B1. BP Bijlagen 40-43 toelichting
Tekst van het document
3.2.5
Wanneer is er sprake van wezenlijke invloed op de staat van instandhouding? Onder de Wnb is het storen van vogels alleen verboden wanneer sprake is van een wezenlijke invloed op de staat van instandhouding van de betreffende soort (artikel 3.1 vierde en vijfde lid Wnb). De Wnb definieert staat van instandhouding in artikel 1.1 als het effect van de som van de invloeden die op de betrokken soort inwerken en op lange termijn een verandering kunnen bewerkstelligen in de verspreiding en de grootte van de populaties van die soort. Relevant voor deze beoordeling is wat onder een populatie dient te worden verstaan. In een brochure van het Ministerie van Economische Zaken (Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen, december 2016) staat de volgende definitie van populatie: “Een populatie is een groep van individuen van dezelfde soort, die gelijktijdig in eenzelfde geografisch gebied leven en zich in principe onderling kunnen voortplanten. Veel soorten in 4 Dit bleek inderdaad het geval ten aanzien van het Airforce festival 2017. De voorzieningenrechter van de rechtbank Overijssel volgde in de zaak ECLI:NL:RBOVE:2017:3089 met betrekking tot de begrippen “opzettelijk te storen” en “opzettelijk te verstoren” de lijn van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Zie: http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2017:3089.
Zie ook ABRS 10 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:12, waarin de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State inmiddels heeft bevestigd dat deze jurisprudentie onder de Wnb van toepassing blijft. 5 Zie ABRS 10 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:12.
26
Nederland leven in een netwerk van populaties: ruimtelijk gescheiden deelpopulaties, die ieder op zich te klein zijn voor het duurzaam voortbestaan van de soort. Omdat de leefgebieden van de populaties met elkaar verbonden zijn, kunnen individuen tussen de deelpopulaties uitwisselen.” Zoals hierboven staat leven veel soorten in Nederland in een netwerk van deelpopulaties, ook wel metapopulatie genoemd. De mate van uitwisseling tussen deelpopulaties is afhankelijk van de afstand tussen de deelpopulaties, welke weer wordt bepaald door het aanbod aan geschikt leefgebied. Als geschikte leefgebieden zich in elkaars nabijheid bevinden en de afstand tussen deze leefgebieden relatief kort is, zal meer uitwisseling van dieren plaatsvinden. Hoe groter de afstand tussen leefgebieden, hoe minder uitwisseling van dieren plaatsvindt. Dit is enerzijds afhankelijk van het vermogen dan wel de neiging van de soort om zich te verplaatsen en anderzijds neemt met grotere afstand de kans dat een dier de juiste route naar nieuw leefgebied af. Vogels kunnen vliegend grote afstanden afleggen en makkelijk met elkaar in contact komen. Als leefgebieden relatief nabij elkaar liggen en er ook uitwisseling kan plaatsvinden, zijn er ruimtelijk gezien geen geïsoleerde deelpopulaties te onderscheiden. De zelfstandige populatie van vogels behelst dan de in Nederland voorkomende populatie.
Ruimtelijk gezien is de populatie groter dan het Nederlands grondgebied. In ecologische effectbeoordelingen voor vogels wordt in de regel uitgegaan van de landelijke populatie. De meeste vogelsoorten kennen een hoge mate van broedplaatstrouw. Dat wil zeggen dat vogels die eenmaal hebben gebroed het volgende jaar veelal naar hetzelfde broedgebied terugkeren. De afstand tussen de geboorteplek van een jong en de toekomstige locatie van voortplanting is beperkt: van enkele tot circa een tiental kilometers of meer. Voor veldleeuwerik vonden Hegeman et al. (2010) in Duitsland bijvoorbeeld dat van 30 veldleeuweriken die als nestjong waren geringd 26 het volgend jaar binnen 4 km van hun nest als broedvogel werden teruggevonden en 4 op meer dan 10 km van hun geboorteplek. Voor jonge graspiepers vond Hötker (1982) in Duitsland afstanden tussen 1 en 10 km. Het bovenstaande impliceert dat het merendeel van de broedvogels ieder jaar terugkeren naar hetzelfde broedgebied dan wel naar een vergelijkbaar gebied binnen een straal van enkele tot een tiental kilometers om dat broedgebied. Als leefgebieden op grotere afstanden zijn gelegen, dan is er in principe slechts beperkte uitwisseling met omliggende deelpopulaties.
Hoewel voor vogels uit kan worden gegaan van de gehele in Nederland voorkomende populatie, welke als één populatie kan worden beschouwd, kan er soms regionaal sprake zijn van deelpopulaties die behoorlijk geïsoleerd liggen van andere deelpopulaties vanwege het ontbreken van grote oppervlakten geschikt leefgebied tussen de deelpopulaties. Voor de bepaling van de verstoring zal dan gekeken moeten worden naar de invloed ervan op die deelpopulaties. Bij de beoordeling van de effecten van verstoring moet daarom de omgeving van het plangebied worden betrokken en moet worden beoordeeld in hoeverre daar geschikt
27
leefgebied aanwezig is, hetzij aan de hand van waarnemingen van de soort aldaar, hetzij op basis van de eisen die de soort aan zijn leefgebied stelt. Concluderend onderzoeken wij de effecten op: de lokale deelpopulatie binnen het plangebied de regionale deelpopulatie zijnde de populatie in Twente We bepalen of binnen deze deelpopulaties sprake is van een wezenlijke invloed op de staat van instandhouding. Daarmee wordt bedoeld: een blijvende afname in de lokale deelpopulatie die er toe leidt dat de regionale deelpopulatie niet meer duurzaam in stand gehouden kan worden.
28
29
4 Natuurwaarden – huidige situatie 4.1
Uitgevoerd natuuronderzoek
4.1.1
Algemeen In 2010 vond het eerste flora- en faunaonderzoek plaats in verband met de herontwikkeling van de voormalige luchtmachtbasis Twente; een vlakdekkend onderzoek van het toenmalige plangebied en enkele terreinen daar om heen (figuur 4.1). Het onderzoek was gericht op alle soorten die bescherming genoten onder de toenmalige Flora- en faunawet. De resultaten van het veldonderzoek zijn aangevuld met gegevens uit andere onderzoeken in gebieden rondom de voormalige luchtmachtbasis en met gegevens in databanken van Landschap Overijssel, Provincie Overijssel en Waterschap Regge & Dinkel. De resultaten, inclusief een beoordeling van de mogelijke effecten van de toenmalige plannen voor de herinrichting op de beschermde soorten, zijn beschreven in Lubbers (2011). Op basis van dit onderzoek is een ontheffing inzake de Flora- en faunawet aangevraagd en verkregen (ontheffing FF/75C/2013/0434). De ontheffing bevatte voor een aantal soorten een monitoringverplichting, voor de periode na het uitvoeren van werkzaamheden en/of mitigerende maatregelen. Deze monitoring is in 2014 gestart en jaarlijks tot en met 2017 uitgevoerd (Lubbers 2015b, 2016a, 2016b, 2017d). De beschrijving van de huidige situatie is gebaseerd op de inventarisaties in 2016 en 2017. Informatie van de jaren daarvoor is gebruikt om inzicht te krijgen in de ontwikkelingen van beschermde soorten in het plangebied.
Figuur 4.1
Onderzoeksgebied basiskartering flora en fauna 2010 (Lubbers 2011).
30
In 2015 zijn de plannen voor de herontwikkeling van een deel van de voormalige luchtmachtbasis aangepast. Een nieuwe beoordeling was noodzakelijk. De gegevens van 2010 waren te oud, zodat in 2016 in de plangebieden Noord en Midden een nieuw vlakdekkend veldonderzoek is uitgevoerd (Lubbers 2016b). Dit is in 2017 aangevuld met onderzoek naar beschermde soorten in gebieden rondom de voormalige luchtmachtbasis (Lubbers 2017c), plus de monitoring in het plangebied van de soorten waarvoor in 2014 ontheffing is verleend (Lubbers 2017d). Sinds 1 januari 2017 is de Wnb van kracht. Met het in werking treden van deze wet veranderde de beschermingsstatus van enkele soorten. In de veldonderzoeken in 2016 en 2017 is hier rekening mee gehouden. Belangrijk is nog te melden dat in 1997, toen het plangebied nog in gebruik was als militaire vliegbasis, de libellen, vlinders, amfibieën, reptielen, broedvogels en zoogdieren ook in kaart zijn gebracht (Hornman 1998). Dit geeft een beeld over de aanwezigheid van soorten in de nabijheid van een militair vliegveld met de daarbij horende storingsfactoren. Figuur 4.2 toont het toenmalige onderzoeksgebied. Hieronder volgt per soortgroep een beschrijving van de onderzoeken.
Figuur 4.2
31
Onderzoeksgebied fauna-inventarisaties 1997 (Hornman 1998).
4.1.2
Broedvogels Onder de Flora- en faunawet en de Wnb waren/zijn alle vogelsoorten tijdens het broeden beschermd. Van enkele soorten zijn de nesten ook buiten het broedseizoen beschermd: de zogenoemde JR-soorten. Naast soorten op een standaardlijst van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (voorheen Dienst Regelingen van het ministerie van EZ) is in de toelichtende en begeleidende brief bij de generieke ontheffing FF/75C/2013/434 specifiek voor het gebied van de voormalige luchtmachtbasis Twente aangegeven dat de nesten van de veldleeuwerik, graspieper, braamsluiper, kneu en geelgors als een jaarrond beschermde nestplaats moeten worden beschouwd. 1997 Voor de volledigheid worden hier ook enkele zinnen aan het veldonderzoek in 1997 gewijd. In dit jaar zijn onder andere de broedvogels vlakdekkend onderzocht waarbij aan de verschillende deelgebieden drie bezoeken in de vroege ochtend zijn gebracht (Hornman 1998). 2010 In 2010 zijn de minder algemene broedvogels vlakdekkend onderzocht; aan de bosrijke deelgebieden zijn vier bezoeken gebracht een aan het open gebied rond de startbaan vijf bezoeken. Beide gebieden zijn tevens in augustus onderzocht op de aanwezigheid van laatbroedende soorten (Lubbers 2011).
2013 Voorafgaand aan de herinrichting van het nieuwe NNN en aan de monitoring van 2014 en later, is in 2013 middels één inventarisatieronde het voorkomen van veldleeuwerik en graspieper in de bestemmingsplan-gebieden in kaart gebracht. De resultaten zijn opgenomen in de verslaglegging over de monitoring in 2014 (Lubbers 2015b). 2014 Figuur 4.3 toont het onderzoeksgebied. In dit gebied is de aanwezigheid van broedterritoria van veldleeuwerik, graspieper, kneu, geelgors en braamsluiper onderzocht middels de methode van uitgebreide territoriumkartering (Van Dijk & Boele 2011); daarbij is begin juni 1 bezoek gebracht. Voorts zijn aanvullende waarnemingen van minder algemene soorten verzameld. Daarnaast is een controle uitgevoerd van nestkasten die in de winter van 2013-2014 als mitigerende maatregel in plangebied Midden zijn opgehangen (figuur 4.3). Bovengenoemd onderzoek en de resultaten zijn beschreven in Lubbers (2015b).
32
Figuur 4.3
Onderzoeksgebied broedvogelkartering 2014 en 2015 (zwarte lijn) en locaties van nest- en vleermuiskasten (rode stippen) (Lubbers 2015b en 2016a).
2015 Figuur 4.3 toont het onderzoeksgebied. In dit gebied is de aanwezigheid van broedterritoria van veldleeuwerik, graspieper, kneu, geelgors en braamsluiper onderzocht middels de methode van uitgebreide territoriumkartering (Van Dijk & Boele 2011), waarbij tevens waarnemingen van minder algemene en strikt(er) beschermde soorten zij genoteerd, hiertoe is begin juni een veldbezoek gebracht. De JR-soorten havik, buizerd, sperwer en wespendief zijn door middel van veel aanvullende waarnemingen tijdens de bezoeken voor andere soorten en tijdens de begeleiding van mitigerende maatregelen ook geïnventariseerd. Door de hoeveelheid van bezoeken (50 in totaal) aan het onderzoeksgebied is voor deze soorten wel een vlakdekkend beeld over de aanwezigheid van territoria ontstaan. Met betrekking tot andere broedvogelsoorten zijn alleen incidentele waarnemingen verzameld. Daarnaast is een controle uitgevoerd van nestkasten die in het nieuwe NNN en bij de schietbaan hangen (figuur 4.4). Bovengenoemd onderzoek en de resultaten zijn beschreven in Lubbers (2016a).
33
Figuur 4.4
Locaties van de nest-e n vleermuiskasten in het nieuwe NNN en de schietbaan die in 2015 zijn gecontroleerd (Lubbers 2016a).
2016 Figuur 4.5 toont het onderzoeksgebied. Voor broedvogels is gebruik gemaakt van de methode van uitgebreide territoriumkartering (Van Dijk & Boele, 2011); aan het open gebied zijn vijf bezoeken gebracht, waarvan één gericht op veldleeuwerik en graspieper, aan de besloten gebieden (bos) vier. Van de algemene soorten is wel de aanwezigheid als broedvogel genoteerd, maar er is geen informatie verzameld over aantallen en broedlocaties. Extra aandacht ging uit naar de JR- en Cat 5-soorten. Waarnemingen van laat broedende soorten zoals boomvalk, wespendief en kwartel zijn verzameld tijdens de veldbezoeken naar andere soortgroepen in juli en augustus, met name tijdens veldbezoeken naar flora, reptielen en vleermuizen (voor kwartel). Tijdens de veldbezoeken naar vleermuizen zijn aanvullende waarnemingen van nachtactieve broedvogels verzameld (houtsnip, uilen).
34
Figuur 4.5
Onderzoeksgebied broedvogelkartering en vleermuisonderzoek 2016 (zwart omlijnd). Gebieden A en B zijn aanvullend op broedvogels geïnventariseerd (Lubbers 2016b).
Om een zo compleet mogelijk beeld te krijgen van een aantal kritische bos- en struweelvogels, in het bijzonder van de aandachtsoorten kneu, braamsluiper en geelgors, zijn in maart en mei extra veldrondes uitgevoerd in het aangrenzende landschap (deelgebieden A en B in figuur 4.5). Het gaat om een totaal oppervlak van 110 hectare. Tevens is de Nationale Database Flora en Fauna (NDFF) geraadpleegd, in het bijzonder voor waarnemingen van lokale waarnemers via de site waarneming.nl. In oktober zijn enkele bospercelen gecontroleerd op de mogelijke aanwezigheid van horsten (wespendief, sperwer, buizerd en boomvalk). Bovengenoemd onderzoek en de resultaten zijn beschreven in Lubbers (2016b). 2017 Figuur 4.6 toont het onderzoeksgebied. In 2017 zijn in de plangebieden Noord en Midden (lichtgrijs in figuur 4.6) in het kader van de monitoringverplichting de JR-soorten geïnventariseerd volgens de methode van uitgebreide territoriumkartering (Lubbers 2017d); daarbij zijn aan alle deelgebieden drie bezoeken gebracht, waarvan één gericht op veldleeuwerik en graspieper. Daarnaast is een broedvogelinventarisatie uitgevoerd in gebieden rondom de voormalige luchtmachtbasis die onder invloed van geluid vanuit de bestemmingsplangebieden kunnen staan (Lubbers 2017c). Het betrof de gebieden ’t Holthuis (278,8 ha.), Lonnekerberg (137,6
35
ha.), Roolvinkerhoek (100,1 ha.), Landgoed Tattersall (59,5 ha.) en het Hartjesbos (25,6 ha.). Hoewel tevens een deel van Landgoed Oosterveld aan de noordzijde binnen de genoemde geluidscontouren valt, kon helaas geen medewerking van de terreineigenaar worden verkregen. Het landgoed was om die reden niet bij het onderzoek betrokken.
Figuur 4.6
Onderzoeksgebied broedvogelkartering 2017 (donkergrijze arcering) met deelgebieden ‘t Holthuis, Lonnekerberg, Roolvinkerhoek, Landgoed Tattersall en Hartjesbos. Het monitoringsgebied van de twee bestemmingsplannen is in lichtgrijs weergegeven (Lubbers 2017c).
In de rond de voormalige luchtmachtbasis gelegen gebieden zijn de broedterritoria van alle schaarse en lokaal of regionaal schaarse en minder algemene broedvogelsoorten in kaart gebracht. Hiervoor is de methode van uitgebreide territoriumkartering (Vergeer et al. 2016) toegepast, waarbij aan elk gebied drie bezoeken zijn gebracht. Van de algemene soorten is wel de aanwezigheid als broedvogel genoteerd, maar er is geen informatie verzameld over aantallen en broedlocaties, dan wel het aantal is geschat. Extra aandacht ging uit naar de
36
JR- en Cat 5-soorten. Behalve het inventariseren van broedvogels op basis van zang en zichtwaarnemingen is op een aantal potentieel geschikte erven navraag gedaan naar de mogelijke aanwezigheid van roofvogels en uilen (afbeelding 4.7). Tevens zijn een aantal aanvullende veldbezoeken uitgevoerd voor het lokaliseren van roofvogelnesten en laat broedende vogelsoorten als boomvalk en wespendief.
Figuur 4.7
Overzicht van erven waar navraag is gedaan naar de aanwezigheid van uilen en roofvogels (Lubbers 2017c).
Tot slot, ten behoeve van het beheer van de nieuwe natuur (Nieuwe NNN) en diverse ruimtelijke ontwikkelingen, zijn aanvullende waarnemingen van broedvogels op en rond de voormalige luchtmachtbasis en dus deels in de aangrenzende onderzoeksgebieden verzameld. Bovengenoemd onderzoek en de resultaten zijn beschreven in Lubbers (2017c en 2017d). In verband met de mogelijke aanwezigheid van een nest van ransuil in 2016 zijn in het vroege voorjaar van 2017 de bosgebieden binnen het vastgestelde territorium in plangebied Noord (figuur 4.8) intensief onderzocht. Dit heeft geen nest opgeleverd, waarmee tevens geconcludeerd kon worden dat in 2016 in het plangebied geen broedgeval van ransuil heeft plaats gehad (Lubbers 2017b).
37
Figuur 4.8
Ligging en begrenzing territorium van ransuil in 2016 en geïnspecteerde bospercelen aan de noordzijde van Vliegveld Twente (rode arcering). Het betreft alleen het deel van het territorium dat binnen de grenzen van het plangebied valt (Lubbers 2017b).
Onderzoeksintensiteit De onderzoeksintensiteit bij de inventarisatie van broedvogels varieerde van jaar op jaar. Tijdens de basiskartering in 2010 en 2016 zijn er meer veldbezoeken uitgevoerd dan bijvoorbeeld tijdens de monitoring in 2014 en 2015. Met betrekking tot de graslandzangers veldleeuwerik en graspieper varieerde de onderzoeksintensiteit tussen de jaren niet. Deze soorten werden jaarlijks tijdens één gerichte veldronde in juni geïnventariseerd. De vastgestelde aantallen broedparen moeten daarom als een absoluut minimum worden gezien; het is aannemelijk dat gedurende het broedseizoen een hoger aantal broedparen heeft gebroed. Ten aanzien van de vogels heeft voldoende onderzoek plaatsgevonden. Er is hiermee voldoende basis om de effecten op vogels te kunnen beoordelen. 4.1.3
Vleermuizen 1997 In 1997 heeft geen inventarisatie naar vleermuizen plaatsgevonden. 2010 In 2010 zijn in de periode maart tot en met september 7 bezoeken aan het onderzoeksgebied gebracht. Daarbij werd met behulp van een batdetector en volgens het Vleermuisprotocol van maart 2010 het gebruik van het gebied door vleermuizen onderzocht.
38
Daarnaast zijn in november 2010 een aantal objecten (bunkers, kelders, zolders, figuur 4.9) en het rioolstelsel op overwinterende vleermuizen onderzocht (Lubbers 2011).
Figuur 4.9
Objecten die in 2010 op overwinterende vleermuizen zijn onderzocht (Lubbers 2011).
2014 De inventarisatie in 2014 heeft zich gericht op gebouwen binnen de deelgebieden Oostkamp, de Strip en Prins Bernhardpark en was bedoeld om uit te sluiten, dan wel aan te tonen of de gebouwen een functie hebben als verblijfplaats voor vleermuizen. Voor een weergave van de begrenzing van de verschillende deelgebieden wordt verwezen naar figuur 4.10. Daarnaast is aandacht besteed aan de gebouwen waar in 2010 verblijfplaatsen zijn aangetroffen en een klein aantal niet beoordeelde (zgn. ‘onbekende’) gebouwen. Tijdens de controle van nestkasten op broedvogels (zie § 4.2.2) zijn ook enkele vleermuiskasten gecontroleerd. Het duurt doorgaans 1 tot 2 jaar voor de vleermuizen deze objecten ontdekken en hier gebruik van gaan maken. Hetzelfde geldt voor de twee nieuwe vleermuisbunkers die als mitigerende maatregel in het nieuwe NNN zijn aangelegd, tussen het noordelijke deel van De Strip en de Lonnekerberg. Bovengenoemd onderzoek en de resultaten zijn beschreven in Lubbers (2015b).
39
Figuur 4.10
Deelgebieden onderzocht op vleermuizen in 2014 en 2015: Oostkamp, De Strip en Prins Bernhardpark (Lubbers 2015b en 2016a).
2015 In 2015 is een controle van de vleermuiskasten uitgevoerd (Lubbers 2016a). In verband met de voorgenomen ontwikkeling van het bedrijf AreoNextLife (AELS) in plangebied Noord is daarnaast een inventarisatie van vleermuizen rond de in figuur 4.11 omcirkelde gebouwen uitgevoerd conform het ‘Protocol voor vleermuisinventarisaties (versie 2013)’ (Lubbers 2015c). Door Gerritsen et al. (2015) is in 2015 een verkennend onderzoek naar vleermuizen in en rond de Lonnekerberg uitgevoerd (figuur 4.12). Het onderzoek omvatte: veldbezoeken met batdetectors en recorder; korte en lange opname sessies met een Batcorder; vangen van vleermuizen met mistnetten. Het onderzoek richtte zich voornamelijk op het vaststellen van soorten en minder op het in kaart brengen van de functies die het gebied voor de verschillende vleermuissoorten vervult. Zo is bijvoorbeeld geen systematisch onderzoek uitgevoerd naar zomerverblijfplaatsen. Onderzoek naar foerageerroutes, vliegroutes en balts- en zwermlocaties heeft wel plaats gevonden. Gerritsen et al. (2015) hebben ook in het nabijgelegen natuurreservaat ’t Holthuis in verband met mogelijke zwermlocaties één veldbezoek met de batdetector uitgevoerd en twee vangsessies met mistnetten gehouden.
40
Figuur 4.11
Locatie waar in 2015 vleermuisonderzoek heeft plaatsgevonden in verband met de voorziene ontwikkelingen van AELS (Lubbers 2015c).
Figuur 4.12
Begrenzing onderzoeksgebied vleermuisonderzoek Lonnekerberg in 2015 (Gerritsen et al. 2015).
2016 Figuur 4.5 toont het onderzoeksgebied. Om de functie en het gebruik van het onderzoeksgebied door vleermuizen te onderzoeken zijn een aantal inventarisatiemethodes gebruikt: Veldbezoeken met een batdetector en recorder; Veldinspecties van specifieke gebouwen (m.n. winterobjecten); Korte en lange opnamesessies met een Batcorder; Mistnetonderzoek.
41
De veldbezoeken met een batdetector en recorder zijn conform het ‘Protocol voor vleermuisinventarisaties (versie 2013)’ uitgevoerd en besloegen het gehele onderzoeksgebied. Het onderzoek met een Batcorder en het vangen van vleermuizen met mistnetten beperkte zich tot een aantal locaties (figuur 4.13). Bovengenoemd onderzoek en de resultaten zijn beschreven in Lubbers (2016b). Door Tauw is in augustus 2016 veldonderzoek naar vleermuizen uitgevoerd (Wisgerhof & Reimerink 2017). In de avond en nacht van het Airforce Festival (6-7 augustus) en de avond daarna (7 augustus) is met batdetectoren de activiteit van vleermuizen in werkpark De Strip onderzocht.
Figuur 4.13
Overzicht PL- en PS-locaties (Batcorders), vanglocaties met mistnetten (met vangdatum) en gecontroleerde winterobjecten voor vleermuizen (Lubbers 2016b).
2017 Het onderzoek in 2017 bestond uit: Onderzoek naar baltsende vleermuizen en balts- en paarverblijven (Eelerwoude) Onderzoek naar vleermuizen in kasten en winterverblijven (Eelerwoude) Onderzoek naar foerageergebieden op de Lonnekerberg (EcoMilieu) Onderzoek naar vliegroutes ‘t Holthuis (EcoMilieu) Mistnetonderzoek en telemetrie Lonnekerberg (Bionet Natuuronderzoek) Onderzoek in werkpark De Strip (Eelerwoude) Het onderzoek van Eelerwoude naar baltsende vleermuizen en balts- en paarverblijven is uitgevoerd met batdetectoren in de maanden augustus en september. De aandacht
42
concentreerde zich op de in figuur 4.14 in rood en blauw weergegeven gebiedsdelen, maar strekte zich uit over een groter gebied (globaal de deelgebieden Lonnekerberg, ’t Holthuis en Tattersall van de broedvogelinventarisatie (zie § 4.2.2)). Er is onderscheid gemaakt in twee typen gebieden: één gebaseerd op de effectzone van geluid van reguliere activiteiten (rood in figuur 4.14) en één gebaseerd op de effectzone van geluid van incidentele evenementen (max. 12 / jaar) in werkpark De Strip (blauw in figuur 4.14). Het onderzoek van Eelerwoude naar overwinterende vleermuizen is uitgevoerd in december 2016 - februari 2017 en richtte zich op inspecties van reeds bekende winterverblijven binnen het plangebied en door navraag op een aantal erven op en rond ’t Holthuis. Figuur 4.15 geeft een overzicht van de objecten die zijn geïnspecteerd. Het onderzoek van Eelerwoude en de resultaten zijn beschreven in Lubbers (2017c). Vleermuiskasten (zie figuur 4.4) zijn op 31 mei 2017 gecontroleerd (Lubbers 2017d).
Figuur 4.14
43
Onderzoeksgebieden vleermuizen 2017 (in rood en blauw). In groen weergegeven is het onderzoeksgebied van de basiskartering in 2016. In geel weergegeven is Landgoed Oosterveld. De rode en blauwe zones ter hoogte van Landgoed Oosterveld zijn dus niet onderzocht omdat geen toestemming is verkregen voor betreding van dit gebied (Lubbers 2017c).
Figuur 4.15
Overzicht van objecten die in 2017 zijn geïnspecteerd op overwinterende vleermuizen (Lubbers 2017c).
EcoMilieu verrichtte haar onderzoek naar foeragerende vleermuizen op de Lonnekerberg met inzet van full spectrum onbemande batcorders. Voor het onderzoek naar vliegroutes op ’t Holthuis zijn batcorders ingezet in combinatie met veldbezoeken met een batdetector. Het onderzoek naar vliegroutes met batdetectoren is (nagenoeg) uitgevoerd volgens het Vleermuisprotocol 2017. Figuur 4.16 toont de locaties waar het onderzoek plaatsvond. Een beschrijving van het onderzoek en de resultaten is te vinden in Lubbers (2017c).
Figuur 4.16
Onderzoeksgebieden vleermuisonderzoek (grijze arcering) EcoMilieu in 2017. De blauwe en rode punten geven de locaties van de batcorders (Bron: EcoMilieu in Lubbers 2017c).
44
Bionet Natuuronderzoek heeft voor haar onderzoek in de periode juni tot en met augustus 2017 vleermuizen op de Lonnekerberg gevangen. De onderzoeksinspanning richtte zich op de soorten grootoorvleermuizen, vale vleermuizen en Bechsteins vleermuizen. Enkele van de gewone grootoorvleermuizen en vale vleermuizen kregen een zender zodat hun gebruik van het gebied enkele dagen tot weken kon worden gevolgd. Van de gewone grootoorvleermuizen die in augustus werden gevangen kon ook het effect van het Airforce Festival (5 augustus) op hun habitatgebruik worden bepaald. Figuur 4.17 toont de locaties waar gevangen is. Het onderzoek en de resultaten worden beschreven in Janssen et al. (2017). Op 19 juni, 5 augustus en 6 augustus 2017 heeft Eelerwoude het gebruik van werkpark De Strip door vleermuizen onderzocht. De nadruk lag op de gewone dwergvleermuis die in gebouwen in het werkpark verblijfplaatsen heeft. Doel van het onderzoek was nagaan of het Airforce Festival effect had op het gebruik van het werkpark door vleermuizen. Het festival vond plaats in de middag en avond van 5 augustus. Het veldwerk op 19 juni diende als nulmeting: het gebruik in een ongestoorde situatie (Lubbers & Marchal 2017).
Figuur 4.17
Plekken waar Bionet vleermuizen heeft gevangen. Lichtgroen symbool: 8 vangnachten van 25 juni tot en met 3 juli. Donkergroen symbool: idem en bovendien op 2 en 3 augustus gevangen (Janssen et al. 2017).
Ten aanzien van de vleermuizen heeft voldoende onderzoek plaatsgevonden. Er is hiermee voldoende basis om de effecten op vleermuizen te kunnen beoordelen.
45
4.1.4
Grondgebonden zoogdieren (Spits)muizen In verband met de mogelijke aanwezigheid van de strikt beschermde waterspitsmuis en veldspitsmuis is in 2010 een veldonderzoek uitgevoerd met behulp van inloopvallen. Er is gewerkt met zgn. ‘life-traps’ van het type Longworth en Heslinga. In de periode van 9 tot en met 17 september zijn 9 locaties bemonsterd en in de periode van 22 tot en met 29 oktober zijn aanvullend 2 locaties bemonsterd (figuur 4.18). Op elke locatie stonden 20 life traps. In 1997 en de jaren na 2010 is geen gericht onderzoek naar (spits)muizen uitgevoerd.
Figuur 4.18
Overzicht van locaties waar in 2010 met life traps (spits)muizen zijn gevangen (Lubbers 2011).
Das 1997 In 1997 is geen systematisch onderzoek naar het voorkomen van zoogdieren uitgevoerd. Alleen incidentele waarnemingen van grondgebonden soorten zijn genoteerd (Hornman 1998). Dassen kwamen toentertijd niet voor op de voormalige luchtmachtbasis of de omgeving daarvan (Van Moll 2002). 2010 Tijdens de veldbezoeken voor de overige soortgroepen (met name broedvogels en vleermuizen) is gezocht naar sporen zoals prenten, uitwerpselen, prooiresten en wissels, waarbij een aantal bospercelen intensief zijn doorzocht op de mogelijke aanwezigheid van dassenburchten. Daarnaast zijn (toevallige) waarnemingen genoteerd. Tevens is navraag gedaan bij de bewakingsdienst van het vliegveld en bij omwonenden. Tot slot is navraag gedaan bij de heer H. Koster, beheerder van de omliggende terreinen van Landschap Overijssel (Lubbers 2011).
46
2014 Op twee dagen in juni is gezocht naar sporen (wissels, prenten, latrines, graafputjes, haren) en verblijfplaatsen (burchten). Het veldwerk concentreerde zich op de buitenranden en hekwerken rond het vliegveld, waarbij alle wissels en passeerbare hekwerken zijn onderzocht (Lubbers 2015b). 2015 Gerrits (2016) heeft tijdens vier bezoeken een ruim gebied rondom de bekende burcht bij de schietbaan (plangebied Midden) op sporen van dassen onderzocht. Daarnaast hebben Gerrits & Wijngaard de burcht intensief op gebruik door dassen gemonitord, onder andere met inzet van wildcamera’s. Lubbers (2016a) heeft in het voorjaar van 2015 het buitenhek rond het vliegveld op dassenwissels gecontroleerd en het plangebied ten noorden van de hoofdbaan intensief doorzocht op de aanwezigheid van (potentiële) verblijfplaatsen van de das en andere sporen van dassenactiviteit. Bij een dassenwissel in plangebied Midden en een bijburcht in plangebied Noord hebben gedurende enkele dagen wildcamera’s gehangen (zie ook Lubbers 2017e). 2016 De burcht en de kunstburcht bij de schietbaan (plangebied Midden) zijn intensief met wildcamera’s gemonitord door Gerrits & Wijngaard (2016). Lubbers (2016b) heeft de burcht op activiteit onderzocht, middels sporenonderzoek. Bij de bijburcht in plangebied Noord heeft in februari ook een wildcamera gehangen (Lubbers 2016b en 2017e).
2017 Tijdens het veldwerk in het kader van de monitoringsverplichting is naar sporen gezocht. Vooral in en rond het nieuwe NNN. Extra aandacht is daarnaast uitgegaan naar de burcht bij de schietbaan en de bijburcht in plangebied Noord. Laatst genoemde is later in het jaar – nadat was geconstateerd dat de burcht 1,5 jaar niet in gebruik was – verwijderd door egalisatie van het dijklichaam (Lubbers 2017d en e). Ten aanzien van de das heeft voldoende onderzoek plaatsgevonden. Er is hiermee voldoende basis om de effecten te kunnen beoordelen. Overige grondgebonden zoogdiersoorten 1997 In 1997 is geen systematisch onderzoek naar het voorkomen van zoogdieren uitgevoerd. Alleen incidentele waarnemingen van grondgebonden soorten zijn genoteerd (Hornman 1998). 2010 Het onderzoek naar overige zoogdieren zoals marterachtigen is uitgevoerd tijdens de veldbezoeken naar overige soortgroepen (met name broedvogels en vleermuizen). Er is intensief gezocht naar sporen zoals prenten, uitwerpselen, prooiresten en wissels. Daarnaast
47
zijn (toevallige) waarnemingen genoteerd. Extra aandacht ging uit naar de mogelijke aanwezigheid van de boommarter. Tevens is navraag gedaan naar soorten als vos, bunzing, eekhoorn en boommarter bij de bewakingsdienst van het vliegveld en bij omwonenden. Tot slot is navraag gedaan bij de heer H. Koster, beheerder van de omliggende terreinen van Landschap Overijssel (Lubbers 2011). 2014 t/m 2017 Tijdens de vele bezoeken aan het plangebied in het kader van de monitoringsverplichting bij de generieke ontheffing Ffwet in 2014, 2015, 2016 en 2017 zijn alle waarnemingen van individuen en (mogelijke) nestlocaties of verblijfplaatsen genoteerd. Op daarvoor geschikte locaties is gericht gezocht naar sporen, met name van boommarter (Lubbers 2015b, 2016a, 2016b, 2017d). In 2016 is een holle boom met een infrarood boomcamera op de aanwezigheid van boommarter gecontroleerd (Lubbers 2016b). Ten aanzien van de zoogdieren heeft voldoende onderzoek plaatsgevonden. Er is hiermee voldoende basis om de effecten te kunnen beoordelen. 4.1.5
Reptielen 1997 In 1997 is geen systematisch onderzoek naar het voorkomen van reptielen uitgevoerd. Alleen incidentele waarnemingen van reptielen zijn genoteerd (Hornman 1998). 2010 Op 12 locaties zijn 5 tot 10 bitumen golfplaten (50x50 cm) uitgelegd om reptielen te inventariseren (figuur 4.19). Er zijn 6 controlerondes uitgevoerd. Tijdens het onderzoek naar andere soortgroepen zijn losse waarnemingen verzameld (Lubbers 2010).
Figuur 4.19
Overzicht van locaties waar in 2010 reptielenplaatjes zijn uitgelegd (Lubbers 2011).
48
2014 t/m 2017 In 2014 zijn waarnemingen van reptielen genoteerd die tijdens de onderzoeken naar andere soorten in deze jaren werden verricht (Lubbers 2015b). In 2015 zijn op vier locaties in het plangebied plaatjes uitgelegd om reptielen, met name levendbarende hagedis, te inventariseren (Lubbers 2016a; figuur 4.20) en in 2016 zijn op 12 plekken in het plangebied en op twee plekken in Prins Bernhardpark raaien met reptielenplaatjes uitgelegd (Lubbers 2016b; figuur 4.21). De gegevens uit 2015 en 2016 zijn nog steeds geldig voor de huidige situatie. In 2017 was daarom geen gericht onderzoek naar reptielen nodig. Wel zijn waarnemingen van reptielen genoteerd die tijdens de onderzoeken naar andere soorten in deze jaren werden verricht (Lubbers 2017c). Ten aanzien van de reptielen heeft voldoende onderzoek plaatsgevonden. Er is hiermee voldoende basis om de effecten op reptielen te kunnen beoordelen.
Figuur 4.20 Locaties waar in 2015 reptielenplaatjes zijn uitgelegd (rode lijnen) en poelen die op amfibieën zijn onderzocht (blauwe stippen). (bron: Lubbers 2016a).
49
Figuur 4.21
4.1.6
Locaties waar in 2016 reptielenplaatjes zijn uitgelegd (bron: Lubbers 2016b).
Amfibieën 1997 In 1997 is geen systematisch onderzoek naar het voorkomen van amfibieën uitgevoerd. Alleen incidentele waarnemingen van amfibieën zijn genoteerd (Hornman 1998). 2010 Tijdens twee veldbezoeken zijn alle wateren in het plangebied met een schepnet bemonsterd (figuur 4.22). Daarnaast is tijdens het veldonderzoek naar andere soortgroepen extra gelet op de aanwezigheid van roepende amfibieën. In maart zijn de Vliegveldstraat/Weerseloseweg en de omgeving van de Pannekoekplas langs de Ledeboerweg bezocht en is gezocht naar verkeersslachtoffers (Lubbers 2010).
50
Figuur 4.22
In 2010 op amfibieën en vissen onderzochte wateren (bron: Lubbers 2011).
2014 Het veldonderzoek naar amfibieën heeft zich gericht op de twee nieuw gegraven en drie heringerichte poelen binnen het nieuwe NNN in plangebied Midden (figuur 2 in Lubbers 2015b). De waterelementen zijn eenmalig met een schepnet bemonsterd, waarbij tevens zicht- en geluidswaarnemingen zijn genoteerd (Lubbers 2015b). 2015 De twee nieuw gegraven en de drie heringerichte poelen binnen het nieuwe NNN zijn met een schepnet onderzocht, waarbij tevens zicht- en geluidswaarnemingen zijn genoteerd (figuur 4.18) (Lubbers 2016a). 2016 Een aantal potentieel kansrijke wegtracés buiten het plangebied zijn visueel geïnspecteerd op doodgereden padden en kikkers. Daarnaast zijn 34 waterelementen, zowel binnen als buiten het plangebied, visueel en op gehoor geïnspecteerd en bemonsterd met behulp van een schepnet, waarbij tevens zicht- en geluidswaarnemingen zijn genoteerd (Lubbers 2016b; figuur 4.23). 2017 Poelen 3 t/m 6, 18 t/m 26, 28 en 29 (figuur 4.23) zijn tweemaal met een schepnet bemonsterd, waarbij tevens zicht- en geluidswaarnemingen zijn genoteerd (Lubbers 2017d).
51
Figuur 4.23
Wateren die in 2016 op aanwezigheid van amfibieën zijn onderzocht en wegen waar naar doodgereden amfibieën is gezocht (bron: Lubbers 2016b).
Ten aanzien van de amfibieën heeft voldoende onderzoek plaatsgevonden. Er is hiermee voldoende basis om de effecten op amfibieën te kunnen beoordelen. 4.1.7
Vissen 1997 Er is in dit jaar geen onderzoek naar het voorkomen van vissen uitgevoerd. 2010 Tijdens twee veldbezoeken zijn alle wateren in het plangebied met een schepnet bemonsterd (figuur 4.22; Lubbers 2010). 2014 t/m 2017 Na 2010 is geen onderzoek naar vissen uitgevoerd. Op basis van het onderzoek in 2010 en op basis van habitatkenmerken en verspreidingsarealen in Nederland kan het voorkomen van beschermde vissoorten in de wateren in het plangebied en de directe omgeving worden uitgesloten. Ten aanzien van de vissen heeft voldoende onderzoek plaatsgevonden. Hun aanwezigheid in het plangebied kan worden uitgesloten. Een beoordeling van de effecten op deze soorten is daarmee niet nodig.
52
4.1.8
Ongewervelden: dagvlinders en libellen 1997 Van juli tot begin september 1997 zijn drie bezoeken aan het gebied gebracht en alle dagvlinders en libellen genoteerd. Tevens werd wekelijks een vaste route door het gebied gelopen en zijn alle dagvlinders genoteerd (Hornman 1998). 2010 In juni en juli zijn alle gebiedsdelen met geschikt leefgebied voor beschermde vlindersoorten eenmalig bezocht. In mei is specifiek naar de gevlekte witsnuitlibel gezocht. Tijdens de inventarisaties van amfibieën en flora zijn alle losse waarnemingen van libellen en vlinders genoteerd (Lubbers 2011). 2014 en 2015 In 2014 en 2015 is geen gericht onderzoek naar dagvlinders en libellen uitgevoerd. Alleen waarnemingen die tijdens de onderzoeken naar andere soorten in deze jaren werden verricht zijn genoteerd ((Lubbers 2015b, 2016a). 2016 In 2016 is gericht gezocht naar de dagvlinders heideblauwtje, kleine ijsvogelvlinder en grote weerschijnvlinder (Lubbers 2016b). In dit jaar zijn een vijftigtal heideblauwtjes van een heideterreintje aan de noordkant van de start- en landingsbaan naar het heideterreintje bij de Parallax overgezet (Lubbers & Onnes 2016). 2017 In 2017 beperkte dit onderzoek zich tot de kleine ijsvogelvlinder en de grote weerschijnvlinder, omdat het heideblauwtje onder de nieuwe Wnb geen beschermde status heeft.
Van andere soorten insecten zijn alleen waarnemingen genoteerd die tijdens de onderzoeken naar andere soorten werden verricht (Lubbers 2017d). Ten aanzien van vlinders en libellen heeft voldoende onderzoek plaatsgevonden. Er is hiermee voldoende basis om de effecten te kunnen beoordelen.
4.1.9
Flora 1997 In 1997 is geen onderzoek naar beschermde flora in het plangebied uitgevoerd. 2010 In 2010 zijn te voet twee veldrondes in juni, juli en augustus uitgevoerd. Daarbij werden beschermde en Rode lijst-soorten genoteerd. Planten die tijdens de inventarisaties naar amfibieën en dagvlinders werden gezien zijn ook genoteerd, evenals planten die tijdens de inspectie van objecten voor overwinterende vleermuizen werden gezien (Lubbers 2010).
53
2014 t/m 2017 In 2014, 2015 en 2017 is geen gericht onderzoek naar beschermde flora uitgevoerd. Alleen waarnemingen die tijdens de onderzoeken naar andere soorten in deze jaren werden verricht zijn genoteerd (Lubbers 2015b, 2016a, 2017d). Veel plantensoorten die tot 1 januari 2017 strikt beschermd waren hebben deze status met de inwerkingtreding van de Wnb verloren. In 2016 is negen keer een veldbezoek aan het plangebied gebracht om specifiek beschermde flora in kaart te brengen. Het onderzoek richtte zich vooral op gebiedsdelen die in voorgaande jaren minder goed waren onderzocht. Daarnaast zijn waarnemingen genoteerd die tijdens de onderzoeken naar andere soorten werden verricht (Lubbers 2016b). Ten aanzien van de beschermde flora heeft voldoende onderzoek plaatsgevonden. Er zijn geen beschermde planten aanwezig. Een beoordeling van de effecten op deze soortgroep hoeft dan ook niet plaats te vinden.
4.2
Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn
4.2.1
Broedvogels in het plangebied6 Binnen het onderzoeksgebied zijn in 1997-2017 75 soorten broedvogels vastgesteld, waarvan 65 in 2016 en 61 in 2017 (tabel 4.1; zie bijlage 7 voor de verspreidingskaarten). Hieronder bevonden zich in 2016 drie JR-soorten en 18 Cat. 5-soorten en in 2017 twee JRsoorten en 18 Cat. 5-soorten. Onder de vogelsoorten die in de toelichtende en begeleidende brief bij de generieke ontheffing met nummer FF/75C/2013/0434 specifiek voor de voormalige luchtmachtbasis als soort waarvan het nest als een jaarrond beschermde nestplaats moet worden beschouwd (GO in tabel 4.1), dient het verdwijnen van de braamsluiper te worden genoemd. In feite vervult het plangebied voor deze soort niet meer de belangrijke regionale functie die het in 2010 vervulde. Dat blijkt ook uit de resultaten van de nationale broedvogelatlas (periode 2013-2015). In enkele atlasblokken (blokken van 25 km2) rondom het atlasblok waarin het plangebied ligt is de geschatte dichtheid aan braamsluipers hoger dan in het atlasblok met het plangebied, respectievelijk 11-25 en 26-50 paren tegen 4-10 paren (Vogelatlas.nl). De broedvogelinventarisatie van 2017 leverde enkele territoria buiten het plangebied op (omgeving Roolvinkerhoek), maar geen enkele in het plangebied (Lubbers 2017c en d).
Tabel 4.2 laat zien dat 2010 een uitzonderlijk jaar was met een bovengemiddeld aantal territoria van braamsluipers in het plangebied.
6
De resultaten uit de verschillende jaren zijn gerelateerd aan de huidige grenzen van de bestemmingsplangebieden (zie figuren 2.4 en 2.5).
54
Tabel 4.1
Vogelsoorten met territoria in het plangebied (Hornman 1998, Lubbers 2011, 2016b, 2017d, aangepast aan de huidige begrenzing van de bestemmingsplangebieden). ‘Cat.5’ = soort van categorie 5; ‘JR’ = soort met jaarrond beschermde nestplaats; ‘GO’ = soort die in de brief bij de generieke ontheffing is aangemerkt als een soort waarvan het nest als een jaarrond beschermde nestplaat moet worden beschouwd.
Soort appelvink
1997
2010
2016
2017*
Soort
1997
2010
2016 2017*
7
17
28
3
kuifmees
8
3
3
+
bonte vliegenvanger
Cat.5
3
1
4
6
kwartel
5
1
4
3
boomklever
Cat.5
5
12
9
2
matkop
8
3
3
+
boomkruiper
Cat.5
7
10
19
5
merel
+
+
+
+
boompieper
19
22
48
29
middelste bonte specht
0
0
2
+
bosrietzanger
0
7
6
+
nachtegaal
0
0
0
1
Bosuil
Cat.5
0
4
2
+
nachtzwaluw
0
0
1
0
braamsluiper
GO
3
9
0
0
paapje
0
1
0
0
buizerd
JR
1
3
3
3
patrijs
ekster
Cat.5
+
1
0
1
pimpelmees
Cat.5
2
0
0
0
+
69
44
+
fazant
+
5
0
0
putter
0
3
4
+
fitis
+
+
45
27
rietgors
1
0
0
0
fluiter
1
0
0
0
roodborst
+
+
+
+
gaai
+
+
+
+
roodborsttapuit
1
2
18
14
geelgors
GO
39
31
31
17
scholekster
gekraagde roodstaart
Cat.5
8
6
15
8
sperwer
1
4
6
3
spotvogel
Cat.5
7
9
11
4
spreeuw
goudhaan
+
10
6
+
goudvink
6
10
10
1
gele kwikstaart glanskop
grasmus graspieper
GO
0
0
1
0
JR
0
1
2
0
4
0
3
0
Cat.5
+
5
3
+
staartmees
+
14
6
+
tjiftjaf
+
+
+
+
45
40
36
19
torenvalk
9
20
47
43
tuinfluiter
grauwe vliegenvanger Cat.5
4
4
4
3
veldleeuwerik
groene specht
Cat.5
1
5
3
+
vink
grote bonte specht
Cat.5
Cat.5 GO
2
1
1
0
+
+
+
+
89
100
88
85
+
+
+
+
5
17
11
4
vuurgoudhaan
grote lijster
5
2
5
0
wespendief
heggemus
+
+
+
+
wielewaal
0
holenduif
2
0
1
+
wilde eend
0
houtduif
+
+
+
+
winterkoning
+
houtsnip
0
7
10
+
witte kwikstaart
+
+
7
11
9
wulp
1
0
1
1
+
+
+
+
zanglijster
8
+
+
+
huismus
JR
kauw kievit kleine bonte specht
1
2
+
0
0
0
1
0
0
+
+
1
+
+
+
9
20
+
0
1
4
+
zwarte kraai
Cat.5
+
20
9
6
0
2
3
+
zwarte mees
Cat.5
2
1
4
+
0
0
8
3
zwarte roodstaart
Cat.5
6
3
7
+
GO
0
12
16
4
zwarte specht
Cat.5
1
1
2
+
4
0
1
+
zwartkop
+
+
+
+
Cat.5
+
87
78
+
koekoek koolmees
0 1
Cat.5
kleine plevier kneu
JR
+ = aanwezig als broedvogel (aantal onbekend) * = JR- en GO-soorten zijn volledig geïnventariseerd; bij de overige soorten gaat het om minimumaantallen, indien bekend.
55
Tabel 4.2
Aantalsontwikkeling braamsluiper, geelgors, graspieper, kneu en veldleeuwerik in periode 1995-2017. Tevens het aantal bezoeken in bos en open grasland waarop het getelde aantal territoria is gebaseerd (Hornman 1998, Lubbers Lubbers 2011, 2015b, 2016a, 2016b, 2017d). 1995*
1997
2006**
2010
2013*** 2014
2015
2016
2017
bezoeken bos
?
3
?
4
0
1
4
4
3
bezoeken open****
?
3
?
5
1
1
4
3
1
>1
1
0
0
braamsluiper
3
geelgors
39
31
graspieper
9
20
kneu
9
0
veldleeuwerik
139
89
40
22
31
17
22
35
35
47
43
10
6
16
4
122
119
108
88
85
12 115
100
* Bron: S. Smelter, 1995 (via Inventarisatie en Monitoring Groep van het Rijksvastgoedbedrijf). ** Bron: M. v/d Sluis, 2008 (via Inventarisatie en Monitoring Groep van het Rijksvastgoedbedrijf). *** Bron: veldinventarisatie Eelerwoude 2013 (in Lubbers 2015b). **** In 2014, 2015, 2016 en 2017 is steeds 1 inventarisatieronde voor veldleeuwerik en graspieper uitgevoerd.
Binnen de groep van GO-soorten is het aantal graspiepers in twee decennia toegenomen (tabellen 4.1 en 4.2). Momenteel ligt de draagkracht van het plangebied waarschijnlijk tussen de 45 en 50 broedpaar. In de gebieden rond het plangebied, die in 2017 zijn onderzocht, is de soort afwezig (Lubbers 2017c). De veldleeuwerik is talrijk in het open gebied. De aantallen territoria fluctueren tussen jaren; soms met zo’n 20%. Een exact getal hoeveel broedparen het plangebied kan herbergen, is niet te geven, maar op basis van de meerjarige inventarisaties kan worden gesteld dat de draagkracht van het plangebied al enige decennia gemiddeld rond de 100 broedpaar ligt (tabel 4.2). In de gebieden rond het plangebied, die in 2017 zijn onderzocht, is de soort afwezig (Lubbers 2017c). De aantallen van geelgors en kneu fluctueren te sterk tussen opeenvolgende jaren om harde uitspraken over de draagkracht van het plangebied te doen. In het hele atlasblok (blok van 25 km2) waarin het plangebied ligt worden de aantallen broedparen geelgors en kneu in de periode 2013-2015 op 26-50 respectievelijk 11-25 geschat (vogelatlas.nl). Beide soorten komen ook voor in de gebieden rond het plangebied, die in 2017 zijn onderzocht (Lubbers 2017c). 4.2.2
Broedvogels rond het plangebied De inventarisatie in 2017 van gebieden rond het plangebied (figuur 4.6) heeft territoria van 26 soorten opgeleverd die niet als broedvogel in het plangebied zijn aangetroffen. Daaronder bevonden zich JR-soorten, zoals havik (3 territoria), wespendief (1), sperwer (2), kerkuil (1) en grote gele kwikstaart (1) en de Cat. 5-soorten boerenzwaluw, huiszwaluw, ekster (1), ijsvogel (1), torenvalk (1) en kortsnavelboomkruiper (3). Ook de braamsluiper, een van de
56
vijf GO-soorten, is net buiten de begrenzing van het plangebied, namelijk met 3 territoria aangetroffen in de omgeving van Roolvinkerhoek. Van enkele JR-soorten die op basis van waarnemingen in eerdere jaren werden verwacht, zoals boomvalk, ransuil en steenuil, zijn geen nesten of aanwijzingen daarvoor gevonden.
4.3
Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn
4.3.1
Planten In het plangebied zijn geen planten van beschermingsregime ‘Soorten van de Habitatrichtlijn’ aangetroffen. Binnen het plangebied is ook geen geschikt leefgebied voor deze groep van planten aanwezig. Hun aanwezigheid in het plangebied kan worden uitgesloten.
4.3.2
Ongewervelden Van het plangebied zijn geen waarnemingen van ongewervelden van beschermingsregime ‘Soorten van de Habitatrichtlijn’ bekend. In het ten westen van het plangebied gelegen Lonnekermeer leeft een populatie gevlekte witsnuitlibellen (NDFF, Lubbers 2011, Haamberg 2017). Binnen het plangebied bevindt zich geen geschikt leefgebied voor deze soort. Hij is ook tijdens de recente inventarisaties niet in het plangebied aangetroffen en diens voorkomen in het plangebied kan worden uitgesloten.
4.3.3
Vissen Vissen van beschermingsregime ‘Soorten van de Habitatrichtlijn’, te weten houting en steur, zijn in 2010 in het plangebied niet aangetroffen (Lubbers 2011). Deze soorten worden op basis van hun habitateisen en verspreiding in Nederland (ravon.nl) hier ook niet verwacht. Het zijn soorten van de zee en grote rivieren. Daarom kan hun voorkomen in het plangebied ook in 2016 en 2017 worden uitgesloten.
4.3.4
Amfibieën Kamsalamander In 2016 is in poel 31 langs de Grefteberghoekweg (direct ten oosten van werkpark De Strip) de kamsalamander aangetroffen, in 2017 is een larve in een poel in het nieuwe NNN net ten westen van De Strip aangetroffen (zie bijlage 7 voor de verspreidingskaart). In 2010 is de soort ook in poel 31 aangetroffen. Buiten het plangebied komt de soort op meerdere plekken waar poelen zijn voor (Lubbers 2011, NDFF). Kamsalamanders kwamen ook in 1997 in het plangebied voor (Hornman 1998). Poelkikker Poelkikker is in 2016 en 2017 in het plangebied niet aangetroffen, terwijl deze in 2010 wel op één locatie (ringsloot) in plangebied Noord was gevonden. Het huidige ontbreken van de poelkikker in de ringsloot is waarschijnlijk het gevolg van het droogvallen van deze sloot.
57
Ook de NDFF levert geen recente (2012-2016) waarnemingen van deze soort in het plangebied op. Het voorkomen van de soort in het plangebied kan worden uitgesloten. In 2016 zijn enkele wateren buiten het plangebied bemonsterd (figuur 4.23), waaronder de poelen langs de Oude Vliegveldstraat waar de soort in 2010 voorkwam. In geen enkel water zijn poelkikkers aangetroffen. Van verder weg gelegen gebieden zijn alleen recente (20122017) gegevens beschikbaar van wateren in ‘t Holthuis, nabij de A1 (NDFF), op meer dan 500 m verwijderd van het plangebied en van het Natura 2000-gebied Lonnekermeer (Haamberg 2017), op meer dan 100 m verwijderd van het plangebied. Heikikker In 2007/2008 zijn heikikkers in het Hartjesbos in het Natura 2000-gebied Lonnekermeer gehoord (Lubbers 2011). In voorjaar 2017 was hier nog steeds een zich voortplantende populatie aanwezig (Haamberg 2017). In het plangebied ontbreekt geschikt leefgebied van deze soort. Het voorkomen van de soort in het plangebied kan worden uitgesloten. Overige soorten amfibieën van de Habitatrichtlijn Het voorkomen van andere amfibieën van beschermingsregime ‘Soorten van de Habitatrichtlijn’ in het plangebied kan worden uitgesloten. Van deze soorten ontbreekt geschikt leefgebied in het plangebied. Deze soorten zijn bovendien in 2010, 2016 en 2017 niet aangetroffen en ook de NDFF bevat geen waarnemingen. 4.3.5
Reptielen Reptielen van beschermingsregime ‘Soorten van de Habitatrichtlijn’, te weten gladde slang, muurhagedis en zandhagedis, zijn in het plangebied niet aangetroffen. Deze soorten worden op basis van hun verspreiding in Nederland (ravon.nl) hier ook niet verwacht. Hun voorkomen in het plangebied kan worden uitgesloten.
4.3.6
Grondgebonden zoogdieren Grondgebonden zoogdieren van beschermingsregime ‘Soorten van de Habitatrichtlijn’, bijvoorbeeld bever, hamster, noordse woelmuis, enkele roofdieren en zeezoogdieren, zijn in het plangebied niet aangetroffen. Deze soorten worden op basis van hun habitateisen en verspreiding in Nederland (verspreidingsatlas.nl) hier ook niet verwacht. Hun voorkomen in het plangebied kan worden uitgesloten.
4.3.7
Vleermuizen De diverse inventarisaties die in de loop der jaren naar het voorkomen van vleermuizen zijn uitgevoerd hebben in totaal 9 vleermuissoorten binnen het plangebied opgeleverd; gewone dwergvleermuis, kleine dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, franjestaart, vale vleermuis, baardvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger en rosse vleermuis. Net buiten het onderzoeksgebied zijn watervleermuis en Brandts vleermuis vastgesteld (zie bijlage 7 voor de verspreidingskaarten van 2016). Tijdens een onderzoek in 2015 van EcoMilieu (Gerritsen et al. 2015) met mistnetten op de Lonnekerberg – eveneens buiten het plangebied – is een
58
Bechsteins vleermuis gevangen en in de winter van 2015-2016 is in een van de bunkers van het Overijssels Landschap ten noorden van het plangebied een meervleermuis aangetroffen (NDFF). Van een aantal geluidsopnamen kon niet met zekerheid worden vastgesteld welke soort het betrof. Het waren in ieder geval soorten van het geslacht Myotis. De waarnemingen in 2016 (Lubbers 2016b) in plangebied Noord hebben hoogstwaarschijnlijk betrekking op franjestaarten, watervleermuizen en/of baardvleermuizen. De waarnemingen op de Lonnekerberg in 2015 (Gerritsen et al. 2015) kunnen daarnaast ook betrekking hebben op vale vleermuis, watervleermuis, Brandts vleermuis en Bechsteins vleermuis. De vangacties voor het telemetrisch onderzoek van Bionet in voorjaar en zomer 2017 op de Lonnekerberg hebben echter geen enkele vangst van Bechsteins vleermuis opgeleverd en Janssen et al. (2017) vermoeden dat de waarneming in 2015 een migrerend dier betrof. In 2010 zijn zeven vleermuissoorten in het plangebied aangetroffen. Nieuw in 2016 waren franjestaart, kleine dwergvleermuis en vale vleermuis. Het verspreidingsbeeld en de aantalsconcentraties van vleermuizen komen in beide onderzoeksjaren redelijk goed met elkaar overeen. Net als in 2010 is ook in 2016 vastgesteld dat het open terrein en grote delen van de bosgebieden aan de noordkant van het plangebied slechts weinig door vleermuizen worden gebruikt.
Tabel 4.3 geeft een overzicht van de functies die het plangebied en de directe omgeving daarvan voor de verschillende vleermuissoorten vervullen. Hieronder volgt een toelichting. Gewone dwergvleermuis Verblijfplaatsen Van de gewone dwergvleermuis zijn met zekerheid 13 zomerverblijfplaatsen aangetroffen, waarvan 7 in plangebied Midden, 1 in plangebied Noord, 2 langs de Fokkerweg (buiten het plangebied) en 3 in het Prins Bernhardpark (buiten het plangebied) (tabel 4.4). Daaronder bevonden zich twee kraamverblijfplaatsen, respectievelijk in gebouw C25 op de Strip en in een woning aan de Fokkerweg; deze laatste valt buiten het plangebied. Wisgerhof & Reimerink (2017) vonden in augustus 2016 ook in gebouw C22 op De Strip een verblijfplaats met 3 adulte en 3 jonge gewone dwergvleermuizen; mogelijk behorend tot de kraamkolonie van C25. De verblijfplaats werd waarschijnlijk door meer dieren gebruikt, want buiten voor de ingang zwermden ook enkele individuen. Dit zwermen in augustus kan er overigens op wijzen dat gebouw C25 ook als (massa)winterverblijf in gebruik is. Mogelijk is nog een zomerverblijfplaats aanwezig in gebouw C101 of C95 aan het begin van de Bunkerstraat in werkpark Oostkamp (Lubbers 2016b). In de kasten die in plangebied Midden en Prins Bernhardpark zijn opgehangen zijn in voorjaar 2014 en voorjaar 2015 gewone dwergvleermuizen aangetroffen (Lubbers 2015b, 2016a).
In 2017 waren de kasten leeg (Lubbers 2017d). Aanwijzingen voor paarplaatsen zijn verspreid over het plangebied en omgeving aangetroffen (Lubbers 2011, 2016b, 2017c).
59
Tabel 4.3
Overzicht van de functies die het plangebied en de directe omgeving daarvan voor de Ess. vliegroute
Ess. foer.gebied
Winterverblijf
Paarverblijf
Kraamverblijf
Zomerverblijf
verschillende vleermuissoorten vervullen.
Soort
Locatie
Gewone dwergvleermuis
in plangebied
+
+
+
±
-
+
buiten plangebied
+
+
+
?
-
+
Ruige dwergvleermuis Kleine dwergvleermuis Gewone grootoorvleermuis
in plangebied
-
-
-
-
-
-
buiten plangebied
-
-
±
-
-
-
in plangebied
-
-
+
-
-
-
buiten plangebied
-
-
-
-
-
-
in plangebied
+
+
+
+
+
±
buiten plangebied
+
+
+
+
+
±
Franjestaart
in plangebied
-
-
+
+
-
-
buiten plangebied
±
+
-
+
±
±
Baardvleermuis
in plangebied
-
-
-
+
-
±
buiten plangebied
-
-
-
+
?
±
Brandts vleermuis
in plangebied
-
-
-
-
-
±
buiten plangebied
-
±
-
-
-
-
Bechsteins vleermuis
in plangebied
-
-
-
-
-
-
buiten plangebied
-
-
-
-
-
-
Vale vleermuis
in plangebied
-
-
-
-
-
-
buiten plangebied
+
-
-
-
-
-
Laatvlieger Rosse vleermuis Watervleermuis Meervleermuis
in plangebied
+
-
+
-
-
-
buiten plangebied
+
+
-
-
-
±
in plangebied
-
-
-
-
-
-
buiten plangebied
+
-
+
-
-
-
in plangebied
-
-
-
-
-
-
buiten plangebied
±
±
-
-
+
+
in plangebied
-
-
-
-
-
-
buiten plangebied
-
-
-
+
-
-
60
Tabel 4.4 Soort
deelgebied
gebouw (met nr.)
aantal ex.
datum
baardvleermuis
Plangebied Noord
B9
2
25-jan.-16
in bunker
Plangebied Noord
B9
2
26-jan.-17
in bunker
't Holthuis
bunker in bos
2
7-feb.-17
hele winter: 5-6 exx.
Plangebied Noord
B9
2
25-jan.-16
in bunker
Plangebied Noord
B9
1
26-jan.-17
in bunker
't Holthuis
bunker in bos
0
7-feb.-17
hele winter: 25 exx.
Pr. Bernhardpark
O14 (Officiersmess)
1à3
11-mei-16
Pr. Bernhardpark
O14 (Officiersmess)
1
22-jun.-16
franjestaart
gew. dwergvlm
gew. grootoor
61
Verblijfplaatsen van vleermuizen in gebouwen in 2016 en 2017 (Lubbers 2016b, 2017c en 2017d, Lubbers & Marchal 2017, Wisgerhof & Reimerink 2017).
Pr. Bernhardpark
O14 (Officiersmess)
2
7-jul.-16
Pr. Bernhardpark
nr. 6 (langs Bergweg)
4
11-mei-16
Pr. Bernhardpark
nr. 3 (langs Oldenzaalsestraat
2
22-jun.-16
opmerkingen
Bunkerstraat
C103
?
7-sep.-16
Oostkamp
H15
?
7-sep.-16
uitwerpselen
Oostkamp
C95 en C101
?
mei 2016
veel social calls
22-jun.-16
De Strip
C99
1
De Strip
C99
1
19-jun-17
De Strip
C20
1
27-mei-16 22-jun.-16
De Strip
C20
1
De Strip
C20
1
7-aug.-16
De Strip
C22
6
7-aug.-16
De Strip
C23
4
5-aug-17
De Strip
C23
3
6-aug-17
uitwerpselen
De Strip
C25
4
27-mei-16
De Strip
C25
>40
22-jun.-16
De Strip
C25
4
7-aug.-16
De Strip
C25
6
18-aug.-16
De Strip
C25
10
19-jun-17
De Strip
C25
1
5-aug-17
De Strip
C25
2
6-aug-17
Plangebied Noord
H7
1
22-jun.-16
Fokkerweg
woning Fokkerweg
>25
13-mei-16
kraamverblijf
Fokkerweg
woning Fokkerweg
62
8-jun.-16
kraamverblijf
Fokkerweg
bungalow/schuur Fokkerweg
2
13-mei-16
kraamverblijf
kraamverblijf
Plangebied Noord
B3
1
20-apr.-16
Plangebied Noord
B3
1
19-mei-16
achter raamluik
Plangebied Noord
B3
1
5-jul.-16
achter raamluik
Plangebied Noord
B3
1
18-aug.-16
aan plafond
Plangebied Noord
B9
4
27-jan.-16
in bunker
Plangebied Noord
B9
2
26-jan.-17
in bunker
Plangebied Noord
B9A
1
27-jan.-16
in gat in muur
Plangebied Midden
Bosstrook Grefteberghoekweg
3
zomer ‘17
Kraamverblijf in boom hele winter: 5-6 exx.
't Holthuis
bunker in bos
3
7-feb.-17
't Holthuis
'silo'
2
winter 2017
Lonnekerberg
vleermuiswoning
1
7-feb.-17
Lonnekerberg
11 bomen
≥22
zomer ‘17
Tattersall
bunker
4
11-sep.-17
kraamverblijven
Essentiële vliegroutes en foerageergebieden Essentiële vliegroutes zijn vastgesteld langs de Grefteberghoekweg, Bergweg, de verharde weg door Prins Bernhardpark en de omgeving rond de verblijfplaats aan de Fokkerweg. Alleen de vliegroute langs de Grefteberghoekweg bevindt zich in het plangebied. In 2015 was ook sprake van essentiële vliegroutes langs de Grefteberghoekweg en de Bergweg (Gerritsen et al. 2015). Essentiële foerageergebieden zijn in het plangebied niet aangetroffen en worden ook niet verwacht. Gewone dwergvleermuizen jagen in een grote diversiteit aan biotopen. Met uitzondering van het open gebied van het nieuwe NNN en de omgeving van de start- en landingsbaan is overal geschikt foerageergebied voor gewone dwergvleermuizen aanwezig en zijn geen gebieden aan te wijzen die van essentieel belang voor de aanwezige verblijfplaatsen zijn. Gewone dwergvleermuizen zijn in 2015 en 2017 overal op de Lonnekerberg gehoord, zowel passerend, foeragerend als baltsend. Kraam- of zomerverblijfplaatsen zijn op de Lonnekerberg niet aangetroffen, maar zijn daar wel te verwachten. De gewone dwergvleermuis is een zeer flexibele soort wat diens habitateisen betreft. Ze komt in een grote diversiteit aan biotopen voor, met uitzondering van grote open ruimtes.
Door deze flexibiliteit is de hele Lonnekerberg geschikt foerageergebied voor gewone dwergvleermuizen en zijn geen plekken aan te wijzen waar dieren van een verblijfplaats afhankelijk zijn. Op basis hiervan kan het voorkomen van essentiële foerageergebieden op de Lonnekerberg worden uitgesloten. Ten westen en noorden van het plangebied zijn gewone dwergvleermuizen in 2015, 2016 en 2017 passerend en foeragerend waargenomen (Lubbers 2016b, 2017c Gerritsen et al. 2015). Gelet op de landschapskarakteristieken wordt de aanwezigheid van essentiële foerageergebieden en vliegroutes hier uitgesloten, wat ondersteund wordt door het onderzoek in ’t Holthuis waar in 2017 geen vliegroutes zijn aangetroffen (Lubbers 2017c). Ook verblijfplaatsen van gewone dwergvleermuizen worden hier niet verwacht. Deze bevinden zich in gebouwen en die bevinden zich in deze omgeving op flinke afstand van het plangebied (Lubbers 2017a). Op Landgoed Tattersall en Roolvinkerhoek, ten zuiden van het plangebied, foerageren en vliegen ook gewone dwergvleermuizen, maar zijn in 2017 geen essentiële foerageergebieden of vliegroutes aangetroffen. Ruige dwergvleermuis Verblijfplaatsen Van de ruige dwergvleermuis zijn na 2010 in het plangebied geen verblijfplaatsen gevonden. Alleen enkele foeragerende of passerende exemplaren zijn gehoord.
In 2010 zijn twee baltsende dieren gehoord: één langs de Grefteberghoekweg en één in plangebied Noord (Lubbers 2011). Het huidig voorkomen van verblijfplaatsen in het plangebied wordt door het ontbreken van waarnemingen, ondanks intensief inventariseren, uitgesloten. Ook het vleermuisonderzoek in 2015 en 2017 in gebieden rondom het plangebied heeft weinig waarnemingen van ruige dwergvleermuizen opgeleverd (Gerritsen et al. 2015,
62
Lubbers 2017c, Janssen et al. 2017). Het betrof in alle gevallen passerende of foeragerende dieren. Het is niet uit te sluiten dat ten westen van het plangebied, waar geen toegang kon worden verkregen voor inventarisatie (Landgoed Oosterveld), paarverblijven van ruige dwergvleermuis aanwezig zijn, maar de dichtheid zal zeer gering zijn gelet op het geringe waarnemingen van ruige dwergvleermuizen in de regio. Essentiële vliegroutes en foerageergebieden In het plangebied bevinden zich geen essentiële foerageergebieden of vliegroutes. Vanwege zijn geringe voorkomen in de regio en zijn weinig specifieke habitateisen tijdens zijn verblijf in Nederland (najaar en winter) wordt het voorkomen van essentiële vliegroutes of foerageergebieden ten westen, noorden en zuiden van het plangebied niet verwacht (Lubbers 2017a). Kleine dwergvleermuis Verblijfplaatsen De kleine dwergvleermuis is in 2016 op enkele plekken in het plangebied gehoord. In plangebied Noord bevond zich toen bij een van de gebouwen op het TSC-terrein (bunker 3) mogelijk een paarplaats van deze soort. Het vleermuisonderzoek in 2015 en 2017 in de gebieden rondom het plangebied leverde slechts eenmaal een waarneming op: in 2017 op de Lonnekerberg (Gerritsen et al. 2015, Lubbers 2017c). Tijdens het onderzoek in 2010 is de kleine dwergvleermuis niet in het plangebied of de omgeving daarvan aangetroffen (Lubbers 2011).