BIjlage 1_Wijziging omgevingsplan Stadsveld
Tekst van het document
.
Artikel 2.19 Gebouwen buiten het bouwvlak achter de voorgevelrooilijn In aanvulling op Artikel 2.18 zijn gebouwen ook toegestaan buiten het bouwvlak achter de voorgevelrooilijn volgende voorwaarden:
onder de
a. de gezamenlijke oppervlakte van gebouwen buiten het bouwvlak bedraagt maximaal 50 m2 per bouwperceel
;
b. in afwijking van het bepaalde onder a mag de gezamenlijke oppervlakte van gebouwen buiten het bouwvlak maximaal 75 m² per bouwperceel (inclusief eventuele gebouwen buiten het bouwvlak voor de voorgevelrooilijn) bedragen als: 1. het bebouwingspercentage van het bouwperceel niet meer bedraagt dan 50% én er is geen overschrijding van een ter plaatse geldende norm voor het bebouwingspercentage en 2. daarbij wordt voldaan aan de beoordelingsregels in Artikel 1.14; c. de maximale bouwhoogte is 5 meter. De regels in dit artikel zijn van toepassing binnen de werkingsgebieden Bedrijf , Bedrijf bg , Detailhandel , Detailhandel bg , Dienstverlening , Dienstverlening bg , Horeca , Horeca bg , Kantoor , Maatschappelijk , Maatschappelijk bg , Manege , Onderwijs , Religie , Speeltuin , Sport , Tuincentrum , Verenigingsleven , Verkooppunt motorbrandstoffen met lpg , Wonen op de verdieping en Zorginstelling .
Artikel 2.20 Gebouwen buiten het bouwvlak voor de voorgevelrooilijn In aanvulling op het bepaalde onder Artikel 2.18, zijn gebouwen ook toegestaan buiten het bouwvlak voor de voorgevelrooilijn onder de volgende voorwaarden: a. de voorgevelrooilijn
mag met ten hoogste 3 meter worden overschreden;
b. het gebouw dient minimaal 2 meter van het openbaar toegankelijk gebied te worden geplaatst; c. de maximum bouwhoogte bedraagt 3 meter; d. het gezamenlijk oppervlak van gebouwen buiten het bouwvlak (inclusief eventuele gebouwen buiten het bouwvlak achter de voorgevelrooilijn ) is maximaal 75 m² per bouwperceel ; e. het bebouwingspercentage van het bouwperceel bedraagt niet meer dan 50% én overschrijdt niet een eventueel ter plaatse geldende norm voor het bebouwingspercentage ; f. er wordt voldaan aan de beoordelingsregels in Artikel 1.14. De regels in dit artikel zijn van toepassing binnen de werkingsgebieden Bedrijf , Bedrijf bg , Detailhandel , Detailhandel bg , Dienstverlening , Dienstverlening bg , Horeca , Horeca bg , Kantoor , Maatschappelijk , Maatschappelijk bg , Manege , Onderwijs , Religie , Speeltuin , Sport , Tuincentrum , Verenigingsleven , Verkooppunt motorbrandstoffen met lpg , Wonen op de verdieping en Zorginstelling .
Artikel 2.21 Afstand hoofdgebouwen tot zijdelingse perceelsgrens Binnen het werkingsgebied Bouwvlak moet een vrijstaand hoofdgebouw of een blok van twee of meer aaneengesloten hoofdgebouwen op tenminste een afstand van 3 meter liggen van een zijdelingse perceelsgrens die binnen de grenzen van hetzelfde bouwvlak ligt.
Artikel 2.22 Onderkelderen Binnen het Omgevingsplan nieuw deel voorzien, onder de volgende voorwaarden:
mogen gebouwen worden onderkelderd of van een onderbouw
a. de bovenkant van de vloer van de kelder
of onderbouw
ligt maximaal 3 meter onder het straatpeil
worden
;
b. de bovenkant van de vloer van de kelder of onderbouw mag tot maximaal 5 meter onder het straatpeil als daarbij ook wordt voldaan aan de beoordelingsregels in Artikel 1.14; c. onderkelderen is slechts toegestaan tussen de boven het straatpeil gebouw;
liggen
gelegen buitenwerkse gevelvlakken van het
d. de kelder of onderbouw mag maximaal 3 meter horzontaal buiten de boven het straatpeil gelegen buitenwerkse gevelvlakken van het gebouw liggen als daarbij ook wordt voldaan aan de beoordelingsregels in Artikel 1.14; e. het is mogelijk om gebouwen en terreinen te onderkelderen met een geheel of gedeeltelijk ondergrondse parkeervoorziening als: 1. dit ten behoeve van parkeren op eigen terrein
is en
2. dit uit een oogpunt van functionaliteit en/of veiligheid noodzakelijk is en 3. daarbij wordt voldaan aan de beoordelingsregels in Artikel 1.14.
Paragraaf 2.1.6 Algemene bouwregels nutsvoorzieningen Artikel 2.23 Bouwen van kleine nutsvoorzieningen Binnen het werkingsgebied Omgevingsplan nieuw deel gelden, daar waar ingevolge het bepaalde in de planregels nutsvoorzieningen zijn toegestaan, voor het bouwen van nutsvoorzieningen de volgende bepalingen: a. de maximum oppervlakte van een bouwwerk bedraagt 25 m²; b. de maximum goothoogte van een bouwwerk bedraagt 3 meter; c. de maximum bouwhoogte van een bouwwerk bedraagt 5 meter.
Paragraaf 2.1.7 Algemene bouwregels overige bouwwerken, geen gebouw zijnde Artikel 2.24 Paardrijbak Binnen het Omgevingsplan nieuw deel gelden de volgende regels voor het bouwen van een paardrijbak stapmolen, voor zover dat niet specifiek is geregeld op een locatie: a. de bouw van een nieuwe paardrijbak
of stapmolen is niet toegestaan;
b. voor de aanpassing van een bestaande paardrijbak 1. de paardrijbak
en/of
en/of stapmolen gelden de volgende voorwaarden:
en/of stapmolen mogen niet verplaatst worden of qua oppervlakte vergroot worden;
2. de bouwhoogte, inclusief eventuele omheining, bedraagt maximaal 2 meter; 3. het betreft een open constructie; 4. lichtmasten ten behoeve van de paardrijbak en/of stapmolen moeten voldoen aan de bouwregels voor lichtmasten volgens de ter plaatse geldende functie(s) en toegestane activiteiten. c. in afwijking van het bepaalde onder a en b sub 1 is de bouw van een nieuwe paardrijbak en/of stapmolen danwel een aanpassing van een bestaande paardrijbak en.of stapmolen, inclusief eventuele omheining, mogelijk onder de volgende voorwaarden: 1. er wordt voldaan aan de beoordelingsregels in Artikel 1.14; 2. het betreft gronden in of aangrenzend aan het werkingsgebied Agrarisch; 3. het betreft gronden in of aangrenzend aan een bouwperceel met een (bedrijfs)woning danwel een bedrijf dat zich in hoofdzaak met paarden bezig houdt, waarbij de kortste afstand tussen bouwperceel en meest nabijgelegen deel van de paardrijbak maximaal 20 meter bedraagt;
4. per (bedrijfs)woning
als bedoeld onder 3 is maximaal 1 paardrijbak
toegestaan;
5. de afstand tot woningen van derden bedraagt minimaal 20 meter; 6. de oppervlakte van de paardrijbak 1800 m2;
, inclusief eventuele omheining en stapmolen, bedraagt in totaal maximaal
7. de voorwaarden onder b sub 2, 3 en 4 blijven gelden.
Artikel 2.25 Luifel Binnen het werkingsgebied Luifel
gelden de volgende regels voor het bouwen van een luifel
a. ten behoeve van een verkooppunt motorbrandstoffen met lpg is een luifel bouwhoogte van 6 meter; b. ten behoeve van detailhandel
is een luifel
:
toegestaan met een maximale
toegestaan met een maximale bouwhoogte van 3,80 meter.
Artikel 2.26 Overige niet elders genoemde bouwwerken, geen gebouwen zijnde De volgende regels gelden voor het bouwen van overige niet elders genoemde bouwwerken, geen gebouwen zijnde: a. de maximum bouwhoogte van erf- en perceelafscheidingen waarvoor een omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactivitiet bouwwerken nodig is (afscheiding voldoet niet aan Artikel 2.5 onder f) bedraagt 2 meter; b. in afwijking van a mag de bouwhoogte van erf- en perceelafscheidingen maximaal 3 meter zijn als ook wordt voldaan aan de beoordelingsregels in Artikel 1.14; c. de maximum bouwhoogte van vlaggenmasten waarvoor een omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactivitiet bouwwerken nodig is (hoger dan 6 meter en/of meer dan 1 mast aanwezig op een 'gebouwerf' als bedoeld in het Bbl) bedraagt 10 meter; d. voor overkappingen gelden de bouwregels voor gebouwen; e. de maximum bouwhoogte van niet elders genoemde overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt 5 meter. De regels in dit artikel zijn van toepassing binnen de werkingsgebieden Bedrijf , Bedrijf bg , Detailhandel Detailhandel bg , Dienstverlening , Dienstverlening bg , Horeca , Horeca bg , Kantoor , Maatschappelijk , Maatschappelijk bg , Manege , Onderwijs , Religie , Speeltuin Sport , Tuincentrum , Verenigingsleven , Wonen op de verdieping en Zorginstelling .
, ,
Paragraaf 2.1.8 Specifieke beoordelingsregels omgevingsplanactiviteit bouwwerken (algemene afwijkingsmogelijkheden) Artikel 2.27 Toepassingsbereik Bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactiviteit bouwwerken binnen het werkingsgebied Omgevingsplan nieuw deel gelden in aanvulling op de beoordelingsregels in Hoofdstuk 2 t/m 21 van dit omgevingsplan de beoordelingsregels in deze paragraaf.
Artikel 2.28 Bouwwerk wijkt af van maten, afmetingen of percentages Als een bouwwerk niet voldoet aan beoordelingsregels op gebied van bouwkundige maten (geen gebruiksoppervlaktes), afmetingen en percentages, dan is een afwijking van die beoordelingsregels mogelijk met ten hoogste 10% en moet voldaan worden aan de beoordelingsregels in Artikel 1.14.
Artikel 2.29 Bouwwerk wijkt af voor het realiseren van voorzieningen in het kader van duurzaamheid en/of klimaatadaptatie Als een bouwwerk niet voldoet aan beoordelingsregels op gebied van maten, afmetingen, percentages, bouwvlakken of gebruiks-/functiegrenzen, dan is een geringe afwijking van die beoordelingsregels mogelijk als: a. dat noodzakelijk is voor het realiseren van voorzieningen in het kader van duurzaamheid en/of klimaatadaptatie
en
b. daarbij wordt voldaan aan de beoordelingsregels in Artikel 1.14.
Artikel 2.30 Bouwwerk wijkt af van bouwgrens Als een bouwwerk niet voldoet aan beoordelingsregels voor het bouwen binnen een bouwvlak, dan is een afwijking van grenzen van het bouwvlak met maximaal 3 meter mogelijk als: a. dat noodzakelijk is vanwege de definitieve inmeting van het bouwperceel of b. dat noodzakelijk is in verband met de verkaveling of situering en c. als daarbij (zowel in het geval als bedoeld onder a als b) voldaan wordt aan de beoordelingsregels in Artikel 1.14.
Artikel 2.31 Bouwwerk wijkt af voor bergen hemelwater Als een bouwwerk voor het bergen van hemelwater niet voldoet aan beoordelingsregels voor het bouwen, dan is een afwijking van de beoordelingsregels mogelijk voor een (ondergrondse) voorziening voor het bergen van hemelwater als: a. het bouwwerk in openbaar toegankelijk gebied ligt en/of b. het bouwwerk noodzakelijk is om te kunnen voldoen aan het bepaalde in Artikel 5.24 en c. als daarbij (zowel in het geval als bedoeld onder a als b) voldaan wordt aan de beoordelingsregels in Artikel 1.14.
Artikel 2.32 Bouwwerk op aangekocht voormalig openbaar groen Als een bouwwerk niet voldoet aan beoordelingsregels voor het bouwen, dan is een afwijking van de beoordelingsregels mogelijk voor het bouwen op aangekocht voormalig openbaar groen als: a. het aangekochte terrein grenst aan het perceel waarop het hoofdgebouw is gesitueerd en is te beschouwen als onderdeel van het bouwperceel waarop het hoofdgebouw ligt en b. er wordt voldaan aan de bouwregels van functie(s) die gelden voor het perceel van het hoofdgebouw als bedoeld onder a en c. daarbij wordt voldaan aan de beoordelingsregels in Artikel 1.14.
Artikel 2.33 Ondergeschikt bouwdeel boven functie die dat niet toelaat Als een ondergeschikt bouwdeel geheel of gedeeltelijk ligt boven een locatie waar de daar geldende regels van het omgevingsplan dit niet toelaten, dan is het realiseren van luifels, brandtrappen, balkons, galerijen en andere ondergeschikte bouwdelen aan gebouwen mogelijk als daarbij wordt voldaan aan de beoordelingsregels in Artikel 1.14.
Paragraaf 2.1.9 Uiterlijk van bouwwerken Artikel 2.34 Uiterlijk van bestaande en vergunningvrije bouwwerken (repressief welstand) a. Het uiterlijk van de volgende bouwwerken mag niet in ernstige mate in strijd zijn met een voldoende beeldkwaliteit (voorheen 'redelijke eisen van welstand'), beoordeeld volgens de criteria voor het uiterlijk van bouwwerken in de voor de betreffende locatie geldende beleidsregels als bedoeld in artikel 4.19 Omgevingswet: 1. een bestaand bouwwerk, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is; en 2. een te bouwen bouwwerk waarvoor geen omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is vereist. b. Als beleidsregels als bedoeld onder a nog niet beschikbaar zijn op de betreffende locatie, dan wordt het uiterlijk van bouwwerken beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a eerste lid van de Woningwet, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.
Artikel 2.35 Beoordelingsregels uiterlijk van bouwwerken
1.
Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk, zoals bedoeld in Artikel 2.1, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, in overeenstemming is met de criteria voor het uiterlijk van bouwwerken (beeld- en omgevingskwaliteit) in de voor de betreffende locatie geldende beleidsregels als bedoeld in artikel 4.19 Omgevingswet.
2.
Als beleidsregels als bedoeld onder a nog niet beschikbaar zijn op de betreffende locatie, dan wordt het uiterlijk van bouwwerken beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a eerste lid van de Woningwet, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.
3.
Het uiterlijk of de plaatsing van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is, hoeft, in afwijking van het eerste lid, niet te voldoen aan de toetsingscriteria voor het uiterlijk van bouwwerken.
4.
Het bevoegd gezag kan besluiten dat de aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid, niet hoeft te voldoen aan de toetsingscriteria voor het uiterlijk van bouwwerken.
Paragraaf 2.1.10 Verrichten van bouwwerkzaamheden Artikel 2.36 Uitzetten rooilijnen, bebouwingsgrenzen en straatpeil Met het bouwen van een bouwwerk waarvoor een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of een omgevingsplanactiviteit is verleend wordt, onverminderd de aan de vergunning verbonden voorschriften, niet begonnen voordat voor zover nodig: a. de rooilijnen of bebouwingsgrenzen op het bouwterrein zijn uitgezet; en b. het straatpeil
is uitgezet.
Paragraaf 2.1.11 Aansluiting van bouwwerken op nutsvoorzieningen Artikel 22.8 2.37 Aansluiting op distributienet voor elektriciteit 1.
Met het oog op het waarborgen van de veiligheid is een voorziening voor het afnemen en gebruiken van elektriciteit in een bouwwerk aangesloten op het distributienet voor elektriciteit als de aansluitafstand niet groter is dan 100 m of groter is dan 100 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 100 m.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing op het bouwen van een woonfunctie voor particulier eigendom of een drijvend bouwwerk.
Artikel 22.9 2.38 Aansluiting op distributienet voor gas 1.
Met het oog op het waarborgen van de veiligheid is een voorziening voor het afnemen en gebruiken van gas in een bouwwerk aangesloten op het distributienet voor gas als: a. artikel 10, zesde lid, onder a of b, van de Gaswet op de aansluiting van toepassing is; en b. de aansluitafstand niet groter is dan 40 m of groter is dan 40 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 40 m.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing op het bouwen van een woonfunctie voor particulier eigendom of een drijvend bouwwerk.
Artikel 22.10 2.39 Aansluiting op distributienet voor warmte 1.
Met het oog op het waarborgen van de veiligheid en de energiezuinigheid en de bescherming van het milieu is een te bouwen bouwwerk met een of meer verblijfsgebieden aangesloten op het in het warmteplan bedoelde distributienet voor warmte als: a. het in het warmteplan geplande aantal aansluitingen op het distributienet op het moment van de indiening van de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit met betrekking tot een bouwwerk nog niet is bereikt; en b. de aansluitafstand niet groter is dan 40 m of groter is dan 40 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 40 m.
2.
Een gelijkwaardige maatregel voor een aansluiting op het distributienet voor warmte heeft ten minste dezelfde mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu als wordt bereikt met de in het warmteplan voor die aansluiting opgenomen mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu.
3.
Onverminderd het vierde lid, zijn het eerste en tweede lid niet van toepassing op het bouwen van een woonfunctie voor particulier eigendom of een drijvend bouwwerk.
4.
Als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet op grond van artikel 9.2, tiende lid, van het Bouwbesluit 2012 voor een gebied een aansluitplicht op het distributienet voor warmte geldt, blijft die aansluitplicht voor dat gebied van toepassing.
Artikel 2.40 Aansluiting op distributienet voor drinkwater Met het oog op het beschermen van de gezondheid is een voorziening voor het afnemen en gebruiken van drinkwater in een bouwwerk aangesloten op het distributienet voor drinkwater als de aansluitafstand niet groter is dan 40 m of groter is dan 40 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 40 m.
Artikel 22.12 2.41 Aansluiting van afvoer huishoudelijk afvalwater en hemelwater 1.
Met het oog op het beschermen van de gezondheid ligt een ondergrondse doorvoer van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater en hemelwater door een uitwendige scheidingsconstructie van een bouwwerk zoveel mogelijk haaks op de scheidingsconstructie.
2.
De gebouwaansluiting van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater en hemelwater op de op het eigen erf of terrein gelegen riolering of een andere voorziening voor afvoer van afvalwater is zodanig dat bij zetting de dichtheid van de aansluiting en de afvoer gehandhaafd blijft.
3.
Een terreinleiding waardoor huishoudelijk afvalwater wordt geleid: a. heeft geen vernauwing in de stroomrichting; b. heeft een vloeiend beloop; c. is waterdicht; d. heeft een voldoende inwendige middellijn; en e. bevat geen beer- of rottingput.
4.
Bij maatwerkvoorschrift als bedoeld in Artikel 22.4 1.10 kan in ieder geval worden bepaald: a. als voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater een openbaar vuilwaterriool of een ander passend systeem als bedoeld in artikel 2.16, derde lid, van de Omgevingswet aanwezig is waarop kan worden aangesloten: op welke plaats, op welke hoogte en met welke inwendige middellijn de voor aansluiting van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater op dat riool of systeem noodzakelijke perceelaansluitleiding bij de gevel van het bouwwerk of de grens van het erf of terrein wordt aangelegd; b. als voor de afvoer van hemelwater een openbaar hemelwaterstelsel of een openbaar vuilwaterriool aanwezig is waarop kan worden aangesloten, en hemelwater op dat stelsel of riool mag worden gebracht: op welke plaats, op welke hoogte en met welke inwendige middellijn de voor aansluiting van een voorziening voor de afvoer van hemelwater op dat stelsel of riool noodzakelijke perceelaansluitleiding bij de gevel van het bouwwerk of de grens van het erf of terrein wordt aangelegd; en c. of, en zo ja welke voorzieningen in de afvoervoorziening of de op het erf of terrein gelegen riolering moeten worden aangebracht om het functioneren van de afvoervoorzieningen, naburige aansluitingen en de openbare voorzieningen voor de inzameling en het transport van afvalwater te waarborgen.
Paragraaf 2.1.12 Bouwen ten behoeve van mantelzorg Artikel 22.25 2.42 Mantelzorg is functioneel verbonden met hoofdgebouw Voor de toepassing van Subparagraaf 22.2.7.2 en de bouwregels Subparagraaf 22.2.7.3 in dit omgevingsplan wordt huisvesting in verband met mantelzorg aangemerkt als functioneel verbonden met het hoofdgebouw.
Afdeling 2.2 Gebruik algemeen Artikel 2.43 Algemeen toegestaan gebruik Binnen het werkingsgebied Omgevingsplan nieuw deel is het volgende gebruik overal toegestaan, tenzij expliciet anders bepaald in de regels van dit omgevingsplan, rekening houdend met ter plaatse geldende omgevingsvergunningplichten voor bijvoorbeeld bouwwerken, aanleggen en graven: a. Groenvoorzieningen. b. Uit- en inritten. c. Wandel- en fietspaden. d. Extensieve recreatie
.
e. Voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding, zoals sloten, beken, vijvers, poelen, wadi's en andere voorzieningen ten behoeve van het vasthouden, bergen, aan- en afvoeren van water. f. Openbare nutsvoorzieningen
.
g. Bescherming, instandhouding en verbetering van landschaps-, natuur- en cultuurhistorische waarden.
Artikel 2.44 Algemeen gebruiksverbod Binnen het werkingsgebied Omgevingsplan nieuw deel is het verboden de gronden en bouwwerken te gebruiken, te laten gebruiken of in gebruik te geven op een wijze of tot een doel, strijdig met de in het plan toegestane activiteit(en) en functie(s). Tot een strijdig gebruik met activiteit(en) en functie(s) wordt, tenzij anders bepaald in de betreffende regels, in ieder geval gerekend: a. het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van een seksinrichting b. het gebruik van gronden en bouwwerken voor iedere vorm van wonen
;
;
c. indien wonen is toegestaan op basis van de daar geldende regels: het gebruik van vrijstaande bijgebouwen voor iedere vorm van bewoning, anders dan huisvesting in verband met mantelzorg ; d. het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van detailhandel
;
e. het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van horeca; f. het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van zelfstandige kantoren; g. de vestiging van vuurwerkbedrijven en activiteiten met een (ander) externe-veiligheidsrisico voor de omgeving; h. het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van een hyperscale datacentrum
.
Overtreding van dit verbod is een strafbaar feit als bedoeld in artikel 1a onder 2° van de Wet op de economische delicten.
Artikel 2.45 Verbod op verkoop, vervaardiging, verwerking en opslag van vuurwerk Binnen het werkingsgebied Omgevingsplan nieuw deel is het verboden, voor zover dit in de regels van de in het plan voorkomende activiteiten en functies niet reeds expliciet is genoemd, om de in dit plan begrepen gronden en de daarop aanwezige bouwwerken te gebruiken, in gebruik te geven of te laten gebruiken voor de verkoop, opslag, groothandel , verwerking en/of vervaardiging van vuurwerk.
Artikel 2.46 Omgevingsplanactiviteit verkoop met opslag consumentenvuurwerk 1.
In afwijking van het bepaalde onder Artikel 2.45 is detailhandel met opslag van consumentenvuurwerk op gronden met de werkingsgebieden Detailhandel , Detailhandel bg en Tuincentrum voorwaarde van een omgevingsvergunning. Bij een aanvraag om deze vergunning zijn de in Artikel 1.27 bedoelde aanvraagvereisten van toepassing.
wel toegestaan op
2.
Binnen de werkingsgebieden Detailhandel , Detailhandel bg en Tuincentrum omgevingsvergunning als bedoeld in Artikel 2.46, eerste lid de volgende beoordelingsregels: a. voor de opslag van consumentenvuurwerk
gelden voor een
geldt een maximum van 10.000 kg;
b. er wordt voldaan aan de minimale veiligheidsafstanden tot (geprojecteerde) kwetsbare objecten die genoemd zijn in het Vuurwerkbesluit.
Artikel 22.17 2.47 Bouwvalligheid Gebruik bouwwerk, open erf of terrein nabij bouwvallig nabijgelegen bouwwerk Met het oog op het waarborgen van de veiligheid wordt een bouwwerk of een open erf of terrein niet gebruikt als door of namens het bevoegd gezag is medegedeeld dat het gebruik in verband met bouwvalligheid van een in de nabijheid gelegen bouwwerk gevaarlijk is.
Artikel 22.19 2.48 Aanwezigheid brandgevaarlijke stoffen nabij bouwwerken 1.
Op een open erf of terrein nabij een bouwwerk is geen brandgevaarlijke stof als bedoeld in de tabel 22.2.1 in Artikel 2.48, vijfde lid aanwezig.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing als: a. de in tabel Artikel 2.48, vijfde lid 22.2.1 aangegeven toegestane hoeveelheid per stof niet wordt overschreden, waarbij de totale toegestane hoeveelheid stoffen 100 kilogram of liter is; b. de stof deugdelijk is verpakt, waarbij: 1. de verpakking tegen normale behandeling bestand is; 2. de verpakking is voorzien van een adequate gevaarsaanduiding; en 3. geen inhoud onvoorzien uit de verpakking kan ontsnappen; en c. de stof wordt gebruikt met inachtneming van de op de verpakking aangegeven gevaarsaanduidingen.
3.
Het eerste lid is niet van toepassing op: a. brandstof in het reservoir van een verbrandingsmotor; b. brandstof in een verlichtings-, verwarmings- of ander warmteontwikkelend toestel; c. voor consumptie bestemde alcoholhoudende dranken; d. gasflessen tot een totale waterinhoud van 115 liter; e. dieselolie, gasolie of lichte stookolie met een vlampunt tussen de 61 °C en 100 °C tot een totale hoeveelheid van 1.000 liter; en f. brandgevaarlijke stoffen voor zover de aanwezigheid daarvan op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving of een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit is toegestaan.
4.
Bij het berekenen van de toegestane hoeveelheid, bedoeld in het tweede lid Artikel 2.48, tweede lid , onder a, wordt een aangebroken verpakking als een volle meegerekend.
5.
In afwijking van het derde lid Artikel 2.48, derde lid , aanhef en onder e, is de aanwezigheid van meer dan 1.000 liter van een oliesoort als bedoeld in dat onderdeel toegestaan als die oliesoort op zodanige wijze wordt opgeslagen en gebruikt dat het ontstaan van een brandgevaarlijke situatie en de ontwikkeling van brand voldoende worden voorkomen. Tabel 22.2.1 Brandgevaarlijke stoffen Artikel 2.48, vijfde lid ADR-klasse 1
Omschrijving
Verpakkingsgroep
Toegestane maximum
hoeveelheid 2 UN 1950 spuitbussen & UN 2037 houders, klein, gas
Gassen zoals propaan, zuurstof, acetyleen, aerosolen (spuitbussen)
n.v.t.
50 kg
3
Brandbare vloeistoffen zoals bepaalde oplosmiddelen en aceton
II
25 liter
3 excl. dieselolie, gasolie of lichte stookolie met een vlampunt tussen 61°C en 100°C
Brandbare vloeistoffen zoals terpentine en bepaalde inkten
III
50 liter
4.1, 4.2, 4.3
4.1: brandbare vaste stoffen, zelfontledende vaste stoffen en vaste ontplofbare stoffen in niet-explosieve toestand zoals wrijvingslucifers, zwavel en metaalpoeders 4.2: voor zelfontbranding vatbare stoffen zoals fosfor (wit of geel) en diethylzink 4.3: stoffen die in contact met water brandbare gassen ontwikkelen zoals magnesiumpoeder, natrium en calciumcarbide
II en III
50 kg
5.1
Brandbevorderende stoffen zoals waterstofperoxide
II en III
50 liter
5.2
Organische peroxiden zoals dicumyl peroxide en dipropionyl peroxide
n.v.t.
1 liter
Classificatie volgens de Europese overeenkomst van 30 september 1957 betreffende het internationaal vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg (Trb. 1959, 171). 1
Artikel 22.18 2.49 Specifieke zorgplicht gebruik bouwwerk 1.
Degene die een bouwwerk gebruikt en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat dit gebruik tot gevaar voor de gezondheid of veiligheid kan leiden, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om dat gevaar te voorkomen of niet te laten voortduren.
2.
Degene die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zijn handelen of nalaten in, op of aan een bouwwerk overlast of hinder veroorzaakt of kan veroorzaken voor de omgeving, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die overlast of hinder te voorkomen of niet te laten voortduren. Het gaat daarbij in elk geval om overlast of hinder door: a. het op hinderlijke wijze verspreiden van rook, roet, walm, stof, stank, vocht of irriterend materiaal; b. het veroorzaken van overlast door geluid, trilling, dieren of verontreiniging; en c. het nalaten van het normale normaal onderhoud staat bevindt.
3.
onderhoud waardoor het bouwwerk zich niet in een zindelijke
Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik van bouwwerken, bedoeld in afdeling 6.2 van het Besluit bouwwerken leefomgeving.
Artikel 22.20 2.50 Specifieke zorgplicht staat en gebruik open erven en terreinen 1.
De eigenaar of degene die uit anderen hoofde bevoegd is tot het treffen van voorzieningen aan het open erf of terrein en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat de staat van het open erf of terrein tot gevaar voor de gezondheid of de veiligheid kan leiden, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om dat gevaar te voorkomen of niet te laten voortduren.
2.
Degene die een open erf of terrein gebruikt en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat dit gebruik tot gevaar voor de gezondheid of de veiligheid kan leiden, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om dat gevaar te voorkomen of niet te laten voortduren.
3.
Degene die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zijn handelen of nalaten op een open erf of terrein overlast of hinder veroorzaakt of kan veroorzaken voor de omgeving, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die overlast of hinder te voorkomen of niet te laten voortduren. Het gaat daarbij in elk geval om overlast of hinder door: a. het op hinderlijke wijze verspreiden van rook, roet, walm, stof, stank, vocht of irriterend materiaal; b. het veroorzaken van overlast door geluid, trilling, dieren of verontreiniging; en c. het nalaten van het normale normaal onderhoud zindelijke staat bevindt.
onderhoud waardoor het open erf of terrein zich niet in een
Afdeling 2.3 Beroep of bedrijf aan huis Paragraaf 2.3.1 Algemene regels Artikel 2.51 Toepassingsbereik De artikelen in deze afdeling (Beroep of bedrijf aan huis) zijn van toepassing binnen de werkingsgebieden Wonen algemeen , Wonen op de verdieping , Wonen kamerverhuur , Wonen op de bovenste verdieping en Bedrijfswonen .
Artikel 2.52 Algemeen: Beroep of bedrijf aan huis 1.
a. De uitoefening van een beroep of bedrijf aan huis (zoals ambachtelijke bedrijvigheid ) is in samenhang met (bedrijfs)wonen toegestaan als daarbij ook wordt voldaan aan de overige voorwaarden in dit artikel. b. In afwijking van a gelden voor een bed and breakfast
de regels in Artikel 2.54.
2.
Het maximum vloeroppervlak voor de uitoefening van een beroep of bedrijf aan huis 30% van het totale vloeroppervlak van de woning , met inbegrip van de daarbij behorende bergruimten en bijgebouwen en met een maximum van 100 m2.
3.
Buitenopslag van goederen en bedrijfsmatige activiteiten in het openbaar toegankelijk gebied, anders dan laden en lossen, is niet toegestaan.
4.
Horeca
5.
Er is geen sprake van bedrijfsactiviteiten die geheel of grotendeels zijn gebaseerd op het ontvangen van groepen klanten, tenzij wordt voldaan aan deze criteria
en detailhandel
zijn niet toegestaan.
a. tijdens de reguliere kantooruren is het ontvangen van groepen klanten van maximaal 5 personen gelijktijdig toegestaan; b. buiten de reguliere kantooruren is het ontvangen van groepen klanten van maximaal 2 personen gelijktijdig toegestaan.
Paragraaf 2.3.2 Omgevingsplanactiviteit Beroep of bedrijf aan huis Artikel 2.53 Groter vloeroppervlak beroep of bedrijf aan huis 1.
In afwijking van Artikel 2.52, tweede lid is een groter vloeroppervlak voor de uitoefening van een beroep of bedrijf aan huis mogelijk op voorwaarde van een omgevingsvergunning.
2.
Voor een omgevingsvergunning als bedoeld in Artikel 2.53, eerste lid gelden de volgende beoordelingsregels: a. het gaat om maximaal 49% van het totale vloeroppervlak als bedoeld in Artikel 2.52, tweede lid (woning inclusief bijbehorende bergruimten en bijgebouwen) en b. daarbij wordt voldaan aan de beoordelingsregels in Artikel 1.14.
Artikel 2.54 Bed and breakfast 1.
Een bed and breakfast
als beroep of bedrijf aan huis
is mogelijk op voorwaarde van een omgevingsvergunning.
2.
Voor een omgevingsvergunning als bedoeld in Artikel 2.54, eerste lid moet voldaan worden aan: a. de regels in Artikel 2.52, tweede lid (of met vergunning de regel in Artikel 2.53) en Artikel 2.52, derde lid b. de beoordelingsregels in Artikel 1.14.
Artikel 2.55 Aanvraagvereisten omgevingsplanactiviteit Beroep of bedrijf aan huis Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in deze paragraaf zijn de in Artikel 1.27 bedoelde aanvraagvereisten van toepassing.
Afdeling 2.4 Bedrijfswonen Artikel 2.56 Bedrijfswoning Binnen het werkingsgebied Bedrijfswonen
is het wonen
in een bedrijfswoning
toegestaan.
Artikel 2.57 Maximum aantal bedrijfswoningen Op locaties met een maximum aantal bedrijfswoningen mag het aantal bedrijfswoningen maximaal het aangegeven maximum aantal bedrijfswoningen zijn.
Afdeling 2.5 Opslag Paragraaf 2.5.1 Garageboxen Subparagraaf 2.5.1.1 Gebruiksactiviteiten garageboxen Artikel 2.58 Stalling van voertuigen Binnen het werkingsgebied Garageboxen
is stalling van voertuigen toegestaan in garageboxen
.
Artikel 2.59 Opslag Binnen het werkingsgebied Garageboxen is opslag van goederen in garageboxen toegestaan, behalve opslag die kan leiden tot hinder of gevaar voor de fysieke leefomgeving, zoals geuroverlast, risico's door gevaarlijke stoffen en aantrekking van ongedierte door (open/slechte) opslag van etenswaren.
Subparagraaf 2.5.1.2 Algemene bouwregels garageboxen Artikel 2.60 Garageboxen Binnen het werkingsgebied Garageboxen
mogen garageboxen
worden gebouwd en gelden de volgende bepalingen:
a. de maximum oppervlakte van een garagebox bedraagt 20 m²; b. de maximum bouwhoogte van een garagebox bedraagt 4 meter.
Paragraaf 2.5.2 Opslag en stalling Subparagraaf 2.5.2.1 Gebruiksactiviteiten opslag en stalling Artikel 2.61 Opslag en stalling Binnen het werkingsgebied Opslag en stalling mogen de gronden tevens gebruikt worden voor opslag en stalling, zoals opslag van bouwmaterialen, beplanting, hout en grond en stalling van werktuigen en bouwketen ten behoeve van openbare dienstverlening .
Hoofdstuk 3 [Gereserveerd] Specifieke regels per functie
Afdeling 3.1 Agrarisch Paragraaf 3.1.1 Gebruiksactiviteiten agrarisch Artikel 3.1 Grondgebonden agrarische activiteiten Binnen het werkingsgebied Agrarisch mogen de gronden gebruikt worden voor het weiden van vee, inclusief het weiden en berijden van paarden, en het uitvoeren van grondgebonden agrarische activiteiten, zowel bedrijfsmatig als hobbymatig alsmede het behoud, herstel en verbetering van landschappelijke, geomorfologische, cultuurhistorische en natuurwaarden.
Artikel 3.2 Opslag buiten een bouwvlak 1.
a. Zand, stenen en naar aard daarmee gelijk te stellen materialen mogen binnen het werkingsgebied Agrarisch buiten een bouwvlak maximaal zes maanden achter elkaar opgeslagen worden, met een maximum van 6 maanden per kalenderjaar. b. Mest, hooibalen en andere agrarische producten mogen binnen het werkingsgebied Agrarisch buiten een bouwvlak maximaal zes maanden achter elkaar opgeslagen worden, met een maximum van 6 maanden per kalenderjaar.
2.
Binnen het werkingsgebied Agrarische schuur lid geen maximale termijn.
geldt voor de opslag van de materialen bedoeld in Artikel 3.2, eerste
Artikel 3.3 Behorend bij agrarische activiteiten Binnen het werkingsgebied Agrarisch mogen de gronden gebruikt worden voor bij de activiteit behorende bouwwerken, erven, terreinen, voorzieningen en activiteiten, zoals: • parkeervoorzieningen; • toegangswegen; • voorzieningen ten behoeve van warmte-koude-opslag; • nutsvoorzieningen
;
• afrastering.
Paragraaf 3.1.2 Specifieke bouwregels Agrarisch Subparagraaf 3.1.2.1 Gebouwen Artikel 3.4 Agrarische schuur Binnen het werkingsgebied Agrarische schuur geldt, in afwijking van het bepaalde in Paragraaf 2.1.5, dat een agrarische schuur is toegestaan, met een bouwhoogte van maximaal 5 meter.
Subparagraaf 3.1.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Artikel 3.5 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Binnen het werkingsgebied Agrarisch
gelden voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde de volgende regels:
a. de maximum bouwhoogte van vlaggenmasten waarvoor een omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactivitiet bouwwerken nodig is (hoger dan 6 meter en/of meer dan 1 mast aanwezig op een 'gebouwerf' als bedoeld in het Bbl) bedraagt 10 meter, waarbij geldt dat ook voldaan moet worden aan de beoordelingsregels in Artikel 1.14. b. de bouw van boogkassen is niet toegestaan; c. de maximum bouwhoogte van erf- en perceelafscheidingen waarvoor een omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactivitiet bouwwerken nodig is (afscheiding voldoet niet aan Artikel 2.5 onder f) bedraagt 2 meter; d. voor overkappingen gelden de bouwregels voor gebouwen zoals opgenomen in Paragraaf 2.1.5; e. voor niet eerder genoemde overige bouwwerken, geen gebouw zijnde, geldt een maximale bouwhoogte van 3 meter.
Paragraaf 3.1.3 Omgevingsplanactiviteit uitvoeren van een werk, niet zijnde bouwwerk, of werkzaamheid Agrarisch Artikel 3.6 Omgevingsplanactiviteit a. Binnen het werkingsgebied Agrarisch is het verboden zonder een omgevingsvergunning, een werk, niet zijnde een bouwwerk, of werkzaamheid uit te (laten) voeren als bedoeld in: 1. het ontginnen, bodemverlagen, afgraven, ophogen en egaliseren van gronden; 2. het aanbrengen van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur; 3. het aanleggen of verharden van wegen, paden, of parkeergelegenheid en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen en met een oppervlakte van meer dan 50 m2; 4. het verrichten van onderzoeks- en exploitatieboringen ten behoeve van de winning van delfstoffen, water en andere bodemschatten; 5. het graven en/of dempen van sloten en het door afwateren, ontwateren of afdammen wijzigen van de grondwaterstand; 6. het leggen van drainagebuizen; 7. het vellen, rooien, of verwijderen van houtwallen, boomsingels en houtopstanden. b. Het onder a bedoelde verbod is niet van toepassing op werken of werkzaamheden, die het normaal onderhoud en gebruik betreffen of die reeds in uitvoering waren op het tijdstip van het van kracht worden van het in werking zijnde omgevingsplan.
Artikel 3.7 Beoordelingsregels Binnen het werkingsgebied Agrarisch wordt een vergunning voor de activiteit als bedoeld in Artikel 3.6 alleen verleend als door de uitvoering van de aldaar genoemde werken of werkzaamheden, danwel door de daarvan direct of indirect te verwachten gevolgen, geen onevenredige aantasting plaatsvindt van: a. landschapselementen; b. natuurlijke waarden; c. archeologische waarden; d. cultuurhistorische waarden.
Afdeling 3.2 Bedrijf Paragraaf 3.2.1 Gebruiksactiviteiten bedrijf Artikel 3.8 Bedrijfsactiviteit a. Binnen de werkingsgebieden Bedrijf de categorie die van toepassing is. b. Binnen het werkingsgebied Bedrijf bg
, Bedrijf gebruik
en Bedrijf bg
zijn bedrijven toegestaan van
is het bepaalde onder a alleen toegestaan op de begane grond.
Artikel 3.9 Bedrijfsactiviteit categorie 1 en 2 Binnen de werkingsgebieden Bedrijf , Bedrijf gebruik en Bedrijf bg zijn bedrijven toegestaan, die zijn genoemd in de categorieën 1 en 2 uit de hoofdgroep Bedrijven van de bij deze regels behorende Bijlage III Lijst van Bedrijfstypen, met uitzondering van een risicovolle milieubelastende activiteit, garagebedrijf , geluidzoneringsplichtige inrichting (zoals bedoeld onder de voormalige Wet geluidhinder) en een vuurwerkbedrijf .
Artikel 3.10 Meubelservice
Binnen het werkingsgebied Meubelservice is aanvullend op het overige toegestane gebruik op deze locatie een meubelservice toegestaan waarbij meubels worden bewerkt door middel van zandstralen.
Artikel 3.11 Tentenproductie Binnen het werkingsgebied Tentenproductie is aanvullend op het overige toegestane gebruik op deze locatie een bedrijf toegestaan dat (voor)tenten, luifels (voor kamperen) en vergelijkbare kampeermiddelen voor recreatief gebruik maakt.
Artikel 3.12 Behorende bij bedrijfsactiviteiten Binnen de werkingsgebieden Bedrijf , Bedrijf gebruik en Bedrijf bg mogen de gronden gebruikt worden voor bij de activiteit behorende bouwwerken, erven, terreinen, voorzieningen en activiteiten, zoals: • parkeervoorzieningen en laden en lossen; • voorzieningen ten behoeve van warmte-koude-opslag; • niet zelfstandige kantooractiviteiten • nutsvoorzieningen
als integraal onderdeel van de bedrijfsactiviteiten en/of voorkomende functie.
;
• toegangswegen.
Artikel 3.13 Omgevingsplanactiviteit gebruik Bedrijf 1.
In afwijking van Artikel 3.9 is binnen de werkingsgebieden Bedrijf ander bedrijf mogelijk op voorwaarde van een omgevingsvergunning.
, Bedrijf gebruik
en Bedrijf bg
een
2.
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in lid 1 zijn de in Artikel 1.27 bedoelde aanvraagvereisten van toepassing.
3.
Binnen de werkingsgebieden Bedrijf , Bedrijf gebruik en Bedrijf bg omgevingsvergunning als bedoeld in lid 1 de volgende beoordelingsregels:
gelden voor een
a. het bedrijf is niet genoemd in de hoofdgroep Bedrijven van Bijlage III Lijst van Bedrijfstypen of is genoemd in maximaal één categorie hoger van die hoofdgroep en b. het bedrijf kan, gelet op de milieubelasting, naar aard en invloed op de omgeving gelijkgesteld worden met de volgens Artikel 3.9 op die locatie toegestane bedrijven en c. daarbij wordt voldaan aan de beoordelingsregels in Artikel 1.14.
Afdeling 3.3 Detailhandel Paragraaf 3.3.1 Gebruiksactiviteiten detailhandel Artikel 3.14 Detailhandel Binnen het werkingsgebied Detailhandel detailhandel volumineus .
mogen de gronden gebruikt worden voor detailhandel
, niet zijnde
Artikel 3.15 Detailhandel bg Binnen het werkingsgebied Detailhandel bg en Detailhandel bg gebruik mogen de gronden gebruikt worden voor detailhandel , met dien verstande dat het verkoop vloeroppervlak uitsluitend is toegestaan op de begane grond en een eventueel aanwezige winkelverdieping in een onderbouw .
Artikel 3.16 Maximum verkoopvloeroppervlakte Op locaties met een maximum verkoopvloeroppervlakte mag de verkoopvloeroppervlakte aangegeven maximum verkoopvloeroppervlakte zijn, in vierkante meters.
Artikel 3.17 Behorende bij detailhandelsactiviteiten
per winkelunit
maximaal de
Binnen de werkingsgebieden Detailhandel , Detailhandel bg en Detailhandel bg gebruik mogen de gronden gebruikt worden voor bij de activiteit behorende bouwwerken, erven, terreinen, voorzieningen en activiteiten, zoals: • parkeervoorzieningen en laden en lossen; • voorzieningen ten behoeve van warmte-koude-opslag;groenvoorzieningen; • nutsvoorzieningen
;
• toegangswegen.
Afdeling 3.4 Dienstverlening Paragraaf 3.4.1 Gebruiksactiviteiten dienstverlening Artikel 3.18 Dienstverlening Binnen de werkingsgebieden Dienstverlening en Dienstverlening gebruik voor dienstverlening , met uitzondering van internetcafe's en belwinkels.
mogen de gronden gebruikt worden
Artikel 3.19 Dienstverlening bg Binnen het werkingsgebied Dienstverlening bg mogen de gronden op de begane grond en een eventueel aanwezige kelderverdieping gebruikt worden voor dienstverlening , met uitzondering van internetcafe's en belwinkels.
Artikel 3.20 Dienstverlening huidverzorging Binnen het werkingsgebied Dienstverlening - huidverzorging mogen de gronden gebruikt worden voor dienstverlenende activiteiten met betrekking tot huidverzorging met maximaal 5 behandelkamers.
Artikel 3.21 Behorende bij dienstverlening Binnen de werkingsgebieden Dienstverlening , Dienstverlening gebruik en Dienstverlening bg mogen de gronden gebruikt worden voor bij de activiteit behorende bouwwerken, erven, terreinen, voorzieningen en activiteiten, zoals: • parkeervoorzieningen en laden en lossen; • voorzieningen ten behoeve van warmte-koude-opslag; • nutsvoorzieningen
;
• toegangswegen.
Afdeling 3.5 Horeca Paragraaf 3.5.1 Gebruiksactiviteiten horeca Artikel 3.22 Horeca Binnen de werkingsgebieden Horeca en Horeca gebruik Daarbij moet ook voldaan worden aan Artikel 3.24.
mogen de gronden gebruikt worden voor horeca
.
Artikel 3.23 Horeca bg Binnen het werkingsgebied Horeca bg mogen de gronden gebruikt worden voor horeca , met dien verstande dat deze functie uitsluitend is toegestaan op de begane grond. Daarbij moet ook voldaan worden aan Artikel 3.24.
Artikel 3.24 Horeca categorie 1 Binnen het werkingsgebied Horeca categorie 1 mogen de gronden gebruikt worden voor horecabedrijven die zijn genoemd in categorie 1 uit de hoofdgroep "Horeca" van de bij deze regels behorende Bijlage III Lijst van Bedrijfstypen, met uitzondering van hotels en/of congrescentra.
Artikel 3.25 Behorende bij horeca
Binnen de werkingsgebieden Horeca , Horeca gebruik en Horeca bg mogen de gronden gebruikt worden voor bij de toegestane activiteit behorende bouwwerken, erven, terreinen, voorzieningen en activiteiten, zoals: • parkeervoorzieningen en laden en lossen; • bergingen en trappenhuizen; • voorzieningen ten behoeve van warmte-koude-opslag; • nutsvoorzieningen
;
• toegangswegen.
Artikel 3.26 Omgevingsplanactiviteit gebruik Horeca 1.
In afwijking van Artikel 3.24 is binnen het werkingsgebied Horeca categorie 1 voorwaarde van een omgevingsvergunning.
2.
Binnen het werkingsgebied Horeca categorie 1 volgende beoordelingsregels:
een ander horecabedrijf mogelijk op
gelden voor een omgevingsvergunning als bedoeld in lid 1 de
a. het horecabedrijf is niet genoemd in de hoofdgroep Horeca van Bijlage III Lijst van Bedrijfstypen of is genoemd in maximaal één categorie hoger van die hoofdgroep en b. het horecabedrijf kan, gelet op de milieubelasting, naar aard en invloed op de omgeving gelijkgesteld worden met de volgens Artikel 3.24 op die locatie toegestane horecabedrijven en c. daarbij wordt voldaan aan de beoordelingsregels in Artikel 1.14. 3.
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in dit artikel zijn de in Artikel 1.27 bedoelde aanvraagvereisten van toepassing binnen het werkingsgebied Horeca categorie 1 .
Afdeling 3.6 Kantoor Paragraaf 3.6.1 Gebruiksactiviteiten kantoor Artikel 3.27 Kantooractiviteiten Binnen de werkingsgebieden Kantoor
en Kantoor gebruik
is zelfstandige kantoor
toegestaan.
Artikel 3.28 Behorende bij kantooractiviteiten Binnen de werkingsgebieden Kantoor en Kantoor gebruik mogen de gronden gebruikt worden voor bij de activiteit behorende bouwwerken, erven, terreinen, voorzieningen en activiteiten, zoals: • parkeervoorzieningen en laden en lossen; • voorzieningen ten behoeve van warmte-koude-opslag; • nutsvoorzieningen
;
• toegangswegen.
Afdeling 3.7 Maatschappelijk Paragraaf 3.7.1 Gebruiksactiviteiten maatschappelijk Artikel 3.29 Maatschappelijk Binnen de werkingsgebieden Maatschappelijk voor maatschappelijke basisfuncties .
Artikel 3.30 Maatschappelijk bg
en Maatschappelijk gebruik
mogen de gronden gebruikt worden
Binnen het werkingsgebied Maatschappelijk bg mogen de gronden op de begane grond en een eventueel aanwezige kelderverdieping gebruikt worden voor maatschappelijke basisfuncties .
Artikel 3.31 Openbare dienstverlening Binnen het werkingsgebied Openbare dienstverlening mogen de gronden tevens gebruikt worden voor openbare dienstverlening en een kantoor ten behoeve van de hulpdiensten.
Artikel 3.32 Praktijkruimte Binnen het werkingsgebied Praktijkruimte gebruik
is een praktijkruimte
toegestaan.
Artikel 3.33 Behorende bij maatschappelijke activiteiten Binnen de werkingsgebieden Maatschappelijk , Maatschappelijk gebruik , Openbare dienstverlening , Praktijkruimte gebruik en Maatschappelijk bg mogen de gronden gebruikt worden voor bij de toegestane activiteit behorende bouwwerken, erven, terreinen, voorzieningen en activiteiten, zoals: • parkeervoorzieningen en laden en lossen; • voorzieningen ten behoeve van warmte-koude-opslag; • nutsvoorzieningen
;
• toegangswegen.
Artikel 3.34 Omgevingsplanactiviteit gebruik maatschappelijke basisfuncties 1.
Dit artikel is van toepassing binnen de werkingsgebieden Maatschappelijk Maatschappelijk gebruik .
, Maatschappelijk bg
en
2.
Op voorwaarde van een omgevingsvergunning zijn andere maatschappelijke functies mogelijk dan bedoeld in Artikel 3.29 en Artikel 3.30.
3.
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in het tweede lid zijn de in Artikel 1.27 bedoelde aanvraagvereisten van toepassing.
4.
Voor de omgevingsvergunning als bedoeld in lid 1 gelden de volgende beoordelingsregels: a. de maatschappelijke functie moet naar aard en invloed op de omgeving, gelet op de milieubelasting en het woonen leefklimaat, gelijk kunnen worden gelijkgesteld met maatschappelijke basisfuncties en b. daarbij moet voldaan worden aan de beoordelingsregel in Artikel 1.14.
Afdeling 3.8 Manege Paragraaf 3.8.1 Gebruiksactiviteiten manege Artikel 3.35 Manege Binnen het werkingsgebied Manege mogen de gronden gebruikt worden voor het bedrijfsmatig exploiteren van een manege met daaraan ondergeschikt het opvangen en stallen van paarden en/of pony's in de vorm van een paardenpension.
Artikel 3.36 Fok- en rijpaardenhouderij Binnen het werkingsgebied Fok- en rijpaardenhouderij rijpaardenhouderij.
mogen de gronden tevens gebruikt worden voor een fok- en
Artikel 3.37 Kantine Binnen het werkingsgebied Manege is, aanvullend op het bepaalde onder Artikel 3.35, niet zelfstandige horeca toegestaan in de vorm van één kantine per bouwvlak, onder de voorwaarde dat de oppervlakte - inclusief bijbehorende voorzieningen, zoals een keuken, vergaderruimte en een theorielokaal - ten hoogste 100 m2 is.
Artikel 3.38 Behorend bij Manege
Binnen het werkingsgebied Manege mogen de gronden gebruikt worden voor bij de activiteit behorende bouwwerken, erven, terreinen, voorzieningen en activiteiten, zoals: • parkeervoorzieningen en laden en lossen; • kleedruimtes; • paardrijbakken; • voorzieningen ten behoeve van warmte-koude-opslag; • nutsvoorzieningen
;
• toegangswegen.
Artikel 3.39 Opslag buiten bouwvlak Binnen het werkingsgebied Manege
geldt het volgende voor opslag buiten een bouwvlak:
a. Zand, stenen en naar aard daarmee gelijk te stellen materialen mogen maximaal zes maanden achter elkaar opgeslagen worden als deze niet onder een dak liggen, met een maximum van 6 maanden per kalenderjaar. b. Mest, hooibalen en/of andere agrarische producten mogen maximaal zes maanden achter elkaar opgeslagen worden als deze niet onder een dak liggen, met een maximum van 6 maanden per kalenderjaar.
Paragraaf 3.8.2 Omgevingsplanactiviteiten gebruik Manege Artikel 3.40 Stalling van campers en caravans 1.
Binnen het werkingsgebied Manege is in afwijking van Artikel 3.35 stalling van campers en caravans mogelijk op voorwaarde van een omgevingsvergunning.
2.
Binnen het werkingsgebied Manege beoordelingsregels:
gelden voor een omgevingsvergunning als bedoeld in lid 1 de volgende
a. de stalling vindt alleen inpandig plaats en b. daarbij wordt voldaan aan de beoordelingsregels in Artikel 1.14.
Artikel 3.41 Kantine 1.
Binnen het werkingsgebied Manege een omgevingsvergunning.
is in afwijking van Artikel 3.37 een grotere kantine mogelijk op voorwaarde van
2.
Binnen het werkingsgebied Manege beoordelingsregels:
gelden voor een omgevingsvergunning als bedoeld in lid 1 de volgende
a. de kantine heeft een oppervlakte van maximaal 200 m2 en b. daarbij wordt voldaan aan de beoordelingsregels in Artikel 1.14.
Artikel 3.42 Aanvraagvereisten omgevingsplanactiviteit manege Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in deze paragraaf zijn de in Artikel 1.27 bedoelde aanvraagvereisten van toepassing binnen het werkingsgebied Manege .
Paragraaf 3.8.3 Specifieke bouwregels Manege Artikel 3.43 Bedrijfswoning Binnen het werkingsgebied Manege gelden voor het bouwen van een bedrijfswoning als bedoeld in Artikel 2.56 de volgende bouwregels, in afwijking van de andere ter plaatse geldende bouwregels voor gebouwen:
a. de inhoud van een bedrijfswoning ten hoogste 900 m³ mag bedragen, met dien verstande dat de in de bedrijfswoning aanwezige ruimten die ten dienste staan van het bedrijf onverkort meetellen; b. de goothoogte maximaal 6 meter en de bouwhoogte maximaal 10 meter mag bedragen; c. voor bestaande bedrijfswoningen, die onderdeel uitmaken van een (groter) hoofdgebouw, geldt dat zij mogen worden gehandhaafd, vernieuwd en vergroot, met dien verstande dat voor die bedrijfswoningen een afwijkende maximale inhoudsmaat van toepassing is van 750 m³; d. voor bijgebouwen en overkappingen die horen bij de bedrijfswoning
geldt dat deze:
1. uitsluitend binnen het bouwvlak mogen worden gerealiseerd; 2. een gezamenlijke oppervlakte van maximaal 100 m² mogen hebben; 3. een maximale goothoogte van 3 meter en een maximale bouwhoogte van 5 meter mogen hebben.
Artikel 3.44 Overige bouwwerken, geen gebouw zijnde Binnen het werkingsgebied Manege
gelden in afwijking van Artikel 2.26 onder e de volgende bouwregels:
a. De maximum bouwhoogte van lichtmasten is 10 meter. b. De maximum bouwhoogte van andere overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde is 8 meter.
Afdeling 3.9 Onderwijs Paragraaf 3.9.1 Gebruiksactiviteiten onderwijs Artikel 3.45 Onderwijs Binnen het werkingsgebied Onderwijs .
mogen de gronden gebruikt worden voor onderwijsactiviteiten en kinderopvang
Artikel 3.46 Behorende bij onderwijs Binnen het werkingsgebied Onderwijs mogen de gronden gebruikt worden voor bij de activiteit behorende bouwwerken, erven, terreinen, voorzieningen en activiteiten, zoals: • parkeervoorzieningen en laden en lossen; • niet zelfstandige horeca
in de vorm van een kantine;
• voorzieningen ten behoeve van warmte-koude-opslag; • speelvoorzieningen; • nutsvoorzieningen
;
• toegangswegen.
Afdeling 3.10 Openbaar gebied Paragraaf 3.10.1 Gebruiksactiviteiten openbaar gebied Artikel 3.47 Openbaar gebied algemeen Binnen het werkingsgebied Openbaar gebied
mogen de gronden gebruikt worden voor:
a. groenvoorzieningen, zoals groenstroken en plantsoenen; b. bouwwerken, geen gebouwen zijnde, andere werken en voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding, zoals:
1. sloten, beken, vijvers, poelen en wadi's en andere voorzieningen ten behoeve van het vasthouden, bergen, aanen afvoeren van water; 2. bruggen, dammen en/of duikers, oeverbeschoeiingen, aanlegsteigers. c. speelvoorzieningen; d. nutsvoorzieningen
;
e. infrastructurele kunstwerken; f. geluidswerende voorzieningen; g. vlaggenmasten; h. beeldende kunst; i. warmte-koude-opslag.
Artikel 3.48 Verkeer Binnen het werkingsgebied Verkeer
mogen aanvullend op het bepaalde in Artikel 3.47 de gronden gebruikt worden voor:
a. busbanen en -sluizen; b. laad- en losactiviteiten; c. parkeren en parkeervoorzieningen; d. wegen, woonerven en pleinen.
Artikel 3.49 Behorend bij openbaar gebied Binnen de werkingsgebieden Openbaar gebied en Verkeer mogen de gronden gebruikt worden voor bij de toegestane activiteit behorende bouwwerken, andere werken en voorzieningen, zoals straatmeubilair, uit- en inritten en wandelen fietspaden.
Paragraaf 3.10.2 Specifieke bouwregels Openbaar gebied Artikel 3.50 Gebouwen Binnen het werkingsgebied Verkeer
gelden de volgende regels voor het bouwen van gebouwen;
a. De maximum bouwhoogte van een gebouw bedraagt 4 meter; b. De maximum inhoud van een gebouw bedraagt 50 m³.
Artikel 3.51 Overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde Binnen het werkingsgebied Openbaar gebied
gelden de volgende bouwregels:
a. De maximum bouwhoogte van infrastructurele kunstwerken bedraagt 10 meter; b. De maximum bouwhoogte van vlaggenmasten waarvoor een omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactivitiet bouwwerken nodig is (hoger dan 6 meter en/of meer dan 1 mast aanwezig op een 'gebouwerf' als bedoeld in het Bbl) bedraagt 10 meter; c. De maximum bouwhoogte van bouwwerken ten behoeve van beeldende kunst bedraagt 15 meter; d. De bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag maximaal 5 meter bedragen.
Afdeling 3.11 Religie
Paragraaf 3.11.1 Gebruiksactiviteiten religie Artikel 3.52 Religie Binnen het werkingsgebied Religie mogen de gronden gebruikt worden voor een maatschappelijke voorziening ten behoeve van het houden van religieuze diensten, uitvaart- en rouwdiensten, het voltrekken van huwelijken en het houden van activiteiten op maatschappelijk, cultureel en sociaal gebied, als onderdeel van de maatschappelijke-religieuze voorziening.
Artikel 3.53 Behorende bij religie Binnen het werkingsgebied Religie mogen de gronden gebruikt worden voor bij de activiteit behorende bouwwerken, erven, terreinen, voorzieningen en activiteiten, zoals: • parkeervoorzieningen en laden en lossen; • voorzieningen ten behoeve van warmte-koude-opslag; • nutsvoorzieningen
;
• toegangswegen.
Afdeling 3.12 Speeltuin Paragraaf 3.12.1 Gebruiksactiviteiten speeltuin Artikel 3.54 Speeltuin Binnen het werkingsgebied Speeltuin vorm van speeltuinen en parken.
mogen de gronden gebruikt worden voor cultuur en onspanningsctiviteiten in de
Artikel 3.55 Behorende bij speeltuin Binnen het werkingsgebied Speeltuin mogen de gronden gebruikt worden voor bij de activiteit behorende bouwwerken, erven, terreinen, voorzieningen en activiteiten, zoals: • parkeervoorzieningen en laden en lossen; • ondergeschikte, niet zelfstandige horeca
;
• voorzieningen ten behoeve van warmte-koude-opslag; • nutsvoorzieningen
;
• toegangswegen.
Afdeling 3.13 Sport Paragraaf 3.13.1 Gebruiksactiviteiten Sport Artikel 3.56 Sport Binnen het werkingsgebied Sport mogen de gronden gebruikt worden voor sportactiviteiten, die zijn genoemd in de categorieën 1 en 2 uit de hoofdgroep Sport van de bij deze regels behorende Bijlage III Lijst van Bedrijfstypen.
Artikel 3.57 Veldsportcomplex met verlichting Binnen het werkingsgebied Veldsportcomplex met verlichting mogen in aanvulling op het bepaalde in Artikel 3.56 de gronden gebruikt worden voor een veldsportcomplex met verlichting.
Artikel 3.58 Sporthal Binnen het werkingsgebied Sporthal voor een sporthal.
Artikel 3.59 Behorend bij sport
mogen in aanvulling op het bepaalde in Artikel 3.56 de gronden gebruikt worden
Binnen het werkingsgebied Sport mogen de gronden gebruikt worden voor bij de activiteit behorende bouwwerken, erven, terreinen, voorzieningen en activiteiten, zoals: • parkeervoorzieningen en laden en lossen; • kantine en kleedruimtes; • niet zelfstandige horeca
in de vorm van een kantine;
• niet zelfstandige detailhandel hoofdfunctie sport;
die naar aard, omvang en openingstijden ondergeschikt en ondersteunend is aan de
• voorzieningen ten behoeve van warmte-koude-opslag; • nutsvoorzieningen
;
• toegangswegen.
Artikel 3.60 Omgevingsplanactiviteit gebruik Sport 1.
Binnen het werkingsgebied Sport is in afwijking van Artikel 3.56 een andere sportactiviteit of -voorziening mogelijk op voorwaarde van een omgevingsvergunning.
2.
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid zijn de in Artikel 1.27 bedoelde aanvraagvereisten van toepassing binnen het werkingsgebied Sport .
3.
Binnen het werkingsgebied Sport beoordelingsregels:
gelden voor een omgevingsvergunning als bedoeld in lid 1 de volgende
a. de sportactiviteit of -voorziening is niet genoemd in de hoofdgroep Sport van Bijlage III Lijst van Bedrijfstypen of is genoemd in maximaal één categorie hoger van die hoofdgroep en b. de sportactiviteit of -voorziening kan, gelet op de milieubelasting, naar aard en invloed op de omgeving gelijkgesteld worden met de volgens Artikel 3.56 op die locatie toegestane sportactiviteiten en -voorzieningen en c. daarbij wordt voldaan aan de beoordelingsregels in Artikel 1.14.
Paragraaf 3.13.2 Specifieke bouwregels veldsportcomplex met verlichting Artikel 3.61 Veldsportcomplex met verlichting Binnen het werkingsgebied Veldsportcomplex met verlichting bouwregels:
gelden in afwijking van Artikel 2.26 onder e de volgende
a. De maximum bouwhoogte van lichtmasten is 18 meter. b. De maximum bouwhoogte van andere overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde is 8 meter.
Afdeling 3.14 Tuincentrum Paragraaf 3.14.1 Gebruiksactiviteiten tuincentrum Artikel 3.62 Tuincentrum Binnen het werkingsgebied Tuincentrum van een tuincentrum .
mogen de gronden gebruikt worden voor detailhandelsactiviteiten in de vorm
Artikel 3.63 Maximale verkoopvloeroppervlakte in het nevenassortiment Binnen het werkingsgebied Tuincentrum mag maximaal 20% van de verkoopvloeroppervlakte gebruikt worden voor detailhandel in het nevenassortiment met inbegrip is van de gangpaden en exclusief huis- en hobbydieren.
Artikel 3.64 Maximale verkoopvloeroppervlakte voor huis- en hobbydierenassortiment
Binnen het werkingsgebied Tuincentrum mag maximaal 2% van de verkoopvloeroppervlakte detailhandel in huis- en hobbydieren, met inbegrip van de gangpaden.
gebruikt worden voor
Artikel 3.65 Bijbehorend bij tuincentrum Binnen het werkingsgebied Tuincentrum mogen de gronden gebruikt worden voor bij de activiteit behorende bouwwerken, erven, terreinen, voorzieningen en activiteiten, zoals: • parkeervoorzieningen en laden en lossen; • niet zelfstandige horeca
met een maximum oppervlakte van 3% van de verkoopvloeroppervlakte
:
• voorzieningen ten behoeve van warmte-koude-opslag; • nutsvoorzieningen
;
• toegangswegen.
Afdeling 3.15 Verenigingsleven Paragraaf 3.15.1 Gebruiksactiviteiten verenigingsleven Artikel 3.66 Verenigingsleven Binnen het werkingsgebied Verenigingsleven voorziening voor het verenigingsleven .