361231 TransitieVisie Energie en Warmte DEF
Tekst van het document
26
T R A N S I T I E V I SIE E NE R GIE E N WAR MT E
G EMEEN TE EPE
27
3. Energietransitie in de gemeente Epe Dit hoofdstuk brengt in beeld wat de veroorzakers zijn van CO2-uitstoot in de gemeente Epe. In 3.1. brengen we de gehele CO2-uitstoot van de gemeente in beeld, om vervolgens in 3.2 tot en met 3.6 de CO2-uitstoot per sector te bekijken. Daarbij volgen per sector de belangrijkste maatregelen om CO2 te besparen. In hoofdstuk 3.7 en 3.8 behandelen we de rol van de gemeente in de energietransitie. In 3.9. eindigen we met een samenvatting van de belangrijkste bevindingen van dit hoofdstuk.
3.348 Terajoule is de hoeveelheid energie… • …waar 1 zuinige ledlamp van 3W ruim 35,4 miljoen jaar op brandt. • …waarop 10 volledig elektrische auto’s 93.000 keer op en neer kunnen touren naar Jeruzalem.
3.1. Analyse van CO2-uitstoot In de gemeente Epe werd 225.991 ton CO2 uitgestoten in 2019. Dit werd vooral veroorzaakt door het verbruik van energie. De gegevens uit 2019 in de Klimaatmonitor, geven een totaal energiegebruik in de gemeente Epe aan van 3.348 TJ. De energie komt uit fossiele brandstoffen (2.774 TJ) en elektriciteit (574 TJ). Daarnaast wordt er door biomassa en biobrandstof voor een deel in de energievraag voorzien (131 TJ). In 2019 is er voor 172 TJ energie hernieuwbaar opgewekt (5,1%). Zie diagram 1.
Diagram 1 - Totaal energieverbruik 3.348 TJ in 2019 131
172
574
Electriciteit 2774
Fossiele brandstoffen Zon- en windenergie (hernieuwbare energie) Biomassa en biobrandstof
Voor het terugbrengen van de CO2-uitstoot is het nodig om én energieverbruik te verminderen én de energie die verbruikt wordt, hernieuwbaar op te wekken. We willen 49% minder CO2 uitstoten in 2030. Daarvoor moeten een aantal grote slagen worden gemaakt.
28
T R A N S I T I E V I SIE E NE R GIE E N WAR MT E
Het verbruik van deze energie is toe te schrijven aan vier verschillende sectoren. Dit zijn: gebouwde omgeving, mobiliteit, industrie, landbouw. De sectoren met het grootste verbruik in onze gemeente zijn de gebouwde omgeving en mobiliteit. Grofweg 40% van het energiegebruik is toe te schrijven aan het verwarmen en gebruiken van woningen en gebouwen en 40% aan het transport van personen en goederenvervoer (zie diagram 2).
Diagram 2 - Energieverbruik sectoren in TJ 2019 78
479
1377
Gebouwde omgeving 1414
Verkeer en vervoer Landbouw, bosbouw en visserij Industrie, energie, afval, water
Aandacht voor de sectoren Gebouwde omgeving en Verkeer en vervoer is daarom nodig. Industrie is de belangrijke derde sector. Het energieverbruik in verhouding tot het beperkte aantal gebruikers in de industrie is relatief hoog. In de afgelopen 10 jaar is het energiegebruik en daarmee de CO2-uitstoot van de gebouwde omgeving het sterkst is afgenomen (diagram 3 CO2-uitstoot per sector).
Diagram 3 - CO2-uitstoot per sector 120.000 100.000 80.000 60.000 40.000 20.000 0
Gebouwde
Verkeer en vervoer
Industrie, energie,
Landbouw, bosbouw
omgeving
incl. auto(snel)wegen
afval en water
en visserij
2010
2015
2019
G EMEEN TE EPE
29
Dit hoofdstuk beschrijft het verbruik per sector en de mogelijkheden tot transitie naar schone en duurzame energie. Per sector stellen we de 3 belangrijkste maatregelen voor. Dat is niet alles wat we doen. Kleinere maatregelen worden schematisch weergegeven in bijlage 2. De CO2-uitstoot per sector wordt jaarlijks gemonitord. De maatregelen worden eens per 5 jaar herzien. Deze breed opgezette visie voor de gemeente Epe nodigt onze inwoners en bedrijven uit om actief bij te dragen aan een leefwereld zonder CO2-uitstoot. We hebben hier iedereen in de gemeente bij nodig. Dat is geen gemakkelijke opgave, maar de urgentie neemt toe en afwachten is geen optie meer.
3.2. Gebouwde omgeving Het verwarmen van onze woningen en andere gebouwen vraagt veel energie. Dit energieverbruik leidt tot veel CO2-uitstoot. In 2019 bedroeg de CO2-uitstoot van de gebouwde omgeving in de gemeente Epe 88.835 ton. De bijdrage van de woningen aan deze CO2-uitstoot bedroeg 58.407 ton CO2. Het maatschappelijk vastgoed was verantwoordelijk voor 10.495 ton CO2. Hier staat de gemeente aan de lat. Het restant van 20.000 ton werd veroorzaakt door commercieel vastgoed. De gemeente heeft een belangrijke rol in de beperking van de CO2-uitstoot van woningen en maatschappelijk vastgoed. Het ministerie van Economische zaken en de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) hebben een belangrijke rol in het stimuleren van maatregelen die de CO2-uitstoot bij het commercieel vastgoed beperken. De doelstelling voor de beperking van de CO2-uitstoot in de gebouwde omgeving is om in 2030 35.000 ton minder uit te stoten.
Diagram 4 - CO2-uitstoot gebouwde omgeving 120.000 100.000 80.000 60.000 40.000 20.000 0 2011
2012
2013
Woningen
2014
2015
2016
Commerciële dienstverlening
2017
2018
2019
Publieke dienstverlening
Het energiegebruik van de gebouwde omgeving bestaat uit gas (752 TJ), elektra (154 TJ) en houtige biomassa (54 TJ). Van de 14.586 woningen in Epe hebben 10.418 woningen een energielabel C of lager. Ongeveer 80% van de woningen is gebouwd voor 1990. Het terugbrengen van de gasvraag door verduurzaming van de woningen heeft de meeste impact op de afname van de CO2-uitstoot. Verduurzaming naar label B, A of aardgasvrij vergt echter ingrijpende maatregelen en een flinke investering. Deze investering geldt zowel voor de gebouwisolatie, de aanleg van de nieuwe infrastructuur (leidingen en kabels) en de omschakeling naar duurzame warmtebronnen. Dit complexe vraagstuk wordt behandeld in de Transitievisie Warmte (hoofdstuk 5-7).
30
T R A N S I T I E V I SIE E NE R GIE E N WAR MT E
Ongeveer 65% van de woningen is in particulier eigendom. De gemeente bezit geen woningen en is voor de uitvoering van de verduurzaming van de woningen afhankelijk van anderen. Voor de verduurzaming van deze woningen moet een groot aantal kleine investeerders in beweging komen. Met het aanbieden van advies en financieringsmogelijkheden maakt de gemeente het makkelijker om de verduurzaming te realiseren. Naast de woningeigenaren werkt de gemeente we samen met Triada om de energievraag van het woningbestand naar beneden te brengen. Er zijn dus een aantal maatregelen binnen de energievisie waar we als gemeente een belangrijke rol hebben. De belangrijkste onderwerpen zijn stimuleren verduurzamen woningvoorraad, aanpak maatschappelijk vastgoed en toekomstbestendige E-infrastructuur. Top 3 maatregelen gebouwde omgeving • Stimuleren verduurzamen woningvoorraad; • Aanpak maatschappelijk vastgoed; • Toekomstbestendig maken E-infrastructuur. 1. Stimuleren verduurzamen woningvoorraad Woningeigenaren zijn zich nog niet altijd bewust van het belang van energiebesparende maatregelen, of ze zien op tegen de hoge kosten en het gedoe in de woning. Daarbij is het voor particuliere woningeigenaren niet eenvoudig om goed zicht te krijgen op welke specifieke maatregelen nodig zijn. Het kennisniveau van woningeigenaren over energiebesparing moet daarom omhoog.
Via het regionale energieloket zullen we steeds specifieker maatwerk of gerichte wijkacties organiseren om woningeigenaren te informeren over besparingsmaatregelen, duurzaam verbruik en financieringsmogelijkheden. Zo wordt de onderhandelingspositie voor woningeigenaren door actuele informatie over techniek en financieringsinstrumenten versterkt en kunnen ze besparingstechnieken toepassen waar ze geen spijt van zullen krijgen, simpelweg omdat de investering zich uitbetaalt. De woningcorporatie heeft doelstellingen geformuleerd voor het verduurzamen van hun vastgoed. Qua expertise en investeringsbereidheid heeft zij een fundamenteel andere positie dan de particuliere woningbezitter. Gemeente en woningcorporatie stemmen steeds af waar een gezamenlijke buurtaanpak effectief is. 2. Aanpak maatschappelijk vastgoed Naast de woningeigenaren en de woningcorporatie zijn er de eigenaren van maatschappelijk vastgoed. De verduurzaming van maatschappelijk vastgoed draagt bij aan het terugdringen van de CO2-uitstoot en helpt instellingen om de exploitatiekosten structureel omlaag te brengen. Zij heeft daarnaast een belangrijke voorbeeldfunctie voor de mensen die van het gebouw gebruik maken en voor de wijk als geheel. Dit geldt in het bijzonder voor gemeentelijk maatschappelijk vastgoed als scholen, wijkgebouwen en dorpshuizen.
De verduurzaming van scholen biedt kansen voor een koppeling met onderwijsprojecten. Binnen de publieke dienstverlening zijn er verschillende sectoren: overheid, onderwijs, zorg en welzijn, cultuur, sport en recreatie en overige dienstverlening. Het ligt het meest voor de hand de aanpak te richten op maatregelen bij Overheden (eigen invloedsfeer) en het vastgoed van Zorg & Welzijn (meeste CO2-uitstoot ). Dit begint met het terugbrengen van de warmtevraag door toepassing van isolatie. Bij grotere gebouwen is er ruimte voor opwek door zonnepanelen.
G EMEEN TE EPE
31
Diagram 5 - CO2-uitstoot publieke sector 20.000 18.000 16.000 14.000 12.000 10.000 8.000 6.000 4.000 2.000 0 2011
2012
Overheden
2013
2014
Onderwijs
2015 Zorg en welzijn
2016
2017
Cultuur, sport en recreatie
2018
2019
Overige dienstverlening
3. Toekomstbestendig maken E-infrastructuur De gebouwde omgeving kent twee belangrijke energiedragers: gas en elektriciteit. Gas maakt als fossiele brandstof onderdeel uit van de warmtevisie, en wordt daar behandeld. Bij elektriciteit spelen meerdere trends die invloed hebben op de stabiliteit van het elektriciteitsnetwerk. Er is sprake van: a. E en groeiende vraag door meer gebruik van elektrische apparatuur (o.a. doordat de warmtevoorziening deels elektrificeert). Deze apparaten verbruiken per apparaat minder energie dan voorheen, maar de absolute vraag stijgt; b. Een groeiend aandeel decentrale opwek door zonnepanelen op daken. oor de gebouwde omgeving betekent dit dat de grootschalige plaatsing van warmtepompen V en zonnepanelen op daken kan leiden tot congestie op het elektriciteitsnet. Het belang van de buffering van elektriciteit in de wijk en het in balans brengen van de opwek van energie en energiegebruik neemt toe. Systeemoptimalisatie en de brede toepassing van digitale regeltechnologie helpt om op wijkniveau de balans tussen energiegebruik en de opwek van energie te verbeteren, waardoor de uitbreiding van elektrische infrastructuur en transportverliezen zoveel mogelijk kunnen worden beperkt. De gemeente werkt samen met Liander aan een duurzame verzwaring van het E-netwerk. Ook zal energieopslag en regeltechniek de komende periode aandacht krijgen.
Hier zijn we mede afhankelijk van landelijke ontwikkelingen. Belangrijkste actoren gebouwde omgeving • Woningeigenaren; • Woningcorporatie Triada e.a.; • Eigenaren maatschappelijk vastgoed; • Liander; • Energieloket.
32
T R A N S I T I E V I SIE E NE R GIE E N WAR MT E
3.3. Mobiliteit Het verbruik van energie in de gemeente Epe is het hoogst in de sector mobiliteit. Gebruik van benzine, LPG en diesel is de oorzaak van de meeste CO2-uitstoot van deze sector. Binnen de gemeente Epe heeft mobiliteit met 94.000 ton een aandeel van 41% in de CO2-uitstoot. Of het nu gaat over vervoer over de A50 of binnengemeentelijk verkeer, de mobiliteit staat voor de opgave om te elektrificeren. Door elektrificatie is ongeveer de helft minder energie nodig zijn (700 TJ ipv 1400). Wordt de elektriciteit duurzaam opgewekt, dan is er sprake van een CO2uitstoot-loze sector. Op basis van de uitgangspunten van het Energietransitie model wordt in 2030 naar verwachting 30% van de personenauto’s elektrisch aangedreven. Ook zal 5% van de auto’s waterstofaangedreven zijn. Het gaat hierbij om prognoses waarbij de ontwikkeling van het verkeer op de weg en de techniek van waterstof en batterijen is ingeschat. De maatregelen die de gemeente kan treffen zijn beperkt. Het rijk jaagt namelijk de elektrificatie van transport aan. De gemeente kan echter wel inzetten op lokale maatregelen die de elektrificatie van transport bedienen. Daarnaast is het stimuleren van fiets en OV een belangrijke maatregel voor het terugdringen van de CO2-uitstoot veroorzaakt door het autoverkeer.
Tenslotte kan ook in het verduurzamen van het eigen materieel en het wegonderhoud de CO2-uitstoot worden beperkt. Top 3 maatregelen mobiliteit • Aanleg van laadinfrastructuur; • Meer woon-werkverkeer per fiets en OV; • Verduurzamen aanbestedingen eigen materiaal en wegonderhoud. 1. Aanleg van laadinfrastructuur voor personenauto’s en goederenvervoer Binnen de bebouwde kom is het nodig een laadinfrastructuur te realiseren. De gemeente werkt in samenwerking met de provincie en andere gemeenten aan een efficiënte ruimtelijke indeling. Deze maatregel wordt onderscheiden in verschillende deeltaken (zie tabel in bijlage 2) 2. Meer woon-werkverkeer per fiets, OV en deelconcepten We stimuleren inwoners afstanden tot 10 km vaker te fietsen. Een goede infrastructuur om per fiets en ov van woon naar werkplek af te leggen is daarvoor nodig. Denk aan regionale fietspaden waar met een hogere snelheid kan worden gefietst. Ook zal er in het verkeers- en vervoerbeleid meer aandacht komen voor fietsers. De ontwikkeling dat onze infrastructuur over de afgelopen 70 jaar ingericht is op autoverkeer vraagt ook om een transitie in ons denken over de invulling van de openbare ruimte ten behoeve van wandelaars en fietsers. De infrastructuur nodigt autobezitters uit te wandelen of te fietsen.
Een emissie-loos centrum, of één waar oude dieselvoertuigen geweerd worden, heeft voor onze dorpen geen significante bijdrage en wordt daarom niet als bijzondere taak uitgevoerd. 3. Verduurzamen wagenpark en aanbestedingen GWW Als gemeente lopen we voorop in het verduurzamen van ons wagenpark. Waar we elektrisch of naar andere uitstootvriendelijkere voertuigen kunnen overstappen, doen we dat op elk natuurlijk moment. We zijn blij met ondernemers in onze gemeente die biobrandstoffen aanbieden. Bij de ontwikkeling van nieuwe infrastructuur of het beheer en onderhoud van bestaande wegen, verhogen we de eisen van de aanbesteding om materiaal te gebruiken waarmee de totale CO2-uitstoot per gereden km van het vervoer daalt. G EMEEN TE EPE
33
Belangrijkste actoren mobiliteit • Voertuigeigenaren; • Logistieke sector en Transport; • Netbeheerder Liander.
3.4. Industrie en bedrijvigheid Epe kent rond de 2.500 bedrijven. De sector dienstverlening vormt met ongeveer 2.000 bedrijven het grootste aandeel. Bijna een derde hiervan (605) behoort tot de categorie handel. 575 bedrijven bieden specialistische zakelijke diensten aan. De categorieën industrie en bouwnijverheid kennen bij elkaar nog eens 515 bedrijven. De industrie en bedrijven zijn samen verantwoordelijk voor 57.216 (37.293 + 19.923) ton CO2-uitstoot. Het energiegebruik van industrie en bedrijven bedraagt 740 TJ. Industrie verbruikt hiervan 480 TJ en commerciële dienstverlening (met name handel) verbruikt 260 TJ. De industrie en bedrijven zijn samen verantwoordelijk voor 57.216 ton CO2-uitstoot. Bij de industrie en bedrijven van de gemeente Epe willen we in 2030 een reductie van 20.000 ton CO2 ten opzichte van 2019 bereiken. De maatregelen om dit bereiken zijn naast de wettelijke maatregelen vanuit handhaving en vergunningverlening, vooral gericht op samenwerking door een collectieve aanpak voor verduurzaming en stimulering van circulaire economie. Top 3 maatregelen Industrie en Bedrijvigheid •C ollectieve aanpak bedrijventerreinen (met aandacht voor alternatief gas, restwarmte en energieopwekking (zon en wind); • Handhaven erkende maatregelen; • Stimuleren circulaire economie: Procesindustrie en reststromen verduurzamen. 1.
Collectieve aanpak bedrijventerreinen Onze focus bij grote energiegebruikers ligt op de twee belangrijkste bedrijventerreinen: Kweekweg in Epe en Eekterveld in Vaassen. In de energievisie gaan wij bij het domein Industrie en bedrijven in op CO2-reductie door mkb en procesindustrie. We brengen de gas en elektravraag naar beneden en willen restwarmte op andere manieren in zetten. Ook is er een potentiestudie uitgevoerd voor zonnepanelen op bedrijfsdaken. Als maatwerkvoorschrift in een omgevingsplan kan de gemeente ook opnemen dat industriedaken duurzaam gebruikt moeten worden. 2. Handhaven erkende maatregelen Er zijn nieuwe manieren nodig waarop we omgaan met energie, grondstoffengebruik, verspilling en emissies. Schoon en groen is daarbij ons uitgangspunt. In de Wet milieubeheer is opgenomen dat bedrijven energiebesparingsmaatregelen moeten treffen, die zichzelf in 5 jaar of minder terugverdienen. Voor de meeste kleinere bedrijven geldt een lichter regime rond energie. De gemeente Epe is merendeels bevoegd gezag voor naleving van deze verplichtingen. In samenwerking met de Omgevingsdienst helpen we ondernemers deze erkende maatregelen daadwerkelijk te realiseren.
34
T R A N S I T I E V I SIE E NE R GIE E N WAR MT E
3. Procesindustrie en reststromen verduurzamen Naast efficiëntieverbetering is er winst te behalen in het hergebruiken van reststromen die door verspilling of verlies in de keten anders niet benut worden. Op deze manier kan worden bijgedragen aan een circulaire en biobased economie door kringlopen te sluiten, fosfaat en stikstof uit afvalstoffen om te zetten naar economische waarde, energie te leveren en restproducten te hergebruiken. Het waterschap heeft daar in Epe een belangrijke koplopersrol. Uitwisseling van kennis, informatie en aanpak bij industrie draagt bij aan de vermindering van CO2-uitstoot. Belangrijkste actoren Industrie en Bedrijvigheid • Bedrijfseigenaren; • Ondernemersverenigingen, industriekring en bedrijvenkring; • Netbeheerder Liander; • Omgevingsdienst OVIJ; • Waterschap Vallei en Veluwe.
3.5. Landbouw In 2050 moet heel Epe inclusief de landbouw en het landgebruik klimaatneutraal zijn. Dat is een ingewikkelde uitdaging, omdat een deel van de uitstoot van broeikasgassen niet te vermijden is. Koeien produceren methaan en uit kunstmest komt lachgas vrij, beide zijn broeikasgassen. Wel legt de sector ook CO2 vast in bodem, de bodem, gewassen, gras en bomen. Deze vastlegging van CO2 draagt bij aan de reductiedoelstelling. Om in 2050 de onvermijdelijke uitstoot van broeikasgassen in balans te brengen met het vastleggen van broeikasgassen en de productie van hernieuwbare energie én biogrondstoffen, zetten partijen in het Klimaatakkoord in op: Top 3 maatregelen Landbouw • Natuurinclusieve kringlooplandbouw; • Uitbreiding van bosareaal; • Opwekmogelijkheden voor boerenbedrijf waaronder stimuleren productie biogas door mestvergisting. 1. Natuurinclusieve kringlooplandbouw Gemeenten hebben een taak om landbouwbedrijven te steunen bij duurzame landbouw. Dat omvat het gebruik van het ruimtelijk instrumentarium. Kringlooplandbouw vraagt ook om verantwoordelijkheid bij de consument. Daarom streven we naar convenanten met lokale supermarkten en restaurants, faciliteren we particuliere initiatieven om overschotten naar kwetsbare inwoners te brengen en zetten we communicatiecampagnes op. 2.
Uitbreiding bosareaal De taak om het areaal natuur te vergroten, is moeilijk te scheiden van ‘reguliere’ taken die gemeenten al hadden. Weliswaar is er een duidelijke opgave – 1% meer bomen per jaar – maar die opgave kan deels worden bereikt door andere accenten te leggen bij grondexploitaties, klimaatadaptatie, en het ontwerp en onderhoud van de openbare ruimte. Tegelijkertijd zijn we wel voornemens om vaker specifieke natuurprojecten te gaan ondernemen, zoals boomaanplantprojecten, en bosontwikkeling (in samenwerking met provincie).
G EMEEN TE EPE
35
3. O pwekmogelijkheden voor boerenbedrijf waaronder stimuleren productie biogas door mestvergisting Door boeren worden zon op dak en kleinschalige windmolens als een goede invulling benoemd voor het verduurzamen van hun eigen elektraverbruik. De vraag vanuit de boeren ligt bij de gemeente. Het is aan de gemeente om in het kader voor opwek op te nemen of kleinschalige windmolens vergund worden. De bijdrage van deze kleinschalige windmolens aan de totale energieopgave is gering, maar voor het draagvlak en bewustzijn zijn ze belangrijk. Voor de gemeente Epe is er een potentiestudie uitgevoerd voor boeren die middels een monovergister (alleen mest) biogas leveren aan een industrieterrein of grote afnemer. Op basis van de beschikte vergunningen is er potentie voor een coöperatieve ontwikkeling voor een biogasleiding langs de Weteringdijk ter hoogte van Eekterveld. Het opwekvermogen wordt geschat op 20 tot 35 TJ. Dit is sterk afhankelijk van de bereidwilligheid van de bedrijfsvoerders. De gemeente kan daarom een faciliterende rol innemen op dit specifieke onderwerp Belangrijkste actoren Landbouw • Boeren; • LTO; • Energiecoöperatie; • Omgevingsdienst OVIJ; • Netbeheerder Liander.
3.6. Hernieuwbare energieopwekking Elektriciteit is - naast gas en brandstoffen voor vervoer - één van de huidige energiedragers. Hernieuwbare elektriciteit is de belangrijkste energiedrager voor een emissie-loze toekomst. Hernieuwbare elektriciteitsproductie draagt daarmee bij aan CO2-reductie. Er is zeker 1200 TJ duurzame elektriciteit nodig. Op dit moment zijn zonne- en windenergie de belangrijkste hernieuwbare bronnen hiervoor. De productie van duurzame elektriciteit vraagt letterlijk om ruimte en zal een ruimtelijke impact hebben op ons waardevolle Epese landschap. De gemeente Epe is geen initiatiefnemer voor grootschalige opwek. Wel vervullen we een faciliterende rol bij de afhandeling van de ruimtelijke procedures. Daarnaast ondersteunen we maatschappelijke initiatieven voor duurzame opwek, zoals energiecoöperaties en scholen. De Regionale Energiestrategie (RES1.0) en onze Omgevingsvisie zijn belangrijke instrumenten voor het stimuleren van duurzame opwek van zon op dak, zon op land en wind. Uitgaande van deze instrumenten wordt beleid voor zon en wind ontwikkeld. Top 3 maatregelen Hernieuwbare Energieopwekking • Stimuleren aanpak Grootschalig Zon op Dak, Taskforce Zon. • Stimuleren en vergunningverlening zonneparken; • Stimuleren en vergunningverlening windparken; 1.
Stimuleren aanpak Grootschalig Zon op Dak, Taskforce Zon In de energiemix wordt uitgegaan van 340 TJ opwek door zon op dak. Op dit moment wordt er 33 TJ opgewekt door zon op dak (klimaatmonitor). Tijdens de stakeholderparticipatie is de potentie van Zon op Dak bij verschillende domeinen in beeld gebracht.
36
T R A N S I T I E V I SIE E NE R GIE E N WAR MT E
De volgende aantallen zijn in beeld: Zon op dak
TJ
Partner
Gerealiseerd
33
NVT
Industrie
151
OVIJ
Triada
12
Corporatie
Maatschappelijk
15
Gemeente
Woningen
129
Energieloket
Totaal
340
In de komende jaren (tot 2030) is het van belang middels zon op dak tot grootschalige opwek te komen (zie ook RES 1.0). De realisatie van installaties op de daken van de industrieterreinen verdienen de meeste aandacht. 2. Stimuleren en vergunningverlening zonneparken Het stimuleren van zonneparken vraagt van ons adequate vergunningverlening en projectbegeleiding. De projectbegeleiding betekent inpassing in de ruimtelijke plannen en steun bij participatietrajecten. Gezien de grote energie-opgave waar Nederland voor staat, is het redelijk te verwachten dat gemeenten die uitvoeringskosten van vergunningverlening niet geheel doorberekenen in leges. In de energiemix wordt uitgegaan van 468 TJ opwek door zon op land. Dat is met de huidige vermogens ongeveer 134 hectare. De verdeling in de opwek is als volgt: • Er wordt sinds 2020 3,8 TJ opgewekt. Het Waterschap heeft nog eens 2,3 TJ op locatie RWZI. Er is dus 6,1 TJ gerealiseerd. • Het project in vergunningsaanvraag betreft ongeveer 45 TJ. Bij de verhouding opgesteld vermogen per hectare geldt: des te hoger de vermogens per paneel, hoe minder hectare er in totaal benodigd is. 3. Stimuleren en vergunningverlening windparken In de energiemix wordt er uitgegaan van 415 TJ opgewekte energie uit wind.
Met de inpassing van huidige generatie windturbines van 6 MW zijn er 7 winturbines nodig om bij een aantal vollasturen van 2900 per jaar 438 TJ middels windmolens op te wekken. Het stimuleren van windparken is qua activiteit vergelijkbaar met het stimuleren van zonne weides. Ook hier ligt de nadruk op projectbegeleiding en ondersteuning om bewoners te stimuleren een energiebedrijf op te zetten. Het meeste projectwerk ligt niet bij een gemeente maar bij de initiatiefnemer. Een verschil is dat windparken gemiddeld gezien complexer zijn en meer weerstand oproepen dan zonneweides. De realisatie van windmolens is complex onder andere door regelgeving ten behoeve van natuurbescherming. Als gemeente onderzoeken we de mogelijkheden van windmolens langs infrastructuur zoals de A50.
G EMEEN TE EPE
37
Belangrijkste actoren Hernieuwbare Energieopwekking • Energiecoöperatie; • Liander; • Omgevingsdienst OVIJ.
3.7. Bovengemeentelijke overkoepelende taken Het monitoren en regelmatig herijken van de Regionale Energiestrategieën is een taak waar veel verschillende activiteiten voor nodig zijn. De RES-en moeten eens per twee jaar herijkt worden. Het monitoren van de uitvoering van de RES is een structureel proces. De gemeente werkt op twee niveaus om deze taak uit te voeren. Enerzijds leveren we capaciteit aan de RES-regio, anderzijds is er lokale inzet, bijvoorbeeld lokale monitoring van de voortgang binnen de gemeente. De verwachting is dat het monitoren en herijken ongeveer tweederde van capaciteit vraagt die voor het opstellen nodig is, zeker in de eerste jaren.
3.8. Ondersteunende taken Niet alleen direct, maar ook indirect wordt er capaciteit gevraagd om de energievisie en de maatregelen succesvol uit te voeren. We verwachten dat er extra vraag wordt gedaan op de volgende domeinen: • HR; • Facilitair en ICT; • Juridische zaken; • Financiën en control. Het doorrekenen van de capaciteit voor deze domeinen is vooral bij grote gemeenten verricht. Daar is duidelijk geworden dat er voor juridische zaken en financiën en control samen maximaal 1,0 fte nodig is. Er zijn nog geen cijfers van de benodigde bezetting voor kleinere gemeente. Er wordt verwacht dat dit ongeveer 0,2 fte per jaar vraagt van de reguliere afdelingen. Ook wat betreft de materiele kosten en capaciteit voor samenwerking met de stakeholders wordt er inzet verwacht. De totale hoeveelheid is op dit moment nog lastig in te schatten. Zij zal op projectniveau worden berekend en zo worden voorgesteld aan de raad. Denk hierbij aan communicatiematerialen, technisch onderzoek, beleidsonderzoek, registratiesystemen en de verduurzaming van het eigen materiaal.
38
T R A N S I T I E V I SIE E NE R GIE E N WAR MT E
3.9. Samenvatting Met een analyse van de CO2-uitstoot en het in kaart brengen van de belangrijkste maatregelen per sector, ontstaat er een beeld waar we in de gemeente Epe de komende jaren samen mee aan het werk zijn om de uitstoot van CO2 te verminderen. Besparing bij woningen en voertuigen zijn daarvoor de belangrijkste sleutel omdat ze het grootste aandeel hebben in de CO2-uitstoot. Met de industrie zien wij kansen om de aanzienlijke CO2-uitstoot per bedrijf te beperken. Met hen zijn we al in verduurzamingsprojecten betrokken die leiden tot vermindering van de CO2-uitstoot. Om in de toekomstige vraag naar duurzame elektriciteit te voorzien, zijn er initiatiefnemers met projecten voor duurzame opwekking nodig. De doelstelling om 49% CO2-reductie te behalen is dus afhankelijk van het besparen van energie in de gebouwde omgeving, de transitie naar elektrisch verkeer en het realiseren van grootschalige opweklocaties. Belangrijkste conclusie van dit hoofdstuk is dan ook dat we voor het reduceren van het grootste deel van uitstoot we vooral met gebouweigenaren, voertuigeigenaren, ondernemers en initiatiefnemers voor duurzame opweklocaties aan het werk moeten om daadwerkelijk de CO2uitstoot terug te brengen. Dat toont enerzijds de complexiteit van de opdracht en is anderzijds een uitnodiging voor onze inwoners en bedrijven om actief deel te nemen aan deze transitie.
G EMEEN TE EPE
39
Transitievisie energie: CO2-neutraal in 2050 Gebouwde omgeving
Mobiliteit
Woningeigenaren
Voertuigeigenaren
Woningcorporatie Triada
Logistieke sector en transport
Eigenaren maatschappelijk vastgoed Liander Energieloket
Forensen Toeristen Liander
Bewustwording: werken aan handelingsperspectief woningeigenaren
Aanleg van laadinfrastructuur voor personenauto’s en goederenvervoer
Toekomstbestendig maken e-infrastructuur
Meer woon- en werkverkeer per fiets en OV
Aanpak maatschappelijk vastgoed
Verduurzamen aanbestedingen wegonderhoud
Industrie en bedrijvigheid Bedrijfseigenaren ondernemersverenigingen en industrie- en bedrijvenkring Omgevingsdienst Veulwe IJssel Liander
Landbouw LTO en agrariërs Stichting Energiecoöperatie Epe Omgevingsdienst Veluwe IJssel
Handhaven erkende (energiebesparende) maatregelen
Opwek door zon op dak en kleine windmolens
Collectieve aanpak bedrijventerreinen
Natuur-inclusieve kringloop landbouw
Circulaire economie stimuleren
Uitbreiding van bosareaal
Hernieuwbare energieopwek Stichting Energiecoöperatie Epe Liander Omgevingsdienst Veluwe IJssel
Stimuleren aanpak grootschalig Zon op Dak
Stimuleren en vergunnen zonneparken Stimuleren en vergunnen windparken
40
T R A N S I T I E V I SIE E NE R GIE E N WAR MT E
G EMEEN TE EPE
41
4. Aan de slag met de energietransitie In dit hoofdstuk ligt de nadruk op de te nemen maatregelen in de energietransitie en de beoogde resultaten daarvan. In 4.1. beschrijven we de sectoren waar de gemeente snel stappen kan zetten, op basis van de aanwezigheid van maatschappelijke partners. In 4.2. en 4.3. plaatsen we de maatregelen in de tijd, dit biedt handelingsperspectief. Daarmee maken we keuzes in welke sector en met welke maatregelen beginnen. Tot slot beschrijven we in 4.4 de rol van de gemeente bij het uitvoeren van de maatregelen.
4.1. Invloedsfeer gemeente In het vorige hoofdstuk is gebleken dat voor de sectoren Gebouwde omgeving en Mobiliteit veel particuliere eigenaren nodig zijn om de transitie in gang te zetten. Als gemeente stimuleren we deze eigenaren de komende 30 jaar. Dit vraagt om een constante betrokkenheid over een langere termijn. Vanwege de afhankelijkheid van de actiebereidheid van anderen, is het zonder ervaring lastig om resultaten te garanderen. Binnen deze sectoren houden we zicht op ‘laaghangend fruit’ en een openheid voor innovatie. Voor de sectoren Energieopwekking en Industrie is het aantal betrokkenen lager. De resultaten per project zijn hoger. Om de energietransitie niet te laten verzanden door veel inspanning en weinig resultaat, richten we ons op de korte termijn expliciet op de vermindering van de CO2uitstoot in de industrie en de opwek van hernieuwbare energie.
4.2. Fasering projecten per oplossing De verschillende maatregelen genoemd in hoofdstuk 3 kunnen bestaan uit de toepassing van meerdere technische oplossingen. Een voorbeeld: de verduurzaming van maatschappelijk vastgoed wordt gerealiseerd door het plaatsen van zonnepanelen, toepassen van isolatie en eventueel aansluiten op biogas of een collectieve warmtevoorziening. Ook zien we dat het maatschappelijk debat vaak gaat over de inzet van technische oplossingen. Zo wordt zon op dak als oplossing breeduit beter gewaardeerd dan zon op land. Daarom noemen we in deze visie niet alleen de maatregel per sector, maar zoeken we ook naar welke oplossingen op dit moment prioriteit hebben. Door een extra benadering van de oplossingen naast de sectoren, ontstaat een sterker verankerde visie waar verwachtingen, ambities en resultaten in de toekomst beter geanalyseerd kunnen worden. Om deze redenen definiëren we niet alleen de maatregelen per sector, maar geven we als gemeente ook aan welke technische oplossingen onze aandacht krijgen. De technische oplossingen om energie op te wekken en waar we nu mee werken zijn: • windenergie; • zonne-energie (dak en land); • collectieve warmtevoorziening; • zonthermiek; • droge biomassa (o.b.v. snoeiafval); • biogas (o.b.v. mestvergisting); • biobrandstof.
Hoewel blijkt dat we als gemeente voor alle sectoren maatregelen nemen, kunnen we op grote lijnen toch aangeven welke oplossingen onze aandacht meer of minder hebben. In gesprek met de stakeholders zijn al hun plannen en ambities per oplossing verzameld.
42
T R A N S I T I E V I SIE E NE R GIE E N WAR MT E
Tijdens de participatiesessies met inwoners en organisaties is er besproken welke oplossingen op dit moment haalbaar zijn en de voorkeur hebben. De verschillende maatregelen zijn getoetst op hun kansrijkheid. Er is aangegeven waar we op korte en op lange termijn resultaten verwachten. Dat geeft ons ook ‘een plaatje’ van wanneer we resultaten voor besparing van energie en de transitie naar CO2-neutraal energiegebruik verwachten. Zo ontstaat zicht op welke oplossingen op dit moment de meeste aandacht krijgen en waar de meeste resultaten worden verwacht. In de volgende tabel wordt inzichtelijk wat de verwachtingen van de fasen per middel over de tijdsperiode tot 2050 zijn. Deze tabel creëert overzicht op de vraag welke oplossingen op korte termijn de meeste aandacht verdienen. Ook laat het zien waar de resultaten het meest onzeker zijn, wat er op de lange termijn aan bod komt. De overige oplossingen kunnen constant ingezet worden.
14-18
18-22
22-26
26-30
30-34
34-38
38-42
Besparen
Constante intensieve realisatie
Wind
Latente voorbereiding
Resultaten onzeker
Zon op dak
Intensieve realisatie
Realisatie, maar minder intensief
Zon op land
Constante realisatie
Collectieve
Intensieve voorbereiding
Realisatie
Zonthermiek
Voorbereiding
Constante realisatie
Droge biomassa
Voorbereiding
Resultaten onzeker
Biogas
Intensieve voorbereiding
Realisatie
Biobrandstof
Constante realisatie
Oplevering
42-46
Realisatie
46-50
Oplevering
warmte
Vervolg resultaten onzeker
1. Focus Besparing van energie De besparing van energie is van groot belang. Voor de Gebouwde omgeving is het isoleren van woningen de belangrijkste oplossing om energie te besparen. Dit vraagstuk heeft daarom onze volle aandacht. Een andere belangrijke besparing ontstaat door de inzet van elektrische auto’s. Het belang is groot, maar onze invloed beperkt. Daarom heeft dit type besparing niet onze focus, anders dan een toekomstbestendige laadinfrastructuur te faciliteren. Het doel is om het verbruik van 3.352 TJ (2019) naar 1.751 TJ in 2050 terug te brengen. Zon op Dak Voor het behouden van maatschappelijk draagvlak is het van belang om van Zon op Dak een topprioriteit te maken. Tot 2030 zullen we alle dak-eigenaren van grote daken stimuleren een zonnestroominstallatie te realiseren. We willen vooral resultaten boeken op de industrieterreinen omdat de potentie daar het grootst is. Collectief warmtenet Een collectief warmtenet vraagt veel aandacht en tijd voordat het gerealiseerd is. Bij ontwikkeling van een systeem wordt er een deel volledig van het gas afgesloten. Het aantal woningen is geen doel op zich, het succesvol benutten van onze alternatieve warmtebronnen wel. Door tijdig te weten of de warmtenetten succesvol geëxploiteerd kunnen worden, krijgen we ook zicht op het vervolg en verloop van de transitie.
G EMEEN TE EPE
43
2. Lange termijn Diepe Geothermie Binnen de opties van een collectief warmtenet is er gesproken over diepe geothermie (zie Transitievisie Warmte). Geothermie als warmtebron verdient bij de meeste partners niet de voorkeur om hier direct mee aan de slag te gaan. 3. Lange termijn, resultaten onzeker Windenergie Windenergie vormt een belangrijk onderdeel van een uitgebalanceerde energiemix. Door de complexiteit van inpassing in de buurt van Natura2000-gebied is het zeer de vraag wat de daadwerkelijke opwek door windturbines zal worden. We sluiten de oplossing niet uit en houden de mogelijkheid voor initiatiefnemer open om door middel van mitigerende maatregelen te voldoen aan bestaande wet- en regelgeving. Droge biomassa Binnen de gemeente Epe is er veel snoeiafval. Het is wenselijk dit restproduct een circulaire bestemming te geven. De kort-cyclische koolstofopslag en het grote potentieel aantal huishoudens en voorzieningen dat hier gebruik van kan maken, nodigt uit tot verder onderzoek. Tegelijk staat het middel landelijk en provinciaal ter discussie. Biogas Er is potentie voor biogas. De realisatie van deze projecten vragen alleen veel afstemming en vrijwillige medewerking van boeren. Langs de weteringdijk is een particuliere gasleiding waarmee groengas richting het Eekterveld wordt getransporteerd mogelijk.
Zonder medewerking kunnen er geen resultaten worden geboekt, vandaar dat de resultaten onzeker zijn. 4. Constante betrokkenheid Zon op land De totale opwek van hernieuwbare elektriciteit wordt bemoeilijkt door de complexiteit bij windenergie. Daarom is extra aandacht voor zon op dak gewenst. Tegelijk is het van belang in elk geval niet achterop te raken met zon op land. Ook hebben we een verantwoordelijkheid afgegeven in de RES 1.0. Dat betekent dat een constant verloop in TJ tot aan 2050 gewenst is. We schrijven een afwegingskader om de realisatie van zon op land in de gemeente Epe te begeleiden. Zonthermiek Zonthermiek is een wat vergeten warmtebron. Bij zonthermiek wordt door zonnecollectoren de energie van de zon omgezet in warmte in plaats van in elektriciteit. Juist voor een gemeente als Epe is de inzet van zonthermiek wenselijk. Het beperkt aantal warmtebronnen vraagt inwoners alle warmte-oplossingen aan te wenden. Gemeenten als Apeldoorn en Haarlem kampen met eenzelfde beperkt aantal warmtebronnen en hopen met zonthermiek warmte af te vangen en op te slaan. Het is handig deze ontwikkelingen te volgen en ze ook in te zetten waar mogelijk. Zonthermiek kan zowel individueel als collectief worden ingezet.
44
T R A N S I T I E V I SIE E NE R GIE E N WAR MT E
Biobrandstof Biobrandstof kan worden ingezet door onze lokale aanbieders van brandstof voor voertuigen. Op dit moment gebeurt dit al. Er is nog weinig zicht op de gebruikers. De oplossing op het totale aanbod is erg klein. De waarde door bewustwording is wel degelijk noodzakelijk.
4.3. Indicatief verloop Het is onmogelijk te voorspellen hoe onze energievraag en de opwek van duurzame energie gaat verlopen. Wel kunnen we door de analyse en de gesprekken met de stakeholder aangeven via welke oplossingen we wanneer de resultaten verwachten. Door aantallen TJ per periode te formuleren, ontstaat er een beeld van de ontwikkeling van de hoeveelheid duurzame opwek binnen de gemeente.
Energieopwek en besparing 4000
ENERGIE IN TJ
3000
2000
1000
0
14-18
18-22
22-26
26-30
30-34
34-38
38-42
42-46
46-50
TIJD IN VIERJAARLIJKSE INTERVALLEN Besparen
Opwek
14-18
18-22
22-26
26-30
30-34
34-38
38-42
42-46
46-50
Wind
0
0
0
0
150
150
300
300
415
Zon op dak
0
33
110
210
253
295
338
351
365
Zon op land
0
8,3
95
141
187
257
327
397
468
Collectieve
0
0
0
0
160
120
260
300
480
0
0
7
14
21
28
35
42
45
Droge biomassa
122
144
169
194
219
244
269
294
297
Biogas
0
0
0
35
35
35
70
70
106
Biobrandstof
0
0
0
1
1
1
-2
2
3
Warmte Individuele en collectieve zonthermie
G EMEEN TE EPE
45
Met deze informatie kunnen we een antwoord geven op de uitdaging waarmee we het begin van hoofdstuk 3 openden. Daar stelden we: ‘voor het terugbrengen van de CO2-uitstoot is het nodig om én energieverbruik te verminderen én de energie die verbruikt wordt, hernieuwbaar op te wekken.’ Met de analyse tot nu toe kunnen we een beeld schetsen van het verloop het van energiebesparing en energieopwekking over een langere periode van tijd (grafiek 1). Deze koers geeft een beeld van de verwachtingen over tijd zonder daarmee tot wet te worden verheven. De implicaties van het niet slagen van grote alternatieve energiebronnen zoals windenergie en warmte-oplossingen hebben gevolgen voor de uiteindelijke energiemix. Deze gevolgen kunnen we nu niet overzien, maar zullen in de vijfjaarlijkse herijking aan bod komen.
4.4. De rol van de gemeente Rol De gemeente heeft een aanjagende en stimulerende rol in de energietransitie. Op dit moment werken we al in meerdere sectoren en met meerdere partners aan de energietransitie. Nu werken we samen aan deze visie. Deze visie geeft inwoners, bedrijven en partners een overzicht van alle activiteiten waar we als gemeente mee bezig zijn. Door overzicht over de verschillende sectoren te krijgen, zijn we in staat samen de juiste prioriteiten te stellen en afspraken te maken over de uitvoer van de verschillende maatregelen. Bezetting Op dit moment heeft de gemeente Epe een capaciteit van 2,9 FTE voor medewerkers die bezig zijn met de energietransitie. Dit aantal FTE is exclusief de inzet van uitvoerende organisaties, waar de gemeente opdrachtgever van is. Voorbeeld hiervan is de Omgevingsdienst Veluwe IJssel die de werkzaamheden behorende bij de Taskforce Zon en het handhaven van de erkende maatregelen voor haar rekening neemt. De hiervoor benodigde FTE is niet opgenomen in de huidige en toekomstige capaciteit berekening. Op basis van een uitvraag onder gemeenten heeft bureau Andersson Elffers Felix de inschatting gemaakt van de uitvoer van de maatregelen van de energietransitie voor een gemeente als Epe. Bij volledige uitvoer van de verschillende maatregelen blijkt dat het nodig is de capaciteit van 2,9 FTE uit te breiden naar 5,9 fte.
Deze som is gebaseerd op de veronderstelde inzet per maatregel. De verantwoording voor deze bezettingsgraad is te vinden in bijlage 3.
46
T R A N S I T I E V I SIE E NE R GIE E N WAR MT E
Transitievisie Warmte: aardgasvrij in 2050 Transitievisie warmte: aardgasvrij in 2050 1
Data-analyse Door middel van data-analyse wordt de opgave voor de gemeente onderzocht. Ook worden de verschillende warmte oplossingen in beeld gebracht. Uit de data-analyse blijkt welke oplossing het beste is voor welke buurt.
Resultaat 14.500 Woningen aardgasvrij in 2050 Terugdringen warmtevraag naar 795 TJ in 2050 Scores geven aan buurten Collectieve en individuele oplossingen in beeld: restwarmte, geothermie, mogelijkheden aqauthermie, all-electric
2
Werksessies stakeholders Met stakeholders als woningcorporatie, netbeheerder, energiecoöperatie en waterschap wordt onderzocht in welke volgorde, welk tempo en welke warmteoplossing de buurten in Epe over kunnen stappen naar aardgasvrij. Ook bepalen we, met hen, belangrijke uitgangspunten.
Resultaat Afwegingskader opstellen om data-analyse te beoordelen Voorstel voor buurtvolgorde S-curve: voorzichtig starten, geleerde lessen in de praktijk brengen en vervolgens opschalen Start met collectieve oplossingen gevolgd door individuele oplossingen
3
Buurtvolgorde
WIJKUITVOERINGSPLAN
Lijst met buurten waarbij op hoofdlijnen de meest geschikte warmte-oplossingen staan, met het jaar waarin de buurt start met het Wijkuitvoeringsplan (WUP).
Resultaat Lijst met startbuurten:
Voorkeursoplossing:
Cluster Kweekweg - 2022
Warmtenet
Cluster Vaassen-Eekterveld - 2022
Warmtenet
Cluster Epe-Oene - 2024
All-electric met hybride tussenstap
Cluster Vaassen-Klaarbeek - 2026
All-electric
G EMEEN TE EPE
47
2
48
T R A N S I T I E V I SIE E NE R GIE E N WAR MT E
5. De warmtetransitie in de gemeente Epe Dit hoofdstuk beschrijft de warmtetransitie in de gemeente Epe op basis van beschikbare data. In 5.1. beginnen we met het verwantwoorden van een aantal strategische keuzes ten aanzien van de warmtetransitie. In 5.2. beschrijven we de opgave waar de gemeente Epe voor staat richting 2050. Vervolgens beschrijven we in 5.3. welke hernieuwbare warmtebronnen er in de gemeente beschikbaar zijn. In 5.4. koppelen we de vraag (opgave) aan het aanbod van hernieuwbare warmtebronnen. Dit is de zogenaamde warmtematch. In 5.5. bekijken welke strategie en aanbevelingen er het beste passen bij de warmtetransitie in de gemeente Epe.
5.1. Strategische keuzes ten aanzien van de warmtetransitie In het Klimaatakkoord is afgesproken dat Nederland in 2050 ten opzichte van peiljaar 1990 CO2-neutraal én aardgasvrij is gemaakt. Hoewel het doel gegeven is, zijn er nog keuzes te maken voor gemeenten hoe deze te bereiken. Gemeenten zijn in het Klimaatakkoord aangewezen als regisseur van de warmtetransitie. In het vervullen van deze regierol zijn vooraf een aantal keuzes te maken betreft de rolopvatting, tijdspad, opgave, aantal startbuurten en gemeentebreed isoleren. In deze paragraaf beschrijven we de keuzes die de gemeente Epe en de betrokken stakeholders hebben gemaakt ten aanzien van de warmtetransitie.
Afwachtende regisseur:
Procesregisseur:
• De Afwachter stelt
• De Procesregisseur organiseert veel overleg
zichzelf uitsluitend
tussen inwoners, stakeholders en de gemeente
doelen die volgens het
• De Procesregisseur bereidt een zorgvuldige
Klimaatakkoord verplicht
afweging per wijk voor, waarin draagvlak in de
zijn
wijk voorop staat
• De Afwachter zet pas in op aardgasvrij als hiervoor
• De Procesregisseur sluit in de transitievisie aan op bestaande initiatieven in wijken
draagvlak is bij inwoners,
• De Procesregisseur richt het proces zo in dat
stakeholders en college
gemeente, stakeholders en inwoners tempo kunnen maken na 2030
Welke regierollen kan een gemeente kiezen en welke kenmerken hebben deze?
Integrale regisseur:
Sturende regisseur:
• De Integralist spreekt met
• De Stuurder kiest voor een beperkte groep
partners om ruimtelijke
stakeholders die meebeslist, om voortgang en
en sociaal-economische
tempo te bewaken
opgaven te combineren • De Integralist organiseert dat afdelingen van de gemeente samen integraal beleid opstellen
• De Stuurder probeert inwoners en stakeholders zo veel mogelijk duidelijkheid te geven over de wijkaanpak • De Stuurder geeft inwoners en stakeholders een doorkijk naar hoe de warmtetransitie er na 2030 uitziet
G EMEEN TE EPE
49
5.1.1. Rolopvatting gemeente en tijdspad De Argumentenfabriek heeft in opdracht van het Kennis- en Leerprogramma Aardgasvrije Wijken een overzicht opgesteld om gemeenten te helpen bij de rolinvulling in de warmtetransitie. De gemeente Epe heeft in het vastgestelde Plan van Aanpak bij de Transitievisie Energie en Warmte haar rol reeds bepaald. Daarbij is gekozen voor een mix uit verschillende rollen. De twee rollen die het sterkst naar voren komen zijn die van de integrale regisseur en de procesregisseur. Dit geeft een beeld van een gemeente die samen met een brede groep van stakeholders aan de slag wil om integraal te werken aan ruimtelijke- en sociaaleconomisch thema’s. Een rol die iets minder sterk naar voren komt dan de voorgaande twee, is de rol van de sturende regisseur. De aantrekkingskracht van deze rol zit vooral in het feit dat gemeente voortvarend en grondig met de energietransitie aan de slag wil en deze rol daarbij past. Deze mix van rollen sluit goed aan bij de manier waarop de gemeente de opgave (het aardgasvrij maken van de gebouwde omgeving) aan wil pakken, via het zogenaamde ‘S-curve’-tijdspad. In het ‘S-curve’-tijdspad worden er in de eerste jaren nog weinig gebouwen aardgasvrij gemaakt, maar wel ieder jaar meer dan het jaar ervoor. Dit leidt er toe dat op de helft van de tijd ook de helft van het aantal gebouwen aardgasvrij is gemaakt.
Precies op de helft worden de meeste gebouwen aangepakt. Daarna worden er ieder jaar minder woningen aardgasvrij gemaakt dan het jaar ervoor. Dit biedt de ruimte voor een voorzichtige start én ruimte om later op te schalen wanneer de geleerde lessen uit de opstartfase in praktijk kunnen worden gebracht. Voor een proces- en integrale regisseur liggen deze lessen met name op het gebied van respectievelijk het betrekken van inwoners en het succesvol combineren van opgaven. Verderop in dit hoofdstuk, in paragraaf 5.2., zal uitgebreid worden stilgestaan bij hoe de warmtetransitie (de opgave) in de gemeente Epe eruit ziet.
Aardgasvrije woningen
S-curve
Tijd
5.1.2. De opgave, startbuurten en (gemeentebreed) isoleren Naast de gemeentelijke rolbepaling en het tijdspad, zijn er nog een drietal strategische keuzes gemaakt met betrekking tot de opgave, startbuurten en isoleren. Deze keuzes zijn samen met de betrokken stakeholders gemaakt in de werksessies. Een visualisatie van de input en uitkomsten van deze werksessies zijn opgenomen in paragraaf 1.3.
Strategische vraag: Stellen we in de gemeente Epe in de opgave (en het hierboven genoemde tijdspad) CO2-besparing centraal of het aantal woningequivalenten aardgasvrij?
50
T R A N S I T I E V I SIE E NE R GIE E N WAR MT E
In de gemeente Epe kiezen we ervoor om CO2-besparing centraal te stellen. Dit doen we om goed zicht te kunnen houden op inspanning, voortgang en resultaat. Een voorbeeld: we zetten in de gemeente Epe in op het na-isoleren van gebouwen en moedigen de overstap naar een hybride warmtepomp aan. Hoewel hiervoor een flinke inspanning moet worden gepleegd, zijn deze gebouwen nog niet aardgasvrij. Ze gebruiken immers nog aardgas, zij het weliswaar een aanzienlijk mindere hoeveelheid. Met deze aanpak wordt geen voortgang geboekt ten opzichte van de opgave, als we ervoor kiezen het aantal woningequivalenten aardgasvrij centraal te stellen hierin. Wel wordt er met deze aanpak een aanzienlijke hoeveelheid CO2 bespaard. En juist het verminderen van de CO2-uitstoot is de hoofdopgave uit het Klimaatakkoord. Dat pleit ervoor om CO2-besparing centraal te stellen in de opgave. Natuurlijk blijven we de voortgang richting het volledig aardgasvrij maken van de gemeente wel monitoren in de uitvoering.
Strategische vraag: In de Transitievisie Warmte kiezen we een aantal startbuurten. Valt de keuze hier bij voorkeur op een reeks startbuurten met verschillende hernieuwbare warmteoplossingen (bijvoorbeeld een all-electric buurt en een buurt met een collectieve oplossing) of op startbuurten met allemaal dezelfde warmteoplossing?
De transitie naar een aardgasvrije warmtevoorziening is nieuw. De gemeente Epe beschouwt de warmtetransitie daarom als een leerproces, wat aansluit bij het hierboven genoemde ‘S-curve’ tijdspad. Om over de volle breedte van de warmtetransitie te leren wil de gemeente met de Wijkuitvoeringsplannen starten in buurten die qua kenmerken van elkaar verschillen. Dit verschil kan zitten in de warmte-oplossing, maar bijvoorbeeld ook in sociale of demografische kenmerken. In hoofdstuk 6 is te lezen dat voor een aantal buurtclusters is gekozen met verschillende warmteoplossingen en bijbehorende aanpak. Daarmee wordt brede ervaring opgedaan, zodat de warmtetransitie in de gemeente Epe in een later stadium efficiënt kan worden opgeschaald.
Strategische vraag: Willen we in de gemeente Epe focusgebieden aanwijzen voor het na-isoleren van gebouwen of gemeentebreed isoleren?
Parallel aan het starten van de Wijkuitvoeringsplannen, wil de gemeente Epe inwoners gemeentebreed aanmoedigen hun woning of bedrijfspand te isoleren. Deze aanpak staat los van de buurtvolgorde uit hoofdstuk 6, waarin is aangegeven wanneer welke buurt aardgasvrij wordt gemaakt. Isoleren is gezien beoogde CO2-besparing altijd een verstandige keuze (een zogenaamde ‘no-regret oplossing’). In paragraaf 5.2. is meer te lezen over wat de gemeente Epe aanbiedt aan inwoners die al van start willen met het isoleren en verder verduurzamen hun woning of bedrijfspand.
G EMEEN TE EPE
51
5.2. De opgave In het Klimaatakkoord zijn er voor de gebouwde omgeving drie belangrijke afspraken gemaakt, te weten het aardgasvrij maken van Nederland, het terugdringen van de warmtevraag en (daarmee) het beperken van de CO2-uitstoot. Deze drie afspraken maken samen de opgave. In hoofdstuk 3 is reeds ingegaan op het terugdringen van de CO2-uitstoot richting 2050. In deze paragraaf staan we daarom achtereenvolgens stil bij de resterende twee poten van de opgave, namelijk het aardgasvrij maken van de gebouwde omgeving en het terugdringen van de warmtevraag in de gemeente Epe.
5.2.1. Aardgasvrij maken gebouwde omgeving In het Klimaatakkoord is afgesproken dat de gebouwde omgeving in Nederland volledig aardgasvrij is in 2050. Dat geldt ook voor de gemeente Epe. De gemeente Epe kent circa 14.500 woningequivalenten. Deze zijn verspreid over Epe (circa 6000 woningequivalenten), Vaassen (circa 5000 woningequivalenten), Emst (circa 550 woningequivalenten), Oene (circa 320 woningequivalenten) en de buitengebieden. Om de opgave voor 2050 te halen, moeten circa 500 woningen per jaar aardgasvrij worden gemaakt. Als tussendoelstelling wordt vanuit het Klimaatakkoord het jaar 2030 gehanteerd. Dit is de eerste mijlpaal, waarin we toetsen of we goed op weg zijn richting 2050. In 2030 moet reeds 20% van de woningequivalenten aardgasvrij zijn gemaakt. Deze 20% vertaalt zich in de gemeente Epe tot circa 3500 woningequivalenten in totaal in 2030, oftewel circa 300 woningequivalenten per jaar.
Woningequivalenten per jaar
Doelstelling 2030:
Doelstelling 2050:
20% aardgasvrij
100% aardgasvrij
Ca. 300
Ca. 500
Ca. 3500
Ca. 14.500
aardgasvrij maken Totaal aantal woningequivalenten aardgasvrij
Bovenstaande getallen betekenen dat naarmate 2050 dichterbij komt, er meer tempo gemaakt zal moeten worden om de doelstelling te behalen. Dit is conform het ‘S-curve’ tijdspad uit paragraaf 5.1.1. waarin in de periode tot 2030 zal worden geleerd van de eerste buurten die van het aardgas afgaan. In de periode hierna zal aan de hand van de geleerde lessen worden opgeschaald.
5.2.3. Terugdringen van de warmtevraag Het tweede deel van de opgave betreft het terugdringen van de warmtevraag. In deze visie richten we ons op het aardgasvrij maken van de gebouwde omgeving. Het gaat daarbij om de overgang op een alternatieve warmtevoorziening, maar om dat te doen is het altijd goed en effectief om te starten met het beperken van de warmtevraag. Daarmee wordt op de korte termijn CO2 bespaard én er hoeven minder hernieuwbare warmtebronnen te worden gezocht op de langere termijn. In de onderstaande grafiek is de verwachtte warmtevraag in Epe weergegeven. Daarin is te zien dat de warmtevraag richting 2050 gestaag zal afnemen, tot circa 795 TJ in 2050. Deze afname wordt verwacht doordat maatregelen uit het Klimaatakkoord worden doorgevoerd, zoals het na-isoleren van woningen en het overschakelen op zuinigere apparatuur. In het Klimaatakkoord is namelijk afgesproken dat in 2030 de warmtevraag 25% lager moet zijn ten opzichte van het peiljaar 2010.
52
T R A N S I T I E V I SIE E NE R GIE E N WAR MT E
Historische en toekomstige warmtevraag (TJ/jaar) 1700
1500
1300
1100
900
700
500
300 2010
2015
2020
2025
2030
2035
2040
2045
2050
Bron: Klimaatmonitor 2018
5.3. Welke hernieuwbare warmtebronnen zijn in de gemeente Epe beschikbaar? Als we de gemeente Epe aardgasvrij willen maken, dan zal er overgeschakeld moeten worden op alternatieve, hernieuwbare warmtebronnen. In deze paragraaf lichten we toe welke hernieuwbare warmtebronnen er in de gemeente voorhanden zijn om de gebouwen duurzaam te verwarmen. In Bijlage 5 is een algemene beschrijving opgenomen van de verschillende hernieuwbare warmtetechnieken. Bij het zoeken naar hernieuwbare warmtebronnen maken we onderscheid tussen twee categorieën. Het onderscheid tussen deze categorieën schuilt in de manier van aansluiten (de oplossing), namelijk individueel of collectief.
5.3.1. Collectieve oplossingen Met een zogenaamde collectieve oplossing kunnen meerdere gebouwen tegelijk verwarmd worden met dezelfde warmtebron, met behulp van een warmtenet. Hoeveel gebouwen dit betreft is onder andere afhankelijk van de potentie van de bron en de bebouwingsdichtheid in het levergebied. Een grootschalig warmtenet (op buurt- of wijkniveau) wordt echter pas kansrijk bij een warmtevraag die hoger ligt dan 1000 GJ per hectare. Dit betreft hoofdzakelijk wijken- en buurten met een hoge bebouwingsdichtheid of locaties waar bedrijven zijn gevestigd met een hoge warmtevraag. In de gemeente Epe ligt de warmtevraag enkel in (delen van) Epe en Vaassen hoog genoeg om een collectieve oplossing te overwegen. Voordat er echter nagedacht kan worden over een collectieve oplossing met warmtenet, moeten we eerst onderzoeken of de gemeente Epe geschikte collectieve warmtebronnen voorhanden heeft en zo ja, waar deze zich bevinden.
G EMEEN TE EPE
53
In de gemeente Epe onderscheiden we de volgende voorhanden zijnde collectieve warmtebronnen: • Restwarmte uit industriële processen en bedrijvigheid; • Thermische energie uit afvalwater (TEA); • Thermische energie uit oppervlaktewater (TEO); • Geothermie; • Biomassa.
Kaart Warmtevraagdichtheid
Bron: Warmteatlas Gelderland
Restwarmte en thermische energie uit afvalwater Bij industriële processen en bedrijvigheid ontstaat er soms warmte dat een bedrijf zelf niet meer nuttig kan gebruiken. Deze restwarmte kan een warmtenet van warmte voorzien en vervolgens worden gebruikt om gebouwen te verwarmen. De vuistregel hierbij is dat de bron op maximaal 1 kilometer mag liggen van de afnemende partijen. De gemeente Epe kent met name rond bedrijventerreinen Kweekweg en Eekterveld een cluster van inzetbare restwarmte. Dit betreft restwarmte uit bedrijven op het bedrijventerrein, maar ook de rioolwaterzuiveringsinstallatie (RWZI) Epe hoort bij dit cluster. Uit het afvalwater van de RWZI kan immers warmte worden gewonnen. Dit warmtecluster is in totaal goed voor circa 42 TJ hernieuwbare warmte op jaarbasis. Dit is voldoende warmte om ongeveer 1000 woningequivalenten te verwarmen. Er is echter aanvullend onderzoek benodigd om de potentie en kansrijkheid van dit cluster verder inzichtelijk te maken. In Bijlage 6 is een lijst opgenomen van beschikbare restwarmtebronnen in de gemeente Epe. 54
T R A N S I T I E V I SIE E NE R GIE E N WAR MT E
Thermische energie uit oppervlaktewater Thermische energie uit oppervlaktewater (TEO) kan worden gewonnen uit de verschillende oppervlaktewateren in de gemeente Epe. TEO is eventueel ook mogelijk bij kleinere kernen, met een lagere bebouwingsdichtheid en warmtevraag dan 1000 GJ per hectare. Ook hier dient echter rekening te houden geworden met nabijheid van de afnemers tot de bron. De vuistregel hierbij is dat de bron op maximaal 1 kilometer mag liggen van de afnemers. De grootste potentiële bronnen in de gemeente Epe zijn: 1. De IJssel ter hoogte van Oene (32.359 TJ/jaar). Echter, de afstand naar de dichtstbijzijnde kern is te groot. 2. Apeldoorns Kanaal bij Vaassen. Uit onderzoek van RHDHV blijkt echter dat hier geen sluitende businesscase te maken is. Daarmee valt het Apeldoorns kanaal bij Vaassen voorlopig af als potentiële warmtebron. 3. Kievitsveld en andere plassen nabij Eekterveld (60 TJ/jaar). 4. Grift bij Eekterveld (exacte potentie vooralsnog onbekend). 5. Vijvers bij Kasteel Cannenburch (19 TJ/jaar).
Kaart Thermische energie uit oppervlaktewater
Bron: Warmteatlas Gelderland
G EMEEN TE EPE
55
Kortom, uit de analyse blijkt dat de IJssel te ver van de bebouwde kom ligt om een rol te kunnen vervullen als warmtebron. Rond Vaassen zijn er wel diverse vijvers en plassen (Kievitsveld), als ook de Grift die warmte zouden kunnen leveren. Geothermie In diepe aardlagen (dieper dan 500 meter) wordt de aarde niet langer verwarmd door de zon, maar door de kern van de aarde. Geothermie is een techniek om warmte afkomstig uit aarde te winnen. Deze gewonnen warmte kan via een warmtenet worden ingezet voor de verwarming en koeling van gebouwen. Warmte met geothermie als bron heeft een hogere temperatuur en een grote potentie, maar de winning brengt ook hoge kosten met zich mee. Deze techniek is hierdoor alleen geschikt voor gebieden met een relatief hoge warmtevraag per hectare.
Kaart Geothermie
Bron: Warmteatlas Gelderland
In de gemeente Epe en omstreken is vooralsnog alleen verkennend onderzoek uitgevoerd naar de potentie van geothermie door het programma Seismische Campagne Aardwarmte Nederland (SCAN). Dit maakt dat de inzet van geothermie in de warmtetransitie nog onzeker is. Voorlopig lijkt het meest kansrijke gebied voor diepe geothermie de Rotliegend formatie (de oranje laag op de kaart). Om de potentie en kansrijkheid van geothermie verder te onderzoeken is regionaal en lokaal specialistisch onderzoek benodigd.
56
T R A N S I T I E V I SIE E NE R GIE E N WAR MT E
5.3.2. Individuele oplossingen Met individuele oplossingen kan één of enkele gebouwen tegelijk van hernieuwbare warmte worden voorzien. Deze gaan dan ook niet gepaard met een warmtenet. Individuele oplossingen zijn bij uitstek geschikt voor verspreide bouw met een lage warmtevraag, bijvoorbeeld in het buitengebied of nieuwbouwwoningen die al goed geïsoleerd zijn. De individuele oplossingen zijn: • Omgevingswarmte; • Groengas; • Waterstof. Omgevingswarmte Met omgevingswarmte wordt warmte gewonnen uit de lucht en (ondiepe) ondergrond bedoeld. Dit is bijna overal mogelijk en de potentie is vrijwel onbeperkt. Hieronder vallen luchtwarmtepompen, kleinschalige WKO-systemen en enkele innovatieve technieken zoals thermische (PVT) zonnepanelen. Het nadeel van deze oplossingen is dat ze relatief kostbaar zijn, omdat deze oplossingen elektriciteit gebruiken om warmte op te wekken. Daarvoor zal in sommige gevallen het lokale elektriciteitsnet moeten worden verzwaard. Varianten op deze oplossing staan ook wel bekend als ‘all-electric’ oplossingen. De gemeente Epe valt op door haar hoge potentie voor WKO-systemen, met name in het westelijke deel van de gemeente. Wel zijn er in Epe-Noord enkele restricties ten aanzien van het gebruik van bodemenergiesystemen wegens het drinkwaterbeschermingsgebied aldaar.