Verordening kwaliteit leefomgeving 2023
Tekst van het document
•
4.De verplichtingen genoemd in het eerste en het derde lid gelden niet voor zover de eigenaar of houder van een hond zich vanwege zijn handicap door een blindengeleide- of hulp hond laat begeleiden en de hond daarvoor aantoonbaar gekwalificeerd is of indien een eigenaar of houder van een hond deze aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot blindengeleide- of hulp hond.
Artikel 6.13 Houden van hinderlijke of schadelijke dieren •
1.Het is verboden op door het college aangewezen plaatsen bij dat aanwijzingsbesluit aangeduide dieren: o
a. aanwezig te hebben; of
o
b.
aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door hen gestelde regels, of o
c. aanwezig te hebben tot een groter aantal dan in die aanwijzing is aangegeven of mede is aangegeven.
•
2.Een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid en de regels als bedoeld in het eerste lid, onder b, mogen uitsluitend zijn gebaseerd op het voorkomen of opheffen van hinder, overlast, schade aan de openbare gezondheid, gevaar voor mens of dier of gevaar voor verstoring van de openbare orde.
•
3.Het is verboden op een krachtens het eerste lid aangewezen plaats een daarbij aangeduid dier of daarbij aangeduide dieren aanwezig te hebben, dan wel aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door het college gestelde regels, dan wel aanwezig te hebben tot een groter aantal dan door het- college is aangegeven.
•
4.Het college kan de rechthebbende op een onroerende zaak gelegen binnen een krachtens het eerste lid aangewezen gedeelte van de gemeente vergunning verlenen van het in het derde lid gestelde verbod.
•
5.Indien het aanwezig hebben van een of meer dieren gebeurt in strijd met het bepaalde krachtens het eerste lid, kan het college degene die het dier of de dieren aanwezig heeft aanschrijven tot het treffen van maatregelen ter voorkoming of opheffing van hinder, overlast, schade aan de openbare gezondheid, gevaar voor mens of dier of verstoring van de openbare orde.
•
6.Het bepaalde in dit artikel geldt niet: o
a. voor het in de gemeente optreden van een circus waarvoor de Burgemeester overeenkomstig artikel 2:25 Algemene plaatselijke verordening gemeente Enschede 2009 vergunning heeft verleend;
o
b. voor zover de Wet milieubeheer van toepassing is [ na inwerkingtreding ervan: de Omgevingswet].
Kappen van bomen en houtopstanden
Artikel 6.14 Kapverbod •
1.Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het college een houtopstand te vellen of te doen vellen in de gevallen, zoals aangegeven in de in lid 5 opgenomen tabel.
•
2.Het is verboden zonder melding aan het college een houtopstand te vellen of te doen vellen in de gevallen, zoals aangegeven in de in lid 5 opgenomen tabel.
•
3.Het college stelt de criteria voor en het overzicht (kaart) met beschermwaardige bomen vast.
•
4.Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
•
5.Tabel van vergunningplichtige en meldingsplichtige houtopstanden als bedoeld in het eerste en het tweede lid:
Omschrijving
Vergunning vereist voor het vellen van een houtopstand
Melding vereist voor het vellen van een houtopstand
Nee
Nee
JA
Nee
Nee
JA
Binnen de bebouwde kom Houtopstand met een stamomtrek van minder dan 100 cm, gemeten op 130 cm boven het maaiveld. (Uitgezonderd houtopstanden die zijn aangeplant vanuit een herplantplicht.) Houtopstand als opgenomen op het overzicht beschermwaardige bomen, waarbij de bomen een stamomtrek hebben van minimaal 100 centimeter op 130 centimeter hoogte boven het maaiveld, behalve de in deze tabel hieronder genoemde uitzonderingen.
Bomen met een stamomtrek van meer dan 100 centimeter op een hoogte van 130 cm boven
het maaiveld, die niet zijn opgenomen op het overzicht beschermwaardige bomen.
Buiten de bebouwde kom en niet vallend onder de bescherming van hoofdstuk 4 van de Wet natuurbescherming Houtopstand met een stamomtrek van minimaal 100 centimeter op een hoogte van 130 cm boven het maaiveld, behalve de in de tabel hieronder genoemde uitzonderingen.
JA
Nee
Het vellen van een houtwal/ houtsingel of een bosperceel. Ook als deze geen beschermwaardige houtopstand bevat met een stamomtrek van minimaal 100 centimeter op een hoogte van 130 cm boven het maaiveld, behalve de in de tabel hieronder genoemde uitzonderingen. (JA/NEE)
JA
Nee
Populieren en/ of wilgen, die als wegbeplanting en eenrijige beplanting op of langs landbouwgronden zijn toegepast.
Nee
Nee
Vruchtbomen en windschermen om boomgaarden
Nee
Nee
Kweekgoed
Nee
Nee
Uitzonderingen buiten de bebouwde kom
zoals kerstbomen, coniferen e.a.
Houtwallen en houtsingels en bospercelen:
Afzetten van een houtwal/ houtsingel
Nee
Nee
Nee
Nee
Het vellen van een houtopstand op grond van de Plantgezondheidswet of na een aanschrijving van het college.
Nee
Nee
Als er direct gevaar ontstaat voor de veiligheid en de burgemeester toestemming geeft tot direct vellen.
Nee
Nee
Houtopstanden die zijn aangeplant vanuit een herplantplicht. Ook als deze bestaat uit bomen met een omtrek van minder dan 100 cm.
Ja
Nee
Het tot op de oude snoeiplaats verwijderen van uitgelopen takhout bij knotbomen, gekandelaberde bomen of leibomen als periodiek noodzakelijk onderhoud (bestendig beheer).
Nee
Nee
Toelichting: Het afzetten van beschermwaardige houtopstand in een houtwal/ houtsingel is dus wel vergunningplichtig.
Reguliere dunningswerkzaamheden (bestendig beheer) bedoelt als verzorgingsmaatregel ter instandhouding of groei van het betreffende bos of boomgebied.
Uitzonderingen zowel binnen als buiten de bebouwde kom
Artikel 6.15 Toetsingsgronden vergunning •
1.Het college kan nadere eisen stellen aan de gegevens en documenten, die de rechthebbende bij een aanvraag van een vergunning tot het kappen van een boom / houtopstand moet indienen.
•
2.Het college kan in nadere regels toetsingscriteria vaststellen aan de hand waarvan zij beoordeelt of vergunning kan worden verleend.
•
3.Het college kan aan een vergunning voorschriften of beperkingen verbinden, zoals: o
a. het opleggen van een herplantplicht;
o
b. aanvullende voorwaarden om in en rond de houtopstand voorkomende flora en fauna te beschermen in het kader van de natuurwetgeving.
Artikel 6.16 Herplantplicht •
1.Het college kan aan de rechthebbende een verplichting opleggen tot herplant, of tot het betalen van een vergoeding: o
a. als aanvullend voorschrift bij het verlenen van een vergunning;
o
b. als een beschermwaardige houtopstand zonder vergunning is geveld.
•
2.Het college kan aan de rechthebbende: o
a. voorschriften stellen ten aanzien van het aantal, de soort en locatie van de herplant;
o
b.
voorschriften stellen aan de termijn waarbinnen de herplant moet zijn uitgevoerd en waarbinnen niet aangeslagen beplanting vanuit de herplantplicht moet zijn vervangen; o
c. een verplichting opleggen tot het betalen van een, door het college aan de hand van de boomwaarde te bepalen, vergoeding en deze te laten storten op de rekening van de gemeente, indien herplant in ruimtelijke zin niet mogelijk is of als herplant de waarde van de gevelde houtopstand naar redelijkheid onvoldoende compenseert.
Vergunning en melding Artikel 6.17 Vervaltermijn vergunning De vergunning vervalt een jaar na de inwerkingtreding als deze niet of niet volledig is gebruikt. Artikel 6.18 Verrichten van een melding 1. De rechthebbende moet de melding minimaal 15 werkdagen voor het vellen van het houtopstand indienen via het digitale loket (op de website) van de gemeente Enschede. 2. De melding heeft een geldigheidsduur van een jaar. Bescherming van bomen en houtopstanden Artikel 6.19 Bescherming bomen / houtopstanden •
1.Het is verboden om houtopstanden die zijn gelegen in de openbare ruimte: o
a. te beschadigen, te bekladden of te beplakken
o
b. daaraan snoeiwerk te verrichten, behalve als het gaat om snoeiwerk door of in opdracht van het college.
•
2.Het aanbrengen of bevestigen van één of meer voorwerpen in, op of aan een houtopstand in de openbare ruimte is verboden, tenzij hiervoor toestemming is verleend door het college.
•
3.Bij (ernstige) bedreiging van het voortbestaan van een beschermwaardige houtopstand, of boom gelegen in de openbare
ruimte, kan het college aan de rechthebbende de verplichting opleggen om deze bedreiging weg te nemen. Het college kan daarbij een termijn opleggen waarbinnen de bedreiging moet zijn weggenomen en maatregelen opleggen over de wijze waarop de bedreiging moet worden weggenomen. Artikel 6.20 [ gereserveerd ]
Hoofdstuk 7 Activiteiten met betrekking tot markten en standplaatsen Artikel 7.1 Activiteiten Dit hoofdstuk gaat over activiteiten die betrekking hebben op het innemen van standplaatsen. Artikel 7.2 Oogmerken [ gereserveerd ] De regels in dit hoofdstuk zijn gesteld met het oog op: a. < specificeren: uitbreiding of beperking van de algemene doelen uit artikel 1.13 van deze verordening) Artikel 7.3 Specifieke zorgplicht [ gereserveerd ] Artikel 7.4 Algemene regels Het college kan nadere regels vaststellen ten aanzien van de locaties waar standplaatsen mogen worden ingericht, het gebruik en de gebruiksduur van standplaatsen (bijlage 7.10). Artikel 7.5 Beoordelingsregels [ gereserveerd ] Artikel 7.6 Meldingsplicht [ gereserveerd ] Voor het verrichten van de volgende activiteiten is een melding vereist: Artikel 7.7 Maatwerkvoorschriften [ gereserveerd ] Artikel 7.8 Omgevingsvergunning [ gereserveerd ] Artikel 7.9 Gegevens en bescheiden [ gereserveerd ] Innemen van een standplaats Artikel 7.10 Standplaatsen in de openbare ruimte •
1.Het is verboden een standplaats in te nemen tenzij wordt voldaan aan de door het college vastgestelde Nadere regels standplaatsen gemeente Enschede.
•
2.Het college kan nadere regels vaststellen ten aanzien van de locaties waar standplaatsen mogen worden ingericht, het gebruik en de gebruiksduur van standplaatsen.
Algemene warenmarkten Artikel 7.11 Inrichtingsplan Burgemeester en wethouders leggen voor elke algemene warenmarkt in de gebruiksovereenkomst afspraken vast met de organisatie van de betreffende warenmarkt over onder meer, maar niet beperkt tot, dagen en tijdstippen voor het in bruikleen geven van (een) marktterrein(en), de fysieke grenzen van het marktterrein, inrichting van terrassen en onvoorziene omstandigheden.
Hoofdstuk 8 Activiteiten met betrekking tot havens en ligplaatsen Artikel 8.1 Activiteiten Dit hoofdstuk is van toepassing op de havens en het gemeentelijk vaarwater van de gemeente Enschede, die op de kaart (bijlage 8.1) als zodanig zijn aangewezen. Artikel 8.2 Oogmerken [ gereserveerd ] Artikel 8.3 Specifieke zorgplicht •
1.Een ieder die met zijn vaartuig in de havens of op het gemeentelijk vaarwater verblijft, is verplicht het aan boord van zijn vaartuig aanwezige huisvuil te deponeren in de daarvoor bestemde door of vanwege de gemeente geplaatste containers.
•
2.De ligplaatshouder, dan wel de schipper, is verplicht: o
a. zodanige maatregelen te nemen dat het te water geraken van (vloei)stoffen en voorwerpen, die tot nadelige gevolgen voor het milieu kunnen leiden, wordt voorkomen;
o
b. onmiddellijk na het te water geraken van de in sub a genoemde (vloei)stoffen en voorwerpen, daarvan mede kennis te geven aan de havenmeester en er zorg voor te dragen, dat deze vloeistoffen en voorwerpen onmiddellijk, of binnen de door de havenmeester te bepalen tijd, uit het water worden verwijderd.
•
3.Degene aan wie een vergunning is verleend houdt deze, of een kopie hiervan, aan boord van het schip waarop deze betrekking heeft, tenzij het een schip zonder bemanningsverblijf betreft.
Artikel 8.4 Algemene regels •
1.Het college kan nadere regels stellen in het kader van de orde, de veiligheid, de bescherming van het milieu, de kwaliteit van de dienstverlening in of in de omgeving van de haven of ter voorkoming van gevaar, schade of hinder, over: o
a. de gegevens die aan de havenmeester moeten worden gemeld voordat met een schip een haven wordt aangedaan, voordat ligplaats wordt ingenomen of voordat bepaalde activiteiten worden ondernomen;
o
b. de wijze waarop de melding, bedoeld onder a, moet plaatsvinden;
o
c. de wijze waarop een aanvraag van een vergunning moet plaatsvinden;
o
d. de voorwaarden waaronder schepen zich in een door het college aangewezen gebied mogen bevinden, die betrekking kunnen hebben op daar te ondernemen activiteiten en op eisen waaraan schepen of bemanning moeten voldoen om deze activiteiten te mogen ondernemen;
o
e. de aanvraag om een vergunning als bedoeld in de artikelen 8.12 en 8.24 van deze Verordening;
o
f. de wijze van afmeren van schepen en het innemen van een ligplaats.
•
2.Het college kan in de haven verkeerstekens plaatsen die zijn vermeld in het Binnenvaartpolitiereglement en deze voorzien van nadere aanduidingen.
•
3.Het college kan een ligplaatsenoverzicht vaststellen, dat in elk geval bevat een kaart van de haven met daarop aangegeven: o
a. de plaatsen of gebieden die bestemd zijn om ligplaats te nemen;
o
b. indien van toepassing, de plaatsen of gebieden die bestemd zijn voor bepaalde categorieën schepen;
o
c. indien van toepassing, de plaatsen of gebieden die bestemd zijn voor ligplaatsvergunninghouders.
•
4.Het college kan stoffen die stank of hinder kunnen veroorzaken aanwijzen waarvoor nader bepaalde aanvullende risicobeheersende maatregelen getroffen dienen te worden.
Artikel 8.5 Beoordelingsregels activiteit Het college kan een vergunning in ieder geval weigeren, wijzigen of intrekken als: •
a. dit in het belang van de orde, de veiligheid en het milieu in of in de omgeving van de haven, of de kwaliteit van de dienstverlening in de haven noodzakelijk is;
•
b. de daaraan verbonden voorschriften of beperkingen niet zijn of worden nagekomen;
•
c. op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na de verlening daarvan, intrekking of wijziging
noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan deze is vereist; •
d. ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt;
•
e. hiervan geen gebruik wordt gemaakt binnen een daarin gestelde termijn of, bij gebreke van een gestelde termijn, binnen een redelijke termijn; of
•
f. de houder dit verzoekt.
Artikel 8.6 Meldingsplicht 1. Voor het verrichten van de volgende activiteiten of gebeurtenissen is een melding vereist: a) het plaatsen van een steiger, meerpaal of ander voorwerp in gemeentelijk vaarwater (8.16 lid 2 van deze Verordening); b) het gebruik maken van een anker e.d. (8.25 lid 4 van deze Verordening); c) bedrijfsstoringen, gebreken of schades aan of aan boord van een schip die gevaar, schade of hinder kunnen veroorzaken aan het schip of de omgeving; d) indien een voorwerp of stof vrijkomt of in het water terechtkomt, waardoor gevaar, schade of hinder wordt of kan worden veroorzaakt; 2. De meldingen vinden plaats bij de havenmeester per telefoon, per marifoon op het daarvoor bestemde kanaal of per e-mail. Artikel 8.7 Maatwerkvoorschriften •
1.Het college kan stoffen die stank of hinder kunnen veroorzaken aanwijzen waarvoor nader bepaalde aanvullende risico beheersende maatregelen getroffen dienen te worden.
•
2.Het college kan voorschriften en beperkingen verbinden aan een omgevingsvergunning als bedoeld in dit hoofdstuk, die onder meer betrekking kunnen hebben op: o
a.
de soort ontvangstvoorzieningen en de veranderingen daarvan; o
b. geschiktheid en beschikbaarheid van de ontvangstvoorzieningen;
o
c. de verplichting tot het in ontvangst nemen van scheepsafvalstoffen;
o
d. de soorten stoffen waarvoor de aanwijzing geldt;
o
e. het meedelen van het tarief van de kosten die in rekening worden gebracht aan schepen die scheepsafvalstoffen afgeven;
o
f. melden van ontvangst van scheepsafvalstoffen en het verstrekken van gegevens daaromtrent;
o
g. de maximale verblijfsduur van de ontvangen stoffen in de ontvangstvoorzieningen en het verstrekken van gegevens en houden van registratie daaromtrent, of;
o
h. het afleveren van de ontvangen stoffen.
Artikel 8.8 Omgevingsvergunning 1. Voor het verrichten van de volgende activiteiten is een (omgevings)vergunning vereist: a)het innemen van een ligplaats (8.11 van deze Verordening), b)het langer dan 7 x 24 uur achtereen met een schip verblijven in de haven (8.12 van deze Verordening), c)het plaatsen van constructies in gemeentelijk vaarwater (8.16 lid 3 van deze Verordening),
d)het gebruiken van verkeersobjecten in gemeentelijk vaarwater (8.18 van deze Verordening), e)het gebruiken van een generator door een binnenschip in de haven (8.19 van deze Verordening), f)het zwemmen of duiken in gemeentelijk vaarwater (8.22 van deze Verordening), g)het (laten of hebben) liggen van voorwerpen in gemeentelijk vaarwater (8.23 van deze Verordening), h)het gebruiken van voorstuwers (8.24 van deze Verordening, i)het gebruik van een anker e.d. (8.25 van deze Verordening), j)het laden en lossen van een ondeugdelijk afgemeerd schip (8.26 van deze Verordening), k)het zich voortbewegen op een zeilplank, jetski e.d. in gemeentelijk vaarwater (8.28 van deze Verordening), l)het in werking hebben van de hoofdmotor van een afgemeerd schip (8.29 van deze Verordening), m)het verrichten van werkzaamheden i.v.m. de bedrijfsgereedheid of herstel van een schip (8.31 van deze Verordening), n)het ontsmetten van een schip of lading met gassen en stoffen (8.32 van deze Verordening), o)het laten ontsnappen van hinder veroorzakende stoffen (8.35 van deze Verordening), p)het in ontvangst nemen van afvalstoffen van een zeeschip (8.37 van deze Verordening), q)het niet binnen 24 uren na beëindiging van werkzaamheden reinigen van de kaden e.d. (8.39 van deze Verordening). 2. Tenzij bij of op grond van dit hoofdstuk anders is bepaald, wordt een vergunning verleend voor de duur van 1 jaar.
3. Een vergunning voor een eenmalige gedraging of handeling wordt verleend voor de duur van die gedraging of handeling, op voorwaarde dat de vergunning voor maximaal zes maanden wordt verleend. 4. Het college beslist op een aanvraag voor een vergunning op basis van dit hoofdstuk binnen 8 weken na de datum van ontvangst van de aanvraag. 5. Het college kan deze termijn eenmaal met ten hoogste 8 weken verlengen.
Artikel 8.9 Gegevens en bescheiden [ gereserveerd ] Artikel 8.10 Normadressaat 1. Tenzij in deze verordening anders is bepaald, is de schipper verantwoordelijk voor de naleving van het bepaalde bij of op grond van deze verordening. 2. Bij afwezigheid van een schipper, is de exploitant verantwoordelijk voor de naleving van het bepaalde bij of op grond van deze verordening. Innemen van een ligplaats Artikel 8.11 Innemen van een ligplaats •
1.Het is verboden zich met een schip te bevinden op een plaats die: o
a. daartoe niet is bestemd;
o
b. is bestemd voor schepen van een andere categorie;
o
c. is bestemd voor ligplaatsvergunninghouders.
•
2.Het verbod in het eerste lid, aanhef en onder a, geldt niet als dit gebeurt in overeenstemming met de geplaatste verkeerstekens en de daarbij behorende nadere aanduidingen en met instemming van de eigenaar, huurder of erfpachter van het aan de plaats gelegen terrein.
•
3.Het verbod in het eerste lid, aanhef en onder c, geldt niet voor ligplaatsvergunninghouders.
Algemene bepalingen Artikel 8.12 Verblijfsduur in de haven •
1.Het is verboden met een schip langer dan 7 x 24 uur achtereen te verblijven in het havengebied.
•
2.Als een schip terugkeert in de haven zonder dat er sprake is geweest van bedrijfsmatig vervoer als bedoeld in artikel 1 van de Binnenvaartwet, wordt de looptijd of overschrijding van de periode, bedoeld in het eerste lid, geacht niet te zijn onderbroken of beëindigd.
•
3.Het college kan in afwijking van het in het eerste lid gestelde verbod vergunning verlenen.
•
4.Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
Artikel 8.13 Aanwijzingen •
1.Het college kan gebieden aanwijzen waar schepen zich alleen mogen bevinden onder de door het college nader te bepalen voorwaarden.
•
2.Het college kan mondeling of schriftelijk aanwijzingen geven in het belang van de orde en veiligheid in de haven, in het bijzonder ter regeling van het scheepvaartverkeer, het nemen van ligplaats en ter voorkoming van gevaar, schade of hinder.
•
3.Degene tot wie een aanwijzing is gericht, is verplicht de aanwijzing onmiddellijk op te volgen.
Artikel 8.14 Aanwijzing van een havenmeester Het college van Enschede wijst een havenmeester aan. Ordening in en gebruik van de havens en gemeentelijk vaarwater Artikel 8.15 Overlast aan vaartuigen Tenzij bij of op grond van deze verordening anders bepaald is het anderen dan de eigenaar of schipper van een schip niet toegestaan, zonder goedkeuring van de eigenaar of schipper dat schip vast te houden, zich daarop te begeven, zich daarop te bevinden of los te maken. Artikel 8.16 Voorwerpen in, op en boven gemeentelijk vaarwater •
1.Het is verboden voorzieningen of voorwerpen in, op, onder of boven water te hebben, te plaatsen of aan te brengen, als daardoor gevaar, schade of hinder kan ontstaan.
•
2.Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing op het hebben, plaatsen of aanbrengen van scheepstoebehoren en voorzieningen die dienen, en als zodanig in gebruik zijn, voor het laden en lossen van schepen.
•
3.Het college kan van het in het eerste lid vergunning verlenen.
•
4.Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
Artikel 8.17 Bereikbaarheid van afgemeerde vaartuigen
•
1.Een afgemeerd schip beschikt over een toegang die geen gevaar of schade aan personen kan opleveren.
•
2.Het eerste lid geldt niet voor schepen indien: o
a. tijdens laad- en/of loshandelingen een veilige toegang niet gegarandeerd kan worden; of
o
b. het afmeren slechts van korte duur is.
Artikel 8.18 Gebruik van (verkeers)objecten en verkeerstekens •
1.Voor zover hierin niet door het Binnenvaartpolitiereglement wordt voorzien, is het verboden, meerboeien en tonnen in gemeentelijk vaarwater, alsmede tekens, lantaarnpalen, bomen, beschoeiingen, railingen, werken, kadeterreinen, loswallen, taluds, oevers, steigers, trappen, bruggen, sluizen en daarmee vergelijkbare kunstwerken, meergelegenheden, scheepshellingen, dokken, scheepsreparatiewerven, los- en laadplaatsen, bouwwerken of daarmee vergelijkbare objecten op of langs de openbare weg voor een ander doel te gebruiken dan waarvoor deze zijn bestemd.
•
2.Het is verboden te handelen in strijd met verkeerstekens of de daarbij behorende nadere aanduidingen.
•
3.Het college kan in afwijking van het verbod in het eerste lid vergunning verlenen.
•
4.Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
Artikel 8.19 Gebruik van generatoren door binnenschepen •
1.Het is verboden om aan boord van een binnenschip een generator te gebruiken.
•
2.Het college kan in afwijking van het in het eerste lid gestelde verbod vergunning verlenen.
•
3.Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
Artikel 8.20 Maximumvaarsnelheid Het college kan een maximumvaarsnelheid in stellen onder de door het college nadere te bepalen voorwaarden. Artikel 8.21 Breken van ijs Bij ijsgang of dichtgevroren water in de haven is de schipper verplicht, als hij met zijn schip een ligplaats wil innemen of verlaten, of een aanwijzing van het college daartoe ontvangt, voor zijn rekening en risico zo nodig het ijs te breken of een sleepboot te gebruiken. Artikel 8 .22 Verbod tot baden en duiken •
1.Het verboden om in de havens en het gemeentelijk vaarwater of op een andere dan een bij openbare kennisgeving door het college aangegeven openbare zwemplaats te baden of te zwemmen of duikwerkzaamheden uit te voeren.
•
2.Het college kan in afwijking van het verbod in het eerste lid vergunning verlenen.
•
3.Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
Artikel 8.23 Onbeheerd drijvende vaartuigen en drijvende voorwerpen •
1.Het college is bevoegd onbeheerd drijvende vaartuigen die in de havens of het gemeentelijk vaarwater worden aangetroffen, te meren, te verhalen en in bewaring te nemen voor rekening en risico van de rechthebbende(n) van het vaartuig.
•
2.Het is verboden om houtvlotten, balken, bomen, planken, visbunnen of daarmee vergelijkbare voorwerpen in de havens en het gemeentelijk vaarwater te deponeren.
•
3.Het college kan in afwijking van het verbod in het tweede lid vergunning verlenen.
•
4.Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
Gebruik van voortstuwers, ankers Artikel 8.24 Gebruik van voortstuwers •
1.Het is verboden voortstuwers, boegschroeven of hekschroeven te gebruiken als het schip:
o
a. aan de grond zit;
o
b. is afgemeerd, ten anker of op spudpalen ligt, of
o
c. ter hoogte van de kade of oever wordt gaande gehouden of tegen de kade of oever wordt gedrukt, anders dan noodzakelijk voor het ontmeren of afmeren.
•
2.Tijdens het gebruik van voortstuwers, boegschroeven of hekschroeven is een persoon die bekend is met de bediening van het schip in de stuurhut aanwezig.
•
3.Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing als het een aan een ander schip gemeerd bunker- of bevoorradingsschip betreft, dat moet bij- of afdraaien om schade te voorkomen.
•
4.Het college kan in afwijking van het eerste lid vergunning verlenen.
•
5.Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
Artikel 8.25 Gebruik van ankers •
1.Het is verboden een anker te gebruiken, tenzij: o
a. ligplaats wordt genomen in een boeienspan of een palenligplaats, of
o
b. dit gebeurt door een drijvende kraan, waarbij zeker is gesteld dat gebruik van een anker geen schade toebrengt aan de in de onderwaterbodem aangebrachte leidingen, kabels, duikers of oever- of kadeverdedigingswerken en het voornemen daartoe overeenkomstig het tweede lid aan de havenmeester is gemeld.
•
2.De melding bedoeld in het eerste lid vindt plaats per telefoon, per marifoon op het daarvoor bestemde kanaal, per fax of per e-mail.
•
3.Het college kan in afwijking van het in het eerste lid gestelde verbod vergunning verlenen.
•
4.Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
Artikel 8.26 Deugdelijk afmeren •
1.Het is verboden te laden of te lossen op een schip dat op ondeugdelijke wijze is afgemeerd.
•
2.Het is verboden om de Safe Working Load van aan de wal geplaatste bolders te overschrijden. De Safe Working Load van bolders geldt bij een verticale troshoek van maximaal 45 graden.
•
3.Het college kan in afwijking van het in dit artikel bepaalde vergunning verlenen.
•
4.Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
Artikel 8.27 Hond aan boord Ligplaatshouders die (een) hond(en) aan boord van hun vaartuig hebben, zijn, indien ambtenaren die belast zijn met de zorg voor de nakoming van de bij of krachtens deze verordening gegeven voorschriften dit verlangen, verplicht om deze hond(en) bij het betreden van het vaartuig door die ambtenaren en gedurende hun verblijf aan boord vast te leggen en vastgelegd te houden. Artikel 8.28 Zeilplanken e.d. •
1.Het is een ieder verboden om zich in de havens en het gemeentelijk vaarwater met een zeilplank, een jetski, hovercraft, waterscooter of daarmee vergelijkbaar vaartuig dan wel zich met waterski’s of daarmee vergelijkbare voorwerpen voort te bewegen.
•
2.Het college kan in afwijking van het verbod in het eerste lid vergunning verlenen.
•
3.Het college kan nadere voorschriften en beperkingen verbinden aan de vergunning bedoeld in het tweede lid.
•
4.Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
Artikel 8.29 Verbod gebruik hoofdmotor •
1.Het is verboden in de haven op een afgemeerd schip de hoofdmotor in werking te hebben, met uitzondering van direct voor vertrek van het schip.
•
2.Het college kan in afwijking van het in het eerste lid gestelde verbod vergunning verlenen.
•
3.Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
Artikel 8.30 Reddingsmiddelen Het is verboden een voor het redden van drenkelingen bestemd en daartoe in de omgeving van de havens en het gemeentelijk vaarwater aangebracht voorwerp te gebruiken voor een ander doel dan wel voor dadelijk gebruik ongeschikt te maken. Werkzaamheden aan schepen en ontsmetten Artikel 8.31 Werkzaamheden •
1.Het is verboden om aan, buitenboord of onder een schip of aan een voorwerp aan boord van een schip werkzaamheden te verrichten of doen verrichten, die verband houden met de bedrijfsgereedheid, de aanpassing, het herstel of de verbetering van het schip of het voorwerp, tenzij: o
a. het schip ligplaats heeft op of bij een scheepswerf of herstellingsinrichting waarvoor een vergunning op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is verleend, of
o
b. per scheepsbezoek aan de haven de te verrichten werkzaamheden ten hoogste drie dagen in beslag nemen en er door de werkzaamheden geen gevaar, schade of hinder kan ontstaan, en:
•
I . als de werkzaamheden plaatsvinden op een tankschip of aan of in een brandstoftank van een schip, er voor de reparatiewerkzaamheden door een gasdeskundige als bedoeld in artikel 4.1 van de Arbeidsomstandighedenregeling een Veiligheidsen Gezondheidsverklaring is afgegeven voor de uit te voeren werkzaamheden;
•
II. dat doelmatige brandblusmiddelen en personen die met het gebruik van die middelen bekend zijn beschikbaar zijn, en
•
III. de werkzaamheden plaatsvinden op ten minste 25 meter van gevaarlijke stoffen of brandbaar materiaal.
•
2.Het college kan in afwijking van het in het eerste lid gestelde verbod vergunning verlenen.
•
3.Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
Artikel 8.32 Ontsmetten van schepen •
1.Het is verboden een schip of de lading te ontsmetten door het te behandelen met gassen of stoffen die gassen afstaan.
•
2.In afwijking van het eerste lid is het verboden een schip, geladen met los gestorte bulklading in vaste vorm die is behandeld met gassen of stoffen die gassen afstaan, te ontsmetten, tenzij dit wordt gedaan door een gasmeetdeskundige die in het bezit is van een bewijs van vakbekwaamheid als bedoeld in artikel 71, tweede en vierde lid, van de Wet gewasbescherming en biociden, en voor het schip een verklaring is afgegeven dat het schip en de lading voldoende vrij zijn van gassen of stoffen.
•
3.Het college kan in afwijking van de in het eerste en tweede lid gestelde verboden vergunning verlenen.
•
4.Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
Bunkeren Artikel 8.33 Bunkeren •
1.Het is verboden om een binnenschip te bunkeren, tenzij: o
a. de daarbij betrokken schepen beschikken over een bunkercontrolelijst die volledig, positief en naar waarheid is ingevuld;
o
b.
deze bunkerlijst is ondertekend door de voor het bunkeren verantwoordelijke personen; o
c. tijdens het bunkeren het daarover in de bunkercontrolelijst gestelde wordt nageleefd.
•
2.De bunkercontrolelijst wordt tijdens en tot vierentwintig uur na het einde van de bunkering aan boord van de daarbij betrokken schepen gehouden.
•
3.Als meer dan één bunkerlichter betrokken is bij de aanlevering van een partij bunkerolie vult iedere bunkerlichter voor zich een afzonderlijke bunkercontrolelijst in, die wordt ondertekend door bij de bunkering betrokken partijen.
Artikel 8.34 Stuwadoorsmaterieel en garneren van goederen •
1.Het is verboden om zonder toestemming van de havenmeester na afloop van de laad- en loswerkzaamheden stuwadoorsmaterieel op of bij gemeentelijke werken en wegen achter te laten.
•
2.Het is verboden om goederen, die met vorkhefwagens moeten worden verwerkt, op of bij gemeentelijke werken en wegen anders op te slaan dan met gebruikmaking van houten onderliggers van voldoende dikte om bij het onderschuiven van de vork beschadiging aan het oppervlak van de gemeentelijke werken en wegen te voorkomen.
Veiligheid en milieu Artikel 8.35 Milieuschade en hinder veroorzakende stoffen •
1.Het is verboden stoffen uit een schip te laten ontsnappen, waardoor gevaar, schade of hinder ontstaat of kan ontstaan.
•
2.Het college kan in afwijking van het in het eerste lid gestelde verbod vergunning verlenen.
Artikel 8.36 Gebruik afvalverbrandingsoven Het is verboden aan boord van een schip een afvalverbrandingsoven in gebruik te hebben. Artikel 8. 37 Vergunning ontvangstvoorzieningen •
1.Het is verboden zonder vergunning van het college scheepsafval, overige schadelijke stoffen of restanten van schadelijke stoffen die
rechtstreeks afkomstig zijn van schepen die de haven aandoen in ontvangst te nemen. •
2.Onverminderd artikel 8.7 lid 2 kan het college voorschriften en beperkingen verbinden aan een vergunning als bedoeld in het eerste lid, die onder meer betrekking kunnen hebben op: o
a. de soort ontvangstvoorzieningen en de veranderingen daarvan;
o
b. geschiktheid en beschikbaarheid van de ontvangstvoorzieningen;
o
c. de verplichting tot het in ontvangst nemen van scheepsafvalstoffen;
o
d. de soorten stoffen waarvoor de aanwijzing geldt;
o
e. melden van ontvangst van scheepsafvalstoffen en het verstrekken van gegevens daaromtrent;
o
f. de maximale verblijfsduur van de ontvangen stoffen in de ontvangstvoorzieningen en het verstrekken van gegevens en houden van registratie daaromtrent, of;
o
g. het afleveren van de ontvangen stoffen.
•
3.Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
Artikel 8.38 Verplaatsen van schepen
•
1.Het college kan een exploitant of schipper schriftelijk opdragen een schip te verplaatsen of te laten verplaatsen naar een andere ligplaats, als dit in het kader van de bescherming van de orde, de veiligheid of het milieu in of in de omgeving van de haven noodzakelijk is.
•
2.Als geen gevolg wordt gegeven aan de opdracht een schip te verplaatsen kan het college het schip voor rekening en risico van de exploitant verhalen of doen verplaatsen.
•
3.In spoedeisende gevallen of als de exploitant onbekend is, kan het college het schip voor rekening en risico van de exploitant direct verhalen of doen verplaatsen.
Artikel 8.39 Reinigen van openbare kaden, terreinen en wegen •
1.Onverminderd het bepaalde in de Algemene Plaatselijke Verordening van de gemeente zijn de gebruikers van de gemeentelijke werken en wegen, verplicht er op toe te zien dat, indien ten gevolge van door hen of op hun last verrichte werkzaamheden, waaronder transporten mede zijn begrepen, restanten lading, emballage, garnering, vuilnis, puin, gruis, kalk, sintels, kolen, aarde, olieproducten of afvallen daarvan, smeer of daarmee vergelijkbare (vloei)stoffen op de gemeentelijke werken en wegen na afloop van de werkzaamheden achterblijven, behoorlijk, zulks ter beoordeling van de havenmeester, te reinigen binnen 24 uren na beëindiging van de werkzaamheden, en indien die werkzaamheden langer dan een dag duren, ten minste één (1) maal per etmaal.
•
2.Indien de gebruikers aan de in het vorige bedoelde verplichting niet of niet tijdig voldoen, kan het college besluiten de schoonmaakwerkzaamheden op kosten van degenen, die het reinigen hebben nagelaten, te laten verrichten.
•
3.Het college kan in afwijking van de in het eerste lid opgenomen verplichting vergunning verlenen.
Plezier- en zeilvaart in de haven Artikel 8.40 Plezier- en zeilvaart in de haven •
1.Het is verboden zich met een pleziervaartuig, waarmee al dan niet eveneens bedrijfsmatig wordt gevaren, in de haven te bevinden, tenzij: o
a. het schip ligplaats heeft genomen in overeenstemming met het ligplaatsenoverzicht, de geplaatste verkeerstekens en de
daarbij behorende nadere aanduidingen of met instemming van de eigenaar, huurder of erfpachter van het aan de plaats gelegen terrein, of o
b. het schip zich rechtstreeks en zonder onderbreking begeeft naar een in de haven gelegen ligplaats waar het in overeenstemming met het ligplaatsenoverzicht, de geplaatste verkeerstekens en de daarbij behorende nadere aanduidingen of met instemming van de eigenaar, huurder of erfpachter van het aan de plaats gelegen terrein ligplaats zal nemen.
•
2.Het college kan in afwijking van het in het eerste lid gestelde verbod vergunning verlenen.
•
3.Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
Handhaving en toezicht Artikel 8.41 Toezicht •
1.Met het toezicht op de naleving van het bij of op grond van deze verordening bepaalde is belast de havenmeester.
•
2.Het college kan daarnaast andere personen met dit toezicht belasten.
Artikel 8.42 Binnentreden woning op vaartuig Zij die belast zijn met het toezicht op de naleving of de opsporing van een overtreding van de bij of op grond van deze verordening gegeven voorschriften die strekken tot handhaving van de openbare orde of veiligheid of bescherming van het leven of de gezondheid van personen, zijn bevoegd tot het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner. Overgangsrecht Artikel 8.43 Overgangsrecht •
1.Op aanvragen om een vergunning of ontheffing die vóór de inwerkingtreding van de Verordening kwaliteit leefomgeving zijn gedaan en waarop door het college op het moment van inwerkingtreding van deze verordening nog niet is beslist, worden de desbetreffende bepalingen van deze verordening toegepast.
•
2.De intrekking van de "Havenverordening Enschede 2018" heeft geen gevolgen voor de geldigheid van op basis van die verordening genomen nadere regels, beleidsregels en aanwijzingsbesluiten, indien en voor zover de rechtsgrond waarop deze besluiten zijn gebaseerd ook vervat is in deze verordening en voor zover deze besluiten niet eerder zijn vervallen of ingetrokken.
Hoofdstuk 9 Activiteiten met betrekking tot het maken van geluid Artikel 9.1 Activiteiten Dit hoofdstuk gaat over activiteiten die betrekking hebben op het veroorzaken van geluidsoverlast. Artikel 9.2 Oogmerken [ gereserveerd ] Artikel 9.3 Specifieke zorgplicht [ gereserveerd ] Artikel 9.4 Algemene regels [ gereserveerd ] Artikel 9.5 Beoordelingsregels [ gereserveerd ] Artikel 9.6 Meldingsplicht [ gereserveerd ] Artikel 9.7 Maatwerkvoorschriften [ gereserveerd ] Artikel 9.8 Omgevingsvergunning Voor het verrichten van de volgende activiteiten is een omgevingsvergunning vereist: het veroorzaken van geluid op een zodanige wijze dat voor een omwonende of voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt (artikel 9.13 van deze verordening). Artikel 9.9 Gegevens en bescheiden [ gereserveerd ] Geluidhinder bij collectieve en incidentele festiviteiten Artikel 9.10 Aanwijzing collectieve festiviteiten •
1.De geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer (hierna: Besluit) [ en na inwerkingtreding ervan: de Omgevingswet en daarop gebaseerde besluiten ] en artikel 9.12 van deze verordening gelden niet voor door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen.
•
2.De voorwaarden met betrekking tot de verlichting ten behoeve van sportbeoefening in de buitenlucht als bedoeld in artikel 4.113, eerste
lid van het Besluit gelden niet voor door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen. •
3.In een aanwijzing als bedoeld in het eerste en tweede lid, kan het college bepalen dat de aanwijzing slechts geldt in een of meer van de volgende (stads)delen noord, zuid, centrum, oost en west exclusief het gebied buiten de bebouwde kom.
•
4.Het college maakt de aanwijzing ten minste vier weken voor het begin van een nieuw kalenderjaar bekend.
•
5.Het college kan wanneer een collectieve festiviteit redelijkerwijs niet te voorzien was, een festiviteit terstond als collectieve festiviteit als bedoeld in het eerste lid aanwijzen.
•
6.Het equivalente geluidsniveau LAeq veroorzaakt door activiteiten, bedraagt niet meer dan 70 dB(A), gemeten op de gevel van gevoelige gebouwen op een hoogte van 1,5 meter. Onder het equivalente geluidsniveau wordt verstaan, het in de meterstand LAeq (“Fast”) gemeten niveau gedurende minimaal één minuut.
•
7.De geluidswaarde als bedoeld in het zesde lid is inclusief onversterkte muziek en exclusief 10 dB(A) toeslag vanwege muziekcorrectie. Tevens wordt de bedrijfsduurcorrectie buiten beschouwing gelaten.
•
8.Op de dagen als bedoeld in het eerste lid dient het ten gehore brengen van extra muziek - hoger dan de geluidsnorm als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Besluit en artikel 9.12 van deze verordening - uiterlijk om 24.00 uur te worden beëindigd. Dit tijdstip is met één uur verlengd indien de dag volgend op de festiviteit een zaterdag of zondag betreft dan wel de volgende dag: o
a. valt binnen de basisschoolvakanties;
o
b. Nieuwjaarsdag, Tweede Paasdag, Koninginnedag, Hemelvaartsdag of Tweede Pinksterdag is.
Artikel 9.11 Kennisgeving incidentele festiviteiten •
1.Het is degene die een activiteit verricht waarbij geluid wordt gemaakt toegestaan maximaal 2 incidentele festiviteiten per
kalenderjaar te houden waarbij de geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Besluit en na de inwerkingtreding, de Omgevingswet en daarop gebaseerde besluiten en artikel 9.10 van deze verordening niet van toepassing zijn mits de houder van de inrichting ten minste twee weken voor de aanvang van de festiviteit het college daarvan in kennis heeft gesteld. •
2.Het is een inrichting toegestaan om tijdens maximaal 2 incidentele festiviteiten per kalenderjaar de verlichting langer aan te houden ten behoeve van sportactiviteiten waarbij artikel 4.113 lid 1 van het Besluit niet van toepassing is mits de houder van de inrichting ten minste 10 werkdagen voor de aanvang van de festiviteit het college daarvan in kennis heeft gesteld.
•
3.Het college stelt een formulier vast voor het doen van een kennisgeving.
•
4.De kennisgeving wordt geacht te zijn gedaan wanneer het formulier, volledig en naar waarheid ingevuld, tijdig is ingeleverd op de plaats op dat formulier vermeld.
•
5.De kennisgeving wordt tevens geacht te zijn gedaan wanneer het college op verzoek van de houder van een inrichting een incidentele festiviteit, die redelijkerwijs niet te voorzien was, terstond toestaat.
•
6.Het equivalente geluidsniveau LAeq veroorzaakt door de inrichting, bedraagt niet meer dan 70 dB(A), gemeten op de gevel van gevoelige gebouwen op een hoogte van 1,5 meter. Onder het equivalente geluidsniveau wordt verstaan, het in de meterstand LAeq (“Fast”) gemeten niveau gedurende minimaal één minuut.
•
7.De geluidswaarde als bedoeld in het zesde lid is inclusief onversterkte muziek en exclusief 10 dB(A) toeslag vanwege muziekcorrectie. Tevens wordt de bedrijfsduurcorrectie buiten beschouwing gelaten.
•
8.Op de dagen als bedoeld in het eerste lid dient het ten gehore brengen van extra muziek - hoger dan de geluidsnorm als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Besluit en artikel 9.12 van deze verordening - uiterlijk om 24.00 uur te worden beëindigd. Dit tijdstip is met één uur verlengd indien de dag volgend op de festiviteit een zaterdag of zondag betreft dan wel de volgende dag: o
a. valt binnen de basisschoolvakanties;
o
b. Nieuwjaarsdag, Tweede Paasdag, Koninginnedag, Hemelvaartsdag of Tweede Pinksterdag is.
Onversterkte muziek Artikel 9.12 Onversterkte muziek •
1.Bij het ten gehore brengen van onversterkte muziek, zoals bedoeld in artikel 2.18, eerste lid onder f en vijfde lid van het Besluit binnen inrichtingen en na de inwerkingtreding, de Omgevingswet en daarop gebaseerde besluiten is de onder e. opgenomen tabel van toepassing, met dien verstande dat: o
a. de in de tabel aangegeven waarden binnen in- of aanpandige gevoelige gebouwen niet gelden indien de gebruiker van deze gevoelige gebouwen geen toestemming geeft voor het in redelijkheid uitvoeren of doen uitvoeren van geluidsmetingen;
o
b. de in de tabel aangegeven waarden op de gevel ook gelden bij gevoelige terreinen op de grens van het terrein;
o
c. de waarden in in- en aanpandige gevoelige gebouwen, voor zover het woningen betreft, gelden in geluidsgevoelige ruimten en verblijfsruimten;
o
d. bij het bepalen van de geluidsniveaus zoals vermeld in de tabel geen bedrijfsduurcorrectie wordt toegepast.
o
e. Tabel 7.00 – 19.00 uur
19.00 – 23.00 uur
23.00 – 7.00 uur
LAr,LT op de gevel van gevoelige gebouwen
50 dB(A)
45 dB(A)
40 dB(A)
LAr,LT in in- en aanpandige gevoelige gebouwen
35 dB(A)
30 dB(A)
25 dB(A)
LAmax op de gevel van gevoelige gebouwen
70 dB(A)
65 dB(A)
60 dB(A)
LAmax in in- en aanpandige gevoelige gebouwen
55 dB(A)
50 dB(A)
45 dB(A)
•
2.Voor de duur van 4 uur in de week is onversterkte muziek, vanwege het oefenen door muziekgezelschappen zoals orkesten, harmonie- en fanfaregezelschappen, in een gebouw gedurende de dag- en avondperiode uitgezonderd van de genoemde geluidsniveaus in het eerste lid. Indien versterkte elementen worden gecombineerd met onversterkte elementen, wordt het hele samenspel beschouwd als versterkte muziek en is het Besluit van toepassing.
•
3.Het eerste lid geldt niet indien artikel 9.10 of artikel 9.11 van deze verordening van toepassing is.
Overige geluidhinder Artikel 9.13 Overige geluidhinder •
1.Het is verboden buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer of het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer toestellen of geluidsapparaten en na de inwerkingtreding, de Omgevingswet en daarop gebaseerde besluiten in werking te hebben of handelingen te verrichten op een zodanige wijze dat voor een omwonende of voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt.
•
2.Het college kan in afwijking van het verbod vergunning verlenen.
•
3.Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet geluidhinder, de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit of de Provinciale Omgevingsverordening en na de inwerkingtreding, de Omgevingswet en daarop gebaseerde besluiten.
•
4.Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
Hoofdstuk 10 Activiteiten met betrekking tot inzamelen en verbranden van afvalstoffen Artikel 10.1 Activiteiten Dit hoofdstuk gaat over activiteiten die betrekking hebben op de inzameling en verbranding van afvalstoffen en bevat regels die zijn gericht op de bescherming van het milieu, met inbegrip van een doelmatig beheer van afvalstoffen. In bijlage 10.1.is in het kader van dit hoofdstuk de begrenzing van de Binnenstad aangegeven. Artikel 10.2 Oogmerken [ gereserveerd ] Artikel 10.3 Specifieke zorgplicht [ gereserveerd ] Artikel 10.4 Algemene regels Het college kan in het belang van de bescherming van de openbare orde en veiligheid, de bescherming van de volksgezondheid of de bescherming van flora & fauna nadere regels vaststellen: •
a. voor het verbranden van afvalstoffen buiten een inrichting in de zin van artikel 10.2 van de Wet milieubeheer en na de inwerkingtreding van de Omgevingswet, als activiteit in de zin van de Omgevingswet of anderszins vuur aanleggen of stoken ;
•
b. over de voorbereiding van de aanwijzing en over het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen ;
•
c. voor categorieën van ter inzameling aanbieden of achterlaten van bestanddelen van huishoudelijke afvalstoffen als bedoeld in artikel 10.16 van deze Verordening;
•
d. voor categorieën van percelen m.b.t. de wijze en plaats van aanbieding van huishoudelijke afvalstoffen als bedoeld in artikel 10.18 van deze Verordening;
•
e. voor het aanbieden of overdragen van bedrijfsafvalstoffen als bedoeld in artikel 10.21 van deze Verordening.
Artikel 10.5 Beoordelingsregels [ gereserveerd ] Artikel 10.6 Meldingsplicht [ gereserveerd ] Voor het verrichten van de volgende activiteiten is een melding vereist: het branden van een paasvuur als bedoeld in artikel 6 van de Nadere regels verbranden afval en stoken van vuur als bedoeld in bijlage 10.10 van deze Verordening. Artikel 10.7 Maatwerkvoorschriften [ gereserveerd ] Artikel 10.8 Omgevingsvergunning Voor het verrichten van de volgende activiteiten is een omgevingsvergunning vereist: a. het in afwijking van de algemene regels verbranden van afvalstoffen en het stoken van een vuur (10.10 lid 5 van deze Verordening) en het buiten een daartoe bestemde voorziening storten van afvalstoffen (10.22 van deze Verordening). Artikel 10.9 Gegevens en bescheiden [ gereserveerd ] Verbranden van afvalstoffen en stoken Artikel 10.10 Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken •
1.Het is verboden afvalstoffen te verbranden buiten een inrichting in de zin van artikel 10.2 van de Wet milieubeheer en na inwerkingtreding ervan: de Omgevingswet en daarop gebaseerde besluiten of anderszins in de openlucht vuur aan te leggen, te stoken, in stand te houden of te hebben.
•
2. Het verbod als bedoeld in lid 1 geldt niet indien sprake is van:
a. verlichting door middel van kaarsen, fakkels en dergelijke; b. sfeervuren zoals terrashaarden en vuurkorven (indien geen afvalstoffen worden verbrand); c. vuur voor koken, bakken en braden en geen gevaar, overlast of hinder wordt veroorzaakt voor de omgeving. • 3.Het verbod als bedoeld in lid 1 geldt niet indien wordt voldaan aan de door het college vastgestelde Nadere regels als bedoeld in lid 4.
•
4.Het college kan in het belang van de bescherming van de openbare orde en veiligheid, de bescherming van de volksgezondheid of de bescherming van flora & fauna nadere regels vaststellen voor het verbranden van afvalstoffen buiten een inrichting in de zin van artikel 10.2 van de Wet milieubeheer en na inwerkingtreding ervan: de Omgevingswet en daarop gebaseerde besluiten of anderszins vuur aanleggen of stoken.
•
5.Het college kan in afwijking van het verbod in het eerste lid en van de nadere regels als bedoeld in het vierde lid vergunning verlenen.
•
6.Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
•
7.Het verbod geldt niet voor zover in het geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1 of 3, van het Wetboek van Strafrecht of de Provinciale milieuverordening.
Huishoudelijke afvalstoffen Artikel 10.11 Aanwijzing van de inzameldienst •
1. Het college wijst de inzameldienst aan die is belast met de inzameling van huishoudelijke afvalstoffen.
•
2. Aan de aanwijzing kunnen voorschriften worden verbonden en beperkingen worden gesteld. Afdeling 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdige beslissing) is niet van toepassing.
•
3. Het college kan nadere regels stellen over de voorbereiding van de aanwijzing en over het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen (‘Uitvoeringsbesluit Afvalstoffen gemeente Enschede’)
Artikel 10.12 Regulering van andere inzamelaars •
1.Het is anderen dan de inzameldienst verboden huishoudelijke afvalstoffen in te zamelen, tenzij de inzamelaar: o
a.
daartoe is aangewezen door het college; o
b. bij nadere regels van het college van het verbod is vrijgesteld; of
o
c. verplicht is tot inname, bedoeld in artikel 9.5.2, derde lid, aanhef en onderdeel b, of vierde lid, van de Wet milieubeheer en na inwerkingtreding ervan: de Omgevingswet en daarop gebaseerde besluiten.
•
2.Op de aanwijzing van een inzamelaar, bedoeld in het eerste lid, onder a, is artikel 10.11, tweede lid van deze Verordening, van overeenkomstige toepassing.
Artikel 10.13 Aanwijzing van inzamelplaats Het college draagt zorg voor ten minste één daartoe ter beschikking gestelde plaats binnen de gemeente, waar in voldoende mate gelegenheid wordt geboden om huishoudelijke afvalstoffen, met inbegrip van grof huishoudelijk afval, achter te laten. Artikel 10.14 Algemene verboden Het is verboden huishoudelijke afvalstoffen: a. ter inzameling aan te bieden aan een ander dan de inzameldienst of een inzamelaar als bedoeld in artikel 10.11, eerste lid van deze Verordening; b. over te dragen aan een ander dan een inzamelaar als bedoeld in artikel 10.12, eerste lid van deze Verordening; of c. achter te laten op een andere plaats dan de inzamelplaats, bedoeld in artikel 10.13 van deze Verordening. Artikel 10.15 Afvalscheiding •
1.Het college stelt regels over de bestanddelen van huishoudelijke afvalstoffen die afzonderlijk door de inzameldienst worden ingezameld, over de frequentie van de inzameling van elk van deze bestanddelen, en over de locaties van deze inzameling bij of nabij elk perceel.
•
2.In ieder geval de volgende bestanddelen huishoudelijke afvalstoffen worden afzonderlijk ingezameld:
o
a. bioafval;
o
b. papier en karton;
o
c. glas;
o
d. textiel;
o
e. [tekst is vervallen];
o
f. elektrische of elektronische apparatuur;
o
g. klein chemisch afval.
o
h. metaal
•
3.Kunststof verpakkingsmateriaal, metalen verpakkingen en drankkartons worden onder de noemer ‘verpakkingen’ gezamenlijk ingezameld.
Artikel 10.16 Gescheiden aanbieding •
1.Het is verboden de bestanddelen van huishoudelijke afvalstoffen, bedoeld in artikel 10.15, anders dan afzonderlijk: o
• ter inzameling aan te bieden;
o
• achter te laten op een inzamelplaats, bedoeld in artikel 10.13
•
2.Het college kan nadere regels stellen. Deze regels kunnen voor categorieën van gevallen of personen een vrijstelling inhouden van het verbod, bedoeld in het eerste lid.
•
3.In afwijking van het eerste lid is het verboden de bestanddelen van huishoudelijke afvalstoffen waarvoor geen gescheiden inzameling geldt als bedoeld in artikel 10.15 anders aan te bieden dan afzonderlijk of gezamenlijk met de bestanddelen van huishoudelijke afvalstoffen, genoemd in artikel 10.15, derde lid.
Artikel 10.17 Tijdstip van aanbieding Het is verboden huishoudelijke afvalstoffen ter inzameling aan te bieden anders dan op de door het college daartoe bepaalde dag en tijden. Deze kunnen voor verschillende bestanddelen verschillend worden vastgesteld. Artikel 10.18 Wijze en plaats van aanbieding •
1.Het is verboden huishoudelijke afvalstoffen ter inzameling aan te bieden anders dan in overeenstemming met de door het college te stellen regels over: o
a. het gebruik van inzamelmiddelen voor het aanbieden ter inzameling bij een perceel;
o
b. het gebruik van inzamelvoorzieningen voor het aanbieden ter inzameling nabij een perceel;
o
c. het aanbieden van afvalstoffen bij de inzamelplaats, bedoeld in artikel 10.13 van deze Verordening.
•
2.Het is verboden om een inzamelmiddel na afloop van de tijden, bedoeld in artikel 10.17 van deze Verordening, buiten een perceel te laten staan.
•
3.Het college kan nadere regels stellen voor categorieën van percelen. Deze regels kunnen een vrijstelling van het verbod inhouden.
•
4. Van het ter inzameling aanbieden van huishoudelijk afvalstoffen uit lid 1 van dit artikel, is geen sprake indien iemand grof afval brengt,
stort, achterlaat of anderszins plaatst dat niet bestemd is voor de betreffende inzamelvoorziening of inzamelmiddel. Bedrijfsafvalstoffen Artikel 10.19 Inzameling bedrijfsafvalstoffen door inzameldienst Het college kan bestanddelen van bedrijfsafvalstoffen aanwijzen die worden ingezameld door de inzameldienst die is aangewezen krachtens artikel 10.11 van deze Verordening in gevallen waarin de voor deze inzameling bij of krachtens de vastgestelde en geldende verordening regelende de heffing en invordering van reinigingsheffingen verschuldigde heffing is voldaan. Artikel 10.20 Aanbieden ter inzameling van bedrijfsafvalstoffen Het is verboden anders dan in overeenstemming met artikel 10.19 bedrijfsafvalstoffen ter inzameling door de inzameldienst aan te bieden, aan de inzameldienst over te dragen of bij de inzamelplaats, bedoeld in artikel 10.13 van deze Verordening achter te laten. Artikel 10.21 Regeling van inzameling van bedrijfsafvalstoffen •
1.Het is verboden bedrijfsafvalstoffen ter inzameling aan te bieden anders dan in overeenstemming met de door het college te stellen regels over de dagen, tijden, wijzen en plaatsen van inzameling van de krachtens artikel 10.19 van deze Verordening aangewezen bedrijfsafvalstoffen.
•
2.Het college kan nadere regels stellen voor het aanbieden of overdragen van bedrijfsafvalstoffen. Deze regels kunnen mede worden vastgesteld voor anderen dan de inzameldienst (‘Uitvoeringsbesluit Afvalstoffen gemeente Enschede 2022’). Deze regels kunnen een vrijstelling van het verbod, bedoeld in het eerste lid, inhouden.
Zwerfafval en overige Artikel 10.22 Dumpingsverbod •
1.Het is verboden zonder vergunning van het college, buiten een inrichting, hinder of nadelige beïnvloeding van het milieu te veroorzaken, door een afvalstof, een stof of een voorwerp op of in de bodem te brengen, te storten, te houden, achter te laten of anderszins daar te plaatsen.
•
2.Het eerste lid is niet van toepassing op: o
a.
het aanbieden, overdragen of achterlaten van huishoudelijke afvalstoffen of bedrijfsafvalstoffen in overeenstemming met deze verordening; o
b. het composteren van huishoudelijk groente-, fruit- of tuinafval op het perceel waar dit is ontstaan;
o
c. het laden, lossen of vervoeren van afvalstoffen, met inbegrip van daarbij niet te vermijden plaatsing van afvalstoffen, stoffen of voorwerpen op de weg, bedoeld in artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994;
o
d. handelingen die zijn verboden bij of krachtens de Wet bodembescherming, de Waterwet of het Besluit bodemkwaliteit en na inwerkingtreding ervan: de Omgevingswet en daarop gebaseerde besluiten.
•
3.Indien de in strijd met dit artikel aangetroffen stof of stoffen worden herleid tot één persoon of meer personen, worden zij aangemerkt als overtreder(s), waarop artikel 10.28 van deze Verordening van toepassing is.
•
4.Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
Artikel 10.23 Zwerfafval in de openbare ruimte •
1.Het is verboden huishoudelijke afvalstoffen van beperkte omvang en gewicht die zijn ontstaan buiten een perceel, achter te laten in de openbare ruimte, anders dan in daartoe bestemde afvalbakken of andere middelen ter inzameling van deze afvalstoffen.
•
2.Reclamedrukwerk, ander promotiemateriaal en de verpakking daarvan, die in weerwil van het eerste lid in de openbare ruimte wordt weggeworpen of achtergelaten, wordt terstond opgeruimd door degene die het in de betreffende omgeving onder het publiek verspreidde.
•
3.Het is verboden ter inzameling gereedstaande afvalstoffen of inzamelmiddelen te doorzoeken of te verspreiden, te stoten, te schoppen, omver te werpen of door deze anderszins te behandelen.
Artikel 10.23A Ongeadresseerd drukwerk •
1.Het is verboden een huis-aan-huisblad te bezorgen indien de bewoner of gebruiker expliciet kenbaar heeft gemaakt geen huis-aanhuisblad te wensen ontvangen
•
2.Het is verboden om ongeadresseerd reclamedrukwerk te bezorgen bij een perceel indien de bewoner of gebruiker niet kenbaar heeft gemaakt prijs te stellen op het ontvangen ervan.
Artikel 10.24 Zwerfafval rondom inrichtingen en na de inwerkingtreding van de Omgevingswet: bij het verrichten van activiteiten 1. Degene die een inrichting drijft en na de inwerkingtreding van de Omgevingswet: die een activiteit verricht waar eet- of drinkwaren worden verkocht die ter plaatse kunnen worden genuttigd, draagt zorg voor de aanwezigheid in of nabij de inrichting, van een voor gebruik door het publiek beschikbare en tijdig geleegde afvalbak of soortgelijk middel voor het houden van afval. 2. Degene die de inrichting drijft en na de inwerkingtreding van de Omgevingswet: die een activiteit verricht als bedoeld in lid 1, verwijdert zo vaak als nodig etenswaren, verpakkingen, afval of andere materialen die kennelijk uit de inrichting afkomstig zijn of voor de inrichting zijn bestemd binnen een straal van ten minste 25 meter van de inrichting. 3. De vorige leden gelden niet voor situaties waarin wordt voorzien door het Activiteitenbesluit milieubeheer en na de inwerkingtreding van de Omgevingswet: Besluit activiteiten leefomgeving. Artikel 10.25 Afval en verontreiniging op de weg •