CConstaterende datenschede
Koppel je AI →
Document · PDF

BIjlage 1_Wijziging omgevingsplan Stadsveld

Raadsvergadering 9 maart 2026, gemeente enschedeBij agendapunt: Vaststellen wijziging omgevingsplan 'Stadsveld'45.419 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 6

Omgevingsplan gemeente Enschede: wijziging ‘Stadsveld’ In dit document zijn de wijzigingen ten opzichte van de geldende versie van het omgevingsplan van Enschede weergegeven. De wijzigingen zijn zichtbaar in groen (nieuw) en rood (verwijderd) gemarkeerde tekst. De niet-gemarkeerde tekst is ongewijzigd. Artikelen die niet zijn aangepast zijn niet weergegeven in dit document. De locaties die bij de regels van deze omgevingsplanwijziging horen (‘werkingsgebieden’) zijn opgesomd in Bijlage II van dit document: ‘Overzicht Informatieobjecten’. De locaties zijn, in samenhang met de regels, te bekijken via deze viewer: https://enschede.viewer.ow.planoview.nl/omgevingsplan-wijziging-stadsveld. Klik in de viewer op het knopje ‘Renvooi tonen’ (linksboven) om de wijzigingen (wederom groen en rood) te tonen. Zie verder de helpfunctie (het vraagteken, rechtsboven in het scherm) voor het gebruiken van de viewer. Sommige bestaande regels gelden voor de hele gemeente en zijn van hoofdstuk 22 verplaatst naar een logische plek in hoofdstuk 1 t/m 5. Verder zijn het nagenoeg alleen locaties in de wijk Stadsveld, omdat het nieuwe deel van het omgevingsplan hier de geldende bestemmingsplannen vervangt.

Regels: Omgevingsplan gemeente Enschede (wijziging Stadsveld) Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen Afdeling 1.1 Begrippen Artikel 1.1 Begripsbepalingen 1.

Begripsbepalingen die, op de dag van de inwerkingtreding van de Omgevingswet, zijn opgenomen in de bijlage bij de Omgevingswet en in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van toepassing op Hoofdstuk 22 van dit omgevingsplan. De begripsbepalingen in de bijlage bij de Omgevingswet , bijlage I van het Besluit activiteiten leefomgeving , bijlage I van het Besluit bouwwerken leefomgeving , bijlage I van het Besluit kwaliteit leefomgeving , bijlage I van het Omgevingsbesluit en bijlage I van de Omgevingsregeling zijn ook van toepassing op dit omgevingsplan, tenzij daarvan is afgeweken in Bijlage I Begripsbepalingen bij dit omgevingsplan..

2.

Bijlage I Begripsbepalingen bij dit omgevingsplan bevat begripsbepalingen voor de toepassing van Hoofdstuk 22 hoofdstuk 1 t/m 22 van dit omgevingsplan.

Afdeling 1.2 Toepassingsbereik Artikel 1.2 Ambtsgebied Als in een regel of set van regels in dit omgevingsplan geen werkingsgebied is benoemd, dan betreft het een algemene regel voor het gehele grondgebied van de gemeente Enschede; het ambtsgebied.

Artikel 1.3 Activiteiten in de fysieke leefomgeving Dit omgevingsplan gaat over activiteiten in de fysieke leefomgeving.

Artikel 1.4 Bestemmingsplannen in tijdelijk deel omgevingsplan niet van toepassing Binnen het Omgevingsplan nieuw deel gelden de plannen en besluiten als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m, van de Invoeringswet Omgevingswet niet.

Afdeling 1.3 Meet- en rekenbepalingen Artikel 1.5 Maatwerkvoorschriften Er kunnen geen maatwerkvoorschriften worden gesteld over deze Afdeling 1.3.

Artikel 1.6 Voorrangsregeling De meet- en rekenbepalingen uit Artikel 1.7 hebben voorrang op de meet- en rekenbepalingen uit het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet.

Artikel 22.24 1.7 Meetbepalingen Meet- en rekenbepalingen 1.

Voor de toepassing van Subparagraaf 22.2.7.2 en Subparagraaf 22.2.7.3 worden de waarden die daarin in m of m2 zijn uitgedrukt op de volgende wijze gemeten:

a. afstanden loodrecht; b. hoogten vanaf het aansluitend afgewerkt terrein, waarbij plaatselijke, niet bij het verdere verloop van het terrein passende, ophogingen of verdiepingen aan de voet van het bouwwerk, anders dan noodzakelijk voor de bouw daarvan, buiten beschouwing blijven; en c. maten buitenwerks, waarbij uitstekende delen van ondergeschikte aard tot ten hoogste 0,5 m buiten beschouwing blijven. 2.

Voor de toepassing van het eerste lid, aanhef en onder b, wordt een bouwwerk, voor zover dit zich bevindt op een erf- of perceelgrens, gemeten aan de kant waar het aansluitend afgewerkt terrein het hoogst is.

1.

Tenzij anders aangegeven, worden voor de toepassing van de regels in dit omgevingsplan de waarden die daarin in m (meter) of m2 (vierkante meter) zijn uitgedrukt op de volgende wijze gemeten: a. Afstanden: loodrecht. b. Maten: buitenwerks. c. Hoogten: vanaf het aansluitend afgewerkt terrein. Daarbij geldt: 1. Plaatselijke, niet bij het verdere verloop van het terrein passende, ophogingen of verdiepingen aan de voet van het bouwwerk, anders dan noodzakelijk voor de bouw daarvan, blijven buiten beschouwing. 2. Voor zover een bouwwerk zich bevindt op een erf- of perceelgrens, wordt gemeten aan de kant waar het aansluitend afgewerkt terrein het hoogst is.

2.

In aanvulling op Artikel 1.7, eerste lid worden de volgende specifieke waarden in dit omgevingsplan als volgt gemeten of berekend: a. Afstand tot de perceelsgrens van het bouwperceel .

: de kortste afstand van enig punt van een bouwwerk tot de perceelsscheiding

b. Afstand tussen gebouwen: de kortste afstand tussen de buitenwerks gevelvlak

ken van de gebouwen.

c. Bebouwingspercentage : het percentage moet worden berekend over het gehele bouwperceel , met inbegrip van de buiten de bouwgrens gelegen gronden. Voor de berekening blijven bouwwerken gelegen beneden straatpeil buiten beschouwing. d. Bouwdiepte van de bouwwerk: tussen de voorgevel en de achtergevel, gemeten ter hoogte van het straatpeil

.

e. Bouwhoogte van een bouwwerk: vanaf het straatpeil tot aan het hoogste punt van een bouwwerk met uitzondering van een ondergeschikt bouwdeel , zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen. f. Dakhelling: de hoek van het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak. g. Goothoogte van een bouwwerk: vanaf het straatpeil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel. h. Hoogte van een windturbine: vanaf het straatpeil

tot aan de as van de windturbine.

i. Inhoud minimum bergingsopgave hemelwater: het grondoppervlak van het verhard oppervlak vermenigvuldigd met het aantal millimeters bergingseis per m2, uitgedrukt in kubieke meters. j. Inhoud van een bouwwerk (volume; m3): tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen. k. Ondergeschikte bouwdelen: bij de toepassing van bouwregels wordt een ondergeschikt bouwdeel buiten beschouwing gelaten, mits de horizontale overschrijding van bouw- en functiegrenzen en de verticale overschrijding van maximale bouwhoogtes niet meer dan 1 meter bedraagt. l. Oppervlakte van een bouwwerk: tussen de buitenwerks gevelvlak ken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het

bouwwerk. m. Plafondhoogte van de benedenverdieping van een gebouw: de kleinste afstand tussen de begane grondvloer en de bovenliggende bouwkundige constructie van de betreffende ruimte(n). Als de bovenkant van de begane grondvloer lager ligt dan het straatpeil , dan wordt de hoogte van de benedenverdieping gemeten vanaf het straatpeil .

Afdeling 1.4 Algemene bepalingen voor activiteiten Artikel 1.8 Basisregel voor activiteiten in de fysieke leefomgeving Het verrichten van een activiteit in de fysieke leefomgeving is alleen toegestaan: a. als dit binnen de regels van dit omgevingsplan is aangegeven (inclusief TAM-omgevingsplannen en het tijdelijk deel van het omgevingsplan bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet), al dan niet op voorwaarde van een omgevingsvergunning of melding; b. of als de voorgenomen activiteit vergunningsvrij is op grond van het Besluit bouwwerken leefomgeving.

Artikel 1.9 Normadressaat Aan de regels in dit omgevingsplan wordt voldaan door degene die de activiteit verricht of laat verrichten, tenzij anders is bepaald. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit.

Artikel 1.10 Maatwerkvoorschriften 1.

Over de regels over activiteiten in dit Omgevingsplan kan, tenzij anders is bepaald: a. Een maatwerkvoorschrift worden gesteld, of b. Een vergunningvoorschrift als bedoeld in artikel 4.5 van de Omgevingswet aan een omgevingsvergunning als bedoeld in dit omgevingsplan worden verbonden.

2.

Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de regels over activiteiten in dit omgevingsplan, tenzij anders is bepaald of hoofdstuk 5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving zich daar tegen verzet.

3.

Een maatwerkvoorschrift wordt niet gesteld als over dat onderwerp een voorschrift aan een omgevingsvergunning als bedoeld in dit omgevingsplan kan worden verbonden.

4.

Het Artikel 1.10, eerste lid en Artikel 1.10, tweede lid gelden niet voor zover het stellen van maatwerkvoorschriften is uitgesloten in het Besluit activiteiten leefomgeving.

Artikel 1.11 Algemene zorgplicht Binnen het werkingsgebied Omgevingsplan nieuw deel is degene die een activiteit als bedoeld in dit omgevingsplan verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de doelen van dit Omgevingsplan, verplicht: a. alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; b. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en c. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten, voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.

Artikel 1.12 Anti-dubbeltelregel Binnen het werkingsgebied Omgevingsplan nieuw deel blijft grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 1.13 Gegevens bij het wijzigen van naam, adres of normadressaat 1.

Binnen het werkingsgebied Omgevingsplan nieuw deel worden, voordat de naam of het adres, bedoeld in Artikel 1.16 en Artikel 1.17, wijzigen, de daardoor gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

2.

Binnen het werkingsgebied Omgevingsplan nieuw deel worden ten minste vier weken voor de activiteit door een ander zal gaan worden verricht, de daardoor gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

Artikel 1.14 Algemene beoordelingsregel voor omgevingsplanactiviteiten, voor zover van toepassing verklaard Binnen het werkingsgebied Omgevingsplan nieuw deel geldt, voor zover van toepassing verklaard in de regels van dit omgevingsplan, dat er geen onevenredige aantasting mag plaatsvinden van: a. Woon- en leefklimaat; b. Straat- en bebouwingsbeeld; c. Verkeersveiligheid; d. Parkeersituatie in de openbare ruimte; e. Groenwaarden in de openbare ruimte; f. Sociale veiligheid; g. Brandveiligheid, externe veiligheid en rampenbestrijding; h. Milieusituatie en beschermde natuurwaarden; i. Cultuurhistorische waarden; j. Gebruiks- en bouwmogelijkheden van aangrenzende gronden.

Afdeling 1.5 Indieningsvereisten voor aanvragen en meldingen Paragraaf 1.5.1 Algemene bepalingen over indieningsvereisten Artikel 22.283 1.15 Toepassingsbereik Deze paragraaf afdeling is van toepassing op het verstrekken van gegevens en bescheiden, zoals bij een melding of een aanvraag om een omgevingsvergunning die is , als dit vereist is op grond van: a. het nieuwe deel van dit omgevingsplan: hoofdstuk 1 tot en met 22, inclusief TAM-omgevingsplannen; a b. het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet; b c. Artikel artikel 22.280 van dit omgevingsplan; c d. een andere gemeentelijke regeling dan dit omgevingsplan in samenhang met artikel 22.8 van de Omgevingswet; of d e. artikel 4.35, tweede lid, van de Invoeringswet Omgevingswet.

Artikel 1.16 Algemene gegevens bij een melding Een melding op grond van dit omgevingsplan bevat ten minste: • de aanduiding van de activiteit; • de naam en het adres van degene die de activiteit verricht; • het adres waarop de activiteit wordt verricht; • de dagtekening;

• een ondertekening of handtekening.

Artikel 1.17 Algemene gegevens bij een aanvraag omgevingsvergunning Voor de algemene gegevens bij een aanvraag om een omgevingsvergunning zijn vereisten van toepassing als bedoeld in de Omgevingsregeling (artikel 7.3) en de Algemene wet bestuursrecht (artikel 4:2) .

Paragraaf 1.5.2 Aanvraagvereisten voor omgevingsplanactiviteiten Subparagraaf 1.5.2.1 Omgevingsplanactiviteit gemeentelijk monument Artikel 22.287 1.18 Omgevingsplanactiviteit Algemeen: gemeentelijk monument: algemeen Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit die betrekking heeft op een gemeentelijk monument worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. het monumentnummer en, voor zover van toepassing, de naam van het monument of de plaatselijke aanduiding van het archeologisch monument; b. de opgave van het huidige gebruik van het gemeentelijk monument en het voorgenomen gebruik, als dat afwijkt van het huidige gebruik; en c. de motivering voor het verrichten van de activiteit en een omschrijving van de gevolgen ervan voor het gemeentelijk monument.

Artikel 22.288 1.19 Omgevingsplanactiviteit Archeologisch gemeentelijk monument voor zover het gaat om een archeologisch monument 1.

Bij een aanvraag als bedoeld in Artikel 22.287 1.18 , worden, voor zover het gaat om een archeologisch monument, de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een omschrijving van de aard van de activiteit, met vermelding van: 1. de omvang in vierkante meters; en 2. de diepte, in centimeters ten opzichte van het maaiveld; b. een topografische kaart voorzien van een noordpijl en minimaal twee coördinatieparen, met de exacte locatie en omvang van de activiteit; c. doorsnedetekeningen met de exacte locatie, omvang en diepte van de afzonderlijke ingrepen ten opzichte van het maaiveld; d. als sprake is van een opgraving, ook als deze alleen bestaat uit een proefsleuvenonderzoek of een proefputtenonderzoek: een programma van eisen voor de opgraving; e. als sprake is van een booronderzoek met boren met een diameter groter dan 10 cm: een plan van aanpak voor een booronderzoek; f. als sprake is van een zichtbaar archeologisch monument: overzichtsfoto's van de bestaande situatie en plantekeningen van de nieuwe toestand; en g. voor zover de activiteit bestaat uit een bouwactiviteit: funderingstekeningen.

2.

Zo nodig worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een rapport waarin de archeologische waarde van dat deel van het archeologisch monument waarop de activiteit van invloed is, in voldoende mate nader is vastgesteld; b. een rapport waarin de gevolgen van de activiteit op de archeologische waarden in voldoende mate inzichtelijk zijn gemaakt; c. detailtekeningen met van de afzonderlijke ingrepen:

1. de exacte locatie; 2. de omvang; en 3. diepte ten opzichte van het maaiveld; d. voor zover de activiteit bestaat uit aanlegwerkzaamheden of een ontgrondingsactiviteit: 1. een bestek met bijbehorende tekeningen; of 2. een werkomschrijving met bijbehorende tekeningen; e. als sprake is van een sloopactiviteit: bestaande funderingstekeningen; of f. als sprake is van een archeologisch monument onder water: een vlakdekkende hoge resolutie sonaropname van de waterbodem en ultrahoge resolutie sonaropnamen van details. 3.

Minimale schaal van tekeningen Tekeningen als bedoeld in het eerste en tweede lid hebben een schaal die niet kleiner is dan: a. 1:2000, als het gaat om een topografische kaart; b. 1:100, als het gaat om een funderingstekening of doorsnedetekening; en c. 1:50, als het gaat om een detailtekening.

Artikel 22.290 1.20 Omgevingsplanactiviteit: slopen Slopen van een gemeentelijk monument voor zover het gaat om een monument 1.

Bij de aanvraag, bedoeld in Artikel 22.287 1.18 , worden, voor zover het gaat om het slopen van een monument, de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. de volgende kleurenfoto's die een duidelijke indruk geven van het monument in relatie tot de voorgenomen sloop: 1. overzichtsfoto's van de bestaande situatie; en 2. foto's van de bestaande toestand; b. de volgende tekeningen: 1. als sprake is van het slopen van een deel van het monument waarbij de omvang van het monument wijzigt: situatietekeningen van de bestaande en de nieuwe situatie; 2. opnametekeningen van de bestaande toestand met, voor zover noodzakelijk voor de beoordeling van de aanvraag: I. plattegronden; II. doorsneden; III. gevelaanzichten; of IV. een dakaanzicht; en 3. slooptekeningen; en c. een omschrijving van de sloopmethode en de aard van en bestemming voor het vrijkomend materiaal.

2.

Zo nodig worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een nadere bepaling van de monumentale waarde van het monument aan de hand van cultuurhistorische rapporten, met inbegrip van rapporten over architectuurhistorie, bouwhistorie, interieurhistorie, kleurhistorie of

tuinhistorie; b. als sprake is van verstoring van de bodem: een rapport waarin de archeologische waarde van de bodem onder het te slopen bouwwerk in voldoende mate is vastgesteld; c. een beschrijving van de technische staat van het monument of het onderdeel van het monument waarop de voorgenomen activiteit betrekking heeft; of d. een onderbouwing van de beschrijving van de technische staat aan de hand van technische rapporten, met inbegrip van rapporten over bouwfysische en constructieve aspecten.

Artikel 22.291 1.21 Omgevingsplanactiviteit: verplaatsen Verplaatsen van een gemeentelijk monument voor zover het gaat om een monument 1.

Bij de aanvraag, bedoeld in Artikel 22.287 1.18 , worden, voor zover het gaat om het gedeeltelijk of volledig verplaatsen van een monument, de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een beschrijving van de technische staat van het monument of het onderdeel van het monument waarop de voorgenomen activiteit betrekking heeft; b. de volgende kleurenfoto's die een duidelijke indruk geven van het monument in relatie tot de voorgenomen verplaatsing: 1. overzichtsfoto's van de bestaande situatie; 2. foto's van de bestaande toestand; en 3. overzichtsfoto's van de nieuwe locatie; c. de volgende tekeningen: 1. situatietekeningen van de bestaande en nieuwe situatie; 2. opnametekeningen van de bestaande toestand met, voor zover noodzakelijk voor de beoordeling van de aanvraag: I. plattegronden; II. doorsneden; III. gevelaanzichten; of IV. een dakaanzicht; en 3. plantekeningen van de nieuwe toestand met, voor zover noodzakelijk voor de beoordeling van de aanvraag: I. plattegronden; II. doorsneden; III. gevelaanzichten; of IV. een dakaanzicht; d. een bestek of werkomschrijving van de wijze van demonteren, van het verplaatsen naar de nieuwe locatie en de herbouw; en e. als de activiteit bestaat uit het verplaatsen van een molen; een rapport over de molenbiotoop van de bestaande en de nieuwe situatie.

2.

Zo nodig worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

a. een nadere bepaling van de monumentale waarde van het monument aan de hand van cultuurhistorische rapporten, met inbegrip van rapporten over architectuurhistorie, bouwhistorie, interieurhistorie, kleurhistorie, tuinhistorie of over de relatie van het monument tot zijn historische omgeving; b. als op de bestaande of op de nieuwe locatie sprake is van verstoring van de bodem: een rapport waarin de archeologische waarde van het terrein dat volgens de aanvraag door de activiteit zal worden verstoord in voldoende mate is vastgesteld; c. een onderbouwing van de beschrijving van de technische staat aan de hand van technische rapporten, met inbegrip van rapporten over bouwfysische, constructieve, materiaaltechnische of preventieve aspecten; d. aanvullende tekeningen van de bestaande en nieuwe toestand, met inbegrip van detailtekeningen; of e. een opgave van de bij de voorbereiding en het verrichten van de activiteit te hanteren uitvoeringsrichtlijnen.

Artikel 22.292 1.22 Omgevingsplanactiviteit gemeentelijk monument: wijzigen van een monument of monument Wijzigen, door herstel ontsieren of in gevaar brengen van een gemeentelijk monument 1.

Bij de aanvraag, bedoeld in Artikel 22.287 1.18 , worden, voor zover het gaat om het wijzigen van een monument of het herstellen daarvan waardoor het kan worden ontsierd of in gevaar kan worden gebracht, de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. de volgende kleurenfoto's die een duidelijke indruk geven van het monument in relatie tot de voorgenomen activiteit: 1. overzichtsfoto's van de bestaande situatie; en 2. detailfoto's van de bestaande toestand, die een duidelijke indruk geven van het onderdeel van het monument waar de voorgenomen activiteit zal worden verricht; b. de volgende tekeningen: 1. een situatietekening van de bestaande situatie, en als de nieuwe situatie daarvan afwijkt: een situatietekening van de nieuwe situatie; 2. opnametekeningen van de bestaande toestand met voor zover noodzakelijk voor de beoordeling van de aanvraag: I. plattegronden; II. doorsneden; III. gevelaanzichten; of IV. een dakaanzicht; 3. als er gebreken worden hersteld: gebrekentekeningen; 4. plantekeningen van de nieuwe toestand en van de voorgenomen werkzaamheden, met inbegrip van de te vervangen of te veranderen onderdelen en de te verhelpen gebreken, met, voor zover noodzakelijk voor de beoordeling van de aanvraag: I. plattegronden; II. doorsneden; III. gevelaanzichten; of IV. een dakaanzicht; en 5. als sprake is van verwijdering van materiaal: slooptekeningen; en c.

een omschrijving van de aard en omvang van de activiteit in de vorm van een bestek of werkomschrijving, met:

1. de te gebruiken en de te vervangen materialen, de toe te passen constructies, afwerkingen en kleuren, en de wijze van uitvoering of verwerking; en 2. als sprake is van verwijdering van materiaal: de sloopmethode en de aard van en bestemming voor het vrijkomend materiaal. 2.

Zo nodig worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een nadere bepaling van de monumentale waarde van het monument aan de hand van cultuurhistorische rapporten, met inbegrip van rapporten over architectuurhistorie, bouwhistorie, interieurhistorie, kleurhistorie of tuinhistorie; b. als sprake is van verstoring van de bodem: een rapport waarin de archeologische waarde van de locatie in voldoende mate is vastgesteld; c. een beschrijving van de technische staat van het monument of het onderdeel van het monument waarop de voorgenomen activiteit betrekking heeft; d. een onderbouwing van de beschrijving van de technische staat aan de hand van technische rapporten, met inbegrip van rapporten over bouwfysische, constructieve, materiaaltechnische of preventieve aspecten; e. aanvullende tekeningen van de bestaande en nieuwe toestand, met inbegrip van detailtekeningen; f. voor zover er algemene kwaliteitsnormen of uitvoeringsrichtlijnen voor de instandhouding van monumenten op de activiteit van toepassing zijn: een opgave of de voorgenomen activiteit hierop is afgestemd; of g. als de activiteit een monument betreft dat een tuinaanleg, parkaanleg of andere groenaanleg is: een beheervisie.

Artikel 22.293 1.23 Omgevingsplanactiviteit gemeentelijk monument: monument door Door gebruik ontsieren of in gevaar brengen van een gemeentelijk monument Bij een aanvraag als bedoeld in Artikel 22.287 1.18 wordt, voor zover het gaat om het gebruiken van een monument waardoor het kan worden ontsierd of in gevaar gebracht, een opgave verstrekt van de maatregelen die worden getroffen om deze nadelige gevolgen te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken.

Artikel 22.294 1.24 Eisen aan tekeningen als bedoeld in de artikelen 22.290 tot en met 22.292 bij slopen, verplaatsen, wijzigen of herstel van een gemeentelijk monument 1.

Bij een aanvraag als bedoeld in Artikel 22.290 1.20 tot , Artikel 1.21 en met Artikel 22.292 1.22 hebben tekeningen een schaal die niet kleiner is dan: a. 1:1000, als het gaat om een situatietekening; b. 1:100, als het gaat om een algemene geveltekening; c. 1:20 of 1:50, als het gaat om een geveltekening voor een ingrijpende wijziging; en d. 1:100, als het gaat om een plattegrondtekening, doorsnedetekening of een tekening van het dakaanzicht.

2.

Een detailtekening heeft een schaal van 1:1, 1:2 of 1:5 en is voorzien van een omschrijving van de materiaaltoepassing en de maatvoering.

3.

Uit een situatietekening die is voorzien van een noordpijl blijkt de oriëntatie van het monument op het perceel en ten opzichte van omliggende bebouwing en wegen.

4.

Een plattegrondtekening en een doorsnedetekening bevatten de volgende historische gegevens: a. balklagen: 1. gestippeld aangegeven in plattegronden van ruimten onder de balklagen; en 2. getekend aangegeven in doorsneden met aanduiding van de afmetingen;

b. geornamenteerde plafonds, gestippeld aangegeven in plattegronden van de ruimten waar deze zich bevinden; c. houtafmeting, balklagen en kapconstructie, aangegeven in doorsneden van de bestaande en van de nieuwe toestand; en d. bijzondere ruimten of bouwdelen, direct of indirect betrokken bij de activiteit, aangegeven in plattegronden en doorsneden.

Artikel 22.295 1.25 Overeenkomstige toepassing voorbeschermd gemeentelijk monument Artikel 22.287 tot en met De artikelen in deze Artikel 22.294 subparagraaf zijn van overeenkomstige toepassing op een aanvraag om een omgevingsvergunning die betrekking heeft op een voorbeschermd gemeentelijk monument.

Subparagraaf 1.5.2.2 Omgevingsplanactiviteiten overig Artikel 22.286 1.26 Omgevingsplanactiviteit: afwijking Afwijking van regels van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet 1.

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in Artikel 22.280 worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. het beoogde en het huidige gebruik van de locaties en bouwwerken waarop de aanvraag betrekking heeft; b. een situatietekening van de bestaande toestand en een situatietekening van de nieuwe toestand met daarop: 1. de afmetingen van het perceel en bebouwd oppervlak; 2. de situering van bouwwerken ten opzichte van de perceelsgrenzen en de wegzijde; 3. de wijze waarop de locatie wordt ontsloten; 4. de aangrenzende locaties en de daarop voorkomende bebouwing; en 5. het beoogd gebruik van de locatie behorende bij het voorgenomen bouwwerk.

2.

Zo nodig wordt een rapport verstrekt waarin de archeologische waarde van de locatie in voldoende mate is vastgesteld.

Artikel 1.27 Gebruik van gronden of bouwwerken 1.

Als voor een omgevingsplanactiviteit geen specifieke aanvraagvereisten zijn opgenomen, dan kan de vergunning voor deze activiteit worden aangevraagd als activiteit Gebruik van gronden of bouwwerken.

2.

Bij de in het eerste lid genoemde aanvraag worden de volgende gegevens verstrekt: a. het beoogde en het huidige gebruik van de locaties en bouwwerken waarop de aanvraag betrekking heeft; b. een situatietekening van de bestaande toestand en een situatietekening van de nieuwe toestand met daarop indien van toepassing: 1. de afmetingen van het perceel en bebouwd oppervlak; 2. de situering van bouwwerken ten opzichte van de perceelsgrenzen en de wegzijde; 3. de wijze waarop de locatie wordt ontsloten; 4. de aangrenzende locaties en de daarop voorkomende bebouwing; en 5. het beoogd gebruik van de locatie behorende bij het voorgenomen bouwwerk.

3.

Aanvullend op het tweede lid: zo nodig wordt een rapport verstrekt waarin de archeologische waarde van de locatie in voldoende mate is vastgesteld.

Artikel 22.300 1.28 Omgevingsplanactiviteit: handelsreclame Handelsreclame

1.

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het maken of voeren van handelsreclame op of aan een onroerende zaak met behulp van een opschrift, aankondiging of afbeelding in welke vorm dan ook, die zichtbaar is vanaf een voor het publiek toegankelijke plaats, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. het aantal en de afmetingen van de reclame; b. de hoogte van de reclame, gemeten vanaf het maaiveld tot de onderkant; c. de te gebruiken materialen, kleuren en verlichting; en d. de tekst van de reclame.

2.

Als een andere dan de eigenaar, beperkt zakelijk gerechtigde of gebruiker van de onroerende zaak met diens toestemming handelsreclame maakt of voert, vermeldt de aanvrager in de aanvraag de naam, het adres en de woonplaats van die ander.

Artikel 22.299 1.29 Omgevingsplanactiviteit: vellen van houtopstand Houtopstand vellen (boom kappen) 1.

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het vellen van een houtopstand, identificeert de aanvrager op de aanduiding, bedoeld in artikel 7.3, onder d, van de Omgevingsregeling, iedere houtopstand waarop de aanvraag betrekking heeft met een nummer.

2.

Per genummerde houtopstand worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. de soort houtopstand; b. de locatie van de houtopstand op het voor-, zij-, of achtererf; c. de diameter in centimeters, gemeten op 1,30 meter vanaf het maaiveld; en d. de mogelijkheid tot herbeplanten of het voornemen om op een daarbij te vermelden locatie tot herbeplanten van een daarbij te vermelden aantal soorten over te gaan.

Artikel 22.301 1.30 Omgevingsplanactiviteit: opslaan Opslaan roerende zaken 1.

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het opslaan van roerende zaken in een daarbij aangewezen gedeelte van de gemeente worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. de aard van de roerende zaken; en b. de omvang van de opslag van de roerende zaken.

2.

Als een ander dan de eigenaar, beperkt zakelijk gerechtigde of gebruiker van de onroerende zaak met diens toestemming roerende zaken opslaat, vermeldt de aanvrager in de aanvraag de naam, het adres, en de woonplaats van die ander.

Artikel 22.285 1.31 Omgevingsplanactiviteit: slopen Slopen van een bouwwerk Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een sloopactiviteit wordt aannemelijk gemaakt dat op de locatie van het te slopen bouwwerk een ander bouwwerk kan of zal worden gebouwd.

Artikel 22.296 1.32 Omgevingsplanactiviteit: slopen Slopen van een bouwwerk in een gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht 1.

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een sloopactiviteit in een gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht wordt aannemelijk gemaakt dat op de locatie van het te slopen bouwwerk een ander bouwwerk kan of zal worden gebouwd.

2.

Zo nodig wordt een rapport verstrekt waarin de archeologische waarde van de bodem onder het te slopen bouwwerk in voldoende mate is vastgesteld.

Artikel 22.302 1.33 Omgevingsplanactiviteit: slopen Slopen van een bouwwerk in een rijksbeschermd stadsof dorpsgezicht 1.

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een sloopactiviteit sloopact in iviteit in een rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht een rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht wordt aannemelijk gemaakt dat op de locatie van het te slopen bouwwerk een ander bouwwerk kan of zal worden gebouwd.

2.

Zo nodig wordt een rapport verstrekt waarin de archeologische waarde van de bodem onder het te slopen bouwwerk in voldoende mate is vastgesteld.

Artikel 22.284 1.34 Omgevingsplanactiviteit: uitvoeren Uitvoeren van een werk, niet zijnde bouwwerk, of werkzaamheid 1.

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, niet zijnde een bouwwerk, of een werkzaamheid worden gegevens en bescheiden verstrekt over: a. de te gebruiken materialen; b. de mate waarin sprake is van afvoer van grond naar een andere locatie; en c. de aanwezigheid van obstakels die in de weg staan aan het verrichten van de activiteit.

2.

Voor zover dat in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, is bepaald: een rapport waarin de archeologische waarde van de locatie in voldoende mate is vastgesteld.

Artikel 22.297 1.35 Omgevingsplanactiviteit: uitweg Uitweg Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het maken, hebben of veranderen van een uitweg of het gebruik daarvan worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. de locatie van de uitweg aan het voor-, zij- of achtererf; b. de afmeting van de nieuwe uitweg of de te veranderen bestaande uitweg en de beoogde verandering daarvan; c. de te gebruiken materialen; en d. de aanwezigheid van obstakels die in de weg staan voor het aanleggen of het gebruik van de uitweg, zoals bomen, lantaarnpalen en nutsvoorzieningen.

Afdeling 1.6 Overgangsrecht Paragraaf 1.6.1 Toepassingsbereik Artikel 1.36 Toepassingsbereik overgangsrecht De regels in deze afdeling zijn alleen van toepassing op hoofdstuk 1 t/m 21 van dit omgevingsplan.

Paragraaf 1.6.2 Overgangsrecht bouwen Artikel 1.37 Overgangsbepaling 1.

Een bouwwerk dat legaal aanwezig is en afwijkt van het in werking zijnde omgevingsplan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot: a. in stand worden gehouden; b. herbouwd of verbouwd worden; c. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.

2.

Een bouwwerk dat gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot, gebouwd worden.

Paragraaf 1.6.3 Overgangsrecht gebruik Artikel 1.38 Overgangsbepaling Het gebruik van gronden en bouwwerken dat in strijd is met de regels van het in werking zijnde omgevingsplan mag, mits dit strijdige gebruik naar aard en omvang niet wordt vergroot, worden voortgezet of hervat als:

a. het gebruik eerder legaal

is geweest en

b. het gebruik tevens niet langer dan een periode van een jaar is onderbroken op het moment dat dit in strijd was/is met de regels van het in werking zijnde Omgevingsplan.

Paragraaf 1.6.4 Overgangsrecht (voorbeschermde) gemeentelijke monumenten Artikel 1.39 Overgangsbepaling a. Voor de toepassing van het Artikel 2.6, eerste lid, Artikel 2.6, tweede lid, Artikel 2.9, Artikel 1.18 tot en met Artikel 1.23 en Artikel 1.25 wordt onder gemeentelijk monument respectievelijk voorbeschermd gemeentelijk monument ook verstaan een monument of archeologisch monument dat op grond van een gemeentelijke verordening is aangewezen respectievelijk waarop, voordat het is aangewezen, die verordening van overeenkomstige toepassing is. b. Het bepaalde onder a is van toepassing: 1. als het gaat om een aangewezen monument of archeologisch monument: zolang in dit omgevingsplan daaraan nog niet de functie-aanduiding gemeentelijk monument is gegeven; en 2. als het gaat om een monument of archeologisch monument waarop voordat het is aangewezen de verordening van overeenkomstige toepassing is: zolang in dit omgevingsplan daaraan nog niet de functie-aanduiding gemeentelijk monument is gegeven of dit omgevingsplan geen voorbeschermingsregel bevat vanwege het voornemen om die functie-aanduiding te geven.

Paragraaf 1.6.5 Overgangsrecht vernummering bij wijziging Omgevingsplan Artikel 1.40 Overgangsbepaling 1.

Bij wijziging van het omgevingsplan waarbij regels worden vernummerd zonder dat de inhoud wezenlijk wijzigt, worden bestaande verwijzingen naar eerdere artikelen geacht te verwijzen naar de overeenkomstige regel met de nieuwe nummering.

2.

Indien met een wijzigingsbesluit bestaande regels van het omgevingsplan zijn vernummerd of inhoudelijk gewijzigd, blijven de oorspronkelijke regels, zoals deze golden vóór de datum inwerkingtreding van het wijzigingsbesluit van toepassing op aanvragen van omgevingsvergunningen die zijn ingediend vóór de datum van inwerkingtreding van het wijzigingsbesluit.

Hoofdstuk 2 [Gereserveerd] Regels voor meerdere functies Afdeling 2.1 Bouwen algemeen Paragraaf 2.1.1 Omgevingsplanactiviteit bouwwerken Artikel 22.26 2.1 Binnenplanse vergunning omgevingsplanactiviteit Vergunningplicht Omgevingsplanactiviteit bouwwerken Het is verboden zonder omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrich​ten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken.

Artikel 22.35 2.2 Aanvraagvereisten binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit met betrekking tot een bouwwerk worden voor de toetsing aan dit omgevingsplan in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een opgave van de bouwkosten; b. het beoogde en het huidige gebruik van het bouwwerk en de bijbehorende gronden waarop de aanvraag betrekking heeft; c. een opgave van de bruto inhoud in m3 en de bruto vloeroppervlakte aanvraag betrekking heeft;

in m2 van het deel van het bouwwerk waarop de

d. een situatietekening van de bestaande toestand en een situatietekening van de nieuwe toestand met daarop: 1. de afmetingen van het perceel en bebouwd oppervlak; 2. de situering van het bouwwerk ten opzichte van de perceelsgrenzen en de wegzijde; 3. de wijze waarop de locatie wordt ontsloten; 4. de aangrenzende locaties en de daarop voorkomende bebouwing

; en

5. het beoogd gebruik van de gronden behorende bij het voorgenomen bouwwerk; e. de hoogte van het bouwwerk ten opzichte van het straatpeil f. de inrichting van parkeervoorzieningen op het eigen terrein

en het aantal bouwlagen; ;

g. gegevens en bescheiden die samenhangen met een uit te brengen advies van de Agrarische Adviescommissie in geval van een aanvraag voor een bouwactiviteit op een locatie waaraan een agrarische functie is toegedeeld; h. voor zover dat in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, is bepaald: een rapport waarin de archeologische waarde van de locatie in voldoende mate is vastgesteld; i. de volgende gegevens en bescheiden voor de toetsing aan de regels over het uiterlijk van bouwwerken ('redelijke eisen van welstand'), beoordeeld volgens de criteria van de ter plekke geldende beleidsregel als bedoeld in artikel 4.19 van de Omgevingswet (waaronder de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet): 1. tekeningen van alle gevels van het bouwwerk, inclusief de gevels van belendende bebouwing hoe het geplande bouwwerk in de directe omgeving past;

, waaruit blijkt

2. principedetails van gezichtsbepalende delen van het bouwwerk; 3. kleurenfoto's van de bestaande situatie en de omliggende bebouwing

; en

4. een opgave van de toe te passen bouwmaterialen in de uitwendige scheidingsconstructie en de kleur daarvan, waaronder in ieder geval het materiaal en de kleur van de gevels, het voegwerk, kozijnen, ramen en deuren, balkonhekken, dakgoten, boeidelen en de dakbedekking; j. als de aanvraag betrekking heeft op een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie: 1. de onderzoeken, bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving, tenzij het gaat om een locatie die is aangewezen in dit omgevingsplan waar een overschrijding van de toelaatbare kwaliteit, bedoeld in Artikel 22.30 5.1 , redelijkerwijs is uit te sluiten; en 2. als de toelaatbare kwaliteit, bedoeld in Artikel 22.30 5.1 , wordt overschreden: gegevens en bescheiden die aannemelijk maken dat een sanerende of andere beschermende maatregel wordt getroffen, tenzij het gaat om een locatie die is aangewezen in dit omgevingsplan waar een overschrijding van de toelaatbare kwaliteit, bedoeld in Artikel 22.30 5.1 , redelijkerwijs is uit te sluiten; en k. overige gegevens en bescheiden die samenhangen met een eventueel benodigde toetsing aan dit omgevingsplan.

Artikel 2.3 Informatieplicht: begin en beëindiging bouwwerkzaamheden 1.

Het tweede en derde lid zijn van toepassing mits: a. De gemeente niet op grond van het Besluit bouwwerken leefomgeving moet worden geïnformeerd over het begin en einde van de betreffende bouwwerkzaamheden; en b. Voor de bouwwerkzaamheden een omgevingsvergunning als bedoeld in Artikel 2.1 nodig is.

2.

Ten minste twee werkdagen voor het begin van bouwwerkzaamheden, met inbegrip van ontgravingswerkzaamheden, wordt de gemeente daarover geïnformeerd.

3.

De gemeente wordt uiterlijk op de eerste werkdag na beëindiging van de bouwwerkzaamheden daarover geïnformeerd. Het bouwwerk wordt niet in gebruik genomen voordat aan deze informatieplicht is voldaan.

Paragraaf 2.1.2 Uitzonderingen vergunningplicht omgevingsplanactiviteit bouwwerken (ruimtelijk vergunningvrij) Artikel 22.23 2.4 Algemene afbakeningseisen 1.

Artikel 22.27 2.5 en Artikel 22.36 2.7 zijn niet van toepassing op een activiteit die wordt verricht in, aan, op of bij een bouwwerk dat is gebouwd of in stand wordt gehouden of wordt gebruikt zonder de daarvoor vereiste omgevingsvergunning.

2.

Bij de toepassing van Artikel 22.27 2.5 en Artikel 22.36 2.7 blijft het aantal woningen gelijk, tenzij het bij een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan als bedoeld in Artikel 22.27 2.5 , onder a, of Artikel 22.36 2.7 , onder a, of een bestaand bouwwerk als bedoeld in Artikel 22.36 2.7 , onder c, gaat om huisvesting in verband met mantelzorg.

3.

De regels in Artikel 2.5 en Artikel 2.6 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met een TAM-omgevingsplan of met regels in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1 onder a van de Omgevingswet.

Artikel 22.27 2.5 Uitzonderingen op vergunningplicht artikel 22.26 – omgevingsplanactiviteit bouwwerken - omgevingsplan onverminderd van toepassing Het verbod, bedoeld in Artikel 22.26 2.1 , geldt niet voor de activiteiten bouwactiviteiten, bedoeld in dat artikel, als die betrekking hebben op een één van de volgende bouwwerken en ook passen binnen de overige regels van dit omgevingsplan: a. een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan, als wordt voldaan aan de volgende eisen: 1. op de grond staand; 2. gelegen in achtererfgebied; 3. op een afstand van meer dan 1 m vanaf openbaar toegankelijk gebied; 4. niet hoger dan 5 m; 5. de ligging van een verblijfsgebied, bij meer dan een bouwlaag

, alleen op de eerste bouwlaag

; en

6. niet voorzien van een dakterras, balkon of andere niet op de grond gelegen buitenruimte; b. een bouwwerk voor recreatief nachtverblijf, als wordt voldaan aan de volgende eisen: 1. op de grond staand; 2. niet hoger dan 5 m; en 3. de oppervlakte niet meer dan 70 m2; c. een dakkapel in het voordakvlak of een naar openbaar toegankelijk gebied gekeerd zijdakvlak, als wordt voldaan aan de volgende eisen: 1. gelegen in een gebied dat of een bouwwerk dat in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, is aangewezen als gebied of bouwwerk waarvoor geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn; 2. voorzien van een plat dak; 3. gemeten vanaf de voet van de dakkapel niet hoger dan 1,75 m; 4. onderzijde meer dan 0,5 m en minder dan 1 m boven de dakvoet; 5. bovenzijde meer dan 0,5 m onder de daknok; en 6. zijkanten meer dan 0,5 m van de zijkanten van het dakvlak;

d. een sport- of speeltoestel anders dan voor alleen particulier gebruik, als wordt voldaan aan de volgende eisen: 1. niet hoger dan 4 m; en 2. alleen functionerend met behulp van de zwaartekracht of de fysieke kracht van de mens; e. een zwembad, bubbelbad of soortgelijke voorziening of een vijver op het gebouwerf bij een woning als deze niet van een overkapping is voorzien;

of woongebouw,

f. een erf- of perceelafscheiding, als wordt voldaan aan de volgende eisen: 1. hoger dan 1 m maar niet hoger dan 2 m; 2. op een erf of perceel waarop al een gebouw hoofdgebouw staat waarmee de afscheiding in functionele relatie staat; en 3. achter de lijn die loopt langs de voorkant van dat gebouw hoofdgebouw en vanaf daar evenwijdig loopt met het aangrenzend openbaar toegankelijk gebied zonder het hoofdgebouw te doorkruisen of in het gebouwerf achter het hoofdgebouw te komen; g. een bouwwerk, geen gebouw zijnde, in achtererfgebied voor agrarische bedrijfsvoering, voor zover het gaat om: 1. een silo; of 2. een ander bouwwerk niet hoger dan 2 m; h. een buisleiding anders dan een buisleiding waarop artikel 2.29, onder p, aanhef en onder 4, van het Besluit bouwwerken leefomgeving van toepassing is; of i. een te veranderen bouwwerk, als wordt voldaan aan de volgende eisen: 1. geen uitbreiding van de bebouwde oppervlakte; 2. geen uitbreiding van het bouwvolume; en 3. geen bouwwerk als bedoeld in artikel 2.29, onder b tot en met r, van het Besluit bouwwerken leefomgeving dat niet voldoet aan de voor dat bouwwerk in die onderdelen gestelde eisen.

Artikel 22.28 2.6 Inperkingen artikel 22.27 uitzonderingen vanwege cultureel erfgoed 1.

Op een activiteit die wordt verricht in, aan of op een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, provinciaal monument, voorbeschermd provinciaal monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument is Artikel 22.27 2.5 niet van toepassing.

2.

Op een activiteit die wordt verricht bij een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, provinciaal monument, voorbeschermd provinciaal monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument is alleen Artikel 22.27 2.5 , aanhef en onder d tot en met i, van toepassing.

3.

Op een activiteit die wordt verricht op een locatie waaraan in dit omgevingsplan de functieaanduiding rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht is gegeven, is Artikel 22.27 2.5 alleen van toepassing voor zover het gaat om: a. inpandige wijzigingen; b. een wijziging van een achtergevel of achterdakvlak, als die gevel of dat dakvlak niet naar openbaar toegankelijk gebied is gekeerd; c. een bouwwerk op een gebouwerf aan de achterkant van een hoofdgebouw, als dat gebouwerf niet ook deel uitmaakt van het gebouwerf aan de zijkant van dat gebouw en niet naar openbaar toegankelijk gebied is gekeerd; of d. een bouwwerk op een locatie die onderdeel is van openbaar toegankelijk gebied.

4.

Artikel 22.27 2.5 , aanhef en onder a en b, is ook niet van toepassing als in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, voor de locatie waarop de bouwactiviteit wordt verricht, regels zijn

gesteld als bedoeld in Artikel 22.22 over het verrichten van archeologisch onderzoek in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit, tenzij: a. het bouwwerk waarop de activiteit betrekking heeft een oppervlakte heeft van minder dan 50 m 2 2 of een oppervlakte minder dan de oppervlakte waarvoor op basis van het omgevingsplan een archeologisch onderzoek noodzakelijk is; of b. het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, een verbod bevat om grondwerkzaamheden die nodig zijn voor het verrichten van de bouwactiviteit zonder omgevingsvergunning te verrichten waarop regels als bedoeld in Artikel 22.22 over het verrichten van archeologisch onderzoek in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of een werkzaamheid, van toepassing zijn. het omgevingsplan ook een verbod bevat om grondwerkzaamheden die voor de betreffende bouwactiviteit nodig zijn te verrichten zonder omgevingsvergunning waarvoor regels over een archeologisch onderzoek zijn gesteld. In dit geval is het belang van de archeologische waarde al geborgd via deze vergunning voor een werk, geen bouwwerk zijnde, en is de uitzondering in de aanhef van dit artikel niet nodig voor het bouwen.

Artikel 22.36 2.7 Binnenplanse vergunningvrije activiteiten Uitzonderingen op vergunningplicht omgevingsplanactiviteit bouwwerken - van rechtswege in overeenstemming met dit omgevingsplan Onverminderd de overige bepalingen van deze afdeling en de bepalingen in hoofdstuk 1 t/m 22 van Afdeling 22.3 dit omgevingsplan, zijn in ieder geval in overeenstemming met dit omgevingsplan: a. het bouwen, in stand houden en gebruiken van een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan als bedoeld in Artikel 22.27 2.5 , onder a, als in aanvulling op de in dat onderdeel gestelde eisen ook wordt voldaan aan de volgende eisen: 1. voor zover op een afstand van niet meer dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw, niet hoger dan: I. 5 m; II. 0,3 m boven de bovenkant van de scheidingsconstructie met de tweede bouwlaag hoofdgebouw; en

van het

III. het hoofdgebouw; 2. voor zover op een afstand van meer dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw: I. als het bijbehorend bouwwerk of de uitbreiding daarvan hoger is dan 3 m: voorzien van een schuin dak, de dakvoet niet hoger dan 3 m, de daknok gevormd door twee of meer schuine dakvlakken, met een hellingshoek van niet meer dan 55°, en waarbij de hoogte van de daknok niet meer is dan 5 m en verder wordt begrensd door de volgende formule: maximale daknokhoogte [m] = (afstand daknok tot de perceelsgrens [m] x 0,47) + 3; en II. functioneel ondergeschikt aan het hoofdgebouw, tenzij het gaat om huisvesting in verband met mantelzorg ; 3. de oppervlakte van bijbehorende bouwwerken in het bebouwingsgebied I. bij een bebouwingsgebied

niet meer dan:

kleiner dan of gelijk aan 100 m2: 50% van dat bebouwingsgebied

;

II. bij een bebouwingsgebied groter dan 100 m2 en kleiner dan of gelijk aan 300 m2: 50 m2, vermeerderd met 20% van het deel van het bebouwingsgebied dat groter is dan 100 m2; en III. bij een bebouwingsgebied groter dan 300 m2: 90 m2, vermeerderd met 10% van het deel van het bebouwingsgebied dat groter is dan 300 m2, tot een maximum van in totaal 150 m2; en 4. uitbreiding van of gelegen aan of bij een hoofdgebouw, anders dan: I. een woonwagen

;

II. een hoofdgebouw waarvoor in de omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit of de omgevingsplanactiviteit bestaande uit een bouwactiviteit is bepaald dat de vergunninghouder na het verstrijken van een bij die vergunning gestelde termijn verplicht is de voor de verlening van de vergunning bestaande toestand te hebben hersteld; of III. een bouwwerk voor recreatief nachtverblijf door één huishouden

;

b. het bouwen, in stand houden en gebruiken van een erf- of perceelafscheiding als bedoeld in Artikel 22.27 2.5 , onder f; en c. het gebruiken van een bestaand bouwwerk voor huisvesting in verband met mantelzorg

.

Artikel 22.37 2.8 Bijbehorend bouwwerk in bijzondere gevallen 1.

Als een bijbehorend bouwwerk als bedoeld in Artikel 22.36 2.7 , onder a, bestaat uit een deel dat op meer, en een deel dat op minder dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw is gelegen zonder een inwendige scheidingsconstructie tussen beide delen, is op het deel dat op minder dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw is gelegen Artikel 22.36 2.7 , onder a, onder 2, onder ii, van overeenkomstige toepassing.

2.

Als een bijbehorend bouwwerk als bedoeld in Artikel 22.36 2.7 , onder a, wordt gebruikt voor huisvesting in verband met mantelzorg , gelden in plaats van de in Artikel 22.36 2.7 , onder a, onder 3°, gestelde eisen de volgende eisen: a. in zijn geheel of in delen verplaatsbaar; b. de oppervlakte niet meer dan 100 m2; en c. buiten de bebouwde kom.

Artikel 22.38 2.9 Inperkingen artikel 22.36 uitzonderingen vanwege cultureel erfgoed Artikel 22.36 2.7 is niet van toepassing op een activiteit die wordt verricht: a. in, aan, op of bij een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, provinciaal monument, voorbeschermd provinciaal monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument; of b. op een locatie waaraan in dit omgevingsplan de functie-aanduiding rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht is gegeven.

Artikel 22.39 2.10 Inperkingen artikel 22.36 uitzonderingen vanwege externe veiligheid Artikel 22.36 2.7 , aanhef en onder a en c, is niet van toepassing op een activiteit die wordt verricht: a. op een locatie in een in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, opgenomen veiligheidszone, getypeerd als A-zone of B-zone, rondom een munitieopslag of een locatie voor activiteiten met ontplofbare stoffen; b. op een locatie waarop de activiteit op grond van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, niet is toegestaan vanwege het overschrijden van het plaatsgebonden risico van 10-6 per jaar als gevolg van de aanwezigheid van een locatie voor een vergunningplichtige milieubelastende activiteit, transportroute of buisleiding of vanwege de ligging in een belemmeringenstrook voor het onderhoud van een buisleiding; of c. op een locatie binnen een afstand als bedoeld in: 1. artikel 4.421, eerste lid, onder b, of tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, van dat artikel van toepassing is; 2. artikel 4.472c, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het tweede lid van dat artikel van toepassing is; 3.

artikel 4.484, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het tweede lid van dat artikel van toepassing is; 4. artikel 4.524, eerste of tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het derde lid van dat artikel van toepassing is;

5. artikel 4.532, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het tweede lid van dat artikel van toepassing is; 6. artikel 4.542, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het tweede lid van dat artikel van toepassing is; 7. artikel 4.866, eerste of tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het derde lid van dat artikel van toepassing is; 8. artikel 4.899, eerste lid, onder b, of derde lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is; 9. artikel 4.905, eerste lid, onder b, of tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het derde lid van dat artikel van toepassing is; 10. artikel 4.914, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is; 11. artikel 4.962, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is; 12.

artikel 4.1008, eerste lid, onder b, of tweede lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, het tweede lid, aanhef en onder b, of het derde lid van dat artikel van toepassing is; of 13. artikel 4.1101, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is. 14. artikel 4.963, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van laatstbedoeld artikel van toepassing is.

Paragraaf 2.1.3 Algemene beoordelingsregels omgevingsplanactiviteit bouwwerken Artikel 22.29 2.11 Beoordelingsregels aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken algemeen 1.

Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk (de vergunning als bedoeld in Artikel 2.1), wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als: a. de activiteit niet in strijd is met de in dit omgevingsplan gestelde regels over het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken, met uitzondering van Paragraaf 22.2.4 Artikel 2.47 ; , Artikel 2.49 en Artikel 3.77, of b. het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, niet in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet; en de activiteit weliswaar in strijd is met de in dit omgevingsplan gestelde regels, maar voor die strijdigheden eerder een omgevingsvergunning is verleend met toepassing van artikel 2.12, lid 1 onder a van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (zoals deze gold tot en met 31 december 2023) dan wel artikel 5.1, lid 1 onder a van de Omgevingswet. c. de activiteit betrekking heeft op een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie en: 1.

de toelaatbare kwaliteit van de bodem niet wordt overschreden; of 2. bij overschrijding van de toelaatbare kwaliteit van de bodem: als aannemelijk is dat een sanerende of andere beschermende maatregelen wordt getroffen. Een sanerende of andere beschermende maatregel is in ieder geval een sanering overeenkomstig paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

1 2. In afwijking van Artikel 22.29 2.11, eerste lid wordt de omgevingsvergunning geweigerd, als voor de locatie waarop de aanvraag betrekking heeft voor de dag van kracht is ontvangst van de aanvraag:

a. een voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 4.103 of 4.104 van de Invoeringswet Omgevingswet, een als voorbereidingsbesluit geldend tracébesluit als bedoeld in artikel 4.49 van de Invoeringswet Omgevingswet of een als voorbereidingsbesluit geldend besluit krachtens de Wet luchtvaart als bedoeld in artikel 4.104a van de Invoeringswet Omgevingswet; of een bestemmingsplan of inpassingsplan is vastgesteld en de termijn voor de bekendmaking van het bestemmingsplan of inpassingsplan na de vaststelling ingevolge artikel 3.8, derde, vierde of zesde lid, van de Wet ruimtelijke ordening op het tijdstip van het nemen van de beslissing op de aanvraag niet is overschreden; of b. een aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht als bedoeld in artikel 4.35 van de Invoeringswet Omgevingswet waarvoor het omgevingsplan dat voorziet in de bescherming van het stads- of dorpsgezicht nog niet in werking is getreden. een bestemmingsplan of inpassingsplan na vaststelling is bekendgemaakt, en het bestemmingsplan of inpassingsplan op het tijdstip van het nemen van de beslissing op de aanvraag nog niet in werking is getreden of in beroep is vernietigd. 2.

Het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing als: a. het gaat om een in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, aangewezen gebied of bouwwerk waarvoor geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn; of b. het bevoegd gezag van oordeel is dat de omgevingsvergunning in afwijking van het eerste lid, aanhef en onder b, toch moet worden verleend.

2 3. In afwijking van het Artikel 2.11, tweede lid eerste lid kan de omgevingsvergunning toch worden verleend als de activiteit niet in strijd is met het in voorbereiding zijnde omgevingsplan respectievelijk het in voorbereiding zijnde omgevingsplan dat voorziet in de bescherming van het stads- of dorpsgezicht.

Paragraaf 2.1.4 Algemene bouwregels Artikel 2.12 Bestaand bouwwerk Binnen het werkingsgebied Omgevingsplan nieuw deel geldt voor bestaande bebouwing die afwijkt van de in dit omgevingsplan toegestane maatvoeringen dat bij (gedeeltelijke) nieuwbouw de afwijkende maatvoering van de bestaande bebouwing geldt als toegestane maatvoering. De afwijking ten opzichte van dit omgevingsplan mag niet worden vergroot.

Artikel 2.13 Onderdoorgang Binnen het werkingsgebied Onderdoorgang

dient een bestaande onderdoorgang

in stand te worden gehouden.

Paragraaf 2.1.5 Algemene bouwregels gebouwen Artikel 2.14 Maximum bouwhoogte Op locaties met een maximum bouwhoogte mag de bouwhoogte van gebouwen maximaal de aangegeven maximum bouwhoogte zijn, in meters.

Artikel 2.15 Maximum goothoogte Op locaties met een maximum goothoogte mag de goothoogte van gebouwen maximaal de aangegeven maximum goothoogte zijn, in meters.

Artikel 2.16 Maximum volume Op locaties met een maximum volume mag het volume van het hoofdgebouw maximaal het aangegeven maximum volume zijn, in kubieke meters.

Artikel 2.17 Bouwvlak Waar in dit omgevingsplan het bouwvlak is genoemd betekent dat het werkingsgebied Bouwvlak binnen het werkingsgebied Omgevingsplan nieuw deel .

Artikel 2.18 Gebouwen binnen het bouwvlak

. Deze regel geldt

Gebouwen mogen gebouwd worden binnen het werkingsgebied Bouwvlak

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=enschede&id=98e814e2-cd8f-42e1-a343-c127b711079e