CConstaterende datenschede
Koppel je AI →
Document · PDF

EFTAL onderbouwing functiewijziging Thomas de Keyserstraat 20 d.d. 8 mei 2025 met 9 bijlagen DEF.

Raadsvergadering 7 juli 2025, gemeente enschedeBij agendapunt: Omgevingsvergunning voor buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) voor het vestigen van een woonzorginstelling met 24 woonzorgappartementen (beschermd wonen) in de voormalige Apostel Thomaskerk aan de Thomas de Keyserstraat 20 te Enschede.34.174 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

18

Afbeelding 3.7: uitsnede CROW-publicatie 4.1 Kencijfers hoofdgroep wonen; verkeersgeneratie woning Volgens het CROW (uitgave 4.1 Kencijfers hoofdgroep wonen) is de verkeersgeneratie van een woning met een oppervlakte kleiner dan 75 m2 2,6 verkeersbewegingen per etmaal per woning (sterk stedelijk, rest bebouwde kom). Het Initiatief ziet op 24 woonzorgappartementen, dus 24 x 2,6 = afgerond 63 verkeersbewegingen. In 2023 heeft er van 12-09-2023 tot 5-10-2023 een telslang gelegen om de verkeersbewegingen aan de Thomas de Keyserstraat te bepalen. Hieruit is opgehaald dat het gemiddeld aantal passerende voertuigen op de gemiddelde werkdag (= hoger dan weekend) per etmaal 891 bedraagt. Het Initiatief zorgt zoals aangegeven voor ca. 60 extra verkeersbewegingen per dag. Dit is als acceptabel te beschouwen gezien de maximale verkeersintensiteit van de wegen rondom de projectlocatie. Vanuit het aspect verkeer zijn er geen belemmeringen voor uitvoering van het Initiatief.

Afbeelding 3.8: locatie telslang Parkeren Er worden 17 appartementen met een oppervlakte van minder dan 40 m2 en 7 appartementen van meer dan 40 m2 gerealiseerd. In artikel 4.1.1 van het tijdelijk deel van het omgevingsplan, onder het bestemmingsplan "Parkeren Enschede" worden parkeerregels gesteld. Op grond van dit artikel moet aangetoond worden dat gelet op de omvang of de bestemming van het gebouw in voldoende mate wordt voorzien in ruimte voor: het parkeren of stallen van auto's en fietsen; het laden of lossen van goederen; het realiseren van parkeervoorzieningen voor invaliden. Het parkeren en laden of lossen moet worden gerealiseerd op eigen terrein, in, op of onder het gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort respectievelijk op of onder het onbebouwde terrein waarvan het gebruik wordt gewijzigd. In artikel 4.1.3 kan onder voorwaarden afgeweken worden van de parkeerregels. Dat kan uitsluitend wanneer er geen sprake is van onevenredige aantasting van in de openbare ruimte; het woon- en leefklimaat; de sociale veiligheid; de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden. Op grond van artikel 4.1.5 wordt het Initiatief getoetst aan de beleidsregel 'Parkeernormennota Enschede 2017'

19

Voor de parkeerberekening is gebruik gemaakt van bijlage 1 uit de Parkeernormennota. Hierbij is getoetst aan de parkeernormen voor woningen (minder dan 40 m2 en tussen de 40 m2 en 60 m2). Deze functie uit de Parkeernormennota sluit het meest aan bij de aanvraag en het gebruik van het gebouw (wonen met een zorgcomponent). Volgens de parkeerkencijfers is het aantal benodigde parkeerplaatsen voor een religiegebouw minimaal 0,1 per zitplaats volgens het CROW (uitgave 4.1 Kencijfers hoofdgroep wonen). Het religiegebouw heeft 320 zitplekken, dus 32 parkeerplaatsen nodig. De parkeernorm voor woningen onder de 40 m2 is 0,45 en de norm voor woningen met een oppervlakte van meer dan 40 m2 is 0,6. Dit komt neer op een totaal van 11,85 = 12 parkeerplaatsen die nodig zijn voor de realisatie van het Initiatief. Formeel daalt de parkeervraag dus. Parkeren was en wordt opgelost in de openbare ruimte. Aangezien de locatie al een tijdlang niet meer in gebruik is als kerk, is besloten om toch parkeren te realiseren voor deze locatie. Hiervan worden vier parkeerplaatsen op eigen terrein gerealiseerd. Negen parkeerplaatsen zullen bij de reconstructie van bovengenoemde straten in de openbare ruimte worden meegenomen en gerealiseerd.

Conclusie Het onderdeel “verkeer” en het onderdeel “parkeren” leveren geen belemmeringen op voor de voorgestelde wijziging van het Omgevingsplan ten behoeve van het Initiatief.

3.6.3 Landschappelijke waarden Het perceel Thomas de Keyserstraat 20 grenst aan een bestaande groenstructuur die in de toekomst nog versterkt zal worden (groene verbinding in de wijk – zie Groenambitieplan) en aan het Thomaspark. Het ontwerp van het Thomaspark als ook het ontwerp van de Thomas de Keyserstraat 20 zijn als onderdeel bij de uitwerking van de openbare ruimte meegenomen. In het Thomaspark en ook op het perceel van de Thomas de Keyserstraat 20 staan grote en beeldbepalende bomen die samen een eenheid vormen. Het ontwerp van de kerk doet hier geen afbreuk aan en blijft onderdeel van de groene ruimte om het gebouw heen. Ten behoeve van het Initiatief is een inrichtingsplan gemaakt, dat als bijlage 2 bij deze onderbouwing is opgenomen. Als gevolg van de realisatie van het Initiatief zullen slechts vier coniferen op het perceel gekapt worden. De hoofdopzet van de terreininrichting, de groenstructuur wordt verder behouden en/of versterkt. De aanwezige eiken waaraan een hoge waarde wordt toegekend omdat deze onderdeel vormen van een oudere structuur blijven behouden. Door een groot deel van de buitenruimte van het perceel niet aan te passen, blijft het geheel een eenheid met een rustige, groene uitstraling. Conclusie Het Initiatief leidt niet tot een onaanvaardbare aantasting van landschappelijke waarden.

3.6.4 Cultuurhistorische waarden Uit het Bkl volgt dat gemeenten voor cultureel erfgoed, dat voor bescherming in aanmerking komt een toereikend beschermingsregime moeten opnemen in het Omgevingsplan. Het Bkl bevat hiervoor instructieregels in artikel 5.130 (par 5.1.5.5 behoud cultureel erfgoed). Ook de Omgevingsverordening van de provincie bevat instructieregels voor cultureel erfgoed (artikel 4.12).

20

Waarden en deze Bopa In het gebied van deze Bopa komen cultuurhistorisch waardevolle objecten en structuren voor. In het bestemmingsplan “Stadsveld – Pathmos 2019” ligt de kerk in een cultuurhistorische structuur en is het gebouw zelf aangeduid als ‘karakteristiek’. In de toelichting van dit bestemmingsplan is hierover het volgende opgenomen: zoals gebruikelijk in een wederopbouwwijk heeft de kerk een prominente stedenbouwkundige ligging, gelegen op de hoek en aan de hoofdontsluiting. De ruime en groene opzet hoort bij de opzet van de wederopbouwwijk en versterkt de stedenbouwkundige waarde. Van oorsprong kende de wijk meer kerken, waarvan er nu maar 2 resteren. Dit is de enige aan de hoofdontsluiting van de wijk. De kerk heeft daarmee een zeldzaamheidswaarde binnen de naoorlogse, waardevolle en typische kenmerken van de wijk. De kerk is dan ook opgenomen binnen een aanduiding 'cultuurhistorische structuur' (zie beschrijving structuur S3). S3. Ensemble Bruggertstraat/Rembrandtlaan van appartementengebouwen, school en kerk Dit deel van Stadsveld wordt gemarkeerd door een stedenbouwkundig ensemble van middelhoogbouw en laagbouw, in een ruime, groene setting met waardevolle groenstructuren. De stedenbouwkundige waarde, de ensemblewaarde, de typische naoorlogse opzet en sterke relatie met het groen (licht, lucht en ruimte) maken dit een kenmerkend deel van de wijk.

De voorzieningen als onderdeel van dit ensemble versterken de waarde van de structuur. Het meest noordelijke gebouw is een middelbare school, de overige gebouwen zijn appartementencomplexen en een kerk. De middelhoogbouw markeert de hoofdontsluiting van de wijk (Rembrandtlaan, die overgaat in Wethouder Nijhuisstraat en S.L. Louwesstraat) en de dwars daarop gelegen hoofdstructuren (Thomas de Keyserstraat en de al vooroorlogse Bruggertstraat). Deze hoofdstructuren waren de verbinding naar het agrarische landschap De laagbouw is deels nog wel herkenbaar als onderdeel van de 'stempel', maar de stempel is niet meer zo gaaf en op zichzelf niet extra waardevol. De laagbouw is daarom niet meegenomen in de aanduiding als cultuurhistorische structuur. De aanwezigheid van bijzondere functies was in dergelijke wijken veelal gekoppeld aan de hoofdstructuur. Dat is in dit geval ook zo. De school, de kerk en de winkelplint met appartementen aan Thomas de Keyserstraat vallen extra op door hun verschijning. De school en de kerk zijn als 'karakteristiek' aangemerkt. Beschrijving karakteristiek object1 De Apostel Thomaskerk, Thomas de Keyserstraat 20, is naar een ontwerp van architectenbureau Chr. Nielsen, J. H. C. Spruit en W. van der Kuilen op de noordwestelijke hoek van de Thomas de Keyserstraat en de Rembrandtlaan in 1963 tot stand gekomen.

De kerk maakt deel uit van de naoorlogse wijk Stadsveld. De stedenbouwkundige structuur van de wijk werd zo opgezet dat het groen van het oude essenlandschap in de wijk kon ‘doorstromen’. Voor het kerkgebouw betekende dit dat er een oud pad werd gevolgd om een groene verbinding te maken. Vanaf het beboste terrein aan de groenstrook langs de Bruggertstraat via plantsoenen, bomenrijen en binnentuinen, werd de verbinding gelegd met het terrein van de kerk. De eiken op het grasland aan de noord- en westzijde van het kerkgebouw zijn nog de oorspronkelijke eiken die langs het pad stonden voordat Stadsveld er was. De kerk is in een modernistische bouwstijl ontworpen en samengesteld uit plat afgedekte blokvormige bouwvolumes met de grote kerkzaal in het grootste en meest opvallende bouwdeel. Kenmerkend voor de verschijningsvorm van deze zaal is het vrij gesloten karakter van het grote en hoge bouwvolume. Dit in tegenstelling tot het oorspronkelijk open karakter van de nevenruimten aan de binnenplaats. De bouwvolumes werden volgens het functionalistische principe van ‘form follows function’ elk van een andere functie voorzien die bovendien tot uitdrukking werd gebracht in de venstervorm. De grote kerkzaal is parallel aan de Thomas de Keyserstraat gesitueerd. Op de noordoosthoek is de klokketoren geplaatst.

De zaal is aan de westzijde, de zijde van het liturgisch centrum, halfrond opgemetseld. Aan de overige zijden is de kerkzaal uitgebouwd met een separaat afgedekte uitbouw. In de beide lange zijden zijn de galerijen langs de kerkzaal ondergebracht. De hooggeplaatste vensters zijn bedoeld om licht naar binnen te brengen en niet om contact met buiten te maken. Zo is ook het verschil tussen de vensters in de galerijen te verklaren. Aan de straatzijde is alleen een strook bovenlichten geplaatst, aan de binnenplaatszijde forse vensterpartijen grenzend aan de besloten binnenplaats. Aan de korte zijde wordt de kerk ontsloten, oorspronkelijk in een open, tegenwoordig in een afgesloten portiek. De aanbouw is langs de binnenplaats doorgetrokken en als een gemetselde pergola vormgegeven die toegang geeft tot de binnenplaats. De binnenplaats grenst aan de rechter galerij van de kerkzaal en wordt verder omsloten door de westvleugel met de ontmoetingsruimte en de drie zaaltjes, en door de noordvleugel met de kleinere kerkzaal. Oorspronkelijk waren alle bouwvolumes aan de zijde van de binnenplaats van fors bemeten vensters voorzien van dakrand tot vloer, wat de binnenplaats een transparant karakter gaf. In de loop der tijd zijn de vensterpartijen veelal vervangen door enkelruits vensters op een gemetselde borstwering of de borstweringen zijn dichtgezet.

1

Omschrijving en waardestelling zijn overgenomen van de cultuurhistorische waardestelling. Het Oversticht, Apostel Thomaskerk. Cultuurhistorische waarden en transformatie, Zwolle 2021 (bijlage 9 bij dit document).

21

De zaaltjes in de westvleugel worden aan de buitenzijde (W) van licht voorzien door de houten driedelige vensterpartijen. Karakteristiek zijn de in de vensterpartij opgenomen beige gekleurde borstwering en de ritmiek van de vaste beukmaat. Net als de grote kerkzaal kenmerkt de kleine kerkzaal, tegenwoordig de Eudokiakapel, zich door een gesloten karakter aan de buitenzijde van het kerkgebouw. Tegenwoordig is de binnenplaats geheel verhard, op een grote struik en wat bosschages aan de zijde van de grote kerkzaal na. De ontwerptekeningen laten een meer groene binnenplaats zien: in het midden een rechthoekig grasveld met een boom in de hoek bij de toegang tot de ontmoetingsruimte en lage struiken aan de zijde van de Eudokiakapel. De gebouwen aan de oostkant van de Rembrandtlaan zijn uitgevoerd in 'shake-hands' architectuur, de overige in 'het Nieuwe Bouwen'. Deze heeft van oorsprong een sterke verwantschap met de bebouwing aan de Thomas de Keijserstraat (zelfde architect). Dat is bijvoorbeeld zichtbaar in het geel bakstenen metselwerk onder de vensters. Voor het grootste deel zijn deze bakstenen accenten nu verstopt achter beplating.

Waardestelling Stedenbouwkundige waarden Het kerkgebouw heeft stedenbouwkundige waarde vanwege de beeldbepalende situering van het vrijliggende kerkgebouw aan het pleintje dat de verbinding vormt tussen de vooroorlogse bebouwing aan de Wethouder Nijhuisstraat en de naoorlogse bebouwing van het Stadsveld. Bovendien is de locatie als scharnierpunt van belang door de groene verbinding dat het oude pad van het beboste terrein aan de Bruggertstraat naar het kerkterrein volgt. Van belang is dat het oude pad met de eiken uit het essenlandschap is gebruikt voor de groenstructuur van de nieuwe wijk. Daarnaast is het kerkgebouw en met name de kerkzaal met de klokketoren als markant object stedenbouwkundig van belang als beëindiging van het taps toelopende bouwblok en van belang in de open opzet met ver reikende zichtlijnen van het naoorlogse Stadsveld. Het bouwwerk heeft bovendien stedenbouwkundige waarde als de laatst overgebleven kerk van de drie kerken in de voorzieningenstrook, als centrale en levendige plek in het stedenbouwkundig plan. Architectuurhistorische waarden De architectuurhistorische waarde van de kerk met ontmoetingsruimte is gelegen in de modernistische benadering van het kerkgebouw waarbij elke bouwvolume een eigen functie heeft, tot uitdrukking gebracht in de vormgeving (van de vensters).

De kerkzaal is bovendien van belang vanwege de esthetische kwaliteiten die zijn gelegen in de min of meer solitaire en markante positie van de kerkzaal en de gesloten vormgeving met de halfronde beëindiging van het liturgische centrum. Daarnaast is de toegangspartij aan de pleinzijde van belang, links de toegang tot ontmoeting tot God, rechts de toegang tot ontmoeting met de andere gemeenteleden. Cultuurhistorische waarden Het ensemble is kenmerkend voor de ontwikkelingen in de loop van de jaren vijftig van de 20ste eeuw in het debat over de kerkenbouw met aandacht voor de veranderingen in de geloofsleer, de plek van de kerk in de samenleving en de weerslag daarvan op het kerkontwerp. Het architectenbureau, met name de interviews en lezingen van Nielsen, heeft een belangrijke bijdrage geleverd aan de ontwikkeling van de moderne kerkenbouw in Nederland. De kerk is cultuurhistorisch van belang omdat ze gebouwd is voor een grotere gemeenschap en voor deze gemeenschap een belangrijke rol speelde, niet alleen cultureel als plaats voor de belijdenis van het geloof, maar ook als een plaats van ontmoeting met een waardevol sociaal belang. De ligging van de kerk in de wijk sluit aan bij het naoorlogse gedachtegoed om de sociale cohesie in een wijk te bevorderen door dergelijke gemeenschapsgebouwen centraal te plaatsen.

Planomschrijving Het Initiatief betreft het herbestemmen van de Apostel Thomaskerk naar zorgeenheden en ziet op de volgende wijzigingen ten aanzien van het exterieur en terreininrichting: -

-

Voorgevel (oost) De antenne-installatie en balustrade op de toren worden verwijderd. Ook de vluchttrap tegen de toren wordt verwijderd. De kunststof pui ter plaatse van de voormalige hoofdentree wordt verwijderd. Er wordt, net zoals in de oorspronkelijke situatie, terug liggend een nieuwe entree geplaatst in een portiek. In het hogere volume links worden twee vensters toegevoegd. In het lagere deel links worden drie vensters toegevoegd in dezelfde afmetingen als het bestaande raam. De hekken ter afscheiding van de patio worden vernieuwd en iets verlaagd. In het gevelvlak rechts wordt een nieuwe deur geplaatst, toegankelijk via een trapje. Geheel rechts wordt een paneel geplaatst. Linker zijgevel (zuid) De strook horizontale vensters in het lagere geveldeel worden vervangen door een reeks van acht driedelige vensters en een paneel met de tekst ‘Apostel Thomas’.

22

-

De kunststof pui rechts in de gevel wordt verwijderd, waardoor de oorspronkelijke portiek hersteld wordt.

-

Achtergevel (west) In het hoge geveldeel rechts worden vijf smalle hoge vensters geplaatst. In het tussenlid wordt een nieuwe deur geplaatst, bereikbaar via een trapje.

-

-

-

-

Rechter zijgevel (noord) De strook horizontale vensters in het lagere geveldeel worden vervangen door een reeks van zes driedelige vensters. Rechts daarvan worden zeven staande vensters geplaatst. Een bestaande toegang en twee ramen verdwijnen. Gevels binnenterrein De gevels aan het binnenterrein worden voorzien van nieuwe vensters en grote, nieuwe glazen puien boven een lage borstwering. Deze gevels krijgen een zeer transparant karakter. Terreininrichting Op de binnenplaats wordt een deel verhard met klinkers en wordt een hellingbaan voor de entree aangebracht. Voor de voorgevel van het gebouw wordt een nieuwe groenstrook (centraal) gecombineerd met nieuwe bestrating en de aanleg van parkeerplaatsen. De verharding loopt door tot aan het gebouw. Het straatwerk links wordt gehandhaafd. Vier bestaande bomen (coniferen) aan de rechterzijde worden gekapt. De bestaande eikenbomen blijven gehandhaafd. Voor de linker zijgevel blijft een groenstrook gehandhaafd. Vermoedelijk worden de beplanting wel aangepast of gesnoeid ter plaatse van de nieuwe vensters in het lagere deel. De brede stoep voor de linker zijgevel wordt versmald. Ter plaatse worden groenstroken en drie vakken met zes parkeerplaatsen aangelegd. Van het gazon voor de achtergevel wordt het deel grenzend aan het gebouw afgescheiden met een taxushaag.

De herbestemming wordt aangegrepen om diverse storende, latere veranderingen aan het gebouw (antenneinstallatie, hoofdentree) te verwijderen en terug te keren naar de oorspronkelijke situatie. Dit is vanuit cultuurhistorisch oogpunt een zeer positieve ontwikkeling. Ten behoeve van de nieuwe functie van zorgappartementen worden tevens nieuwe ingrepen gedaan in de gevels en ten aanzien van de terreininrichting. Door enkele aanpassingen ten opzichte van het oorspronkelijke plan blijft de bouw- en gebruiksgeschiedenis van het kerkgebouw beter afleesbaar. De wijzigingen in de indeling van de gevels zijn aanvaardbaar en akkoord. Het inrichtingsplan voor het terrein (bijlage 2) is vanuit cultuurhistorisch oogpunt op hoofdlijnen aanvaardbaar. In de cultuurhistorische waardenstelling is vooral een hoge waarde toegekend aan de vrijliggende positionering in het groen en aan de eiken die nog onderdeel vormen van een oudere structuur. De hoofdopzet van de terreininrichting, de groenstructuur wordt behouden en/of versterkt en de eiken blijven gehandhaafd. Ten aanzien van de twee aan te leggen mindervalide parkeerplaatsen geheel rechts voor de gevel bestaan wel enige bezwaren. De parkeerplaats dicht bij de eik is (vanwege schade aan de boom) niet mogelijk. De andere parkeerplaats is akkoord, mits uitgevoerd in halfverharding.

Het plan is hierop aangepast en de parkeerplaats dicht bij de eik is vervallen. Er wordt een voorschrift verbonden aan de omgevingsvergunning dat ziet op de vereiste halfverharding naast de eik. Conclusie Door de cultuurhistorische waarden te respecteren en daar waar nodig te beschermden wordt voldaan aan de instructieregels van het Rijk (Bkl) en de provincie (Omgevingsverordening). De cultuurhistorische waarde vormt dan ook geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het Initiatief.

3.6.5 Archeologische waarden In de gemeente Enschede is een archeologisch beleidskaart opgesteld. Op basis van deze kaart valt het Initiatief voor het grootste gedeelte onder de aanduiding 'archeologisch onderzoeksgebied a'. Zie de blauwe ster in afbeelding 3.9.

23

Afbeelding 3.9: uitsnede archeologische beleidskaart van Enschede Dit betekent dat in "archeologisch onderzoeksgebied a" geen bouwwerken mogen worden gebouwd en/of werken, geen bouwwerken zijnde, en/of werkzaamheden worden uitgevoerd die een bodemverstoring veroorzaken dieper dan 50 cm onder het maaiveld en een bodemverstoringsoppervlakte van meer dan 250 m² hebben. Als gevolg van het Initiatief vindt geen of slechts zeer beperkte verstoring de bodem plaats. Het Initiatief ziet op een functiewijziging en een interne verbouwing van de bestaande bebouwing. De ruimte op het perceel wordt deels heringericht. Het betreft uitsluitend het verwijderen van vier coniferen en het herbestraten. De grens van 250 m2 wordt daarbij niet overschreden. In het archeologiebeleid (beleidsregel ‘cultuurhistorische structuur’) is bepaald dat ingrepen kleiner dan 250 m2 vrijgesteld zijn van de archeologische onderzoeksplicht. De aanduiding ‘archeologisch onderzoeksgebied a’ zoals deze is opgenomen in het omgevingsplan tijdelijk deel Stadsveld Pathmos 2019) blijft gehandhaafd. Conclusie Op basis van het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat de archeologische waarde(n) geen belemmering vormen voor de uitvoerbaarheid van het Initiatief. Daarmee wordt ook voldaan aan de instructieregels van het Rijk in artikel 5.130 (par 5.1.5.5) van het Bkl (behoud cultureel erfgoed).

3.6.6 Bodem- en grondwaterkwaliteit Bij een afwijkingsprocedure is het essentieel om te beoordelen of de fysieke leefomgeving gewaarborgd kan blijven, waarbij de bodemkwaliteit een belangrijk aspect is. Dit is noodzakelijk om de uitvoerbaarheid van het plan te waarborgen. De bodemkwaliteit kan worden vastgesteld aan de hand van beschikbare bodeminformatie of door middel van bodemonderzoek. Als uit bodemonderzoek blijkt dat de bodemkwaliteit niet geschikt is voor de beoogde ontwikkeling, kunnen eventueel noodzakelijke saneringsmaatregelen worden getroffen om deze geschikt te maken. Of en wanneer bodemonderzoek nodig is, wordt bepaald door het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal).

• • • •

(Wettelijk) kader Volgens het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) is een voorafgaand bodemonderzoek verplicht bij bepaalde activiteiten die potentieel schadelijk zijn voor de bodemkwaliteit. Dit betreft onder andere: Graven in bodem met een kwaliteit onder de interventiewaarde voor bodemkwaliteit (paragraaf 4.119, Bal); Graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde voor bodemkwaliteit (paragraaf 4.120, Bal); Saneren van de bodem (paragraaf 4.121, Bal); Bouwactiviteiten op een bodemgevoelige locatie (artikel 22.29 en 22.30 van het geldende Omgevingsplan). Toetsing aan het wettelijk kader

24

De beoogde ontwikkeling die deze BOPA mogelijk maakt is getoetst aan beleid en regelgeving van het Rijk, zoals benoemd in de instructieregels voor omgevingsplannen in hoofdstuk 5 Bkl (paragraaf 5.1.4.5). Ook is het getoetst aan de instructieregels van de provincie voor omgevingsplannen. Voor bodem- en grondwaterkwaliteit zijn deze grotendeels uitgewerkt in het provinciaal 'Voorbereidingsbesluit Omgevingsverordening 2021' (dat gaat o.a. over bodem- en grondwaterbescherming https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR708880). Verder staan in Afdeling 4.12 (Ondergrond) van de omgevingsverordening onder andere regels over zout- en zandwinningslocaties. Er is een verkennend bodemonderzoek conform NEN5740 uitgevoerd op de locatie. De resultaten zijn vervat in het rapport van Kruse, projectcode 22064710, 22 november 2022, dat als bijlage 3 aan deze onderbouwing is aangehecht. Voorafgaande aan het bodemonderzoek heeft een vooronderzoek plaatsgevonden op basis van norm NEN5725.Uit de resultaten van dit vooronderzoek is gebleken dat de onderzoekslocatie als onverdacht kan worden beschouwd. Het rapport van Kruse, beschrijft verder dat er in de bovengrond (BG II) en in het grondwater (PB 11) enkele (zeer) licht verhoogde gehalten zijn aangetoond. In de boven- en ondergrond (BG I en OG) zijn geen verontreinigingen aangetoond.

Aangezien de tussenwaarden niet worden overschreden, is er geen reden om een nader onderzoek uit te voeren. Uit milieukundig oogpunt bestaat er geen bezwaar tegen het Initiatief, aangezien de vastgestelde verontreinigingen geen risico’s voor de volksgezondheid opleveren. De bodem wordt geschikt geacht voor het huidige en toekomstige gebruik. PFAS Het plangebied is historisch gezien onverdacht wat betreft het voorkomen van PFAS. Het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat heeft op 29 november 2019 een aanpassing tijdelijk handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie opgesteld. Het aangepaste tijdelijk handelingskader PFAS heeft betrekking op het grondverzet in Nederland. Indien bij toekomstige werkzaamheden binnen het plangebied grond vrijkomt die elders wordt toegepast of wordt afgevoerd naar een grondbank of verwerker, kan het nodig zijn dat van de partij grond dient te worden bepaald of deze wel of niet voldoet aan het aangepaste tijdelijk handelingskader PFAS. Conclusie Er wordt voldaan aan de instructieregels. De bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het Initiatief.

3.6.7 Waterhuishouding en klimaatadaptatie Gemeente Enschede en waterschap Vechtstromen hanteren het principe om water en bodem sturend te maken bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Dit principe is opgenomen in de omgevingsvisie van de gemeente (vaststelling verwacht in 2025) en de Watervisie 2050 van het waterschap (vastgesteld 14 april 2021). Ruimtelijke ontwikkelingen worden getoetst op de gevolgen voor de waterhuishouding en de waterkwaliteit en dienen klimaatrobuust te worden ontworpen. De gemeenteraad heeft op 25 oktober 2021 het Water- en Klimaatadaptatieplan 2022-2026 (WEK) vastgesteld. Dit beleidsplan beschrijft hoe Enschede toewerkt naar een waterrobuuste en klimaatbestendige gemeente in 2050. Enschede wordt nog 'groener' en 'blauwer' om goed voorbereid te zijn op een nattere, hetere en drogere toekomst. Water de ruimte geven en stenen vervangen door planten en bomen gaan wateroverlast, hittestress en verdroging tegen. Zo werkt Enschede verder aan een aantrekkelijke 'duurzame en groene stad' waar mensen graag wonen, leven en werken! Nu en in de toekomst. Het waterschap heeft op 15 december 2021 het Waterbeheerprogramma 2022-2027 vastgesteld. In het waterbeheerprogramma staan de uitgangspunten die het waterschap hanteert voor de inrichting en het beheer van het watersysteem en de afvalwaterzuivering, rekening houdend met een veranderend klimaat.

Deze uitgangspunten zijn ingebracht in het WEK van de gemeente Enschede. Paragraaf 22.3.8 Afvalwaterbeheer van de Bruidsschat Omgevingsplan is voor dit thema van toepassing op milieubelastende activiteiten. Dit heeft betrekking op bodemsanering, grondwatersanering, ontwatering, het lozen van water en bij onderhoudswerkzaamheden bouwwerken. Hemelwater Paragraaf 22.3.8.2 Bruidsschat Omgevingsplan is van toepassing. “Lozen van afvloeiend hemelwater dat niet afkomstig is van een bodembeschermende voorziening”. In artikel 22.144 wordt vermeld in lid 1 dat met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater afvloeiend hemelwater kan worden geloosd op of in de bodem of in een schoonwaterriool. In lid 2 wordt aangegeven dat afvloeiend hemelwater alleen in een vuilwaterriool wordt geloosd als het lozen op of in de bodem, in een schoonwaterriool of op een oppervlaktewaterlichaam redelijkerwijs niet mogelijk is.

25

Uitgangspunt in het gemeentelijk beleid voor de waterhuishouding is dat in bestaand stedelijk gebied hemelwater zo min mogelijk wordt afgevoerd via de riolering en in het buitengebied hemelwater niet wordt afgevoerd via de riolering. Bij een toename van verhard oppervlak komt meer hemelwater versneld tot afvoer, hierop is de riolering en het oppervlaktewatersysteem niet berekend. Het extra afstromend hemelwater moet derhalve op eigen terrein worden verwerkt. Voor nieuwbouw en hernieuwbouw geldt per vierkante meter verharding (daken en bestrating op openbaar en particulier terrein) een waterbergingseis van 55 millimeter. Daarvan is bij voorliggend Initiatief geen sprake, omdat het geen nieuwbouw of hernieuwbouw is. Vervuiling van hemelwater dient zoveel mogelijk voorkomen te worden door geen uitlogende bouwmaterialen te gebruiken. Afvalwater Uitgangspunt in het gemeentelijk beleid voor de waterhuishouding is dat het ontstaan van afvalwater wordt beperkt. In nieuwe situaties (nieuwbouw, herontwikkeling) wordt afvalwater gescheiden van het hemelwater aangeboden en afgevoerd. In principe zorgt de gemeente er voor dat het afvalwater vanaf de perceelsgrens wordt getransporteerd naar de rioolwaterzuiveringsinstallatie van het waterschap Vechtstromen. Er is of komt niet overal in de openbare ruimte een systeem voor de afvoer van afvalwater.

In dat geval moet op eigen terrein een individuele behandeling van afvalwater (IBA) worden ingericht. Een decentrale zuiveringsvoorziening voor afvalwater van meerdere huishoudens is ook een optie. Bij IBA's en decentrale voorzieningen die lozen op oppervlaktewater of in de bodem worden eisen gesteld aan de kwaliteit van het geloosde water. Artikelen 22.145 tot en met 22.150 van de bruidsschat Omgevingsplan dat handelt over het lozen van huishoudelijk afvalwater zijn hierop van toepassing. Voor het Initiatief geldt dat het afvalwater kan worden afgevoerd naar het openbaar gemengde rioolstelsel. Dit systeem heeft voldoende capaciteit om het afvalwater van te verwerken. Oppervlaktewater Uitgangspunt in het gemeentelijk beleid voor de waterhuishouding bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen is dat bestaand oppervlaktewater (sloten en vijvers) gehandhaafd blijft. Bij de herinrichting van het oppervlaktewatersysteem zijn de benodigde afvoercapaciteit, de streefbeelden en de kwaliteitsdoelstellingen van het waterschap Vechtstromen leidend. Wijzigingen aan het bestaande watersysteem en de aanleg van nieuwe waterpartijen worden altijd afgestemd met gemeente en waterschap. Nieuw en bestaand oppervlaktewater wordt geïntegreerd in het stedenbouwkundig plan, zodanig dat het water beleefd kan worden en goed te beheren is.

De realisatie van het Initiatief brengt geen wijziging met zich mee in het bestaande watersysteem. Grondwater, ontwateringsdiepte en ondergronds bouwen In de Waterwet is vastgelegd dat perceeleigenaren zelf verantwoordelijk zijn voor het grondwater op het eigen perceel. De ontwatering van een perceel is afhankelijk van gebruik/toegestane functie van de grond. Onder ontwatering wordt verstaan: het verschil tussen het peil van de weg of van de bebouwing en de gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG). Onderstaande tabel 3.10 bevat de minimale ontwateringsdieptes per functie. In gevallen waar de ontwateringsdiepte onvoldoende is voor de functie mag de grondwaterstand niet structureel worden verlaagd, maar moeten maatregelen als ophogen of kruipruimteloos bouwen worden toegepast. (water en bodem sturend, functie volgt peil). Functie/gebruik

Ontwatering in m t.o.v. GHG

Primaire wegen

0,7

Secundaire wegen en erfontsluiting

0,5

Bouwwerken met kruipruimten

0,7

Bouwwerken zonder kruipruimten

0,5

Groen

0,5

Tabel 3.10: Minimale ontwateringsdieptes (gerelateerd aan de Gemiddeld Hoogste Grondwaterstand (GHG)) Het Initiatief leidt niet tot wijzigingen aan vloerpeilen, kruipruimten en eventueel aanwezige kelders. Compenserende maatregelen zijn daarom niet nodig. Afwatering Om op perceelniveau te kunnen voorkomen dat afstromend regenwater problemen veroorzaakt, gelden de volgende adviezen: Het vloerpeil minimaal 0,20 m boven straatpeil (kruin van de weg t.o.v. toegang ter plaatse);

26

-

De maaiveldpeilen en vloerpeilen van de verschillende percelen op elkaar afstemmen; Plangebied/perceel zodanig inrichten dat water oppervlakkig kan afstromen zonder schade of overlast te veroorzaken aan aangrenzende particuliere percelen of openbare ruimte; Indien nodig ruimte aan achterkant van perceel reserveren voor (gemeenschappelijk en te onderhouden) afvoervoorzieningen.

Conclusie De waterhuishouding vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het Initiatief. Het plan voldoet aan de instructieregels van het Rijk uit paragraaf 5.1.3 van het Bkl (Waarborgen van de veiligheid). Voor Enschede betekent dat dat rekening moet worden gehouden met de gevolgen van de ontwikkeling voor het watersysteem en dat het (belang van het) waterschap wordt betrokken (artikel 5.37; weging van het waterbelang). De overige instructieregels in paragraaf 5.1.3 van het Bkl zien op primaire waterkeringen, de kust, de grote rivieren en het IJsselmeer. Deze zijn niet gelegen op Enschedees grondgebied. Tevens wordt voldaan aan/er is geen strijd met de instructieregels van de provincie ten aanzien van 'Sturen op water en bodem (behouden en versterken van een klimaatrobuust water- en bodemsysteem) in afdeling 4.4 van de provinciale verordening en de uitgangspunten voor water en bodem sturend uit de ontwerp Omgevingsvisie van de gemeente Enschede en de Watervisie van het waterschap Vechtstromen.

3.6.8 Beschermde natuurgebieden (Natura 2000) Het Initiatief betreft functiewijziging en verbouwing van een bestaand pand. De dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden zijn ‘Buurserzand & Haaksbergerveen’ op ongeveer 5,7 km in zuidoostelijke richting, ‘Witte Veen’ op ongeveer 6,3 km in zuidelijke richting, ‘Aamsveen’ op 6,4 km in westelijke richting en ‘Lonnekermeer’ op 6,5 km in noordelijke richting van het plangebied. Ten behoeve van het Initiatief is de ecologische QuickScan “AT kerk Enschede In het kader van verbouwing” opgesteld door het ecologisch adviesbureau de Slijpkruik (bijlage 6 deze onderbouwing). Uit de QuickScan blijkt dat het perceel geen landschappelijke binding heeft met bovengenoemde Natura 2000-gebieden. Gezien de voorgenomen activiteiten, toekomstige inrichting en de ligging van het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied zijn directe negatieve effecten (geluid, licht, trillingen etc.) door werkzaamheden en het toekomstige gebruik van het projectgebied op aangewezen soorten van nabijgelegen Natura 2000-gebieden uitgesloten. Wel stelt het adviesbureau dat de voorgenomen activiteiten mogelijk leiden tot een toename van stikstofemissie door de werkzaamheden en de toekomstige inrichting. Een kerkgebouw trekt doorgaans bezoekers tijdens specifieke momenten (zoals zondagsdiensten), vaak met een relatief grote verkeersstroom op piekmomenten.

Bij transformatie van het kerkgebouw naar zorgwoningen wordt dit patroon vervangen door een constantere, maar lagere verkeersbelasting. Bij de realisatie van zorgwoningen in het kerkgebouw zijn er geen grote emissiebronnen zoals industriële activiteiten of intensief verkeer. De belangrijkste factor voor luchtkwaliteit is verkeer, de toename blijft in dit geval beperkt. Gelet op de aard en omvang van de beoogde ontwikkeling in relatie tot de afstand van ca. 5,7 km van het plangebied tot het Natura 2000 gebied 'Buurserzand & Haaksbergerveen' kunnen significant negatieve gevolgen voor de realisatie van de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000 gebied 'Buurserzand & Haaksbergerveen' op voorhand met voldoende zekerheid worden uitgesloten. Op 13 maart 2025 is een Aerius berekening gemaakt, waaruit blijkt dat er voor de aanleg- en gebruiksfase geen projecteffect optreedt van 0,005 mol/ha/jr of meer op omliggende Natura 2000-gebieden. De Aerius berekening is als bijlage 7 en 8 bijgevoegd.

27

Afbeelding 3.11: afstand planlocatie tot Natura 2000-gebieden (bron: quick scan AT-kerk in kader van verbouwing)

3.6.9 Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is een samenhangend netwerk van natuurgebieden en landbouwgebieden met veel natuurwaarden. Het NNN heeft als doel het behouden, beschermen en versterken van de rijkdom aan plant- en diersoorten (biodiversiteit) en beoogt een bijdrage te leveren aan het realiseren en in stand houden van een (inter-)nationaal vitaal stelsel van natuurgebieden. De aanwijzing van gebieden als onderdeel van het NNN vindt plaats bij provinciale verordening en dient te worden vertaald in gemeentelijke ruimtelijke plannen zoals de Omgevingsvisie en het omgevingsplan. De regels met betrekking tot het NNN uit de provinciale verordening voor zover gelegen in het buitengebied zijn vertaald naar de Gids Buitenkans 2022. De Gids Buitenkans 2022 is van toepassing als toetsingskader als het gaat om het Natuur Netwerk Nederland (NNN). Het Initiatief bevindt zich niet binnen de grenzen van een gebied dat onderdeel uitmaakt van het NNN. De dichtstbijzijnde gronden die onderdeel uitmaken van het NNN liggen op circa 2 kilometer ten westen van het Initiatief (zie afbeelding 3.12). Een verdere toetsing aan het NNN kan daarom achterwege blijven.

28

Afbeelding 3.12: ligging NNN ten opzichte van planlocatie (rode stip) Conclusie Op grond van het voorgaande kan met aan voldoende zekerheid worden geconcludeerd dat het NNN geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling.

3.6.10 Beschermde planten- en diersoorten Deze BOPA maakt het mogelijk om een functiewijziging van kerk naar woonzorgvoorziening met de daarbij behorende verbouwing te realiseren. Om te bepalen of de realisatie van deze ontwikkeling(en) mogelijk negatieve gevolgen heeft voor de functionele leefomgeving en/of de gunstige staat van instandhouding van beschermde soorten is een verkennend ecologisch onderzoek (quickscan) uitgevoerd. De resultaten zijn vervat in het rapport De Slijpkruik, projectcode 23EKG05, 24 oktober 2023, versie 2.0 (bijlage 6 bij deze onderbouwing). De ecologische quickscan bestaat uit een beknopt literatuuronderzoek (verspreidingsatlassen, Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF), websites etc.), veldbezoek en rapportage met bevindingen en advies. Het rapport is opgesteld onder de Wet natuurbescherming en is twee jaar oud. De Omgevingswet en het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) stellen geen wettelijke termijn voor de geldigheid van een QuickScan. Wel geldt in praktijk dat een QuickScan over het algemeen actueel beschouwd wordt als deze niet ouder is dan 2 jaar. Dit volgt ook uit jurisprudentie. Op dit moment is er geen sprake van een significante verandering binnen het gebied. De Wet natuurbescherming is nagenoeg beleidsneutraal overgegaan in de Omgevingswet en het Besluit activiteiten leefomgeving.

Dat is dan ook de reden waarom waarde gehecht kan worden aan resultaten de conclusies uit dit rapport. De resultaten van het onderzoek zijn samengevat als volgt: o o

o

Vogels Het voorkomen van jaarrond beschermde nesten binnen het plangebied is uitgesloten. Overtreding van de Omgevingswet en het Bal aanzien van jaarrond beschermde nesten is daarmee ook uitgesloten. Vervolgonderzoek naar soorten met jaarrond beschermde nesten is daarom niet nodig. Tijdens het broedseizoen kunnen nesten van algemene broedvogels in en rondom het plangebied verstoord, beschadigd of vernield worden. Voer werkzaamheden die kunnen leiden tot het vernielen of verstoren van nesten uit buiten het broedseizoen. Het broedseizoen is geen vaste periode maar voor de meeste soorten is de periode half maart - half augustus een goede indicatie. Eerdere of latere broedgevallen zijn niet uitgesloten, met name van duiven. Bezette nesten zijn altijd beschermd, ongeacht de soort of periode. Vleermuizen Binnen het plangebied zijn geen geschikte verblijfplaatsen voor vleermuizen aangetroffen. De werkzaamheden leiden daarom niet tot het overtreden van een verbodsbepaling in de Omgevingswet en het Bal. Er is daarom geen nader onderzoek nodig naar verblijfplaatsen van vleermuissoorten.

29

o

o

o

Er is geen sprake van lijnvormige structuren die dienst kunnen doen als vliegroute voor vleermuizen in het plangebied. Daarnaast is er mogelijk foerageergebied aanwezig vanwege de bomen direct naast het plangebied. Deze bomen blijven behouden en daarom is er geen effect te verwachten op foerageergebied of vliegroutes van vleermuizen. Vervolgonderzoek naar vliegroutes en foerageergebied is vanwege voorgaande redenen niet nodig. Wel dient vanuit artikel 11.27 Bal de specifieke zorgplicht, onnodige lichtverstoring van eventueel foerageergebied voorkomen te worden. Dit is mogelijk door tijdens de werkzaamheden en de toekomstige situatie uitstraling van eventuele bouwlampen, buitenverlichting en straatverlichting naar boven te voorkomen. Gebruik bijvoorbeeld afschermende armaturen, beperk de verlichtingshoogte tot maximaal drie meter, gebruik ‘batlampen’ en plaats niet meer verlichting dan nodig. Overige zoogdieren Er zijn geen geschikte verblijfplaatsen aanwezig voor steenmarter of eekhoorn omdat er geen sporen of potentiële verblijfplaatsen van genoemde soorten zijn aangetroffen in het plangebied. Het plangebied kan wel deel zijn van leefgebied van eekhoorn maar dit betreft op voorhand niet-essentieel foerageergebied en bovendien blijft het deel wat dienst kan doen als leefgebied (de bomen nabij het plangebied) behouden.

Nader onderzoek naar beschermde overige zoogdieren is daarom niet nodig. Algemeen voorkomende soorten zoals bijvoorbeeld konijn, haas en egel kunnen voorkomen in het plangebied. Voor deze soorten geldt een provinciale vrijstelling en is geen nader onderzoek nodig. Wel is de zorgplicht van toepassing. Overige soortgroepen Voor wat betreft overige soortgroepen (vissen, amfibieën, reptielen, ongewervelden en flora) zijn geen beschermde niet-vrijgestelde soorten te verwachten in het plangebied of zijn geen effecten te verwachten van de voorgenomen activiteiten. Vervolgonderzoek naar beschermde soorten uit overige soortgroepen is daarom niet nodig. Wel is de zorgplicht van toepassing die voor alle dieren geldt. Conclusie Ecologie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het Initiatief. Er kan met aan voldoende zekerheid grenzende waarschijnlijkheid worden geconcludeerd dat de voorgenomen ontwikkeling kan worden uitgevoerd zonder verbodsbepalingen uit afdeling 11.2 (beschermde planten- en diersoorten) van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) te overtreden. Wel geldt de specifieke zorgplicht uit artikel 11.27 Bal. Als er tijdens de werkzaamheden toch beschermde soorten worden aangetroffen, dan dient het werk tijdelijk te worden stilgelegd en contact te worden opgenomen met het bevoegd gezag. (Gedeputeerde Staten van de provincie Overijssel).

3.6.11 Activiteiten en milieuzonering Voor ruimtelijke ontwikkelingen in de omgeving van bedrijvigheid en andere activiteiten die hinder kunnen veroorzaken, kan onder de Omgevingswet gebruik gemaakt te worden van de ‘VNG handreiking activiteiten en milieuzonering’, zoals gepubliceerd in oktober 2024. Hiermee kan worden gemotiveerd dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat op een locatie en/of dat nabijgelegen bedrijven niet beperkt worden door deze ontwikkeling. Het Initiatief betreft de realisatie van een woonzorgvoorziening. Dit is een gevoelige functie in het kader van activiteiten en milieuzonering. Hiertoe dient rekening te worden gehouden met de afstand tot bestaande bedrijfsen andere relevante activiteiten in de omgeving. Deze kunnen invloed hebben op de beoogde ontwikkeling van de woonzorgeenheden hebben en vice versa. Onderstaande tabel 3.13 geeft de bedrijven in de omgeving weer, inclusief richtafstanden voor de verschillende relevante milieuaspecten. Deze tabel is afkomstig uit het rapport van Kwiek ‘AT-kerk Enschede Kwalitatieve beoordeling geluid industrielawaai en wegverkeerslawaai, 24 september 2024, dat als bijlage 4 wordt bijgevoegd.

30

Tabel 3.13: richtafstanden bedrijven in omgeving (bron: Kwiek) Vanwege de combinatie van kleinschalige bedrijvigheid met wonen kan gesproken worden van een gemengd gebied (in plaats van rustige woonwijk). In alle gevallen wordt voldaan aan de richtafstanden zoals vermeld in de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering 2009. Deze VNG-publicatie werd nog als richtlijn gebruikt ten tijde van de aanvraag die ziet op het Initiatief. Inmiddels heeft de VNG in oktober 2024 een nieuwe handreiking gepubliceerd activiteiten en milieuzonering. De systematiek voor geluid in de ‘VNG handreiking activiteiten en milieuzonering’ kent nu een drietal zones met oplopende geluidruimte (waarden). De daarbij gehanteerde afstanden tot een rustig woongebied en gemengd gebied met wonen sluiten aan bij de VNG-uitgave Bedrijven en milieuzonering 2009.

-

-

Voordat bepaald kan worden of de beoogde woonzorgeenheden binnen de richtafstanden van bedrijven of inrichtingen in de omgeving liggen, moet bepaald worden tot welk gebiedstype de omgeving behoort. In de VNGpublicatie “activiteiten en milieuzonering”’ worden evenals in de oude VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering 2009 nog steeds twee omgevingstyperingen opgenomen voor de omgevingskwaliteit: 'Rustig woongebied: 'Een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven of kantoren) voor. Langs de randen (in de overgang naar mogelijke bedrijfsfuncties) is weinig verstoring door verkeer. Een vergelijkbaar omgevingstype qua aanvaardbare milieubelasting is een rustig buitengebied (eventueel inclusief verblijfsrecreatie), een stiltegebied of een natuurgebied.' 'Gemengd gebied met wonen': 'Een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd.' De gevel ter hoogte van de zitkamer A18.01 op tekening 8772, blad C100 opgesteld door PR8 Architecten, d.d. 16-07-2024 wordt uitgevoerd als blinde gevel. Zie onderstaande afbeelding 3.14.

Doordat het een blinde gevel (gevel zonder openingen) betreft is het automatisch een niet geluidgevoelige gevel (voorheen een dove gevel/gevel zonder te openen delen). Deze gevel bevindt zich op een afstand van 32 meter van de afzuiging en de bijbehorende geluidsuitstraling van de cafetaria de Keizer op de Thomas de Keyserstraat 2-4. Indien er geen te openen delen in deze uitwendige scheidingsconstructie mogen worden opgenomen dan zal, met deze geheel uit metselwerk bestaande gevel, de beperkte afstand niet van significante invloed zijn en hoeft dan ook niet minimale afstand te voldoen.

31

1Afbeelding 3.14 (bron: PR8 architecten)

Gelet op de afstand ten opzichte van de dichtbijgelegen geveldelen (minimaal 40 meter) is op basis van de ‘VNG handreiking activiteiten en milieuzonering’, zoals gepubliceerd in oktober 2024 voldoende onderbouwd dat voor de projectlocatie sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Voor de (overige) bedrijvigheid in de omgeving van de projectlocatie is voldoende onderbouwd dat het Initiatief geen belemmeringen vormt voor de omliggende bedrijven en organisaties en dat voor de woonzorgvoorziening sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Om te voorkomen dat op een later tijdstip de uitstraling van de afzuiging en de bijbehorende geluidsuitstraling van de cafetaria de Keizer op de Thomas de Keyserstraat 2-4 gevolgen heeft op het woon- en leefklimaat wordt een vergunningsvoorwaarde opgenomen waarin wordt aangegeven dat de gevel ter hoogte van de zitkamer A18.01 op tekening 8772, blad C100 opgesteld door PR8 Architecten, d.d. 16-07-2024 uitgevoerd moet worden als dove gevel. In de aanvraag is deze opgenomen als blinde gevel. Daarmee wordt automatisch voldaan aan de eis van een niet-geluidgevoelige gevel (voorheen heette dat dove gevel). Conclusie Activiteiten en Milieuzonering vormen geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het Initiatief, onder de voorwaarde dat de hierboven genoemde gevel uitgevoerd wordt als een blinde (en dus automatisch dove) gevel.

3.6.12 Geluidhinder Bij het toelaten van een activiteit, (spoor)weg, industrieterrein of geluidgevoelig gebouw moet het bevoegd gezag het geluid op geluidgevoelige gebouwen beoordelen. Ieder bevoegd gezag heeft de algemene taak 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties' (artikel 4.2 Omgevingswet) bij de belangenafweging over beschermen en benutten. Instructieregels die deze algemene taak invullen staan in hoofdstuk 5 van het Bkl. Voor het beoordelen van geluid zijn deze regels bedoeld voor de bescherming van de gezondheid en het milieu. Het bevoegd gezag moet rekening houden met gezondheid (artikel 2.1 lid 4 Omgevingswet).

32

✓ ✓

De centrale regels voor beoordeling van geluid door activiteiten, lokale (spoor)wegen en op geluidgevoelige gebouwen staan in de artikelen 5.59, 5.78l en 5.78s van het Bkl. Het vaststellen van de BOPA ten behoeve van het Initiatief die deze activiteiten toelaat, moet aan twee eisen voldoen: houd rekening met geluid; voorziet in aanvaardbaar geluid. In het kader van geluid zijn twee rapporten ingediend en beoordeeld: AT-kerk Enschede Kwalitatieve beoordeling geluid industrielawaai en wegverkeerslawaai, opgesteld door Kwiek planologie en gebiedsontwikkeling, 24 september 2024 (NB: dit laatste onderzoek is deels achterhaald door het onderzoek van 7 oktober 2024) (bijlage 4); en Geluidrapport Omgevingswet Bkl ‘geluidbelasting wegverkeer Herbestemming Apostel Thomaskerk Enschede (versie 01), opgesteld door Akoestisch Buro Tideman, d.d. 7 oktober 2024 (hierna onderzoek wegverkeerslawaai (bijlage 5). Hieruit blijkt het volgende: Wegverkeerslawaai Met de realisatie van de voorgenomen ontwikkeling worden er geluidsgevoelige gebouwen aan de omgeving toegevoegd. Het Bkl bevat standaardwaarden en grenswaarden voor geluid door een geluidbronsoort op een geluidgevoelig gebouw. Deze waarden zijn van toepassing op het geluid door alle geluidbronnen van een geluidbronsoort.

Onderzoek wegverkeerslawaai Het Initiatief is gelegen in het geluidaandachtsgebied van de Rembrandtlaan en in de gemeentelijke beleidsnota aangemerkt als “rustig woongebied”. Binnen dit een geluidaandachtsgebied kan het geluid van wegverkeer hoger zijn dan de standaardwaarde. De standaardwaarde is conform de regels van het Bkl 53 dB (Lden) voor gemeentelijke wegen. Is de geluidsbelasting hoger dan de standaardwaarde, dan moet de waarde van het geluid op een geluidgevoelig gebouw worden getoetst aan de geluidnormen. Uit de onderzoek en de toetsing volgt dat voldaan wordt aan de standaardwaarde van 53 dB, mits de gevel zoals bedoeld in hierboven opgenomen figuur 1 wordt uitgevoerd als blinde gevel. Daarmee is deze automatisch aan te merken als niet-geluidgevoelige gevel. Op dat punt is de gevelbelasting namelijk 54 dB. Met een blinde gevel wordt in ieder geval voldaan aan de standaardwaarde van 53.dB. Zoals reeds beschreven wordt de uitvoering van de gevel opgenomen als omgevingsvergunningvoorschrift. Industrielawaai Het Initiatief is niet gelegen in of nabij een industrie- of bedrijventerrein waar een GPP voor is vastgesteld. Het geldende omgevingsplan bevat nog geen geluidsregels die op de activiteiten in de directe omgeving van toepassing zijn. Het gebouw dat wordt ontwikkeld wordt ook niet gerealiseerd in een aangewezen geluidsaandachtsgebied voor industrielawaai.

Er hoeft daarom ook niet te worden getoetst voor het onderdeel industrielawaai aan de standaardwaarden van subparagraaf 5.1.4.2a.4 Bkl. Railverkeerslawaai Er geldt van rechtswege voor elke spoorlijn een zone die moet worden aangemerkt als 'geluidaandachtsgebied'. Bij spoorweglawaai is de breedte van de zone onder andere afhankelijk van het aantal sporen en de verkeersintensiteit. De hoofdspoorweg Enschede-Zwolle heeft een zonebreedte van 100 meter. Het Initiatief ligt buiten deze zone waardoor toetsing van railverkeerslawaai achterwege kan blijven. Conclusie Met de realisatie van de voorgenomen ontwikkeling worden er geluidsgevoelige gebouwen aan de omgeving toegevoegd. Het initiatief ligt niet binnen de invloedsfeer van industrielawaai en railverkeerlawaai. Gelet op de geluidsrapporten waarin getoetst is aan het Bkl en het geluidsbeleid van de gemeente Enschede kan met het realiseren van een niet-geluidgevoelige gevel worden voldaan aan standaard geluidswaarden. Het Initiatief wordt niet beperkt door het onderdeel Geluidhinder zoals bedoeld in deze paragraaf. De uitvoering van de gevel als blinde gevel –waardoor deze automatisch ook niet-geluidgevoelig is- wordt opgenomen als omgevingsvergunningvoorschrift.

3.6.13 Lichthinder Het Initiatief is gelegen binnen de bestaande bebouwde omgeving. In de Omgevingsvisie is aangegeven dat bij de toepassing van verlichting – in de Stedelijke én in de Groene Omgeving – wordt ingezet op beperking van de lichthinder. Daarbij gaat het om het verantwoord en zuinig verlichten van wegen, fietspaden, bedrijventerreinen, sportterreinen, stallen, kassen, monumenten en reclame of reclameverlichting. De sociale veiligheid dient daarbij vanzelfsprekend gewaarborgd te blijven.

33

Het initiatief voorziet uitsluitend in het toevoegen van een aantal gevelarmaturen aan het pand. Er is sprake van beperkte, subtiele toevoeging van verlichting. Het Initiatief voorziet niet in verlichting in de openbare ruimte. Lichthinder vormt geen belemmering voor dit Initiatief.

3.6.14 Energietransitie Ten aanzien van de energietransitie geldt dat in het plan op het dak. Het gebouw zal worden verwarmd via individuele warmtepompen. Het gebouw wordt daarmee gasloos uitgevoerd. Het Initiatief draagt bij aan de uitvoering van de energietransitie.

3.6.15 Luchtkwaliteit In paragraaf 5.1.4.1 Bkl zijn bepalingen ten aanzien van luchtkwaliteit opgenomen. Zo is voor een aantal activiteiten en gebieden gesteld dat de luchtkwaliteit moet worden beoordeeld bij de vaststelling van het omgevingsplan (en dus ook bij omgevingsvergunningen voor een BOPA). De toename van de verkeersintensiteit op wegen is daarin genoemd. In artikel 5.54 Bkl opgenomen voor welke activiteiten in ieder geval geldt dat er sprake is van een ‘niet in betekenende mate bijdrage’ aan de luchtkwaliteit (NIBM). Hierin is onder de meer de bouw van maximaal 1500 woningen met één ontsluitingsweg als NIBM aangemerkt. Aan de hand daarvan kan worden vastgesteld dat het Initiatief, waarbij sprake is van functiewijziging en verbouwing naar woonzorggebouw met 24 appartementen, valt aan te merken als ‘niet in betekenende mate’, omdat het initiatief veel geringer in omvang is.

3.6.16 Trillinghinder Het onderdeel trillingen is geregeld in paragraaf 22.3.5 van de Bruidsschat. Daarin worden regels gesteld aan trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz door een activiteit in een trilling gevoelige ruimte van een trilling gevoelig gebouw, die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan. Er gelden maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen. De maximale waarden zijn opgenomen in de tabellen in artikel 22.88 van de Bruidsschat en artikel 5.87 Bkl. In de omgeving van de planlocatie zijn geen bronnen aanwezig die mogelijke trillinghinder kunnen veroorzaken, zoals bijvoorbeeld spoorlijnen. De veronderstelling is dat trillingen op deze locatie geen problemen opleveren. Het aspect 'trillingen' vormt daarmee geen belemmering voor het Initiatief. Het Initiatief voldoet aan de instructieregels in paragraaf 5.1.4.4 van het Bkl.

3.6.17 Geurhinder Evenals als bij een omgevingsplan moet bij de BOPA rekening worden gehouden met geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen. Dit volgt uit artikel 5.92 lid 1 Bkl. De geur van een activiteit moet op een geurgevoelig gebouw aanvaardbaar zijn (artikel 5.92 lid 2 Bkl). Dit betekent dat het bevoegd gezag moet beoordelen of waarden, afstanden of gebruiksregels in BOPA leiden tot een aanvaardbaar hinderniveau. Het bevoegd gezag bepaalt zelf welke mate van geurhinder ze aanvaardbaar vindt. Zoals vastgesteld in paragraaf 3.6.11 van deze onderbouwing zijn er in de omgeving van het plangebied geen bedrijven of inrichtingen gesitueerd die mogelijk voor geurhinder ter plekke van de woonzorgvoorziening kunnen zorgen. Verder onderzoek naar geurhinder is niet noodzakelijk. Omgekeerd heeft de beoogde woonzorgvoorziening geen effect op omliggende gevoelige functies. Het aspect geurhinder vormt geen belemmering voor het Initiatief. Het Initiatief voldoet de instructieregels in paragraaf 5.1.4.6 van het Bkl.

3.6.18 Externe veiligheid / Omgevingsveiligheid Externe Veiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Voor omgevingsveiligheid zijn instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Bkl (Waarborgen van de veiligheid). De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een BOPA. Het betreft onder andere regels over het plaatsgebonden, risico, aandachtsgebieden, belemmeringengebieden voor buisleidingen en risico- en explosieaandachtsgebieden. Ook zijn in bijlage 7 van het Bkl activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten:

34

-

Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven; dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor). Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Bal. Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Bal. Tot slot bevat paragraaf 4.10.4 van de provinciale Omgevingsverordening ook instructieregels ten aanzien van externe veiligheid. Deze gaan onder andere over het provinciaal routenetwerk voor transport van gevaarlijke stoffen. Hierna gaan wij in op de diverse risicovolle activiteiten in relatie tot het Initiatief. In afbeelding 3.15 is de projectlocatie en de ligging ten opzichte van verschillende risicobronnen aangegeven.

Afbeelding 3.15: uitsnede kaart Atlas Leefomgeving (bron: www.atlasleefomgeving.nl)

Stationaire risicovolle activiteiten In de gemeente Enschede liggen bedrijven waar risicovolle stationaire activiteiten plaatsvinden, zoals opslag van (verpakte) gevaarlijke stoffen. Bij een ongeval met gevaarlijke stoffen bij een risicovolle activiteit kunnen er levensbedreigende effecten ontstaan, zoals een brand, explosie en/of gifwolk. Veel van deze activiteiten kennen daarom aandachtsgebieden waarbinnen wij rekening houden met de bescherming van mensen tegen deze effecten. Voor sommige activiteiten moeten de aandachtsgebieden per geval worden berekend. Voor andere activiteiten staan er vaste afstanden in bijlage VII tot en met X van het Bkl, zoals voor LPG-tankstations en propaantanks. Het projectgebied is niet gelegen binnen het invloedsgebied of het aandachtsgebied van een stationaire risicobron. Voor het Initiatief zijn stationaire risicovolle activiteiten daarom niet relevant en is toetsing aan het Bkl, de provinciale Omgevingsverordening en het gemeentelijk omgevingsplan niet aan de orde. Transportactiviteiten door buisleidingen In de gemeente Enschede bevinden zich meerdere hogedruk aardgasleidingen. De hogedruk aardgasleidingen liggen in de bodem en zijn daardoor in de basis goed beschermd. Door bijvoorbeeld (graaf)werkzaamheden kan er een breuk ontstaan. Het aardgas stroomt dan onder hoge druk uit de leiding.

Het brandbare gas zal waarschijnlijk ontsteken, waardoor een fakkelbrand optreedt met een hoge hittestraling. Omdat een fakkelbrand het enige denkbare scenario is, hebben alle hogedruk aardgasleidingen een brandaandachtsgebied, maar geen explosie- en gifwolkaandachtsgebied. De locatie van het Initiatief is niet gelegen binnen het brandaandachtsgebied van een hogedruk aardgasleiding. Vanwege de hogedruk aardgasleidingen gelden er daarom geen aanvullende voorschriften en is geen toetsing nodig aan de instructieregels van het Bkl.

35

Transportactiviteiten over de weg Het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg kan in een gemeente plaatsvinden over rijkswegen (basisnetroutes), provinciale en gemeentelijke wegen. Het vervoer kan bestaan uit brandbare, explosieve en giftige stoffen variërend van klein verpakkingen tot bulktanks. Afhankelijk van de frequentie, de aard en het verpakkingsvolume van het vervoer van gevaarlijke stoffen kan het risico van een wegvak op het gebied van externe veiligheid worden bepaald. Door de gemeente Enschede loopt de rijksweg A1, A35 en N18 (basisnetroutes). Er is bij alle drie de wegen sprake van een brandaandachtsgebied van 30 meter, een explosieaandachtsgebied van 200 meter en een gifwolkaandachtsgebied van 300 meter. Het projectgebied is niet gelegen binnen één van deze aandachtsgebieden. Vanwege het transport van gevaarlijke stoffen over de weg gelden er daarom geen aanvullende voorschriften en is geen toetsing nodig aan de instructieregels van het Bkl. Transportactiviteiten over het spoor Ten aanzien van transport van gevaarlijke stoffen over het spoor geldt dat dat deze belemmeringen vormen voor dit Initiatief. Relevante spoorwegen die worden gebruikt voor het vervoer van gevaarlijke stoffen zijn op grote afstand gelegen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=enschede&id=e584867f-6c4a-4b51-8f65-d772ba36ef2f