Weerseloseweg 352_Bijlage bij toelichting
Tekst van het document
Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Geen; • Foerageergebied Het veldbezoek is uitgevoerd buiten de periode van de dag waarop vleermuizen foerageren, maar op basis van een beoordeling van de inrichting en het gevoerde beheer, wordt het plangebied als geschikt foerageergebied voor vleermuizen beschouwd. Vermoedelijk foerageren verschillende vleermuissoorten rond de bebouwing en beplanting in het plangebied. Gelet op de inrichting en het gevoerde beheer, wordt het plangebied niet als essentieel foerageergebied voor vleermuizen beschouwd. Als gevolg van de toename bebouwd oppervlak, neemt de betekenis van het plangebied als foerageergebied voor grondgebonden zoogdieren iets af. Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Rooien beplanting; • Vliegroute Sommige vleermuissoorten benutten lijnvormige elementen ter geleiding tijdens het foerageren en om van verblijfplaats naar foerageergebied te vliegen (en van foerageergebied naar verblijfplaats). Lijnvormige elementen die benut worden als vliegroute kunnen bestaan uit houtopstanden en wateren, maar ook een rij gevels van woningen. Het plangebied vormt geen verbindende schakel in een lijnvormig landschapselement en maakt daarom geen onderdeel uit van een vliegroute van vleermuizen. Uitvoering van de voorgenomen activiteiten heeft geen negatief effect op vliegroutes van vleermuizen.
Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Geen; Amfibieën Tijdens het veldbezoek zijn geen amfibieën waargenomen, maar gelet op de inrichting en het gevoerde beheer, wordt het plangebied als functioneel leefgebied voor verschillende amfibieënsoorten beschouwd. Amfibieën als bruine kikker, kleine watersalamander, kamsalamander, gewone pad, bastaardkikker en poelkikker benutten het plangebied mogelijk als foerageergebied en mogelijk bezetten ze er een (winter)rustplaats. Deze soorten kunnen een rust- en voortplantingsplaats bezetten in holen en gaten in de grond en onder rommel, bladeren en opgeslagen spullen. Geschikt voortplantingsbiotoop ontbreekt in het plangebied maar de vijver te noorden van het plangebied wordt wel als potentiële voortplantingsplaats van voorgenoemde soorten benut worden. Amfibieën die de vijver benutten als voortplantingslocatie, overwinteren hoofdzakelijk op landbiotoop, zoals in toegankelijke gebouwen en onder rommel en opgeslagen spullen, zoals aanwezig in het plangebied.
De poel vormt een geschikt voortplantingsbiotoop voor amfibieën. Rechts is de te slopen recreatiewoning zichtbaar.
20
Door het verwijderen van opgeslagen spullen en rommel en uitvoeren van grondverzet wordt mogelijk een beschermd amfibie gedood en wordt mogelijk een (winter)rustplaats beschadigd en vernield. Als gevolg van de toename bebouwd oppervlak, neemt de betekenis van het plangebied als foerageergebied voor amfibieën iets af; dit geldt alleen voor soorten als gewone pad en bruine kikker. Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Verwijderen opgeslagen spullen, rommel en (groen)afval; - Uitvoeren grondverzet; Reptielen Er zijn tijden het veldbezoek geen reptielen waargenomen. Op basis van bronnenonderzoek (NDFF) ligt het plangebied binnen het normale verspreidingsgebied van levendbarende hagedissen. Deze soort is ook de buurt van het plangebied vastgesteld (NDFF). Gelet op de inrichting en het gevoerde beheer wordt het plangebied niet als functioneel leefgebied voor deze soort beschouwd. Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten wordt geen reptiel verstoord of gedood en wordt geen vaste rust- of voortplantingsplaats verstoord, beschadigd of vernield. Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Geen; Dag- en nachtvlinders Er zijn in het plangebied geen beschermde dag- of nachtvlinders, zoals kleine ijsvogelvlinder, grote weerschijnvlinder of teunisbloempijlstaart waargenomen.
Er zijn in het plangebied ook geen waardplanten van beschermde dag- of nachtvlinders waargenomen. Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten wordt geen beschermde dag- of nachtvlinder gedood en er worden geen rupsen of poppen van beschermde vlinders beschadigd of vernield. Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Geen; Overige soorten Er zijn geen andere beschermde soorten aangetroffen. Het gevoerde beheer en de inrichting maken het plangebied tot een ongeschikt functioneel leefgebied voor deze soorten.
6.3 Wettelijke consequenties van de beoogde ingreep Vogels Als gevolg van het slopen van bebouwing en vellen van bomen tijdens de voortplantingsperiode wordt mogelijk een bezet vogelnest verstoord, beschadigd en vernield. Van de in het plangebied nestelende soorten is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. De nestplaats van soorten als de grauwe vliegenvanger, boomkruiper, koolmees, pimpelmees en gekraagde roodstaart is uitsluitend jaarrond beschermd, als er bijzondere ecologische omstandigheden van toepassing zijn. Die zijn in voorliggend geval niet van toepassing. Voorgenoemde soorten kunnen beschikken over voldoende alternatieve nestplaatsen in de directe omgingen. Voor het beschadigen/vernielen van een bezet nest (eieren) of het doden van een vogel kan geen ontheffing van de verbodsbepalingen verkregen worden omdat de voorgenomen activiteit niet als een in de wet genoemd belang wordt beschouwd. De betekenis van het plangebied als foerageergebied voor vogels neemt af, maar is voor de voorkomende soorten niet beschermd.
21
Werkzaamheden die kunnen leiden tot het verstoren/vernielen van vogelnesten dienen buiten de voortplantingsperiode van vogels uitgevoerd te worden. De meest geschikte periode om de voorgenomen activiteiten uit te voeren is augustus-februari. Wettelijke consequenties in het kader van de Wnb: - Bebouwing slopen buiten de voortplantingsperiode; - Beplanting rooien buiten de voortplantingsperiode; Vleermuizen • Verblijfplaatsen Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten wordt geen vleermuis verstoord of gedood en wordt geen vaste rust- of verblijfplaats beschadigd of vernield. Uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt niet tot wettelijke consequenties. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing van de verbodsbepalingen aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Wnb. Wettelijke consequenties in het kader van de Wnb: - Geen; • Essentieel foerageergebied Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten neemt de betekenis van het plangebied als foerageergebied voor vleermuizen tijdelijk af. Het plangebied betreft echter geen essentieel foerageergebied. Uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt niet tot wettelijke consequenties.
Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing van de verbodsbepalingen aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Wnb. Wettelijke consequenties in het kader van de Wnb: - Geen; • Essentiële Vliegroute Het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten heeft geen negatief effect op (essentiële) vliegroutes5 van vleermuizen. Uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt niet tot wettelijke consequenties. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing van de verbodsbepalingen aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Wnb. Wettelijke consequenties in het kader van de Wnb: - Geen; Grondgebonden zoogdieren Door het onvoorbereid uitvoeren van de voorgenomen activiteiten kan niet uitgesloten worden dat beschermde grondgebonden zoogdieren gedood worden en dat vaste rust- en/of voortplantingsplaatsen beschadigd of vernield worden. Voor soorten als bosmuis, gewone bosspitsmuis, tweekleurige bosmuis en rosse woelmuis geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling `beschadigen/vernielen van vaste rust- en voorplantingsplaats’. Deze vrijstelling geldt niet voor soorten als wezel, grote bosmuis en egel.
5
Vliegroutes van vleermuizen zijn beschermd wanneer deze essentieel zijn voor het kunnen functioneren van de verblijfplaats van een vleermuis. Niet ieder lijnvormig element waar langs vleermuizen vliegen is een essentiële vliegroute. 22
Voor het opzettelijk doden van beschermde grondgebonden zoogdieren in het kader van een ruimtelijke ontwikkeling geldt geen vrijstelling. Door zorgvuldig te werken kan in de meeste gevallen voorkomen worden dat beschermde grondgebonden zoogdieren opzettelijk gedood worden. Ten eerste wordt geadviseerd het plangebied ‘natuurvrij’ te maken. Dit kan door opgeslagen spullen, rommel en groenafval handmatig te verwijderen. Echter, als gevolg hiervan, wordt mogelijk een vaste rust- en/of voortplantingsplaats van beschermde soorten als wezel, grote bosmuis en egel beschadigd en vernield. De vaste rust- en/of voortplantingsplaats van voorgenoemde soorten mag alleen negatief beïnvloed worden, indien daarvoor ontheffing is verkregen. Om voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren, overeenkomstig wet- en regelgeving voor grote bosmuis, wezel en egel, dient een ontheffing aangevraagd te worden6. Onderdeel van deze ontheffing is een ecologisch werkprotocol (EWP genoemd). Indien gewerkt wordt, conform dit EWP, wordt tevens voorkomen dat andere beschermde grondgebonden zoogdieren opzettelijk gedood worden. Gelet op de aard van het plangebied, zijn er voldoende mogelijkheden om de benodigde mitigerende maatregelen te nemen ter vervanging van vaste rust- en voortplantingsplaatsen die (mogelijk) verloren gaan, als gevolg van de voorgenomen activiteiten.
De Wet natuurbescherming maakt planrealisatie niet onmogelijk. Wettelijke consequenties in het kader van de Wnb: - Geen beschermde dieren doden; - Ontheffing aanvragen voor beschadigen/vernielen van vaste rust- en/of voortplantingsplaats van egel, wezel en grote bosmuis; Amfibieën Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten kan niet uitgesloten worden dat beschermde amfibieën gedood worden en dat (winter)rustplaatsen beschadigd of vernield worden. Voor sommige van de beschermde grondgebonden zoogdieren, waarvan mogelijk de vaste rust- en/of voortplantingsplaats negatief beïnvloed worden geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling `beschadigen/vernielen van vaste rust- en voorplantingsplaats’. Dat geldt echter niet voor soorten als kamsalamander en poelkikker. Aanvullend onderzoek kan uitwijzen of de nabij gelegen vijver benut wordt als voortplantingsplaats voor deze soorten. Indien de nabij gelegen vijver niet benut wordt als voortplantingsbiotoop door deze soorten, is het niet aannemelijk dat deze soorten gedood worden als gevolg van de voorgenomen activiteiten of de (winter)rustplaats van deze soorten verstoord, beschadigd of vernield wordt. Voor het doden van amfibieën geldt geen vrijstelling. Door zorgvuldig te werken kan in de meeste gevallen voorkomen worden dat beschermde amfibieën opzettelijk gedood worden.
Ten eerste wordt geadviseerd het plangebied ‘natuurvrij’ te maken. Dit kan door opgeslagen spullen, rommel en groenafval handmatig te verwijderen. Echter, als gevolg hiervan, wordt mogelijk een (winter)rustplaats van beschermde soorten als kamsalamander en poelkikker beschadigd en vernield. De (winter)rustplaats van voorgenoemde soorten mag alleen negatief beïnvloed worden, indien daarvoor ontheffing is verkregen. Om voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren, overeenkomstig wet- en regelgeving voor kamsalamander en poelkikker, dient een ontheffing aangevraagd te worden. Onderdeel van deze ontheffing is een ecologisch werkprotocol (EWP genoemd). Indien gewerkt wordt, conform dit EWP, wordt tevens voorkomen dat andere beschermde grondgebonden zoogdieren opzettelijk gedood worden. Om vast te stellen of het aannemelijk dat soorten als kamsalamander en poelkikker een (winter)verblijfplaats in het plangebied bezetten, wordt geadviseerd aanvullend onderzoek uit te voeren, of direct ontheffing aan te vragen omdat onderzoek naar (winter)verblijfplaatsen zeer lastig uit te voeren is. 6 Gelet op de moeilijkheid om soorten als grote bosmuis, wezel en egel vast te stellen middels aanvullend onderzoek, wordt geadviseerd dit
over te slaan en direct ontheffing aan te vragen. Dit is conform werkwijze van de provincie Overijssel. 23
Gelet op de aard van het plangebied, zijn er voldoende mogelijkheden om de benodigde mitigerende maatregelen te nemen ter vervanging van (winter)rustplaatsen die (mogelijk) verloren gaan, als gevolg van de voorgenomen activiteiten. De Wet natuurbescherming maakt planrealisatie niet onmogelijk. Wettelijke consequenties in het kader van de Wnb: - Geen beschermde dieren doden; - Aanvullend onderzoek uitvoeren naar betekenis plangebied voor kamsalamander en poelkikker of direct ontheffing aanvragen voor beschadigen/vernielen (winter)rustplaats; Reptielen Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten wordt geen reptiel gedood en wordt geen vaste rust- of voortplantingsplaats van een reptiel beschadigd of vernield. Uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt niet tot wettelijke consequenties. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing van de verbodsbepalingen aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Wnb.
Wettelijke consequenties in het kader van de Wnb: - Geen; Beschermde dag- en nachtvlinders Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten wordt geen reptiel gedood en wordt het functionele leefgebied van beschermde dag- en nachtvlinders niet aangetast (zoals waardplanten binnen functioneel leefgebied) Uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt niet tot wettelijke consequenties. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing van de verbodsbepalingen aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Wnb. Wettelijke consequenties in het kader van de Wnb: - Geen; Overige soorten Het plangebied behoort niet tot functioneel leefgebied van andere beschermde flora- of faunasoorten. Vanwege de lokale invloedsfeer heeft de voorgenomen activiteit geen negatief effect op andere beschermde soorten. Nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is niet noodzakelijk.
24
In onderstaande tabel worden de wettelijke consequenties samengevat weergegeven. Soortgroep
Functie
Beschermde soorten planlocatie
Verbodsbepalingen (Wet natuurbescherming)
Aandachtspunt
Grondgebonden zoogdieren
Foerageergebied
Diverse soorten
Geen
Grondgebonden zoogdieren
Vaste rust- en voortplantingsplaats
Grondgebonden zoogdieren
Vaste rust- en voortplantingsplaats
div. soorten, waaronder egel, grote bosmuis en wezel div. soorten,
Niet van toepassing; vrijstelling in verband met ruimtelijke ontwikkeling of functie wordt niet aangetast Art. 3.10 lid 1b
Geen
Grondgebonden zoogdieren Vogels
Doden van dieren
Diverse soorten
Niet van toepassing; vrijstelling in verband met ruimtelijke ontwikkeling of functie wordt niet aangetast Art. 3.10 lid 1a
Foerageergebied
Diverse soorten
Geen
Vogels
Bezette nesten (niet jaarrond beschermd)
Diverse soorten
Niet van toepassing; functie is niet beschermd Art. 3.1 lid 2
Vogels
Niet aanwezig
Niet van toepassing
Diverse soorten Niet aanwezig
Art. 3.1 lid 1 Niet van toepassing
Geen vogels doden Geen
Vleermuizen
Jaarrond beschermde nest- en rustplaats Doden van dieren Rust- of voortplantingsplaats Foerageergebied
Geen bezette nesten negatief beïnvloeden of ontheffing aanvragen Geen
Diverse soorten
Geen
Vleermuizen Vleermuizen
Vliegroute Doden van dieren
Amfibieën
Foerageergebied
Niet aanwezig Niet van toepassing Diverse soorten
Niet van toepassing; er wordt geen essentieel foerageergebied aangetast Niet van toepassing Niet van toepassing
Geen
Amfibieën
Vaste rustplaats
Niet van toepassing; vrijstelling in verband met ruimtelijke ontwikkeling of functie wordt niet aangetast Art. 3.5 lid 4
Amfibieën
Vaste rustplaats
Amfibieën Amfibieën Overige soorten
Voortplantingsplaats Doden van dieren Dieren en overige functies
Vogels Vleermuizen
kamsalamander en poelkikker Diverse soorten m.u.v. kamsalamander en poelkikker Niet aanwezig Diverse soorten Niet aanwezig
Niet van toepassing; vrijstelling in verband met ruimtelijke ontwikkeling Niet van toepassing Art. 3.10 lid 1a Niet van toepassing
Ontheffing aanvragen
Geen dieren doden
Geen Geen
Nader onderzoek of ontheffing aanvragen Geen
Geen Geen dieren doden Geen
Samenvatting van de wettelijke consequenties. Soortgroep
Vaste rust- Voortplanplaats tingsplaats
Vliegroute Essentieel (vleermuizen) foerageergebied
Wettelijke consequenties
Nader onderzoek vereist
Ontheffing vereist
Grondgebonden zoogdieren Vogels
Ja
Ja
n.v.t.
Nee
Ja
Nee
ja
Nee
Ja
n.v.t.
Nee
Ja
Nee
Vleermuizen Amfibieën
Nee Ja
Nee Nee
Nee n.v.t.
Nee Nee
Nee Ja
Nee ja
Nee, tenzij vogels gedood, bezette nesten verstoord, beschadigd of vernield worden Nee Mogelijk
Vereenvoudigde samenvatting van de wettelijke consequenties per diergroep.
25
6.4 Historische gegevens en overige bronnen Er zijn geen historische gegevens van het plangebied bekend. 6.5 Volledigheid van het onderzoek Het onderzoek is volledig uitgevoerd met geschikte weersomstandigheden.
26
HOOFDSTUK 7
CONCLUSIES De voorgenomen activiteiten worden gezien als ‘ruimtelijke ontwikkeling’. Voor een aantal algemeen voorkomende en talrijke faunasoorten geldt in Overijssel een vrijstelling van de verbodsbepaling ‘het opzettelijk beschadigen en vernielen van rust- en voortplantingsplaats’, als gevolg van werkzaamheden die in het kader van een ruimtelijke ontwikkeling worden uitgevoerd. Voor beschermde soorten die niet op deze vrijstellingslijst staan, is een ontheffing vereist. Voor het doden van beschermde diersoorten geldt geen vrijstelling van de verbodsbepalingen. In het kader van de zorgplicht moet rekening worden gehouden met alle in het plangebied aanwezige planten en dieren en moet er gekozen worden voor een werkmethode en/of planning in de tijd, waardoor planten en dieren zo min mogelijk schade ondervinden als gevolg van de voorgenomen activiteiten. Het plangebied behoort op dit moment tot het Natuurnetwerk Nederland, maar ligt op enige afstand van Natura 2000-gebied. De provincie heeft aangegeven de begrenzing van het NNN-gebied aan te passen, waarmee het gebied waar de ontwikkeling zal plaatsvinden buiten het NNN komt te liggen. Nadere motivering is dan ook niet noodzakelijk. Uitgezonderd het aspect stikstof, kan een negatief effect op Natura 2000-gebied op voorhand uitgesloten worden.
Om te onderzoeken of uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt tot een toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen in Natura 2000gebied, dient een stikstofberekening uitgevoerd te worden. De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Het plangebied wordt door beschermde diersoorten benut als foerageergebied en vermoedelijk nestelen er ieder voorjaar vogels, bezetten amfibieën er een (winter)rustplaats en bezetten beschermde grondgebonden zoogdieren er een vaste rust- of voortplantingsplaats. Vleermuizen bezetten geen vaste rustof verblijfplaats in het plangebied maar gebruiken het wel als foerageergebied. Van de in het plangebied nestelende vogelsoorten, is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Bezette vogelnesten zijn beschermd en mogen niet beschadigd of vernield worden. Gelet op de aard van de werkzaamheden kan geen ontheffing verkregen worden voor het beschadigen of vernielen van bezette vogelnesten. Bebouwing en beplanting dient verwijderd te worden buiten de voortplantingsperiode.
De inrichting, gevoerde beheer en de ligging van het plangebied in een bos- en natuurrijke omgeving met onder andere bos en een tuinvijver, maken het plangebied tot potentieel functioneel leefgebied van verschillende beschermde grondgebonden zoogdier- en amfibieënsoorten. Als gevolg van de voorgenomen activiteiten wordt mogelijk een beschermd grondgebonden zoogdier en amfibie gedood en wordt mogelijk de vaste (winter)rust- en/of voortplantingsplaats van een beschermd grondgebonden zoogdieren of amfibie beschadigd of vernield. Beschermde dieren mogen niet opzettelijk gedood worden, in het kader van een ruimtelijke ontwikkeling, maar voor het beschadigen/vernielen van de vaste rust- en voortplantingsplaats van sommige beschermde amfibieën en grondgebonden zoogdieren geldt een vrijstelling. Deze vrijstelling geldt echter niet voor het beschadigen/vernielen van de (winter)rustplaats van egel, grote bosmuis, wezel, poelkikker en kamsalamander. Geadviseerd geen nader onderzoek uit te voeren naar de functie van het plangebied voor voorgenoemde soorten, maar direct ontheffing aan te vragen voor het beschadigen en vernielen van de vaste rust- en/of voortplantingsplaats.
27
Bijlagen Bijlage 1. De natuurkalender (indicatie voor het uitvoeren van werkzaamheden het kader van de zorgplicht) Bijlage 2. Toelichting Wet natuurbescherming Bijlage 3. Fotobijlage Bijlage 4. Geraadpleegde bronnen:
28
Bijlage 2 Toelichting Wet Natuurbescherming Drie beschermingsregimes De Wet natuurbescherming kent een apart beschermingsregime voor soorten van de Vogelrichtlijn, een apart beschermingsregime voor soorten van de Habitatrichtlijn (het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn) en een apart beschermingsregime voor andere soorten, die vanuit nationaal oogpunt beschermd worden. Elk van deze beschermingsregimes kent zijn eigen verbodsbepalingen en vereisten voor vrijstelling of ontheffing van de verboden. Alle vogels (ruim 700 soorten), zijn beschermd. Daarnaast worden ongeveer 230 overige Europese en nationale soorten beschermd. Om af te mogen wijken van de verbodsbepalingen via een ontheffing of vrijstelling moet aan drie criteria zijn voldaan: -
-
Ten eerste mag alleen van de verbodsbepaling afgeweken worden als er geen andere bevredigende oplossing voor de handeling mogelijk is. Ten tweede moet tegenover de afwijking van het verbod een in de wet genoemd belang staan. De wet geeft voor de verschillende beschermingsregimes aan wat die belangen zijn zoals volksgezondheid of openbare veiligheid. Tenslotte mag de ingreep geen afbreuk doen aan de staat van instandhouding van de soort.
Als aan deze drie vereisten voldaan is, kan een ontheffing worden verleend. Voor een aantal handelingen zijn bovendien vrijstellingen mogelijk, bijvoorbeeld in de vorm van een provinciale verordening of een gedragscode. Soortenbescherming en het ‘nee, tenzij principe’ De verbodsbepalingen voor vogels en Habitatrichtlijnsoorten in de Wet natuurbescherming sluiten vrijwel één op één aan bij de bepalingen uit de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. De verbodsbepalingen zijn gericht op de bescherming van individuen van soorten. Ook voor de andere soorten, die niet op grond van de Vogel- of Habitatrichtlijn maar vanuit nationaal oogpunt beschermd worden, geldt dat de verbodsbepalingen zien op het individu, maar of ontheffing verleend kan worden, wordt afgewogen tegen het effect van de ingreep op het populatieniveau van de soort. Zorgplicht voor dieren en planten Of dier- en plantensoorten nu wettelijk beschermd zijn of niet, iedereen moet voldoende rekening houden met in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. De wet erkent daarmee de intrinsieke waarde van in het wild levende soorten. De Memorie van Toelichting zegt het zo: “De zorgplicht houdt in dat eenieder voldoende zorg in acht moet nemen voor de in het wild levende dieren en planten, alsmede voor hun directe leefomgeving.
Overtreding van de zorgplicht is niet strafbaar gesteld; de zorgplicht kan wel door toepassing van bestuursdwang worden gehandhaafd”. Vrijstelling regelgeving Onder de Wet natuurbescherming is niet altijd een ontheffing nodig bij handelingen met gevolgen voor beschermde plant- en diersoorten. In (veel) gevallen kunt u gebruik maken van een vrijstelling. Een vrijstelling is een uitzondering op een wettelijk verbod, die wordt vastgesteld voor een van te voren bepaalde categorie van gevallen. Er zijn verschillende vrijstellingen van de verboden voor beschermde soorten mogelijk. Een bekende en reeds in de praktijk toegepaste vorm van vrijstelling is die van de gedragscode. In de Wet natuurbescherming zijn voor beschermde soorten ook andere vormen van vrijstelling geïntroduceerd, zoals door middel van een Programmatische Aanpak of via een provinciale verordening. Overigens is ook een vrijstelling in de vorm van een ministeriële regeling mogelijk. Provinciale staten kunnen vrijstelling van de verbodsbepalingen verlenen. Dit moet worden geregeld in een provinciale verordening. 29