CConstaterende datenschede
Koppel je AI →
Document · PDF

B1. BP Bijlagen 40-43 toelichting

Raadsvergadering 29 november 2021, gemeente enschedeBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan Voormalige Vliegbasis Twenthe – Midden 202129.885 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

De kleine dwergvleermuis is pas sinds kort bekend in Nederland. De eerste waarneming stamt uit 2007. Nadien zijn nog maar weinig geverifieerde waarnemingen in Nederland verricht (Broekhuizen et al. 2016). Het is goed mogelijk dat de waarneming in 2016 in het plangebied een eenmalig bezoek betrof. Essentiële vliegroutes en foerageergebieden In het plangebied en ook in de gebieden direct grenzend hieraan bevinden zich geen essentiële foerageergebieden of vliegroutes van kleine dwergvleermuizen. Gewone grootoorvleermuis Verblijfplaatsen In 2016 en 2017 zijn in totaal 4 verblijfplaatsen van gewone grootoorvleermuis in het plangebied vastgesteld, namelijk in de bunkers B3, B9 en B9A, allen aan de noordwestgrens van plangebied Noord, en in een dode eik in de bosstrook tussen de Grefteberghoekweg en het zandpad dat hier evenwijdig aan loopt (tabel 4.3). De waarneming in bunker B3 betrof een zomerwaarneming, de waarnemingen in de andere bunkers betroffen overwinterende dieren. Van bunker B9 is bekend dat deze al jaren door overwinterende grootoorvleermuizen wordt gebruikt. De verblijfplaats in de boom is een kraamverblijfplaats. Daarnaast zijn op zes locaties in het plangebied aanwijzingen gevonden voor paarverblijfplaatsen, vier in plangebied Noord en twee in werkpark Oostkamp.

63

In 2010 is in het trafogebouwtje TRB7 in plangebied Noord een overwinterende grootoorvleermuis aangetroffen (Lubbers 2011). Dit trafogebouwtje is in 2017 verwijderd als onderdeel van het soortmanagementplan van 2013 (Lubbers, G. & B. Haamberg, 2013a). Voor het verwijderen van deze verblijfplaats is in 2014 aan ADT ontheffing verleend (FF/75C/2013/0434). Het onderzoek op de Lonnekerberg in 2015 (Gerritsen et al. 2015) en 2017 (Janssen et al. 2017) leverde verspreid over het bos waarnemingen van gewone grootoorvleermuizen op. In het bos bevinden zich meerdere kraam- en zomerverblijven. Janssen et al. (2017) vonden in totaal 12 kraamverblijfplaatsen (waaronder de boom in het plangebied) die vermoedelijk door twee kraamgroepen werden gebruikt. In ’t Holthuis bevinden zich twee objecten (bunker en ‘silo’) die al jaren door gewone grootoorvleermuizen als winterverblijf worden gebruikt. De bunker wordt ook in de zomer (augustus) door grootoorvleermuizen bezocht. In 2017 zijn ook overwinterende grootoorvleermuizen aangetroffen in een gebouw op de Lonnekerberg. In een bunker op landgoed Tattersall, net ten zuiden van het plangebied, bevonden zich in september 2017 tenminste 4 gewone grootoorvleermuizen. Deze bunker stond al bekend als winterverblijfplaats (Lubbers 2017c).

In 2015 is één baltsplek op de Lonnekerberg aangetroffen en in 2017 één bij de bunker in Landgoed Tattersall (Gerritsen et al. 2015, Lubbers 2017c). In ’t Holthuis en landgoed Oosterveld bevindt zich een aantal oude houtwallen, laanbeplantingen, bomenrijen en solitaire bomen die zichtbare holten hebben en een functie kunnen hebben als verblijfplaats voor bijvoorbeeld gewone grootoorvleermuis. Het onderzoek in 2017 naar vliegroutes geeft echter geen aanwijzingen dat zich in de bosgebieden direct ten noorden en westen grenzend aan het plangebied verblijfplaatsen bevinden (Lubbers 2017c). Essentiële vliegroutes en foerageergebieden De dieren van de verblijfplaatsen op de Lonnekerberg die met telemetrie zijn gevolgd foerageren op de Lonnekerberg, de aangrenzende werkparken en in de bossen in het nieuwe NNN. Enkele dieren maken ook uitstapjes naar de bossen in plangebied Noord en ’t Holthuis. De meeste dieren blijven dicht in de buurt van hun verblijfplaats; de meeste activiteit vond plaats binnen een straal van ongeveer 500 m (Janssen et al. 2017). Op basis van het telemetrisch onderzoek kan worden gesteld dat de gehele Lonnekerberg en de beboste delen van het nieuwe NNN geschikt leefgebied voor gewone grootoorvleermuizen vormt.

Daarbinnen zijn geen essentiële foerageergebieden of vliegroutes te onderscheiden, in feite zijn het hele bos en de beboste delen in het nieuwe NNN essentieel foerageergebied en vliegroutes (Janssen et al. 2017). Franjestaart Verblijfplaatsen In bunker B9 in plangebied Noord zijn in 2016 twee en in 2017 één overwinterende franjestaarten aangetroffen (tabel 4.3). Rond deze bunker zijn ook baltsende franjestaarten gehoord. In plangebied Midden zijn enkele dieren gehoord, maar zijn geen verblijfplaatsen

64

gevonden. Andere verblijfplaatsen worden op basis van het geringe aantal waarnemingen van franjestaarten in het plangebied niet verwacht. In 2015 zijn verspreid over de Lonnekerberg franjestaarten gehoord. In 2015 zijn twee dieren gevangen, namelijk een zwanger vrouwtje en een juveniel mannetje (Gerritsen et al. 2015) en in 2017 zijn 5 mannetjes en één vrouwtje gevangen (Janssen et al. 2017). Het is aannemelijk dat op de Lonnekerberg, in bomen, een kraamkolonie aanwezig is. Bij een bunker in ’t Holthuis is in augustus 2015 een zwermende franjestaart aangetroffen (Gerritsen et al. 2015). In deze bunker overwinteren jaarlijks rond de twintig franjestaarten (NDFF, Lubbers 2017c; tabel 4.3). Essentiële vliegroutes en foerageergebieden In het plangebied zijn geen aanwijzingen voor essentiële foerageergebieden of vliegroutes gevonden. Op de Lonnekerberg is waarschijnlijk wel sprake van essentieel foerageergebied en vliegroutes, omdat het aannemelijk is dat hier ergens een kraamkolonie zit. Het bos op de Lonnekerberg biedt geschikt foerageergebied in de vorm van oude(re) bospercelen, met name in de opstanden met beuk en eik. Baardvleermuis Verblijfplaatsen In bunker B9 in plangebied Noord zijn in 2016 en 2017 twee overwinterende baardvleermuizen aangetroffen.

Het aantal waarnemingen van baardvleermuis binnen en buiten het plangebied is gering, ook als wordt aangenomen dat enkele van de Myotiswaarnemingen betrekking op baardvleermuis hebben. Uitgesloten kan worden dat er nog andere verblijfplaatsen in het plangebied zijn. In augustus 2015 is een baardvleermuis gevangen bij de bunker in ’t Holthuis (Gerritsen et al. 2015). De bunker wordt mogelijk door deze soort als winterverblijfplaats gebruikt (tabel 4.3). Essentiële vliegroutes en foerageergebieden Waarnemingen van Myotis-soorten in 2016 wijzen op een mogelijke vliegroute langs het noordelijke deel van de Grefteberghoekweg, waar in 2010 een essentiële vliegroute is gevonden (Lubbers 2011). Mogelijk bevonden zich onder deze waarnemingen ook baardvleermuizen en is dus sprake van een essentiële vliegroute van deze soort. Er zijn geen aanwijzingen voor een essentieel foerageergebied in het plangebied. In 2015 is de soort verspreid over het bosgebied van de Lonnekerberg gehoord, eveneens aannemend dat enkele van de Myotis-waarnemingen betrekking op baardvleermuis heeft. Daaronder bevonden zich onder andere waarnemingen die wijzen op een essentiële vliegroute langs de Bergweg (Gerritsen et al. 2015). In 2015 en 2017 is ook een baardvleermuis op de Lonnekerberg gevangen, waaruit blijkt dat deze soort hier inderdaad

65

voorkomt (Gerritsen et al. 2015, Janssen et al. 2017). Er zijn geen aanwijzingen gevonden voor essentiële foerageergebieden in de terreinen rondom het plangebied (Lubbers 2017c). Brandts vleermuis Verblijfplaatsen Van de Brandts vleermuis zijn geen zekere waarnemingen binnen het plangebied bekend. Enkele van de Myotis-waarnemingen kunnen betrekking hebben op Brandts vleermuizen. Op basis van het lage aantal Myotis-waarnemingen en het ontbreken van specifiek Brandts vleermuishabitat wordt het voorkomen van verblijfplaatsen van Brandts vleermuizen in het plangebied onwaarschijnlijk geacht. De enige zekere waarnemingen van Brandts vleermuizen betreffen vangsten op de Lonnekerberg: drie in 2015 en één in 2017 (Gerritsen et al. 2015, Janssen et al. 2017). Eén van de vangsten in 2015 betrof een juveniel mannetje, wat er op kan wijzen dat in de omgeving van de Lonnekerberg een kraamkolonie is, bijvoorbeeld in de omgeving van het Prins Bernhardpark, waar zich ook een vliegroute van Myotis-soorten bevindt (Gerritsen et al. 2015). Overigens kunnen foerageergebieden van Brandts vleermuizen tot 10 km van hun verblijfplaats verwijderd liggen. De vangsten van deze soort op de Lonnekerberg kunnen dus ook betrekking hebben op dieren die hier alleen kwamen om te foerageren en geen verblijfplaats in de directe omgeving hebben.

Essentiële vliegroutes en foerageergebieden Vanwege het lage aantal Myotis-waarnemingen, het ontbreken van verblijfplaatsen binnen en buiten het plangebied en het ontbreken van specifiek Brandts vleermuishabitat in het plangebied kan de aanwezigheid van essentiële vliegroutes en foerageergebieden in het plangebied worden uitgesloten. De vangsten van Brandts vleermuizen zijn aanwijzingen dat de Lonnekerberg als foerageergebied wordt gebruikt. Het geringe aantal waarnemingen geeft echter geen aanleiding om aan te nemen dat er sprake is van een essentieel foerageergebied. Indien enkele van de Myotis-waarnemingen in 2015 betrekking hebben op Brandts vleermuizen, dan zou ook sprake kunnen zijn van een essentiële vliegroute langs de Bergweg (Gerritsen et al. 2015) en de Grefteberghoekweg. Bechsteins vleermuis De Bechsteins vleermuis is slechts één keer met zekerheid vastgesteld, namelijk in augustus 2015 toen een postlacterend vrouwtje werd gevangen in het meest noordelijke deel van de Lonnekerberg, net ten zuiden van de Hanzepoort-West (Gerritsen et al. 2015). Dit leek aanvankelijk een indicatie voor de aanwezigheid van een kraamkolonie in deze omgeving. Het onderzoek van Janssen et al. (2017) waarbij op veel plaatsen op de Lonnekerberg, waaronder de locatie bij Hanzepoort-West, met mistnetten is gevangen heeft geen vangsten van Bechsteins vleermuizen opgeleverd.

Het vermoeden bestaat dat de vangst van een Bechsteins vleermuis in 2015 een zwervend of migrerend dier betrof. Er zijn geen

66

aanwijzingen dat zich op de Lonnekerberg verblijfplaatsen of essentiële foerageergebieden of vliegroutes van Bechsteins vleermuizen bevinden (Janssen et al. 2017). Het plangebied vervult, op basis van het ontbreken van geschikt habitat en het ontbreken van waarnemingen geen geschikt leefgebied voor deze soort. Vale vleermuis Verblijfplaatsen In het plangebied zijn geen aanwijzingen gevonden voor verblijfplaatsen van vale vleermuizen. Er is hier slechts eenmaal een vale vleermuis gehoord, in 2016 (Lubbers 2016b). Vanwege het lage aantal waarnemingen en de ongeschiktheid van het biotoop in het plangebied kunnen verblijfplaatsen hier worden uitgesloten. Buiten het plangebied, op de Lonnekerberg, Prins Bernhardpark, ’t Holhuis en Lonnekermeer, zijn meerdere waarnemingen van vale vleermuizen verricht. Hieronder bevonden zich foeragerende dieren. Op de Lonnekerberg zijn in 2015 en 2017 ook dieren gevangen en in 2017 zijn vijf dieren met zenders gevolgd. De meeste van hen verbleven kort op de Lonnekerberg en verdwenen vervolgens naar ver weg gelegen gebieden. Eén mannetje sliep tijdens zijn verblijf van enkele dagen op de Lonnekerberg in een holle boom. De andere dieren hadden geen verblijfplaatsen op de Lonnekerberg. Essentiële vliegroutes en foerageergebieden In 2016 is eenmaal een vale vleermuis in plangebied Noord gehoord.

Het plangebied vormt door het ontbreken van geschikt habitat echter geen essentieel foerageergebied of vliegroute voor vale vleermuizen. Het zenderonderzoek van Janssen et al. (2017) heeft geleid tot enkele waarnemingen van vale vleermuizen in het plangebied. Het leefgebied van vale vleermuizen bestrijkt een oppervlak van 100 tot 1.000 ha, waarbinnen ze gewoonlijk meerdere foerageergebieden van 1 tot 10 ha hebben. Vale vleermuizen leggen tussen hun verblijfplaats en foerageergebieden grote afstanden af: 5 tot 15 kilometer (max. 26 km) (Dietz et al. 2011). De waarneming van een vale vleermuis in 2016 in plangebied Noord kan derhalve op een passerend dier betrekking hebben gehad. De Lonnekerberg en de omliggende bosgebieden wordt als foerageergebied gebruikt, maar vanwege hun korte verblijf wordt geconcludeerd dat de Lonnekerberg en omgeving geen essentieel foerageergebied is. Ook wordt aanwezigheid van essentiële vliegroutes uitgesloten (Janssen et al. 2017). Laatvlieger Verblijfplaatsen Verspreid over het plangebied zijn in 2016 laatvliegers gehoord. Met uitzondering van een eenmalige waarneming in 2016 van één baltsend dier bij een gebouw in De Strip betrof het uitsluitend foeragerende en passerende dieren. Elders zijn in het plangebied geen verblijfplaatsen vastgesteld en die worden, gelet op het lage aantal waarnemingen van laatvliegers ook niet verwacht.

67

Buiten het plangebied is een concentratie aan waarnemingen in het Prins Bernhardpark verricht, zowel in 2016 als in 2015 (Lubbers 2016, Gerritsen et al. 2015). Hier bevindt zich ook een essentiële vliegroute. In 2010 zijn in het Prins Bernhardpark verblijfplaatsen gevonden (Lubbers 2011). Mogelijk zijn die nog steeds aanwezig. Gerritsen et al. (2015) vingen in het noorden van de Lonnekerberg een juveniel mannetje. Het is aannemelijk dat dit dier in de buurt is geboren. In de omgeving van de vangplek zijn veel gebouwen die hiervoor in de aanmerking komen, zoals op bedrijventerrein HanzepoortWest en woningen op erven langs de Oldenzaalsestraat, in de stad Oldenzaal. In 2017 is geen laatvlieger op de Lonnekerberg gevangen (Janssen et al. 2017). De Lonnekerberg zelf lijkt op basis hiervan geen belangrijk leefgebied voor deze soort. Essentiële vliegroutes en foerageergebieden Op basis van het lage aantal waarnemingen van laatvliegers in het plangebied en het ontbreken van belangrijke verblijfplaatsen in het plangebied en de directe omgeving daarvan wordt het voorkomen van essentiële foerageergebieden en vliegroutes in het plangebied uitgesloten. Met uitzondering van een essentiële vliegroute bij het Prins Bernhardpark zijn van de andere gebieden rondom het plangebied geen essentiële foerageergebieden en vliegroutes bekend.

Hun aanwezigheid kan echter niet worden uitgesloten, met name daar waar verblijfplaatsen zijn. In 2010 bevond zich bijvoorbeeld een essentiële vliegroute bij de eerder genoemde boerderij langs de N737. Rosse vleermuis Verblijfplaatsen In het plangebied zijn geen verblijfplaatsen aangetroffen. Rosse vleermuizen hebben hun verblijfplaatsen in bomen. Geschikte, oude bomen met holten komen ook slechts in zeer beperkte mate binnen het plangebied voor. Op basis hiervan en het geringe aantal waarnemingen van rosse vleermuizen wordt het voorkomen van verblijfplaatsen in het plangebied uitgesloten. Op de Lonnekerberg daarentegen is veel oude beplanting aanwezig met zichtbare holten en kan het voorkomen van verblijfplaatsen niet worden uitgesloten. De soort is hier in 2017 gevangen en er is een zomerverblijfplaats in een boom ter hoogte van de Bergweg gevonden (Janssen et al. 2017). Tevens zijn in het oostelijke deel van de Lonnekerberg twee baltsende rosse vleermuizen gehoord, wat wijst op de aanwezigheid van paarverblijfplaatsen (in bomen) (Lubbers 2017c). In andere gebieden rond het plangebied zijn tijdens de recente inventarisaties geen verblijfplaatsen aangetroffen. In 2010 werden in ’t Holthuis en mogelijk op of direct rond het Prins Bernhardpark verblijfplaatsen vermoed (Lubbers 2011).

68

Essentiële vliegroutes en foerageergebieden Rosse vleermuizen zijn in het plangebied zowel foeragerend als passerend gehoord. Essentiële foerageergebieden en vliegroutes zijn niet vastgesteld en worden op basis van het geringe aantal waarnemingen ook niet verwacht. Ten zuiden van het plangebied is in 2016 een waarneming van een passerende rosse vleermuis gedaan en in 2017 zijn rosse vleermuizen gehoord in ’t Holthuis. Nergens was sprake van essentiële foerageergebieden of vliegroutes (Lubbers 2016b, 2017c). Watervleermuis Verblijfplaatsen In geen enkel jaar zijn waarnemingen van watervleermuizen in het plangebied verricht. Het voorkomen van verblijfplaatsen in het plangebied kan worden uitgesloten. In 2015 zijn watervleermuizen op meerdere plekken op de Lonnekerberg gehoord en zijn vier dieren gevangen, waaronder een postlacterend vrouwtje (Gerritsen et al. 2015). In 2017 zijn ook watervleermuizen op de Lonnekerberg gevangen, waaronder lacterende vrouwtjes (Janssen et al. 2017). Het is zeer aannemelijk dat zich op de Lonnekerberg zomerverblijfplaatsen van watervleermuizen bevinden en mogelijk ook kraamkolonies. Essentiële vliegroutes en foerageergebieden Waarnemingen van watervleermuizen concentreerden zich boven de voormalige kleigaten ten zuiden van het Prins Bernhardpark (Gerritsen et al.

2015, Lubbers 2016b), zodat gesteld kan worden dat dit een essentieel foerageergebied voor deze soort is. In 2015 was ook sprake van een essentiële vliegroute vanaf deze plassen langs de Bergweg naar het noorden (Gerritsen et al. 2015). Meervleermuis Er zijn geen waarnemingen van meervleermuizen in het plangebied verricht. In de winter van 2015-2016 is in een van de bunkers van het Overijssels Landschap ten noorden van het plangebied een meervleermuis aangetroffen (NDFF). De winterverblijven van meervleermuizen kunnen zich op honderden kilometers afstand van hun zomerleefgebied bevinden. Vanwege het ontbreken van grote open wateren in het plangebied is het uitgesloten dat het plangebied een essentiële functie voor meervleermuizen vervult.

4.4

Beschermingsregime andere soorten

4.4.1

Planten In het plangebied zijn geen planten van de categorie ‘Andere soorten’ aangetroffen. Binnen het plangebied is ook geen geschikt leefgebied voor deze groep van planten aanwezig. Hun aanwezigheid in het plangebied kan worden uitgesloten.

69

4.4.2

Ongewervelden Kleine ijsvogelvlinder De kleine ijsvogelvlinder is van de ongewervelden de enige ‘andere soort’ die in 2016 en 2017 in het plangebied is aangetroffen. Waarnemingen van kleine ijsvogelvlinder zijn beperkt gebleven tot het bosgebied van het nieuwe NNN, grenzend aan de Lonnekerberg (zie bijlage 7 voor de verspreidingskaart). Het verspreidingsgebied hier heeft zich tussen 2016 en 2017 wel uitgebreid. In 1997, 2010 en 2015 is deze soort hier ook aangetroffen (Hornman 1998, Lubbers 2011, 2016a). In 1997 en 2010 werd de soort ook in het zuidelijke deel van werkpark De Strip en in het noordelijke deel van werkpark Oostkamp (dat nu onderdeel van het NNN is geworden) aangetroffen (Hornman 1998, Lubbers 2011). Volgens de NDFF komt de soort daar nu nog steeds voor. Uit de continuïteit in de waarnemingen en de waargenomen aantallen kan worden afgeleid dat het hier om een vaste populatie met vaste rust- en voortplantingsplaatsen gaat. De Lonnekerberg herbergt ook een belangrijke en vrij grote populatie van deze soort in de regio (mond. med. G. Lubbers). De afgelopen vijf jaar is de soort ook regelmatig in andere bosgebieden rond het plangebied gezien, zoals in ‘t Holthuis, Lonnekerveld en Driene/Lonnekermeer. Grote weerschijnvlinder In 2015 is één exemplaar van de grote weerschijnvlinder gezien, zonnend aan de noordkant van het plangebied.

In 2014 werd in deze omgeving ook een exemplaar gezien (Lubbers 2015b). Onduidelijk is of de soort zich in het plangebied voortplant. De vlinder is in het algemeen weinig mobiel, maar tussen de boom waar de vlinders vliegen en de plek waar de rups zich ontwikkelt liggen soms vele kilometers (www.vlindernet.nl). In de periode 20122016 is de soort in de bossen rond het plangebied slechts negen keer gezien. Telkens ging het om solitaire dieren (NDFF). Het is goed mogelijk dat voortplantingsplek-ken zich op de Lonnekerberg bevinden (in 2017 is hier ook een individu waargenomen, Lubbers 2017d) en dat de waargenomen dieren in het plangebied daar vandaan komen. Het plangebied maakt zodoende deel uit van het leefgebied van een lokale populatie. Overige soorten In 2014 is eenmaal een grote vos waargenomen, net ten noorden van hangar 11 (werkpark Oostkamp), maar net buiten het plangebied (NDFF). Deze soort is in Nederland met uitsterven bedreigd. Incidentele waarnemingen, zoals deze in het plangebied, hebben waarschijnlijk betrekking op zwervers uit het buitenland (www.vlindernet.nl). Het plangebied vormt dan ook geen leefgebied voor de grote vos. Andere beschermde ongewervelde dieren zijn in 2016 en 2017 of de jaren daarvoor niet aangetroffen. Door het ontbreken van geschikt leefgebied worden die in het plangebied ook niet verwacht.

4.4.3

Vissen Vissen van beschermingsregime artikel 3.10 zijn in het plangebied niet aangetroffen. Deze soorten worden op basis van hun habitateisen en verspreiding in Nederland (ravon.nl) hier ook niet verwacht. Deze soorten hebben een zeer beperkte verspreiding (bijvoorbeeld alleen

70

in Zuid Nederland) en/of komen alleen voor in beeksystemen of laagveengebieden. Hun voorkomen in het plangebied kan worden uitgesloten. 4.4.4

Amfibieën Er zijn alleen soorten aangetroffen waarvoor in Overijssel een vrijstelling geldt. Geschikte biotopen voor de andere soorten, te weten Alpenwatersalamander, vinpootsalamander en vuursalamander, zijn niet aanwezig. Bovendien zijn ze niet bekend uit deze regio (ravon.nl). Hun voorkomen in het plangebied kan worden uitgesloten.

4.4.5

Reptielen Van de ‘beschermingsregime andere soorten’ is in 2016 onder uitgelegde reptielenplaatjes alleen de levendbarende hagedis aangetroffen. Ook in 2010 was de levendbarende hagedis de enige reptielensoort die in het plangebied werd aangetroffen Ook de NDFF levert van de afgelopen vijf jaar alleen waarnemingen van levendbarende hagedissen in het plangebied en omgeving op. Het voorkomen van andere beschermde reptielensoorten kan worden uitgesloten. De levendbarende hagedis is in 2016 op 9 van de 14 locaties met reptielenplaatjes aangetroffen. Daarbij werden de hoogste dichtheden in de best ontwikkelde en meest omvangrijke heideterreintjes gevonden, te weten locatie 3 (en 2) aan de noordkant van het plangebied en locatie 6 in het nieuwe NNN. Zie figuur 4.21 voor de ligging van de genoemde locaties. Ten opzichte van de inventarisatie in 2010 lijkt de verspreiding en de omvang van de populatie in 2016 in het plangebied niet te zijn veranderd (Lubbers 2016b).

4.4.6

Grondgebonden zoogdieren Zes soorten waarvoor in de provincie Overijssel geen vrijstelling geldt, zijn in het plangebied aangetroffen. Das Net binnen het plangebied bevindt zich één hoofdburcht, aan de voet van de Lonnekerberg, in het nieuwe NNN. De burcht wordt onregelmatig gebruikt (Lubbers 2017d). Door Gerrits (2016) wordt als mogelijke oorzaak wateroverlast vanuit de naastgelegen, gedempte en verondiepte tankgracht genoemd. Sporen van dassen zijn in 2016 vooral in de beboste delen aan de randen van het plangebied gevonden en in het nieuwe NNN ten westen van werkpark De Strip. Ten opzichte van 2010 is sprake van een toename aan waarnemingen van (sporen van) dassen. Inmiddels zijn 5 burchten uit de omgeving van het plangebied bekend, onder meer uit de omgeving van ‘t Holthuis en Landgoed Oosterveld, respectievelijk ten noorden en ten westen van het plangebied (de Vries, 2015). Met uitzondering van de (loof)bossen heeft het plangebied de dassen weinig geschikt foerageergebied te bieden. Kortom, met uitzondering van de directe omgeving rond de hoofdburcht is binnen het plangebied van essentieel leefgebied van de das geen sprake.

71

Boommarter De boommarter is eenmaal in 2015 met een cameraval in de omgeving van de schietbaan (plangebied Midden) waargenomen (Gerrits 2016). De soort is de afgelopen vijf jaar diverse keren in de omliggende natuurterreinen van de Lonnekerberg, ‘t Holthuis, Hof Espelo en het Lonnekermeer waargenomen (NDFF, Lubbers 2017a en d). In 2017 zijn op de Lonnekerberg spelende jonge boommarters gezien, wat wijst op voortplanting in dit gebied (Lubbers 2017d). In het plangebied zijn geen aanwijzingen voor verblijfplaatsen gevonden. Het plangebied vormt door het ontbreken van oude bossen met bomen met holten en, mede door het onderzoek naar niet gesprongen munitie, het ontbreken van ondergroei geen essentieel leefgebied voor de boommarter. Het voorkomen van verblijfplaatsen van boommarters in de omliggende natuur- en bosgebieden van de Lonnekerberg, ’t Holthuis en Landgoed Oosterveld kan niet worden uitgesloten. In Landgoed Oosterveld bevinden zich lanen met oude beuken die mogelijk geschikte holtes voor boommarters hebben. Steenmarter De steenmarter is eenmaal in 2016 in plangebied Noord waargenomen. De NDFF bevat alleen een waarneming van 2015 uit het stedelijk gebied van Hasseler Es. Verspreid over het plangebied zijn uitwerpselen van marters gevonden, vermoedelijk van steenmarter (Lubbers 2016a). In 2010 zijn eveneens steenmarters gezien en aanwijzingen (i.e.

uitwerpselen) voor meerdere territoria gevonden en werd een verblijfplaats in Oostkamp vermoed (Lubbers 2011). In 1997 kwam de steenmarter ook al in het plangebied voor en had toen rustplaatsen in stapels lege kisten en pallets die her en der lagen. Aangenomen werd toen dat 3 tot 4 dieren op de vliegbasis woonden (Hornman 1998). Sindsdien heeft de soort zijn areaal in Nederland uitgebreid. Het is daarom aannemelijk dat hij nog steeds verblijfplaatsen op de vliegbasis heeft. Eekhoorn In de bossen in plangebied Noord zijn in 2016 en 2017 eekhoornnesten gevonden. In deze omgeving is de soort ook gezien. Daarnaast zijn dieren en nesten gezien in het Prins Bernhardpark ten oosten van het plangebied en op de Lonnekerberg. In 2010 zijn geen nesten gevonden, maar is de soort wel een paar keer gezien op locaties waar oud(er) bos aanwezig was (Lubbers 2011). In de bossen rondom het plangebied worden ook af en toe eekhoorns gezien (NDFF). De dichtheid in het plangebied en omgeving is laag. Grote bosmuis Tijdens een vangactie in november 2016 zijn ter hoogte van het kruispunt Vliegveldstraat en Oude Vliegveldstraat grote bosmuizen gevangen (NDFF). Deze locatie valt buiten het plangebied. In eerdere jaren was de soort al enkele kilometers ten oosten, zuiden en noorden van het plangebied aangetoond (www.verspreidingsatlas.nl). Deze soort breidt zijn areaal in Nederland uit.

Het valt niet uit te sluiten dat hij al in het plangebied aanwezig is.

72

Wild zwijn In 2017 zijn sporen (modderbad) van wilde zwijnen in het nieuwe NNN ter hoogte van de voormalige tankgracht bij schietbaan gevonden. Op de Lonnekerberg zijn ook sporen gevonden en zijn twee dieren gezien (Lubbers 2017d). Het wild zwijn is vanuit Duitsland zijn areaal in Overijssel aan het uitbreiden. Ze hebben nu dus ook de grenzen van het plangebied bereikt. Het is voor het eerst sinds lange tijd dat in deze omgeving wilde zwijnen zijn gezien. Eind vorige eeuw kwamen ze hier ook voor (verspreidingsatlas.nl). Het plangebied, in casu het nieuwe NN, vormt in potentie leefgebied voor deze soort. Op het moment is echter nog geen sprake van vaste verblijfplaatsen.

4.5

Samenvatting relevante soorten Op basis van het voorgaande hoofdstuk is het noodzakelijk om ten aanzien van de ontwikkelingen die de bestemmingsplannen mogelijk maken voor de hierna volgende soorten(groepen) na te gaan of uitvoering van de bestemmingsplannen kan leiden tot overtreding van verbodsbepalingen uit hoofdstuk 3: Europese soorten:  Vogels: alle aanwezige broedvogels  Amfibieën: kamsalamander, poelkikker, heikikker  Vleermuizen: alle aanwezige soorten Andere (Nationale) soorten:  Dagvlinders: kleine ijsvogelvlinder, grote weerschijnvlinder  Zoogdieren: das, boommarter, steenmarter, eekhoorn, grote bosmuis  Reptielen: levendbarende hagedis

73

5 Mogelijke effecten 5.1

Inleiding De activiteiten die de twee bestemmingsplannen Noord en Midden in het plangebied mogelijk maken kunnen op verschillende manieren effecten op beschermde diersoorten hebben:  Vernietigen of beschadigen van verblijfplaatsen;  Verstoring door geluid;  Verstoring door licht;  Optische verstoring (beweging van mensen en voertuigen maar ook aanwezigheid hoge gebouwen, begroeiing);  Verstoring door vuurwerk (wordt bij geluid (knallen) en licht (lichtflitsen) beschreven). In het volgende hoofdstuk worden deze mogelijke effecten per soort(groep) nader onderzocht. In dit hoofdstuk wordt nader ingegaan op de mogelijke effecten door verstoring. Effecten door het vernietigen of beschadigen van verblijfplaatsen zijn directe effecten die duidelijk zichtbaar zijn en het effect op de staat van instandhouding is vaak ook goed te kwantificeren. Dit type effect blijft in dit hoofdstuk daarom verder buiten beschouwing. Het effect van verstoring is moeilijker te bepalen. In dit hoofdstuk wordt een overzicht gegeven van de kennis over de gevoeligheid van diersoorten voor verschillende verstoringsbronnen. In hoofdstuk 6 wordt deze kennis gebruikt om te bepalen of dit leidt tot een overtreding van de Wnb.. Verstoring van dieren kan optreden door geluid, licht, trilling en beweging van mensen of voertuigen.

Ook bestaan verschillen in de gevoeligheid voor verstoring tussen individuen, tussen soorten en zelfs tussen populaties van dezelfde soort. In het vervolg van dit hoofdstuk wordt op de gevoeligheid van diersoorten voor verstoring ingegaan. Allereerst wordt in algemene zin op de verstoringsbron ingegaan. Vervolgens worden de mogelijke effecten per soortgroep behandeld. Dit is beperkt tot vogels en soorten van de Habitatrichtlijn (vallend onder de beschermingsregimes van de paragrafen 3.1 en 3.2 van de Wnb) die in het plangebied en de directe omgeving daarvan voorkomen, omdat voor soorten die onder het beschermingsregime van paragraaf 3.3 vallen, verstoren niet verboden is. Op de verstoring door trilling wordt niet ingegaan. Deze verstoring kan bijvoorbeeld optreden bij heien. Omdat in het plangebied niet wordt geheid en andere trillingen dan geluidstrillingen niet optreden, wordt op deze vorm van verstoring niet ingegaan. Negatief effect In dit hoofdstuk wordt gesproken over negatieve effecten. Een ecologisch negatief effect is niet hetzelfde als een overtreding van de verbodsbepaling. Bijvoorbeeld een vogel vliegt op van het nest door een geluidsverstoring maar komt binnen een minuut weer terug. Dit is ecologisch gezien een negatief effect, maar er is geen blijvend effect op het nest of op het nestsucces. Een effect op de (deel)populatie is met zekerheid uitgesloten.

Er is daarom geen wezenlijke invloed op de staat van instandhouding en daarmee geen sprake van een

74

overtreding. In dit hoofdstuk worden de ecologische negatieve effecten op een rij gezet, in hoofdstuk 6 wordt vervolgens bepaald of deze mogelijke negatieve effecten leiden tot een overtreding van de verbodsbepalingen.

5.2

Licht

5.2.1

Algemeen Verlichting kan effect op natuurwaarden hebben, zowel op planten als op dieren. Van verlichting is bekend dat het effect tot enkele honderden meters ver kan reiken, bijvoorbeeld 200 m voor padden, 300 m voor grutto’s. De sterkte van het effect is afhankelijk van de lichtsterkte (uitgedrukt in lux) en dit verschilt per lichtbron. De gemiddelde verlichting van een snelweg bedraagt bijvoorbeeld 15 lux, van een provinciale weg 10 lux, van een ontsluitingsweg 5 lux en in een woonwijk bedraagt de verlichting gemiddeld 3 lux. Onder natuurlijke omstandigheden zijn de nachten niet altijd donker. Het licht van volle maan heeft een sterkte van 0,1 tot 0,3 lux. Elke verlichting die meer licht geeft dan 0,3 lux wordt als onnatuurlijk beschouwd en kan een effect op planten en dieren hebben. Een globale inschatting door De Kruijter Public Lighting van de afstand waarop de lichtsterkte van een lamp tot 0,3 lux is gereduceerd levert de volgende getallen op (tabel 5.1). Nota bene: bij podiumverlichting verlichten de spotlights dankzij speciale armaturen alleen het podium. Reflectie van het licht op de podiumvloer en achterwand zorgt voor uitstraling naar de omgeving. De sterkte van het gereflecteerde licht is vele malen lager dan het directe licht van de spotlights en reikt daardoor niet zo ver. Tabel 5.1

Ordegrootte van de afstand waarop van een lichtbron de lichtsterkte is afgenomen tot 0,3 lux.

Bron

0,3 lux

Kantoor met twee verdiepingen en veel glas waarbij de

Circa 8 m vanaf de gevel

binnenverlichting gemiddeld 500 lux is Verlichting start- en landingsbaan; lichtstraal in

70 tot 100 m vanaf het centrum van de

verlengde van de baan van het vliegtuig

baan

Straatverlichting (Mithra LED) in woonwijk

Circa 14 m vanaf de lamp

Strooilicht van podiumverlichting

Circa 5 m vanaf de podiumspots

De afstand tot de lichtbron waarop de lichtsterkte een waarde van 0,1 tot 0,3 lux bereikt, is niet alleen afhankelijk van de lichtsterkte van de lichtbron, maar ook van objecten rondom de lichtbron. In een open gebied is de afstand maximaal, terwijl bomen in het bos licht verstrooien en absorberen. De afstanden in bovenstaande tabel hebben betrekking op een situatie zonder afschermende objecten in de omgeving. Tevens wordt de mate van het optreden van effecten bepaald door verschillen in gevoeligheid voor bepaalde golflengten (kleuren) van het licht bij diersoorten.

75

In het plangebied zijn vooral in de gebruiksfase mogelijk effecten van licht te verwachten. In de gebouwen in het plangebied zal verlichting aanwezig zijn die naar de omgeving uitstraalt. Ook zal er straatverlichting zijn en zullen werkterreinen in de avond en een deel van de nacht worden verlicht. In de winter, met korte dagen en lange nachten, zal de reguliere lichtverstoring van kantoren en straatverlichting langduriger zijn dan in de zomer. Naast reguliere verlichting is sprake van incidentele verlichting, bijvoorbeeld van passerende auto’s en van de lichtshows tijdens evenementen in de werkparken De Strip en Oostkamp. Ook de start- en landingsbaan wordt in de avond incidenteel verlicht, wanneer een vliegtuig vertrekt of aankomt. Dat zal overigens uitsluitend tot 23:00 uur gebeuren, omdat tussen 23:00 en 06:00 uur het vliegveld is gesloten en er niet mag worden gevlogen . In de aanlegfase is alleen lichtverstoring te verwachten als het bouwterrein ’s nachts wordt verlicht. Dit kan het geval zijn als na zonsondergang wordt doorgewerkt en het licht van machines naar de omgeving uitstraalt of als lampen het bouwterrein ’s nachts verlichten in verband met beveiliging. Net als bij de lichtverstoring tijdens evenementen in de gebruiksfase gaat het hier om tijdelijke lichtverstoring.

Effecten van licht kunnen worden geminimaliseerd door het gebruik van armaturen die er voor zorgen dat het licht niet uitstraalt naar die delen van de omgeving waar geen verlichting is gewenst. Dergelijke armaturen zijn beschikbaar voor straatverlichting en podium- of theaterverlichting. Daarnaast kan met sensoren er voor worden gezorgd dat lampen alleen aangaan als dit noodzakelijk is; hierbij valt te denken aan verlichting aan gebouwen of langs wegen en paden ten behoeve van sociale veiligheid. Ook de kleur van het licht helpt bij het verminderen van negatieve effecten, zoals vleermuisvriendelijke amberkleurige verlichting. Tot slot zijn verschillen in effect mogelijk tussen de lamptypen, zoals natriumlampen, kwiklampen en LED-lampen. 5.2.2

Amfibieën Amfibieën houden een winterslaap die eind september/begin oktober begint en duurt tot in maart. Effecten van verstoring door licht zijn dan uitgesloten. In de rest van het jaar zijn amfibieën zowel overdag als ’s nachts actief. Bepaalde activiteiten gebeuren voornamelijk ’s nachts of in de avondschemering. Padden trekken bijvoorbeeld ’s nachts en kikkers roepen in de paartijd vooral in de avondschemering en ’s nachts. Op veel kikker- en paddensoorten heeft kunstlicht een aantrekkende werking, maar enkele soorten mijden kunstlicht (Buchanan 2006). De aantrekkende werking van kunstlicht wordt verklaard door de aanwezigheid van insecten, het voedsel van amfibieën, bij de lichtbron (Jochimsen et al. 2004, Perry et al. 2008). Een voorbeeld van het mijden van licht is bekend van gewone padden tijdens hun trek. Gewone padden mijden tijdens de trek routes met wit of groen licht en prefereren routes zonder licht of met rood licht, waar ze ongevoelig voor zijn (Van Grunsven et al. 2015). De aantrekkende of afwerende werking leidt er toe dat dieren van hun gebruikelijke trekroute of foerageerplek worden afgeleid en bijvoorbeeld hun eindlocatie niet bereiken of dicht bij wegen uitkomen en overreden worden. In hun literatuuronderzoek vonden Buchanan (2006)

76

en Perry et al. (2008) voorbeelden van effecten van stads- en straatverlichting op het foerageer-, voortplantings- en anti-predatorgedrag van amfibieën. Incidentele verlichting, bijvoorbeeld van een passerende auto, had een negatief effect op padden en kikkers: de dieren stopten hun activiteit (lopen, roepen, jagen) en het duurde enige tijd voordat ze hun activiteit continueerden (Mazerolle et al. 2005), waarschijnlijk omdat ze door het licht verblind waren. Anderzijds lijken amfibieën aan continue kunstmatige verlichting te kunnen wennen en zich normaal te gedragen (Buchanan 2006). Met betrekking tot de verlichting in het plangebied kunnen negatieve effecten worden verwacht in de aanlegfase als ’s nachts wordt doorgewerkt en in de gebruiksfase als autoverkeer een trekroute of voortplantingsplek verlicht of licht van een evenement een voortplantingsplek verlicht. Daarnaast is een effect te verwachten als een voorheen donkere plek met amfibieën voor het eerst na aanleg permanent ’s nachts wordt verlicht. Dit effect is tijdelijk als gewenning aan de continue verlichting optreedt. Vuurwerk Het afsteken van vuurwerk is in de periode van 15 maart tot 15 mei niet toegestaan; buiten deze periode is het maximaal 12 dagen per jaar toegestaan met een maximum van 15 minuten per dag, zij het dat in de periode van 15 mei tot en met 1 juli maximaal tweemaal vuurwerk is toegestaan..

Dit is te incidenteel om een blijvend effect op amfibieën te veroorzaken. Effecten door vuurwerk blijven daarom buiten beschouwing. 5.2.3

Vleermuizen Foerageren en verplaatsen Lacoeuilhe et al. (2014) en Stone et al. (2015) geven een goed overzicht over de effecten van kunstlicht op vleermuizen. Alle vleermuissoorten worden in hun actieve periode (’s nachts) door licht beïnvloed. Overigens niet alleen door kunstlicht. Uit een meta-analyse van Prugh & Golden (2013) blijkt dat de nachtelijke activiteit van vleermuizen ook onder invloed staat van maanlicht. In nachten met volle maan zijn vleermuizen minder actief dan in donkere nachten. Dit gaat vooral op voor soorten die in open gebied, zoals boven water en boven boomkruinen foerageren, zoals water- en meervleermuis en rosse vleermuis. Het heeft waarschijnlijk te maken met predatierisico. (Stone et al . 2015). De omvang van het effect van licht is niet voor elke soort gelijk. Grootoorvleermuizen en soorten van de Myotis-groep, waartoe bijvoorbeeld baardvleermuis, Brandts vleermuis, vale vleermuis en watervleermuis behoren, mijden tijdens het vliegen en foerageren verlichte plekken. Gewone en kleine dwergvleermuizen, laatvlieger en rosse vleermuis daarentegen worden tijdens het foerageren door kunstlicht aangetrokken. Ruige dwergvleermuizen tonen geen voorkeur of afkeer voor kunstlicht. Uitgebreid experimenteel veldonderzoek van Spoelstra et al. (2017) toonde overigens aan dat alle vleermuissoorten het minst gevoelig zijn voor rood licht (tabel 5.2).

Dit kan worden verklaard doordat de ogen van vleermuizen het minst gevoelig zijn voor rood licht. Op basis van deze kennis heeft LEDexpert een vleermuisvriendelijke lamp ontwikkeld die amberkleurig licht geeft. Gebleken is dat de lichtintolerante meervleermuis (een soort van de Myotis-groep) wateren die door deze lamp worden verlicht niet mijdt (zoogdiervereniging.nl)

77

Tabel 5.2

Overzicht van vleermuizen die in en rond het plangebied zijn waargenomen Voor elke soort wordt de gevoeligheid voor licht en de relatieve gevoeligheid voor lichtkleur weergegeven. Bij lichtkleur betekent = geen verschil tussen de twee kleuren, > soort is gevoeliger voor de linker kleur dan voor de rechter kleur (Stone et al. 2015, Spoelstra et al. 2017). Gevoeligheid voor licht

Gevoeligheid voor lichtkleur

Bechsteins vleermuis

Hoog

wit = groen > rood = donker

Vale vleermuis

Hoog

wit = groen > rood = donker

Franjestaart

Hoog

wit = groen > rood = donker

Gewone grootoorvleermuis

Hoog

wit = groen > rood = donker

Gewone Baardvleermuis

Hoog

wit = groen > rood = donker

Brandt’s vleermuis

Hoog

wit = groen > rood = donker

Watervleermuis

Hoog

wit = groen > rood = donker

Meervleermuis

Hoog

wit = groen > rood = donker

Gewone dwergvleermuis

Laag

rood = donker > wit = groen

Ruige dwergvleermuis

gemiddeld?

rood = donker > wit = groen

Kleine dwergvleermuis

gemiddeld?

rood = donker > wit = groen

Laatvlieger

gemiddeld

wit = groen = rood = donker

Rosse vleermuis

gemiddeld

wit = groen = rood = donker

Soort

De licht-tolerante groep zijn snelvliegende soorten die in open terrein op vliegende insecten jagen, terwijl de licht-intolerante groep vooral uit soorten bestaat die langzaam vliegen en hun prooien van bladeren, de grond of het wateroppervlak pakken. Hoewel weinig gevoelig voor kunstlicht kent ook de in Nederland meest algemene soort (de gewone dwergvleermuis) zijn grenzen. Gewone dwergvleermuizen kunnen redelijk grote open ruimten oversteken (enkele tientallen meters), maar als deze worden verlicht neemt de barrièrewerking van de open ruimte toe. Hoe groter de afstand, hoe minder licht daarvoor nodig is. Bij een gat van 30 m in een vliegroute is dit 20 lux, voor een gat van 60 m is dit ongeveer 5 lux (Hale et al. 2015). In een 5 jaar durend experiment (Spoelstra et al. 2017) werd het effect van geen licht (donker) versus wit, groen en rood LED-licht op de activiteit van vleermuizen gemeten. De lichtintensiteit was vergelijkbaar met een lantaarnpaal in het buitengebied (1800 lumen of 7,6 lux op grondniveau). De lampen produceerden geen UV-licht. Bij iedere lampkleur en een donker controlevlak werd insecten-activiteit en vleermuisactiviteit gemeten. De als lichtgevoelige bekend staande Myotis-soorten en Plecotus-soorten (grootoorvleermuizen) vermeden duidelijk het witte en groene LED-licht, maar niet het rode licht.

De activiteit van deze soorten bij het rode licht was vergelijkbaar met de activiteit in het donker. Dwergvleermuizen werden duidelijk meer aangetrokken tot het witte en groene licht, hetgeen gerelateerd was aan de aantrekkingskracht van dit licht voor insecten. Dwergvleermuizen waren minder, maar in gelijke mate aanwezig bij het donker en de rode lampen. Er was geen

78

verschil in effect op rosse vleermuizen en laatvlieger, terwijl van deze soorten bekend is dat zij bij lantaarnpalen foerageren. Mogelijk heeft de kleine schaal van de opstellingen hierin een rol gespeelt, want uit ander onderzoek bleek oranje licht een negatief op laatvliegers te hebben (Stone et al. 2015). Lewanzik et al. (2017) laten de relatie met prooiaanbod mooi zien in een experiment waarin kwikdamplampen worden vervangen door LED-lampen. De activiteit van gewone dwergvleermuizen nam met 45% af na wisseling van het lamptype. De auteurs wijten dit aan een afname aan prooidieren, omdat LED-lampen in tegenstelling tot kwikdamplampen geen UV licht uitstralen dat insecten aantrekt. De activiteit van Myotis-soorten nam na de wisseling van het lamptype met een vier- tot vijfvoud toe. Waarschijnlijk niet als gevolg van een afname aan prooiaanbod, maar vanwege een lagere gevoeligheid voor LED-licht. Er was geen relatie tussen verschillen in lichtsterkte en de activiteitsverandering van beide soorten bij de twee lamptypen. De activiteit van Myotis-soorten is overigens bij een LED-lamp nog altijd minder dan in een omgeving zonder licht (Rowse et al. 2016, Stone et al. 2015). De omgeving waar vleermuizen vliegen/jagen heeft overigens ook invloed op hun reactie op licht. Als objecten (huizen, bomen, bladeren) het licht tegenhouden hebben ze er minder last van.

Myotis-soorten als baardvleermuis, Brandts vleermuis, vale vleermuis en franjestaart, en grootoorvleermuizen jagen in zomer en najaar op donkere plekken in de ondergroei en aan de onderzijde van het kroondak waar licht uit de omgeving bijna niet komt. Rosse vleermuizen jagen boven het bladerdek en ondervinden zo geen last van licht vanaf de grond, maar wel van boven (bijv. de volle maan). Laatvliegers jagen ook op hoogte, maar worden niet vaak boven het kroondak aangetroffen. Gewone en ruige dwergvleermuis foerageren voornamelijk onder het bladerdak en zijn dan minder gevoelig voor licht. Komen ze boven het bladerdek, wat met name in het najaar het geval is, of in een open ruimte in het bos, dan zijn ze gevoeliger voor licht. Sierdsema & Jansen 2016 gaan ervan uit dat als effectengrens 0,5 of 1 lux kan worden genomen voor de Myotis-groep en 3 lux voor de gewone dwergvleermuizen, laatvliegers, rosse vleermuizen en bosvleermuizen. Verblijfplaatsen Worden de uitgangen van de verblijfplaatsen van vleermuizen door kunstlicht beschenen dan verlaten de vleermuizen hun verblijfplaats later dan in onbelichte situaties (Stone et al. 2015). In een experimentele opzet verlieten vale vleermuizen hun verblijfplaats zelfs helemaal niet (DeCoursey & DeCoursey 1964). Uiteindelijk kan dit leiden tot het permanent verlaten van de verblijfplaats.

In het geval van kraamkolonies van soorten van de Myotisgroep leidde het verlichten van de uitgang tot een lagere groeisnelheid van de jongen (Boldogh et al. 2007). Hierdoor zullen de moeders langer aan de plek van de kraamkolonie gebonden zijn en meer tijd aan foerageren moeten besteden. Uiteindelijk kan dit er toe leiden dat de dieren de verblijfplaats permanent verlaten en hun heil elders zoeken, zoals Rydell et al. (2017) bij gewone grootoorvleermuizen vonden die in kerken verbleven waar spotverlichting op werd gericht.

79

De kleur licht kan ook een rol spelen in de mate van verstoring bij verblijfplaatsen. Bij het aanlichten van de uitvliegopening van een verblijfplaats van kleine dwergvleermuizen bleek rood licht het minst negatief tot niet negatief op het uitvlieggedrag. (Downs et al. 2003). Dit sluit aan bij het onderzoek van Spoelstra et al. (2017). Effecten van licht op winterverblijven van vleermuizen worden verwacht op de momenten dat vleermuizen hun winterverblijf verkennen of opzoeken. Het verkennen (ook wel zwermen bij het winterverblijf genoemd) vindt plaats in een ruime periode van juli tot en met november waarbij de piekzwerm-periode voor iedere soort anders ligt. Ook de momenten van het opzoeken van de winterverblijfplaats zijn per soort verschillend. Sommige soorten (laatvlieger, watervleermuis) kennen een relatief lange winterslaap van oktober tot en met maart-april, andere soorten zijn korter in winterslaap of kennen ook in de winter nog perioden van activiteit waarin ze verhuizen naar andere winterverblijfplaatsen (gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis). Licht rondom een winterverblijf kan vleermuizen afschrikken, waardoor ze een ander winterverblijf moeten opzoeken. Licht in een winterverblijf op het moment dat vleermuizen hier in winterslaap zijn zal zeker negatieve gevolgen hebben.

Vleermuizen die door licht uit hun winterslaap worden gehaald hebben een verlaagde kans op het overleven van de winter, omdat ze een groter beroep op hun vetreserves moeten doen en deze daardoor onvoldoende zijn om de winter door te komen (Stone et al. 2015). Vuurwerk en lichtshows Over het effect van vuurwerk op vleermuizen is niet veel bekend. Janssen et al. (2017) volgden gezenderde gewone grootoorvleermuizen tijdens het Airforce Festival in werkpark De Strip in augustus 2017. De dieren vlogen tijdens de lichtshows op de Strip, onder andere langs de podia waar de lichtshows plaatsvonden, en toonden geen gedragsverandering ten opzichte van de nachten zonder lichtshows. Ook het vuurwerk, dat tegen 23:00 uur gedurende 5 minuten werd afgevuurd, leek de dieren niet te deren. Tijdens en na het festival gebruikten de gezenderde gewone grootoorvleermuizen hetzelfde gebied als voor het festival. Dit gebied omvatte naast de bossen van de Lonnekerberg ook de werkparken De Strip en Oostkamp. Ook de gewone dwergvleermuizen die op de Strip foerageren en daar vaste verblijfplaatsen hebben, leken zich van de lichtshows en het vuurwerk niets aan te trekken, zowel in 2016 als in 2017. Ook zij vlogen over het festivalterrein en langs de podia en vertoonden geen gedragsveranderingen (Wisgerhof & Reimerink 2017, Lubbers & Marchal 2017).

Het afsteken van vuurwerk is in de periode van 15 maart tot 15 mei niet toegestaan; buiten deze periode is het maximaal 12 dagen per jaar toegestaan met een maximum van 15 minuten per dag, zij het dat in de periode van 15 mei tot en met 1 juli maximaal tweemaal vuurwerk is toegestaan. Dit is te incidenteel om een blijvend effect op vleermuizen te veroorzaken. Effecten door vuurwerk blijven daarom buiten beschouwing.

80

Conclusie Met betrekking tot het plangebied kunnen negatieve effecten worden verwacht in de aanlegen de gebruiksfase als ’s nachts wordt doorgewerkt of het (bouw)terrein vanuit het oogpunt van beveiliging wordt verlicht en een essentieel foerageergebied of trekroute of een verblijfplaats wordt verlicht. Negatieve effecten zijn vooral te verwachten op de gewone grootoorvleermuis en de soorten van de Myotis-groep (vale vleermuis, watervleermuis, franjestaart, baardvleermuis, Brandts vleermuis). De omvang van het effect is afhankelijk van het toegepaste lamptype waarbij de kleur van het licht relevant is. Worden lampen gebruikt die amberkleurige licht geven, dan zijn negatieve effecten op de licht-intolerante soorten te verwaarlozen. 5.2.4

Vogels Bekend is dat kunstlicht effect heeft op het zingen van zangvogels. In verlichte situaties beginnen merels ’s morgens eerder met zingen en beginnen ze ook eerder in het jaar met zingen (Da Silva et al. 2014, 2015). Bij een aantal zangvogelsoorten is gebleken dat de aanvang van het zingen in de ochtend steeds vroeger valt bij toenemende lichtintensiteiten, variërend van 10 tot 21 minuten vroeger bij een toename van 0,5 naar 15,5 lux (Da Silva et al. 2014). Onder invloed van kunstlicht leggen pimpelmeesvrouwtjes eerder in het seizoen eieren en hebben pimpelmeesmannetjes meer partners (Kempenaers et al. 2010). Koolmezen voeden hun jongen vaker per dag als naast de nestkast een lamp brandt (Titulaer et al. 2012). Dit laatste resulteert in een grotere inspanning van de mezenouders, wat mogelijk consequenties heeft voor hun overlevingskansen. Ouyang et al. (2017) toonden bijvoorbeeld experimenteel aan dat koolmezen die in een verlichte omgeving slapen onrustiger zijn en dus minder slapen. Ze blijken ook gevoeliger voor ziekteverwekkers. Vooral wit licht had een negatieve invloed op de gezondheid van de vogels. Hoewel leven in een verlichte omgeving vogels kwestbaarder kan maken, vonden De Jong et al.

(2015) in een veldexperiment met verschillende lichtregimes op nestkasten van koolmezen en bonte vliegenvangers geen effecten op de keuze voor een nestkast (wel of niet verlicht), de dichtheid aan bezette nestkasten en broedsuccesparameters (broedselgrootte, gewicht van de jongen, overleving van de jongen en de ouders, etc.). Een verklaring zou kunnen zijn dat de lichtintensiteit van de gebruikte lampen (circa 8,5 lux; vergelijkbaar met straatverlichting) niet zo hoog is. Op soorten die in het open veld broeden, lijkt verlichting wel een negatief effect te hebben. Tijdens een experiment langs een autoweg kozen vroeg van hun overwinteringsgebied terugkerende grutto’s hun nesten op grotere afstand van de wegverlichting dan laat terugkerende grutto’s (De Molenaar et al. 2006). De verklaring zou kunnen zijn dat verlichte nesten gevoeliger voor predatie zijn. Uit onderzoek naar effecten van kunstlicht op grondgebonden zoogdieren komt naar voren dat roofdieren door kunstlicht worden aangetrokken en prooidieren kunstlicht mijden (Molenaar et al. 2003). De verklaring is dat de meeste zoogdieren ’s nachts actief zijn. Kunstlicht helpt de roofdieren in het donker bij het vinden van de weg en het vangen van prooien. Prooien, zoals op de grond broedende vogels, lopen in het licht dus een groter risico en mijden daarom door kunstlicht verlichte locaties (Rotics et al. 2011).

81

Vuurwerk Over de effecten van vuurwerk op vogels bestaan alleen anekdotische waarnemingen, waarbij geen onderscheid is te maken tussen het effect van de lichtflitsen en dat van knallen (Ottburg et al. 2008). Door het incidentele karakter van vuurwerk, zijn onder vogels nog nimmer blijvende effecten in de zin van afname van aantal broedvogels of wintervogels aangetoond. Het afsteken van vuurwerk is in de periode van 15 maart tot 15 mei niet toegestaan; buiten deze periode is het maximaal 12 dagen per jaar toegestaan met een maximum van 15 minuten per dag, zij het dat in de periode van 15 mei tot en met 1 juli maximaal tweemaal vuurwerk is toegestaan. Dit is te incidenteel om een blijvend effect op vogels te veroorzaken. Effecten door vuurwerk blijven daarom buiten beschouwing. Conclusie Concluderend kan worden gesteld dat kunstlicht (geen vuurwerk) een effect kan hebben op soorten die in open veld broeden, omdat het de kans op predatie verhoogt. Op de overige broedvogels zijn negatieve effecten uit te sluiten. Negatieve effecten door vuurwerk kunnen door het incidentele karakter worden uitgesloten.

5.3

Geluid

5.3.1

Algemeen Geluid wordt beschouwd als een belangrijke verstorende factor op natuur. Geluid kan worden gedefinieerd als een zich als een golfbeweging voortplantende wisselende druk in lucht. Trillingen in een ander substraat dan lucht vallen niet onder de categorie geluid. Geluidssterkte wordt in veel geluids- en effectstudies weergegeven in dB(A). De A staat voor het toegepaste filter, in dit geval een die is afgestemd op het menselijke gehoor. Algemeen wordt gesteld dat het menselijk gehoor in staat is om frequenties van 20 Hertz tot 20 kHz waar te nemen. Rond een frequentie van 4 kHz hoort de mens het beste. Geluid met een lagere of hogere frequentie dan 4 kHz moet harder (in dB) zijn dan geluid van 4 kHz om voor een mens hoorbaar te zijn. Geluidsmeters met het A-filter leggen daarom de nadruk op de geluidssterkte (in dB) in de frequenties tussen 1 en 6 kHz. Diersoorten kunnen een smaller of breder spectrum aan toonhoogtes (frequenties) waarnemen (figuur 5.1). Binnen het spectrum is de gevoeligheid voor geluid niet gelijk (figuur 5.2). Bij mensen en zebravinken ligt de gehoordrempel (het geluid dat nog net kan worden waargenomen) bij 4 kHz, maar voor zebravinken moet de sterkte van het geluid wel drie keer zo hard (in dB) zijn voordat ze het horen.

82

Figuur 5.1

Gehoorbereik van dieren en mensen (NB: x-as is een logaritmische schaal).

Figuur 5.2

Gehoorbereik van Zebravink en mens (NB: x-as is een logaritmische schaal).

Het geluid van machines is in het algemeen laag: 22 tot 2.000 Hz. Het geluidsspectrum van verkeer is breder (100 tot 8.000 Hz) en is onder andere afhankelijk van het type voertuig (een vrachtauto zit vooral in de lage frequenties, sportmotoren in de hoge), de rijsnelheid (hoe harder, hoe hoger) en de ondergrond. Voor een combinatie van auto- en vrachtverkeer (in verhouding 75:25) met een snelheid van 50 tot 60 km/u ligt de piek in geluidsbelasting (90 tot 95 dB(A)) tussen 0,5 en 2 kHz. Het geluidspectrum van muziek is ook breed: 20 tot 20.000 Hz. In muziek worden hoge tonen (> 8 kHz) meestal niet hard (weinig dB) gespeeld, want dat wordt door mensen als onprettig ervaren.

83

Hoe verder van de bron, hoe zwakker het geluid. De geluidssterkte (in dB) van een puntbron (bijvoorbeeld een fabriek) neemt af met 6 dB voor elke verdubbeling van de afstand. De geluidssterkte van een lijnbron (bijvoorbeeld een weg met een continue verkeersstroom) neemt af met 3 dB voor elke verdubbeling van de afstand. Lage tonen dragen verder dan hoge tonen. Dit komt omdat hoge tonen makkelijker door obstakels (muren, bomen) worden afgebogen dan lage tonen. Ook dragen hoge tonen in vochtige lucht minder ver dan lage tonen. Ze worden geabsorbeerd door stofdeeltjes en water. Zo wordt in vochtige lucht geluid van 125 Hz per kilometer 0,3 dB afgezwakt, geluid van 8.000 Hz wordt per kilometer 76 dB afgezwakt. In een lawaaierige omgeving is het moeilijker om individuele geluiden (bijvoorbeeld van je gesprekspartner) te onderscheiden. Hoe harder het omgevingsgeluid en hoe meer het in frequentie met het geluid dat je wilt horen overlapt, hoe moeilijker het is. Het is niet zo dat je in een lawaaierige omgeving je gesprekspartner niet meer hoort, je moet alleen dichter bij de bron komen om een gesprek te kunnen voeren. Voor dieren geldt hetzelfde. De meeste geluidsbronnen produceren een heel spectrum aan toonhoogtes. Het merendeel van de studies onderzocht het effect van de geluidssterkte in dB(A).

Hierdoor is niet duidelijk of het waargenomen effect daadwerkelijk een gevolg was van het hogere geluidsniveau in de frequenties van het A-filter of van het geluidsniveau in lagere of hogere frequenties. Dit zou een verklaring kunnen zijn waarom de resultaten van onderzoeken aan dezelfde diersoort verschillen bij dezelfde geluidssterkte (in dB(A)). Bij veldstudies kan het echter ook zo zijn dat andere omgevingsfactoren voor het dier belangrijker waren om op een plek te verblijven of een bepaald gedrag te vertonen. De aanwezigheid van veel of makkelijk te bemachtigen voedsel kan bijvoorbeeld aanleiding zijn om toch in een lawaaierige omgeving te foerageren (Lensink 2015, Wansink 2016). In de effectbeoordeling kan de invloed van geluid (of welke andere verstoringsfactor dan ook) niet op zichzelf worden beschouwd, maar moet dit in relatie tot andere omgevingsfactoren gebeuren. Bij de beoordeling van geluidseffecten op dieren (en mensen) dient onderscheid te worden gemaakt tussen continue geluidsbelasting en incidentele gepiekte geluidsbelasting. Geluid van wegverkeer en industrie en geluid in steden zorgen voor een continue geluidsbelasting, voornamelijk in lage frequenties. Als de toonhoogte van dit geluid samenvalt met de gevoeligheid van de diersoort of het geluid dat het dier zelf produceert dan is sprake van een chronische belasting.

Dit kan tot blijvende effecten leiden, zoals vermijden van een gebied met continu geluid of een lager broedsucces. Anderzijds biedt de continuïteit de dieren de mogelijkheid om zich er aan te passen; voorbeelden hiervan passeren de revue in de soortbesprekingen hieronder. Incidenteel gepiekt geluid leidt bij de meeste dieren tot een korte reactie, zoals alert opkijken of wegvluchten, waarna ze verder gaan waar ze mee bezig waren of terugkeren als blijkt dat van het geluid geen gevaar te duchten valt (een startend vliegtuig) of het gevaar is geweken (een jager). Gepiekt geluid in het plangebied betreft bijvoorbeeld een opstijgend vliegtuig, het proefdraaien van straalmotoren en vuurwerk. De piek in toonhoogte ligt meestal laag, maar ligt bij proefdraaien bij 2,5 en 5 kHZ. De toonhoogte van vuurwerk kan zeer hoog zijn (tot 16 kHZ), maar is zeer kortstondig (minder dan een seconde). Het afsteken van vuurwerk

84

is in de periode van 15 maart tot 15 mei niet toegestaan; buiten deze periode is het maximaal 12 dagen per jaar toegestaan met een maximum van 15 minuten per dag, zij het dat in de periode van 15 mei tot en met 1 juli maximaal tweemaal vuurwerk is toegestaan. Dieren kunnen ook aan incidenteel gepiekt geluid wennen. Bij zwarte zee-eenden nam de hartslag op de eerste dag van blootstelling aan het geluid van een overvliegende straaljager (110 dB gedurende 36 seconden) toe, maar op de tweede en derde dag van het experiment veranderde de hartslag niet meer (Harms et al. 1997). 5.3.2

Amfibieën Amfibieën zijn in staat geluiden te horen in het frequentiebereik van ongeveer 100 tot 2500 Hz. Hun bereik is dus minder groot dan dat van mensen en het valt binnen de frequentieverdeling van het A-filter. Een groot aantal soorten, specifiek padden en kikkers, is daarnaast in staat zelf geluid te produceren. Negatieve effecten van door mensen geproduceerd geluid zou dan bestaan uit het maskeren van de roep van mannetjes in de voortplantingstijd. Sun & Narins (2005) vonden bijvoorbeeld dat het geluid van overvliegende vliegtuigen en passerende motorfietsen tot een reductie in de roepactiviteit van kikkermannetjes leidde. Eigenbrod et al. (2009) vonden dat verkeersgeluid de dichtheid aan kikker- en paddensoorten tot 250 tot 1000 m van een weg negatief kan beïnvloeden. Opvallend in het onderzoek van Sun & Narins (2005) was dat de reductie in roepactiviteit bij drie van de vier aanwezige soorten optrad. Bij de vierde soort nam de roepactiviteit juist toe. De auteurs vermoedden dat dit te maken had met de frequentie van het vliegtuig/ motorgeluid en dat van de kikkerroep. De soorten met dezelfde frequentie als het geluid van vliegtuig of motorfiets verminderden hun roepactiviteit, terwijl de roepactiviteit van de soort met een afwijkende frequentie toenam.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=enschede&id=8ee3ebde-7ee2-4a90-b885-36b0c3419cb9