Verordening kwaliteit leefomgeving 2023
Tekst van het document
1.Het is verboden een weg, bedoeld in artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994, te verontreinigen of het milieu nadelig te beïnvloeden door afvalstoffen, stoffen of voorwerpen te laden, te lossen of te vervoeren of andere werkzaamheden te verrichten.
•
2.Degene die in strijd met het eerste lid de weg verontreinigt of het milieu nadelig beïnvloedt, of diens opdrachtgever, zorgt terstond na de beëindiging van de werkzaamheden van die dag voor het reinigen
van de weg, of zoveel eerder als nodig is om de veiligheid van het verkeer of de bescherming van het wegdek te verzekeren. Artikel 10.26 Geen opslag van afval in de open lucht Het is verboden afvalstoffen op een voor het publiek waarneembare plaats in de open lucht en buiten een inrichting als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer en na de inwerkingtreding van de Omgevingswet: als activiteit als bedoeld in de Omgevingswet op te slaan of opgeslagen te hebben, anders dan door het in overeenstemming met de artikelen 10.11 tot en met 10.18 van deze verordening aanbieden of overdragen van huishoudelijke afvalstoffen. Artikel 10.27 Ontdoen van autowrakken Het is verboden zich te ontdoen van een autowrak dat afkomstig is van een perceel, anders dan door afgifte aan een inrichting als bedoeld in artikel 6 van het Besluit beheer autowrakken en na de inwerkingtreding van de Omgevingswet: als activiteit in de zin van de Omgevingswet c.q. Besluit activiteiten leefomgeving. Artikel 10.27A Kadavers van gezelschapsdieren •
1.In deze verordening wordt verstaan onder “gezelschapsdier”: gezelschapsdier als in artikel 1.1 onder punt 2 van het Besluit houders van dieren.
•
2.Burgemeester en wethouders kunnen een ondernemer aanwijzen die belast is met de inzameling van kadavers van gezelschapsdieren.
•
3.Van ingezamelde kadavers wordt aangifte gedaan bij Rendac Son B.V.. De kadavers worden bewaard en overgedragen aan Rendac Son B.V. in overeenstemming met het bepaalde bij of krachtens artikel 3.1 van de Wet dieren.
•
4.Het is de houder van een gezelschapsdier verboden, om later dan op de eerste werkdag die volgt op de dag waarop het gezelschapsdier dood is aangetroffen, het kadaver af te geven aan de ondernemer, bedoeld in het tweede lid.
•
5.Tot het tijdstip van afgifte bewaart de houder het kadaver zodanig dat er geen vermenging is met ander materiaal.
•
6.Het vierde lid is niet van toepassing op het kadaver dat wordt begraven op een terrein dat ter beschikking staat van de houder van het kadaver of dat uiterlijk de eerste werkdag na overlijden wordt afgegeven aan een ondernemer die is erkend op grond van artikel 24, eerste lid, onder b, c of d, van de Verordening 1069/2009/EG.
Overgangsrecht Artikel 10.28 Overgangsrecht •
1.Vergunningen en ontheffingen welke zijn verleend op grond van bepalingen overeenkomstig de ingetrokken Afvalstoffenverordening 2017 blijven - indien en voor zover het gebod of het verbod waarop de vergunning betrekking heeft, ook vervat is in deze verordening – van kracht totdat deze zijn vervallen of ingetrokken.
•
2.Voorschriften en beperkingen opgelegd op grond van bepalingen overeenkomstig de ingetrokken Afvalstoffenverordening 2017 blijven indien en voor zover de bepalingen ingevolge die voorschriften en beperkingen zijn opgelegd, ook zijn vervat in deze verordening – van kracht totdat deze zijn vervallen of ingetrokken.
•
3.Indien voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening een aanvraag om een vergunning op grond van de Afvalstoffenverordening 2017 is ingediend en voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening nog niet op die aanvraag is beslist, wordt daarop de overeenkomstige bepaling van de onderhavige verordening toegepast.
•
4.Vergunningen en ontheffingen bedoeld in het eerste lid, en voorschriften en beperkingen bedoeld in het tweede lid, worden geacht vergunningen, ontheffingen, voorschriften en beperkingen in de zin van deze verordening te zijn.
•
5.In afwijking op het eerste lid, blijft een vergunning of ontheffing van kracht, totdat onherroepelijk is beslist op een aanvraag voor een, krachtens een in deze verordening overeenkomstig opgenomen gebod of verbod vereiste vergunning of ontheffing, indien deze aanvraag ten minste acht weken voor afloop van de in het eerste lid genoemde termijn bij het bevoegde bestuursorgaan is ingediend.
Hoofdstuk 11 Activiteiten m.b.t. de bodem Artikel 11.1 Activiteiten Dit hoofdstuk gaat over activiteiten die betrekking hebben op de bodem. Artikel 11.2 Oogmerken [ gereserveerd ] Artikel 11.3 Specifieke zorgplicht [ gereserveerd ] Artikel 11.4 Algemene regels [ gereserveerd ] Artikel 11.5 Beoordelingsregels [ gereserveerd ]
Artikel 11.6 Meldingsplicht [ gereserveerd ] Voor het verrichten van de volgende activiteiten is een melding vereist: Artikel 11.7 Maatwerkvoorschriften [ gereserveerd ] Artikel 11.8 Omgevingsvergunning [gereserveerd] Voor het verrichten van de volgende activiteiten is een omgevingsvergunning vereist: Artikel 11.9 Gegevens en bescheiden [ gereserveerd ] Artikel 11.10 Gelet op de lopende discussie, mede in de raadscommissie Omgevingsbeleid, over een nieuwe visie op de bodem en ondergrond (Algemene Verordening Ondergrondse Infrastructuur) wordt dit hoofdstuk voor activiteiten m.b.t. de bodem gereserveerd.
Hoofdstuk 12 Overige (milieubelastende) activiteiten Artikel 12.1 Activiteiten Dit hoofdstuk gaat over activiteiten die betrekking hebben op het kamperen buiten aangewezen kampeerterreinen, ontsteken van vuurwerk en carbidschieten. Artikel 12.2 Oogmerken [ gereserveerd ] Artikel 12.3 Specifieke zorgplicht [ gereserveerd ] Artikel 12.4 Algemene regels [ gereserveerd ] Artikel 12.5 Beoordelingsregels [ gereserveerd ] Artikel 12.6 Meldingsplicht Voor het verrichten van de volgende activiteiten is een melding vereist: het in overeenstemming met de algemene regels kamperen voor recreatief (nacht) verblijf buiten een kampeerterrein (12.10 lid 6 van deze Verordening). Artikel 12.7 Maatwerkvoorschriften [ gereserveerd ] Artikel 12.8 Omgevingsvergunning [ gereserveerd ] Voor het verrichten van de volgende activiteiten is een omgevingsvergunning vereist:
a. het in afwijking van de algemene regels kamperen voor recreatief (nacht) verblijf buiten een kampeerterrein (12.10 lid 5 van deze Verordening); b. het in afwijking van de regels bezigen van consumentenvuurwerk (12.11 van deze Verordening); en c. het in afwijking van de regels schieten met carbid (12.16 van deze Verordening). Artikel 12.9 Gegevens en bescheiden [ gereserveerd ] Kamperen buiten aangewezen kampeerterreinen Artikel 12.10 Kamperen 1.Het is verboden ten behoeve van recreatief (nacht)verblijf één of meer kampeermiddelen te plaatsen of geplaatst te houden buiten een regulier kampeerterrein. 2.Het verbod geldt niet voor het plaatsen van kampeermiddelen voor eigen gebruik door de rechthebbende op een terrein. 3.Het verbod geldt niet voor kamperen dat een directe relatie heeft met evenementen als bedoeld in artikel 2:24 van de Algemeen Plaatselijke Verordening 2009. 4.Het verbod geldt niet voor het kamperen door een groep, uitgaande van een vereniging of andere organisatie met een doelstelling van sociale, culturele, educatieve, sportieve of wetenschappelijke aard en mits aan alle navolgende voorwaarden wordt voldaan: a. De landschaps- en natuurwaarden niet worden aangetast door het kamperen; b. Het kamperen veilig gebeurt, voor zowel personen als goederen; c. Het kamperen zedelijk en hygiënisch gebeurt; d.
Het kamperen geen overlast veroorzaakt voor de directe omgeving; e. Er niet wordt gekampeerd in een gebied dat valt onder Natuurnetwerk Nederland NNN; f. Er voorafgaand aan het kamperen een melding wordt gedaan op de wijze als aangegeven in lid 7; g. Er wordt gekampeerd met maximaal 150
personen. 5.Het college kan een vergunning verlenen in afwijking van het verbod in het eerste lid. 6.De melding dient tenminste 5 werkdagen voordat er daadwerkelijk wordt gekampeerd, postbus20@enschede.nl of via Postbus 20, 7500 AA Enschede te worden ingediend. 7.Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing. Vuurwerk Artikel 12.11 Bezigen van vuurwerk •
1.Het is verboden consumentvuurwerk te bezigen op een door het college in het belang van de voorkoming van gevaar, schade of overlast aangewezen plaats.
•
2.Het is verboden consumentvuurwerk op een openbare plaats te bezigen als dat gevaar, schade of overlast kan veroorzaken.
•
3.De in het eerste en tweede lid gestelde verboden gelden niet voor zover artikel 429, aanhef en onder 1, van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.
•
4.Het college kan vergunning verlenen in afwijking van het in het eerste lid gestelde verbod.
•
5.Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Carbid schieten Artikel 12.12 Verbod carbidschieten Carbidschieten in de openlucht is verboden. Artikel 12.13 Vrijstelling verbod •
1.Het verbod gesteld in het vorige artikel geldt niet indien carbidschieten plaatsvindt op 31 december tussen 10.00 en 24.00 uur en op 1 januari tussen 00.00 en 02.00 uur, mits: o
a. daarbij gebruik wordt gemaakt van een bus met een inhoud van ten hoogste 1 liter;
o
b. daarbij geen handelingen worden verricht of nagelaten waarvan degene die het carbidschieten verricht weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat daardoor gevaar, schade of hinder kan optreden voor personen of voor de omgeving.
•
2.Onverminderd het bepaalde in het eerste lid, geldt het verbod gesteld in artikel 12.12 eveneens niet indien carbidschieten plaatsvindt op 31 december tussen 10.00 en 24.00 uur en op 1 januari tussen 00.00 en 02.00 uur buiten de bebouwde kom, mits: o
a. daarbij gebruik wordt gemaakt van een bus met een inhoud van ten hoogste 50 liter;
o
b. daarbij geen handelingen worden verricht of nagelaten waarvan degene die het carbidschieten verricht weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat daardoor gevaar, schade of hinder kan optreden voor personen of voor de omgeving;
o
c. degene die het carbidschieten verricht, een schriftelijke toestemming daartoe kan overleggen van de eigenaar van het terrein van waaraf wordt geschoten;
o
d. de plaats op het terrein van waaraf wordt geschoten is gelegen:
I op een afstand van ten minste 75 meter van woonbebouwing; •
II op een afstand van ten minste 300 meter van inrichtingen voor de intramurale zorg; III op een afstand van ten minste 300 meter van in gebruik zijnde voorzieningen voor het houden van dieren; IV op een afstand van ten minste 500 meter van een vogelbeschermingsgebied.
•
e.wordt geschoten in een richting welke tegengesteld is aan de richting waarin de dichtstbijzijnde woonbebouwing is gelegen;
•
f.het vrije schootsveld ten minste 75 meter is en hierin geen verharde openbare wegen of paden liggen;
•
g.er geen bus deksels of andere gevaar zettende voorwerpen worden weggeschoten;
•
h.het gebruik van (voet)ballen of andere afsluitingen zodanig is dat daardoor geen schade aan mens, dier of goed kan worden veroorzaakt;
•
i.het terrein van waaraf wordt geschoten is afgezet met linten of ander vergelijkbaar materiaal;
•
j.binnen een cirkel met een straal van 100 meter rond de plaats waar het carbidschieten plaatsvindt, in totaal niet meer dan tien bussen voor het carbidschieten worden gebruikt dan wel gebruiksklaar voor carbid-schieten aanwezig worden gehouden;
•
k.de bussen zodanig stevig in de bodem, in een frame of op andere wijze zijn verankerd, dat terugslag wordt voorkomen;
•
l.het carbidschieten plaatsvindt door een persoon van ten minste 16 jaar oud die niet verkeert onder invloed van alcohol of andere psychotrope stoffen;
•
m.teneinde de veiligheid van het publiek en de eigen veiligheid te waarborgen, toezicht op het carbidschieten wordt gehouden door ten minste één persoon van ten minste 18 jaar oud die niet verkeert onder invloed van alcohol of andere psychotrope stoffen;
•
n.het terrein van waaraf wordt geschoten goed is verlicht indien het carbidschieten plaatsvindt na zonsondergang.
Artikel 12.14 Bij zich hebben van carbid •
1.Het is verboden op of aan de weg carbid bij zich te hebben op andere dagen dan op 31 december tussen 10.00 en 24.00 uur en op 1 januari tussen 00.00 en 02.00 uur.
•
2.Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op degenen aan wie carbid is afgeleverd, gedurende de tijd die nodig is om thuis te komen, noch op degene die aannemelijk maakt dat hij het carbid nodig heeft in de uitoefening van beroep of bedrijf.
Artikel 12.15 Aanwijzing gebieden zonder vrijstelling Het gestelde in artikel 12.13 is niet van toepassing op door het bevoegde bestuursorgaan ter voorkoming van gevaar, schade of overlast of in het
belang van de natuurbescherming aangewezen gedeelten van de gemeente of plaatsen. Artikel 12.16 Vergunning in afwijking van het verbod •
1.Het college kan in afwijking van het in het artikel 12.12 gestelde verbod een vergunning verlenen.
•
2.Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Hoofdstuk 13 Overgangsrecht algemeen Artikel 13.1 Overgangsrecht 1. De op basis van de Marktverordening, Algemene Plaatselijke Verordening, Afvalstoffenverordening, Havenverordening en de Monumentenverordening verleende vergunningen en ontheffingen gelden als vergunningen, ontheffingen en toestemmingen krachtens deze Verordening kwaliteit leefomgeving 2023. 2. Op basis van de Verordening kwaliteit leefomgeving verleende vergunningen en ontheffingen, gelden als vergunningen, ontheffingen en toestemmingen krachtens deze Verordening kwaliteit leefomgeving 2023. 3. Vergunningen en ontheffingen die zijn aangevraagd voor inwerkingtreding van deze Verordening kwaliteit leefomgeving 2023, worden beoordeeld naar de Verordening kwaliteit leefomgeving.
Hoofdstuk 14 Strafbaarstelling en slotbepalingen Artikel 14.1 Strafbepaling •
• Overtreding van het bij of krachtens deze verordening bepaalde en de daarbij op grond van artikel 2.4, 3.4, 4.4, 5.4, 6.4, 7.4, 8.4, 9.4, 10.4, 11.4 en 12.4, 3.7, 4.7, 5.7, 6.7, 7.7, 8.7, 9.7, 10.7, 11.7 en 12.7 gegeven voorschriften en beperkingen, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie.
•
•
Overtreding van het bij of krachtens deze verordening kan bovendien worden gestraft met openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak. •
• In afwijking van het eerste lid is artikel 1a van de Wet op de economische delicten van toepassing op overtreding van het bepaalde bij of krachtens:
•
• de artikelen 4.10 (objecten op de openbare weg) als sprake is van een omgevingsvergunning verplichte activiteit,
•
• artikel 6.14 (kapverbod) en
•
• de artikelen 10.12 (afvalinzamelaars), 10.14 (algemene verboden afval), 10.16 tot en met 10.18 (aanbieden van afvalstoffen) en 10.20 tot en met 10.27 (bedrijfsafvalstoffen en zwerfafval) en 10.27A.
Artikel 14.2 Bestuurlijke boete •
1.Overtreding door een natuurlijke persoon of rechtspersoon van het bij of krachtens de volgende artikelen bepaalde of de daarbij gegeven voorschriften en beperkingen kan worden beboet met een bestuurlijke boete:
•
•3.10, 3.12 tot en met 3.22, 3.23, 3.24,
•
•4.10, 4.10.1, 4.10.2, 4.11, 4.12, 4.14, 4.15,
•
•6.10 tot en met 6.19
•
•7.10,
•
•9.10 tot en met 9.13,
•
•10.10, 10.12, 10.14, 10.16 tot en met 10.18 en 10.20 tot en met 10.27A
•
•12.10 tot en met 12.16.
•
2.Bij overtreding door een natuurlijke persoon van de artikelen als genoemd in lid 1, is de hoogte van de bestuurlijke boete gelijk aan het
bedrag dat in de bijlage is vermeld bij het desbetreffende artikel(lid) (zie bijlage 14.2). •
3.Bij overtreding door een rechtspersoon van de artikelen als genoemd in lid 1, wordt de hoogte van de bestuurlijke boete die geldt voor een natuurlijke persoon vermenigvuldigd met de factor vijf.
•
4.Indien het boetebedrag bedoeld in het derde lid, hoger is dan het wettelijk maximum boetebedrag bedoeld in artikel 154b, zesde lid, van de Gemeentewet, geldt het wettelijk maximum boetebedrag.
•
5.Een overtreding door een natuurlijke persoon of rechtspersoon van het bij of krachtens de volgende artikelen bepaalde of de daarbij gegeven voorschriften en beperkingen wordt middels een last onder dwangsom gehandhaafd: o
10.23A
Artikel 14.3 Inwerkingtreding Deze verordening treedt in werking op (INVULLEN) onder gelijktijdige intrekking van de Verordening kwaliteit leefomgeving 2021. Artikel 14.4 Citeertitel Deze verordening kan worden aangehaald als Verordening kwaliteit leefomgeving 2023. Ondertekening Aldus vastgesteld in de vergadering van de gemeenteraad van Enschede op (INVULLEN), de griffier, de voorzitter, R.M. Jongedijk drs. R.W. Bleker