BIjlage 1_Wijziging omgevingsplan Stadsveld
Tekst van het document
mogen de gronden gebruikt worden voor een maatschappelijke
Artikel 3.67 Behorende bij verenigingsleven Binnen het werkingsgebied Verenigingsleven mogen de gronden gebruikt worden voor bij de activiteit behorende bouwwerken, erven, terreinen, voorzieningen en activiteiten, zoals: • parkeervoorzieningen en laden en lossen; • voorzieningen ten behoeve van warmte-koude-opslag; • nutsvoorzieningen
;
• toegangswegen.
Afdeling 3.16 Verkooppunt motorbrandstoffen met lpg Paragraaf 3.16.1 Gebruiksactiviteiten verkooppunt motorbrandstoffen met lpg Artikel 3.68 Verkooppunt motorbrandstoffen met lpg Binnen het werkingsgebied Verkooppunt motorbrandstoffen met lpg mogen de gronden gebruikt worden voor een verkooppunt van motorbrandstoffen (met en zonder lpg), dat dient voor het afleveren van lpg en overige brandstoffen aan motorvoertuigen voor het wegverkeer en daaraan ondergeschikte, niet zelfstandige detailhandel in aanverwante goederen, met dien verstande dat: a. het bestaande lpg-vulpunt niet mag worden verplaatst; b. binnen een afstand van 25 meter tot het gasreservoir geen kwetsbare objecten en/of beperkt aanwezig mogen zijn; c. de doorzet ten hoogste 1000 m³ mag bedragen.
Artikel 3.69 Behorend bij verkooppunt motorbrandstoffen met lpg Binnen het werkingsgebied Verkooppunt motorbrandstoffen met lpg mogen de gronden gebruikt worden voor bij de activiteit behorende bouwwerken, erven, terreinen, voorzieningen en activiteiten, zoals: • parkeervoorzieningen en laden en lossen; • voorzieningen ten behoeve van warmte-koude-opslag;
• nutsvoorzieningen
;
• toegangswegen.
Paragraaf 3.16.2 Specifieke bouwregels Verkooppunt motorbrandstoffen met lpg Artikel 3.70 Bouwwerken, geen gebouw zijnde Binnen het werkingsgebied Verkooppunt motorbrandstoffen met lpg
gelden de volgende regels:
a. de maximum bouwhoogte van erf- en perceelafscheidingen waarvoor een omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactivitiet bouwwerken nodig is (afscheiding voldoet niet aan Artikel 2.5 onder f) bedraagt 3 meter; b. de bouwhoogte van kunstobjecten en lichtmasten mag maximaal 10 meter bedragen; c. de bouwhoogte van vlaggenmasten waarvoor een omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactivitiet bouwwerken nodig is (hoger dan 6 meter en/of meer dan 1 mast aanwezig op een 'gebouwerf' als bedoeld in het Bbl) mag 10 meter bedragen; d. de maximum bouwhoogte van andere overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt 7 meter; e. voor overkappingen gelden de bouwregels voor gebouwen zoals opgenomen in Paragraaf 2.1.5.
Afdeling 3.17 Wonen Paragraaf 3.17.1 Gebruiksactiviteiten wonen Artikel 3.71 Wonen algemeen Binnen het werkingsgebied Wonen algemeen
is wonen
toegestaan, niet zijnde een kamerverhuurpand
.
Artikel 3.72 Wonen op de verdieping Binnen het werkingsgebied Wonen op de verdieping is wonen toegestaan, niet zijnde een kamerverhuurpand met uitzondering van het wonen op de begane grond en kelderverdieping(en).
,
Artikel 3.73 Wonen op de bovenste verdieping Binnen het werkingsgebied Wonen op de bovenste verdieping , op de bovenste verdieping .
is wonen toegestaan, niet zijnde een kamerverhuurpand
Artikel 3.74 Behorende bij wonen Binnen de werkingsgebieden Wonen algemeen , Wonen op de verdieping en Wonen op de bovenste verdieping mogen de gronden gebruikt worden voor bij de activiteit behorende bouwwerken, erven, terreinen, voorzieningen en activiteiten, zoals: • woningen, bergingen en trappenhuizen; • parkeervoorzieningen en laden en lossen; • voorzieningen ten behoeve van warmte-koude-opslag; • nutsvoorzieningen
;
• toegangswegen.
Artikel 3.75 Bijgebouw ten behoeve van het wonen Binnen het werkingsgebied Bijgebouw wonen functie Wonen .
Artikel 3.76 Strijdig gebruik
mogen de gronden gebruikt worden voor de opslag ten behoeve van de
Binnen de werkingsgebieden Wonen algemeen , Wonen op de verdieping en Wonen op de bovenste verdieping wordt tot een gebruik strijdig met deze activiteit/functie, in aanvulling op het bepaalde in Afdeling 2.2, in ieder geval gerekend: a. het gebruik van vrijstaande bijgebouwen voor iedere vorm van bewoning, anders dan als huisvesting in verband met mantelzorg ; b. het gebruik van gebouwen buiten het bouwvlak als zelfstandige woning; c. het gebruik van garageboxen
voor iedere vorm van bewoning.
Artikel 22.16 3.77 Overbewoning woonruimte 1.
Met het oog op het beschermen van de gezondheid van de bewoners: a. wordt een woning
niet bewoond door meer dan een persoon per 12 m2 gebruiksoppervlakte
b. wordt een woonwagen 2.
; en
niet bewoond door meer dan een persoon per 6 m2 gebruiksoppervlakte
.
Het Artikel 3.77, eerste lid eerste lid is niet van toepassing op woonruimte waarin door het Centraal Orgaan opvang asielzoekers opvang aan asielzoekers wordt geboden.
Paragraaf 3.17.2 Specifieke bouwregels wonen Subparagraaf 3.17.2.1 Bouwen algemeen Artikel 3.78 Bestaande woningen niet splitsen in meerdere grondgebonden woningen Bestaande woningen mogen niet bouwkundig worden gesplitst in meerdere grondbonden woningen. Dit artikel is van toepassing binnen de werkingsgebieden Wonen algemeen verdieping en Wonen op de bovenste verdieping
, Wonen kamerverhuur
, Wonen op de
Artikel 3.79 Maximum aantal woningen Op locaties met een maximum aantal woningen mag het aantal woningen maximaal het aangegeven maximum aantal woningen zijn.
Artikel 3.80 Maximum bebouwingspercentage per bouwperceel 1.
Binnen het werkingsgebied Wonen algemeen :
bedraagt het maximum bebouwingspercentage
per bouwperceel
a. 80% voor percelen met een oppervlakte tot 150 m2; b. 60% voor percelen met een oppervlakte van 150 m2 tot 300 m2, waarbij in ieder geval een oppervlakte van 120 m2 mag worden bebouwd; c. 50% voor percelen met een oppervlakte van 300 m2 tot 500 m2, waarbij in ieder geval een oppervlakte van 180 m2 mag worden bebouwd; d. 40% voor percelen met een oppervlakte groter dan 500 m2, waarbij in ieder geval een oppervlakte van 250 m2 mag worden bebouwd en maximaal een oppervlakte van 300 m2 mag worden bebouwd. 2.
Binnen het werkingsgebied Wonen algemeen is het bepaalde onder Artikel 3.80, eerste lid niet van toepassing op bouwpercelen met gebouwen voor gestapelde appartementen.
Subparagraaf 3.17.2.2 Gebouwen Artikel 3.81 Gebouwen binnen het bouwvlak a. Binnen het werkingsgebied Wonen algemeen is, in afwijking van de ter plekke geldende norm als bedoeld in Artikel 2.14, de maximum bouwhoogte van vrijstaande bijgebouwen 5 meter, met dien verstande dat de bouwhoogte niet hoger mag zijn dan de bouwhoogte van het hoofdgebouw.
b. In afwijking van het bepaalde onder a mag een vrijstaand bijgebouw aan de volgende specifieke beoordelingsregels: 1. de bouwhoogte van het vrijstaand bijgebouw
meer dan 5 meter hoog zijn als wordt voldaan
lager is dan de bouwhoogte van het hoofdgebouw en
2. daarbij wordt voldaan aan de beoordelingsregels in Artikel 1.14.
Artikel 3.82 Gebouwen buiten het bouwvlak Binnen het werkingsgebied Wonen algemeen a. Achter de voorgevelrooilijn meter bedragen;
gelden voor gebouwen buiten het bouwvlak de volgende regels:
mag de bouwhoogte maximaal 5 meter bedragen en mag de goothoogte maximaal 3
b. In afwijking van het bepaalde onder a is een hogere bouw- en/of goothoogte buiten het bouwvlak mogelijk als bij een omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt voldaan aan de volgende specifieke beoordelingsregels: 1. het is een uitbreiding van een gebouw dat binnen het bouwvlak aanwezig is en 2. de bouw- en goothoogte zijn maximaal gelijk aan de binnen het bouwvlak aanwezige bouw- en goothoogte van het uit te breiden gebouw en 3. daarbij wordt voldaan aan de beoordelingsregels in Artikel 1.14. c. Voor de voorgevelrooilijn voorgevel van een woning
zijn geen gebouwen toegestaan, met uitzondering van een erker of portaal aan de onder de volgende voorwaarden:
1. de oppervlakte mag maximaal 6 m2 bedragen of de breedte mag maximaal 2/3 van de gevellengte bedragen; 2. de diepte (horizontaal) mag maximaal 1,5 meter bedragen; 3. de goothoogte mag maximaal 3 meter bedragen; 4. de bouwhoogte mag maximaal 4,5 meter bedragen; 5. de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens bedraagt minimaal 1 meter, tenzij er sprake is van twee aan elkaar gekoppelde erkers bij twee aaneengesloten woningen. d. In afwijking van het bepaalde onder c is het bouwen van een gebouw of overkapping voor de voorgevelrooilijn ook mogelijk als bij een omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt voldaan aan de volgende specifieke beoordelingsregels: 1. de voorgevelrooilijn
wordt met ten hoogste 3 meter overschreden en
2. de afstand tot openbaar toegankelijk gebied bedraagt minimaal 2 meter en 3. de bouwhoogte bedraagt maximaal 3 meter en 4. daarbij wordt voldaan aan de beoordelingsregels in Artikel 1.14. e. In aanvulling op het bepaalde onder a en c geldt voor een bouwperceel met een gebouw met gestapelde appartementen dat de totale oppervlakte aan gebouwen en overkappingen buiten het bouwvlak maximaal 50 m2 mag bedragen. f. In afwijking van het bepaalde onder e is een groter gezamenlijk oppervlak van gebouwen en overkappingen buiten het bouwvlak op een bouwperceel met een gebouw met gestapelde appartementen mogelijk als bij een omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt voldaan aan de volgende specifieke beoordelingsregels: 1. het gezamenlijk oppervlak van gebouwen en overkappingen buiten het bouwvlak is maximaal 75 m² per bouwperceel en
2. het bebouwingspercentage
van het bouwperceel
bedraagt niet meer dan 50% en
3. daarbij wordt voldaan aan de beoordelingsregels in Artikel 1.14.
Artikel 3.83 Gebouwen in werkingsgebied 'Bijgebouw wonen' Binnen het werkingsgebied Bijgebouw wonen 2.12.
gelden de regels voor bestaande bebouwing zoals opgenomen in Artikel
Subparagraaf 3.17.2.3 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Artikel 3.84 Bouwregels bouwwerken, geen gebouwen zijnde Binnen het werkingsgebied Wonen algemeen volgende regels:
gelden voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde de
a. de maximum bouwhoogte van erf- en perceelafscheidingen voor de voorgevelrooilijn waarvoor een omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactivitiet bouwwerken nodig is (afscheiding hoger dan 1 meter) bedraagt 2 meter, waarbij geldt dat ook voldaan moet worden aan de beoordelingsregels in Artikel 1.14. b. de maximum bouwhoogte van erf- en perceelafscheidingen achter de voorgevelrooilijn waarvoor een omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactivitiet bouwwerken nodig is (afscheiding hoger dan 2 meter) bedraagt 3 meter, waarbij geldt dat ook voldaan moet worden aan de beoordelingsregels in in Artikel 1.14. c. de maximum bouwhoogte van vlaggenmasten waarvoor een omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactivitiet bouwwerken nodig is (hoger dan 6 meter en/of meer dan 1 mast aanwezig op een 'gebouwerf' als bedoeld in het Bbl) bedraagt 10 meter, waarbij geldt dat ook voldaan moet worden aan de beoordelingsregels in Artikel 1.14. d. voor overkappingen gelden de bouwregels voor gebouwen als opgenomen in Subparagraaf 3.17.2.1 en Subparagraaf 3.17.2.2; e. voor de bouw danwel aanpassing van een paardrijbak
gelden de regels in Artikel 2.24;
f. in aanvulling op het bepaalde onder e geldt dat de maximum bouwhoogte van lichtmasten ten behoeve van een paardrijbak 6 meter bedraagt; g. andere bouwwerken, geen gebouwen zijnde mogen uitsluitend achter de voorgevelrooilijn een maximum bouwhoogte van 5 meter.
worden gebouwd, met
Paragraaf 3.17.3 Kamerverhuur Subparagraaf 3.17.3.1 Gebruik kamerverhuurpanden Artikel 3.85 Toepassingsbereik Deze subparagraaf is van toepassing binnen de werkingsgebieden Wonen algemeen Wonen op de verdieping , Wonen op de bovenste verdieping .
, Wonen kamerverhuur
,
Artikel 3.86 Algemeen: Woning gebruiken voor kamerverhuur 1.
Het gebruik van een woning voor kamerverhuur is, in afwijking van Artikel 3.71, Artikel 3.72 en Artikel 3.73, uitsluitend toegestaan in een bestaand of vergund kamerverhuurpand .
2.
Het is niet toegestaan het aantal kamers in een bestaand of vergund kamerverhuurpand
te vergroten.
Artikel 3.87 Uitsterfbepaling Het is verboden een bestaand of vergund kamerverhuurpand of een kamerverhuurpand 3.89 opnieuw te gebruiken als kamerverhuurpand als het gebruik als kamerverhuurpand onderbroken.
dat vergund is middels Artikel één jaar of meer is
Subparagraaf 3.17.3.2 Omgevingsplanactiviteit Woning gebruiken voor kamerverhuur Artikel 3.88 Toepassingsbereik De artikelen in deze subparagraaf, met uitzondering van Artikel 3.92, zijn alleen van toepassing in de werkingsgebieden: Wonen algemeen , Wonen op de verdieping , Wonen op de bovenste verdieping .
Artikel 3.89 Nieuw kamerverhuurpand Het gebruik van een woning als nieuw kamerverhuurpand voorwaarde van een omgevingsvergunning.
is in afwijking van Artikel 3.86, eerste lid mogelijk op
Artikel 3.90 Vergroten kamerverhuurpand Het vergroten van het aantal kamers in een bestaand of vergund kamerverhuurpand lid mogelijk op voorwaarde van een omgevingsvergunning.
is in afwijking van Artikel 3.86, tweede
Artikel 3.91 Beoordelingsregels omgevingsplanactiviteit kamerverhuurpand 1.
De omgevingsvergunning als bedoeld in Artikel 3.89 en Artikel 3.90 wordt alleen verleend als wordt voldaan aan alle volgende voorwaarden: a. De omgevingsvergunning moet worden geweigerd als er: 1. Binnen een afstand van 50 meter van het aangevraagde kamerverhuurpand kamerverhuurpand aanwezig is.
een bestaand of vergund
2. Binnen een afstand van 50 meter van het aangevraagde kamerverhuurpand reeds een omgevingsvergunningaanvraag is ingediend (en nog niet is verleend of geweigerd) voor het realiseren van een kamerverhuurpand . 3. Binnen een afstand van 50 meter van het aangevraagde kamerverhuurpand woning aanwezig is met een oppervlakte van kleiner of gelijk aan 50 m². 4. Een bestaand of vergund kamerverhuurpand wordt aangevraagd;
een rechtens aanwezige
aanwezig is in het gebouw waar de omgevingsvergunning
b. Het aantal afzonderlijk te verhuren kamers bedraagt niet meer dan 7; c. Het aangevraagde kamerverhuurpand :
voldoet aan de volgende minimale gebruiksoppervlakte kamerverhuur
1. minimaal 75 m2 bij 3 kamers 2. minimaal 100 m2 bij 4 kamers 3. minimaal 120 m2 bij 5 kamers 4. minimaal 140 m2 bij 6 kamers 5. minimaal 160 m2 bij 7 kamers d. Op eigen terrein is een bereikbare in- of uitpandige bergingsruimte aanwezig voor de stalling van fietsen, afvalcontainer(s) of afvalzakken met een oppervlakte van: 1. Bij 4 kamers of minder: Tenminste 6 m² bergruimte; 2. Bij 5 kamers of meer: Tenminste 7 m² bergruimte en 1m² extra bergruimte voor iedere extra kamer. e. Er wordt voldaan het bepaalde in Artikel 1.14. f. Naar het oordeel van burgemeester en wethouders is er geen sprake van een kwetsbaar beeld van het woon- en leefklimaat in de omgeving. De beoordeling hiervan vindt plaats aan de hand van de beleidsregel 'Onzelfstandige bewoning Enschede 2022' dan wel, als deze tussentijds wordt gewijzigd of vervangen door een andere beleidsregel, aan deze gewijzigde respectievelijk vervangende beleidsregel. g. Bij het verlenen van een omgevingsvergunning als bedoeld in Artikel 3.89 (nieuw kamerverhuurpand periode van 10 jaar daaraan voorafgaand geen omgevingsvergunning verleend voor een appartement meerdere) in de betreffende woning op grond van: 1. Artikel 3.97; of
), is in een (of
2. Bestemmingsplan 'Kwalitatief sturen op appartementen 2022'. 2.
Bij een omgevingsvergunning als bedoeld in Artikel 3.89 en Artikel 3.90 voor aantoonbare huisvesting van een doelgroep van beleid uit de gemeentelijke Woonvisie (en diens rechtsopvolgers), door woningbouwcorporaties waarmee prestatieafspraken zijn gemaakt, zijn de beoordelingsregels in Artikel 3.91, eerste lid van overeenkomstige toepassing. Daarbij kunnen burgemeester en wethouders gemotiveerd afwijken van het bepaalde onder sub a, b, c, f en g.
3.
De afstand van een kamerverhuurpand tot een bestaand of vergund kamerverhuurpand Artikel 3.91, eerste lid sub a, wordt als volgt gemeten:
, zoals genoemd in artikel
a. De afstand wordt gemeten tussen ieder mogelijk punt op de perceelsgrenzen van het bouwperceel waarop het beoogde kamerverhuurpand gelegen is en ieder mogelijk punt op de perceelsgrenzen van het bouwperceel waarop de panden genoemd in Artikel 3.91, eerste lid sub a gelegen zijn; b. Bij een beoogd kamerverhuurpand in een gebouw met gestapelde appartementen wordt, ongeacht de locatie van het beoogde kamerverhuurpand in het gebouw met gestapelde appartementen, de afstand ook gemeten vanaf ieder mogelijk punt vanaf de perceelsgrenzen van het bouwperceel waarop het gebouw met gestapelde appartementen gelegen is.
Artikel 3.92 Aanvraagvereisten Woning gebruiken voor kamerverhuur Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in Artikel 3.89 en Artikel 3.90 worden de volgende gegevens verstrekt: a. Het totaal aantal afzonderlijk te verhuren kamers. b. Indien het een bestaand of vergund kamerverhuurpand afzonderlijk wordt verhuurd.
betreft: het aantal kamers dat in de bestaande situatie
c. Een plattegrond waarop is aangegeven: 1. De totale gebruiksoppervlakte kamerverhuur
in de nieuwe situatie;
2. Het aantal te verhuren kamers, genummerd per kamer en met vermelding van de oppervlakte per kamer. 3. De in- of uitpandige bergingsruimte, met vermelding van de oppervlakte. 4. De overige ruimtes, met vermelding van de oppervlakte per ruimte. d. Gegevens ten behoeve van de toets op basis van de Wet Bibob. Toepassingsbereik Dit artikel is van toepassing in de in Artikel 3.88 bedoelde werkingsgebieden. Aanvullend zijn de aanvraagvereisten in dit artikel, binnen het werkingsgebied Omgevingsplan tijdelijk deel - onzelfstandige bewoning , overeenkomstig van toepassing op een aanvraag om een omgevingsvergunning op grond van het bestemmingsplan "Onzelfstandige bewoning Enschede 2022".
Paragraaf 3.17.4 Appartementen Artikel 3.93 Toepassingsbereik Deze subparagraaf is van toepassing binnen de werkingsgebieden Wonen algemeen Wonen op de bovenste verdieping .
, Wonen op de verdieping
Artikel 3.94 Verbod op het realiseren en gebruiken van appartementen Het realiseren en gebruiken van een appartement
is niet toegestaan.
Artikel 3.95 Uitzondering voor vergunde appartementen Het in Artikel 3.94 bedoelde verbod geldt niet voor een appartement , waarvoor een omgevingsvergunning is verleend voorafgaand aan de inwerkingtreding van dit omgevingsplan op de betreffende locatie van de appartementen.
en
Artikel 3.96 Gebruiksregels en specifieke bouwregels voor appartementen Voor zover in afwijking van Artikel 3.94 het realiseren en gebruik van appartementen is of kan worden toegestaan, gelden daarvoor de volgende voorwaarden: a. Het minimum gebruiksoppervlak per appartement
bedraagt 75 m2;
b. De hoofdtoegang van het appartement , dan wel de toegang tot de gemeenschappelijke verkeersruimte meerdere appartementen, is gesitueerd op maximaal 5 meter vanaf de openbare weg;
van
c. Appartementen moeten beschikken over een fietsenberging die niet rechtstreeks toegankelijk is vanuit het appartement en buitenruimte van voldoende omvang. Daarvan is sprake indien elk appartement beschikt over: 1. een eigen fietsenberging van 5 m2 of een collectieve fietsenberging, waarbij wordt voldaan aan de geldende normen voor fietsparkeren in de beleidsregel 'Nota Parkeernormen gemeente Enschede 2025', of in een beleidsregel die deze Nota wijzigt of vervangt. 2. een eigen buitenruimte met een oppervlak van tenminste 6 m2 of een collectieve buitenruimte van tenminste 6m2 per appartement , bijvoorbeeld in de vorm van een dakterras, balkon of loggia; d. Er is geen sprake van het realiseren van appartementen in bestaande bebouwing
buiten het bouwvlak;
e. Het is niet toegestaan om appartementen te splitsen in kleinere appartementen.
Artikel 3.97 Omgevingsplanactiviteit realiseren en gebruiken appartementen 1.
In afwijking van Artikel 3.94 kan in de volgende situaties een omgevingsvergunning worden verleend voor realisatie en/of gebruik van een appartement : a. in of bij een monument of een in het geldende omgevingsplan als 'karakteristiek' aangewezen cultuurhistorisch waardevol gebouw; b. dat de aantoonbare huisvesting betreft van een doelgroep van programmering als genoemd in de gemeentelijke Woonvisie betreft, dan wel diens rechtsopvolger; c. dat een sociale huurwoning zijn gemaakt.
2.
betreft voor huisvesting door woningbouwcorporaties waarmee prestatieafspraken
Voor (een aanvraag om) een omgevingsvergunning als bedoeld in Artikel 3.97, eerste lid zijn, voor wat de omgevingsplanactiviteit bouwwerken betreft, de vergunningplicht en aanvraagvereisten opgenomen in Paragraaf 2.1.1. Daarnaast zijn voor wat het gebruik betreft de in Artikel 1.27 bedoelde aanvraagvereisten van toepassing.
Artikel 3.98 Beoordelingsregels omgevingsplanactiviteit realiseren en gebruiken appartementen 1.
Een omgevingsvergunning als bedoeld in Artikel 3.97, eerste lid wordt alleen verleend als wordt voldaan aan het bepaalde in Artikel 1.14 en Artikel 3.96. Aanvullend geldt per onderdeel van Artikel 3.97, eerste lid: • onderdeel a: het toevoegen van een appartement karakteristieke waarden.
dient aantoonbaar bij te dragen aan het behoud van de
• onderdeel b: er kan worden afgeweken van Artikel 3.96 onderdeel a. • onderdeel c: • er kan worden afgeweken van Artikel 3.96 onderdeel a en c sub 2; en • voor de sociale huurwoning geldt de minmale instandhoudingstermijn als bedoeld in de 'Doelgroepenverordening sociale huur en middenhuur Enschede 2021' (of diens rechtsopvolger).
Afdeling 3.18 Zorginstelling
Paragraaf 3.18.1 Gebruiksactiviteiten zorginstelling Artikel 3.99 Zorginstelling Binnen het werkingsgebied Zorginstelling mogen de gronden gebruikt worden voor een maatschappelijke voorziening in de vorm van een zorginstelling en kinderopvang .
Artikel 3.100 Behorende bij zorginstelling Binnen het werkingsgebied Zorginstelling mogen de gronden gebruikt worden voor bij de activiteit behorende bouwwerken, erven, terreinen, voorzieningen en activiteiten, zoals: • parkeervoorzieningen en laden en lossen; • voorzieningen ten behoeve van warmte-koude-opslag; • nutsvoorzieningen; • toegangswegen.
Hoofdstuk 5 [Gereserveerd] Activiteiten per thema Afdeling 5.1 Bodem en ondergrond Paragraaf 5.1.1 Bodemkwaliteit Artikel 5.1 (Nadere) Beoordelingsregels bodemkwaliteit bij omgevingsplanactiviteit bouwwerken 1.
Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk (de vergunning als bedoeld in Artikel 2.1), wordt de omgevingsvergunning, als deze betrekking heeft op een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie, alleen verleend als ook: a. de toelaatbare kwaliteit van de bodem niet wordt overschreden; of b. aannemelijk is dat sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen als er wel een overschrijding van de toelaatbare kwaliteit van de bodem is. Een sanerende of andere beschermende maatregel is in ieder geval een sanering overeenkomstig paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
2.
Van het overschrijden van de toelaatbare kwaliteit van de bodem, als bedoeld in Artikel 5.1, eerste lid onder a, is sprake als voor ten minste één stof de gemiddelde gemeten concentratie in meer dan 25 m3 bodemvolume hoger is dan de interventiewaarde bodemkwaliteit, bedoeld in bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving.
3.
Het zinsdeel “in meer dan 25 m3 bodemvolume” in Artikel 5.1, tweede lid is niet van toepassing voor zover het gaat om aanwezigheid van asbest.
Artikel 5.2 Voorschrift omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie: bodem geschikt maken voor beoogd doel Artikel 1.10 van de Vangnetregeling Omgevingswet is ook van toepassing op dit omgevingsplan in het werkingsgebied Omgevingsplan nieuw deel .
Artikel 22.31 5.3 Voorschrift omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken bodemgevoelig gebouw op bodemgevoelige locatie: na einde activiteit Aan een omgevingsvergunning voor een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie die is verleend met toepassing van Artikel 22.29 5.1, eerste lid, aanhef en onder c b, onder 2, wordt in ieder geval het voorschrift verbonden dat het gebouw, of een gedeelte daarvan, alleen in gebruik wordt genomen nadat het college van burgemeester en wethouders is geïnformeerd over de wijze waarop er een of meer sanerende of andere beschermende maatregelen zijn getroffen als bedoeld in Artikel 22.29 5.1 .
Afdeling 5.2 Cultureel erfgoed
Paragraaf 5.2.1 Cultuurhistorie Subparagraaf 5.2.1.1 Karakteristieke objecten Artikel 5.4 Algemene regel bouwkundige wijzigingen karakteristiek Binnen het werkingsgebied Karakteristiek zijn bouwkundige wijzigingen toegestaan aan de karakteristieke hoofdvorm en/of karakteristieke elementen van bebouwing , daaronder ook verstaan het geheel of gedeeltelijk slopen van bebouwing , als die niet strijdig zijn met andere bouwregels en voldoen aan tenminste één van de volgende voorwaarden: a. Ze waren ten tijde van inwerkingtreding van de wijziging van het Omgevingsplan voor de locatie van de betreffende bebouwing toegestaan en in uitvoering; b. Het betreft normaal onderhoud en beheer van karakteristieke bebouwing
;
c. Ze zijn niet zichtbaar vanuit het openbaar toegankelijk gebied, tenzij; 1. het wijzigingen aan bebouwing betreft die zichtbaar vanuit openbaar toegankelijk gebied zijn te maken door het rooien van beplanting of het weghalen van een erfafscheiding; 2. het wijzigingen betreft aan objecten buiten de bebouwde kom; d. Anders dan bedoeld onder a t/m c en waarbij de cultuurhistorisch deskundige oordeelt dat er geen sprake is van een wijziging, al dan niet van geringe omvang, van de karakteristieke hoofdvorm en/of karakteristieke elementen van de bebouwing .
Artikel 5.5 Omgevingsplanactiviteit slopen van een bouwwerk Binnen het werkingsgebied Karakteristiek is het verboden zonder omgevingsvergunning een bouwwerk geheel of gedeeltelijk te slopen in andere gevallen dan bedoeld in Artikel 5.4. Op deze omgevingsplanactiviteit zijn de beoordelingsregels als bedoeld in Artikel 5.7 van toepassing.
Artikel 5.6 Omgevingsplanactiviteit bouwwerken: aanvulling vergunningplicht Binnen het werkingsgebied Karakteristiek wordt onder het verbod als bedoeld in Artikel 2.1, ook het aanbrengen van bouwkundige wijzigingen anders dan bedoeld in Artikel 5.4 verstaan. Op deze omgevingsplanactiviteit zijn de beoordelingsregels als bedoeld in Artikel 5.7 van toepassing.
Artikel 5.7 Beoordelingsregels omgevingsplanactiviteiten slopen en bouwwerken Binnen het werkingsgebied Karakteristiek 5.6 de volgende beoordelingsregels:
gelden voor de omgevingsplanactiviteiten als bedoeld in Artikel 5.5 en Artikel
a. De aangevraagde bouwkundige wijzigingen zijn aanvaardbaar in relatie tot de karakteristieke hoofdvorm en karakteristieke elementen van het karakteristieke object. Deze beoordeling vindt plaats aan de hand van de beleidsregel 'Koesteren cultuurhistorie' dan wel, in het geval deze tussentijds wordt gewijzigd of vervangen door een andere beleidsregel, aan deze gewijzigde of vervangende beleidsregel. b. De omgevingsvergunning wordt in ieder geval verleend in de volgende gevallen: 1. de karakteristieke hoofdvorm en karakteristieke elementen zijn niet langer aanwezig en kunnen niet zonder ingrijpende wijzigingen aan de bebouwing worden hersteld; 2. de karakteristieke hoofdvorm en karakteristieke elementen zijn in redelijkheid niet langer te handhaven. c. Alvorens de omgevingsvergunning wordt verleend, vragen burgemeester en wethouders altijd advies aan een cultuurhistorisch deskundige .
Subparagraaf 5.2.1.2 Cultuurhistorische structuur Artikel 5.8 Algemene regel bouwkundige wijzigingen Binnen het werkingsgebied Cultuurhistorische structuur tenminste één van de volgende voorwaarden:
zijn bouwkundige wijzigingen toegestaan als deze voldoen aan
a. Ze waren ten tijde van inwerkingtreding van de wijziging van het Omgevingsplan voor de locatie van de betreffende cultuurhistorische structuur toegestaan en in uitvoering. b. Het betreft normaal onderhoud en beheer aan een cultuurhistorische structuur
.
c. Anders dan bedoeld onder a en b en het op basis van het oordeel van de cultuurhistorisch deskundige van geringe omvang is of wordt uitgevoerd aan/in een onderdeel van de 'cultuurhistorische structuur' dat niet bijdraagt aan de waarde van de 'cultuurhistorische structuur'.
Artikel 5.9 Omgevingsplanactiviteit slopen van een bouwwerk Binnen het werkingsgebied Cultuurhistorische structuur is het verboden zonder omgevingsvergunning een bouwwerk geheel of gedeeltelijk te slopen in andere gevallen dan bedoeld in Artikel 5.8. Op deze omgevingsplanactiviteit zijn de beoordelingsregels als bedoeld in Artikel 5.13 van toepassing.
Artikel 5.10 Omgevingsplanactiviteit bouwwerken: aanvulling vergunningplicht Binnen het werkingsgebied Cultuurhistorische structuur wordt onder het verbod als bedoeld in Artikel 2.1, ook verstaan het aanbrengen van bouwkundige wijzigingen anders dan bedoeld in Artikel 5.8. Op deze omgevingsplanactiviteit zijn de beoordelingsregels als bedoeld in Artikel 5.13 van toepassing.
Artikel 5.11 Algemene regel uitvoeren van een werk, niet zijnde bouwwerk, of werkzaamheid Binnen het werkingsgebied Cultuurhistorische structuur is het uitvoeren van een werk, niet zijnde bouwwerk, of werkzaamheid, toegestaan als het voldoet aan tenminste één van de volgende voorwaarden: a. Het was ten tijde van inwerkingtreding van de wijziging van het Omgevingsplan voor de locatie van de betreffende cultuurhistorische structuur toegestaan en in uitvoering. b. Het betreft normaal onderhoud en beheer aan een cultuurhistorische structuur verharding en het snoeien van hagen en struiken.
, zoals vervanging van bestaande
c. Anders dan bedoeld onder a en b en het op basis van het oordeel van de cultuurhistorisch deskundige van geringe omvang is of wordt uitgevoerd aan/in een onderdeel van de 'cultuurhistorische structuur' dat niet bijdraagt aan de waarde van de 'cultuurhistorische structuur'.
Artikel 5.12 Omgevingsplanactiviteit uitvoeren van een werk, niet zijnde bouwwerk, of werkzaamheid Binnen het werkingsgebied Cultuurhistorische structuur is het verboden zonder omgevingsvergunning een werk, niet zijnde bouwwerk, of werkzaamheid, uit te (laten) voeren, voor zover de volgende omstandigheden beide van toepassing zijn: a. de werken of werkzaamheden zijn aanwezig in of zijn zichtbaar vanuit het openbaar toegankelijk gebied danwel hebben een invloed die zichtbaar is vanuit het openbaar toegankelijk gebied; b. het betreft typen werken of werkzaamheden die aanwezige cultuurhistorische waarden kunnen aantasten. Daarbij gaat het in ieder geval om: 1. het aanleggen, verleggen of verharden van wegen, paden of andere (half)verhardingen; 2. het vellen, rooien of verwijderen van bomen, hagen en andere houtopstanden; 3. het graven en/of dempen van waterlopen (met uitzondering van greppels).
Artikel 5.13 Beoordelingsregels omgevingsplanactiviteiten slopen, bouwwerken en uitvoeren van een werk, niet zijnde bouwwerk, of werkzaamheid Binnen het werkingsgebied Cultuurhistorische structuur gelden voor de omgevingsplanactiviteiten als bedoeld in Artikel 5.9, Artikel 5.10 en Artikel 5.12 de volgende beoordelingsregels: a. de werken of werkzaamheden zijn aanvaardbaar in relatie tot de waarde van de cultuurhistorische structuur. Deze beoordeling vindt plaats aan de hand van de beleidsregel 'Koesteren cultuurhistorie' dan wel, in het geval deze tussentijds wordt gewijzigd of vervangen door een andere beleidsregel, aan deze gewijzigde of vervangende beleidsregel.
b. de omgevingsvergunning wordt geweigerd als door de activiteiten, danwel door de daarvan direct of indirect te verwachten gevolgen, de aanwezige 'cultuurhistorische structuur' in onevenredige mate wordt of kan worden aangetast, tenzij er een noodzaak bestaat vanuit zwaarwegende (andere) maatschappelijke belangen en er in dat geval geen redelijke alternatieven voorhanden zijn. c. de omgevingsvergunning wordt in ieder geval verleend in de volgende gevallen: 1. de 'cultuurhistorische structuur' is niet langer aanwezig en kan niet zonder ingrijpende wijzigingen worden hersteld danwel is in redelijkheid niet langer te handhaven; 2. de aantasting van de 'cultuurhistorische structuur', als bedoeld onder b, wordt voldoende weggenomen door bouwwerken (zoals nieuwbouw na sloop) of andere werken (zoals herplant van houtopstanden) die de herkenbaarheid en opzet van de oorspronkelijke structuur respecteren. d. alvorens de omgevingsvergunning wordt verleend, vragen burgemeester en wethouders altijd advies aan een cultuurhistorisch deskundige .
Paragraaf 5.2.2 Archeologie Subparagraaf 5.2.2.1 Archeologische onderzoeksgebieden Artikel 5.14 Omgevingsplanactiviteit bouwwerken: aanvulling vergunningplicht 1.
Onder het verbod als bedoeld in Artikel 2.1 wordt ook verstaan het aanbrengen van bouwkundige wijzigingen ter plaatse van het werkingsgebied Archeologisch onderzoeksgebied a , die een bodemverstoring veroorzaken dieper dan 50 cm onder het maaiveld en met een grotere oppervlakte dan 250 m².
2.
Onder het verbod als bedoeld in Artikel 2.1 wordt ook verstaan het aanbrengen van bouwkundige wijzigingen ter plaatse van het werkingsgebied Archeologisch onderzoeksgebied b , die een bodemverstoring veroorzaken dieper dan 50 cm onder het maaiveld en met een grotere oppervlakte dan 2.500 m².
Artikel 5.15 Omgevingsplanactiviteit uitvoeren van een werk, niet zijnde bouwwerk, of werkzaamheid 1.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een werk, niet zijnde bouwwerk, of werkzaamheid, uit te (laten) voeren ter plaatse van Archeologisch onderzoeksgebied a , die een bodemverstoring veroorzaken dieper dan 50 cm onder het maaiveld en met een grotere oppervlakte dan 250 m².
2.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een werk, niet zijnde bouwwerk, of werkzaamheid, uit te (laten) voeren ter plaatse van werkingsgebied Archeologisch onderzoeksgebied b , die een bodemverstoring veroorzaken dieper dan 50 cm onder het maaiveld en met een grotere oppervlakte dan 2.500 m².
Artikel 5.16 Beoordelingsregels omgevingsplanactiviteiten bouwwerken en uitvoeren van een werk, niet zijnde bouwwerk, of werkzaamheid Binnen de werkingsgebieden Archeologisch onderzoeksgebied a en Archeologisch onderzoeksgebied b voor de omgevingsplanactiviteiten als bedoeld in Artikel 5.14 en Artikel 5.15 de volgende beoordelingsregels:
gelden
a. Uit archeologisch vooronderzoek blijkt dat ter plaatse geen archeologische waarden aanwezig zijn dan wel indien daardoor geen onevenredige aantasting plaats vindt van de aanwezige archeologische waarden. b. Burgemeester en wethouders afzien van het laten uitvoeren van archeologisch vooronderzoek als bedoeld onder a indien zij van oordeel zijn dat door bodemingrepen het terrein ter plaatse reeds zodanig is verstoord dat er redelijkerwijs geen sprake meer is van mogelijke aantasting van archeologische waarden. c. Burgemeester en wethouders advies hebben gevraagd aan de regioarcheoloog.
Subparagraaf 5.2.2.2 Voorschriften omgevingsvergunning in belang van archeologie Artikel 22.34 5.17 Voorschriften over archeologische monumentenzorg binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken 1.
Als dat in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, is bepaald, kunnen aan een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit in het belang van de archeologische monumentenzorg voorschriften worden verbonden.
2.
Artikel 22.303, eerste lid, is op het verbinden van die voorschriften van overeenkomstige toepassing.
Afdeling 5.3 Externe en fysieke veiligheid Paragraaf 5.3.1 Risicogebied lpg Artikel 5.18 Risicogebied lpg 1.
Binnen het werkingsgebied Risicogebied lpg
zijn geen kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten toegestaan.
2.
Binnen het werkingsgebied Risicogebied lpg geldt het onder Artikel 5.18, eerste lid genoemde verbod niet indien er sprake is van functionele binding conform artikel 5.5. Besluit kwaliteit leefomgeving.
3.
Binnen het werkingsgebied Risicogebied lpg geldt het onder Artikel 5.18, eerste lid genoemde verbod niet indien er sprake is van eerbiedigende werking conform artikel 5.3a. Besluit kwaliteit leefomgeving.
Paragraaf 5.3.2 Bouwen en opslag nabij perceelsgrenzen in relatie tot veiligheid Artikel 5.19 Specifieke bouwregel voor bouwwerken nabij perceelsgrenzen Vanuit het oogpunt van rampenbestrijding geldt aanvullend op de overige van toepassing zijnde bouwregels het volgende. Binnen de werkingsgebieden Bedrijf en Tuincentrum mag op de volgende locaties alleen bebouwing worden opgericht als het oprichten van bebouwing uit het oogpunt van rampenbestrijding geen gevaar oplevert: a. Binnen een afstand van 3,5 meter van een niet langs een openbare weg of openbaar groen gelegen zijdelingse perceelsgrens. b. Binnen een afstand van 5 meter van een niet langs een openbare weg of openbaar groen gelegen achterste perceelsgrens
Artikel 5.20 Opslag nabij perceelsgrenzen Vanuit het oogpunt van rampenbestrijding geldt aanvullend op de overige van toepassing zijnde gebruiksregels het volgende. Binnen de werkingsgebieden Bedrijf en Tuincentrum mag op de volgende locaties alleen opslag van goederen plaatsvinden als de opslag van goederen uit het oogpunt van rampenbestrijding geen gevaar oplevert: a. Binnen een afstand van minder dan 3,5 meter van een niet langs een openbare weg of openbaar groen gelegen zijdelingse perceelsgrens. b. Binnen een afstand van minder dan 5 meter van een niet langs een openbare weg of openbaar groen gelegen achterste perceelsgrens.
Paragraaf 5.3.3 Bereikbaarheid hulpdiensten en bluswater Artikel 22.13 5.21 Bluswatervoorziening 1.
Met het oog op het waarborgen van de veiligheid heeft een bouwwerk een toereikende bluswatervoorziening, tenzij de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk dat niet vereist.
2.
De afstand tussen de bluswatervoorziening en een brandweeringang als bedoeld in artikel 3.129 of 4.226 van het Besluit bouwwerken leefomgeving of, als deze niet aanwezig is, een toegang van het bouwwerk is ten hoogste 40 m.
3.
De bluswatervoorziening is onbeperkt toegankelijk voor bluswerkzaamheden.
Artikel 22.14 5.22 Bereikbaarheid bouwwerk voor hulpverleningsdiensten 1.
Met het oog op het waarborgen van de veiligheid ligt tussen de openbare weg en ten minste een toegang van een gebouw of ander bouwwerk voor het verblijven van personen een verbindingsweg die geschikt is voor voertuigen van de brandweer en andere hulpverleningsdiensten.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing: a. op een gebruiksfunctie met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 1.000 m2 en een vuurbelasting van ten hoogste 500 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090;
b. op een bouwwerk met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m2; c. op een lichte industriefunctie alleen voor het bedrijfsmatig telen, kweken of opslaan van gewassen of daarmee vergelijkbare producten, met een permanente vuurbelasting van ten hoogste 150 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; d. als de toegang van het bouwwerk op ten hoogste 10 m van een openbare weg ligt; of e. als de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk geen verbindingsweg vereist. 3.
Tenzij elders in dit omgevingsplan of een gemeentelijke verordening anders bepaald, heeft een verbindingsweg: a. een breedte van ten minste 4,5 m; b. een verharding over een breedte van ten minste 3,25 m die geschikt is voor motorvoertuigen met een massa van ten minste 14.600 kilogram; c. een vrijgehouden hoogte boven de kruin van de weg van ten minste 4,2 m; en d. een doeltreffende afwatering.
4.
Een verbindingsweg is over de voorgeschreven hoogte en breedte, bedoeld in het derde lid, vrijgehouden voor voertuigen van de brandweer en andere hulpverleningsdiensten.
5.
Hekwerken die een verbindingsweg afsluiten, kunnen door hulpdiensten snel en gemakkelijk worden geopend of worden ontsloten met een systeem dat in overleg met het bevoegd gezag is bepaald.
Artikel 22.15 5.23 Opstelplaatsen voor brandweervoertuigen 1.
Met het oog op het waarborgen van de veiligheid zijn bij een bouwwerk voor het verblijven van personen zodanige opstelplaatsen voor brandweervoertuigen dat een doeltreffende verbinding tussen die voertuigen en de bluswatervoorziening kan worden gelegd.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing: a. op een gebruiksfunctie met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 1.000 m2 en een vuurbelasting van ten hoogste 500 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090 ; b. op een bouwwerk met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m2; c. op een lichte industriefunctie alleen voor het bedrijfsmatig telen, kweken of opslaan van gewassen of daarmee vergelijkbare producten, met een permanente vuurbelasting van ten hoogste 150 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090 ; of d. als de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk geen opstelplaatsen vereist.
3.
De afstand tussen een opstelplaats en een brandweeringang als bedoeld in artikel 3.129 of 4.226 van het Besluit bouwwerken leefomgeving of, als deze niet aanwezig is, een toegang van het bouwwerk is ten hoogste 40 m.
4.
Een opstelplaats voor brandweervoertuigen is over de hoogte en breedte, bedoeld in Artikel 22.14, derde lid, vrijgehouden voor brandweervoertuigen.
5.
Hekwerken die een opstelplaats afsluiten, kunnen door hulpdiensten snel en gemakkelijk worden geopend of worden ontsloten met een systeem dat in overleg met het bevoegd gezag is bepaald.
Afdeling 5.4 Geluid Paragraaf 5.4.1 Geluidzone industrie Subparagraaf 5.4.1.1 Specifieke bouwregels geluidzone industrie Artikel 5.24 Voorrangsregeling Binnen het werkingsgebied geluidzone - industrie de regels van dit plan.
hebben de regels uit Artikel 5.25 voorrang op het bepaalde elders in
Artikel 5.25 Geluidzone industrie Binnen het werkingsgebied geluidzone - industrie geluidgevoelige terreinen worden aangelegd tenzij:
mogen geen geluidgevoelige gebouwen worden gebouwd en geen
a. er sprake is van het vernieuwen, veranderen of vergroten van geluidgevoelige gebouwen of geluidgevoelige terreinen overeenkomstig de regels van dit plan, mits daarbij: 1. de afstand tot het gezoneerd industrieterrein
niet wordt verkleind en
2. de bouwhoogte van het gebouw niet toeneemt en 3. het aantal woningen of geluidsgevoelige gebouwen of geluidsgevoelige terreinen niet toeneemt en 4. wordt voldaan aan de van toepassing zijnde eisen voor de karakteristieke geluidwering uit het voormalige Bouwbesluit (zoals dat luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet) . b. burgemeester en wethouders ten behoeve van de bouw van de geluidsgevoelige gebouwen of aanleg van geluidsgevoelige terreinen een hogere grenswaarde hebben vastgesteld (op grond van de voormalige Wet geluidhinder) en wordt voldaan aan de van toepassing zijnde eisen voor de karakteristieke geluidwering uit het voormalige Bouwbesluit (zoals dat luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet). c. door middel van akoestisch onderzoek wordt aangetoond dat door het treffen van een maatregel een situatie kan worden gecreëerd, waardoor wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde (als bedoeld in de voormalige Wet geluidhinder); d. de naar het gezoneerd industrieterrein gekeerde gevel van het geluidsgevoelige gebouw voldoet aan de voorwaarden zoals vermeld in artikel 1b, lid 4 van de Wet geluidhinder (zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet) en door middel van akoestisch onderzoek is aangetoond dat minimaal sprake is van één geluidluwe gevel (geluidsbelasting minder dan 50 dB(A)).
Afdeling 5.5 Parkeren Artikel 5.26 Algemene regels parkeren a. Binnen het werkingsgebied Omgevingsplan nieuw deel moet bij het (ver)bouwen van bouwwerken en/of het wijzigen van het gebruik van bouwwerken en/of gronden, gelet op de omvang en het gebruik daarvan, in voldoende mate worden voorzien in ruimte voor: 1. het parkeren van auto's; 2. het stallen van fietsen; 3. het stallen van brommers, scooters en andere soortgelijke vervoersmiddelen. b. De onder a genoemde voorzieningen worden gerealiseerd en in stand gehouden op eigen terrein
.
c. In afwijking van b is het mogelijk om de voorzieningen als bedoeld onder a niet (geheel) op eigen terrein realiseren, onder de volgende voorwaarden:
te
1. Er wordt aantoonbaar op andere wijze in de nodige parkeer- of stallingsruimte voorzien; 2. In het geval van een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken en/of voor het wijzigen van het gebruik van bouwwerken en/of gronden wordt voldaan aan de algemene beoordelingsregel in Artikel 1.14. 3. Stallingsplaatsen voor fietsen van bewoners en gebruikers van appartementen dienen inpandig (in een gebouw of onder een overkapping ) te worden gerealiseerd. d. Bij de beoordeling of er wordt voldaan aan het genoemde onder a gelden de parkeernormen en andere richtlijnen (zoals afmetingen van parkeerplaatsen) in de beleidsregel 'Nota Parkeernormen gemeente Enschede 2025' of in een beleidsregel die deze Nota wijzigt of vervangt.
Artikel 5.27 Beoordelingsregels parkeren bij omgevingsplanactiviteiten bouwwerken en gebruik Binnen het werkingsgebied Omgevingsplan nieuw deel gelden bij een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken en/of een omgevingsplanactiviteit voor het wijzigen van het gebruik van bouwwerken en/of gronden, de regels in Artikel 5.26 als beoordelingsregels.
Afdeling 5.6 Water en klimaatadaptatie Paragraaf 5.6.1 Hemelwater Subparagraaf 5.6.1.1 Berging, infiltratie en afvoer van hemelwater Artikel 5.28 Algemene regels waterberging Binnen het werkingsgebied Omgevingsplan nieuw deel waterberging:
gelden de volgende algemene regels met betrekking tot
a. Bij vervanging of uitbreiding van verhard oppervlak wordt minimaal 55 mm aan berging en/of infiltratie van hemelwater per m² te vervangen of uit te breiden verhard oppervlak gerealiseerd en in stand gehouden op eigen terrein . b. De onder a bedoelde berging en/of infiltratie geldt aanvullend op de bergingsopgave voor het bestaand verhard oppervlak dat niet wordt verwijderd of vervangen. c. De onder a bedoelde berging en/of infiltratie moet het (teveel aan) water afwateren op een voorziening voor de ontvangst van hemelwater in het openbaar toegankelijk gebied. d. In afwijking van a is het mogelijk om de berging en/of infiltratie niet (geheel) op eigen terrein volgende voorwaarden (uiteraard met toestemming eigenaar terrein buiten eigen terrein ): 1. Berging of infiltratie van hemelwater op eigen terrein
te realiseren, onder de
is redelijkerwijs niet op doelmatige wijze mogelijk.
2. In de directe omgeving van het eigen terrein wordt ten allen tijde voorzien in voldoende waterbergende voorzieningen in relatie met de hoeveelheid verhard oppervlak op eigen terrein. 3. In het geval van een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken of een andere omgevingsplanactiviteit waarbij verhard oppervlak wordt vervangen of uitgebreid, wordt voldaan aan de algemene beoordelingsregel in Artikel 1.14.
Artikel 5.29 Beoordelingsregels waterberging bij omgevingsplanactiviteiten ten aanzien van bouwwerken en verharding Binnen het werkingsgebied Omgevingsplan nieuw deel gelden, bij een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken of een andere omgevingsplanactiviteit waarbij het verhard oppervlak wordt aangepast, de regels in Artikel 5.28 als beoordelingsregels.
Subparagraaf 5.6.1.2 Ondergrondse waterberging Artikel 5.30 Gebruik ondergrondse waterberging Binnen het werkingsgebied Waterberging .
mogen de gronden gebruikt worden voor een ondergrondse waterberging
Artikel 5.31 Specifieke bouwregels ondergrondse waterberging Binnen het werkingsgebied Waterberging aangepast worden.
mag een ondergrondse waterberging
Paragraaf 5.6.2 Watersystemen Enschede Artikel 5.32 Voorrangsbepaling Watersystemen Enschede
worden gebouwd danwel
Binnen het werkingsgebied Watersystemen Enschede worden de gronden, behalve voor de andere daar voorkomende activiteiten en functies, mede gebruikt voor de aanleg en het beschermen van essentiële onderdelen van de waterhuishouding van Enschede, waarbij de regels in deze Paragraaf 5.6.2 voorrang hebben op het bepaalde elders in de regels van dit plan.
Artikel 5.33 Specifieke bouwregels Watersystemen Enschede Binnen het werkingsgebied Watersystemen Enschede
mag enkel worden gebouwd in de volgende gevallen:
a. bouwen ten behoeve van essentiële onderdelen van de waterhuishouding van Enschede; b. vervanging/vernieuwing van bestaande bebouwing c. beheer van watersystemen
, zonder uitbreiding op maaiveld danwel in de bodem;
.
d. In afwijking van het bepaalde onder a, b en c is het mogelijk om te bouwen overeenkomstig de andere daar toegestane activiteiten en functies als: 1. er geen permanente belemmering ontstaat voor de aanleg, de werking of het onderhoud van essentiële onderdelen van de waterhuishouding van Enschede en 2. daarbij wordt voldaan aan Artikel 1.14.
Artikel 5.34 Omgevingsplanactiviteit uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 1.
Binnen het werkingsgebied Watersystemen Enschede is het verboden om zonder omgevingsvergunning de volgende werken, niet zijnde bouwwerken, of werkzaamheden uit te (laten) voeren als deze niet ten dienste staan van essentiële onderdelen van de waterhuishouding van Enschede: a. het graven en/of dempen van watergangen/waterpartijen; b. het door afwateren, ontwateren of afdammen wijzigen van de grondwaterstand; c. het aanleggen van drainagebuizen; d. het ontginnen, bodemverlagen, afgraven, ophogen en egaliseren van gronden; e. het aanbrengen van ondergrondse leidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur; f. het aanbrengen van oppervlakteverharding; g. het vellen, rooien, of verwijderen van houtwallen, boomsingels en houtopstanden.
2.
Binnen het werkingsgebied Watersystemen Enschede zijn de onder Artikel 5.34, eerste lid bedoelde verboden niet van toepassing op werken of werkzaamheden, die van geringe omvang zijn dan wel het normale gebruik of het beheer van watersystemen betreffen.
3.
Binnen het werkingsgebied Watersystemen Enschede worden de omgevingsvergunningen, zoals genoemd onder Artikel 5.34, eerste lid, alleen verleend als direct of indirect geen permanente belemmering ontstaat voor de aanleg, de werking of het onderhoud van de waterhuishoudkundige functie.
Hoofdstuk 22 ACTIVITEITEN Afdeling 22.1 ALGEMEEN Artikel 22.1 Voorrangsbepaling Voorrang ten opzichte van Afdeling 22.3 (milieubelastende activiteiten) 1.
De regels in Afdeling 22.2 22.3 , met uitzondering van Subparagraaf 22.2.7.3, en Afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met een TAM-omgevingsplan of met regels in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet.
2.
De regels in Afdeling 22.3 zijn niet van toepassing op een milieubelastende activiteit die als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover voorschriften zijn verbonden aan: a. een voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet onherroepelijke omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit; b. een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet en na de inwerkingtreding van die wet onherroepelijk wordt.
Artikel 22.2 Overgangsrecht: gemeentelijke monumenten en voorbeschermde gemeentelijke monumenten (verplaatst) 1.
Voor de toepassing van het Artikel 22.28, eerste lid en Artikel 22.28, tweede lid, Artikel 22.38, Artikel 22.287, Artikel 22.288, Artikel 22.290 tot en met Artikel 22.293 en Artikel 22.295 wordt onder gemeentelijk monument respectievelijk voorbeschermd gemeentelijk monument ook verstaan een monument of archeologisch monument dat op grond van een gemeentelijke verordening is aangewezen respectievelijk waarop, voordat het is aangewezen, die verordening van overeenkomstige toepassing is. Verplaatst [Artikel 1.39]
2.
Het eerste lid is van toepassing: a. als het gaat om een aangewezen monument of archeologisch monument: zolang in dit omgevingsplan daaraan nog niet de functie-aanduiding gemeentelijk monument is gegeven; en b. als het gaat om een monument of archeologisch monument waarop voordat het is aangewezen de verordening van overeenkomstige toepassing is: zolang in dit omgevingsplan daaraan nog niet de functie-aanduiding gemeentelijk monument is gegeven of dit omgevingsplan geen voorbeschermingsregel bevat vanwege het voornemen om die functie-aanduiding te geven. Verplaatst [Artikel 1.39]
Artikel 22.3 Overgangsrecht: rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten (vervallen) Het Artikel 22.28, derde lid, en Artikel 22.38, aanhef en onder b, zijn van overeenkomstige toepassing op een activiteit als bedoeld in die artikelonderdelen die wordt verricht op een locatie waarvoor een op grond van artikel 4.35, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet als instructie geldende aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de Monumentenwet 1988 zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Erfgoedwet van kracht is, zolang in dit omgevingsplan aan die locatie nog niet de functie-aanduiding rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht is gegeven. Vervallen
Afdeling 22.2 ACTIVITEITEN MET BETREKKING TOT BOUWWERKEN, OPEN ERVEN EN TERREINEN (verplaatst en vervallen) Paragraaf 22.2.1 Algemene bepalingen (verplaatst) Artikel 22.4 Maatwerkvoorschriften (verplaatst) 1.
Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over deze afdeling, met uitzondering van bepalingen over meet- en rekenmethoden. Verplaatst [Artikel 1.10 en Artikel 1.5]
2.
Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen in deze afdeling.
Paragraaf 22.2.2 Verrichten van bouw- en sloopwerkzaamheden (verplaatst en vervallen) Artikel 22.5 Uitzetten rooilijnen, bebouwingsgrenzen en straatpeil (verplaatst) Met het bouwen van een bouwwerk waarvoor een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of een omgevingsplanactiviteit is verleend wordt, onverminderd de aan de vergunning verbonden voorschriften, niet begonnen voordat voor zover nodig:
a. de rooilijnen of bebouwingsgrenzen op het bouwterrein zijn uitgezet; en b. het straatpeil is uitgezet. Verplaatst [Artikel 2.36]
Artikel 22.6 (vervallen) Vervallen
Paragraaf 22.2.3 Bouwen en in stand houden van bouwwerken (verplaatst en vervallen) Artikel 22.7 Repressief welstand (verplaatst en vervallen) 1.
Het uiterlijk van de volgende bouwwerken mag niet in ernstige mate in strijd zijn met redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet gold: a. een bestaand bouwwerk, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is; en b. een te bouwen bouwwerk waarvoor geen omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is vereist. Verplaatst [Artikel 2.34]
2.
Het eerste lid is niet van toepassing als het gaat om een in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in Artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, aangewezen gebied of bouwwerk waarvoor geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn. Vervallen
Artikel 22.8 (verplaatst) Verplaatst [Artikel 2.37]
Artikel 22.9 (verplaatst) Verplaatst [Artikel 2.38]
Artikel 22.10 (verplaatst) Verplaatst [Artikel 2.39]
Artikel 22.11 Aansluiting op distributienet voor drinkwater (verplaatst) Met het oog op het beschermen van de gezondheid is een voorziening voor het afnemen en gebruiken van drinkwater in een bouwwerk aangesloten op het distributienet voor drinkwater als de aansluitafstand niet groter is dan 40 m of groter is dan 40 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 40 m. Verplaatst [Artikel 2.40]
Artikel 22.12 (verplaatst) Verplaatst [Artikel 2.41]
Artikel 22.13 (verplaatst) Verplaatst [Artikel 5.23]
Artikel 22.14 (verplaatst) Verplaatst [Artikel 5.22]
Artikel 22.15 (verplaatst) Verplaatst [Artikel 5.23]
Paragraaf 22.2.4 Gebruik van bouwwerken (verplaatst) Artikel 22.16 (verplaatst) Verplaatst [Artikel 3.77]
Artikel 22.17 (verplaatst) Verplaatst [Artikel 2.47]
Artikel 22.18 (verplaatst) Verplaatst [Artikel 2.49]
Paragraaf 22.2.5 In stand houden en gebruiken van open erven en terreinen (verplaatst) Artikel 22.21 Bouwvalligheid nabijgelegen bouwwerk Met het oog op het waarborgen van de veiligheid wordt een open erf of terrein niet gebruikt als door of namens het bevoegd gezag is medegedeeld dat dit in verband met bouwvalligheid van een in de nabijheid gelegen bouwwerk gevaarlijk is.
Artikel 22.19 (verplaatst) Verplaatst [Artikel 2.48]
Artikel 22.20 (verplaatst) Verplaatst [Artikel 2.50]
Artikel 22.21 (verplaatst) Verplaatst [Artikel 2.47]
Paragraaf 22.2.6 Cultureel erfgoed (vervallen) Artikel 22.22 Vrijstelling van archeologisch onderzoek (vervallen) 1.
Als er in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, regels worden gesteld over het verrichten van archeologisch onderzoek in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of een werkzaamheid, zijn die regels niet van toepassing als die activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van minder dan 100 m2. Vervallen
2.
Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing voor zover er met betrekking tot die regels in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, een andere oppervlakte dan 100 m2 geldt. In dat geval geldt die afwijkende andere oppervlakte.
Paragraaf 22.2.7 Vergunningplichten met betrekking tot het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken (verplaatst en vervallen) Subparagraaf 22.2.7.1 Algemene bepalingen (verplaatst) Artikel 22.23 (verplaatst) Verplaatst [Artikel 2.4]
Artikel 22.24 (verplaatst) Verplaatst [Artikel 1.7]
Artikel 22.25 (verplaatst) Verplaatst [Artikel 2.42]
Subparagraaf 22.2.7.2 Binnenplanse vergunningplicht voor omgevingsplanactiviteit bouwwerken (verplaatst en vervallen) Artikel 22.26 (verplaatst) Verplaatst [Artikel 2.1]
Artikel 22.27 (verplaatst) Verplaatst [Artikel 2.5]
Artikel 22.28 (verplaatst) Verplaatst [Artikel 2.6]
Artikel 22.29 (verplaatst en vervallen) 1.
Verplaatst [Artikel 2.11 (vml lid 1 sub a), Artikel 2.35 (vml lid 1 sub b) en Artikel 5.1, eerste lid (vml lid 1 sub c)]
2.
Vervallen
Artikel 22.30 Nadere invulling beoordelingsregel omgevingsplanactiviteit bouwwerken bodemgevoelig gebouw op bodemgevoelige locatie (verplaatst) 1.
De toelaatbare kwaliteit van de bodem, bedoeld in Artikel 22.29, eerste lid, onder c, is de interventiewaarde bodemkwaliteit, bedoeld in bijlage II A bij het Besluit activiteiten leefomgeving. Verplaatst [Artikel 5.1, tweede lid]
2.
Er is sprake van overschrijding van de toelaatbare kwaliteit als voor ten minste één stof de gemiddelde gemeten concentratie in meer dan 25 m3 bodemvolume hoger is dan de interventiewaarde bodemkwaliteit. Verplaatst [Artikel 5.1, tweede lid]
3.
Het zinsdeel “in meer dan 25 m3 bodemvolume” in het tweede lid is niet van toepassing voor zover het gaat om aanwezigheid van asbest. Verplaatst [Artikel 5.1, derde lid]
Artikel 22.31 (verplaatst) Verplaatst [Artikel 5.3]
Artikel 22.32 Specifieke beoordelingsregel aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken bij regels over een wijzigingsbevoegdheid of uitwerkingsplicht (vervallen) 1.
In afwijking van Artikel 22.29, eerste lid, aanhef en onder a, kan de omgevingsvergunning voor een activiteit die in strijd is met de in dat onderdeel bedoelde regels toch worden verleend als de activiteit niet in strijd is met regels voor de toepassing van een wijzigingsbevoegdheid of het voldoen aan een uitwerkingsplicht in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet. Vervallen
2.
Op de beslissing of een omgevingsvergunning met toepassing van het eerste lid kan worden verleend, zijn van overeenkomstige toepassing: a. artikel 8.0b, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving; b. artikel 8.0c, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving; en c. artikel 8.0d, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Verwijderd
Artikel 22.33 (verplaatst en vervallen)