bewaring. Dit is een grote verbetering ten opzichte van de oude werkwijze. Daarmee wordt voldaan aan de Archiefwet, met uiteraard inachtneming van de privacywetgeving. Labelling zou kunnen met een zogenaamde Microsoft e5 licentie, maar de exacte werkwijze hiervoor zal nog verder in detail worden Pagina 23 van 52

uitgewerkt. Er moet wel voldoende digitale opslagruimte zijn om de betreffende mails langdurig op te slaan. Daarvoor is uitbreiding van de geheugencapaciteit nodig. De meerskosten, berekend op basis van een schatting van de gemiddelde mailbox grootte, het personeelsverloop en inschatting hoeveel mailboxen jaarlijks welke status krijgen (7 jaar bewaartermijn of permanente bewaring) bedragen structureel € 30.000 per jaar. 7.5. Duurzaamheid: CO2-prestatieladder Eind 2021 is een duurzaamheidsvisie voor VNOG vastgesteld door het AB. Deze houdt in dat VNOG minimaal de wettelijke verplichtingen volgt, maar ook zoekt naar duurzaamheidsaspecten waarin kan worden versneld. Dit alles met het oog op de duurzaamheidsopgave, zoals de wettelijke verplichting tot het verminderen van de CO2 voetprint in 2030. De visie is uitgewerkt in een duurzaamheidsstrategie. Deze bestaat uit een zestal thema’s: inkoop, vastgoed, facilitair, mobiliteit, gedrag en specifieke VNOG- en brandweeractiviteiten. Organisaties en bedrijven zijn verplicht een en ander systematisch uit te voeren en te monitoren. Als nulmeting gaat VNOG daarom, door middel van de CO2-prestatieladder en met behulp van externe ondersteuning, in kaart brengen wat de huidige CO2 voetafdruk is van VNOG. Hierbij wordt zichtbaar bij welke werkprocessen CO2 wordt uitgestoten en om welke hoeveelheden het gaat.

Op basis daarvan kan in kaart worden gebracht welke verdere aanpassingen er mogelijk zijn om de voetprint verder te verlagen en welke de meeste winst opleveren. De ladder zal in 2023 worden ingevuld; eenmalige kosten bedragen € 30.000. De CO2 -prestatieladder is een instrument om de CO2-uitstoot van een organisatie te bepalen en te reduceren. Daarnaast is het een handzaam en duurzame tool om in te zetten bij aanbestedingen om verdere CO2-reductie te bevorderen. De CO₂-prestatieladder kent vijf niveaus, opklimmend van 1 naar 5. Tot en met niveau 3 gaat het om de CO2-reductie van de eigen organisatie. Voor niveau 4 en 5 betreft het de reductie van de CO2-uitstoot van de keten en de sector, onder andere via het aanbestedingsbeleid. Daarnaast wordt, samen met je partners, de CO2-uitstoot van de keten verminderd, o.a. door innovaties in de sector. De bijbehorende eisen komen voort uit vier invalshoeken: inzicht, reductie, transparantie en participatie. Per niveau zijn eisen gedefinieerd die worden gesteld aan de CO2 -prestatie van de organisatie en haar projecten. Dit moet jaarlijks geactualiseerd worden. De meerkosten hiervoor bedragen € 10.000 per jaar. Zie voor een nadere toelichting op het hele duurzaamheidsvraagstuk paragraaf 3.7. 7.6. Toegangsbeheer VNOG maakt gebruik van 56 kazernes, pand Europaweg, etc.

De kazernes zijn in eigendom van de 22 gemeenten en kennen eigen sleutelsystemen. De toegang is vaak omslachtig; dit belemmert de bedrijfsvoering van VNOG en de situatie brengt ook issues met zich mee rondom inbraak en informatiebeveiliging. De invoering van een uniform toegangsbeheer staat daarom op de actielijst. In de afspraken rondom de demarcatie van de huisvesting, zoals vastgesteld door het AB, is dan ook opgenomen dat VNOG met voorstellen hiervoor zal komen. In de demarcatieregeling staat dat hiervoor een separate kredietaanvraag opgevoerd zal worden. Om uniform toegangsbeheer te realiseren moeten de kazernes/locaties, conform de afspraken binnen de demarcatie, voorzien worden van een nieuw toegangssysteem. De totale kosten hiervoor bedragen € 1 miljoen. Doel is om de realisatie hiervoor gefaseerd te laten verlopen: beginnend bij nieuwbouw en bij afgeschreven systemen, daarna bij oefenlocaties en daarna als het betreffende systeem aan vervanging toe is. Op die manier wordt kapitaalvernietiging voorkomen.

Pagina 24 van 52

Omdat van de huidige 56 kazernes de komende jaren plm. 9 met nieuwbouw gerealiseerd zullen worden en daarin de aanleg van toegangsbeheersystemen wordt meegenomen in het bouwbudget, heeft VNOG een investeringsbehoefte van € 987.000, prijspeil 2022. De volgorde van vervangen is: 1. Vervangen systemen die nu al op omvallen staan; 2. Vervangen werklocaties; 3. Vervangen vergaderlocaties; 4. Vervangen opleidingslocaties; 5. Vervangen overige locaties. De planning voor de vervangingen is nog niet gereed en zal worden opgesteld zodra helder is dat deze door kan gaan. De totale kosten van de investering bedragen € 987.000 (kapitaallast is € 15.000 in 2024, structureel oplopend naar € 70.000 in 2027). 7.7. Samenvatting autonome ontwikkelingen Onderstaande tabel vat de autonome ontwikkelingen samen: AUTONOME ONTWIKKELINGEN Paragraaf Programma Omschrijving autonome ontwikkeling

2024

2025

2026

2027

7.1

5: BV

Vervanging facilitair informatiesysteem (FMIS)

€

7.2

3: GHOR

Alternatief voor contract Witte Kruis BV

p.m.

7.3

3: GHOR

Landelijke bijdrage LCMS

€

32.000

€

32.000

€

32.000

€

32.000

7.4

5: BV

Opslagcapaciteit e-mail-archivering

€

30.000

€

30.000

€

30.000

€

30.000

7.5

5: BV

Invoering CO-2 prestatieladder duurzaamheid

€

10.000

€

10.000

€

10.000

€

10.000

7.6

5: BV

Uniform toegangsbeheer gebouwen (kazernes)

€

15.000

€

35.000

€

60.000

€

70.000

Totaal autonome ontwikkelingen

€

137.000

€

157.000

€

182.000

€

192.000

Pagina 25 van 52

50.000

€

50.000

p.m.

€

50.000

p.m.

€

50.000

p.m.

8. Financiële ontwikkelingen 8.1. Inleiding Dit hoofdstuk gaat in op de financiële ontwikkelingen. Eerst volgt een korte beschouwing over de loon- en prijscompensatie op de jaren 2022 en 2023. Daarna volgt de specificatie van de loon- en prijscompensatie 2024, die conform de systematiek en kaders (zie hoofdstuk 4) is berekend. Daarna wordt ingegaan op de investeringen en kapitaallasten. De BDUR-ophoging wordt separaat in hoofdstuk 9 behandeld. 8.2. Loon- en prijscompensatie 2022 en 2023 In 2022 is voldoende looncompensatie in de begroting opgenomen voor de dekking van de gemaakte afspraken in de laatst vastgestelde CAO, doordat deze pas vanaf 1 april 2022 hun totale beslag kregen. Voor 2023 ontstaat er als gevolg van deze afspraken een tekort op de begrote salarissen c.a. van € 309.000. Als voor 2023 de stijging van de salarissen wordt berekend op basis van de recente percentages in de septembercirculaire van het gemeentefonds (Centraal Planbureau) ontstaat ook daar een tekort van € 316.500. Of dit tekort zich ook voordoet in 2023, is afhankelijk van de uitkomsten van de CAO-onderhandelingen (en aanpassingen in werkgeverslasten), die binnenkort starten. Zodra hierover duidelijkheid is, wordt hierover gerapporteerd in de planning- & control documenten.

Het percentage prijscompensatie voor 2023 op grond van de CPB-cijfers in de septembercirculaire 2022 van het Gemeentefonds zou 5,9% zijn. In de begroting voor 2023 is 1,5% opgenomen. Volgens de afspraken met de gemeenten wordt de looncompensatie bij de jaarrekening nagecalculeerd, maar de prijscompensatie niet. 8.3. Specificatie loon- en prijscompensatie 2024 De loon- en prijscompensaties voor het jaar 2024 zijn als volgt (prijscompensatie inclusief verhoging opleidingsbudget): Loon- en prijscompensatie 2024 looncompensatie septembercirculaire septembercirculaire verschil 2021 2022 2022 2,50% 4,30% 1,80% 2023 2,30% 3,30% 1,00% 2024 4,20% 4,20% opnemen voor 2024 inclusief bijstelling 2022 en 2023 7,00% Loon- en prijscompensatie 2024 2.400.000

prijscompensatie septembercirculaire 2022

2,40% 490.000

Over de jaren 2022 en 2023 kwam volgens de gemeentefondsbeheerders de nacalculatie van de prijsontwikkeling uit op 4,1% respectievelijk 5,9%, samen 10%. In de begroting was voor beide jaren gerekend met 1,5%, samen 3%. In de vastgestelde systematiek wordt, zoals hierboven aangegeven, niet nagecalculeerd, destijds vanuit de ervaring dat de verschillen tussen voor- en nacalculatie van de prijsindex niet hoog zijn. Dit huidige werkelijkheid is echter anders. Het verschil over 2022 en 2023 bedraagt 7% van de exploitatie uitgaven van 18 miljoen maakt € 1.260.000.

Pagina 26 van 52

8.4. Ontwikkelingen materieel/materiaal, kapitaallasten, etc. Deze paragraaf gaat in op de ontwikkelingen rondom voertuigen, bepakking, ICT, etc. en de hierbij behorende kapitaallasten. Vervanging voertuigen en bepakking Zoals in de Kadernota 2023 aangegeven, wordt een belangrijk deel van het voertuigenpark met de bijbehorende bepakkingsonderdelen vervangen. In 2022 vindt met name de vervanging van de bepakkingsonderdelen plaats. Daarnaast is in 2022 ook de aanbesteding afgerond van 75 nieuwe blusvoertuigen (tankautospuiten). Dit is het belangrijkste basisvoertuig van de brandweer en vormt de voornaamste uitgave in het voertuigenpark. De blusvoertuigen zullen feitelijk worden uitgeleverd in de periode (ultimo) 2023 t/m 2026. Bepakking De aanbestedingen en aanschaffingen van de bepakkingsmaterialen blijven – voor zover daar nu zicht op is over 2022 - per saldo binnen de financiële kaders van de beschikbaar gestelde kredieten. Dit geldt voor het geheel van de kredieten voor bepakkingen, daarbij wordt een mogelijke (lichte) overschrijding van het ene krediet (ruim) gecompenseerd door een onderschrijding van het andere. Voertuigen Met de aanschaf van de blusvoertuigen is een investering gemoeid van € 40,5 miljoen. In de begroting 2023-2026 was al rekening gehouden met een verwachte prijsstijging voor de aanbestede blusvoertuigen.

Door een scherpe aanbesteding ligt de nu overeengekomen aanschafwaarde slechts 2,2% (€ 866.000) boven de vastgestelde kredietwaarde. Van dat bedrag moet 0,8% (€ 309.000) worden beschouwd als te weinig doorgerekende indexering in 2026. Dit is verwerkt in de doorgerekende kapitaallasten in deze Kadernota. Met de aanschaf van de blusvoertuigen is er, voor dat deel, nu geen risico meer op (verdere) onzekerheid van prijsstijgingen. Dit risico is er nog wel voor de nog aan te besteden specialistische – en natuurbrand (blus)voertuigen. Inmiddels is voor laatstgenoemden rekening gehouden met een stijging van bijna 10% (€ 1,9 miljoen) t.o.v. de begroting 2023. In deze begroting was voor ruim € 19 mln. opgenomen voor de komende 4 jaar, de uitgestelde aanschaf van de watertransport-systemen (WTS 500) maakt hiervan onderdeel uit voor een bedrag van ruim € 6 mln. Dit is verwerkt in de doorgerekende kapitaallasten in deze Kadernota. In de Kadernota 2023 is de noodzaak genoemd van de aanschaf van tijdelijk vier extra reserve blusvoertuigen (tot en met 2026). Deze zijn nodig om uitvoering te kunnen geven aan de noodzakelijke taken en om de ombouw van de bestaande blusvoertuigen met de nieuwe bepakking te kunnen realiseren (er zijn ter overbrugging van een ombouwperiode reserve blusvoertuigen nodig ter vervanging van voertuigen die van de nieuwe bepakking worden voorzien).

De aanschaf van deze voertuigen heeft plaatsgevonden eind 2021/begin 2022. En met de ombouw is gestart zodat gewerkt kan worden conform de nieuwste inzichten op het gebied van brandbestrijding. Een uitgebreide(re) bestuurlijke terugkoppeling t.a.v. het geheel van de projecten voor het (te) vervangen brandweermateriaal en – materieel, zal begin 2023 plaatsvinden. Uitgangspunten aanschaf materieel brandweer Bij de aanschaf van materiaal en materieel voor Brandweerzorg zijn de, in de vorige Kadernota genoemde, uitgangspunten aangehouden: − Uitvoering geven aan de vastgestelde bestuursopdracht (materieel spreidings- en dekkingsplan/Toekomstvisie); Pagina 27 van 52

− −

De voertuigen zijn sober en doelmatig (voertuigen zijn functioneel toegerust, het kwaliteitsniveau kan niet naar beneden worden bijgesteld zonder de functionele ondergrens te doorbreken); Een bijdrage leveren aan de Opgave Vakbekwaam en deskundig (om op een goede manier uitvoering te geven aan het vak van brandweer zijn de juiste materialen essentieel).

ICT en VSP Naast de voortschrijdende ontwikkelingen bij de repressieve organisatie van o.a. Brandweerzorg is ook gekeken naar de vereisten waaraan de ondersteuning door Bedrijfsvoering moet voldoen. Voor deze afdeling gaat het dan met name over de teams Informatie (ICT) en VSP (facilitair en huisvesting). Bij ICT zijn de benodigde investeringen in beeld gebracht welke te maken hebben met de verbindingen tussen locaties en de datacentra en de daarbij behorende hardware. Hierbij spelen naast technische ontwikkelingen ook veiligheidseisen en vereisten rond uitwijk een rol. Door deze ontwikkelingen en verkregen inzichten, zullen de verwachte ICT-investeringen in de komende 4 jaren, ten opzichte van de begroting 2023, stijgen met ca. € 1 mln. De stijging wordt overigens mede veroorzaakt door de toegenomen prijzen van ICT-middelen en -apparatuur. Twee ontwikkelingen kunnen nog een effect hebben op de kapitaallasten. De pijler ‘Informatiegestuurd werken’ uit de Toekomstvisie leidt ertoe dat de VNOG meer gaat investeren in innovatieve IT-oplossingen. Het beschikbaar komen van nieuwe oplossingen kan daarbij een kostenverhogend effect hebben (technology push). Daarnaast leidt een wijziging van het BBV (Besluit Begroten en Verantwoorden) ertoe dat kosten van software verschoven worden van kapitaallasten naar exploitatiekosten.

Er is meer inzicht verkregen in de benodigde investeringen, ook op langere termijn, die ingevolge de regeling demarcatie vanaf 2023 door de VNOG gedaan worden. Zo wordt gekeken naar de benodigde inventarissen en andere gebruiksgoederen voor de posten. Bij deze Kadernota zijn als extra t.o.v. de begroting 2023, de kapitaallasten opgenomen voor het toegangsbeheer (zie hoofdstuk 5). Uitgegaan wordt van een geleidelijke realisatie daarvan in de komende jaren, met uiteindelijk een kapitaallast van € 70.000 per jaar (uitgaande van een investering van € 1 mln.). 8.5. Kapitaallasten, egalisatiereserve afschrijvingen en gemeentelijke bijdragen De VNOG beschikt over een egalisatiereserve materieel. Een voordeel of nadeel op de kapitaallasten in enig jaar wordt, conform bestaand beleid, bij het opmaken van de jaarrekening (en het samenstellen van de begroting) gestort of onttrokken aan deze egalisatiereserve. Daarnaast wordt ook de opbrengst van de verkoop van materieel gestort in deze reserve en mogelijke resterende boekwaarden bij afstoten onttrokken. Met de egalisatiereserve worden stijgingen in de kapitaallasten afgedekt, zodat een stijging van de gemeentelijke bijdrage kan worden uitgesteld. Zoals aangegeven in eerdere kadernota’s en begrotingen stijgen de kapitaallasten dusdanig dat deze op enig moment niet meer gedekt kunnen worden door een onttrekking aan de egalisatiereserve.

Daardoor wordt een verhoging van de gemeentelijke bijdrage op termijn noodzakelijk. Zoals uit navolgend overzicht blijkt, is dit naar verwachting aan de orde met ingang van 2026. Met de in 2022 concreet geworden investering van € 40,5 mln. voor blusvoertuigen is de zekerheid over de verwachte uitputting een stuk concreter geworden. De genoemde uitputting van de egalisatiereserve ter dekking van de kapitaallasten kan nog eerder in zicht komen wanneer de prijzen van nog aan te schaffen materiaal en materieel en/of het renteniveau, nog verder stijgen dan (nu) verwacht.

Pagina 28 van 52

De kapitaallasten stijgen ook door de hogere rente zoals deze zich nu in 2022 ontwikkelt. Het percentage van de doorberekende rente in de kapitaallasten, waarmee rekening is gehouden in deze kadernota, stijgt van 0,8% naar 2,34%. Bij dit percentage is rekening gehouden met het aantrekken van nieuwe leningen tegen een percentage van 3%. Het percentage doorrekening ligt lager vanwege de middeling met het rentepercentage dat nu gemiddeld verschuldigd is op de lopende leningen. Dit gemiddelde rentepercentage ligt nu op 1,1%. Bij het vaststellen van de Jaarstukken VNOG 2021 heeft het algemeen bestuur besloten, gezien de verwachte ontwikkelingen, een belangrijk deel van het positieve resultaat over 2021 toe te voegen aan de egalisatiereserve. Dit heeft eraan bijgedragen dat, ondanks de berekende hogere rentecomponent in de kapitaallasten (zie hiervoor), de reserve niet voor 2026 uitgeput raakt. Hierbij is meegenomen een nog verwachte toevoeging aan de reserve in 2022 (ca. € 1 mln.) op basis van de verwachte lagere realisatiecijfers voor de kapitaalslasten dan begroot. Het investeringsplan is doorgerekend met naast de voertuigen uit het materieel spreidingsplan ook de voertuigen voor het mobiliteitsplan en de overige investeringen.

De wijzigingen zoals die bekend zijn geworden na het opstellen van de meerjarenbegroting 2023, zijn daarbij meegenomen (zie ook de toelichting in paragraaf 8.4.). Zoals aangegeven in paragraaf 8.4. is met de afgeronde aanbesteding en de daaruit voortvloeiende afspraken voor de aanschaf van 75 nieuwe blusvoertuigen, het risico op prijsstijging voor een belangrijk onderdeel weggenomen. Deze onzekerheid blijft echter nog wel bij de nog uit te voeren aanbestedingstrajecten van met name de specialistische – en natuurbrand (blus)voertuigen. In de doorrekening van de kapitaallasten is beperkt rekening gehouden met uitkomsten van de demarcatie (wel voor het toegangsbeheer, zie hiervoor). De investeringen in kazernes en de daaruit voortvloeiende kapitaallasten, worden gedaan door de gemeenten. De kapitaallasten in de meerjarenbegroting van de VNOG bedragen € 6,5 miljoen voor 2023 oplopend naar € 8,3 miljoen in 2025, waarbij de reguliere dekking wordt onttrokken aan de egalisatiereserve. De meest recente berekeningen van de kapitaallasten laten een stijging zien tot € 10,7 miljoen (structureel) in 2030. Navolgende tabel geeft het verloop van de verwachte kapitaallasten weer op basis van de huidige berekeningen op basis van een toegerekend rentepercentage van 2,34%. Overzicht verwachte kapitaallasten 2023-2030 (bedragen in miljoenen) jaar

2023

2024

2025

2026 *)

2027

2028

2029

2030

afschrijvingen

€ 5,6

€ 6,2

€ 6,9

€ 8,7

€ 10,3

€ 9,2

€ 9,1

€ 9,0

rente

€ 0,9

€ 1,1

€ 1,4

€ 1,8

€ 2,1

€ 2,0

€ 1,9

€ 1,7

totaal

€ 6,5

€ 7,3

€ 8,3

€ 10,5

€ 12,4

€ 11,2

€ 11,0

€ 10,7

*De hoge last in 2026 is mede het gevolg van extra-afschrijvingen in dat jaar.

Hierna is weergegeven wat de gevolgen voor de begroting zijn als gevolg van bovengenoemde stijging van de kapitaallasten en een mogelijke dekking van de tekorten in de begroting. Gelet op de inmiddels ontstane zekerheid over een groot deel van de aanbestedingen (€ 40,5 mln. voor blusvoertuigen) wordt voor 2026 uitgegaan van een stijging van de gemeentelijke bijdrage van € 3 mln. en vanaf 2027 van € 5 mln. Hierbij wordt € 0,5 mln. gehanteerd als bodem voor de aan te houden

Pagina 29 van 52

egalisatiereserve. Dat is nodig omdat deze reserve naast het opvangen van fluctuaties in de kapitaallasten dient voor het egaliseren van boekwinsten en –verliezen op af te stoten voertuigen. Meerjarenbegroting 2023 - Kadernota 2024 - 2027 2026 mutaties egalisatiereserve kapitaallasten inclusief mutaties egalisatiereserve

nieuwe berekening kapitaallasten afschrijving *)

toevoeging

onttrekking

toevoeging verhoging stand bij gemeentelijke egalisatierejaarrekening bijdrage serve 2022

rente **) basis 0,8%

extra 1,54% 55.000

260.000

1.000.000

-

7.462.000

2023

5.910.000

5.590.000

304.000

585.000

-

569.000

-

-

6.893.000

2024

6.103.000

6.233.000

365.000

701.000

-

1.195.000

-

-

5.698.000

2025

6.069.000

6.875.000

466.000

895.000

-

2.167.000

-

-

3.531.000

2026

6.038.000

8.688.000

601.000

1.154.000

-

4.405.000

-

3.000.000

2.127.000

2027

6.038.000

10.269.000

737.000

1.416.000

-

6.384.000

-

5.000.000

743.000

2028

6.038.000

9.258.000

684.000

1.315.000

-

5.219.000

-

5.000.000

524.000

2029

6.038.000

9.075.000

642.000

1.234.000

-

4.913.000

-

5.000.000

611.000

2030

6.038.000

9.061.000

602.000

1.156.000

-

4.781.000

-

5.000.000

830.000

2022

-

-

*) w.o. vrijval boekwaarde /- afschrijvingen en opbrengsten vervanging blusvoertuigen (MSP Toekomstvisie)

**) rentetoerekening o.b.v. gemmiddelde percentage bestaande - en nieuwe leningen periode t/m 2030 gesplitst in het (historisch) doorgerekend percentage van 0,8% en extra

8.6. Samenvatting financiële ontwikkelingen Onderstaande tabel vat de financiële ontwikkelingen samen: FINANCIELE ONTWIKKELINGEN Paragraaf Programma Omschrijving financiële ontwikkeling

2024

2025

2026

8.3

7: ADM

Looncompensatie (2024)

€

2.400.000

€

2.400.000

€

8.3

7: ADM

Prijscompensatie (2024)

€

490.000

€

490.000

8.4

7: ADM 7: ADM

Ontwikkeling kapitaallasten (afschrijving en rente) Mutaties (bijdrage) uit egalisatiereserve afschrijvingen

€ €

-15.000

€ €

-35.000

8.4

Pagina 30 van 52

2027

2.400.000

€

€

490.000

€

490.000

€ €

3.000.000 -60.000

€ €

5.000.000 -70.000

2.400.000

9. BDUR-ophoging 9.1. Inleiding In december 2020 is het rapport verschenen over de evaluatie van de Wet veiligheidsregio’s. Om de aanbevelingen hieruit op te pakken is een (bestuurlijk) afstemmingstraject doorlopen, waarbij onder andere ook het landelijke Veiligheidsberaad (de voorzitters van de veiligheidsregio’s) en de Raad directeuren veiligheidsregio’s betrokken zijn geweest. De minister heeft mede op basis hiervan een contourennota gemaakt. De minister is namelijk van plan om de crisisbeheersing en brandweerzorg te versterken en de contourennota hierover zal eind dit jaar naar de Tweede Kamer gaan. De minister verwacht de contourennota in februari 2023 te bespreken met de vaste Kamercommissie en wil daarna het wetstraject opstarten om de Wet veiligheidsregio’s aan te passen. De contourennota gaat gepaard met een structurele verhoging van de bijdrage van het Rijk aan de 25 veiligheidsregio’s (de zogenaamde ‘Brede Doeluitkering Rampenbestrijding’ (BDUR). Het Rijk gaat de bijdrage ophogen omdat de veiligheidsregio’s meer zijn en worden ingezet bij langdurige (bovenregionale) crises, zoals de COVID-19, de Oekraïne- en de asielcrisis. Deze crises hebben een ander karakter dan traditionele ‘flits’-rampen en brengen nieuwe taken voor de veiligheidsregio’s met zich mee3.

De verwachting in de contourennota is dat het zwaartepunt van toekomstige crises zich bevindt op langdurige crises met een bovenregionale en landelijke dimensie. Daar dienen de veiligheidsregio’s, het Rijk en andere partners zich gezamenlijk beter op voor te bereiden. Hiervoor moet in de crisisbeheersing en in flexibele netwerksamenwerking worden geïnvesteerd, alsook in goede informatievoorziening en onderlinge informatie-uitwisseling, zoals aansluiting bij een landelijke voorziening voor informatie (het zogenaamde “KCR-2”, het Knooppunt Coördinatie Regio’s-Rijk). Het lijkt erop dat een deel van de ophoging door de regio’s moet worden ingezet om landelijke voorzieningen/dienstverlening te bekostigen; in die zin zou dan een deel van de extra middelen geoormerkt zijn. Eind augustus 2022 werden de eerste ideeën duidelijker over de omvang van de ophoging. Het gaat om een geleidelijke ophoging oplopend van € 46 miljoen in 2023, € 57 miljoen in 2024 (+ 11 mln t.o.v. 2023), € 73 miljoen in 2025 (+ 16 mln t.o.v. 2024) tot € 83 miljoen in 2026 (+ 10 mln t.o.v. 2025). Jaar 2023 2024 2025 2026

Bedrag (structureel) 46 miljoen 57 miljoen (+ 11 mln. t.o.v. 2023) 73 miljoen (+ 16 mln. t.o.v. 2024) 83 miljoen (+ 10 mln. t.o.v. 2025) 83 miljoen structureel

Ter indicatie: op dit moment bedraagt de BDUR totaal zo’n € 170 miljoen en ontvangt de VNOG hiervan zo’n € 8 miljoen.

Pas begin oktober werd meer helder over de verdere details, zoals de verdeling van het bedrag over de te versterken onderwerpen en de verdeling over de veiligheidsregio’s voor in ieder geval 2023. Het exacte bedrag voor VNOG wordt duidelijk bij de beschikking voor de BDUR voor 2023 in december 2022. Vooralsnog, in afwachting op de definitieve beschikking, is de verdeling van de ophoging voor 2023 (€ 46 mln.) over de onderwerpen en de regio’s als volgt in het Veiligheidsberaad besproken: − 50% (€ 23 mln.) t.b.v. versterking crisisbeheersing, te verdelen over de 25 veiligheidsregio’s via de gebruikelijke BDUR-verdeelsleutel (voor VNOG: € 1.029.000); − 40% (€ 18,4 mln.) t.b.v. informatiepositie, waarvan: 3 De afgelopen jaren konden de regio’s via tijdelijke eenmalige declaratieregelingen kosten bij het Rijk verhalen.

Pagina 31 van 52

o

−

70% (€ 12,88 mln.) voor de 25 veiligheidsregio’s, gelijkelijk te verdelen over de 25 veiligheidsregio’s (elk 4%) (voor VNOG: € 515.200); o 25% (€ 4,6 mln.) voor NIPV, gelijkelijk op te brengen door de 25 veiligheidsregio’s (elk 4%) (voor VNOG: € 184.000)4; o 5% (€ 0,92 mln.) voor Rijk, gelijkelijk op te brengen door de 25 veiligheidsregio’s (elk 4%) (voor VNOG: € 36.000)4; 10% (€ 4,6 mln.) t.b.v. landelijke voorziening KCR-2, gelijkelijk op te brengen door de 25 veiligheidsregio’s (elk 4%) (voor VNOG: € 184.000)4.

De verwachte BDUR-ophoging voor VNOG voor 2023 wordt daarmee: VNOG Doelstelling 1. Crisisbeheersing Doelstelling 2. Informatievoorziening waarvan: 2a. Regionale informatievoorziening 2b. Gezamenlijke informatievoorziening: - NIPV - Rijk Doelstelling 3. KCR-2 Totaal

2023 1.029.000

515.200 184.000 36.000 184.000 1.948.200

Hiervan is dan € 1.544.200 (€ 1.029.000 + € 515.200) te besteden in VNOG, de rest gaat naar NIPV, Rijk en KCR-2. Vanaf 2024 komen er aanvullende extra structurele middelen beschikbaar. De exacte verdeling van die middelen staat nog niet vast in verband met de benodigde flexibiliteit met het oog op lopende ontwikkelingen. Hier is een procesafspraak over gemaakt met het ministerie. Afspraak is dat uiterlijk 31 juli van het jaar voorafgaand aan het jaar dat de aanvullende extra middelen beschikbaar komen, afspraken tussen de veiligheidsregio’s en het ministerie zijn gemaakt over de verdeling van die middelen. Als deze afspraken niet tijdig zijn gemaakt, geldt voor dat jaar dat de middelen ook in de drieslag 50%/40%/10% structureel worden toegewezen. Dus uiterlijk 31 juli 2023 wordt duidelijk wat het bedrag en de verdeling voor 2024 zal zijn. Ten tijde van het opstellen van deze Kadernota 2024-2027 waren al met al nog niet alle details van de ophoging van de BDUR bekend. Daarom wordt op dit moment nog terughoudend omgegaan met de invulling van de besteding van deze extra middelen. Op basis van de hoofdlijnen die al wel bekend zijn, bijvoorbeeld uit de (concept) contourennota, zijn hierna een aantal bestedingsrichtingen opgenomen. Een daadwerkelijk bestedingsvoorstel zal begin 2023 volgen.

Aangezien de eerste tranche van extra middelen per 2023 beschikbaar komt, moet de begroting 2023 dan ook nog worden bijgewerkt. Later volgt vervolgens ook een voorstel voor de besteding van de tweede tranche die per 2024 daar weer bovenop komt. 9.2. Bestedingsrichtingen ophoging BDUR De thema’s, zoals hiervoor aangegeven, die door het Rijk genoemd zijn voor de ophoging van de BDUR (en volgen uit de contourennota) en in het Veiligheidsberaad zijn besproken, betreffen: 1. Versterking crisisbeheersing (incl. flexibiliteit en flexibele netwerksamenwerking); 2. Versterking informatiepositie (per regio en gezamenlijk regio’s/Rijk); 3. Informatie-uitwisseling (inrichten Knooppunt Coördinatie Rijk-Regio’s, KCR-2). 4 Voor de bedragen t.b.v. NIPV, Rijk en KCR-2 is ook denkbaar dat de verrekening rechtstreek vanuit het Rijk naar NIPV, Rijk en KCR-2 ver-

loopt, in plaats van eerst een uitkering van het Rijk via de BDUR naar de 25 regio’s en daarna weer van de regio’s terug naar NIPV, Rijk en KCR-2.

Pagina 32 van 52

De afgelopen jaren heeft VNOG al stappen gezet voor de verdere ontwikkeling van deze thema’s, maar mogelijkheden waren beperkt, onder andere door financiële grenzen. Met de extra BDUR-bijdrage kunnen ingezette lijnen worden doorgezet, een verdere impuls krijgen, kunnen gemaakte plannen worden uitgevoerd en nieuwe benodigde zaken (ook de zaken die het Rijk verplicht) worden ingericht. De volgende bestedingsrichtingen voor de ophoging van de BDUR zijn in beeld gebracht: 9.2.1. Versterking crisisbeheersing en flexibele samenwerking: Flexibele schil De afgelopen crises hebben geleerd dat er op bepaalde momenten een (aanzienlijke) hoeveelheid extra uitvoerende mankracht nodig is en op andere momenten behoefte is aan experts. Ook is gebleken dat er bij crises vanuit het land een beroep wordt gedaan op medewerkers van team Crisisbeheersing van VNOG om deel te nemen in landelijke gremia. Dit alles legt een groot beslag op de beschikbare capaciteit. De druk op het team Crisisbeheersing bij langdurige crisis is dus hoog. In het geval van COVID-19 konden intern VNOG-breed verschuivingen plaatsvinden, zodat het team kon worden versterkt. Dit was mogelijk door het wegvallen van werkzaamheden in andere delen van de organisatie. In de crisis rondom Oekraïne speelt dit niet en is merkbaar dat reguliere processen weer doorlopen en zijn verschuivingen lastiger.

De reguliere processen van crisisbeheersing komen dan onder druk te staan. De ophoging van de BDUR is bedoeld om de veiligheidsregio’s hiervoor robuuster te maken. Dit kan door externe inhuur en door intern medewerkers structureel vrij te spelen. Via een flexibel inhuurbudget wordt het mogelijk om de expertise waar een specifieke crisis om vraagt beschikbaar te krijgen, alsmede uitvoerende krachten. Per crisis kunnen de gevraagde capaciteiten verschillen (bijvoorbeeld juridische kennis of dataspecialisten). Door flexibel in te huren kunnen ook de reguliere processen van crisisbeheersing doorlopen. Deze hebben door de recente crises lang stil gestaan wat de gewenste doorontwikkeling in de weg staat. Tot slot draagt de inhuur bij aan ruimte voor deelname aan landelijke verplichtingen. Hieraan kan nu vaak niet of maar beperkt worden voldaan in verband met de werkdruk in de eigen regio. 9.2.2. Versterking crisisbeheersing: Versterking formatie Diverse onderwerpen binnen de crisisbeheersing kunnen momenteel door gebrek aan capaciteit niet of maar minimaal worden opgepakt en krijgen daardoor niet de impuls die nodig is, zoals bijvoorbeeld geschetst in de contourennota. De extra middelen vanuit de BDUR kunnen zorgen voor de benodigde extra formatie, zodat de onderwerpen (op niveau) kunnen worden opgepakt.

Deze onderwerpen zijn: Herstel en nazorg, Harmonisatie-werkzaamheden (bovenregionaal, landelijk en internationaal, bijv. deelname aan werkgroepen. Langdurige crises vragen om steeds meer regiogrensoverschrijdende afstemming, vooraf investeren in de relatie is van belang, alsook gezamenlijk voorbereiding), Beheer (en implementatie eventuele veranderingen) regionale crisisstructuur, Bevolkingszorg (coördinatie, uitvoeringscapaciteit ligt momenteel bij de gemeenten), Netwerkregie en sturing, Risico's van een veranderende samenleving (bijv. klimaatverandering, energietransitie, etc.), Crisiscommunicatie (robuuster maken, beschikbare formatie nu beperkt), Impuls op vakbekwaamheid, Risicoanalyse (versterken interne lijn tussen Risicobeheersing en Crisisbeheersing en een impuls om de kwaliteit te verhogen en te borgen). 9.2.3. Versterking informatiepositie: Doorontwikkelen informatiegestuurd via R!SQ-multi Informatiegestuurd werken is één van de organisatiepijlers van VNOG en wordt onder andere doorontwikkeld middels het innovatieve project R!SQ. R!SQ is een interactieve website voor inwoners,

Pagina 33 van 52

partners en eigen collega’s. De gebruiker krijgt op basis van allerlei filters, die hij zelf kan aangeven, gerichte informatie over het brandrisiconiveau in de eigen omgeving en concrete tips. R!SQ gaat nu alleen nog over brandrisico’s in woningen en woongebouwen, maar in de toekomst wil VNOG meer risicotypen uit het regionaal risicoprofiel aan R!SQ toevoegen, zodat het een multi-applicatie wordt. R!SQ helpt de brandweerposten (en straks ook de crisisteams) om risicogericht te oefenen, omdat zij met R!SQ beter inzicht krijgen waar de specifieke risico’s zitten om daar vervolgens gericht op te oefenen. De informatie in R!SQ kan gebruikt worden voor het informeren (bijv. publiekscampagnes) en adviseren (bijv. omgevingsvisies, plannen, vergunningen). De basis voor R!SQ ligt in het regionaal risicoprofiel (RRP). Met R!SQ multi worden zo mogelijk alle incidenttypen en scenario’s die beschreven zijn in het RRP gevisualiseerd op een kaart. Deze doelstellingen van R!SQ passen binnen de hoofdlijnen die in de contourennota en de ophoging van de BDUR worden geschetst. Met R!SQ multi wordt tevens voldaan aan een wens van de gemeenten om de risico’s meer lokaal in beeld te krijgen. Daarnaast is het een waardevol instrument in het duiden van de risico, de voorbereiding op de risico’s en het risicogerichte gesprek voor zowel professionals, partners en publiek.

Het geeft intern verbondenheid, omdat R!SQ een middel is dat interdisciplinaire samenwerking stimuleert. Het inzicht in de risico’s wordt samen met de partners in ons netwerk opgebouwd en ook met hen gedeeld (denk hierbij aan GGD/Politie/Ambulancedienst/Rijkswaterstaat). Met R!SQ multi kan te zijner tijd een modern risicoprofiel gerealiseerd worden voor de volgende beleidsperiode (20252028) en verder. Het project R!SQ heeft incidentele middelen gekregen, in afwachting op de resultaten. Door vanuit de BDUR structurele middelen beschikbaar te stellen, kan het structureel worden geborgd. 9.2.4. Versterking informatiepositie: Doorontwikkelen informatiegestuurd werken door een Veiligheidsinformatie en coördinatiecentrum (VICC) Het Veiligheidsinformatie en coördinatiecentrum (VICC) is één faciliteit binnen de veiligheidsregio waarin alle processen rondom multidisciplinair informatiemanagement en het faciliteren van de crisisorganisatie bijeen komen. Met de inrichting van een VICC wordt invulling gegeven aan de landelijke verplichting uit de contourennota om in elke regio een veiligheidsknooppunt te hebben en om dat aan te sluiten op de landelijke voorziening KCR-2 (Knooppunt Coördinatie Regio-Rijk). Het VICC past ook in de regionale ambitie om te beschikken over een informatie-gestuurde crisisorganisatie. Het team Crisisbeheersing werkt reeds aan een VICC in opbouw.

Voor het VICC is momenteel beperkt formatie beschikbaar. Door vanuit de BDUR hiervoor middelen te reserveren, kan het VICC verder worden ingericht en kan worden voldaan aan de landelijke verplichtingen (o.a. 24/7 monitoring) en gegarandeerde technische ondersteuning). Daarbij kan direct ook een goede aansluiting tussen het VICC en de meldkamer worden ingericht, alsook het gebruik van moderne actuele digitale mogelijkheden worden meegenomen. 9.2.5. Flexibiliteit: Fonds voor materiële uitgaven bij crises De inzet van VNOG bij de afgelopen langdurige crises heeft geleerd dat VNOG soms materialen moet aanschaffen die niet voorzien zijn in de begroting, denk bijvoorbeeld aan de inrichting van de zorghotels. Om deze kosten achteraf te kunnen verhalen bestonden er in de vorige crises declaratieregelingen, bijvoorbeeld bij het Rijk. De verwachting is dat deze regelingen geheel of ten dele komen te vervallen als de BDUR stijgt. Een deel van de BDUR-ophoging zou daarom in een fonds kunnen worden geparkeerd als buffer voor dit soort onvoorziene uitgaven aan materialen. Dit zou kunnen in de vorm van een bestemmingsreserve met een plafond en bestedingsregels, die een snelle besteding in geval van een crisis evenwel niet in de weg moeten staan.

Pagina 34 van 52

9.2.6. Overig: Overhead De ophoging van formatie moet waar nodig gepaard gaan met een ophoging van de overheadbudgetten (ICT, facilitair, HRM, zorg voor personeel, etc.), opdat de bedrijfsvoering van VNOG niet in de knel komt. Een deel van de BDUR-ophoging kan daarvoor, gerelateerd aan de toename van de formatie, gebruikt worden. 9.3. Vervolg De denkrichtingen zullen, zodra er meer helderheid is vanuit het ministerie, worden uitgewerkt in een bestedingsvoorstel voor 2023 en een begrotingswijziging voor 2023 (omdat immers de eerste tranche van de BDUR-ophoging al per 2023 ingaat en de begroting 2023 al in juni 2022 is vastgesteld) en een bestedingsvoorstel voor de jaren daarna. Onderstaande tabel vat de ontwikkelingen rondom BDUR samen. Het totaal van de ophoging en de hieruit volgende bestedingen is per saldo neutraal. BDUR OPHOGING - BESTEDING Paragraaf Programma Omschrijving BDUR ophoging - besteding 9 9

7: ADM 7: ADM

2024

2025

2026

2027

Verhoging Brede Doel Uitkering Rampenbestrijding (BDUR) Besteding Brede Doel Uitkering Rampenbestrijding (BDUR)

€ -2.415.000 € 2.415.000

€ -3.093.000 € 3.093.000

€ -3.516.700 € 3.516.700

€ -3.516.700 € 3.516.700

Totaal effect BDUR is neutraal

€

€

€

€

Pagina 35 van 52

-

-

-

-

10. Beleidsregels risico’s, reserves en weerstandscapaciteit Dit hoofdstuk beschrijft de beleidsregels en werkwijzen die worden toegepast voor de risico’s, de weerstandscapaciteit en het bepalen van de ratio weerstandscapaciteit. De beleidsregels zijn eerder vastgelegd in de begroting 2023 in de betreffende paragrafen. De lijnen uit 2023 worden voortgezet. Na vaststelling van de kadernota worden de beleidsregels opgenomen in de begroting 2024. 10.1. Risicomanagement 1. Het wettelijk kader voor risicobeheersing is artikel 9 en 13 van het BBV. Het betreft de in de begroting en rekening vereiste paragraaf ‘Weerstandsvermogen en Risicobeheersing’. 2. De VNOG moet voorbereid zijn op de mogelijke (financiële) gevolgen van risico’s die zich kunnen voordoen binnen de bedrijfsvoering. Het gaat bij risico’s om gebeurtenissen die zich mogelijk kunnen voordoen en die het realiseren van de doelstellingen kunnen verstoren. 3. Het treffen van beheersingsmaatregelen ter vermijding en vermindering van risico’s staat centraal. De te nemen maatregelen op risico’s kunnen zijn: het matigen (door maatregelen); het overdragen (door bijv. verzekeren); het vermijden (door het schrappen van doelstellingen) en het accepteren ervan. 4. Het managen van risico’s is een verantwoordelijkheid van het MT.

De afdelingshoofden betrekken teamleiders en andere medewerkers bij het benoemen van relevante risico’s en bij het treffen en uitvoeren van de maatregelen. De afdelingshoofden rapporteren hierover in de Financiële verkenningen en de Jaarstukken. 5. De geïnventariseerde risico’s worden gekwantificeerd op basis van 5 percentages die de kans weergeven dat het risico zich kan voordoen. De percentages zijn: 10%, 30%, 50%, 70% en 90%. Bij een kans van 90% op het zich voordoen van een risico wordt overwogen hierop de begroting aan te passen, indien kan worden aangegeven (vanaf) wanneer het risico zich waarschijnlijk voordoet. 6. Bij de berekening van de benodigde weerstandscapaciteit, worden de voor de maatregelen benodigde financiële middelen vermenigvuldigd met de genoemde percentages die de kans op het risico weergeven. 7. Structurele risico’s worden voor maximaal 3 jaar berekend bij de benodigde weerstandscapaciteit. Daarna wordt geacht dat de effecten kunnen worden afgewend, begroot, dan wel anderszins kunnen worden opgevangen. 8. Financiële en niet-financiële risico’s worden geïnventariseerd. Ook de beheersingsmaatregelen zijn zowel financieel als niet-financieel van aard. 10.2. Reserves 1. De VNOG beschikt over een Algemene Reserve, een Bedrijfsvoeringreserve, (tijdelijke) bestemmingsreserves en egalisatiereserves. 2.

De Algemene reserve vormt het weerstandsvermogen en is voor afdekking van risico’s en heeft geen einddatum. De Algemene Reserve wordt gevoed vanuit het jaarrekeningresultaat bij besluit van het AB over de resultaatsbestemming, of anderszins door AB besluiten. Bij een wijziging (bijv. een onttrekking) van de Algemene Reserve / het weerstandsvermogen dient er een zienswijze te worden gevraagd aan de deelnemende gemeenten, zoals bepaald in de Gemeenschappelijke Regeling VNOG. 3. De Algemene Reserve en de Bedrijfsvoeringsreserve (zie hierna) en de post Onvoorzien vormen samen de weerstandscapaciteit (zie hierna).

Pagina 36 van 52

4. De hoogte van de weerstandscapaciteit is zodanig, dat de weerstandsratio zich in een bandbreedte van 1,0 tot 1,4 bevindt. Indien deze ratio buiten deze bandbreedte is of dreigt te raken, volgt een AB-voorstel (bijv. bij kadernota) over de wijze waarop dit voorkomen of hersteld wordt. 5. De Bedrijfsvoeringreserve heeft een algemene bufferfunctie en is breed inzetbaar voor prioriteiten (bijv. innovatie) of voor het tijdelijk afvlakken van gemeentelijke bijdragen. De Bedrijfsvoeringreserve heeft geen einddatum en behoort tot de beschikbare weerstandscapaciteit (telt mee voor de afdekking van risico’s). De minimale hoogte is 2%, de maximale hoogte is 5% van het begrotingstotaal. 6. De bestemmingsreserves, waaronder egalisatiereserves zijn voor een specifiek doel ingesteld (“beklemd”); zij tellen niet mee voor afdekking van overige risico’s en maken geen deel uit van de beschikbare weerstandscapaciteit. 7. Er zijn bestemmingsreserves van onbepaalde duur en tijdelijke bestemmingsreserves. 8. Resultaatsonafhankelijke stortingen en onttrekkingen (gelijk aan reeds begrote dotaties en onttrekkingen) maken geen deel uit van het bestemmingsvoorstel saldo jaarrekening. 9. Stortingen en onttrekkingen aan egalisatiereserves maken geen deel uit van het bestemmingsvoorstel saldo jaarrekening. 10.

De Financiële verordening VNOG bepaalt dat bij het instellen van bestemmingsreserves (door het AB) het doel, de (maximale) hoogte, de duur en de wijze van voeding en onttrekking worden aangegeven. Een overzicht van de huidige reserves is opgenomen in bijlage 3 / hoofdstuk 12. 10.3. Weerstandscapaciteit 1. De beschikbare weerstandscapaciteit wordt, zoals hiervoor reeds aangegeven, gevormd door de Algemene Reserve, de Bedrijfsvoeringreserve en de post Onvoorzien. 2. Tot de beschikbare weerstandscapaciteit behoren niet, zoals hiervoor reeds aangegeven, de (tijdelijke) bestemmingsreserves en egalisatiereserves. Daar is al een bestedingsdoel aan verbonden5. 3. De weerstandsratio =

beschikbare weerstandscapaciteit benodigde weerstandscapaciteit

4. De streefwaarde van de weerstandsratio ligt tussen 1,0 (“matig”) en 1,4 (“voldoende”)6. 5. De beschikbare weerstandscapaciteit, de benodigde weerstandscapaciteit en de weerstandsratio worden in de begroting en in de jaarrekening opgenomen. 6. Indien de weerstandsratio buiten de bandbreedte van de streefwaarde ligt, wordt in de eerstvolgende Kadernota (of ander geëigend moment in de P&C cyclus) afgewogen hoe deze waarde weer te bereiken.

5 BBV technisch behoren alle bestemmingsreserves tot het weerstandsvermogen, vanuit de gedachte dat het AB altijd kán besluiten om de

bestemming (bestedingsdoel) van een reserve te halen. De accountant heeft informeel laten weten geen moeite te hebben met de VNOG werkwijze, mits dit in de jaarstukken transparant wordt toegelicht. Voorts spoort deze handelwijze met het door de provincie Gelderland vastgestelde financieel toezichtkader. 6 Naast een minimum ratio is een maximum ratio toegevoegd. Deze ratio 1,0 tot 1,4 komt overeen met die van diverse deelnemende gemeenten en veel veiligheidsregio’s. Dit onderstreept het eigenaarschap voor het reduceren van risico’s van de VNOG. De bandbreedte is als richtsnoer bedoeld. Maatregelen om het vermogen te versterken of de gemeenten terug te betalen, zullen altijd gewogen worden in de beleidsinhoudelijke en financiële context van VNOG én gemeenten op enig moment.

Pagina 37 van 52

11. De uitgevoerde risico-inventarisatie In het kader van het uitgevoerde risicomanagement zijn in 2022 de risico's voor de bedrijfsvoering geactualiseerd. Door uitvoering van maatregelen en (externe) ontwikkelingen zijn de benodigde middelen voor de gekwantificeerde risico's in een aantal gevallen gewijzigd, ten opzichte van de Kadernota en Begroting 2023. De wijzigingen worden hieronder toegelicht (het cijfer verwijst naar overeenkomende regel in onderstaand register): − het risico dat na het wegvallen van de OMS/RBS-activiteiten, er sprake is van (achter)blijvende kosten heeft naast personele kosten, ook betrekking op materiële kosten; het berekende bedrag is aanvullend op de gevormde reserve frictiekosten; − (5) het verhogen van het risico op prijsstijgingen (boven de begrote prijsindex) voor niet alleen energie en kleding (prijzen katoen), maar ook voor diverse andere kosten waar onder kosten voor onderhoud, opleiden en oefenen; − (6) bij het berekenen van het risico op het later (dan aangegeven in de Toekomstvisie) realiseren van besparingen, door vertraging van de vervanging van brandweermateriaal en -materieel, als uitgangspunt genomen de (eerder) verwachte besparing op onderhoudskosten voor de jaren 2024-2026; − (7) bij het berekenen van het risico op het later realiseren van besparingen op de personele kosten (dan aangegeven in de Toekomstvisie) aangegeven dat deze

een minder grote koppeling heeft met het materieel en meer afhankelijk is van andere voortschrijdende ontwikkelingen; daarbij wordt de mogelijkheid dat de minder grote daling van het aantal vrijwilligers niet uit de bestaande budgetten kan worden gedekt, als risico meegenomen; − (9) gegeven de in 2022 overeengekomen aanschaf voor ruim € 40 mln. is het risico van extra prijsstijgingen van brandweermaterieel aangepast op het in de komende jaren nog aan te schaffen resterende deel van het materieel. Dit gezien de onvoorspelbaarheid van de markt; − (11) de mogelijke spoedeisende aanpassingen van (brandweer)posten uitgebreid naar mogelijk te vervangen of aan te leggen (inbraak)installaties op basis van gemaakte afspraken en/of wettelijke eisen; − (12) het risico op extra kosten, na het vervallen van de (kantoor)faciliteiten aan de Europaweg, gewijzigd van verhuiskosten naar extra kosten voor de overbruggingstermijn (2024-2026); − (13) het risico van extra vergoedingen voor thuiswerken - wat is geeffectueerd in de CAO - vervangen door extra kosten voor aanpassing van thuiswerkplekken; − (14) de kans op het risico van een hack verder verlaagd op basis van genomen maatregelen, w.o.

permanente monitoring van de systemen en de genomen beheersmaatregelen; − (19) in de Kadernota en (Meer)jarenbegroting 2024-2027 zal rekening worden gehouden met een gestegen rente; daarnaast wordt in de risicoparagraaf het risico op een verdere rentestijging opgenomen, vooral ook als gevolg van de benodigde (her)financiering voor de aanschaffingen in het kader van het vervangingsprogramma brandweermaterieel en -materiaal; − (21) het Witte Kruis heeft het contract beëindigd, met de GHOR in 2022, voor de inhuur van OVDG'en (Officieren van dienst geneeskundig); de VNOG gaat deze wettelijke activiteit nu zelf organiseren en loopt daarbij het risico dat de kosten daarvan hoger zullen zijn. De risico’s in de navolgende tabel zullen zich naar verwachting nooit allemaal tegelijk voordoen. Per risico is daarbij de verwachte kans weergegeven en berekend naar een bedrag aan benodigde weerstandscapaciteit.

Pagina 38 van 52

Gekwantificeerde risico's Nr. Risico's en oorzaken

Kans in %

Effect in euro's

Weerstandscapaciteit (euro's)

1 Stoppen Openbaar Brand-/Regionaal meldsysteem (OMS/RBS), risico niet kunnen inpassen medewerkers en (desinvesteringen) materieel i.c.m. het vraagstuk behoud informatiepositie vanuit het brandmeldsysteem. 2 Geen match tussen de gemeenten en de afd. RCB t.a.v. de uitvoering van taken en dienstverlening, bij de invoering van de nieuwe Omgevingswet. Te grote diversiteit in uitvoering/invulling door gemeenten t.o.v. het kwalitatieve en kwantitatieve aanbod van de VNOG. 3 Schaarste capaciteit repressieve inzet van vrijwilligers brandbestrijding. door groter verloop/uitstroom en schaarste vrijwilligers. 4 Teveel (roostering) uren bestaande (repressieve) bezetting brandbestrijding (Arbeidstijden). 5 Hogere prijzen; boven prijsindex, exploitatie.. Wereldwijde ontwikkelingen (v.a. 2021) van een toenemende vraag in samenhang met schaarste van aanbod, doen de grondstof- en materiaalprijzen stijgen. 6 Niet (tijdig) realiseren besparingen Toekomstvisie 2020 t.a.v. materiële kosten door vertraging vervanging - en/of wijzigingen inzichten vervanging materieel. 7 Niet (tijdig) realiseren besparingen Toekomstvisie 2020 t.a.v. personele kosten (vergoedingen/opleidingen/trainingen vrijwilligers) als gevolg van voortschrijdende inzichten benodigd aantal vrijwilligers in samenhang met (beschikbare) materieel (vorig punt).

8 Uitval materieel repressieve inzet brandbestrijding door defect materieel en/of gebrek onderdelen voertuigen/brandweermiddelen. 9 Extra prijsstijgingen (en vertraging) aanschaf blusmaterieel bij realisatie MSP o.b.v. Toekomstvisie. Extra prijsstijgingen nog aan te schaffen blusmaterieel leiden tot hogere kapitaalslasten c.q. eerdere uitputting van de (gevormde) egalisatiereserve. 10 Onvoldoende oefenmogelijkheden Vakbekwaam blijven brandweerpersoneel. Oefenmogelijkheden beperkt bij niet voldoen vakbekwaamheidspleinen eisen RI&E. 11 Noodzakelijke (spoedeisende) aanpassingen aan gebouwen/ installaties voortvloeiende uit afspraken en (wettelijke) eisen (w.o. RI&E). Kosten (tijdelijke) huisvesting/ faciliteiten kantoorpersoneel. 12 Onzekerheid kosten overbrugging na vertrek kantoorlocatie Europaweg. 13 Aanpassingen werkplekfaciliteiten en (meer) thuiswerken (corona).

50%

bedrag 150.000

75.000

50%

640.000

320.000

70%

408.000

286.000

30%

50.000

15.000

70%

500.000

350.000

50%

225.000

113.000

70%

450.000

315.000

30%

90.000

27.000

50%

100.000

50.000

50%

25.000

13.000

50%

84.000

42.000

50% 50%

330.000

75.000

165.000 38.000

14 Hack systemen, verhinderen uitvoering crisis en alle ondersteunende/bedrijfsmatige activiteiten door uitval ICT- systemen. 15 Te hoge personele kosten (beroeps en vrijwilligers) door onjuiste gegevens, - berekeningen en ontoereikende kennis en controles. 16 Inkopen voor te hoge bedragen en/of onjuiste uitvoering/voorwaarden (w.o. aanbestedingen) door onjuist inkoopproces en demarcatie problematiek. 17 Onvoorziene kosten aanspraken van personeel na dienstongevallen door veranderingen in de verzekeringsmarkt en gewijzigde mogelijkheden van dekking. 18 Stijging reële bijdrage aan IFV door bijv. nieuwe taken. 19 Stijging financieringskosten bij aantrekken leningen (vreemd vermogen), door stijging van het rentepercentage. 20 Beboeting en imagoschade door schending van de privacy (overtreding van de algemene verordening gegevensbescherming (AVG)). Processen rond persoonsgerelateerde gegevens worden niet goed uitgevoerd, waardoor privacygevoelige gegvens op onjuiste plaatsen terecht kunnen komen. 21 Hogere kosten (eigen) organisatie OVDG'en (Officieren van dienst geneeskundig). Na opzegging door het Witte Kruis van het (doorlopend) contract voor inhuur van OVDG'en ontstaat het risico dat de uitvoering van deze taak door de VNOG zelf, hogere kosten met zich brengt.

30%

500.000

150.000

30%

350.000

105.000

10%

150.000

15.000

10%

600.000

60.000

30% 50%

60.000 2.250.000

18.000 1.125.000

10%

300.000

30.000

50%

375.000

188.000

3.500.000

De benodigde weerstandscapaciteit bedraagt minimaal € 3.500.000. Pagina 39 van 52

Bij de doorrekeningen van de risico’s voor de benodigde weerstandscapaciteit is o.a. gekeken naar de in 2020 vastgestelde Toekomstvisie. De actuele (externe) ontwikkelingen die we verder met name willen noemen zijn: − De prijsstijgingen en de dreiging van nog verdere stijgingen van prijzen. Dit geldt dan niet alleen voor energie, brandstofkosten en textiel maar ook voor diverse overige kosten van grondstoffen en daaruit vervaardigde materialen waar de VNOG gebruik van maakt. De stijging van hout – en metaalprijzen vertaalt zich in hogere kosten voor de daaruit vervaardigde goederen als gereedschappen, onderhoudsmateriaal en verbruiksartikelen zoals pallets. − De stijging van rente op de geld- en kapitaalmarkt raakt de VNOG vanwege het geheel van investeringen welke voor de komende jaren op stapel staan of al zijn overeengekomen. Dit laatste geldt voor de (vervangings)investering in de komende jaren van 75 blusvoertuigen en het te financieren bedrag van € 40 mln. − De uitwerking van de demarcatie-afspraken met de gemeenten kan bij de verdere uitwerking en uitvoering en de daarbij nog te maken afspraken, leiden tot onvoorziene situaties welke we (financieel) als risico hebben benoemd. Hierbij geldt immers dat ‘tijdens de verbouwing de winkel wel open moet blijven’.

− Het op handen zijnde vertrek uit het kantoor aan de Europaweg levert (financiële) onzekerheid op ten aanzien van de te overbruggen periode. Ook deze (interne) ontwikkeling is als risico opgenomen. Bij Brandweerzorg is sprake (geweest) van belangrijke veranderingen zowel organisatorisch als met betrekking de inzet van mensen (vrijwilligers) en middelen (met name vervanging van materiaal en materieel). Een belangrijke stap daarbij is het in 2022 afgesloten traject van aanbesteding c.q. aanschaf van 75 nieuwe blusvoertuigen. De feitelijke uitrol van het geheel van (beleids)veranderingen, afspraken en aanschaffingen zal in de komende jaren nog veel vragen van de verschillende afdelingen binnen VNOG. Daarbij zullen mogelijke knelpunten en risico’s tijdig moeten worden gesignaleerd, zodat deze ook kunnen worden benoemd en aan-/opgepakt. De niet te kwantificeren risico’s zijn hierna aangegeven: Niet kwantificeerde risico's Nr. Risico's en oorzaken

Kans in %

1 Hogere personele kosten (beloning/vergoeding) -w.o.relatieve aandeel VNOG- bij repressieve inzet van parttime brandweermensen (i.p.v. vrijwilligers). Uitkomst project Taakdifferentiatie: afschaffing consignatie en kazernering vrijwilligers; mogelijke alternatieven (parttime aanstellingen) duurder. 2 Toename onderhoudskosten materieel voor repressieve inzet brandbestrijding door langer gebruik bestaand materieel. 3 Onzekerheid toekomstbestendige - en efficiënte uitvoering van repressieve taken bij het niet (tijdig) realiseren samenvoeging/-werking kazernes (Toekomstvisie bouwsteen 31 en 31a). Door onzekerheid uitkomsten onderzoeken samenvoeging/-werking aangegeven regio's, nog geen duidelijkheid over verbeteringen uitvoering repressieve activiteiten. 4 Crises (w.o pandemie) kwantificering c.q. opname in risicoprofiel gevolgen crises, zoals COVID-19. De consequenties voor de VNOG zijn nog niet te kwantificeren. De bestemmingsmogelijkheden van de, recent bekend geworden, extra BDuR middelen dient nog plaats te vinden. 5 Uitwerking (operationele) uitvoering demarcatie. De uitwerking/uitvoering van de demarcatieafspraken kan nog leiden tot onvoorziene (financiële) situaties c.q. tegenvallers.

Pagina 40 van 52

Effect in Weereuro's standscapaciteit (euro's) bedrag

Bij de niet gekwantificeerde risico’s is het eerdere risico 4 (zie hieronder) samengevoegd met risico 1 omdat het in feite om hetzelfde gaat. 4 (On)mogelijkheid terugbrengen meerkosten kazernering dagdienst. Bij de noodzaak van het (moeten) doorvoeren van de zgn. bouwsteen Verplichtend Karakter, valt de mogelijkheid van het roosteren van vrijwilligers voor de repressieve (dag)activiteiten af en zijn mogelijke alternatieve mogelijkheden (van inhuur) duurder.

De gewijzigde en nieuw opgenomen niet gekwantificeerde risico’s zijn (zie verwijzing cijfer naar overeenkomende regel in voorgaand register): − (4) gewijzigd en vernummerd (was eerder 5), een uitbreiding van de beschrijving van mogelijke crises naast Covid-19, mede gezien de ervaringen t.a.v. de uitbreiding van de rol van veiligheidsregio’s bij bijv. de opvang van Oekraïners en ook migranten in het algemeen; daarmee samenhangend wordt de BDuR de komende jaren verhoogd en zal er duidelijkheid moeten komen over de wijze - en mogelijkheden van inzet van deze middelen. − (5) nieuw opgenomen is het risico wat onderkend wordt bij de verdere uitwerking en uitvoering van de demarcatiebesluiten welke bestuurlijk zijn genomen m.b.t. het gebruik van de brandweerposten en de te maken verdeling van de kosten daarbij; bij het interpreteren en uitwerken van de besluiten in de praktijk zal duidelijk moeten worden of alle gemeenten het (onderling) eens (kunnen) zijn of worden over de verdere inkleuring ervan. Een uitgebreider overzicht van de gekwantificeerde en niet-gekwantificeerde risico’s, waarin ook de oorzaken, beheersmaatregelen en - waar van toepassing - de getalsmatige onderbouwing is opgenomen, treft u aan in bijlage 4.

Pagina 41 van 52

12. Risico’s versus weerstandscapaciteit 12.1. Omvang huidige reserves De huidige omvang* van de reserves is als volgt (zie ook bijlage 3): Reserves

stand

Algemene reserve

1.135.114

ja

1.135.114

Bedrijfvoeringsreserve

3.000.000

ja

3.525.000

5.436

nee

Best.reserve Jeugdbrandweer Oost Gelre Tijdelijke reserve overheveling budgetten

weerstandscapaciteit

608.000

nee

2.906.529

nee

Bestemmingsreserve frictiekosten LMS

500.000

nee

Reserve incidentele veranderkosten organisatie-ontwikkeling

434.468

nee

Reserve frictiekosten risicobeheersing

365.000

nee

Reserve flankerende kstn dekkings- en spreidingsplan

297.517

nee

Reserve vervanging operationeel uniform

100.000

nee

Reserve programma zelfredzaam en risicobewust

516.607

nee

Egalisatiereserve ‘inzetten (uitruk)’

400.000

nee

Egalisatiereserve afschrijvingen

Totaal

10.268.671

Post onvoorzien

250.000

ja

totaal Onttrekking 2 jaar huur Europaweg (voorstel Kadernota 2022 e.v.)

250.000

4.910.114 -390.000

Beschikbare weerstandscapaciteit

4.520.114

Benodigde weerstandscapaciteit

3.500.000

Weerstandsratio:

1,3

* Stand na resultaattoevoeging 2021 12.2. Beschikbare weerstandscapaciteit De beschikbare weerstandscapaciteit bestaat conform de beleidsregels (zie hoofdstuk 10) uit de Algemene Reserve + de Bedrijfsvoeringsreserve + de post Onvoorzien en bedraagt momenteel: € 1.135.114 + € 3.525.000 + € 250.000 = € 4.910.114 Voorzien wordt echter dat het niet realiseren van de taakstelling Europaweg voor 2022 en 2023 een onttrekking aan de Bedrijfsvoeringreserve van € 390.000 vergt. Daarmee komt de beschikbare weerstandscapaciteit uit op € 4.520.114. De benodigde weerstandscapaciteit (zie hoofdstuk 11) bedraagt minimaal € 3.500.000. De huidige weerstandsratio komt daarmee uit op 1,3. Dit betekent dat de VNOG momenteel een toereikende weerstandscapaciteit heeft. Bij uitvoering van het voorgenomen beleid van onttrekkingen uit de Bedrijfsvoeringreserve leidt dit tot een niveau van € 2.500.000 eind 2024 (zie bijlage 3); dan zal deze reserve (weer) moeten worden aangevuld met € 700.000 voor het realiseren van een ratio van 1,2 (=voldoende) per ultimo 2024. Deze aanvulling zou bijvoorbeeld kunnen uit een toekomstig rekeningresultaat. Pagina 42 van 52

11.3. Conclusies De streefwaarde van de weerstandsratio is bepaald op een bandbreedte tussen 1,0 (“matig”) tot 1,4 (“voldoende”). De huidige ratio (van 1,3) kan als toereikend worden aangemerkt. Verder is aangegeven dat bij de verwachte toekomstige onttrekkingen t.l.v. de Bedrijfsvoeringreserve een aanvulling nodig is om weer op het gewenste niveau van de weerstandsratio uit te komen. In de Jaarrekening 2021 kwam de ratio uit op 1,03; in de Programmabegroting 2023-2026 op 1,06. De vermogenspositie is daarmee solide.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12752882/1