Verordening kwaliteit leefomgeving 2023
Tekst van het document
Verordening kwaliteit leefomgeving gemeente Enschede 2023 De raad van de gemeente Enschede, gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 4 april 2023, nummer 2300026701; Gelet op: de artikelen 108, 147 en 149 van de Gemeentewet; artikel 3.16 en 9.1 van de Erfgoedwet; artikel 12 en 15 van de Monumentenwet BES; de wet wijziging Monumentenwet 1988 en Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken; artikel 2.2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht; Overwegende dat: de Omgevingswet naar verwachting in werking treedt op 1 januari 2024; het doel van de Omgevingswet is: 'ruimte voor ontwikkeling, waarborgen voor kwaliteit'; dit wordt vertaald in twee maatschappelijke doelen: a. een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit bereiken en in stand houden; b. de fysieke leefomgeving doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen om er maatschappelijke behoeften mee te vervullen;
- deze Verordening kwaliteit leefomgeving Enschede door een bundeling van verschillende verordeningen en beleids-, nadere en algemene regels bijdraagt aan deze maatschappelijke doelen door: 1. het stellen van regels voor een doelmatig beheer en gebruik van de openbare ruimte, 2. het beperken van hinder en overlast voor de fysieke leefomgeving en 3. het beperken van hinder en overlast voor een gezonde leefomgeving; - het voornemen is om deze verordening te zijner tijd op te nemen in het nog vast te stellen omgevingsplan Enschede; - met deze verordening en de daarop gebaseerde regels een kwalitatief goede omgevingskwaliteit wordt nagestreefd. B E S L U I T: vast te stellen de navolgende Verordening kwaliteit leefomgeving gemeente Enschede 2023
Hoofdstuk 1 Activiteiten met gevolgen voor de fysieke leefomgeving Afdeling 1.1 Inleidende bepalingen Artikel 1.1 Toepassingsbereik Deze verordening gaat over activiteiten met gevolgen voor de fysieke leefomgeving. Artikel 1.2 Begripsbepalingen •
1.Bijlage 1.2 bij deze verordening bevat begripsbepalingen voor de toepassing van deze verordening.
•
2.Artikel 1.1 van het Omgevingsbesluit, artikel 1.1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, artikel 1.1 van het Besluit activiteiten leefomgeving en artikel 1.1. van het Besluit bouwwerken leefomgeving zijn na inwerkingtreding van de Omgevingswet van overeenkomstige toepassing op deze verordening, tenzij in bijlage 1.2 daarvan in aanvulling op en voor zo ver nodig voor een goede normstelling en uitvoering van deze verordening is afgeweken.
Artikel 1.3 Normadressaat Dit hoofdstuk is van toepassing op diegene die de activiteit verricht, tenzij anders is bepaald. Vanaf de inwerkingtreding van de Omgevingswet: Artikel 5.37 van de Omgevingswet is van overeenkomstige toepassing. Artikel 1.4 Algemene beoordelingsregels •
1.Voor een activiteit waarvoor overeenkomstig de daarop toepasselijke beoordelingsregels, bedoeld in deze verordening, geen omgevingsvergunning kan worden verleend, of die niet overeenkomstig de voor de activiteit geldende algemene regels uit deze verordening kan worden uitgevoerd, kan nochtans een omgevingsvergunning worden verleend als wordt voldaan aan de volgende criteria: o
a. Er zijn geen geschikte alternatieven en het doorgang vinden van de activiteit is noodzakelijk in verband met het oog op een van de doelen, bedoeld in artikel 1.13;
o
b. De activiteit levert een bijdrage aan het bereiken van een of meer omgevingsdoelen en leidt niet tot onevenredig nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving;
o
c. Het met de weigering van de omgevingsvergunning of met handhaving van de algemene regel te dienen belang is onevenredig in verhouding tot het oogmerk van de activiteit.
•
2.Bij de toepassing van het eerste lid weegt het college de rechtstreeks bij de activiteit betrokken omgevingswaarden of omgevingsdoelen zoals bedoeld in afdeling 1.2, af voor zover niet uit een instructieregel [vanaf de inwerkingtreding van de Omgevingswet: Besluit kwaliteit leefomgeving of de provinciale Omgevingsverordening of het omgevingsplan] of de aard van de betrokken activiteit een beperking voortvloeit.
Artikel 1.5 Voorbescherming •
1.In afwijking van het bepaalde in hoofdstuk 5 kunnen geen omgevingsvergunningen voor het slopen of bouwen van een gemeentelijk monument worden verleend in het gebied dat in een geografisch informatieobject – als het Kadaster - is opgenomen.
•
2.[ Gereserveerd. ]
Artikel 1.6 Activiteiten De in deze verordening genoemde activiteiten gaan over activiteiten die gebruik maken van de bestaande fysieke leefomgeving, waaronder bouwwerken, terreinen, bodem, ondergrond, water en infrastructuur en voor zover deze activiteiten niet (uitputtend) hier zijn opgenomen op andere wettelijke voorschriften m.b.t. de fysieke leefomgeving. Artikel 1.7 Oogmerk De in deze verordening opgenomen regels zijn gesteld met het oog op de belangen die voortvloeien uit: •
a. een of meer van de doelen zoals die zijn opgenomen in artikel 1.13;
•
b. de maatschappelijke doelen van de Omgevingswet zoals opgenomen in artikel 1.3 van de Omgevingswet;
•
c. het beschermen van het gebruik overeenkomstig de toegekende functie(s).
Artikel 1.8 Specifieke zorgplicht Degene die een activiteit als bedoeld in deze verordening verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen, bedoeld in artikel 1.7 is verplicht: o
a. alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die onevenredige gevolgen te voorkomen;
o
b. als die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die onevenredige gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken;
o
c.
als die onevenredige gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten als dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd. Artikel 1.9 Maatwerkvoorschriften of vergunningvoorschriften •
1.[ Gereserveerd, voor het geval het wenselijk is om bij specifieke onderwerpen naast de algemene bepalingen ook de mogelijkheid te creëren om maatwerkvoorschriften te stellen ].
•
2.Een maatwerkvoorschrift kan niet worden gesteld over een onderwerp waarvoor een voorschrift aan een omgevingsvergunning kan worden verbonden.
Artikel 1.10 Beoordelingsregels omgevingsvergunning en meldingsplicht •
1.Een omgevingsvergunning wordt alleen geweigerd, gewijzigd of ingetrokken ter bescherming van de in artikel 1.7 vermelde belangen.
•
2.Bij een melding kunnen alleen maatwerkvoorschriften worden gesteld ter bescherming van de in artikel 1.7 vermelde belangen.
Artikel 1.11 Hardheidsclausule Burgemeester en wethouders kunnen van het bepaalde bij of krachtens deze Verordening en de daarop gebaseerde nadere -, algemene - of beleidsregels afwijken voor zover de toepassing daarvan gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de bepalingen te dienen doelen. Artikel 1.12 Algemene aanvraagvereisten omgevingsvergunning [ Gereserveerd ] Afdeling 1.2 Gemeentelijke omgevingsdoelen Artikel 1.13 Gemeentelijke omgevingsdoelen •
1.Deze verordening is onder meer gericht op: o
a. Het waarborgen van de veiligheid;
o
b. Het beschermen van de gezondheid;
o
c.
Het beschermen van het milieu; o
d. Het duurzaam veilig stellen van de openbare drinkwatervoorziening;
o
e. Het beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden;
o
f. Het behoud van cultureel erfgoed en de uitzonderlijke waarde van werelderfgoed;
o
g. De natuurbescherming;
o
h. Het tegengaan van klimaatverandering;
o
i. De kwaliteit van bouwwerken;
o
j. Een evenwichtige toedeling van functies aan locaties;
o
k. Het behoeden van de staat en werking van infrastructuur voor nadelige gevolgen van activiteiten;
o
l. Het beheer van infrastructuur;
o
m. Het beheer van watersystemen;
o
n.
Het beheer van geobiologische en geothermische systemen en ecosystemen; o
o. Het beheer van natuurlijke hulpbronnen;
o
p. Het beheer van natuurgebieden;
o
q. Het gebruik van bouwwerken;
o
r. Het beschermen van de luchtkwaliteit;
o
s. Het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen.
•
2.Deze verordening is ook gericht op de instandhouding van het bosareaal van de gemeente.
Artikel 1.14 Doelen voor bijzondere gebieden of thema’s [ gereserveerd ] Nader in te vullen als er sprake is van gebieden of bepaalde thema’s waarvoor het gewenst is specifieke of gerichte doelen te stellen (als concretisering van de in artikel 1.7 geformuleerde doelen).
Hoofdstuk 2 Bouwactiviteiten, aanlegactiviteiten en sloopactiviteiten Artikel 2.1 Activiteiten Dit hoofdstuk gaat over de niet-technische regels die gelden voor het bouwen, het slopen en het aanleggen van (bouw)werken en hebben geen betrekking op het technische deel [ waarvoor regels zijn opgenomen in het Bouwbesluit 2012 en na inwerkingtreding van de Omgevingswet in het Besluit bouwwerken leefomgeving]. Artikel 2.2 Oogmerken [ gereserveerd ]
Artikel 2.3 Specifieke zorgplicht [ gereserveerd ] Artikel 2.4 Algemene regels [ gereserveerd ] Artikel 2.5 Beoordelingsregels activiteit Het college kan nadere regels stellen ten aanzien van het plaatsen en gebruik van antenne-installaties zendamateurs (zie bijlage 2.10). Artikel 2.6 Meldingsplicht [ gereserveerd ] Artikel 2.7 Maatwerkvoorschriften [ gereserveerd ] Artikel 2.8 Omgevingsvergunning [ gereserveerd ] Artikel 2.9 Gegevens en bescheiden [ gereserveerd ] Artikel 2.10 Antenne-installaties zendamateurs Lid 1 Het is verboden om zonder een omgevingsvergunning een antenneinstallatie hoger dan 5 meter op te richten, te plaatsen of geplaatst te houden. Deze omgevingsvergunning kan worden verleend indien: a. er sprake is van een positief welstandsadvies; b. de antenne-installatie wordt gebruikt voor zenden of ontvangen van radiosignalen in het kader van de vrijheid van meningsuiting als bedoeld in artikel 10 van het Europees Verdrag ter bescherming van de Rechten van de Mens (EVRM); c. per woning en/of perceel slechts sprake is van één antenne-installatie. Aan een antenne-installatie mogen meerdere antennes worden opgehangen; d. de aanvrager beschikt over een Radio Amateur Radio Station Licence; e.
geen sprake is van plaatsing van een antenne-installatie in, bij of aan een beschermd monument of beschermd stads- en dorpsgezicht; Lid 2 In de woonmilieus “villa’s in het groen”, “bedrijfsmilieus” en “landelijke milieus” (groene gebieden op de uitwerking van de woonmilieukaart, zie bijlage 2.10) zijn vrijstaande antenne-installaties met een hoogte van maximaal 15 meter toegestaan. De hoogte wordt gerekend vanaf het maaiveld tot aan de top van de hoogste antenne. In deze woonmilieus zijn antenne-installaties bevestigd aan de gevel of het dak van de woning mogelijk, als de totale hoogte daarvan maximaal 15 meter is.; Lid 3 Binnen de woonmilieus “groene woonwijken” en “dorps milieu” (oranje gebieden op de uitwerking van de woonmilieukaart, zie bijlage 2.10) worden vrijstaande antenne-installaties met een hoogte van maximaal 15 meter mogelijk gemaakt. De hoogte wordt gerekend vanaf het maaiveld tot aan de top van de hoogste
antenne. Plaatsing is hier alleen mogelijk op woonpercelen die aan 2 of meer zijden grenzen aan de openbare ruimte, uitsluitend op een afstand van maximaal 2 meter van de achter- of zijgevel van de woning en op een afstand van minimaal 5 meter uit de erfgrens (met de buren). In deze woonmilieus zijn ook antenne-installaties bevestigd aan de gevel of het dak van deze hoekwoningen mogelijk. De totale hoogte daarvan is maximaal 15 meter (gerekend vanaf maaiveld tot aan de top van de antenne); Lid 4 in de overige woonmilieus (“centrum stedelijk”, “stedelijk compact”, “stedelijke villa’s “, “suburbaan wonen” en “wijkcentrum wonen”) (rode gebieden op de uitwerking van de woonmilieukaart, zie bijlage 2.10 ) worden (vrijstaande) antenne-installaties niet mogelijk gemaakt (tenzij vergunningvrij). Artikel 2.11 [ gereserveerd ] Artikel 2.12 [ gereserveerd ]
Hoofdstuk 3 Aantasting en ontsiering van de leefomgeving Artikel 3.1 Activiteiten Dit hoofdstuk gaat over activiteiten die de leefomgeving kunnen ontsieren zoals, maar niet uitsluitend autowrakken, het parkeren van onder meer (grote) voertuigen, het parkeren van (brom/snor)fietsen, reclamevoertuigen en crossterreinen. Artikel 3.2 Oogmerken [ gereserveerd ] De regels in dit hoofdstuk zijn gesteld met het oog op uitbreiding of beperking van de algemene doelen uit artikel 1.13 van deze verordening. Artikel 3.3 Specifieke zorgplicht [ gereserveerd ] Artikel 3.4 Algemene regels [ gereserveerd ] Artikel 3.5 Beoordelingsregels activiteit Het college kan nadere regels stellen ten aanzien van het gebruik van crossterreinen in het belang van de veiligheid van de deelnemers van wedstrijden en ritten en/of van het publiek. Artikel 3.6 Meldingsplicht [ gereserveerd ] Artikel 3.7 Maatwerkvoorschriften [ gereserveerd ]
Artikel 3.8 Omgevingsvergunning Voor het verrichten van de volgende activiteiten is een omgevingsvergunning vereist: a. Het als autobedrijf parkeren van voertuigen op de weg (art. 3.11 van deze Verordening); b. het te koop aanbieden van voertuigen op aangewezen wegen of weggedeelten (art. 3.12 van deze Verordening); c. het berijden of parkeren met voertuigen in groenvoorzieningen (art. 3.15 van deze Verordening); d. het parkeren van kampeervoertuigen e.d. op de weg langer dan 3 dagen (art. 3.16 van deze Verordening); e. parkeren van reclamevoertuigen (art. 3.17 van deze Verordening); f. parkeren van grote voertuigen (art. 3.18 van deze Verordening) en het zich met een motorvoertuig of (brom/snor)fietsen bevinden in aangewezen natuurgebieden of parken e.d. Artikel 3.9 Gegevens en bescheiden [ gereserveerd ] Ontsiering en overlast door auto’s, wrakken, grote voertuigen e.d. Artikel 3.10 Ontsiering en overlast door auto’s, autowrakken, motoren, (brom)fietsen, grote voertuigen, opslag voorwerpen, e.d. •
1.Het is verboden op door het college aangewezen plaatsen buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, in de openlucht, of buiten de weg gelegen plaatsen een of meer van de volgende daarbij nader aangeduide voorwerpen of stoffen op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben, anders dan met inachtneming van de door het college gestelde regels: o
a. onbruikbare of aan hun oorspronkelijke bestemming onttrokken voer- of vaartuigen of onderdelen daarvan;
o
b. bromfietsen, snorfietsen en motorvoertuigen of onderdelen daarvan;
o
c. caravans, kampeerwagens, boten, tenten en andere dergelijke, gewoonlijk voor recreatieve doeleinden gebezigde voorwerpen, indien het plaatsen of aanwezig hebben daarvan geschiedt
voor verkoop of verhuur of anderszins voor een commercieel doel; o
d. mestopslag, gierkelder of andere verzamelplaatsen van vuil, een verzameling ingekuild gras, loof of pulp of ingekuilde landbouwproducten, afbraakmaterialen en oude metalen.
•
2.Een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid en de regels als bedoeld in het eerste lid, zijn gebaseerd op het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, het voorkomen of opheffen van overlast of het voorkomen van schade aan de openbare gezondheid.
•
3.Het in dit artikel bepaalde geldt niet voor zover de Wet milieubeheer, de Wet ruimtelijke ordening of de Omgevingsverordening Overijssel van toepassing is en na de inwerkingtreding, de Omgevingswet .
Artikel 3.11 Parkeren van voertuigen van autobedrijf e.d. •
1.Het is verboden om zonder vergunning van het college een bedrijf of nevenbedrijf uit te oefenen of uit te oefenen of voertuigen te stallen om voertuigen te stallen, te herstellen, te slopen, te verhuren of te verhandelen waarbij: o
a. drie of meer voertuigen die hem toebehoren of zijn toevertrouwd op de weg worden geparkeerd binnen een cirkel met een straal van 25 meter met als middelpunt een dezer voertuigen;
o
b. de weg als werkplaats voor voertuigen wordt gebruikt;
•
2.Tot de voertuigen bedoeld in het eerste lid worden niet gerekend: o
a. voertuigen waaraan herstel- of onderhoudswerkzaamheden worden verricht die in totaal niet meer dan 1 uur vergen, gedurende de tijd die nodig is voor en wordt gebruikt voor deze werkzaamheden;
o
b. voertuigen gebezigd voor persoonlijk gebruik van de in het eerste lid genoemde persoon;
•
3.Onder verhuren als bedoeld in het eerste lid wordt mede verstaan: o
a. het gebruiken van een voertuig voor het geven van lessen;
o
b. het gebruiken van een voertuig voor het vervoeren van personen tegen betaling.
•
4.Op de aanvraag om een omgevingsvergunning is paragraaf 4.1.3 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing.
Artikel 3.12 Te koop aanbieden van voertuigen •
1.Het is verboden zonder vergunning van het college op de door hen aangewezen wegen of weggedeelten een voertuig te parkeren met het kennelijke doel het voertuig te koop aan te bieden of te verhandelen.
•
2.Op de aanvraag om een omgevingsvergunning is paragraaf 4.1.3 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing.
Artikel 3.13 Defecte voertuigen Het is verboden een voertuig waarmee als gevolg van andere dan eenvoudig te verhelpen gebreken niet kan of mag worden gereden, langer dan op drie achtereenvolgende dagen op de openbare weg te parkeren. Artikel 3.14 Voertuigwrakken Het is verboden een voertuig dat rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en tevens in een kennelijk verwaarloosde toestand verkeert op de weg te parkeren. Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer [en na inwerkingtreding: de Omgevingswet] Artikel 3.15 Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen •
1.Het is verboden zonder vergunning van het college met een voertuig te rijden door of deze te doen of te laten staan in een park of plantsoen of een van gemeentewege aangelegde beplanting of groenstrook. Dit verbod is niet van toepassing:
o
• op de weg;
o
• op voertuigen die worden gebruikt voor werkzaamheden door of vanwege de overheid;
o
• op voertuigen, waarmee standplaats wordt of is ingenomen op terreinen die voor dit doel zijn bestemd.
•
2.Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.
Plaatsen van caravans en campers Artikel 3.16 Caravans e.d. •
1.Het is verboden zonder een omgevingsvergunning van het college een woonwagen, kampeerwagen, caravan, camper, magazijnwagen, aanhangwagen, keetwagen of ander dergelijk voertuig dat voor de recreatie dan wel anderszins uitsluitend of mede voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebezigd, langer dan 3 achtereenvolgende dagen op de openbare weg te parkeren.
•
2.Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Provinciaal wegenreglement of de Omgevingsverordening.
•
3.Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing.
Reclamevoertuigen en grote voertuigen Artikel 3.17 Parkeren van reclamevoertuigen •
1.Het is verboden zonder vergunning van het college een voertuig dat is voorzien van een aanduiding van handelsreclame, op de weg te parkeren met het kennelijk doel om daarmee handelsreclame te maken.
•
2.Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing.
Artikel 3.18 Parkeren van grote voertuigen
•
1.Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter te parkeren op een door het college aangewezen plaats, waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente (Besluit parkeren grote voertuigen).
•
2.Het is verboden zonder vergunning van het college een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter te parkeren op een door het college aangewezen weg, waar dit parkeren naar zijn oordeel buitensporig is met het oog op de verdeling van beschikbare parkeerruimte, met uitzondering van werkdagen van maandag tot en met vrijdag, dagelijks van 08.00 tot 18.00 uur (zie bijlage 3.18).
•
3.Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing.
Artikel 3.19 Parkeren van uitzicht-belemmerende voertuigen •
1.Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter, zodanig op de weg te parkeren bij een voor bewoning of ander dagelijks gebruik bestemd gebouw, dat daardoor het uitzicht van bewoners of gebruikers vanuit dat gebouw op hinderlijke wijze wordt belemmerd of hun anderszins hinder of overlast wordt aangedaan.
•
2.Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet gedurende de tijd die nodig is voor en wordt gebruikt voor het uitvoeren van werkzaamheden waarvoor de aanwezigheid van het voertuig ter plaatse noodzakelijk is.
Overlast door geparkeerde voertuigen Artikel 3.20 Parkeren van voertuigen met stank-verspreidende stoffen Het is verboden een voertuig met stank-verspreidende stoffen daar te parkeren waar bewoners of gebruikers van nabijgelegen gebouwen of terreinen daarvan hinder of overlast kunnen ondervinden. Artikel 3.21 Parkeren van voertuigen met ontsierende zichtbare lading Het is verboden voertuigen met aan hun oorspronkelijke bestemming onttrokken of tweedehands voorwerpen of andere ontsierende lading op of aan wegen te parkeren behalve op werkdagen van maandag tot en met zaterdag, dagelijks van 08.00 tot 18.00 uur. Overlast en hinder door fietsen en bromfietsen e.d. Artikel 3.22 Overlast en hinder van fiets, bromfiets of snorfiets
•
1.Het is verboden op door het college aangewezen plaatsen, in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast, of ter voorkoming van schade aan de openbare gezondheid fietsen of bromfietsen of snorfietsen onbeheerd buiten de daarvoor bestemde ruimten of plaatsen te laten staan.
•
2.Het is verboden op door het college aangewezen plaatsen fietsen, bromfietsen of snorfietsen langer dan een door het college vastgestelde periode onafgebroken te laten staan.
•
3.Het is verboden fietsen of brom-, of snorfietsen die rij-technisch in onvoldoende staat van onderhoud en in een verwaarloosde toestand verkeren, op de weg te laten staan.
•
4.Het is verboden zonder noodzaak met een motorvoertuig of een brom- of snorfiets hinder te veroorzaken of zonder noodzaak de motor van een motorvoertuig in werking te hebben.
•
5.Het is verboden een motorvoertuig op zodanige wijze te laden of te lossen dat daardoor zonder noodzaak hinder wordt veroorzaakt.
Crossterreinen Artikel 3.23 Crossterreinen •
1.Het is verboden op enig terrein, geen weg zijnde, met een motorvoertuig of bromfiets te crossen buiten wedstrijdverband, een wedstrijd dan wel, ter voorbereiding van een wedstrijd, een trainingsof proefrit te houden of te doen houden dan wel daaraan deel te nemen, dan wel een motorvoertuig of een bromfiets met het kennelijke doel daartoe aanwezig te hebben.
•
2.Het verbod genoemd in het eerste lid is niet van toepassing op door het college aangewezen terreinen. Het college kan daarbij nadere regels stellen ten aanzien van het gebruik van deze terreinen in het belang van: o
a. het voorkomen of beperken van overlast
o
b. de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving en ter bescherming van andere milieuwaarden
o
c.
•
de veiligheid van de deelnemers en het publiek van de in het eerste lid bedoelde wedstrijden en ritten.
3. Het in dit artikel bepaalde geldt niet voor zover de Wet milieubeheer of het Besluit geluidsproductie sportmotoren en na de inwerkingtreding, de Omgevingswet, van toepassing is. Verkeer in natuurgebieden Artikel 3.24 Beperking verkeer in natuurgebieden •
1.Ter voorkoming van overlast en/of schade aan natuur- en milieuwaarden is het verboden op door het college aangewezen en voor het publiek toegankelijke natuurgebieden, parken, plantsoenen of voor recreatief gebruik beschikbare terreinen, te rijden met een motorvoertuig, een (brom)fiets of een paard.
•
2.Het is zonder vergunning van het college verboden op krachtens het eerste lid aangewezen plaatsen: o
a. zich met een motorvoertuig of een (brom/snor)fiets als bedoeld in het vorige lid of met een fiets of een paard te bevinden; dan wel
o
b. zich met een motorvoertuig, met een (brom/snor)fiets of met een fiets of een paard te bevinden op een in die aanwijzing aangeduid tijdstip.
•
3.Het in het tweede lid gestelde verbod geldt niet voor bestuurders van motorvoertuigen en (brom/snor)fietsen en voor fietsers of berijders van paarden: o
a. ten dienste van Politie, Brandweer en geneeskundige hulpverlening en van andere krachtens artikel 29, eerste lid van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 door de Minister van verkeer en waterstaat aangewezen hulpverleningsdiensten;
o
b. die worden gebruikt in verband met beheer, onderhoud of exploitatie op door het college aangewezen plaatsen;
o
c. die worden gebruikt in verband met werken welke krachtens wettelijk voorschrift moeten worden uitgevoerd;
o
d. van de zakelijk gerechtigden en huurders en pachters van percelen gelegen binnen de door het college aangewezen plaatsen;
o
e. voor het verkeer ten behoeve van bezoek en van de verzorging van de onder d bedoelde personen.
•
4.Het in het tweede lid gestelde verbod geldt voorts niet: o
a. op wegen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994;
o
b. binnen de bij of krachtens de provinciale verordening “Stiltegebieden” aangewezen stiltegebieden, ten aanzien van motorrijtuigen die bij of krachtens die verordening zijn aangewezen als 'toestel'.
•
5.Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing.
Hoofdstuk 4 Activiteiten op of bij wegen of water in beheer bij de gemeente Artikel 4.1 Activiteiten Dit hoofdstuk gaat over activiteiten die plaatsvinden op of bij openbare wegen en wateren en betreft onder meer de volgende activiteiten: het aanleggen dan wel veranderen van uitwegen, plaatsen van voorwerpen in de openbare ruimte, reclame-uitingen zichtbaar vanaf de weg, terrassen bij horecabedrijven in de openbare ruimte, vissen in gemeentelijke vijvers en
het aanbieden van deelvoertuigen. Dit hoofdstuk gaat niet over het parkeren van voertuigen. Artikel 4.2 Oogmerken [ gereserveerd ] De regels in dit hoofdstuk zijn gesteld met het oog op de in art. 1.13 van deze Verordening gestelde gemeentelijke omgevingsdoelen. Artikel 4.3 Specifieke zorgplicht [ gereserveerd ] Artikel 4.4 Algemene regels Voor het uitstallen in de openbare ruimte , het aanleggen en veranderen van een uitweg , het voeren van handelsreclame en het exploiteren van terrassen bij horecabedrijven en het aanbieden van deelvoertuigen gelden door het college respectievelijk de door de burgemeester vastgestelde nadere – of algemene regels waaraan moet worden voldaan. Artikel 4.5 Beoordelingsregels activiteit [ gereserveerd ] Artikel 4.6 Meldingsplicht Voor het verrichten van de volgende activiteiten is een melding vereist: het plaatsen van voorwerpen in de openbare ruimte (artikel 4.10 lid 1 van deze Verordening) Artikel 4.7 Maatwerkvoorschriften [ gereserveerd ] Artikel 4.8 Omgevingsvergunning Het is verboden zonder omgevingsvergunning te verrichten een activiteit voor: a. Het plaatsen van voorwerpen in de openbare ruimte (artikel 4.10 lid 2); b. het aanleggen of veranderen van een weg (artikel 4.11); c. het maken of veranderen van een uitweg (artikel 4.12); d. het voeren van handelsreclame (artikel 4.13) en; e.
het exploiteren van een terras bij een horecabedrijf (artikel 4.14). Artikel 4.9 Aanbieden van deelvoertuigen 1. Het is verboden zonder vergunning van het college deelvoertuigen aan te bieden. 2. Het college stelt nadere regels vast ten aanzien van het aanbieden van deelvoertuigen als bedoeld in dit artikel.
3. Het in het eerste lid bedoelde verbod is niet van toepassing op door het college aangewezen categorieën voertuigen. 4. Het college kan een vergunning als bedoeld in het eerste lid geheel of gedeeltelijk weigeren, intrekken, wijzigen, of schorsen, indien: a. niet wordt voldaan aan de beleidsregels zoals opgenomen in het vergunningenbeleid; b. het ter gebruik aanbieden van de voertuigen: 1°. gevaar oplevert voor de veiligheid van personen of goederen, de verkeersveiligheid of de doorstroming van het verkeer; 2°. hinder veroorzaakt voor het woon- of leefklimaat; 3°. een nadelige invloed heeft op het milieu; 4°. onevenredig beslag legt op de openbare ruimte; of 5°. afbreuk doet aan het uiterlijk aanzien van de openbare ruimte. c. in strijd is gehandeld met aan de vergunning verbonden voorschriften en beperkingen. 5. In afwijking van het eerste lid treedt het verbod niet eerder in werking dan na de vaststelling van de nadere regels door het college. 6. In afwijking van het eerste en vijfde lid geldt het verbod voor de exploitant die op het moment van inwerkingtreding van dit artikel reeds vergunningplichtige activiteiten verricht, voor die bestaande activiteiten vanaf 1 maart 2024. 7. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Plaatsen van voorwerpen in de openbare ruimte Artikel 4.10. Het plaatsen van voorwerpen in de publieke ruimte in strijd met de publieke functie ervan 1. Het is verboden om zonder melding of vergunning de openbare ruimte anders te gebruiken dan in overeenstemming met de publieke functie daarvan. 2. Onverminderd het bepaalde in lid 1 is het verboden om een voorwerp te plaatsen en/of werkzaamheden uit te voeren genoemd in dit artikel wanneer: a) Er schade wordt toegebracht aan de openbare ruimte of de bruikbaarheid van de openbare ruimte nadelig wordt beïnvloed;
b) Er nadelig invloed is op het veilig gebruik van de openbare ruimte, dan wel een belemmering wordt gevormd voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg; c) Er hinder, overlast dan wel gevaarzetting voor derden wordt veroorzaakt; d) Het beoogde gebruik langer plaatsvindt dan voor het doel waarvoor het voorwerp wordt geplaatst dan wel de termijn zoals beschreven in de artikelen 4.10.1 en/of 4.10.2 wordt overschreden. 3. Het college kan, in aanvulling op de regels in dit artikel, nadere regels opstellen voor het plaatsen van voorwerpen in de openbare ruimte. 4. Een melding of vergunning, mede inbegrepen een verlenging of kennisgeving daarvan als bedoeld in de artikelen 4.10.1 en 4.10.2, kan in ieder geval worden geweigerd indien: a) Niet wordt voldaan aan de voorwaarden zoals beschreven in dit artikel; b) Niet wordt voldaan aan de Nadere regels (indien deze zijn opgesteld); c) Het college van mening is dat het plaatsen van het voorwerp in strijd is met de bruikbaarheid van de openbare ruimte of anderszins niet wenselijk is. 5. Het verbod in de artikelen 4.10.1 en 4.10.2 geldt niet voor evenementen indien het te plaatsen voorwerp onderdeel uitmaakt van het evenement. 6. Het verbod in de artikelen 4.10.1 en 4.10.2 geldt niet voor uitstallingen als bedoeld in de Beleidsregel uitstallingen in de openbare ruimte | Lokale wet- en regelgeving (overheid.nl) 7.
De kosten van het eventuele herstel van schade aan openbare eigendommen en de kosten van het opruimen van achtergebleven afval kunnen voor rekening komen van de indiener van de melding/vergunning. 8. De indiener van de melding/vergunning is tevens verantwoordelijk voor alle schade die ontstaat, als gevolg van het plaatsen van het voorwerp, aan derden.
9. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene Wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Art. 4.10.1. Melding 1. Het is verboden om, zonder melding aan het college, een voorwerp in de openbare ruimte te plaatsen op/in: a) Een voetpad of trottoir (minimale breedte van 1,20m moet vrij worden gehouden); b) De onmiddellijke nabijheid van een uitweg; c) De directe nabijheid van brandkranen (diameter van 1,80m moet vrij worden gehouden); d) De directe nabijheid van boven de grond gelegen kabels dan wel leidingen; e) Openbaar groen; f) Minder dan 70cm aan weerszijden van blindegeleidestroken; g) Parkeerplaatsen; h) Het stadserf van Enschede.
2. Onverminderd het bepaalde in lid 1 is een vergunning vereist indien wordt voldaan aan één van de in artikel 4.10.2 gestelde voorwaarden. 3. De melding voor het plaatsen van een voorwerp dient: a) Tenminste 5 werkdagen voor aanvang van het plaatsen van het voorwerp te worden gedaan, doch; b) Maximaal 1 maand voor aanvang van het plaatsen van het voorwerp te worden gedaan; c) Via het digitale loket van de gemeente Enschede te worden ingediend. 4. Het voorwerp mag pas geplaatst worden na acceptatie van de melding (niet zijnde de ontvangstbevestiging). 5. In de acceptatie van de melding kunnen nadere voorwaarden worden opgenomen. 6. Binnen het stadserf: a) Mag een voorwerp door middel van een melding maximaal 5 opeenvolgende werkdagen (maandag t/m vrijdag) worden geplaatst, mits het voorwerp niet op de dagen zoals genoemd in art. 4.10.2 lid 2 sub b t/m e wordt geplaatst; b) Is verlenging van de in sub a) genoemde termijn maximaal 1 keer mogelijk met maximaal 5 opeenvolgende werkdagen (maandag t/m vrijdag). 7. Buiten het stadserf: a) Mag een voorwerp door middel van een melding maximaal 3 opeenvolgende maanden worden geplaatst; b) Is verlenging van de in sub a) genoemde termijn maximaal 1 keer mogelijk met maximaal 1 opvolgende maand Art. 4.10.2. Vergunning 1. Onverminderd het bepaalde in art. 4.10.1.
is het verboden de daarin genoemde activiteiten zonder vergunning van het college uit te voeren wanneer er sprake is van: a) Hijswerkzaamheden; b) Het deels dan wel volledig gebruik van een rijbaan;
c) Plaatsing van het voorwerp binnen 5 meter van een kruising van wegen; d) Plaatsing van het voorwerp op een kroonprojectie van een boom conform artikel 6.19; e) Het deels dan wel volledig gebruik van een fietspad; f) Het volledig gebruik van een voetpad of trottoir, of indien er minder dan 1.20m vrije ruimte over is; g) Plaatsing van het voorwerp binnen 10 meter vanaf de rand van het evenemententerrein, indien dat voorwerp geen deel uitmaakt van het evenement; h) Plaatsing van het voorwerp op een plek die is aangewezen als standplaats; 2. Naast de voorwaarden genoemd in lid 1, is het in het stadserf verboden om zonder vergunning van het college de activiteiten uit te voeren wanneer er sprake is van: a) Een doorgang die overblijft van minder dan 3,50 meter breed en 4,20 meter doorrijhoogte; b) Plaatsing van het voorwerp tijdens weekenden; c) Plaatsing van het voorwerp op marktdagen daar waar de markt is; d) Plaatsing van het voorwerp tijdens officiële nationale feestdagen, 1 tot en met 31 december, Goede Vrijdag, 5 mei en de dag na Hemelvaart; e) Plaatsen van het voorwerp tijdens Duitse feestdagen (1 mei, 16 juni, 3 oktober, 31 oktober en 1 november); f) Plaatsing van een voorwerp wat zwaarder is dan 30 ton; g) plaatsing van een voorwerp wat langer is dan 11 meter. 3.
De aanvraag voor een vergunning dient altijd: a) Tenminste 15 werkdagen voor aanvang van het plaatsen van het voorwerp te worden gedaan; b) Maximaal 1 maand voor aanvang van het plaatsen van het voorwerp te worden gedaan; c)
Via het digitale loket van de gemeente Enschede te worden ingediend.
4. Een vergunning is geldig voor de duur van de werkzaamheden met een maximum van een jaar.
5.
In de beschikking kunnen nadere voorwaarden worden opgenomen.
6. Het is mogelijk om in één aanvraag voor meerdere locaties een vergunning voor maximaal 1 maand aan te vragen, indien: a) De vergunning niet eerder wordt aangevraagd dan 1 maand voorafgaand aan het plaatsen van het eerste voorwerp; b) Er tussen het plaatsen van het eerste en laatste voorwerp, maximaal een tijdsverloop van 1 maand zit. 7. Het is mogelijk om in één aanvraag een vergunning voor een jaar aan te vragen, indien: a)
Het één voorwerp voor één locatie betreft;
b)
Het om kortdurende repeterende werkzaamheden gaat;
c) Het voorwerp maximaal 5 opeenvolgende werkdagen (maandag tot en met vrijdag) wordt geplaatst; d) De vergunning niet eerder wordt aangevraagd dan 1 maand voorafgaand aan het plaatsen van het voorwerp; e) De daarop volgende keren minimaal 5 werkdagen en maximaal één maand van tevoren per mail of telefonisch wordt doorgeven wanneer het voorwerp wordt geplaatst. Aanleg wegen en uitwegen Artikel 4.11 Aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg •
1.Het is verboden zonder vergunning van het college: a. een weg aan te leggen; b. de verharding daarvan op te breken; c. in een weg te graven of te spitten; d. de aard of breedte van de wegverharding te veranderen; of e. anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg.
•
2.Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder weg verstaan wat artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder verstaat, alsmede alle niet openbare ontsluitingswegen van gebouwen.
•
3.Het verbod in het eerste lid geldt niet voor overheden bij het uitvoeren van hun publieke taak.
•
4.Het verbod geldt voorts niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, het Provinciaal wegenreglement, de Waterschapskeur, de Telecommunicatiewet of de Algemene Verordening Ondergrondse Infrastructuur.
•
5.Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 4.12 Maken, veranderen van een uitweg •
1.Het is verboden zonder vergunning van het college een uitweg aan te leggen, tenzij wordt voldaan aan de door het college vastgestelde nadere regels.
•
2.Het college kan in het belang van de openbare orde, het verkeer, het voorkomen van ernstige hinder of de woon- en leefomgeving nadere regels stellen ten aanzien van het aanleggen van een uitweg.
•
3.Het college kan bij het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van de nadere regels.
•
4.Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Handelsreclame Artikel 4.13 Het voeren van handelsreclame •
1.Het is verboden zonder vergunning van het college in, op of aan een roerende of een onroerende zaak (handels)reclame te maken, te voeren of toe te staan door middel van een opschrift, aankondiging of afbeelding tenzij wordt voldaan aan de door het college vastgestelde nadere regels voeren handelsreclame bij, op of aan (on)roerende zaken in Enschede
•
2.Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en de Erfgoedwet en na de inwerkingtreding, de Omgevingswet.
•
3.Het college kan in het belang van de openbare orde, het verkeer, het voorkomen van ernstige hinder of de woon- en leefomgeving nadere regels stellen ten aanzien van handelsreclame.
•
4.Het college kan bij vergunning afwijken van het verbod in het eerste lid en van de Nadere regels als bedoeld in het derde lid.
•
5.Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Exploiteren van terrassen bij horecabedrijven Artikel 4.14 Het exploiteren van een terras bij een horecabedrijf •
1.Het is verboden een terras in te richten, in gebruik te nemen en te houden, tenzij wordt voldaan aan de door de burgemeester vastgestelde Nadere regels terrassen bij horecabedrijven.
•
2.De burgemeester kan nadere regels vaststellen ten aanzien van de locaties waar terrassen mogen worden ingericht, het gebruik en de gebruiksduur van terrassen.
•
3.De burgemeester kan een vergunning verlenen in afwijking van het verbod in het eerste lid en van de Nadere regels als bedoeld in het tweede lid.
•
4.De burgemeester kan op grond van ernstige vrees voor verstoring van de openbare orde en veiligheid locaties aanwijzen waar het verboden is om een terras in te richten, in gebruik te nemen of te exploiteren.
•
5.Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Vissen in gemeentelijke vijvers Artikel 4.15 Vissen in gemeentelijke vijvers •
1.Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is, verboden te vissen in een bij de gemeente in onderhoud zijnde vijver of andere dergelijke waterpartij.
•
2.Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing indien het vissen geschiedt op plaatsen waar dit blijkens van gemeentewege geplaatste borden uitdrukkelijk is toegestaan.
Artikel 4.16 [ Gereserveerd]
Hoofdstuk 5 Activiteiten met betrekking tot cultureel erfgoed
Artikel 5.1 Activiteiten Dit hoofdstuk gaat over activiteiten die betrekking hebben op gemeentelijke monumenten en cultureel erfgoed. Artikel 5.2 Oogmerk [ gereserveerd ] Artikel 5.3 Specifieke zorgplicht Diegene die eigenaar is van een gemeentelijk monument is verplicht om alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om nadelige gevolgen voor het monument te voorkomen. Artikel 5.4 Algemene regels [ gereserveerd ] Artikel 5.5 Beoordelingsregels Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.21 en 5.25 van deze Verordening kan in aanvulling op de in artikel 1.4 opgenomen beoordelingsregels worden geweigerd indien: a. niet aannemelijk is dat op de plaats van het te slopen bouwwerk een ander bouwwerk kan of zal worden opgericht; b. geen sprake is van een onherroepelijke omgevingsvergunning bouwen. Artikel 5.6 Meldingsplicht [ gereserveerd ] Artikel 5.7 Maatwerkvoorschriften [ gereserveerd ] Artikel 5.8 Omgevingsvergunning Artikel 5.8 Omgevingsvergunning Voor het verrichten van de volgende activiteiten is een omgevingsvergunning vereist: a. het slopen of anderszins wijzigen van een gemeentelijk monument (artikel 5.21 van deze Verordening); b. het slopen of anderszins wijzigen van een bouwwerk in een beschermd stads- en dorpsgezicht (artikel 5.25 van deze Verordening). Artikel 5.9 Gegevens en bescheiden 1.
Ten behoeve van de beoordeling van een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in 5.21 en 5.25 worden in ieder geval de navolgende gegevens door de aanvrager verstrekt: a. Tekeningen van de bestaande en de nieuwe toestand; (situatie, plattegronden, gevelaanzichten, langsen dwarsdoorsneden, details);
b. Foto's van het monument (bij ingrepen interieur ook foto's van het interieur); c. Foto's van de directe omgeving van het monument; d. Duidelijk werkomschrijving; e. Beschrijving van de toe te passen materialen. 2. Ter beoordeling en op verzoek van het college worden de navolgende gegevens verstrekt: a. Bestek; b. Kleurhistorisch / tuinhistorisch /, interieurhistorisch onderzoek in de vorm van een quick scan; c. Schriftelijke toelichting met (bouw)historisch onderzoek met waardenstelling (conform de Richtlijn bouwhistorisch onderzoek); d. Inspectierapport Monumentenwacht of ander inspectierapport; e. Fotomateriaal van vroegere situaties; f. Monsters van toe te passen materialen en kleuren; g. De opgave bij welke instantie voor de voorgenomen wijziging een aanvraag om subsidie of een financiële bijdrage is of zal worden gedaan. Erfgoedregister Artikel 5.10 Gemeentelijk erfgoedregister •
1.Het college houdt een door een ieder te raadplegen gemeentelijk register bij van krachtens deze verordening onherroepelijk aangewezen cultureel erfgoed.
•
2.Het gemeentelijk erfgoedregister bevat gegevens over de inschrijving en ter identificatie van het aangewezen gemeentelijk cultureel erfgoed.
Aanwijzing beschermde gemeentelijke cultuurgoederen of beschermde gemeentelijke verzameling Artikel 5.11 Aanwijzing als beschermd gemeentelijk cultuurgoed of beschermde gemeentelijke verzameling •
1.Het college kan ambtshalve besluiten een cultuurgoed, dat van bijzondere cultuurhistorische of wetenschappelijke betekenis of uitzonderlijke schoonheid is en dat als onvervangbaar en onmisbaar behoort te worden behouden voor het gemeentelijk cultuurbezit en dat in eigendom is van de gemeente of dat aan de zorg van de
gemeente is toevertrouwd, aan te wijzen als beschermd gemeentelijk cultuurgoed. •
2.Het college kan ambtshalve besluiten een verzameling van cultuurgoederen, dat van bijzondere cultuurhistorische of wetenschappelijke betekenis is, die als geheel of door een of meer van de cultuurgoederen die een wezenlijk onderdeel van de verzameling zijn, als onvervangbaar en onmisbaar behoort te worden behouden voor het gemeentelijk cultuurbezit en die in eigendom van de gemeente is of die aan de zorg van de gemeente is toevertrouwd, aan te wijzen als beschermde gemeentelijke verzameling.
•
3.Voor de aanwijzing van een cultuurgoed dat of een verzameling die aan de zorg van de gemeente is toevertrouwd is toestemming van de eigenaar vereist.
•
4.Over het voornemen van een aanwijzing, bedoeld in het eerste of tweede lid, alsmede over de vervreemding van een beschermd gemeentelijk cultuurgoed of een beschermde gemeentelijke verzameling of over het afstand doen van de zorg daarvoor, vraagt het college advies aan de betreffende gemeentelijke adviescommissie.
•
5.Dit artikel is niet van toepassing op: o
a. beschermde cultuurgoederen en beschermde verzamelingen als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet;
o
b. cultureel erfgoed dat is aangewezen op grond van een provinciale erfgoedverordening als bedoeld in artikel 3.17, eerste lid, van de Erfgoedwet.
Artikel 5.12 Wijziging, intrekking en vervallen van de aanwijzing als beschermd gemeentelijk cultuurgoed of beschermde gemeentelijke verzameling •
1.Het college kan een besluit tot aanwijzing als bedoeld in het vorige artikel, eerste of tweede lid, ambtshalve wijzigen of intrekken.
•
2.Op het bepaalde in het eerste lid is het vorige artikel, vierde lid, van overeenkomstige toepassing, tenzij het een aanpassing van ondergeschikte betekenis betreft of het cultuurgoed of de verzameling waarop de aanwijzing betrekking heeft als zodanig is tenietgegaan.
•
3.Een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid vervalt met ingang van de dag waarop het cultuurgoed of de verzameling waarop de aanwijzing betrekking heeft wordt aangewezen als: o
a. beschermd cultuurgoed of beschermde verzameling als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet;
o
b. beschermd cultureel erfgoed op grond van een provinciale erfgoedverordening als bedoeld in artikel 3.17, eerste lid, van de Erfgoedwet.
•
4.Zodra de wijziging, intrekking of het vervallen van een aanwijzing onherroepelijk is geworden wordt dat onverwijld bijgehouden in het gemeentelijk erfgoedregister.
Aanwijzing gemeentelijk monument Artikel 5.13 Aanwijzing als gemeentelijk monument •
1.Het college kan – al dan niet op aanvraag - besluiten een monument of archeologisch monument dat van bijzonder belang is voor de gemeente vanwege zijn schoonheid, betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische waarde aan te wijzen als gemeentelijk monument.
•
2.De beoordeling van de monumentwaardigheid op basis van de criteria in lid 1 van dit artikel wordt getoetst op basis van de door het college vast te stellen nadere regels en/of selectiecriteria
•
3.Dit artikel is niet van toepassing op: o
a. rijksmonumenten;
o
b. monumenten en archeologische monumenten die zijn aangewezen op grond van een provinciale erfgoedverordening als bedoeld in 3.17, eerste lid, van de Erfgoedwet.
Artikel 5.14 Voornemen tot aanwijzing Een voornemen om toepassing te geven aan artikel 5.13 wordt door het college schriftelijk bekendgemaakt aan alle zakelijk gerechtigden op de
onroerende zaak die vermeld staan in de openbare registers, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Kadasterwet. Artikel 5.15 Voorbescherming •
1.De bescherming van artikel 5.20 en 5.21 van deze Verordening is van overeenkomstige toepassing op het monument of archeologisch monument ten aanzien waarvan een voornemen als bedoeld in artikel 5.14 is bekendgemaakt.
•
2.De voorbescherming, bedoeld in het eerste lid, vervalt op het moment van inschrijving van de aanwijzing in het gemeentelijk erfgoedregister of op het moment waarop het aanwijzingsbesluit wordt herroepen of door de bestuursrechter wordt vernietigd.
Artikel 5.16 Beslistermijn en inhoud aanwijzingsbesluit •
1. Op een aanvraag om aanwijzing als bedoelt in art. 5.13 van deze Verordening dient te worden besloten binnen 26 weken na ontvangst van de aanvraag.
•
2.De aanwijzing bevat in ieder geval de plaatselijke aanduiding van het gemeentelijke monument, de datum van aanwijzing, de kadastrale aanduiding en een beschrijving van het gemeentelijke monument.
Artikel 5.17 Bekendmaking aanwijzingsbesluit aan rechthebbenden en inschrijving •
1.De aanwijzing wordt schriftelijk bekendgemaakt aan alle zakelijk gerechtigden op de onroerende zaak die vermeld staan in de openbare registers, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Kadasterwet.
•
2.Zodra een aanwijzing onherroepelijk is geworden wordt deze onverwijld opgenomen in het gemeentelijk erfgoedregister.
Artikel 5.18 Aanwijzing als voorlopig gemeentelijk monument 1. In een spoedeisend geval kan het college een monument of archeologisch monument aanwijzen als voorlopig gemeentelijk monument. In afwijking van artikel 5.26 van deze Verordening wordt in dat geval aan de betreffende gemeentelijke adviescommissie advies gevraagd over de vastgestelde aanwijzing als voorlopig gemeentelijk monument. 2. Een aanwijzing als voorlopig gemeentelijk monument vervalt na 26 weken of zoveel eerder als het college een besluit heeft over de aanwijzing, bedoeld in artikel 5.13 van deze Verordening.
3. Artikelen 5.20 en 5.21 van deze Verordening zijn van overeenkomstige toepassing vanaf het moment dat belanghebbenden schriftelijk in kennis worden gesteld van het besluit van het college tot aanwijzing van het monument of archeologisch monument als voorlopig gemeentelijk monument. Artikel 5.26 van deze Verordening is van overeenkomstige toepassing op deze aanwijzing . Artikel 5.19 Wijziging gemeentelijk erfgoedregister, vervallen aanwijzing monument •
1.Het college kan ten aanzien van gemeentelijke monumenten en voorlopige gemeentelijke monumenten ambtshalve wijzigingen aanbrengen in het gemeentelijk erfgoedregister.
•
2.Als de wijziging ziet op het schrappen uit het register zijn de artikelen 5.13 tot en met 5.18 van deze Verordening van overeenkomstige toepassing, tenzij het monument of het archeologisch monument waarop de aanwijzing betrekking heeft als zodanig is teniet gegaan.
•
3.Een aanwijzing vervalt met ingang van de dag waarop het monument of het archeologisch monument waarop de aanwijzing betrekking heeft is ingeschreven in het rijksmonumentenregister of een provinciaal erfgoedregister als bedoeld in artikel 3.17, derde lid, van de Erfgoedwet. Het vervallen van de aanwijzing wordt onverwijld bijgehouden in het gemeentelijk erfgoedregister.
Bescherming gemeentelijk monument Artikel 5.20 Instandhoudingsplicht gemeentelijk monument Het is verboden een gemeentelijk monument te beschadigen of te vernielen, of daaraan onderhoud te onthouden dat voor de instandhouding daarvan noodzakelijk is. Artikel 5.21 Omgevingsvergunning gemeentelijk monument •
1.Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het college van burgemeester en wethouders een gemeentelijk monument: o
a. te slopen, te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen; of
o
b.
te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht. •
2.Het eerste lid is niet van toepassing op: o
a. de uitvoering van normaal onderhoud, voor zover detaillering, profilering, vormgeving, materiaalsoort en kleur van het monument niet wijzigen, en voor zover de aanleg van een tuin, park of andere aanleg, niet wijzigt; of
o
b. inpandige veranderingen van het monument, voor zover het een onderdeel daarvan betreft dat vanuit het oogpunt van monumentenzorg zonder betekenis is.
•
3.Het college kan in het belang van de monumentenzorg nadere regels stellen met betrekking tot de uitvoering van werkzaamheden aan een gemeentelijk monument. Deze regels kunnen mede inhouden een vergunning, bedoeld in het eerste lid, of een plicht tot het melden van handelingen als bedoeld in het tweede lid.
•
4.Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Kerkelijk monument Artikel 5.22 Kerkelijk monument Het college neemt geen besluit tot aanwijzing van een kerkelijk monument anders dan in overeenstemming met de eigenaar, indien en voor zo ver daarbij wezenlijke belangen van de godsdienstuitoefening in het aan te wijzen monument in het geding zijn. Gemeentelijke stads- en dorpsgezichten Artikel 5.23 Aanwijzing als beschermd gemeentelijk stads- en dorpsgezicht •
1. De gemeenteraad kan – op voorstel van het college - stads- en dorpsgezichten aanwijzen als beschermd gemeentelijk stads- of dorpsgezicht.
•
2. Burgemeester en wethouders zenden het voorstel voor advies aan de gemeentelijke adviescommissie, bedoeld in artikel 5.26 van deze Verordening. Tegelijkertijd wordt mededeling gedaan van het voorstel
om een stads- en dorpsgezicht als beschermd stads- en dorpsgezicht aan te wijzen aan alle zakelijk gerechtigden op een onroerende zaak die vermeld staan in de openbare registers, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Kadasterwet. •
3. De voorbescherming van artikel 5.15 juncto 5.20 en 5.21 van deze Verordening is van overeenkomstige toepassing. De voorbescherming vervalt op het moment van inschrijving van de aanwijzing in het gemeentelijk erfgoedregister of op het moment waarop het aanwijzingsbesluit wordt herroepen of door de bestuursrechter wordt vernietigd.
•
4.De beoordeling van de beschermwaardigheid van een stads- en dorpsgezicht vindt plaats op basis van de door het college vast te stellen nadere regels en/of selectiecriteria.
•
5.Een aangewezen gemeentelijk stads- of dorpsgezicht wordt onverwijld opgenomen in het gemeentelijk erfgoedregister.
•
6. De gemeenteraad stelt ter bescherming van een op grond van het eerste lid aangewezen beschermd stads- of dorpsgezicht een bestemmingsplan vast als bedoeld in de Wet ruimtelijke ordening en na inwerkingtreding van de Omgevingswet, een daarop afgestemde regeling in het omgevingsplan. Bij het besluit tot aanwijzing van een beschermd stads- en dorpsgezicht kan hiertoe een termijn worden gesteld.
•
7. Bij het besluit tot aanwijzing van een beschermd stads- of dorpsgezicht wordt bepaald of en in hoeverre geldende bestemmingsplannen en na inwerkingtreding van de Omgevingswet een daarop afgestemde regeling in het omgevingsplan, als beschermend plan in de zin van het vorige lid kunnen dan wel kan worden aangemerkt, dan wel of een beheerverordening kan worden vastgesteld.
•
8.Dit artikel is niet van toepassing op beschermde stads- en dorpsgezichten die zijn aangewezen door de betreffende Minister of op basis van een provinciale verordening.
Artikel 5.24 Wijziging, intrekking en vervallen van de aanwijzing als beschermd gemeentelijke stads- en dorpsgezicht •
1.De gemeenteraad kan een besluit tot aanwijzing als bedoeld in artikel 5.23, eerste lid van deze Verordening, wijzigen of intrekken. Het tweede lid van dat artikel is hierop van overeenkomstige toepassing, tenzij het een aanpassing van ondergeschikte betekenis
betreft of het stads- en dorpsgezicht waarop aanwijzing betrekking heeft als zodanig is tenietgegaan. •
2.Een aanwijzing vervalt met ingang van de dag waarop het stads- en dorpsgezicht waarop de aanwijzing betrekking heeft wordt aangewezen als: o
a. beschermd stads- en dorpsgezicht op basis van een besluit door de betreffende Minister, of
o
b. beschermd stads- en dorpsgezicht op grond van een provinciale verordening.
•
3.Zodra de wijziging, intrekking of het vervallen van een aanwijzing onherroepelijk is geworden wordt dat onverwijld bijgehouden in het gemeentelijk erfgoedregister.
Slopen in een beschermd gemeentelijk stads- of dorpsgezicht Artikel 5.25 Verbodsbepaling en aanvraag vergunning •
1.Het is in een beschermd gemeentelijk stads- of dorpsgezicht verboden om zonder omgevingsvergunning een bouwwerk al dan niet gedeeltelijk te slopen.
•
2.Het eerste lid is niet van toepassing op het slopen ingevolge een verplichting als bedoeld in de artikelen 13, 13a of 13b van de Woningwet.
•
3.Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Gemeentelijke adviescommissie over erfgoed Artikel 5.26 Gemeentelijke adviescommissie •
1.Er is een gemeentelijke adviescommissie die het college gevraagd of ongevraagd adviseert over onderwerpen die het gemeentelijk erfgoed aangaan of op dat erfgoed van invloed zijn.
•
2.In ieder geval vraagt het college deze commissie om advies bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het slopen of veranderen van een rijks-, provinciaal of gemeentelijk monument.
•
3.Het college vraagt over het voornemen om toepassing te geven aan het aanwijzen als gemeentelijk monument advies aan deze commissie.
•
4.Het college kan nadere regels stellen betreffende: o
a. de samenstelling van deze commissie;
o
b. de vorm en wijze van advisering door deze commissie;
o
c. de termijn van advisering door deze commissie;
o
d. de openbaarheid van de vergadering van deze commissie.
Artikel 5.27 [gereserveerd]
Hoofdstuk 6 Activiteiten met betrekking tot bomen, planten en dieren Artikel 6.1 Activiteiten Dit hoofdstuk gaat over activiteiten die betrekking hebben op het kappen van bomen en snoeien van houtopstanden en over het beperken van overlast door dieren. Artikel 6.2 Oogmerken [ gereserveerd ] Artikel 6.3 Specifieke zorgplicht [ gereserveerd ] Artikel 6.4 Algemene regels [ gereserveerd ] Artikel 6.5 Beoordelingsregels [ gereserveerd ] Artikel 6.6 Meldingsplicht Het is verboden zonder hiervan melding te doen een houtopstand te vellen, waaronder het kappen van bomen (artikel 6.14 lid 2 van deze Verordening), als aangegeven in de tabel in 6.14 lid 5 van deze Verordening. Artikel 6.7 Maatwerkvoorschriften [ gereserveerd ]
Artikel 6.8 Omgevingsvergunning Het is verboden zonder omgevingsvergunning een houtopstand te vellen, waaronder het kappen van bomen (artikel 6.14 lid 1 van deze Verordening), als aangegeven in de tabel in 6.14 lid 5 van deze Verordening. Artikel 6.9 Gegevens en bescheiden [ gereserveerd ] Overlast door dieren Artikel 6.10 Loslopende honden, verboden plaatsen, identificatie •
1.Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of lopen: o
a. binnen de bebouwde kom op een openbare plaats zonder dat die hond is aangelijnd;
o
b. op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak, speelweide of trapveld of op een andere door het college aangewezen plaats;
o
c. in een bij de gemeente in onderhoud zijnde vijver of andere waterpartij, tenzij deze door het college is aangewezen als hondenzwemplaats;
o
d. op de weg of openbare plaats zonder voorzien te zijn van een halsband of een ander identificatiekenmerk dat de eigenaar of houder duidelijk doet kennen.
•
2.Het in het eerste lid, onder a, gestelde verbod geldt niet in gebieden die door het college zijn aangewezen als losloopgebieden.
•
3.De verboden genoemd in het eerste lid onder a en b gelden niet voor zover de eigenaar of houder van een hond zich vanwege zijn handicap door een blindengeleide- of hulp hond laat begeleiden en de hond daarvoor aantoonbaar gekwalificeerd is of indien een eigenaar of houder van een hond deze aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot blindengeleide- of hulp hond.
Artikel 6.11 Geluidhinder door dieren
Degene die de zorg heeft voor een dier, moet voorkomen dat dit voor een omwonende of overigens voor de omgeving (geluid)hinder veroorzaakt. Artikel 6.12 Verontreiniging door honden •
1.De eigenaar of houder van een hond is verplicht ervoor te zorgen dat die hond zich niet van uitwerpselen ontdoet binnen de bebouwde kom op een openbare plaats.
•
2.De strafbaarheid wegens overtreding van het in het eerste lid gestelde gebod wordt opgeheven: o
a. indien de eigenaar of houder van de hond er zorg voor draagt dat de uitwerpselen onmiddellijk worden verwijderd;
o
b. in gebieden die door het college zijn aangewezen als losloopgebieden.
•
3.De eigenaar of houder van een hond is verplicht op eerste vordering van een ambtenaar, belast met de zorg voor de naleving van het in dit artikel bepaalde, aan te tonen dat hij bij het uitlaten van die hond een deugdelijk hulpmiddel bij zich heeft, dat gezien de vorm en constructie als zodanig geschikt is voor het verwijderen van uitwerpselen.