CConstaterende datenschede
Koppel je AI →
Document · PDF

BP Boeldershoek 2018_Plantoelichting_herstelbesluit

Raadsvergadering 27 september 2021, gemeente enschedeBij agendapunt: Herstelbesluit bestemmingsplan Boeldershoek 201829.490 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

5.1

Milieu

In deze paragraaf wordt achtereenvolgens ingegaan op de milieuaspecten bodemkwaliteit, geluid, luchtkwaliteit en externe veiligheid. Daarnaast wordt in deze paragraaf verslag gedaan van de uitkomsten van de bedrijven- en milieu-inventarisatie en de toepassing van milieuzonering. 5.1.1

Milieueffectrapportage

Bij ruimtelijke plannen en besluiten die mogelijk gevolgen kunnen hebben voor het milieu dient te worden beoordeeld of ten behoeve van de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling een milieueffectrapportage moet worden opgesteld. Een milieueffectrapportage (m.e.r.) is bedoeld om milieubelangen bij verschillende ruimtelijke procedures een volwaardige plaats bij de besluitvorming te geven. Het wettelijk kader voor de m.e.r. is hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer (Wm) en het daarbij behorende Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.). In het Besluit m.e.r. is geregeld voor welke plannen en besluiten die nieuwe ontwikkelingen mogelijk maken daadwerkelijk een m.e.r.-(beoordelings)procedure doorlopen moet worden dan wel een vormvrije m.e.r.-beoordeling dient te worden uitgevoerd. Bij het toetsen van plannen en besluiten aan het Besluit m.e.r. zijn er vier mogelijkheden: 1. 2. 3. 4.

het plan of besluit maakt geen activiteiten mogelijk die in het Besluit m.e.r. zijn genoemd. Er geldt geen m.e.r.-plicht of (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsplicht. m.e.r.-plicht: voor (onderdelen van) het plan of besluit is het uitvoeren van een m.e.r.-verplicht; m.e.r.-beoordelingsplicht: voor (onderdelen van) het plan of besluit moet eerst worden beoordeeld of er mogelijk aanzienlijke milieugevolgen optreden. Zo ja, dan is alsnog het uitvoeren van een m.e.r. verplicht; vormvrije m.e.r.-beoordeling: het plan of het besluit omvat een m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteit, maar deze activiteit ligt (ruim) beneden de daarvoor in het Besluit m.e.r. opgenomen indicatieve drempelwaarden. Het bevoegd gezag moet nagaan of die activiteit mogelijk aanzienlijke milieugevolgen zou kunnen hebben.Zo ja, dan moet er alsnog een volledige m.e.r.-(beoordelings)procedure worden doorlopen.

Aanvullend op voorgaande geldt er ook een m.e.r-plicht (een planm.e.r. in dit geval) voor plannen waarvan op voorhand niet kan worden uitgesloten dat zij een significant negatief effect op Natura 2000-gebieden hebben. In dat geval is een zogenaamde Passende Beoordeling nodig en geldt er automatisch een planm.e.r.-plicht. Toetsing bestemmingsplan Boeldershoek 2018 aan Besluit m.e.r. Het bestemmingsplan is grotendeels conserverend. Het plan heeft betrekking op een aantal specifieke activiteiten die voorkomen in onderdeel C en/of D van de bijlage bij Besluit mer. Dit betreft de activiteiten die zijn opgenomen in artikel 4.1 onder b van voorliggend bestemmingsplan: scheiding, verbranding, vergisting en storting van afval. Van deze activiteiten is de capaciteit begrensd in het bestemmingsplan, gelijk aan bestemmingsplan Boeldershoek 2009 en gelijk aan de vergunde capaciteit. Daarmee is er geen sprake van een vergroting van deze activiteiten. Indien andere eventuele activiteiten uit Besluit m.e.r., en deze overstijgen de bijbehorende drempelwaarde, dan zal een separate planprocedure gevolgd moeten worden om deze mogelijk te maken. Ook voor dergelijke m.e.r.(beoordelingsplichtige) activiteiten biedt het plan dus geen kader. Een voorbeeld is activiteit D8.4 uit Besluit m.e.r.: de "aanleg, wijziging of uitbreiding van een buisleiding voor transport van warm water of stoom".

Het plan maakt deze aanleg mogelijk, net als het bestemmingsplan "Boeldershoek 2009". De bijbehorende drempelwaarde betreft: een leiding met een diameter van minimaal 1 meter en een lengte van 10 kilometer of 40

bestemmingsplan Boeldershoek 2018 (vastgesteld)

meer. Indien deze wordt overschreden, is een m.e.r.-beoordeling en een aparte planprocedure nodig. De drempelwaarde zal echter nooit overschreden worden, aangezien deze lengte niet bereikt zal worden binnen het plangebied (dit is 10 keer de volledige lengte van het plangebied) en de nieuwe leidingen nagenoeg zeker een veel kleinere diameter zullen hebben. Kortom, deze activiteiten kunnen niet van een omvang zijn dat zij de drempelwaarden bij deze activiteiten uit onderdeel C en/of D van de bijlage bij Besluit mer overschrijden, aangezien nieuwe m.e.r.(beoordelings)-plichtige bedrijfsactiviteiten zijn uitgesloten in voorliggend bestemmingsplan. Daarmee kan het plan ook geen kader bieden voor later te nemen m.e.r.(beoordelings)plichtige besluiten en is er geen sprake van een planm.e.r.-plicht. Afgezien van het voorgaande kan het plangebied qua aard ook onder activiteit D11.3 uit Besluit m.e.r. vallen: "aanleg, wijziging of uitbreiding van een industrieterrein", met de bijbehorende drempelwaarde van 75 hectare of meer. Het oppervlak aan industrieterrein blijft gelijk. Daarmee is geen sprake van aanleg of uitbreiding en kan alleen een 'wijziging' aan de orde zijn: De bestemming en het gebruik van het plangebied blijft in de basis hetzelfde. Wel zijn de bestemmingsregels op enkele punten aangepast.

Zoals blijkt uit jurisprudentie (uitspraak over bestemmingsplan “Lorentz I en II 2013”; ABRS 23 april 2014, nr. 201307589/1/R2) hoeft niet iedere wijziging als wijziging in de zin van Besluit m.e.r. te worden opgevat. Het betreffende bestemmingsplan (“Lorentz I en II 2013”) voorziet in een overwegend conserverende bestemming voor een bestaand industrieterrein met een netto-oppervlakte van 130 hectare. Ten opzichte van het vorige bestemmingsplan is bij recht de bouwhoogte verhoogd en kan met een afwijkingsprocedure het bebouwingspercentage vergroot worden. De Afdeling van de Raad van State oordeelde dat deze verruimde bebouwingsmogelijkheden zodanig ondergeschikt zijn, er geen sprake is van een wijziging van een industrieterrein als bedoeld in het Besluit m.e.r.. Relevant daarbij is dat de opzet en vormgeving van het industrieterrein nauwelijks zullen wijzigen door de nieuwe bebouwingsmogelijkheden. In het plan "Boeldershoek 2018" vinden eveneens beperkte wijzigingen plaats in de bebouwingsmogelijkheden in een overwegend conserverend plan (zie paragraaf 4.2.3). Gezien de omvang en de aard van het huidige industrieterrein zijn deze wijzigingen niet aan te merken als een wijziging als bedoeld in Besluit m.e.r.. Voor een beperkt deel van het plangebied wordt de toegestane milieucategorie verhoogd, als gevolg van het verdwijnen van woningen in de omgeving (zie o.a.

paragraaf 5.1.2). De oppervlakte waarvoor een verhoging van de milieucategorie geldt beslaat slechts circa 3,5 hectare. Daar staat bovendien tegenover dat in een ander deel van het plangebied de milieucategorie juist omlaag gaat. Dit betreft circa 4,5 hectare. Bovendien zijn 'andere bedrijfsactiviteiten' (zie lid 4.7) in plan Boeldershoek 2018 alleen nog mogelijk op basis van een binnenplanse afwijkingsmogelijkheid. Hoewel dit als een milieuneutrale wijziging gezien kan worden (de woningen waarop de zonering gebaseerd was zijn verdwenen én een groter deel krijgt een lagere milieucategorie), is dit mogelijk te interpreteren als een wijziging van een industrieterrein. De drempelwaarde van 75 hectare wordt fors onderschreden. Tot slot treden er, zoals beschreven in paragraaf 5.3.1, geen significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden op. Er is geen Passende Beoordeling nodig en daarmee eveneens geen planm.e.r. via deze weg. Op basis van voorgaande blijkt dat sprake is van een plicht tot een vormvrije m.e.r.-beoordeling, omdat een aantal activiteiten waar het plan betrekking op heeft voorkomen in onderdeel D van de bijlage bij Besluit mer en de bijbehorende drempelwaarden niet overschreden worden.

Vormvrije m.e.r.-beoordeling De vormvrije m.e.r.-beoordeling is een toets, waarin aan de hand van in de Europese m.e.r-richtlijn opgenomen criteria wordt beoordeeld of belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten en al of niet sprake is van een m.e.r.-beoordelingsplicht. De criteria hebben betrekking op de kenmerken van het project, de locatie van de activiteit en de kenmerken van het potentiële effect. Bij de kenmerken van het project gaat het onder andere om de omvang en de cumulatie met andere projecten. Bij de locatie van de activiteit gaat het onder andere om de mate van kwetsbaarheid van het milieu in gebieden waarop de activiteit van invloed zou kunnen zijn. Bij de kenmerken van het potentiële effect gaat het onder ander om het bereik van de effecten. Voor "Boeldershoek 2018" is door de gemeente Enschede een notitie ten behoeve van de vormvrije m.e.r.-beoordeling opgesteld, welke in bijlage 5 bij deze plantoelichting is opgenomen. Uit de notitie blijkt dat de beoogde ontwikkeling geen belangrijke nadelige milieugevolgen heeft. Op basis van de notitie hebben burgemeester en wethouders op 4 september 2018 besloten dat het niet noodzakelijk is om een (formele) m.e.r.-beoordeling uit te voeren of een milieueffectrapport op te stellen.

bestemmingsplan Boeldershoek 2018 (vastgesteld)

41

5.1.2

Milieuhinder van bedrijven en inrichtingen

Bedrijven- en milieuinventarisatie en milieuzonering Op basis van de VNG-publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' (2009) dient te worden beoordeeld of de in het plangebied te realiseren activiteiten een belemmering betekenen of van invloed zijn op gevoelige functies, zoals wonen, in of in de omgeving van het plangebied. Zoals toegelicht in paragraaf 4.2.1 en 4.2.3 is ten behoeve van bestemmingsplan Boeldershoek 2009 een inwaartse milieuzonering bepaald . Dit is gedaan aan de hand van de VNG-publicatie, uitgaande van het beschermen van de aanwezige woningen in de directe omgeving van het plangebied. Daarbij is uitgegaan van de richtafstanden tussen bedrijven en gevoelige functies (zoals woningen) in een 'gemengd gebied'. Zoals aangegeven zijn enkele van deze woningen gesloopt en/of hebben zij geen woonbestemming meer. Met deze woningen hoeft in de milieuzonering geen rekening meer gehouden te worden. De zonering is daar in voorliggend plan op aangepast. Zoals eveneens aangegeven in paragraaf 4.2.3 is de zonering aan de oostzijde van het plangebied aangepast ten gunste van twee woningen.

Het gehele gebied kan nog steeds gedefinieerd worden als een 'gemengd gebied' in het kader van 'Bedrijven en Milieuzonering' (zoals ook gedaan bij bestemmingsplan 'Boeldershoek 2009'), maar in voorliggend plan "Boeldershoek 2018" is er voor gekozen om voor deze 2 woningen toch de standaard afstanden toe te passen tot het terrein van Twence die normaal worden gehanteerd bij een 'rustig buitengebied'. Tot slot is in paragraaf 4.2.3 aangegeven dat de bedrijvenlijst die bij het ontwerp bestemmingsplan was gevoegd is vervangen door een begripsomschrijving, specifiek voor 'bedrijven voor afval, energie en productie van secundaire en groene grondstoffen'. De afwijkingsmogelijkheid voor 'andere bedrijfsactiviteiten' is aan deze begripsbepaling (lid 4.7.1 onder a) en de ter plaatse geldende milieucategorie gekoppeld. De systematiek van de milieuzonering blijft daarmee gelijk, waarbij de begripsomschrijving een duidelijkere afbakening van de te verwachten bedrijfsactiviteiten geeft dan een standaard bedrijvenlijst en de (ook in plan Boeldershoek 2009 opgenomen) wijzigingsmogelijkheden daarvan. De nieuwe 'andere bedrijfsactiviteiten' worden bovendien apart afgewogen, omdat er een omgevingsvergunning voor afwijking van het bestemmingplan voor nodig is.

De toegepaste milieuzonering zorgt er voor dat er voldoende afstand blijft bestaan tussen de bedrijvigheid van Twence en de gevoelige functies in de omgeving. Voor de bedrijfsactiviteiten in het plangebied is de Geluidnota Enschede niet van toepassing aangezien het plangebied een geluidgezoneerd industrieterrein betreft. In paragraaf 5.1.5 wordt verder ingegaan op geluid.

Conclusie milieuhinder bedrijven en inrichtingen Op basis van het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat er uit oogpunt van milieuhinder van bedrijven en voorzieningen geen belemmering is voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.

5.1.3

Bodemkwaliteit

Bodemkwaliteit algemeen Bij de toetsing of een bestemmingsplan uitvoerbaar is, moet worden nagegaan of er mogelijk sprake is van bodemverontreiniging. Bij functiewijzigingen en nieuwe ontwikkelingen dient daarom te worden bekeken of de bodemkwaliteit past binnen het toekomstige gebruik van de bodem en of deze optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Het bodembeleid in Nederland heeft een hervormingsfase ondergaan. Er is sprake van een overgang van het saneren van vervuilde bodems naar het duurzaam beheren en bewust gebruiken van de bodem en de ondergrond. Het beleid richt zich niet uitsluitend meer op het wegnemen van bodemverontreiniging, maar de nadruk is komen te liggen op creatief, innovatief en integraal beheer en gebruik van de bodem en ondergrond. Het oude beginsel van niet bouwen op een vervuilde bodem is hiermee verlaten. Bouwen op een ernstig verontreinigde bodem is onder voorwaarden mogelijk. Functiegericht en kosteneffectief saneren is dan voldoende. Het uitgangspunt hierbij is dat aanwezige bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem.

42

bestemmingsplan Boeldershoek 2018 (vastgesteld)

Bodemkwaliteit en het bestemmingsplan "Boeldershoek 2018" Het bestemmingsplan "Boeldershoek 2018" is hoofdzakelijk conserverend van aard. Hiermee wordt bedoeld dat ten aanzien van dit plan overwegend de bestaande situatie is vastgelegd. Het plangebied behoudt in de basis dezelfde bestemming als in bestemmingsplan "Boeldershoek 2009". Er is geen aanleiding om een onderzoek naar de bodemgesteldheid uit te voeren in het kader van voorliggend bestemmingsplan. In de loop van de jaren zijn er vele onderzoeken uitgevoerd in het plangebied naar de kwaliteit van de bodem en het grondwater. In het kader van bestemmingsplan "Boeldershoek 2009" zijn de resultaten van onderzoeken tot en met 2008 bestudeerd en samengevoegd tot een historisch bodemonderzoek. Dit is bijgevoegd als bijlage 6 bij deze toelichting. Met dit onderzoek is snel een eerste inzicht te geven in de kwaliteit op verschillende delen van het terrein. Zodra er een concrete ontwikkeling plaatsvindt wordt in detail gekeken naar de bodem- en grondwaterkwaliteit ter plaatse en de mogelijke invloed van een ingreep op de eventuele verspreiding van verontreinigingen. Zo is er bijvoorbeeld ten behoeve van de realisatie van de biovergistingsinstallatie in 2012 een update gemaakt van een bodemonderzoek ter plaatse, inclusief boringen.

Conclusie bodemkwaliteit Op basis van het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat de bodemkwaliteit geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.

5.1.4

Bodemdaling

Zoutwinning en risico's van bodemdaling In en rond het plangebied vindt zoutwinning door AkzoNobel plaats. Dit gebeurt door op grote diepte zout op te lossen in water en vervolgens als pekel op te pompen. In de bodem ontstaan daardoor op termijn 'holtes' (ook cavernes genoemd), gevuld met pekel. Als gevolg daarvan treedt er in een gebied rond de winningen bodemdaling op. Door voortschrijdende kennis en regels voor een veilige en duurzaam stabiele zoutwinning in Twente (Good Salt Mining Practice) zullen er geen grote bodemdalingen of sinkholes ontstaan bij winningen waarmee na circa 1980 is gestart. AkzoNobel heeft een bodemdalingsmodel ontwikkeld waarmee kan worden bepaald of een instabiel wordende caverne op den duur tot grote bodemdaling of plotselinge bodemdaling (een 'sinkhole') kan leiden. De prognoses gemaakt met dit model zijn eerst in 2000 gerapporteerd aan de gemeenten Hengelo en Enschede. Naar aanleiding van de verschillende onderzoeken is een bodemdalingskaart opgesteld. Deze kaart wordt regelmatig geactualiseerd op basis van voortschrijdend inzicht en nieuw onderzoek. De cavernes zelf worden regelmatig gecontroleerd en gemonitord. Mogelijke veranderingen van de cavernes zijn daardoor al in een vroeg stadium bekend. Als een caverne instabiel blijkt te zijn, duurt het nog circa 15 jaar voordat aan het maaiveld bodemdaling van betekenis te verwachten is.

Wanneer er dreiging is van bodemdaling, kunnen er maatregelen getroffen worden, zoals het opvullen van de caverne. Het Staatstoezicht op de Mijnen (SodM) houdt toezicht op dit proces. Recentelijk heeft zij een onderzoeksrapport uitgebracht over de risico's van de zoutwinning in Nederland ('Staat van de sector zout', SodM, 2018): bodemdaling en verontreiniging (dat laatste o.a. als gevolg van lekken in oude leidingen). SodM gaat ook specifiek in op de situatie in Twente, waaronder de aanwezige vuilstort in het plangebied van voorliggend plan. SodM geeft een aantal algemeen geldende aanbevelingen. Specifiek voor de vuilstort in het plangebied adviseert zij om het eventuele moment van instabiliteit onder de vuilstort niet af te wachten, maar alvast plannen te maken voor beheersing van mogelijk negatieve gevolgen van instabiliteit.

Ontwikkelingen in 'bodemdalingsgebied': protocol bodemdaling Het gebied dat aan mogelijke zakkingen onderhevig is, is opgenomen op de hiervoor genoemde bodemdalingskaart Dit vergt de nodige voorzichtigheid met het toestaan van bebouwing en de uitvoering van diverse andere werkzaamheden in dit gebied. De veiligheid kan in het geding komen als leidingen en zware gebouwen zouden gaan verzakken en ook is er natuurlijk een financieel aspect (dure voorzieningen kunnen beschadigen). Enerzijds is het niet gerechtvaardigd om zonder meer af te zien van elk nieuw (industrieel) ontwikkelingspotentieel binnen het 'bodemdalingsgebied' en anderzijds is een onbeperkte ontwikkeling

bestemmingsplan Boeldershoek 2018 (vastgesteld)

43

(zonder controle) evenmin toelaatbaar. Om de risico's van bodemdalingen in relatie tot ontwikkelingen (bouwen en diverse andere werken/werkzaamheden) te beheersen is door de gemeenten Enschede en Hengelo in samenwerking met AkzoNobel een protocol opgesteld als procedurerichtlijn bij het verlenen van omgevingsvergunningen in 'bodemdalingsgebied'. In september 2009 is een geactualiseerde versie van het protocol vastgesteld door Burgemeester en wethouders van gemeenten Enschede en Hengelo, ten tijde van het opstellen van bestemmingsplan "Boeldershoek 2009". In bijlage 7 is het protocol opgenomen. De oorspronkelijke begeleidende tekst uit 2009 is daarbij ingekort, omdat deze tekst vooral was gericht op bestemmingsplan "Boeldershoek 2009". Ook is de tekst aangepast aan de veranderde terminologie in de Wet ruimtelijke ordening (de term 'omgevingsvergunning' bestond destijds nog niet). Kern van het protocol is dat bij omgevingsvergunningen voor bouwwerken en diverse andere werken/werkzaamheden in bodemdalingsgebied advies moet worden ingewonnen bij SodM op basis van een worst case bodemdalingsberekening welke aangeleverd is door AkzoNobel. Naar verwachting wordt het protocol geëvalueerd naar aanleiding van het hiervoor genoemde onderzoeksrapport van SodM ('Staat van de sector zout', SodM, 2018). Een evaluatie kan aanleiding zijn voor aanpassing van het protocol.

Borging in bestemmingsplan Op de bestemmingsplanverbeelding is een aanduiding 'overig - bodemdalingsgebied' opgenomen. Dit gebied is gebaseerd op de eerder genoemde bodemdalingskaart. Het gehele plangebied van "Boeldershoek 2018" heeft deze aanduiding. Binnen dit gebied mogen alleen nieuwe vergunningplichtige bouwwerken gebouwd worden als advies is ingewonnen bij het SodM over de te verwachten veiligheidsrisico's als gevolg van bodeminstabiliteit in relatie tot de perceelslocatie en verwachte levensduur van het gebouw. Ditzelfde geldt voor diverse in de planregels benoemde (aanleg)werkzaamheden, zoals het doen van onderzoeks- en exploitatieboringen ten behoeve van de winning van bodemschatten, het veroorzaken van ontploffingen in de grond en het aanbrengen van buisleidingen voor transport van stoom, water en stoffen. Het bodemdalingsprotocol is niet 1-op-1 aan de planregels gekoppeld. Deze kan immers verouderen (bijv door veranderende wetgeving/terminologie) of op onderdelen veranderen (bijv. n.a.v. een evaluatie). Impliciet is het protocol wel aan de regels gekoppeld, want het verplichte (onafhankelijke) advies van SodM is essentieel in het bodemdalingsprotocol. Dit zal ook altijd verplicht blijven in het protocol. Het advies vormt het 'sluitstuk' van het protocol. 5.1.5

Wet geluidhinder

In artikel 3.3.1 van het Bro is bepaald dat in een bestemmingsplan moet worden aangegeven waar geluidgevoelige gebouwen en terreinen zijn gesitueerd ten opzichte van wegen, spoorwegen en industrieterreinen met een onderzoekszone als bedoeld in de Wet geluidhinder (Wgh). Wanneer het bestemmingsplan binnen deze onderzoekszones de realisatie van nieuwe geluidgevoelige gebouwen of terreinen mogelijk maakt, moet door middel van een akoestisch onderzoek worden nagegaan of de geluidsbelasting binnen de wettelijke normen blijft. De geluidsbelasting mag de in de Wgh genoemde grenswaarden niet overschrijden. Daarbij moet ook de doeltreffendheid worden onderzocht van de in aanmerking komende maatregelen ter voorkoming van in de toekomst optredende geluidsbelasting van de geluidgevoelige gebouwen en terreinen.

Weg- en railverkeerslawaai Binnen het plangebied van het bestemmingsplan “Boeldershoek 2018” zijn geen geluidgevoelige gebouwen of terreinen aanwezig. Het bestemmingsplan voorziet ook niet in de realisatie van geluidgevoelige gebouwen of terreinen en bovendien niet in geluidrelevante aanpassingen van infrastructuur.

Industrielawaai Het als 'Bedrijf - Afval en energie' bestemde deel van het plangebied van bestemmingsplan "Boeldershoek 2018" maakt onderdeel uit van het op grond van de Wet geluidhinder gezoneerde industrieterrein Twentekanaal. Het gezoneerde terrein ligt voor het grootste deel in gemeente Hengelo. Rond het gezoneerde

44

bestemmingsplan Boeldershoek 2018 (vastgesteld)

industrieterrein ligt een geluidzone. De som van de geluidbelasting van alle bedrijven op het geluidgezoneerde industrieterrein Twentekanaal mag op de grens van de geluidzone niet meer bedragen dan 50, 45, en 40 dB(A) tijdens respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode. De grenzen van de geluidzone rond het industrieterrein liggen buiten het bestemmingsplangebied "Boeldershoek 2018". De zone wordt beheerd door de gemeente Hengelo. Bij de afgifte van nieuwe omgevingsvergunningen milieu dient de geluidzone in acht te worden genomen. Gemeente Hengelo ziet hier als zonebeheerder op toe. Zo zijn ook de vergunningen van Twence aan de geluidzone getoetst. Begin 2017 heeft Twence een nieuwe revisievergunning gekregen. Met deze revisie zijn alle wijzigingen in vergunningen en meldingen sinds de vorige revisievergunning (2009) gebundeld in een nieuwe vergunning voor alle activiteiten binnen de gehele inrichting van Twence. De revisie voorzag niet in nieuwe omvangrijke wijzigingen en/of uitbreidingen ten opzicht van de al vergunde/gemelde activiteiten. Wel is de revisievergunning getoetst aan de geluidzone op basis van een nieuw akoestisch onderzoek (Witteveen+Bos, 2017). Dit onderzoek is bijgevoegd als bijlage 8 (i.v.m. omvang exclusief bijlagen met uitgebreide invoergegevens etc; op aanvraag beschikbaar).

In het onderzoek zijn alle activiteiten en bijbehorende geluidsbronnen nauwkeurig beschouwd. Uit de berekeningen blijkt dat de langtijdgemiddelde geluidsbelasting ter plaatse van de zone maximaal 47 dB(A) bedraagt en ter plaatse van woningen binnen de zone is dit 44 dB(A). De maximale geluidsniveaus bedragen maximaal 51 dB(A) en voldoen daarmee ruimschoots aan de maximaal vergunbare waarden (70 dB(A)). Het bestemmingsplan "Boeldershoek 2018" voorziet niet in de realisatie van nieuwe geluidgevoelige gebouwen of terreinen binnen de geluidzone en bovendien niet in een verruiming van de geldende geluidzone. Voorliggend plan zal niet leiden tot een verhoging van de geluidintensiteit in de omgeving van Boeldershoek. Bij concrete nieuwe ontwikkelingen ten opzichte van de vergunde situatie toetst de zonebeheerder uiteraard of deze voldoen aan de maximaal toegestane geluidbelastingen in de geluidzone.

Luchtvaartlawaai Het plangebied van het bestemmingsplan “Boeldershoek 2018” is niet gelegen in de nabijheid van het (voormalige) vliegveld Twente en ook niet binnen de geluidszone van het vliegveld. Conclusie geluid Op basis van het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat het aspect geluid geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.

5.1.6

Luchtkwaliteit en geur

Bij de toetsing of een bestemmingsplan uitvoerbaar is, moet worden nagegaan of de realisatie van beoogde ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk gevolgen kan hebben voor de luchtkwaliteit. Op grond van het bepaalde in hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer en onderliggende algemene maatregelen van bestuur en ministeriële regelingen vormen de luchtkwaliteitseisen in ieder geval geen belemmering voor ruimtelijke ontwikkelingen indien: a. b. c. d. e.

er geen sprake is van feitelijke of dreigende overschrijding van de grenswaarde; een project, al dan niet per saldo, niet leidt tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging; een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL); een project niet voorziet in de realisatie van gevoelige bestemmingen binnen de zone van een op grond van het Besluit gevoelige bestemmingen gezoneerde rijksweg of provinciale weg.

Voor Twence geldt als toetsingskader ten aanzien van geur de 'Beleidsregel geurhinder', zoals opgenomen in de 'Beleidsregel Toetsingskader vergunningverlening Wm’ van provincie Overijssel (2007). De beleidsregel geeft normen aan voor een acceptabel geurhinderniveau binnen de gebiedstypen 'Wonen/buitengebied' en 'Werken'. Bij concentraties tussen de zogenaamde richtwaarde en bovenwaarde uit de beleidsregel dient bij nieuwe ontwikkelingen een afweging gemaakt te worden op basis van onder andere de genomen maatregelen (BBT) en het klachtenpatroon om te bepalen in hoeverre sprake zal zijn van een acceptabel hinderniveau. Bij BBT gaat het er om dat de geurbelasting zoveel als redelijkerwijs nog mogelijk en nodig is teruggedrongen wordt met behulp van de Beste Beschikbare Technieken (BBT) om geurhinder in de

bestemmingsplan Boeldershoek 2018 (vastgesteld)

45

omgeving te voorkomen. Daarnaast gelden standaard normen uit het Activiteitenbesluit voor enkele onderdelen van van Twence.

Luchtkwaliteit en geur en het plangebied “Boeldershoek 2018” In het kader van bestemmingsplan 'Boeldershoek 2009' is een onderzoek naar de luchtkwaliteit en geur uitgevoerd. In de daarvoor uitgevoerde verspreidingsberekeningen ten aanzien van luchtkwaliteit is rekening gehouden met een beperkte groei van activiteiten, waaronder een autonome ontwikkeling met 10% uitbreiding en enkele nieuwe activiteiten. Daaruit komt naar voren dat kan worden voldaan aan de grenswaarden voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2) uit de Wet luchtkwaliteit. Ook na de verplaatsing en beperkte uitbreiding van de biovergistingsinstallatie in (onderzocht in 2012) werd buiten het plangebied ruimschoots voldaan aan de grenswaarden. In het kader van de in paragraaf 5.1.4. genoemde revisievergunning is in 2016 opnieuw een onderzoek uitgevoerd naar luchtkwaliteit en geur voor alle activiteiten binnen de inrichting van Twence als geheel (Olfasense, 2016). Dit recente onderzoek is opgenomen in bijlage 9. Er wordt wederom ruim voldaan aan de grenswaarden voor fijn stof (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) uit de Wet luchtkwaliteit. Uit de verspreidingsberekeningen in het kader van bestemmingsplan 'Boeldershoek 2009' voor geur bleek dat Twence op veel punten kon voldoen aan de in de provinciale beleidsregel opgenomen richtwaarden.

Twence had reeds verregaande maatregelen getroffen om geurhinder te voorkomen (Twence past BBT toe) en heeft een beheerssysteem geïmplementeerd, onder andere voor het aspect geur. Er zijn vrijwel geen klachten. Deze zijn het gevolg van incidenten. Door de provincie is in het kader van bestemmingsplan "Boeldershoek 2009" geconcludeerd dat sprake is van een acceptabel geurhinderniveau. Uit het in bijlage 9 opgenomen recente onderzoek voor de revisievergunning blijkt dat de geurbelasting aanzienlijk verminderd is ten opzichte van de voorheen vergunde situatie. Ten opzichte van de vorige revisievergunning is de geuremissie met ongeveer 15% afgenomen. De belasting voldoet aan het toetsingskader op basis van de provinciale beleidsregel. De kans op geurhinder als gevolg van de vergunde activiteiten in de revisievergunning van 2017 is gering. Bij nieuwe vergunningen wordt wederom getoetst aan de beleidsregel. Het bestemmingsplan “Boeldershoek 2018” is hoofdzakelijk conserverend van aard. Hiermee wordt bedoeld dat ten aanzien van dit plan overwegend de bestaande situatie is vastgelegd. De in dit plan geprojecteerde bestemmingen wijken niet wezenlijk af van die in het geldende bestemmingsplan. Ook worden er geen nieuwe geurgevoelige objecten mogelijk gemaakt.

De verschillen ten opzichte van bestemmingsplan 'Boeldershoek 2009' en de daarna verleende omgevingsvergunningen zijn niet relevant ten aanzien van luchtkwaliteit en geur. Uit de onderzoeken bij de recente revisievergunning (verleend in 2017) blijkt dat Twence ruimschoots voldoet de grenswaarden uit de Wet luchtkwaliteit en eveneens voldoet aan de provinciale 'Beleidsregel geurhinder', waarbij de geuremissie sinds de vorige revisievergunning (2009) behoorlijk is afgenomen. Een nieuw onderzoek naar de luchtkwaliteit en geur is achterwege gebleven, omdat de resultaten van een dergelijk onderzoek de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan niet beïnvloeden. Verder leidt de milieuzonering in het plangebied er toe dat op voorhand geen nieuwe activiteiten worden verwacht die zorgen voor een onacceptabel hinderniveau in de omgeving. Bij omgevingsvergunningen voor nieuwe geurproducerende activiteiten zal altijd (cumulatief) aan het provinciaal geurbeleid getoetst moeten worden, zodat ook bij toekomstige ontwikkelingen geurgevoelige objecten in de omgeving voldoende beschermd zullen zijn. Conclusie luchtkwaliteit en geur Op basis van het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat de luchtkwaliteit en geur geen belemmering vormen voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.

46

bestemmingsplan Boeldershoek 2018 (vastgesteld)

5.1.7

Externe veiligheid

Bij externe veiligheid gaat het om het beheersen van de veiligheid van personen in de omgeving van activiteiten met gevaarlijke stoffen. Ook de risico's die zijn verbonden aan het gebruik van luchthavens vallen onder externe veiligheid. De risico's waar burgers aan worden blootgesteld door de aanwezigheid van risicovolle inrichtingen of transportroutes van gevaarlijke stoffen in hun leefomgeving dienen tot een aanvaardbaar minimum te worden beperkt. Daarom heeft de overheid regels opgesteld voor inrichtingen, buisleidingen en transportroutes van gevaarlijke stoffen die onaanvaardbaar grote risico's opleveren voor personen die zich bevinden in woningen, scholen en bejaardencentra die in de directe omgeving hiervan liggen. Kort samengevat heeft dit tot gevolg dat er veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden tussen risicovolle activiteiten en kwetsbare objecten zoals woningen en dergelijke. Bij externe veiligheid wordt onderscheid gemaakt tussen plaatsgebonden risico (PR) en groepsrisico (GR). Het PR mag in principe nergens groter zijn dan een kans van 1 op 1 miljoen (ofwel 10 -6). Het GR legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. De contour is daarom niet bepalend, maar het aantal mensen dat zich gedurende een bepaalde periode binnen een bepaalde afstand (effectafstand) van een risicovolle activiteit ophoudt.

Voor het GR geldt dat de actuele hoogte van het groepsrisico en de bijdrage aan het GR van ruimtelijke ontwikkelingen verantwoord moeten worden. De wet- en regelgeving met betrekking tot externe veiligheid kan grofweg in twee categorieën worden ingedeeld: regelgeving met betrekking tot risicovolle activiteiten bij inrichtingen en regelgeving met betrekking tot het transport van gevaarlijke stoffen.

Risicovolle activiteiten bij inrichtingen Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en het Besluit Risico's Zware Ongevallen (BRZO) zijn het wettelijk kader voor risicovolle activiteiten bij inrichtingen. Binnen het plangebied van het bestemmingsplan “Boeldershoek 2018” of in de directe nabijheid daarvan zijn geen bedrijven of inrichtingen aanwezig waarop het Bevi en/of het BRZO van toepassing is. Het bestemmingsplan “Boeldershoek 2018” maakt dergelijke nieuwe activiteiten ook niet mogelijk.

Transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen Voor het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) het wettelijk kader. Binnen het plangebied van het bestemmingsplan “Boeldershoek 2018” of in de directe nabijheid daarvan zijn enkele buisleidingen (gastransportleidingen) aanwezig waarop het Bevb van toepassing is. Binnen het invloedsgebied (GR) van de leidingen vinden als gevolg van voorliggend bestemmingsplan geen wijzigingen plaats met betrekking tot het aantal aanwezigen. Daarom is overeenkomstig het BevB geen verantwoording van het GR nodig. De gastransportleidingen kennen geen contour voor het PR, op één leiding in het zuidwesten van het plangebied na. Deze PR-contour is in 2018 toegevoegd (zie onderstaande afbeelding). Er zijn geen (beperkt) kwetsbare objecten aanwezig binnen de contour en deze worden ook niet mogelijk gemaakt. Wel moet langs de gastransportleidingen ten behoeve van onderhoud een zogenoemde belemmeringenstrook van 5 meter aan weerszijden van de buisleiding worden bestemd. Een dergelijke zone is opgenomen in bestemmingsplan “Boeldershoek 2018”.

Binnen deze strook geldt, behoudens afwijkingen, een verbod tot het oprichten van bouwwerken en geldt een omgevingsvergunningenstelsel voor het uitvoeren van werken of werkzaamheden die van invloed kunnen zijn op de integriteit en de werking van de buisleiding. De buisleidingexploitant is verplicht er zorg voor te dragen dat bij aanleg of vervanging van een buisleiding de plaatsgebonden risicocontour niet groter is dan 5 meter.

bestemmingsplan Boeldershoek 2018 (vastgesteld)

47

Afbeelding 5.1: Gastransportleidingen aan zuidwestzijde van Boeldershoek (rode stippellijnen) en PR 10-6 contour (zwarte stippellijn)

Transport van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor en het water Voor het transport van gevaarlijke stoffen over de weg, per spoor of over het water is recentelijk nieuwe wet- en regelgeving in werking getreden voor het transport van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor en het water. De basis van deze nieuwe regelgeving wordt gevormd door het Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen. Het Basisnet kent 3 vervoersmodaliteiten: Basisnet Water, Basisnet Spoor en Basisnet Weg. Basisnet Weg Binnen het plangebied van het bestemmingsplan “Boeldershoek 2018” of in de directe nabijheid daarvan is de Rijksweg A35 / N35 aanwezig. Deze weg is in het Basisnet Weg aangewezen als transportroute voor gevaarlijke stoffen over de weg. Er bevinden zich in het plangebied geen (beperkt) kwetsbare objecten binnen de PR-contour van de A35. Bovendien worden er geen nieuwe (beperkt) kwetsbare objecten mogelijk gemaakt. Ook is er geen wijziging in het aantal aanwezigen in het plangebied als gevolg van voorliggend bestemmingsplan. Een nadere GR-verantwoording is niet nodig. Basisnet Water en Basisnet Spoor Binnen het plangebied van het bestemmingsplan “Boeldershoek 2018” of in de directe nabijheid daarvan zijn geen waterwegen of spoorwegen aanwezig die in het Basisnet zijn aangewezen als transportroute voor gevaarlijke stoffen over water.

Gebruik van luchthavens De aanwezigheid van vliegvelden en grote luchthavens in de omgeving is van belang in het kader van de externe veiligheid omdat de kans op het neerstorten van vliegtuigen in de buurt van een vliegveld of luchthaven groter is dan elders. Een luchtvaartongeval is daar dus te voorzien en het is denkbaar dat daarbij (woon)bebouwing wordt getroffen. Een vliegtuig of helikopter kan overal neerstorten, de gevolgen kunnen dus in beginsel op elke plek optreden. Het risico is echter het grootst nabij een vliegveld of luchthaven, vooral bij het opstijgen en landen. Het plangebied van het bestemmingsplan “Boeldershoek 2018” is hemelsbreed op circa 6 kilometer van het (voormalige) vliegveld Twente gelegen. Dit betekent dat de kans op een luchtvaartongeluk in het plangebied

48

bestemmingsplan Boeldershoek 2018 (vastgesteld)

(zeer) klein is.

Conclusie externe veiligheid Op basis van het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat de externe veiligheid geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.

5.2

Water

Op grond van artikel 3.1.6 van het Bro wordt in een bestemmingsplan een beschrijving opgenomen van de wijze waarop in het plan rekening is gehouden met de waterhuishouding.

Hemelwater Uitgangspunt in het gemeentelijk beleid voor de waterhuishouding is dat in bestaand stedelijk gebied hemelwater zo min mogelijk wordt afgevoerd via de riolering en in het buitengebied hemelwater niet wordt afgevoerd via de riolering. Dit kan in beginsel door hergebruik, het toepassen van groene daken en/of halfverharding. Bij een toename van verhard oppervlak komt meer hemelwater versneld tot afvoer, hierop is het oppervlaktewatersysteem niet berekend. Het extra afstromend hemelwater moet op eigen terrein worden verwerkt. Indien dit aantoonbaar niet mogelijk is, mag het hemelwater vertraagd worden afgevoerd naar een aanwezige greppel, oppervlaktewater of ander afwateringssysteem in de nabije omgeving. Hiervoor is het nodig het hemelwater tijdelijk op eigen terrein te bergen, zodat het vertraagd kan worden afgevoerd naar voorzieningen in de openbare ruimte. De tijdelijke bergingsopgave bedraagt in het bestaand stedelijk gebied 20 millimeter, oftewel 20 liter per vierkante meter verhard oppervlak. In het buitengebied bedraagt de tijdelijke bergingsopgave 40 millimeter. Vervuiling van hemelwater dient zoveel mogelijk voorkomen te worden door geen uitlogende bouwmaterialen te gebruiken.

Afvalwater Uitgangspunt in het gemeentelijk beleid voor de waterhuishouding is dat het ontstaan van afvalwater wordt beperkt. Afvalwater wordt gescheiden van het hemelwater aangeboden en afgevoerd. De gemeente zorgt er voor dat het afvalwater vanaf de perceelsgrens wordt getransporteerd naar de rioolwaterzuiveringsinstallatie van het waterschap Vechtstromen. In het buitengebied is niet overal in de openbare ruimte een systeem aanwezig voor de afvoer van hemelwater. In dat geval moet op eigen terrein een individuele behandeling van afvalwater (IBA) of helofytenfilter worden ingericht. Dit dient te gebeuren in overleg met het waterschap Vechtstromen. Uit een doelmatigheidsstudie is gebleken dat drukriolering niet doelmatig is en voor de particulier veel duurder is dan een IBA. Daarom zal er doorgaans geen drukriolering meer worden aangelegd. Er is geen provinciale ontheffing van de zorgplicht meer nodig wanneer de gemeente besluit om in het buitengebied uit doelmatigheidsoverwegingen geen afvalwater in te zamelen.

Oppervlaktewater Uitgangspunt in het gemeentelijk beleid voor de waterhuishouding is dat bestaand oppervlaktewater (sloten en vijvers) gehandhaafd blijven. Eventueel nieuw oppervlaktewater mag geen permanente verlaging van de grondwaterstand veroorzaken. Het aftoppen van grondwaterstandspieken middels drainage is wel toegestaan. Rond de beken in het plangebied geldt op basis van de Keur van het waterschap een zone van 5 meter aan weerskanten vanaf de insteek van de watergang. Voor werkzaamheden binnen de keurzone moet vooraf toestemming worden gevraagd aan het waterschap en is mogelijk een watervergunning nodig.

Grondwater en ontwatering Uitgangspunt in het gemeentelijk beleid voor de waterhuishouding is dat perceeleigenaren zelf verantwoordelijk zijn voor het grondwater op hun perceel. De gemeente zorgt in voorkomende gevallen in de bestemmingsplan Boeldershoek 2018 (vastgesteld)

49

openbare ruimte voor passende maatregelen indien er in een gebied sprake is van structureel nadelige gevolgen door de grondwaterstand en de te treffen maatregelen niet tot de zorg van de provincie of het waterschap behoren. De ontwatering van een perceel is afhankelijk van het gebruik van de grond. Ontwatering is het verschil tussen het peil van de weg of de bebouwing en de gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG). Wegen: ontwateringsdiepte van 0,70 meter, waarbij een zandbed met minimale dikte van 0,50 m aanwezig moet zijn. Een te hoge grondwaterstand kan opvriezen en opdooi van de fundering van de weg veroorzaken. Bebouwing: de ontwateringsdiepte van bebouwing hangt af van het type gebouw. Voor woningen of gebouwen met een niet-waterdichte kruipruimte die goed toegankelijk moet zijn, dient de ontwatering zodanig te zijn dat zich geen grondwater in de kruipruimte bevindt. Als norm wordt vaak gehanteerd dat het grondwater tenminste 0,20 m beneden de vloer van de kruipruimte moet staan. Uitgaande van een 0,50 m hoge kruipruimte en een vloerdikte (woonvloer) van 0,20 m betekent dit een afstand van 0,90 m tussen de GHG en de bovenzijde van de vloer. Door kruipruimteloos te bouwen kan de ontwateringsnorm onder bepaalde voorwaarden met 0,30 m verminderd worden.

Groen / onbebouwd en onverhard terrein: voor deze bestemming wordt meestal een ontwateringdiepte van 0,50 m –mv geadviseerd. Langdurige te hoge grondwaterstanden beïnvloeden de beworteling nadelig.

Afwatering Om op perceelsniveau te kunnen voorkomen dat afstromend regenwater problemen veroorzaakt gelden de volgende adviesnormen: Het vloerpeil van de bebouwing minimaal 0,20 m boven het dichtstbijzijnde wegpeil leggen. Perceel vlak of richting de weg af laten lopen. De maaiveldpeilen en vloerpeilen van de verschillende percelen op elkaar afstemmen.

Waterhuishouding en het bestemmingsplan “Boeldershoek 2018” Het bestemmingsplan “Boeldershoek 2018” is hoofdzakelijk conserverend van aard. Hiermee wordt bedoeld dat ten aanzien van dit plan overwegend de bestaande situatie is vastgelegd. Voor het plangebied geldt de huidige waterhuishoudingssituatie zoals deze is beschreven in paragraaf 3.1 (Ruimtelijke structuur) van deze toelichting. Bij nieuwe ontwikkelingen moet het beleid zoals beschreven in deze paragraaf (5.2) in acht worden genomen. Specifiek ter voorkoming van het te snel afvoeren van water uit het plangebied zijn in artikel 18.2 van de planregels regels opgenomen ten aanzien van het bergen, vasthouden en afvoeren van hemelwater. Aangezien de regels voor werkzaamheden binnen de keurzone rond de beken zijn geborgd in de Keur van het waterschap zijn deze net als in het geldende bestemmingsplan, niet opgenomen in het bestemmingsplan. De beken vallen, net als in het geldende bestemmingsplan, binnen de bestemming 'Groen'. Conclusie Op basis van het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat de waterhuishouding geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.

50

bestemmingsplan Boeldershoek 2018 (vastgesteld)

5.3

Natuur

5.3.1

Wet natuurbescherming, beschermde natuurgebieden

In hoofdstuk 2 van de Wet natuurbescherming is de aanwijzing en bescherming van de Europese 'Natura 2000' gebieden en de bijzondere nationale natuurgebieden (toekomstige Natura 2000 gebieden) geregeld. De Wet natuurbescherming bepaalt dat voor alle Natura 2000 gebieden instandhoudingsdoelstellingen en een beheerplan moeten worden vastgesteld. De instandhoudingsdoelstellingen hebben betrekking op de kwaliteit van natuurlijke habitats en de aanwezige habitats van soorten in een Natura 2000 gebied. Bij elke ruimtelijke ontwikkeling moet worden getoetst of de beoogde activiteiten mogelijk significant negatieve gevolgen kunnen hebben voor de aangewezen natuurlijke habitats en habitats van soorten in een Natura 2000 gebied. Indien dat op voorhand niet met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kan worden uitgesloten dient een passende beoordeling te worden uitgevoerd en een plan-milieu effect rapportage (plan-MER) te worden opgesteld. Wanneer ook op basis van een uitgevoerde passende beoordeling significant negatieve gevolgen niet met aan voldoende zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kunnen worden uitgesloten kunnen de beoogde ruimtelijke ontwikkelingen alleen mogelijk worden gemaakt indien er redelijkerwijs geen alternatieven aanwezig zijn, er sprake is van dwingende redenen van groot openbaar belang en de negatieve gevolgen in voldoende mate worden gecompenseerd.

Beschermde natuurgebieden en het plangebied “Boeldershoek 2018” Het plangebied van het bestemmingsplan “Boeldershoek 2018” is niet gelegen binnen de grenzen dan wel in de nabijheid van een gebied dat is aangewezen als Natura 2000-gebied of bijzonder nationaal natuurgebied. De dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden “Lonnekermeer” en “Buurserzand & Haaksbergerveen” zijn op respectievelijk circa 5,3 kilometer ten noordoosten en circa 6 kilometer ten zuiden van het plangebied gelegen. Op deze afstand is er alleen een effect mogelijk van stikstofdepositie. Gezien de conserverende aard van het bestemmingsplan vergroot het plan de stikstof-emissiemogelijkheden niet of nauwelijks ten opzichte van bestemmingsplan "Boeldershoek 2009". Echter, bij het bepalen van effecten ten aanzien van Natura 2000-gebeiden geldt de bestaande, planologische legale situatie, voorafgaande aan de vaststelling van het nieuwe bestemmingsplan, als referentiesituatie. Dat betekent dat het benutten van planmogelijkheden die er al zijn in bestemmingsplan "Boeldershoek 2009" en opnieuw mogelijk gemaakt worden in "Boeldershoek 2018", maar nog niet zijn benut onder de werking van "Boeldershoek 2009", toch als een planeffect beschouwd moeten worden in het kader van "Boeldershoek 2018".

Deze nog niet benutte mogelijkheden voor extra emissies zijn op basis van het bestemmingsplan niet zo groot, gezien de huidige benutting van het plangebied en temeer vanwege het verbod in het bestemmingsplan op nieuwe m.e.r.-(beoordelings)plichtige activiteiten. Daarmee is de kans op significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden als gevolg van bestemmingsplan "Boeldershoek 2018" klein, met name gezien de grote afstand tot Natura 2000-gebieden. Echter, om een significante toename van stikstofdepositie als gevolg van bestemmingsplan "Boeldershoek 2018" met zekerheid uit te sluiten is in het bestemmingsplan een directe koppeling gelegd met de geldende Natuurbeschermingswetvergunning (tegenwoordig vergunning Wet natuurbescherming) van Twence (kenmerk 2015/032440; d.d. 21.01.2016). Deze geldt voor haar gehele terrein. In de vergunning zijn de toegestane activiteiten in relatie tot Natura 2000 vastgelegd, inclusief het stikstofdepositie-effect van die activiteiten (o.b.v. een AERIUS-berekening). De bestemmingsplanregel sluit nieuwe activiteiten uit die leiden tot significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden ten opzichte van de effecten van de vergunde situatie zoals opgenomen in de geldende Natuurbeschermingswetvergunning/vergunning Wet Natuurbescherming van Twence ten tijde van de vaststelling van bestemmingsplan "Boeldershoek 2018".

Voor deze situatie is namelijk door de provincie beoordeeld dat er geen significant negatieve effecten optreden. Zonder deze regel is voor bestemmingsplan "Boeldershoek 2018" waarschijnlijk een Passende Beoordeling nodig. Conclusie Wet natuurbescherming, beschermde natuurgebieden Op grond van het voorgaande kan worden geconcludeerd dat de Wet natuurbescherming voor wat betreft

bestemmingsplan Boeldershoek 2018 (vastgesteld)

51

beschermde natuurgebieden op voorhand geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. 5.3.2

Wet natuurbescherming, beschermde planten- en diersoorten

In hoofdstuk 3 van de Wet natuurbescherming is de aanwijzing en bescherming van planten- en diersoorten geregeld. Het gaat daarbij niet om de bescherming van individuele planten of dieren maar om te voorkomen dat het voortbestaan van soorten planten of dieren in gevaar komt en dat vaste rust- en verblijfplaatsen en groeiplaatsen opzettelijk worden vernield of verstoord. Hiertoe zijn in deze wet een aantal verbodsbepalingen opgenomen, zoals het verbod op het opzettelijk doden of verontrusten van dieren of het verbod op het plukken van planten. Daarbij is het “nee, tenzij” principe het uitgangspunt, er mag geen schade worden toegebracht aan beschermde dieren of planten tenzij dit uitdrukkelijk is toegestaan en daarbij zorgvuldig wordt gehandeld. Bij elke ruimtelijke ontwikkeling moet worden getoetst of de beoogde activiteiten mogelijk negatieve gevolgen kunnen hebben voor in dat gebied voorkomende vaste rust- en verblijfplaatsen van en/of de functionele leefomgeving van beschermde soorten. Indien noodzakelijk dienen tijdig passende preventieve of mitigerende maatregelen te worden getroffen dan wel dient het plan te worden aangepast om overtreding van verbodsbepalingen te kunnen voorkomen en de functionaliteit van het gebied voor de aanwezige beschermde soorten te kunnen waarborgen.

Indien door maatregelen en eventueel planaanpassing negatieve gevolgen voor eventueel aanwezige beschermde soorten niet of niet volledig kunnen worden voorkomen is een ontheffing van de betreffende verbodsbepalingen noodzakelijk en dient aannemelijk te worden gemaakt dat deze redelijkerwijs ook verleend zal kunnen worden.

Beschermde soorten en het plangebied “Boeldershoek 2018” In bijlage 10 is een notitie opgenomen die ingaat op de mogelijke effecten van bestemmingsplan "Boeldershoek 2018" ten aanzien van beschermde soorten volgens de Wet natuurbescherming ('Toetsing Wet natuurbescherming Bestemmingsplan Boeldershoek 2018', Eelerwoude, 2018). In de notitie worden de resultaten van diverse eerder uitgevoerde (veld)onderzoeken gerelateerd aan de ontwikkelmogelijkheden in het plangebied. Binnen en nabij het plangebied van "Boeldershoek 2018" zijn diverse beschermde soorten aanwezig. In 2013 is in het gebied Twekkelo, inclusief de gronden van Twence, een uitgebreid veldonderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid en verspreiding van beschermde soorten (totaal ca 1.000 ha). Het onderzoek is op enkele punten aangevuld met waarnemingsgegevens uit 2014 en 2015, waaronder een uitgevoerde monitoring in 2014 van nieuwe poelen en van 2 beschermde soorten (boommarter en levendbarende hagedis). De resultaten zijn uitgewerkt en doorvertaald in het 'Soortmanagementplan Twekkelo' (Lubbers, 2015). Oorspronkelijke opzet was om het Soortmanagementplan te laten dienen als basis voor een 'generieke ontheffing Flora en faunawet' voor een periode van 10 jaar. Deze generieke ontheffing is echter niet doorgegaan.

Het onderliggende veldonderzoek en de beschrijving van mogelijke maatregelen is echter wel een goede basis voor eventueel aanvullend/actualiserend onderzoek bij concrete ontwikkelingen. Voor een groot deel van Boeldershoek (grofweg het bouwvlak + een deel ten zuidoosten daarvan) en een gebied ten westen van Boeldershoek is in 2017 een actualisatie van het hiervoor genoemde veldonderzoek uitgevoerd ('Actualisatie flora- en faunaonderzoek: Twence, locatie Boeldershoek 2017'; Lubbers, 2018). In het actualiserende onderzoek wordt de aanwezigheid van diverse (strikt) beschermde soorten wederom bevestigd. Het onderzoek doet onder andere aanbevelingen om pro-actief maatregelen te treffen ten behoeve van soorten, zoals het ‘natuurinclusief bouwen’. Effectbeoordeling "Boeldershoek 2018" Buiten het bouwvlak zijn er weinig ontwikkelmogelijkheden, net als in plan "Boeldershoek 2009". Grootschalige ruimtelijke ontwikkelingen die een effect kunnen hebben op aanwezige beschermde soorten kunnen hier niet zondermeer plaatsvinden en moeten per situatie en ontwikkeling worden beoordeeld op eventuele effecten. Binnen het bouwvlak zijn er meer ontwikkelmogelijkheden. Het betreft overwegend een voortzetting van de ontwikkelmogelijkheden volgens plan "Boeldershoek 2009".

Op basis van het actualiserend onderzoek uit 2017 wordt geconcludeerd dat het bouwvlak, als ook de directe omgeving, geen bijzondere betekenis heeft voor strikt beschermde en ontheffingsplichtige soorten. Er zijn geen verblijfplaatsen vastgesteld van vleermuizen of vogelsoorten waarvan de verblijfplaatsen een jaarronde bescherming geniet.

52

bestemmingsplan Boeldershoek 2018 (vastgesteld)

Een aandachtspunt is de mogelijke vestiging van de slechtvalk in de nestkast op het dak van de afvalverwerkingscentrale. In 2017 heeft in de kast een torenvalk gebroed. De kast is echter bedoeld voor de slechtvalk, die ook jaarlijks op en rond het terrein van Twence wordt waargenomen. De slechtvalk behoort tot de groep vogels waarvan het nest jaarrond beschermd is. Bij negatieve effecten van de nestlocatie bijvoorbeeld door verstoring, kan een ontheffing noodzakelijk zijn, voordat de werkzaamheden of ontwikkelingen kunnen plaatsvinden. Vooralsnog zijn er echter geen plannen om aan de huidige situatie iets te wijzigen en is het aanvragen van een ontheffing niet noodzakelijk. Tot slot: het verstoren van nesten en legsels van vogels is overigens nooit niet toegestaan en een ontheffing kan hier niet voor worden verleend. In de praktijk betekent dit dat verstorende werkzaamheden (zoals sloop, kap etc.) buiten het broedseizoen moeten worden uitgevoerd, als de vogels klaar zijn met nestelen en het nest zijn functie heeft verloren. Dit met uitzondering van een kleine groep vogels waarvan het nest een jaarronde bescherming geniet, omdat de vogels van dit nest het gehele jaar gebruik maken. Een ontwikkelingslocatie mag ook buiten het broedseizoen ongeschikt gemaakt worden voor broedende vogels (m.u.v. jaarrond beschermde), waardoor ook in het broedseizoen kan worden gewerkt.

Daarbij moet men wel alert zijn op typische pionier soorten, die juist wordt aangetrokken door kale, onbegroeide bouwterreinen. Conclusie Wet natuurbescherming, bescherming van planten- en diersoorten Op grond van het voorgaande kan worden geconcludeerd dat het nieuwe bestemmingplan naar verwachting niet leidt tot negatieve effecten op aanwezige beschermde soorten in de Wet natuurbescherming. De Wet natuurbescherming vormt, voor zover het betreft de bescherming van planten- en diersoorten, op voorhand geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.

5.3.3

Natuurnetwerk Nederland

Het Natuurnetwerk Nederland (NNN; voorheen EHS) is een samenhangend netwerk van natuurgebieden en landbouwgebieden met veel natuurwaarden. Het NNN heeft als doel het behouden, beschermen en versterken van de rijkdom aan plant- en diersoorten (biodiversiteit) en beoogt een bijdrage te leveren aan het realiseren en in stand houden van een (inter-)nationaal vitaal stelsel van natuurgebieden. De aanwijzing van gebieden als onderdeel van het NNN vindt plaats bij provinciale verordening en dient te worden vertaald in gemeentelijke ruimtelijke plannen zoals structuurvisies en bestemmingsplannen. Het NNN kent geen externe werking, tenzij dit bij provinciale verordening als zodanig is bepaald.

Het NNN en het plangebied “Boeldershoek 2018” Het plangebied van het bestemmingsplan “Boeldershoek 2018” is niet gelegen binnen de grenzen van een gebied dat onderdeel uitmaakt van het NNN. De dichtstbijzijnde gronden die onderdeel uitmaken van het NNN grenzen aan de oostzijde aan het plangebied. Daar liggen ook diverse zones 'ondernemen met natuur en water', zoals opgenomen in de Omgevingsvisie Overijssel. Deze zones maken geen deel uit van het NNN. Ook aan de zuidzijde ligt NNN. Tussen het plangebied en het NNN aan de zuidzijde ligt de A35. In onderstaande afbeelding is de ligging van NNN en 'ondernemen met natuur en water' in de omgeving van het plangebied weergegeven.

bestemmingsplan Boeldershoek 2018 (vastgesteld)

53

Afbeelding 5.2: Natuurnetwerk Nederland (egaal groen) en zones 'Ondernemen met natuur en water' (groen gearceerd) nab ij het plangeb ied

In het oosten van het plangebied is een groene zone gelegen (tevens bestemd als 'groen'). Aan de zuidzijde ligt de A35 tussen het NNN en het plangebied. Dit gegeven, samen met het gegeven dat het plan grotendeels conserverend is, maakt dat er geen relevante effecten zullen optreden ten aanzien van NNN als gevolg van voorliggend bestemmingsplan. Conclusie NNN Het NNN vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.

54

bestemmingsplan Boeldershoek 2018 (vastgesteld)

Hoofdstuk 6 6.1

Juridische planopzet

Algemeen

Type bestemmingsplan De Wro en het Bro maken het mogelijk een bestemmingsplan op verschillende manieren vorm te geven. Grofweg kan gekozen worden uit de volgende planvormen: a.

b.

c. d.

een traditioneel gedetailleerd bestemmingsplan. Een dergelijk plan legt het beoogde gebruik van gronden en opstallen en de bebouwingsmogelijkheden van de in het plan opgenomen gronden gedetailleerd vast. De methodiek wordt wel ingezet om bestaande situaties te conserveren, maar wordt ook gebruikt om beoogde nieuwe ontwikkelingen nauwgezet te sturen; een globaal bestemmingsplan dat nader moet worden uitgewerkt. In een dergelijk bestemmingsplan worden een of meerdere bestemmingen opgenomen, die later moeten worden uitgewerkt. Wordt veelal toegepast in gevallen waar de ontwikkeling van een gebied op hoofdlijnen bekend is, maar waar de concrete invulling nog moet volgen; Een globaal eindplan. In deze planvorm wordt het ruimtelijk en functioneel streefbeeld in globale zin vastgelegd; Een mix van bovenstaande planvormen afhankelijk van de specifieke problemen.

Naast dit onderscheid, dat is gebaseerd op de techniek van bestemmen, wordt verschil gemaakt tussen ontwikkelingsgerichte en beheergerichte bestemmingsplannen. Bij de keuze voor een bepaalde systematiek van bestemmingsregeling speelt een rol wat met het plan wordt beoogd: beheren of ontwikkelen. Daarnaast speelt een rol of er in een gebied sprake is van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. In het bestemmingsplan bestemmingsplan.

"Boeldershoek

2018"

is

gekozen

voor

een

traditioneel

gedetailleerd

Wijze van bestemmen Het uitgangspunt van een bestemmingsplan is om een passende bestemming toe te kennen aan de gronden in het plangebied. De bestemming bepaalt welke gebruiksdoelen of functies op grond van een goede ruimtelijke ordening zijn toegestaan. Bij de keuze voor een bepaalde bestemming is de (gewenste) hoofdfunctie doorslaggevend. Als het ruimtelijk relevant is of als een bepaalde functie de omgeving beïnvloedt of daar eisen aan stelt, wordt gekozen voor een specifieke bestemming met eigen regels bouwen en gebruik. Het is mogelijk om binnen de hoofdgroepen bestemmingen specifieker te maken door bijvoorbeeld ondergeschikte functies in de bestemmingsomschrijving op te nemen. Voor bijzondere ondergeschikte functies, die niet onder de algemene bestemmingsomschrijving vallen en niet conflicteren met de bestemming, wordt gekozen voor een afzonderlijke functieaanduiding. In paragraaf 6.3 van deze plantoelichting wordt nader inhoudelijk ingegaan op de wijze van bestemmen waarvoor in het bestemmingsplan "Boeldershoek 2018" is gekozen.

6.2

Indeling planregels

Het juridisch bindend gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit de regels en de bijbehorende verbeelding waarop de diverse bestemmingen zijn aangegeven. De regels en de verbeelding dienen in samenhang te worden bekeken. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: a. b. c. d.

Hoofdstuk 1 - Inleidende regels; Hoofdstuk 2 - Bestemmingsregels; Hoofdstuk 3 - Algemene regels; Hoofdstuk 4 - Overgangs- en slotregels.

bestemmingsplan Boeldershoek 2018 (vastgesteld)

55

Hoofdstuk 1 Inleidende regels Dit hoofdstuk bevat inleidende regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied van het bestemmingsplan “Boeldershoek 2018”. In Artikel 1 Begrippen zijn definities van de in de regels gebruikte begrippen opgenomen. Hiermee wordt een eenduidige interpretatie van de begrippen vastgelegd. Artikel 2 Wijze van meten geeft bepalingen hoe onder meer de hoogtes van gebouwen en de inhoud van gebouwen gemeten moeten worden en hoe bepaalde eisen betreffende de maatvoering begrepen moeten worden.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=enschede&id=c852eefa-16f1-4c8b-979c-b282a9058937