Weerseloseweg 352_Bijlage bij toelichting
Tekst van het document
µg/l
-<2,0
S Nikkel (Ni)
µg/l
-150
S Zink (Zn) Aromaten (AS3000)
µg/l
-590
S Benzeen
µg/l
-<0,20
S Tolueen
µg/l
-<0,20
S Ethylbenzeen
µg/l
-<0,20
S m,p-Xyleen
µg/l
-<0,20
S ortho-Xyleen
µg/l
-<0,10
S Som Xylenen (Factor 0,7)
µg/l
0,21 --
S Naftaleen
µg/l
-<0,020
S Styreen
µg/l
-<0,20
#)
Chloorhoudende koolwaterstoffen (AS3000)
S Dichloormethaan
µg/l
-<0,20
S Trichloormethaan (Chloroform)
µg/l
-<0,20
S Tetrachloormethaan (Tetra)
µg/l
-<0,10
S 1,1-Dichloorethaan
µg/l
-<0,20
S 1,2-Dichloorethaan
µg/l
-<0,20
S 1,1,1-Trichloorethaan
µg/l
-<0,10
S 1,1,2-Trichloorethaan
µg/l
-<0,10
S Vinylchloride
µg/l
-<0,20
S 1,1-Dichlooretheen
µg/l
-<0,10
S Cis-1,2-Dichlooretheen
µg/l
-<0,10
S trans-1,2-Dichlooretheen
µg/l
-<0,10
µg/l
0,14 --
#)
µg/l
0,21 --
#)
S Trichlooretheen (Tri)
µg/l
-<0,20
S Tetrachlooretheen (Per)
µg/l
-<0,10
S S
Som cis/trans-1,2-Dichlooretheen (Factor 0,7) Som Dichlooretheen (Factor 0,7)
Blad 2 van 4 Kamer van Koophandel Nr. 08110898 VAT/BTW-ID-Nr.: NL 811132559 B01
Directeur ppa. Marc van Gelder Dr. Paul Wimmer
AL-West B.V. Dortmundstraat 16B, 7418 BH Deventer, the Netherlands Tel. +31(0)570 788110 e-Mail: info@al-west.nl, www.al-west.nl
Opdracht 1282752 Water
Eenheid
218459 Pb1wm1
Parameters uitgevoerd door AL-West BV zijn geaccrediteerd volgens EN ISO/IEC 17025:2017. Alleen niet-geaccrediteerde en/of uitbestede parameters zijn gemarkeerd met het symbool " *) ".
DOC-13-20960293-NL-P3
Chloorhoudende koolwaterstoffen (AS3000)
S 1,1-Dichloorpropaan
µg/l
-<0,20
S 1,2-Dichloorpropaan
µg/l
-<0,20
S 1,3-Dichloorpropaan
µg/l
-<0,20
S Som Dichloorpropanen (Factor 0,7) µg/l Broomhoudende koolwaterstoffen
0,42 --
S Tribroommethaan (bromoform) Minerale olie (AS3000)
µg/l
-<0,20
S Koolwaterstoffractie C10-C40
µg/l
-<50
Koolwaterstoffractie C10-C12
µg/l
-<10
*)
Koolwaterstoffractie C12-C16
µg/l
-<10
*)
Koolwaterstoffractie C16-C20
µg/l
-<5,0
*)
Koolwaterstoffractie C20-C24
µg/l
-<5,0
*)
Koolwaterstoffractie C24-C28
µg/l
-<5,0
*)
Koolwaterstoffractie C28-C32
µg/l
-<5,0
*)
Koolwaterstoffractie C32-C36
µg/l
-<5,0
*)
Koolwaterstoffractie C36-C40
µg/l
-<5,0
*)
#)
#) Bij deze som zijn resultaten "<rapportagegrens" vermenigvuldigd met 0,7. S) Erkend volgens AS SIKB 3000
Verklaring:"<" of n.a. betekent dat het gehalte van de component lager is dan de rapportagegrens. de parameterspecifieke analytische meetonzekerheden en informatie over de berekeningsmethode zijn op verzoek verkrijgbaar, indien de gerapporteerde resultaten boven de parameterspecifieke rapportagegrens liggen. De minimale prestatiecriteria van de toegepaste methoden met betrekking tot de meetonzekerheid zijn in het algemeen gebaseerd op Richtlijn 2009/90/EG van de Europese Commissie.
Begin van de analyses: 09.06.2023 Einde van de analyses: 13.06.2023 De resultaten hebben uitsluitend betrekking op de geanalyseerde monsters. Alle gegevens met betrekking tot de bemonstering (monsterbeschrijving, bemonstering en bemonsteringspunt...) zijn verstrekt door de opdrachtgever of monsternemer. .
AL-West B.V. Dhr. Arjen van Geffen, Tel. +31/570788119 Klantenservice
Blad 3 van 4 Kamer van Koophandel Nr. 08110898 VAT/BTW-ID-Nr.: NL 811132559 B01
Directeur ppa. Marc van Gelder Dr. Paul Wimmer
AL-West B.V. Dortmundstraat 16B, 7418 BH Deventer, the Netherlands Tel. +31(0)570 788110 e-Mail: info@al-west.nl, www.al-west.nl
Opdracht 1282752 Water
Toegepaste methoden eigen methode
*) :
Koolwaterstoffractie C12-C16 Koolwaterstoffractie C24-C28 Koolwaterstoffractie C36-C40
Koolwaterstoffractie C16-C20 Koolwaterstoffractie C28-C32
Barium (Ba) Cadmium (Cd) Kobalt (Co) Koper (Cu) Kwik (Hg) Lood (Pb) Molybdeen (Mo) Nikkel (Ni) Zink (Zn) Dichloormethaan Tribroommethaan (bromoform) Benzeen Trichloormethaan (Chloroform) Tetrachloormethaan (Tetra) Tolueen Ethylbenzeen 1,1-Dichloorethaan m,p-Xyleen ortho-Xyleen 1,2-Dichloorethaan Som Xylenen (Factor 0,7) Naftaleen Styreen 1,1,1-Trichloorethaan 1,1,2-Trichloorethaan Vinylchloride 1,1-Dichlooretheen Cis-1,2-Dichlooretheen trans-1,2-Dichlooretheen Som cis/trans-1,2-Dichlooretheen (Factor 0,7) Som Dichlooretheen (Factor 0,7) Trichlooretheen (Tri) Tetrachlooretheen (Per) 1,1-Dichloorpropaan 1,2-Dichloorpropaan 1,3-Dichloorpropaan Som Dichloorpropanen (Factor 0,7) Koolwaterstoffractie C10-C40
Parameters uitgevoerd door AL-West BV zijn geaccrediteerd volgens EN ISO/IEC 17025:2017. Alleen niet-geaccrediteerde en/of uitbestede parameters zijn gemarkeerd met het symbool " *) ".
DOC-13-20960293-NL-P4
Protocollen AS 3100 :
Koolwaterstoffractie C10-C12 Koolwaterstoffractie C20-C24 Koolwaterstoffractie C32-C36
Blad 4 van 4 Kamer van Koophandel Nr. 08110898 VAT/BTW-ID-Nr.: NL 811132559 B01
Directeur ppa. Marc van Gelder Dr. Paul Wimmer
AL-West B.V. Dortmundstraat 16B, 7418 BH Deventer, the Netherlands Tel. +31(0)570 788110 e-Mail: info@al-west.nl, www.al-west.nl [@ANALYNR_START=218459]
DOC-13-20960344-NL-P1
CHROMATOGRAM for Order No. 1282752, Analysis No. 218459, created at 13.06.2023 13:40:48 Monster beschrijving: Pb1wm1
Blad 1 van 1 Kamer van Koophandel Nr. 08110898 VAT/BTW-ID-Nr.: NL 811132559 B01
Directeur ppa. Marc van Gelder Dr. Paul Wimmer
AL-West B.V. Dortmundstraat 16B, 7418 BH Deventer, the Netherlands Tel. +31(0)570 788110 e-Mail: info@al-west.nl, www.al-west.nl
Dumea AM Bornsestraat 24 7597 NE SAASVELD
Parameters uitgevoerd door AL-West BV zijn geaccrediteerd volgens EN ISO/IEC 17025:2017. Alleen niet-geaccrediteerde en/of uitbestede parameters zijn gemarkeerd met het symbool " *) ".
DOC-13-21011311-NL-P1
Datum Relatienr Opdrachtnr.
21.06.2023 35008640 1285539
ANALYSERAPPORT Opdracht 1285539 Water Opdrachtgever Uw referentie
35008640 Dumea AM 2023-132 BJZ landgoed t slottelmos Enschede 2023-132
Opdrachtacceptatie
16.06.23
Geachte heer, mevrouw, Hierbij zenden wij u de resultaten van het door u aangevraagde laboratoriumonderzoek. De analyses zijn, tenzij anders vermeld, uitgevoerd overeenkomstig onze erkenning voor de werkzaamheid "Analyse voor milieuhygiënisch bodemonderzoek" van het Besluit Bodemkwaliteit. Dit rapport mag alleen in zijn geheel worden gereproduceerd. Eventuele bijlagen zijn onderdeel van het rapport. Let op: alleen de algemene voorwaarden van AL-West gedeponeerd bij de KvK te Deventer, zijn van toepassing. Indien u nog vragen heeft of aanvullende informatie wenst, verzoeken wij u om contact op te nemen met Klantenservice. Wij vertrouwen erop u met de toegezonden informatie van dienst te zijn. Met vriendelijke groet,
AL-West B.V. Dhr. Arjen van Geffen, Tel. +31/570788119 Klantenservice
Blad 1 van 2 Kamer van Koophandel Nr. 08110898 VAT/BTW-ID-Nr.: NL 811132559 B01
Directeur ppa. Marc van Gelder Dr. Paul Wimmer
AL-West B.V. Dortmundstraat 16B, 7418 BH Deventer, the Netherlands Tel. +31(0)570 788110 e-Mail: info@al-west.nl, www.al-west.nl
Opdracht 1285539 Water Monsternr. Monster beschrijving
Monstername
234491
16.06.2023
Pb1wm2
Eenheid
Monsternamepunt
234491
Parameters uitgevoerd door AL-West BV zijn geaccrediteerd volgens EN ISO/IEC 17025:2017. Alleen niet-geaccrediteerde en/of uitbestede parameters zijn gemarkeerd met het symbool " *) ".
DOC-13-21011311-NL-P2
Pb1wm2
Metalen (AS3000) S Kobalt (Co)
µg/l
-75
S Nikkel (Ni)
µg/l
-140
S Zink (Zn)
µg/l
-460
S) Erkend volgens AS SIKB 3000
de parameterspecifieke analytische meetonzekerheden en informatie over de berekeningsmethode zijn op verzoek verkrijgbaar, indien de gerapporteerde resultaten boven de parameterspecifieke rapportagegrens liggen. De minimale prestatiecriteria van de toegepaste methoden met betrekking tot de meetonzekerheid zijn in het algemeen gebaseerd op Richtlijn 2009/90/EG van de Europese Commissie.
Begin van de analyses: 16.06.2023 Einde van de analyses: 21.06.2023 De resultaten hebben uitsluitend betrekking op de geanalyseerde monsters. Alle gegevens met betrekking tot de bemonstering (monsterbeschrijving, bemonstering en bemonsteringspunt...) zijn verstrekt door de opdrachtgever of monsternemer. .
AL-West B.V. Dhr. Arjen van Geffen, Tel. +31/570788119 Klantenservice Toegepaste methoden Protocollen AS 3100 :
Kobalt (Co) Nikkel (Ni) Zink (Zn)
Blad 2 van 2 Kamer van Koophandel Nr. 08110898 VAT/BTW-ID-Nr.: NL 811132559 B01
Directeur ppa. Marc van Gelder Dr. Paul Wimmer
Tabel 1: Gemeten gehalten in grond met beoordeling conform de Wet Bodembescherming Grondmonster Certificaatcode Boring(en) Traject (m -mv) Humus Lutum Datum van toetsing Monsterconclusie Monstermelding 1 Monstermelding 2 Monstermelding 3
% ds % ds
BM1 1279884 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8 0,00 - 0,50 3,00 1,00 14-6-2023 Voldoet aan Achtergrondwaarde
OM1 1279884 1, 1, 1, 2, 2, 2 0,50 - 2,00 1,90 1,20 14-6-2023 Voldoet aan Achtergrondwaarde
Meetw
Meetw
GSSD
GECHLOREERDE KOOLWATERSTOFFEN PCB (som 7) PCB 28 PCB 52 PCB 101 PCB 118 PCB 138 PCB 153 PCB 180
mg/kg ds mg/kg ds mg/kg ds mg/kg ds mg/kg ds mg/kg ds mg/kg ds mg/kg ds
0,0049 <0,001 <0,001 <0,001 <0,001 <0,001 <0,001 <0,001
<0,0163 <0,002 <0,002 <0,002 <0,002 <0,002 <0,002 <0,002
METALEN Kobalt Nikkel Koper Zink Molybdeen Cadmium Barium Kwik Lood
mg/kg ds mg/kg ds mg/kg ds mg/kg ds mg/kg ds mg/kg ds mg/kg ds mg/kg ds mg/kg ds
<3 <4 8,7 24 <1,5 <0,2 42 <0,05 24
<7 <8 17,4 56 <1,1 <0,2 163 (6) <0,05 37
OVERIG Droge stof Lutum Organische stof (humus)
% % % ds
88 <1 3
88 (6)
OVERIGE (ORGANISCHE) VERBINDINGEN Minerale olie C10 - C12 Minerale olie C10 - C40 Minerale olie C12 - C16 Minerale olie C16 - C20 Minerale olie C20 - C24 Minerale olie C24 - C28 Minerale olie C28 - C32 Minerale olie C32 - C36 Minerale olie C36 - C40
mg/kg ds mg/kg ds mg/kg ds mg/kg ds mg/kg ds mg/kg ds mg/kg ds mg/kg ds mg/kg ds
<3 <35 <3 <4 <5 <5 <5 <5 <5
7 (6) <82 7 (6) 9 (6) 12 (6) 12 (6) 12 (6) 12 (6) 12 (6)
PAK Naftaleen Anthraceen Fenanthreen Fluorantheen Chryseen Benzo(a)anthraceen Benzo(a)pyreen Benzo(k)fluorantheen Indeno-(1,2,3-c,d)pyreen Benzo(g,h,i)peryleen PAK 10 VROM
mg/kg ds mg/kg ds mg/kg ds mg/kg ds mg/kg ds mg/kg ds mg/kg ds mg/kg ds mg/kg ds mg/kg ds mg/kg ds
<0,05 <0,05 0,065 <0,05 <0,05 <0,05 <0,05 <0,05 <0,05 <0,05 0,38
<0,04 <0,04 0,065 <0,04 <0,04 <0,04 <0,04 <0,04 <0,04 <0,04 0,38
Projectcode: 2023-132
Index
-0
-0,04 -0,41 -0,15 -0,15 -0 -0,03 -0 -0,03
-0,02
-0,03
GSSD
0,0049 <0,001 <0,001 <0,001 <0,001 <0,001 <0,001 <0,001
<0,0245 <0,004 <0,004 <0,004 <0,004 <0,004 <0,004 <0,004
<3 <4 <5 <20 <1,5 <0,2 <20 <0,05 <10
<7 <8 <7 <33 <1,1 <0,2 <54 (6) <0,05 <11
86 1,2 1,9
86 (6)
<3 <35 <3 <4 <5 <5 <5 <5 <5
<0,05 <0,05 <0,05 <0,05 <0,05 <0,05 <0,05 <0,05 <0,05 <0,05 0,35
11 (6) <123 11 (6) 14 (6) 18 (6) 18 (6) 18 (6) 18 (6) 18 (6)
<0,04 <0,04 <0,04 <0,04 <0,04 <0,04 <0,04 <0,04 <0,04 <0,04 <0,35
Index
0
-0,04 -0,41 -0,22 -0,18 -0 -0,03 -0 -0,08
-0,01
-0,03
---------< 8,88 <=T 8,88 8,88 6 # GSSD Index
: Geen toetsnorm aanwezig : kleiner dan de detectielimiet : <= Achtergrondwaarde : Kleiner of gelijk aan Tussenwaarde : <= Interventiewaarde : > Interventiewaarde : Heeft geen normwaarde : verhoogde rapportagegrens : Gestandaardiseerde meetwaarde : (GSSD - AW) / (I - AW) - Getoetst via de BoToVa service, versie 3.1.0 -
Tabel 2: Normwaarden conform de Wet Bodembescherming AW
WO
IND
I
GECHLOREERDE KOOLWATERSTOFFEN PCB (som 7)
mg/kg ds
0,02
0,04
0,5
1
METALEN Kobalt Nikkel Koper Zink Molybdeen Cadmium Kwik Lood
mg/kg ds mg/kg ds mg/kg ds mg/kg ds mg/kg ds mg/kg ds mg/kg ds mg/kg ds
15 35 40 140 1,5 0,6 0,15 50
35 39 54 200 88 1,2 0,83 210
190 100 190 720 190 4,3 4,8 530
190 100 190 720 190 13 36 530
OVERIGE (ORGANISCHE) VERBINDINGEN Minerale olie C10 - C40
mg/kg ds
190
190
500
5000
PAK PAK 10 VROM
mg/kg ds
40
40
Projectcode: 2023-132
1,5
6,8
Tabel 3: Gemeten concentraties in grondwater met beoordeling conform de Wet Bodembescherming Watermonster Datum Filterdiepte (m -mv) Datum van toetsing Monsterconclusie Monstermelding 1 Monstermelding 2 Monstermelding 3
Pb1wm1 9-6-2023 14-6-2023 Overschrijding Interventiewaarde
Meetw AROMATISCHE VERBINDINGEN Benzeen Ethylbenzeen Tolueen Xylenen (som) meta-/para-Xyleen (som) ortho-Xyleen Styreen (Vinylbenzeen) Som 16 Aromatische oplosmiddelen GECHLOREERDE KOOLWATERSTOFFEN 1,3-Dichloorpropaan 1,1-Dichloorpropaan Dichloorpropaan cis + trans-1,2Dichlooretheen 1,1-Dichlooretheen cis-1,2-Dichlooretheen trans-1,2-Dichlooretheen Dichloormethaan Trichloormethaan (Chloroform) Tribroommethaan (bromoform) Tetrachloormethaan (Tetra) 1,1-Dichloorethaan 1,2-Dichloorethaan 1,2-Dichloorpropaan 1,1,1-Trichloorethaan 1,1,2-Trichloorethaan Trichlooretheen (Tri) Tetrachlooretheen (Per) Vinylchloride METALEN Kobalt Nikkel Koper Zink Molybdeen Cadmium Barium Kwik Lood OVERIG som dichloorpropaanisomeren OVERIGE (ORGANISCHE) VERBINDINGEN
Projectcode: 2023-132
GSSD
Index
µg/l µg/l µg/l µg/l
<0,2 <0,2 <0,2
<0,1 -0 <0,1 -0,03 <0,1 -0,01 <0,21 0 0,21 <0,1 <0,1 <0,1 -0,02 <0,77 (2,14)
µg/l µg/l µg/l µg/l
<0,2 <0,1 <0,2
µg/l µg/l µg/l µg/l
<0,2 <0,2
µg/l µg/l µg/l µg/l µg/l
<0,1 <0,1 <0,1 <0,2 <0,2
<0,1 <0,1 <0,42 <0,14 0,21 <0,1 <0,1 <0,1 <0,1 <0,1
µg/l
<0,2
<0,1 (14)
µg/l
<0,1
<0,1
0,01
µg/l µg/l µg/l µg/l µg/l µg/l µg/l µg/l
<0,2 <0,2 <0,2 <0,1 <0,1 <0,2 <0,1 <0,2
<0,1 <0,1 <0,1 <0,1 <0,1 <0,1 <0,1 <0,1
-0,01 -0,02
µg/l µg/l µg/l µg/l µg/l µg/l µg/l µg/l µg/l
74 150 <2 590 <2 0,82 130 <0,05 <2
74 150 <1 590 <1 0,82 130 <0,04 <1
0,68 2,25 -0,23 0,71 -0,01 0,08 0,14 -0,06 -0,23
µg/l
0,42
-0 0,01 0,01
0 -0,01
0 0 -0,05 0 0,03
Watermonster Datum Filterdiepte (m -mv) Datum van toetsing Monsterconclusie Minerale olie C10 - C12 Minerale olie C10 - C40 Minerale olie C12 - C16 Minerale olie C16 - C20 Minerale olie C20 - C24 Minerale olie C24 - C28 Minerale olie C28 - C32 Minerale olie C32 - C36 Minerale olie C36 - C40
µg/l µg/l µg/l µg/l µg/l µg/l µg/l µg/l µg/l
PAK Naftaleen PAK 10 VROM
µg/l -
---------< 8,88 8,88 8,88 >T 11 14 2 6 # GSSD Index
Pb1wm1 9-6-2023 14-6-2023 Overschrijding Interventiewaarde <10 7 (6) <50 <35 -0,03 <10 7 (6) <5 4 (6) <5 4 (6) <5 4 (6) <5 4 (6) <5 4 (6) <5 4 (6)
<0,02
<0,01 0 <0,00020 (11)
: Geen toetsnorm aanwezig : kleiner dan de detectielimiet : <= Streefwaarde : > Streefwaarde : > Interventiewaarde : Groter dan Tussenwaarde : Enkele parameters ontbreken in de berekening van de somfractie : Streefwaarde ontbreekt zorgplicht van toepassing : Enkele parameters ontbreken in de som : Heeft geen normwaarde : verhoogde rapportagegrens : Gestandaardiseerde meetwaarde : (GSSD - S) / (I - S) - Getoetst via de BoToVa service, versie 3.1.0 -
Tabel 4: Normwaarden conform de Wet Bodembescherming S AROMATISCHE VERBINDINGEN Benzeen Ethylbenzeen Tolueen Xylenen (som) Styreen (Vinylbenzeen) Som 16 Aromatische oplosmiddelen
µg/l µg/l µg/l µg/l µg/l µg/l
0,2 4 7 0,2 6
GECHLOREERDE KOOLWATERSTOFFEN Dichloorpropaan cis + trans-1,2-Dichlooretheen 1,1-Dichlooretheen Dichloormethaan Trichloormethaan (Chloroform) Tribroommethaan (bromoform) Tetrachloormethaan (Tetra) 1,1-Dichloorethaan 1,2-Dichloorethaan 1,1,1-Trichloorethaan 1,1,2-Trichloorethaan Trichlooretheen (Tri) Tetrachlooretheen (Per) Vinylchloride
µg/l µg/l µg/l µg/l µg/l µg/l µg/l µg/l µg/l µg/l µg/l µg/l µg/l µg/l
0,8 0,01 0,01 0,01 6
METALEN
Projectcode: 2023-132
S Diep
Indicatief
I
30 150 1000 70 300 150
0,01 7 7 0,01 0,01 24 0,01 0,01
80 20 10 1000 400 630 10 900 400 300 130 500 40 5
Kobalt Nikkel Koper Zink Molybdeen Cadmium Barium Kwik Lood
µg/l µg/l µg/l µg/l µg/l µg/l µg/l µg/l µg/l
S 20 15 15 65 5 0,4 50 0,05 15
OVERIGE (ORGANISCHE) VERBINDINGEN Minerale olie C10 - C40
µg/l
50
600
PAK Naftaleen
µg/l
0,01
70
Projectcode: 2023-132
S Diep 0,7 2,1 1,3 24 3,6 0,06 200 0,01 1,7
Indicatief
I 100 75 75 800 300 6 625 0,3 75
BIJLAGE VI Foto’s
Bijlage 3 Quickscan flora en fauna
68
bestemmingsplan Weerseloseweg 352 (vastgesteld)
Quickscan natuurwaardenonderzoek Landgoed ’t Slöttelmös Enschede
Effectbeoordeling in het kader van de Wet natuurbescherming, Natuurnetwerk Nederland en Natura 2000
Colofon Quickscan natuurwaardenonderzoek Landgoed ’t Slöttelmös Enschede
Effectbeoordeling in het kader van de Wet natuurbescherming, Natuurnetwerk Nederland en Natura 2000.
Uitgevoerd door: Natuurbank Overijssel Correspondentieadres: Aladnaweg 18 7122 RR Aalten BTW-ID: NL001388212B56 E: info@natuurbankoverijssel.nl Tel: 0543-451142 / 0614-435700
Opdrachtgever:
BJZ.NU
Abonnementhouder van de Nationale Databank Flora en Fauna
Projectnummer en versie: 5315 versie 1.2 Ligging plangebied: Weerselosestraat 352 Enschede Auteur: Ing. P.Leemreise
Status: definitief Rapportdatum: 28-6-2023 Veldwerk uitgevoerd door: J. Tamminga
De vermelde medewerkers in deze rapportage zijn akkoord met openbaring van zijn of haar persoonsgegevens in het kader van de AVG-privacy wetgeving. 1
Inhoudsopgave Samenvatting ..................................................................................................................................................... 3 Hoofdstuk 1
Inleiding .................................................................................................................................... 5
Hoofdstuk 2
Het plangebied ......................................................................................................................... 6
2.1 Situering ................................................................................................................................................... 6 2.2 Beschrijving van het plangebied............................................................................................................... 6 Hoofdstuk 3
Voorgenomen activiteiten........................................................................................................ 7
3.1 Algemeen ................................................................................................................................................. 7 3.2 Mogelijk effect van de voorgenomen activiteiten op beschermde soorten en/of –gebieden ................ 8 3.3 Vaststellen van de invloedsfeer ............................................................................................................... 8 3.4 Vaststellen van het onderzoeksgebied .................................................................................................... 8 Hoofdstuk 4
Toetsingskaders ........................................................................................................................ 9
4.1 Algemeen ................................................................................................................................................. 9 4.2 Wet natuurbescherming; Natura 2000 .................................................................................................... 9 4.3 Wet natuurbescherming; Soortenbescherming ....................................................................................... 9 4.4
Beleid ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland ................................................................... 10
4.5 Wet natuurbescherming; Houtopstanden ............................................................................................. 10 Hoofdstuk 5
Gebiedsbescherming .............................................................................................................. 11
5.1 Algemeen ............................................................................................................................................... 11 5.2 Natuurnetwerk Nederland ..................................................................................................................... 11 5.3 Natura 2000............................................................................................................................................ 13 5.4 Houtopstanden ...................................................................................................................................... 15 5.5 Slotconclusie........................................................................................................................................... 15 Hoofdstuk 6
Soortenbescherming .............................................................................................................. 16
6.1 Methode ................................................................................................................................................. 16 6.1.1 Algemeen ........................................................................................................................................ 16 6.1.2 Bronnenonderzoek .......................................................................................................................... 16 6.1.3 Veldonderzoek ................................................................................................................................ 16 6.1.4 Methode per soortgroep ................................................................................................................. 17 6.2 Resultaten .............................................................................................................................................. 18 6.3 Wettelijke consequenties van de beoogde ingreep............................................................................... 21 6.4 Historische gegevens en overige bronnen ............................................................................................. 26 6.5 Volledigheid van het onderzoek............................................................................................................. 26 Hoofdstuk 7
Conclusies ............................................................................................................................... 27
2
SAMENVATTING Er zijn concrete plannen voor de bouw van een nieuwe woning en schuur op landgoed ’t Slöttelmös te Enschede (Weerselosestraat 352). Om de bouw mogelijk te maken, wordt een vakantiewoning en enkele bijgebouwen op de beoogde bouwlocatie geamoveerd. Ook worden vermoedelijk enkele bomen geveld. Als gevolg van deze voorgenomen activiteiten kan overtreding van de Wet natuurbescherming op voorhand niet uitgesloten worden. Daarom is Natuurbank Overijssel gevraagd om de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten in het kader van de Wet natuurbescherming in beeld te brengen. In voorliggend rapport worden de bevindingen van het uitgevoerde onderzoek gepresenteerd. Naast een beschrijving van het onderzoeksgebied, de onderzoeksopzet en de resultaten van het onderzoek, worden de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten weergegeven. Het plangebied is op 6 juni 2023 onderzocht op de (potentiële) aanwezigheid van beschermde planten, dieren en beschermde nesten, holen, vaste rust- en voortplantingslocaties. Ook is onderzocht of de voorgenomen activiteiten een negatief effect hebben op beschermd (natuur)gebied, zoals Natura 2000 en het Natuurnetwerk Nederland. Resultaten toetsing aan wet- en regelgeving voor beschermde gebieden: Het plangebied behoort op dit moment tot het Natuurnetwerk Nederland, maar ligt op enige afstand van Natura 2000-gebied.
De provincie heeft aangegeven de begrenzing van het NNN-gebied aan te passen, waarmee het gebied waar de ontwikkeling zal plaatsvinden buiten het NNN komt te liggen. Nadere motivering is dan ook niet noodzakelijk. Uitgezonderd het aspect stikstof, kan een negatief effect op Natura 2000-gebied op voorhand uitgesloten worden. Om te onderzoeken of uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt tot een toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen in Natura 2000gebied, dient een stikstofberekening uitgevoerd te worden1. Resultaten toetsing aan wet- en regelgeving voor beschermde soorten: De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Het plangebied wordt door beschermde diersoorten benut als foerageergebied en vermoedelijk nestelen er ieder voorjaar vogels, bezetten amfibieën er een (winter)rustplaats en bezetten beschermde grondgebonden zoogdieren er een vaste rust- of voortplantingsplaats. Vleermuizen bezetten geen vaste rustof verblijfplaats in het plangebied maar gebruiken het wel als foerageergebied. Van de in het plangebied nestelende vogelsoorten, is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats.
Bezette vogelnesten zijn beschermd en mogen niet beschadigd of vernield worden. Gelet op de aard van de werkzaamheden kan geen ontheffing verkregen worden voor het beschadigen of vernielen van bezette vogelnesten. Bebouwing en beplanting dient verwijderd te worden buiten de voortplantingsperiode. De inrichting, gevoerde beheer en de ligging van het plangebied in een bos- en natuurrijke omgeving met onder andere bos en een tuinvijver, maken het plangebied tot potentieel functioneel leefgebied van verschillende beschermde grondgebonden zoogdier- en amfibieënsoorten. Als gevolg van de voorgenomen activiteiten wordt mogelijk een beschermd grondgebonden zoogdier en amfibie gedood en wordt mogelijk de vaste (winter)rust- en/of voortplantingsplaats van een beschermd grondgebonden zoogdieren of amfibie beschadigd of vernield. Beschermde dieren mogen niet opzettelijk gedood worden, in het kader van een ruimtelijke ontwikkeling, maar voor het beschadigen/vernielen van de vaste rust- en voortplantingsplaats van sommige beschermde amfibieën en grondgebonden zoogdieren geldt een vrijstelling. Deze vrijstelling geldt echter niet voor het beschadigen/vernielen van de (winter)rustplaats van egel, grote bosmuis, wezel, poelkikker en kamsalamander.
Geadviseerd geen nader onderzoek uit te voeren naar de functie van het plangebied voor voorgenoemde soorten, maar direct ontheffing aan te vragen voor het beschadigen en vernielen van de vaste rust- en/of voortplantingsplaats. 1
Er is een stikstofberekening uitgevoerd voor de voorgenomen activiteiten. Uit de berekening is gebleken dat geen sprake is van toename van stikstofdepositie in Natura 2000. 3
Gelet op de aard van het plangebied, zijn er voldoende mogelijkheden om de benodigde mitigerende maatregelen te nemen ter vervanging van (winter)rustplaatsen die (mogelijk) verloren gaan, als gevolg van de voorgenomen activiteiten. De Wet natuurbescherming maakt planrealisatie niet onmogelijk. Resultaten van toetsing aan wet- en regelgeving voor beschermde soorten en gebieden samengevat: • Werkzaamheden afstemmen op de voortplantingsperiode van vogels; • Geen beschermde dieren opzettelijk doden; • Ontheffing aanvragen voor beschadigen/vernielen van vaste rust- en/of voortplantingsplaats wezel, egel, grote bosmuis, poelkikker en kamsalamander; • Stikstofberekening uitvoeren (deze is reeds uitgevoerd; bevindingen worden in een separaat rapport gepubliceerd);
4
HOOFDSTUK 1
INLEIDING Er zijn concrete plannen voor de bouw van een nieuwe woning en schuur op landgoed ’t Slöttelmös te Enschede (Weerselosestraat 352). Om de bouw mogelijk te maken, wordt een vakantiewoning en enkele bijgebouwen op de beoogde bouwlocatie geamoveerd. Ook worden vermoedelijk enkele bomen geveld. Als gevolg van deze voorgenomen activiteiten kan overtreding van de Wet natuurbescherming op voorhand niet uitgesloten worden. Daarom is Natuurbank Overijssel gevraagd om de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten in het kader van de Wet natuurbescherming in beeld te brengen. In voorliggend rapport worden de bevindingen van het uitgevoerde onderzoek gepresenteerd. Naast een beschrijving van het onderzoeksgebied, de onderzoeksopzet en de resultaten van het onderzoek, worden de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten weergegeven. Er is in het onderzoeksgebied gekeken naar de (potentiële) aanwezigheid van beschermde planten en dieren en beschermde nesten, holen, vaste rust- en voortplantingsplaatsen en andere beschermde functies. Ook is onderzocht of de voorgenomen activiteiten een negatief effect hebben op beschermd (natuur)gebied.
Op basis van de onderzoeksresultaten worden de wettelijke consequenties bepaald van de voorgenomen activiteiten in het kader van de Wet natuurbescherming (soorten en Natura 2000-gebied) en de Omgevingsverordening Overijssel (Natuurnetwerk Nederland).
Doel van deze rapportage: De Quickscan natuurwaardenonderzoek is uitgevoerd als één van de verschillende (milieu)onderzoeken in het kader van besluitvorming binnen de Ruimtelijke Ordening (doorgaans het wijzigen van het bestemmingsplan) of het aanvragen van een Omgevingsvergunning. Het onderzoek is uitgevoerd om antwoord te kunnen geven op de vraag: is er sprake van een goede ruimtelijke ordening (is de voorgenomen activiteit uitvoerbaar?). Het is nadrukkelijk geen ecologisch werkprotocol dat opgesteld wordt om te voorkomen dat de Wet natuurbescherming overtreden wordt als gevolg van de voorgenomen activiteiten. De Wet natuurbescherming is tijdens de uitvoering van voorgenomen activiteiten altijd van toepassing en het is aan de uitvoerende partijen om de noodzakelijke zorgvuldigheid te betrachten tijdens de uitvoering. Om een goed ecologisch werkprotocol op te kunnen stellen is meer detailinformatie vereist, zoals de planning in uitvoering, in te zetten materieel en informatie over type bebouwing, bouwwijze, materiaalgebruik etc.
5
HOOFDSTUK 2
HET PLANGEBIED
2.1 Situering Het plangebied is gesitueerd op landgoed ’t Slöttelmös te Enschede. Het is gesitueerd op het adres Weerselosestraat 352 te Enschede. Het ligt in het buitengebied, ten noorden van de stad Enschede. Op onderstaande afbeelding wordt de globale ligging van het plangebied weergegeven op een topografische kaart.
Globale ligging van het plangebied. De ligging van het plangebied wordt met de rode cirkel aangeduid (bron: toptijdreis.nl).
2.2 Beschrijving van het plangebied Het plangebied vormt een deel van een landgoed en bestaat uit bebouwing, erfverharding en tuin met gazon en enkele bomen. In het plangebied staan een vakantiewoning, schuur met aanbouw, container en houten schuurtje. De vakantiewoning beschikt over houten wanden en is gedekt met bitumen dakleer. Ook het houten schuurtje beschikt over houten wanden en is gedekt met zinken dakplaten. Het schuurtje beschikt niet over geïsoleerde wanden of dak. Ten westen van de vakantiewoning staat een houten schuur met aanbouw. Deze schuur heeft gepotdekselde houten wanden zonder wandisolatie en is gedekt met damwandplaten. Aan deze schuur is een overkapping gebouwd. Op onderstaande afbeelding wordt de begrenzing van het plangebied weergegeven. Voor een verbeelding van de huidige situatie wordt verwezen naar de fotobijlage.
Luchtfoto van het plangebied; deze wordt met de gele ovaal aangeduid (bron luchtfoto: ruimtelijkeplannen.nl). 6
HOOFDSTUK 3
VOORGENOMEN ACTIVITEITEN
3.1 Algemeen Het voornemen bestaat een nieuwe woning en schuur te bouwen. Om dit mogelijk te maken dienen de aanwezige gebouwen in het plangebied geamoveerd te worden en dienen enkele bomen gerood te worden. Op onderstaande afbeelding wordt een plattegrond van het wenselijke eindbeeld weergegeven.
Plattegrond van het wenselijke eindbeeld (bron: Archimees).
3-D impressie van het wenselijke eindbeeld (bron: Archimees).
De volgende activiteiten worden getoetst op relevantie t.a.v. de Wet natuurbescherming: • Slopen bebouwing; • Rooien beplanting; • Verwijderen erfverharding; • Bouwrijp maken bouwplaats; • Bouwen woning en schuur;
7
3.2 Mogelijk effect van de voorgenomen activiteiten op beschermde soorten en/of –gebieden De voorgenomen activiteiten hebben mogelijk een negatieve invloed op beschermde soorten en beschermd (natuur)gebied. We onderscheiden de volgende negatieve invloeden: Mogelijke tijdelijke invloeden: • Verstoren rust- en voortplantingsplaatsen als gevolg van geluid, stof en trillingen tijdens de werkzaamheden; Mogelijke permanente invloeden: • Mogelijk afname/verdwijnen van beschermde vaste rust- of voortplantingsplaatsen en/of jaar rond beschermde nesten; • Vernielen/verdwijnen van beschermde soorten; • Aantasting van de kwaliteit van het leefgebied van beschermde soorten;
3.3 Vaststellen van de invloedsfeer Naast een tijdelijk effect in het onderzoeksgebied, kan het voorkomen dat een voorgenomen activiteit een negatief effect heeft op beschermde soorten of beschermd natuurgebied buiten het onderzoeksgebied. Dit noemen we de invloedsfeer. De omvang van de invloedsfeer wordt bepaald door de duur, aard en omvang van de tijdelijke en/of permanente nieuwe situatie. Het effect van de voorgenomen activiteit op een beschermde soort verschilt per soort en/of soortgroep. In deze studie wordt gekeken naar de uitvoering van de fysieke werkzaamheden, zoals sloop- en bouwwerkzaamheden en wordt gekeken naar de bewonen van de woning. Beoordeling van de invloedsfeer van de voorgenomen activiteit: Om de effecten van een voorgenomen activiteiten goed in beeld te kunnen brengen, is het soms van belang ook buiten het plangebied te kijken. In voorliggend geval grenst het plangebied aan tuin en bos. Er is geen aanleiding te veronderstellen dat beschermde soorten en/of -waarden buiten het plangebied op een dusdanige wijze aangetast worden, dat dit leidt tot wettelijke consequenties. 3.4 Vaststellen van het onderzoeksgebied Het onderzoeksgebied wordt gelijk gesteld aan het plangebied.
8
HOOFDSTUK 4
TOETSINGSKADERS
4.1 Algemeen In dit Hoofdstuk worden de diverse toetsingskaders toegelicht waaraan het initiatief getoetst wordt. 4.2 Wet natuurbescherming; Natura 2000 Het gebiedsbeschermingsdeel van de Wet natuurbescherming heeft als doel het beschermen van Natura 2000-gebieden (Vogelrichtlijn- en/of Habitatrichtlijngebieden) in Nederland. Projecten die significante gevolgen voor deze gebieden kunnen hebben, zijn in beginsel – zonder vergunning – niet toegestaan. Ook het vaststellen van plannen zoals een bestemmingsplan of een inpassingsplan is niet toegestaan, indien het betreffende plan significante gevolgen kan hebben voor Natura 2000-gebieden. Naast directe effecten (bijv. ruimtebeslag), dient ook gekeken te worden naar indirecte effecten als gevolg van externe werking (bijv. door geluid, licht en stikstofdepositie). De eerste stap in de toetsing is vaak een voortoets. Als significante gevolgen in de voortoets niet op voorhand met zekerheid kunnen worden uitgesloten, dan is een passende beoordeling noodzakelijk. In dat geval is voor een project een vergunning noodzakelijk op grond van artikel 2.7 Wet natuurbescherming. 4.3 Wet natuurbescherming; Soortenbescherming In de Wet natuurbescherming is de soortenbescherming in Nederland geregeld. In de wet zijn lijsten opgenomen met beschermde soorten.
In de Wet natuurbescherming worden drie verschillende beschermingsregimes gehanteerd waaraan verschillende verbodsbepalingen zijn gekoppeld: Soorten Vogelrichtlijn (artikel 3.1 e.v.): • lid 1) Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen; • lid 2) Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen; • lid 3) Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben; • lid 4) Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen; • lid 5) Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort.
Soorten Habitatrichtlijn (artikel 3.5 e.v.); • lid 1) Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen; • lid 2) Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren; • lid 3) Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen; • lid 4) Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen; • lid 5) Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Andere Soorten (artikel 3.10 e.v.) lid 1) Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden: • onderdeel a. in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; • onderdeel b.
de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of
9
•
onderdeel c. vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.
Ten aanzien van de andere beschermde soorten geldt dat het bevoegd gezag (provincies c.q. ministerie van LNV) de vrijheid hebben om soorten binnen deze categorie vrij te stellen van de verbodsbepalingen uit ontheffingsplicht artikel 3.10 uit de Wet natuurbescherming. Voor beschermde soorten die niet zijn vrijgesteld dient bij overtreding van de verbodsbepalingen uit de Wn een ontheffing te worden aangevraagd. Voor vogels geldt in afwijking hierop dat voor verstoring geen ontheffing nodig is, indien de gunstige staat van instandhouding niet in het geding is. Het is ook mogelijk om voor beide categorie soorten te werken volgens een goedgekeurde gedragscode die is afgestemd op de Wet natuurbescherming2. Er is dan geen ontheffing nodig.
4.4 Beleid ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is het ruimtelijk beleid op rijks-, provinciaal, en gemeentelijk niveau vastgesteld, waarin onder andere de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland (NNN)/Ecologische Hoofdstructuur (EHS) is verankerd. De EHS werd officieel geïntroduceerd in het Natuurbeleidsplan en is daarna opgenomen in de Nota Ruimte, welke inmiddels vervangen is door de Nationale omgevingsvisie (NOVI). Kaderstellende regels ten aanzien van o.a. NNN/EHS zijn opgenomen in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Bij geplande ingrepen die binnen het NNN/EHS vallen moet het belang van de natuurbescherming worden afgewogen tegen andere belangen, indien de voorgenomen ingreep negatief uitwerkt op de aanwezige natuurwaarden. De kern van de afweging vormt het 'nee, tenzij'-principe. Dit wil zeggen dat schadelijke ingrepen niet zijn toegestaan, tenzij er andere belangen zijn die de ingreep rechtvaardigen. In dat geval zijn compenserende maatregelen voorgeschreven. Concrete beleidsregels ten aanzien van de NNN in Overijssel zijn opgenomen in de vigerende provinciale ruimtelijke verordening van de provincie Overijssel
4.5 Wet natuurbescherming; Houtopstanden De Wet natuurbescherming beschermd het areaal bos in ons land. Houtopstanden die voldoen aan één van onderstaande criteria vallen onder het beschermingsregime van de Wet natuurbescherming. Dit geldt voor bossen, houtwallen, heester- en struikhagen, struwelen en beplanting van bosplantsoen. De opstand moet buiten het erf liggen. - De houtopstand ligt buiten de bebouwde kom houtopstanden en vormt een zelfstandige eenheid groter dan 10 are (1.000m2); - De houtopstand ligt buiten de bebouwde kom houtopstanden en vormt een rijbeplanting van meer dan 20 bomen.
2
Voor de voorliggende ontwikkeling is geen gedragscode toepasbaar. 10
HOOFDSTUK 5
GEBIEDSBESCHERMING
5.1 Algemeen In dit hoofdstuk wordt ingegaan op het mogelijke effect van de voorgenomen activiteiten op Natura 2000gebied en het Natuurnetwerk Nederland. 5.2 Natuurnetwerk Nederland Provincies zijn verantwoordelijk voor de veiligstelling en ontwikkeling van het Natuurnetwerk Nederland (verder NNN genoemd). De beoordeling of de voorgenomen activiteit past in het NNN, dient met name uitgevoerd te worden in de afweging van een ‘goede ruimtelijke ordening’ als onderdeel van de ruimtelijke onderbouwing. De aanwezigheid van beschermde planten en dieren is daarbij niet direct van belang. Vanwege het grote belang voor de biodiversiteit en de betekenis voor de kwaliteit van de leefomgeving en regionale economie geldt een beschermingsregime voor het gehele NNN. Voor het NNN geldt de verplichting tot instandhouding van de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied. In de verordening is het "nee, tenzij"-regime vastgelegd. Dit betekent dat (nieuwe) plannen, projecten of handelingen niet zijn toegestaan indien zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied significant aantasten. Er kan echter aanleiding zijn om toch ontwikkelingen toe te staan. De mogelijkheid om een uitzondering te maken op de algemene lijn van behoud en duurzame ontwikkeling van wezenlijke kenmerken en waarden, is aan strikte voorwaarden gebonden.
Uiteraard geldt ook hier dat de generieke regeling van toepassing blijft (zoals de toepassing van de principes van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik, ontwikkelingsperspectieven en gebiedskenmerken) Het ruimtelijk beleid voor het NNN is gericht op ‘behoud, herstel en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN’ waarbij tevens zoveel mogelijk rekening wordt gehouden met de andere belangen die in het gebied aanwezig zijn. De kernkwaliteiten binnen het NNN zijn natuurkwaliteit, landschappelijke kwaliteiten en beleving van rust. Voor grootschalige ontwikkelingen die niet passen binnen de doelstelling van het NNN is geen ruimte, tenzij er sprake is van een zwaarwegend maatschappelijk belang waar niet op een andere manier aan kan worden voldaan. Daarbij worden de zogenaamde NNN-spelregels gehanteerd: her-begrenzing van het NNN, saldering van negatieve effecten en toepassing van het compensatiebeginsel. Het ‘nee, tenzij’-principe en de overige spelregels hebben is opgenomen in de provinciale Omgevingsverordening van Overijssel. Er is door toepassing van de spelregels ruimte voor het aanpassen van de begrenzing als daarmee de doelen op een betere manier kunnen worden bereikt. Ligging t.o.v. het Natuurnetwerk Nederland Het plangebied ligt op dit moment volledig binnen de begrenzing van het Natuurnetwerk Nederland.
Op onderstaande afbeelding wordt de ligging van het Natuurnetwerk Nederland in de omgeving van het plangebied weergegeven.
11
Ligging van Natuurnetwerk Nederland in de omgeving van het plangebied. De ligging van het plangebied wordt met de gele ovaal aangeduid. Gronden die tot Natuurnetwerk Nederland behoren worden met de groene kleur en de blauwe kleur op de kaart aangeduid (bron: geo.overijssel.nl).
Beschermingsregime Terreinen binnen het NNN dienen een bestemming te krijgen die gericht is op het behoud, herstel of duurzame ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied. De gemeenteraad is echter bevoegd om bij de vaststelling van een bestemmingsplan voor relatief kleinschalige ontwikkelingen binnen het NNN af te wijken van het beschermingsregime zoals vastgelegd in artikel 2.7.3 van de Omgevingsverordening. Dit is mogelijk mits is aangetoond en verzekerd dat deze wijziging: • de wezenlijke kenmerken en waarden slechts in beperkte mate aantast, • per saldo gepaard gaat met een versterking van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN, of een vergroting van de oppervlakte van het NNN, • plaatsvindt na een zorgvuldige afweging van alternatieve locaties.
Toetsing aan provinciaal beleid Voorgenomen initiatief betreft een kleinschalige ontwikkeling. De provincie heeft aangegeven3 de begrenzing van het NNN-gebied aan te passen, waarmee het gebied waar de ontwikkeling zal plaatsvinden buiten het NNN komt te liggen. Nadere motivering is dan ook niet noodzakelijk. Op onderstaande afbeelding wordt aangegeven welk deel van NNN onttrokken wordt aan NNN.
3 Dit betreft een toezegging van een provinciaal ambtenaar.
12
Voorstel voor onttrekking van NNN (op basis van ambtelijk overleg met de provincie).
5.3 Natura 2000 De biodiversiteit (soortenrijkdom) in Europa gaat al jaren achteruit. Duurzame bescherming van flora en fauna is hard nodig. Planten en dieren trekken zich weinig aan van landsgrenzen en het is daarom belangrijk om natuurbescherming in Europees verband aan te pakken. Zo voorkomen we dat de natuur in Europa en in Nederland steeds eenvormiger wordt. Daartoe is in 1979 de Vogelrichtlijn opgesteld en in 1992 de Habitatrichtlijn. Deze richtlijnen hebben twee componenten: soortenbescherming en gebiedsbescherming. Alle EU-lidstaten wijzen beschermde gebieden aan voor specifieke (leefgebieden van) (vogel-)soorten. De onder beide richtlijnen aangewezen beschermde gebieden vormen het Natura 2000-netwerk. De Nederlandse bijdrage aan dit Europese netwerk van beschermde natuurgebieden bestaat uit ruim 160 gebieden.
Beschermingsregime De Wet natuurbescherming regelt in hoofdstuk 2 de bescherming van Natura 2000-gebieden. Dit zijn speciale beschermingszones op grond van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. De minister wijst deze gebieden aan. Voor de Natura 2000-gebieden stelt de minister instandhoudingsdoelstellingen op voor: • de leefgebieden van vogels; • de natuurlijke habitats of habitats van soorten (art. 2.1 Wet natuurbescherming); De provincies stellen voor de Natura 2000-gebieden een beheerplan op (art. 2.3 Wet natuurbescherming). In het beheerplan staan maatregelen die ervoor moeten zorgen dat de instandhoudingsdoelstellingen worden bereikt. Nederland past een vergunningenstelsel toe. Hierdoor is in ons land een zorgvuldige afweging gewaarborgd rond projecten die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden. Vergunningen worden verleend door provincies of door het ministerie van LNV. Natura 2000-gebieden mogen geen significante schade ondervinden. Dit houdt in dat bepaalde plannen en projecten, op zichzelf óf in combinatie met andere plannen en projecten, de natuurwaarden waarvoor de gebieden zijn aangewezen niet significant negatief mogen beïnvloeden. Elke ontwikkeling in of nabij een Natura 2000-gebied dient te worden onderworpen aan een ‘voortoets’.
Uit de voortoets moet blijken of kan worden uitgesloten dat de gewenste werkzaamheden/ontwikkelingen een (significant) negatief effect hebben (op zichzelf of in combinatie met andere plannen of projecten). Voor alle Natura 2000-gebieden dient een beheerplan te zijn opgesteld waaruit duidelijk wordt welke activiteiten wel en niet zonder vergunning mogelijk zijn in en nabij die gebieden.
13
Ligging van het plangebied t.o.v. Natura-2000 Het plangebied ligt op minimaal 1,36 kilometer afstand van Natura 2000-gebied. Het meest nabij gelegen Natura 2000-gebied, is Lonnekermeer. Op onderstaande afbeelding wordt de ligging van de Natura 2000gebieden in de omgeving van het plangebied weergegeven.
1,36 kilometer afstand tussen het plangebied en de gronden die tot Natura 2000 behoren
Ligging van Natura 2000-gebieden in de omgeving van het plangebied. De ligging van het plangebied wordt met de rode marker aangeduid. Gronden die tot Natura 2000 behoren worden met de okergele en lichtgroene kleur aangeduid (bron: geo.overijssel.nl).
Effectbeoordeling Beoordeling uitvoering fysieke activiteiten Het plangebied is niet zichtbaar vanuit Natura 2000-gebied. Negatieve effecten, zoals geluid, licht en optische verstoring zijn daarom niet aan de orde. Ook zijn in het Natura 2000-gebied geen negatieve effecten, zoals trillingen waarneembaar. Met uitzondering van het aspect stikstof, kunnen negatieve effecten op Natura 2000-gebied uitgesloten worden. Beoordeling stikstof (ontwikkelfase) Ten behoeve van de totale ontwikkeling, wordt materieel met een verbrandingsmotor ingezet en vindt er een tijdelijke toename plaats van verkeersbewegingen als gevolg van de afvoer van sloopmateriaal, de aanvoer van bouwmateriaal en vervoer van materieel en personeel. Gelet op de aard en grote omvang van de voorgenomen activiteiten, de duur van de ontwikkelfase en toename van stikstofemissie in de ontwikkelfase kan een negatief effect op Natura-2000 gebied, als gevolg van de emissie van stikstofoxiden, niet op voorhand uitgesloten worden. Om te onderzoeken of uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt tot een toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen in Natura 2000-gebied, dient een stikstofberekening uitgevoerd te worden.
Beoordeling stikstof (gebruiksfase) Het aantal verkeersbewegingen van en naar het plangebied neemt toe in de gebruiksfase, ten opzichte van de referentiesituatie, als gevolg van de bewoning van de nieuwe woning. Gelet op de aard en omvang van de voorgenomen activiteiten en de afstand tot Natura 2000-gebied, kan een negatief effect op Natura 2000gebied, als gevolg van de emissie van stikstofoxiden tijdens de gebruiksfase, niet op voorhand uitgesloten worden. Om te onderzoeken of uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt tot een toename van 14
stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen in Natura 2000-gebied, dient een stikstofberekening uitgevoerd te worden.
5.4 Houtopstanden Er worden mogelijk één of enkele bomen gerooid. Als gevolg hiervan neemt het areaal bos niet af . Het vellen van enkele bomen leidt daarom niet tot overtreding van een verbodsbepaling van de Wet natuurbescherming, onderdeel bescherming houtopstanden. Compensatie van areaal bos is daarom niet aan de orde. 5.5 Slotconclusie Het plangebied behoort op dit moment tot het Natuurnetwerk Nederland, maar ligt op enige afstand van Natura 2000-gebied. De provincie heeft aangegeven de begrenzing van het NNN-gebied aan te passen, waarmee het gebied waar de ontwikkeling zal plaatsvinden buiten het NNN komt te liggen. Nadere motivering is dan ook niet noodzakelijk. Uitgezonderd het aspect stikstof, kan een negatief effect op Natura 2000-gebied op voorhand uitgesloten worden. Om te onderzoeken of uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt tot een toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen in Natura 2000gebied, dient een stikstofberekening4 uitgevoerd te worden.
4
Er is een stikstofberekening uitgevoerd voor de voorgenomen activiteiten. Uit de berekening is gebleken dat geen sprake is van toename van stikstofdepositie in Natura 2000. 15
HOOFDSTUK 6
SOORTENBESCHERMING
6.1 Methode 6.1.1 Algemeen Bij het bepalen van de mogelijke aantasting van beschermde soorten is gebruik gemaakt van de volgende bronnen: • Bronnenonderzoek (o.a. internet en de Nationale databank flora en fauna); • Veldbezoek op 6 juni 2023 door ervaren ecoloog; 6.1.2 Bronnenonderzoek Op 5 juni 2023 is de NDFF geraadpleegd en is gekeken of waarnemingen van beschermde planten en dieren aanwezig zijn in de databank in de periode 2018-2023. Er zijn in de NDFF geen flora- of faunawaarnemingen opgenomen die betrekking hebben op het plangebied en de directe omgeving. Op onderstaande luchtfoto wordt het zoekgebied, waarbinnen gekeken is naar waarnemingen, weergegeven.
Verspreiding van alle bekende records (groene stip) in het plangebied (bron: NDFF).
6.1.3 Veldonderzoek In het kader van het natuurwaardenonderzoek is het plangebied op 6 juni 2023 tijdens de daglichtperiode (middag) bezocht. Het onderzoeksgebied is te voet onderzocht op de aanwezigheid en potentiële aanwezigheid van beschermde flora- en faunawaarden. Het gebied is visueel en auditief onderzocht. Tijdens het veldbezoek is gebruik gemaakt van een verrekijker (Swarovski 12x50) en zijn de in dit rapport opgenomen afbeeldingen gemaakt. De onderzoeker beschikte tevens over een warmtebeeldcamera (Helion Pulsar xq28). De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde planten, maar wel tot een potentieel geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde diersoorten. Gelet op de inrichting en het gevoerde beheer, behoort het plangebied mogelijk tot functioneel leefgebied van sommige algemene en weinig kritische diersoorten uit onderstaande soortgroepen: • vogels; • vleermuizen; • grondgebonden zoogdieren; • amfibieën; • reptielen; • bosvlinders;
16
Overige soorten Het onderzoeksgebied is niet onderzocht op het voorkomen van beschermde faunasoorten als libellen, vissen, dag- en nachtvlinders, bladmossen, sporenplanten, haften en kreeftachtigen omdat het onderzoeksgebied geen geschikte habitat vormt voor deze soorten of omdat het plangebied buiten het normale verspreidingsgebied van deze soortgroepen ligt. Het is niet aannemelijk dat soorten, of soortgroepen, die (soms) moeilijk nieuwe leefgebieden koloniseren, zich spontaan buiten het normale verspreidingsgebied vestigen. Dit geldt bijvoorbeeld voor sommige kleine grondgebonden zoogdieren, reptielen en voor planten. 6.1.4 Methode per soortgroep Vogels Het gebied is visueel en auditief onderzocht op het voorkomen van (broed)vogels. De onderzoeksperiode is geschikt voor onderzoek naar (broed)vogels. Veel vogels hebben in deze periode van het jaar een bezet net, of hebben al uitgevlogen jongen. In het plangebied is gekeken en geluisterd naar vogels, (oude) nesten en sporen die op de aanwezigheid van nesten in het plangebied duiden, zoals prooiresten (roofvogels), schijtsporen, braakballen, ruiveren (roofvogels), eierdoppen en zichtbaar nestmateriaal.
Op basis van een beoordeling van de landschappelijke kenmerken kan een goede inschatting gemaakt worden van de functie van het onderzoeksgebied voor vogels en of de uitgevoerde inventarisatie voldoet aan de gestelde eisen voor onderzoek naar vogels. Grondgebonden zoogdieren Het plangebied is visueel onderzocht op het voorkomen van beschermde grondgebonden zoogdieren. De onderzoeksperiode is geschikt voor verspreidingsonderzoek en onderzoek naar voortplantingslocaties. Veel grondgebonden diersoorten hebben zogende jongen in deze tijd van het jaar. Er is in het plangebied gezocht naar grondgebonden zoogdieren, verblijfplaatsen en sporen die op de aanwezigheid van grondgebonden zoogdieren in het plangebied duiden zoals holen, nesten, graaf-, krab- en bijtsporen, haren, prooiresten, pootafdrukken en uitwerpselen. Vleermuizen De onderzoeksperiode is geschikt voor onderzoek naar verblijfplaatsen van vleermuizen. Vleermuizen bezetten de zomer- of kraamverblijfplaatsen in deze tijd van het jaar. Er is in het plangebied gezocht naar vleermuizen en naar potentiële rust- verblijfplaatsen van vleermuizen. Het plangebied is bezocht op een moment op de dag dat vleermuizen niet foerageren en geen lijnvormige landschapselementen benutten als vliegroute.
De mogelijke betekenis van het plangebied als foerageergebied en vliegroute voor vleermuizen is bepaald op basis van een visuele beoordeling van de landschappelijke karakteristieken van het plangebied. Amfibieën De onderzoeksperiode is geschikt voor verspreidingsonderzoek naar amfibieën en onderzoek naar voortplantingswateren. Sommige volwassen amfibieën hebben de voortplanting voltooid en hebben de voortplantingswateren al weer verlaten (gewone pad, heikikker) en zitten overdag weggekropen in holen en gaten in de grond, of onder strooisel, bladeren, takken, rommel of opgeslagen goederen. Op basis van een beoordeling van landschappelijke kenmerken kan een goede inschatting gemaakt worden van de functie van het plangebied voor amfibieën en of de uitgevoerde inventarisatie voldoet aan de gestelde eisen voor onderzoek naar deze soorten. Daarbij is tevens rekening gehouden met de ligging van het plangebied ten opzichte van het (normale) verspreidingsgebied van verschillende amfibieënsoorten.
17
Reptielen De onderzoeksperiode is geschikt voor verspreidingsonderzoek naar reptielen. Op basis van een beoordeling van landschappelijke kenmerken en bronnenonderzoek kan een goede inschatting gemaakt worden van de functie van het plangebied voor reptielen en of de uitgevoerde inventarisatie voldoet aan de gestelde eisen voor onderzoek naar deze soorten. Daarbij is tevens rekening gehouden met de ligging van het plangebied ten opzichte van het (normale) verspreidingsgebied van verschillende reptielensoorten. Bosvlinders De onderzoeksperiode is matig geschikt voor verspreidingsonderzoek naar beschermde bosvlindersoorten; de onderzoeksperiode is niet te vroeg voor de vliegperiode van de eerste generatie kleine ijsvogelvlinders en grote weerschijnvlinders. Op basis van een beoordeling van landschappelijke kenmerken en bronnenonderzoek kan een goede inschatting gemaakt worden van de functie van het plangebied voor beschermde bosvlinders en of de uitgevoerde inventarisatie voldoet aan de gestelde eisen voor onderzoek naar deze soorten. Daarbij is tevens rekening gehouden met de ligging van het plangebied ten opzichte van het (normale) verspreidingsgebied van verschillende beschermde bosvlinders.
6.2 Resultaten In deze paragraaf worden de resultaten van het veldbezoek gepresenteerd. Alleen soorten die in het onderzoeksgebied vastgesteld zijn, zeer waarschijnlijk in het onderzoeksgebied voorkomen of soorten waarvan het onderzoeksgebied een (essentieel) onderdeel van het functionele leefgebied vormt, worden in deze paragraaf besproken. Vogels Het plangebied behoort tot functioneel leefgebied van verschillende vogelsoorten. Vogels benutten het plangebied als foerageergebied en mogelijk nestelen er jaarlijks vogels in het plangebied. Vogels kunnen een nestlocatie bezetten in bomen, nestkasten in en toegankelijke gebouwen zoals de schuur. Er is tijdens het veldbezoek een bezet nest van grauwe vliegenvangers waargenomen. Andere vogels die mogelijk in het plangebied nestelen zijn gekraagde roodstaart, roodborst, winterkoning, witte kwikstaart, houtduif, merel, zwartkop, tjiftjaf, koolmees, pimpelmees, grote bonte specht, boomkruiper en vink. Het plangebied vormt een ongeschikte habitat voor huismussen. Er zijn tijdens het bezoek geen oude of potentiële nesten van roofvogels of uilen in de bebouwing of in beplanting in de directe omgeving van het plangebied waargenomen. Deze nesten zijn doorgaans gemakkelijk te vinden aan de hand van schijtsporen en braakballen.
Bezet nest van grauwe vliegenvangers op een lamp aan de buitenzijde van de recreatiewoning.
Als gevolg van slopen van bebouwing en vellen van bomen tijdens de voortplantingsperiode, wordt mogelijk bezet vogelnest verstoord, beschadigd of vernield. 18
Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Slopen bebouwing tijdens de voortplantingsperiode; - Vellen bomen tijdens de voortplantingsperiode
Grondgebonden zoogdieren Er zijn in het plangebied geen beschermde grondgebonden zoogdieren waargenomen, maar het plangebied behoort vermoedelijk tot functioneel leefgebied van verschillende algemene- en weinig kritische grondgebonden zoogdiersoorten als grote bosmuis, gewone bosspitsmuis, tweekleurige bosspitsmuis, rosse woelmuis, bosmuis, egel, vos, ree, wezel, bunzing, eekhoorn, steenmarter en das. Voorgenoemde soorten benutten het plangebied als foerageergebied, maar mogelijk bezetten soorten als grote bosmuis, wezel, egel, gewone bosspitsmuis, tweekleurige bosspitsmuis, rosse woelmuis en bosmuis er ook een vaste rust- en voortplantingsplaats.
Voorgenoemde soorten kunnen een vaste rust- en voortplantingsplaats bezetten in holen en gaten in de grond en onder opgeslagen spullen (brandhout), bladeren en rommel. Een geschikte plek voor steenmarter om een vaste rust- of voortplantingsplaats te bezetten, zoals een holle ruimte onder het dakvlak van de bebouwing, ontbreekt in het plangebied. Door het verwijderen van opgeslagen spullen en rommel en uitvoeren van grondverzet wordt mogelijk een grondgebonden zoogdieren gedood en wordt mogelijk een vaste rust- en/of voortplantingsplaats beschadigd en vernield. Als gevolg van de toename bebouwd oppervlak, neemt de betekenis van het plangebied als foerageergebied voor grondgebonden zoogdieren iets af. Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Verwijderen opgeslagen spullen, rommel en (groen)afval; - Uitvoeren grondverzet; Vleermuizen • Verblijfplaatsen Er zijn tijdens het veldbezoek geen vleermuizen waargenomen en er zijn geen aanwijzingen gevonden dat vleermuizen een rust- of voortplantingsplaats in het plangebied bezetten. De recreatiewoning beschikt over geïsoleerde houten wanden, maar in deze wanden ontbreekt een holle ruimte, zoals een luchtspouw. De andere gebouwen hebben niet geïsoleerde houten wanden.
Verder zijn er geen andere potentiële verblijfplaatsen van vleermuizen aangetroffen, zoals vleermuiskasten, een holle ruimte achter een boeiboord, windveer, vensterluik, zonnewering of gevelbetimmering. De houten schuur is toegankelijk voor vleermuizen, maar er zijn geen aanwijzingen gevonden dat vleermuizen de schuur benutten als rustplaats. Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten wordt geen vleermuis verstoord of gedood en wordt geen vaste rust- of voortplantingsplaats verstoord, beschadigd of vernield. 19