CConstaterende datenschede
Koppel je AI →
Document · PDF

B1. BP Bijlagen 40-43 toelichting

Raadsvergadering 29 november 2021, gemeente enschedeBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan Voormalige Vliegbasis Twenthe – Midden 202129.885 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 4

Dit zou er toe kunnen leiden dat de vierde soort succesvoller is in het aantrekken van vrouwtjes en daardoor een reproductief voordeel heeft. In situaties waarin concurrentie tussen de soorten optreedt kan dit er toe leiden dat die soort in aantal toeneemt ten koste van de andere drie soorten. Tennessen et al. (2014) toonde aan dat vrouwtjeskikkers inderdaad in de aanwezigheid van veel omgevingsgeluid (van autoverkeer) minder goed zijn in het vinden van mannetjes. In hun experiment maskeerde het geluid van het autoverkeer het geluid van de roepende mannetjes, waardoor de vrouwtjes zich – tijdens hun tocht van hun overwinteringsplek naar de voortplantingsplek – minder goed konden oriënteren. Het geluid van autoverkeer verhoogde ook het niveau van het stresshormoon corticotropine in het bloed van de vrouwtjes, waardoor ze zich helemaal niet meer verroerden. Lukanov et al. (2014) vonden een afname in verplaatsingen van zowel vrouwtjes als mannetjes van de meerkikker in de aanwezigheid van het geluid van autoverkeer (50 dB(A) of meer). Niet of te laat aankomen op de voortplantingsplek kan leiden tot verlaagd reproductief succes, wat uiteindelijk tot een afname van de populatieomvang kan leiden. Lukanov et al.

(2014) vonden ook verschillen in de roep (amplitude, golflengte en energie) tussen meerkikkers op plekken met en zonder geluid van autoverkeer, maar niet in de roepactiviteit. Mogelijk hadden de kikkers op de rumoerige plekken hun roep aan de aanwezigheid van omgevingsgeluid (autoverkeer) aangepast, zodat ze toch van verre te

85

horen waren. Parris et al. (2009) vonden hetzelfde bij een andere kikkersoort. Cunnington & Fahrig (2010) toonden experimenteel aan dat enkele Amerikaanse kikker- en paddensoorten in staat waren hun roep à la minuut aan te passen als ze met verhoogd verkeersgeluid werden geconfronteerd, zodanig dat ze voor soortgenoten nog hoorbaar waren. Echter, niet alle soorten kunnen dit en voor hen duurt het enkele generaties voordat ze hun roep aan de aanwezigheid van omgevingsgeluid hebben aangepast. Salamanders zijn niet direct gevoelig voor geluid, maar wel voor trillingen in water die onder andere door geluid kunnen worden veroorzaakt. Die trillingen kunnen tot gedragsveranderingen leiden en bij hele sterke trillingen zelfs tot lichamelijke beschadigingen. Dit soort trillingen worden als gevolg van de voorziene ontwikkelingen in het plangebied niet verwacht. 5.3.3

Vleermuizen Vleermuizen verblijven een groot deel van het jaar in winterslaap. Ze zijn dan ongevoelig voor geluid uit de omgeving, mede vanwege de geluidsisolatie die het winterverblijf biedt. Eventuele effecten van geluid kunnen daarom alleen aan de orde zijn als in het winterverblijf geluid wordt geproduceerd of in de periode buiten de winterslaap, globaal de periode april tot en met oktober (zie ook onder kopje ‘Verblijfplaatsen’ in § 5.2.3). De in Nederland voorkomende vleermuissoorten produceren geluid variërend van ongeveer 10 kHz (balts gewone grootoorvleermuis, tweekleurige vleermuis) tot ongeveer 120 kHz (kleine hoefijzerneus, verdwenen uit Nederland). Dit zijn frequenties die buiten het A-filter vallen en grotendeels buiten het bereik van het menselijk oor. De geluidssterkte van hun roep kan oplopen tot 100 dB, zoals bij de rosse vleermuis. Tabel 5.3 geeft een overzicht van de geluidsfrequenties die de soorten toepassen die in en rond het plangebied zijn waargenomen. Foerageren en verplaatsen De meeste soorten gebruiken uitsluitend hoogfrequente geluiden (> 20 kHz) om zich te oriënteren en prooien te vangen; zij worden actieve luisteraars genoemd. Hun roep overlapt nauwelijks met door mensen geproduceerd omgevingsgeluid. Soorten als gewone grootoorvleermuis, Bechsteins vleermuis en vale vleermuis gebruiken laag frequente geluiden (i.c.

18-20 kHz) en zijn zelfs in staat hun prooien te lokaliseren op basis van het geluid dat de prooi produceert (< 18 kHz); zij worden daarom passieve jagers genoemd. Daarnaast verschillen vleermuizen in de manier waarop ze hun prooien pakken. ‘Aerial hawkers’ vangen hun prooien in de lucht, ‘trawlers’ pakken prooien van het wateroppervlak en ‘gleaners’ plukken prooien van bladeren. Enkele vleermuissoorten beheersen meerdere van deze jachttechnieken.

86

Tabel 5.3

Overzicht van vleermuizen die in en rond het plangebied zijn waargenomen Voor elke soort wordt het frequentiebereik van de echolocatiepulsen en de luisterstrategie weergegeven. Tabel overgenomen uit Reimerink et al. 2017, welke een bewerking is van Sierdsema en Jansen, 2016 met aanvullingen uit Dietz et al., 2011; Pfalzer, 2002 en van Tauw. Jachtfrequentie Baltsroep (kHz) (kHz)

Soort

Jachtstijl

Bechsteins vleermuis

Gleaner/Passieve luisteraar

18-110

ultrasone frequentie

Vale vleermuis

Gleaner/Passieve luisteraar

19-85

ultrasone frequentie

Franjestaart

Gleaner/Aerial hawker

18-85

ultrasone frequentie

Gewone grootoorvleermuis

Gleaner/Passieve luisteraar/ aerial hawker

18-60

hoog frequent (10-50)

Gewone Baardvleermuis

Aerial hawker/Gleaner

28-100

ultrasone frequentie

Brandt’s vleermuis

Aerial hawker

22-70

ultrasone frequentie

Watervleermuis

Aerial hawker/Trawler

22-80

ultrasone frequentie

Meervleermuis

Aerial hawker/Trawler

28-70

ultrasone frequentie

Gewone dwergvleermuis

Aerial hawker

40-95

hoog frequent-ultrasoon (15-30 kHz)

Ruige dwergvleermuis

Aerial hawker

36-90

hoog frequent-ultrasoon (15-50 kHz)

Kleine dwergvleermuis

Aerial hawker

47-90

hoog frequent-ultrasoon (15-40 kHz)

Laatvlieger

Gleaner/ Aerial hawker

25-70

hoog frequent-ultrasoon (9-45 kHz)

Rosse vleermuis

Aerial hawker

17-40

hoog frequent-ultrasoon (10-25 kHz)

De frequentie waarop vleermuizen roepen wordt onder andere door hun bouw bepaald. Kleine vleermuizen roepen op een hogere frequentie dan grote vleermuizen, omdat hun strottenhoofd kleiner is. Kleine vleermuizen eten ook kleine prooien en die zijn met hoogfrequente geluiden makkelijker te detecteren dan met laagfrequente geluiden. Nadeel van hoogfrequent geluid is dat het niet ver reikt. Een kleine vleermuis moet een kleine prooi daarom zeer dicht naderen om met zijn hoogfrequente roep de precieze locatie van de prooi te bepalen. Als vleermuizen gewoon rondvliegen oriënteren ze zich op grote objecten en kunnen ze geluiden met een lagere frequentie gebruiken. Daarbij is de roep van vleermuizen die in open gebied vliegen (hoogvliegende rosse vleermuizen bijvoorbeeld) lager dan de roep van vleermuizen die tussen bomen vliegen (grootoorvleermuizen bijvoorbeeld). Om tijdens het vliegen een goed beeld van hun omgeving te krijgen en prooien te vangen passen vleermuizen de frequentie van hun roep en de snelheid waarmee ze roepen en elkaar opvolgen continu aan (Dietz et al. 2011). De frequentie van door machines en verkeer geproduceerd geluid is meestal veel lager dan het geluid dat vleermuizen voor hun oriëntatie en jacht produceren. Diverse onderzoeken vonden echter toch effecten.

Siemers & Schaub (2010) toonden experimenteel aan dat vale vleermuizen – een passieve jager – minder goed zijn in het vangen van prooien naarmate

87

het (laagfrequente) geluid van wegverkeer toenam. Dit kwam omdat ze minder goed in staat waren het geluid van prooien te horen. Het geluid van wegverkeer overlapte in toonhoogte (kHz) niet met dat van hun echolocatieroepen. De dieren konden zich tijdens het vliegen dus wel met behulp van echolocatie oriënteren. In een eerder experiment vonden Schaub et al. (2008) dat vale vleermuizen, als ze de keuze hebben tussen een stille en een lawaaierige kamer, de lawaaierige kamer niet geheel mijden. Het mijden van de kamer met lawaai was overigens het grootst als hier geluid van 0-80 kHz werd afgespeeld: vale vleermuizen verbleven dan 80% van de tijd in de stille kamer en 20% van de tijd in de lawaaierige kamer. Werd in de lawaaierige kamer geluid van een snelweg op 7,5 meter afstand (80-25 dB in respectievelijk 1-50 kHz) afgespeeld dan was de verhouding 60% tegen 40%. Buckley et al. (2015) vonden in een lawaaierige omgeving (>67 dB(A)) 70% minder activiteit van vleermuizen met een roep lager dan 35 kHz, terwijl de activiteit van soorten met een roep met een hogere frequentie geen verschil tussen lawaaierige en stille locaties vertoonde. Van één soort van de <35 kHz-groep die op beide locaties voorkwam, maar minder op de lawaaierige locatie, kon worden aangetoond dat die zijn roep ten gevolge van het omgevingsgeluid aanpaste. Daardoor kon hij in de lawaaierige omgeving nog wel jagen.

Hage et al. (2014) vonden eenzelfde aanpassings-vermogen bij hoefijzerneuzen. Hoewel er geen of weinig overlap is tussen de frequentie van de roep van vleermuizen tijdens vliegen en het geluid van verkeer blijken ze toch gevoelig voor verkeersgeluid als ze een vliegroute volgen. Bennett & Zurcher (2013) vonden dat 84% van de door hen gevolgde vleermuizen een gat in een bomenrij van 2,5 m of meer niet overstaken. Passeerde op het moment dat de vleermuizen een gat in een bomenrij naderden een auto die geluid van 88 dB produceerde, dan stak geen enkele vleermuis het gat over. Bleef het geluid van de passerende auto onder de 66 dB dan keerde slechts 22% van de vleermuizen om als ze een gat in de bomenrij naderden. Kwam het geluid boven de 66 dB uit, dan reageerden laagvliegende dieren (< 9 m) sterker dan hoogvliegende dieren, respectievelijk 43% tegen 27% (9-13 m, wat overeenkwam met de toppen van bomen) en 10% (>13 m) keerden om. Bennett & Zutcher (2013) veronderstellen dat hoogvliegende dieren minder door het geluid van auto’s werden gestoord vanwege de grotere afstand tot de auto’s en, als bomen aanwezig zijn, de geluidsabsorberende werking van de bladerkroon. Het effect van geluid blijkt dus zeer afhankelijk van de omgeving waarin de vleermuis op dat moment vliegt, waarbij geluid het effect van een bestaande barrière (bijvoorbeeld een gat in een vliegroute) versterkt.

Bennet & Zurcher (2013) vermoeden dan ook dat de vleermuizen op hun schreden terug keerden omdat ze bang waren voor het naderende gevaar (de auto) en niet vanwege interferentie met hun echolocatie. Overigens vlogen sommige dieren na het passeren van de auto het gat in de bomenrij alsnog over (Bennet & Zurcher 2013). Als geen continue stroom aan auto’s passeert, is er dus sprake van een tijdelijk effect. Bovenstaande onderzoeken laten zien dat negatieve effecten van omgevingsgeluid op foeragerende of passerende vleermuizen niet kunnen worden uitgesloten, maar dat wel een nuancering noodzakelijk is. Het effect is afhankelijk van:

88

-

De toonhoogte (frequentie): in hoeverre overlapt het met het geluid dat de vleermuis of diens prooi produceert? De sterkte van het geluid in de frequentie waar de vleermuis gebruik van maakt of gevoelig voor is. De continuïteit van het (storende) geluid. Het aanpassingsvermogen van de vleermuis: beschikt hij over een alternatieve jachttechniek om negatieve effecten te omzeilen? Landschapsstructuur: in een open landschap zijn er weinig ononderbroken vliegroutes die vleermuizen kunnen volgen en wordt omgevingsgeluid minder door opgaande structuren gedempt.

Tijdens de actieve jacht en het vliegen gebruiken de meeste vleermuizen geluiden die boven de 16 kHz liggen (tabel 5.2). Alleen passieve luisteraars gebruiken (ook) de geluiden van hun prooien op lagere frequenties. In het plangebied en omgeving valt alleen de gewone grootoorvleermuis in deze categorie. Voor Bechsteins vleermuis en vale vleermuis vormt het plangebied geen leefgebied en bevinden zich in de gebieden grenzend aan het plangebied geen essentiële foerageergebieden of vliegroutes. Het Kennisdocument gewone grootoorvleermuis (BIJ12 2017) stelt dat geluid van 4 - 40 kHz het jachtsucces van deze soort sterk vermindert. Reimerink et al. (2017) stellen daarom voor om voor het onderscheid tussen actieve en passieve luisteraars de volgende generieke (worst case) frequentiebereiken aan te houden:  Actieve luisteraars: >16 kHz  Passieve luisteraars: >4 kHz Omdat geluid van machines, verkeer, maar ook van muziek, zelden boven de 16 kHz uitkomt, zullen alleen passieve luisteraars van dit geluid last hebben. Zij zullen een gebied met een geluidfrequentie boven de 16 kHZ mijden of alleen roepend jagen. Vraag is nog vanaf welke geluidssterkte ze dit zullen doen. Coles et al. (1989) hebben dit uitgezocht. Zij vonden dat gewone grootoorvleermuizen het gevoeligst zijn voor geluid tussen 12 en 20 kHz. Geluid van 3 kHz horen ze pas als dit minimaal een geluidssterkte van 80 dB heeft.

Geluid met een frequentie van 3 kHz of hoger draagt niet ver. Tijdens het Airforce Festival 2017 bedroeg op de Grefteberghoekweg ter hoogte van de radartoren op De Strip de geluidsbelasting van 4 kHz 42 dB SPL. Dat was net iets harder dan het normale omgevingsgeluid op die plek; dat was namelijk 36 dB SPL. Deze meetlocatie bevond zich op circa 200 m van het hoofdpodium van het festival waar de geluidsbelasting tussen de 85 en 103 dB(A)7 lag. Figuur 5.3 toont de geluidsbelasting bij verschillende frequenties tijdens het Airforce Festival 2017 en tijdens de nacht daarvoor en daarna. Bij frequenties van 5 kHz en hoger was de geluidsbelasting als gevolg van het festival niet hoger dan die van de omgeving, i.c. ritselen van bladeren. Een gewone grootoorvleermuis moet dus dichtbij een geluidsbron met een sterkte van circa 100 dB(A) komen om last van het geluid te hebben bij het vinden van prooien, zonder gebruik te maken van zijn echolocatie.

7 Geluidsmeters met het A-filter leggen de nadruk op de geluidssterkte (in dB) in de frequenties tussen 1 en 6 kHz. De geluidssterkte bij 8 kHz ligt ongeveer 17 dB lager.

89

Figuur 5.3

Geluidsmetingen op de Grefteberghoekweg ter hoogte van de Radartoren om 22:16 op 4 augustus en om 21:36 op 8 augustus als referentiegeluid en tijdens Airforce om 16:34, 21:05 en 23:13. Op de Y-as wordt de ongewogen Z meting in dB SPL weergegeven. Op de X-as worden de verschillende frequenties weergegeven. De metingen zijn de geluidsdruk per kHz gemiddeld over twee minuten (Van der Vegt in Janssen et al. 2017).

Grootoorvleermuizen kunnen ook als actieve luisteraars, dus met gebruik van echolocatie, jagen. Daar gebruiken ze dezelfde hoogfrequente geluiden voor als de andere vleermuizen in het plangebied en de directe omgeving daarvan, namelijk geluid met een frequentie van 20 kHz of meer (tabel 5.2). Dit geluid reikt nog minder ver. Siemers & Schaub (2011) vonden dat op 35 meter van een autoweg het ultrasoon geluid (>20 kHz) verwaarloosbaar was. Janssen et al. (2017) toonden in het veld aan dat lawaai van het Airforce Festival voor gewone grootoorvleermuizen geen reden is om het verstoorde deel van hun leefgebied te mijden. Zelfs tijdens het festival foerageerden de dieren tussen de podia waar muziek van meer dan 85 tot 103 dB(A) schalde. Ook gewone dwergvleermuizen, een actieve luisteraar, vertoonden geen ander gedrag tijdens het Airforce festival dan in de avonden daarvoor en daarna, zowel tijdens het festival in 2016 als in 2017. Ook deze dieren bleven het festivalterrein ondanks de harde muziek als jachtgebied gebruiken (Wisgerhof & Reimerink 2017, Lubbers & Marchal 2017). Bij de ontwikkelingen die de twee bestemmingsplannen mogelijk maken gaat het niet alleen om incidenteel geluid dat moet worden beoordeeld, maar ook om continu geluid.

Dit continu geluid is echter minder luid dan het geluid van een muziekevenement zoals het Airforce Festival, omdat het continu geluid en het geluid van de reguliere bedrijfs- en leisureactiviteiten op de zonegrens overdag niet boven de 50 dB(A) mag uitkomen en ’s nachts niet boven de 40 dB(A). Tevens zijn vleermuizen in de avond en nacht actief als er weinig bedrijvigheid in het plangebied is. Figuur 5.4 toont de berekende geluidsbelasting in avond en nacht bij volledige invulling van de twee bestemmingsplannen.

90

Figuur 5.4

Contouren van geluid in avond en nacht (Lavond+nacht; zonder straffactoren) bij volledige invulling bestemmingsplannen Noord en Midden (Ten Have 2018). De stippen zijn foeragerende en passerende vleermuizen in 2016 (Lubbers 2016b).

Uit figuur 5.4 blijkt dat de vleermuizen die in de werkparken De Strip en Oostkamp en in de Technology Base foerageren bloot zullen staan aan geluid van 60 tot 70 dB(A) in de frequenties tussen 1 en 6 kHZ. Dat is vergelijkbaar aan het geluid van een autoweg. Het geluid in de hogere frequenties (> 20 kHZ) is dan al op 35 m afstand van de bron verwaarloosbaar (Siemers & Schaub 2011). De meeste actieve luisteraars onder de vleermuizen van en rond het plangebied gebruiken geluiden in nog hogere frequenties (tabel 5.2). De vleermuizen moeten naast de geluidsbron vliegen/jagen om er last van te hebben. Er blijft zodoende ook in de gebiedsdelen met hoge geluidsbelasting voldoende leefgebied beschikbaar waar de vleermuizen (alle soorten die in en rond het plangebied voorkomen) kunnen foerageren en passeren. Negatieve effecten van geluid op foeragerende en passerende vleermuizen kunnen derhalve op voorhand worden uitgesloten. Verblijfplaatsen Als de dieren in hun verblijfplaats zijn slapen ze en gebruiken ze geen geluid om zich te oriënteren of prooien te vangen. In hun verblijfplaatsen communiceren de dieren met elkaar (vleermuizen verblijven vaak in groepen in één verblijfplaats) met hoogfrequente geluiden. Er is dan vrijwel geen overlap met de veelal laagfrequente geluiden van de omgeving. Luo et al.

(2014) toonden experimenteel aan dat vale vleermuizen tijdens het rusten overdag nauwelijks reageerden op het geluid van verkeer (1-20 kHZ van 62 tot 74 dB). Bovendien nam hun reactie af naarmate ze vaker aan geluid waren bloot gesteld, waarbij ze sneller

91

wenden aan het geluid van verkeer dan aan dat van zingende vogels (2-6 kHz) of ruisende bladeren (2-125 kHz). Een verklaring voor het laatste was dat het geluid van ruisende bladeren overeenkwam met het geluid van prooien die door vegetatie lopen. Watervleermuizen, baardvleermuizen, rosse en vale vleermuizen lijken redelijk bestand tegen geluid en trillingen in hun verblijf of kunnen daar althans aan wennen, gezien het veelvuldig gebruik van bruggen en andere wegconstructies (Taylor 2013, Dietz et al. 2011). Hetzelfde geldt voor soorten met verblijfplaatsen in steden, zoals gewone en ruige dwergvleermuis en laatvlieger. De waarnemingen van gewone dwergvleermuizen in gebouwen tijdens het Airforce Festival in werkpark De Strip in augustus 2016 en 2017 tonen aan dat zelfs festivallawaai de dieren niet wegjaagt. Zelfs de verblijfplaats die zich in een van de gebouwen bevond waar muziek met een sterkte van 85 tot 103 dB(A) werd gedraaid werd op dat moment door gewone dwergvleermuizen gebruikt (Wisgerhof & Reimerink 2017, Lubbers & Marchal 2017). Anderhalve week later waren de verblijfplaatsen nog steeds in gebruik (Lubbers 2016b) en ook in 2017 werden de gebouwen nog gebruikt, ook als kraamplaats (Lubbers & Marchal 2017). Shirley et al. (2001) constateerden dat een kraamverblijf van de watervleermuis hinder ondervond van een festival nabij de verblijfplaats.

Zij stellen dat de belangrijkste oorzaken van verstoring bij uitvliegende dieren werden veroorzaakt door licht en geluid, wat leidde tot het verlaat uitvliegen van dieren. Specifiek tijdens de kraamperiode kan een dergelijke verstoring van invloed zijn op de overlevingskans van individuele vleermuizen en hun jongen, aangezien de dieren in deze periode een grote behoefte hebben aan prooien en bovendien regelmatig moeten terugkeren om de jongen te voeden. Gezien het feit dat zowel het festival als het gebruik als kraamverblijf jaarlijks terugkeerden was het lange termijn effect op de kolonie beperkt en geen reden voor de vleermuizen de verblijfplaats niet meer voor het grootbrengen van jongen te gebruiken. Ook Krijgsveld et al. (2012) vermoedden dat een tweedaags evenement in de kraamperiode (eind mei) geen nadelig effect op vleermuizen had. Enkele dagen na het Open Air festival in het Gaasperpark in Amsterdam constateerden zij volop foerageeractiviteit van gewone en ruige dwerg-vleermuis. Daarbij dient te worden opgemerkt dat het festival om 23:00 uur sloot. De dwergvleermuizen die hun verblijfplaatsen in gebouwen 500 m verwijderd van het festivalterrein hadden konden na 23:00 uur ongestoord in het park foerageren. Janssen et al. (2017) vonden ook geen effecten op het gebruik van verblijfplaatsen door gewone grootoorvleermuizen tijdens het Airforce Festival in 2017.

Alle verblijfplaatsen, ook die op minder dan 200 m van het hoofdpodium, bleven in gebruik. De grootoren verlieten hun verblijfplaatsen ook niet later dan op avonden zonder festival. Mogelijk was het effect dat Shirley et al. (2001) bij watervleermuizen hebben waargenomen een gevolg van licht dat op het kraamverblijf scheen en niet van geluid. Een aantal vleermuissoorten gebruikt tijdens de balts geluiden met een frequentie van 10 tot 50 kHz. Soorten als gewone grootoorvleermuis, gewone, kleine en ruige dwerg-vleermuis, rosse vleermuis en laatvlieger vallen hier onder. Zoals eerder aangegeven ligt het frequentiespectrum van verkeer, machines en muziek grotendeels onder de 10 kHz. Daarbij komt dat geluid van 10 kHz en hoger niet ver reikt. Tijdens veldonderzoek bleek dat baltsende exemplaren van de ruige dwergvleermuis, een soort waarvan de baltsroep rond

92

18-20 kHz ligt, hun paarverblijven tot op 20 meter van een drukke snelweg (A20, Rotterdam) hadden (Hille Ris Lambers et al. 2008). Kennelijk was de geluidsbelasting van het verkeer niet de doorslaggevende factor voor de soort om tijdens de balts de nabijheid van een weg te mijden. Tijdens het Airforce Festival in 2016 met muziek met een geluidsterkte van meer dan 100 dB(A) zijn meerdere baltsende gewone dwergvleermuizen op het festivalterrein waargenomen (Wisgerhof & Reimerink 2017). Ook de dag na het festival bevonden zich baltsende dieren op het terrein en in 2017 waren wederom baltsende gewone dwergvleermuizen tijdens en na het festival aanwezig (Wisgerhof & Reimerink 2017, Lubbers & Marchal 2017). De ongevoeligheid voor geluid als vleermuizen in verblijfplaatsen zitten blijkt ook uit figuur 5.5. Deze toont de locaties van verblijfplaatsen van alle vleermuissoorten in relatie tot de huidige geluidsbelasting. Een aantal verblijfplaatsen (met name van gewone dwergvleermuizen) ondervindt nu al een geluidsbelasting van 55 tot 60 dB(A)L24. Desondanks verblijven de vleermuizen hier nu al enkele jaren achtereen. Op basis hiervan en bovenstaande informatie uit literatuur kunnen negatieve effecten op zomer-, kraam- en paarverblijfplaatsen op voorhand worden uitgesloten.

Figuur 5.5

Contouren van geluid in (L24t; zonder straffactoren) in de huidige situatie (Ten Have 2018). Bruine cirkels zijn baltsplaatsen, zwarte cirkels zijn zomerverblijfplaatsen en blauwe zijn winterverblijfplaatsen van vleermuizen in 2016 en 2017 (Lubbers 2016b, 2017c).

93

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=enschede&id=8ee3ebde-7ee2-4a90-b885-36b0c3419cb9