B1. BP Bijlagen 40-43 toelichting
Tekst van het document
Effecten van de gebiedsontwikkeling Luchthaven Twente op beschermde soorten Toetsing in het kader van de Wet natuurbescherming
D.E.H. Wansink
Effecten van de gebiedsontwikkeling Luchthaven Twente op beschermde soorten Toetsing in het kader van de Wet natuurbescherming drs. D.E.H. Wansink Status uitgave: definitief Rapportnummer:
17-019
Projectnummer:
16-796
Datum uitgave:
2 februari 2018
Foto's omslag:
Vliegveld Twente (Raymond Lamars, www.highscan.nl), graspieper (Jan Dirk Buizer), levendbarende hagedis (Jeroen Brandjes), gewone dwergvleermuis (Erik Korsten)
Projectleider:
drs. D.E.H. Wansink
Naam en adres opdrachtgever:
Area Development Twente (ADT) Zuidkampweg 31, 7524 NB Enschede
Referentie opdrachtgever:
Opdrachtnummer 2179019
Akkoord voor uitgave:
drs. H.A.M. Prinsen
Paraaf:
Graag citeren als: Wansink, D.E.H., 2018. Effecten van de gebiedsontwikkeling Luchthaven Twente op beschermde soorten. Toetsing in het kader van de Wnb. Bureau Waardenburg Rapportnr. 17-019. Bureau Waardenburg, Culemborg. Trefwoorden: bestemmingsplan, Wet natuurbescherming, vliegbasis, Twente Bureau Waardenburg bv is niet aansprakelijk voor gevolgschade, alsmede voor schade welke voortvloeit uit toepassingen van de resultaten van werkzaamheden of andere gegevens verkregen van Bureau Waardenburg bv. Opdrachtgever hierboven aangegeven vrijwaart Bureau Waardenburg bv voor aanspraken van derden in verband met deze toepassing. © Bureau Waardenburg bv / Area Development Twente (ADT) Dit rapport is vervaardigd op verzoek van opdrachtgever en is zijn eigendom. Niets uit dit rapport mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt worden d.m.v. druk, fotokopie, digitale kopie of op welke andere wijze dan ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de opdrachtgever hierboven aangegeven en Bureau Waardenburg bv, noch mag het zonder een dergelijke toestemming worden gebruikt voor enig ander werk dan waarvoor het is vervaardigd. Het kwaliteitsmanagementsysteem van Bureau Waardenburg bv is door CERTIKED gecertificeerd overeenkomstig ISO 9001:2008.
1
2
Voorwoord Area Development Twente (ADT) staat aan de lat voor de gebiedsontwikkeling Luchthaven Twente en omgeving uit te voeren. Voor de gebiedsontwikkeling zijn vier bestemmingsplannen opgesteld. De conform de bestemmingsplannen toegestane ontwikkelingen kunnen effecten hebben op beschermde soorten planten en dieren. Area Development Twente (ADT) heeft Bureau Waardenburg opdracht verstrekt de effecten als gevolg van de voorziene ontwikkelingen in twee bestemmingsplannen respectievelijk Voormalige vliegbasis Twente – Noord en Voormalige vliegbasis Twente – Midden op beschermde soorten te onderzoeken. Dit rapport doet verslag van dit onderzoek. Aan de totstandkoming van dit rapport werkten mee: Dennis Wansink Rob Lensink Roland van der Vliet Hein Prinsen
projectleiding, rapportage rapportage rapportage kwaliteitsborging
Genoemde personen zijn door opleiding, werkervaring en zelfstudie gekwalificeerd voor de door hun uitgevoerde werkzaamheden. Het project is uitgevoerd volgens het kwaliteitshandboek van Bureau Waardenburg. Het kwaliteitsmanagementsysteem van Bureau Waardenburg is door Certiked ISO gecertificeerd overeenkomstig BRL 9990:2001 / ISO 9001:2008.
3
4
Inhoud Voorwoord ....................................................................................................................................3 1
2
3
Inleiding ..................................................................................................................................9 1.1
Aanleiding en doel .....................................................................................................9
1.2
Aanpak .....................................................................................................................10
1.3
Opbouw van het rapport / Leeswijzer .................................................................... 11
Plangebied en voorziene ontwikkelingen ..........................................................................13 2.1
Ligging plangebied ..................................................................................................13
2.2
Beschrijving plangebied ..........................................................................................15
2.3
Voorgenomen ontwikkelingen ................................................................................17
2.4
Reeds uitgevoerde maatregelen ............................................................................20
Toetsingskader ....................................................................................................................23 3.1
3.2
Wet- en regelgeving ................................................................................................23 3.1.1
Inleiding ...................................................................................................... 23
3.1.2
Wnb – onderdeel Soorten ........................................................................ 23
Beoordelingskader...................................................................................................23 3.2.1
Vogels met jaarrond beschermde nestplaats.......................................... 23
3.2.2
Voorwaardelijke opzet............................................................................... 25
3.2.3
Verstoren van dieren ................................................................................. 25
3.2.4
Essentiële foerageergebieden en vliegroutes......................................... 26
3.2.5
Wanneer is er sprake van wezenlijke invloed op de staat van instandhouding? ........................................................................................ 26
4
Natuurwaarden – huidige situatie ......................................................................................30 4.1
4.2
Uitgevoerd natuuronderzoek ..................................................................................30 4.1.1
Algemeen................................................................................................... 30
4.1.2
Broedvogels............................................................................................... 32
4.1.3
Vleermuizen............................................................................................... 38
4.1.4
Grondgebonden zoogdieren .................................................................... 46
4.1.5
Reptielen .................................................................................................... 48
4.1.6
Amfibieën ................................................................................................... 50
4.1.7
Vissen......................................................................................................... 52
4.1.8
Ongewervelden: dagvlinders en libellen.................................................. 53
4.1.9
Flora ........................................................................................................... 53
Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn...........................................................54
5
4.3
4.4
4.5 5
6
4.2.1
Broedvogels in het plangebied................................................................. 54
4.2.2
Broedvogels rond het plangebied ............................................................ 56
Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn ........................................................57 4.3.1
Planten ....................................................................................................... 57
4.3.2
Ongewervelden ......................................................................................... 57
4.3.3
Vissen ........................................................................................................ 57
4.3.4
Amfibieën ................................................................................................... 57
4.3.5
Reptielen.................................................................................................... 58
4.3.6
Grondgebonden zoogdieren .................................................................... 58
4.3.7
Vleermuizen............................................................................................... 58
Beschermingsregime andere soorten....................................................................69 4.4.1
Planten ....................................................................................................... 69
4.4.2
Ongewervelden ......................................................................................... 70
4.4.3
Vissen ........................................................................................................ 70
4.4.4
Amfibieën ................................................................................................... 71
4.4.5
Reptielen.................................................................................................... 71
4.4.6
Grondgebonden zoogdieren .................................................................... 71
Samenvatting relevante soorten ............................................................................73
Mogelijke effecten ...............................................................................................................74 5.1
Inleiding ....................................................................................................................74
5.2
Licht ..........................................................................................................................75
5.3
Geluid .......................................................................................................................82
5.4
Optische verstoring..................................................................................................98
5.5
Samenvatting relevante effecten ..........................................................................101
5.6
Toelichting op de analyses van geluid en optische verstoring ...........................101
Effecten op beschermde soorten in relatie tot de bestemmingsplannen......................108 6.1
Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn ........................................................108 6.1.1 Algemeen ..................................................................................................108 6.1.2 Soorten met jaarrond beschermde nestplaats (JR-soorten) .................109 6.1.3 Soorten met jaarrond beschermde nestplaats volgens de begeleidende brief bij de generieke ontheffing FF/75C/2013/0434 (GO-soorten) ...... 119 6.1.4 Categorie 5-soorten (Cat. 5-soorten).......................................................146
6.2
Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn ......................................................155 6.2.1 Amfibieën ...................................................................................................155 6.2.2 Vleermuizen...............................................................................................158
6
6.3
Beschermingsregime andere soorten................................................................. 177 6.3.1 Dagvlinders............................................................................................... 177 6.3.2 Reptielen ................................................................................................... 178 6.3.3 Zoogdieren................................................................................................ 180
7
Conclusies en aanbevelingen ......................................................................................... 186 7.1
Conclusies onderzoek .......................................................................................... 186 7.1.1 Relevante beschermde soorten .............................................................. 186 7.1.2 Effectenbeoordeling ................................................................................. 187
7.2
Bestemmingsplan Voormalige vliegbasis Twente - Noord ................................ 188 7.2.2 Aanbevelingen t.a.v. de ontwikkelingen in plangebied Noord .............. 189
7.3 9
Bestemmingsplan Voormalige vliegbasis Twente - Midden .............................. 190
Literatuur ........................................................................................................................... 194
Bijlage 1
Totaaloverzicht van verplichte natuurmaatregelen............................................. 205
Bijlage 2
Definitief uitgewerkt ontwerp inrichtingsplan nieuwe NNN ................................ 207
Bijlage 3
Beheer open graslanden plangebied en herinrichting NNN-gebied ................. 209
Bijlage 4
Lijst jaarrond beschermde nesten van vogels .................................................... 213
Bijlage 5
Het broedseizoen van vogels in Nederland........................................................ 215
Bijlage 6
Verspreidingskaarten inventarisatie 2016 en 2017 ............................................ 217
Bijlage 7
Geluidscontouren bestemmingsplannen Noord en Midden.............................. 219
7
Leefgebied veldleeuwerik op de voormalige luchtmachtbasis Twenthe (Foto: Fleur van Vliet).
8
1 Inleiding 1.1
Aanleiding en doel In 2003 heeft het kabinet besloten om de militaire luchtmachtbasis Twenthe te sluiten. Met het daadwerkelijk beëindigen van de functie van militaire luchtmachtbasis Twenthe op 1 januari 2008 is een gebied van ruim 500 hectare in het hart van het stedelijke gebied Twente beschikbaar gekomen voor nieuwe functies. Het gebied is sindsdien in ontwikkeling van een besloten militair terrein naar een grotendeels open en toegankelijk gebied met nieuwe functies. In de loop der jaren zijn diverse voorstellen voor de herontwikkeling de revue gepasseerd. Tot 2014 waren alle inspanningen erop gericht om in het noordelijk deel van de voormalige luchtmachtbasis een compacte commerciële burgerluchthaven in het groen te ontwikkelen. In 2010 is hiervoor een uitgebreid onderzoek naar de natuurwaarden op de voormalige luchtmachtbasis uitgevoerd en zijn de effecten van de toen voorgenomen herontwikkeling beoordeeld (Lubbers & Haamberg 2013a). Uitgaande van het worst case scenario is toen een generieke ontheffing inzake de Flora- en faunawet aangevraagd en verkregen (ontheffing FF/75C/2013/0434). Medio 2014 zijn deze plannen stopgezet, omdat op dat moment binnen de gestelde politieke kaders en de afspraken met de destijds beoogde exploitant de ontwikkeling van een commerciële burgerluchthaven in Twente niet mogelijk was.
De gemeente Enschede en de provincie Overijssel hebben vervolgens een nieuwe koers bepaald. Doel blijft om een belangrijke bijdrage aan de versterking van de economie van Twente te bieden. De plannen die worden opgesteld moeten de ruimte creëren om gebruik te maken van de unieke mogelijkheden van dit grote, ruige gebied, dat onderdeel is van de voormalige militaire vliegbasis Twenthe. De aanwezige hangars, shelters, taxibanen en de ruimte rond de start- en landingsbaan, in de groene omgeving, maken het een locatie die zeer geschikt is om te pionieren, uit te proberen en te vernieuwen; waar bedrijven nieuwe dingen gaan ontwikkelen, testen en produceren; waar bedrijven opleiden, trainen en presentaties en evenementen organiseren. Daarmee moet het her te ontwikkelen gebied een aanvulling worden op de vestigingsmogelijkheden voor bedrijven elders in de regio en het aanwezige leisure- en evenementenaanbod. Doelstelling is om de beoogde ontwikkelingen vast te leggen in een viertal bestemmingsplannen. Deze plannen (Voormalige vliegbasis Twente-Noord en Voormalige vliegbasis Twente-Midden en in het verlengde daarvan de twee bestemmingsplannen Voormalige vliegbasis Twente-Zones) vragen om een analyse van de mogelijke effecten op beschermde flora en fauna. Daar komt bij dat sinds 1 januari 2017 een nieuwe natuurwet van kracht is, de Wet natuurbescherming (Wnb).
Gekoppeld aan deze wet zijn ook de lijsten met beschermde plant- en diersoorten herzien. Sinds 2010 zijn vele monitoringsonderzoeken uitgevoerd, waardoor over een langere periode inzicht bestaat in het voorkomen van dier- en plantensoorten en de functies die het plangebied voor deze soorten vervuld. Ten behoeve van de toetsing van de voorliggende bestemmingsplannen is
9
gebruik gemaakt van in 2016 en 2017 uitgebreid actualiserend veldonderzoek naar beschermde flora en fauna op de voormalige luchtmachtbasis en de omgeving daarvan (Lubbers 2016b, 2017c en d). Dit rapport doet verslag van de verwachte effecten van de in de bestemmingsplannen voorziene ontwikkelingen op de beschermde flora en fauna.
1.2
Aanpak Aan de hand van een beschrijving van het huidige voorkomen (aantal, verspreiding, trend, functie(s)) van beschermde soorten planten en dieren in de relevante gebieden, een beschrijving van de voorgenomen activiteiten (cf. bestemmingsplannen) is in dit rapport een beschrijving van effecten van de maximale invulling van de bestemmingsplannen opgesteld. Uitzondering hierop zijn de 12 evenementdagen; de effecten van deze ontwikkeling is in een separaat rapport door Tauw onderzocht (Reimerink & Van Hooff 2017). Vervolgens zijn de effecten beoordeeld in het licht van de vigerende Wnb, hoofdstuk soortbescherming. De basis van de beschrijving van het huidige voorkomen wordt gevormd door het onderzoek naar het voorkomen van beschermde soorten planten en dieren in 2016-2017. Waar relevant – bijvoorbeeld omdat dit inzicht geeft in trends en de kwaliteiten van het gebied in relatie tot het huidige voorkomen van soorten – worden ook oudere gegevens gebruikt. Voor de effectbeschrijving en -beoordeling wordt uitgegaan van bestaande kennis over oorzaak en gevolg, en waar deze ontbreekt is gebruik gemaakt van de expertise van de auteur(s). Veldonderzoek In de jaren 2010-2017 is in de bestemmingsplangebieden onderzoek gedaan naar het voorkomen van broedvogels, zoogdieren, vlinders, amfibieën, reptielen, planten en vegetaties.
In 2016, maar vooral in 2017 zijn bovendien terreinen rondom het plangebied op broedvogels en vleermuizen onderzocht. Middels zicht- en geluidswaarnemingen, inzetten van vangmiddelen, sporenonderzoek (pootafdrukken, nesten, holen, uitwerpselen, haren, etc) en radiotelemetrie is concrete informatie verzameld over het daadwerkelijk voorkomen van soorten in het plangebied en de functie die het plangebied voor de soorten vervult. Hoofdstuk 4 gaat uitgebreid op deze onderzoeken in. Voor zover soorten niet daadwerkelijk zijn aangetroffen is op basis van terreinkenmerken en expert judgement beoordeeld of het terrein geschikt is voor de in de regio voorkomende beschermde soorten en of redelijkerwijs valt te verwachten dat de soorten in het plangebied verblijfplaatsen hebben. Bronnenonderzoek Aanvullend op het veldonderzoek heeft bronnenonderzoek plaatsgevonden. Voor een actueel overzicht van beschermde soorten die in de regio voorkomen is de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) geraadpleegd1. Daarnaast is gebruik gemaakt van achtergronddocumentatie (zie literatuurlijst).
1
10
Nationale Database Flora en Fauna geraadpleegd dd. 27 januari 2017
1.3
Opbouw van het rapport / Leeswijzer Hoofdstuk 2 beschrijft het plangebied en de ontwikkelingen die de bestemmingsplannen Voormalige vliegbasis Twente-Noord en Voormalige vliegbasis Twente-Midden mogelijk maken. Tevens wordt voor zover relevant ingegaan op de maatregelen die in het verleden zijn getroffen ten gunste van de in het gebied aanwezige natuurwaarden en de randvoorwaarden waarvan al bekend is dat deze verzekerd zullen worden door planvoorschriften. Hoofdstuk 3 beschrijft het toetsingskader, in casu de Wnb – onderdeel Soorten. Er wordt ingegaan op de wijze waarop bepaalde wetsartikelen worden geïnterpreteerd en hoe effecten in het licht van de wet worden beoordeeld. In hoofdstuk 4 wordt de huidige situatie van de natuurwaarden in de bestemmingsplangebieden Voormalige vliegbasis Twente-Noord en Voormalige vliegbasis Twente-Midden en de directe omgeving daarvan beschreven. Na eerst een toelichting op de uitgevoerde veldonderzoeken worden achtereenvolgens de natuurwaarden per beschermingsregime van de Wnb (paragrafen 3.1, 3.2 en 3.3 van de wet) behandeld. In hoofdstuk 5 wordt verkend welke verbodsbepalingen uit de Wnb en welke effecten van de activiteiten mogelijk relevant zijn.
In hoofdstuk 6 worden per individuele soort de effecten van de bestemmingsplannen Voormalige vliegbasis Twente-Noord en Voormalige vliegbasis Twente-Midden beschreven en wordt de vraag beantwoord of sprake is van overtreding van een verbodsbepaling (uit artikel 3.1 ofwel artikel 3.5 ofwel artikel 3.10 Wnb) en of een ontheffing nodig is en zo ja, of een ontheffing naar verwachting zal kunnen worden verleend. Hoofdstuk 7 bevat de conclusies. Het bevat een overzicht van de soorten en effecten waarvoor een (aanvullende) ontheffing noodzakelijk is. Tevens wordt ingegaan op maatregelen die getroffen kunnen worden om overtreding van Wnb-verbodsbepalingen te voorkomen. Tevens worden in dit hoofdstuk enkele aanbevelingen gedaan die negatieve effecten op soorten, zonder dat een ontheffing vereist is, zouden kunnen beperken.
11
12
2 Plangebied en voorziene ontwikkelingen 2.1
Ligging plangebied In verband met de gebiedsontwikkeling lopen vier bestemmingsplanprocedures: Voormalige vliegbasis Twente – Noord (Enschede) Voormalige vliegbasis Twente – Midden (Enschede) Voormalige vliegbasis Twente – Zones (Enschede) Voormalige vliegbasis Twente – Zones (Dinkelland) De twee bestemmingsplannen over Zones hebben louter betrekking op de toegestane geluidszones voor industrieactiviteiten, de beperkingenzones vanwege Defensie-installaties en de bestaande geluidszones die komen te vervallen. Deze twee bestemmingsplannen voorzien verder niet in de realisatie van ruimtelijke ontwikkelingen. Het voorliggende rapport ziet op de effectbeschrijving en effectbeoordeling van de ontwikkelingen zoals deze mogelijk worden met de bestemmingsplannen Voormalige vliegbasis Twente – Noord en – Midden, verder genoemd ‘bestemmingsplan Noord’ en ‘bestemmingsplan Midden’. In deze plannen worden de bouw- en gebruiksmogelijkheden van de voorgenomen ontwikkelingen vastgelegd. Bij de effectbeoordeling is uitgegaan van de maximale geluidbelasting die met de bestemmingsplannen wordt toegestaan. Daar waar in het rapport gesproken wordt over ‘plangebied’ (zonder de vermelding van Noord en/of Midden) wordt gedoeld op het plangebied van de bestemmingsplannen Noord en Midden tezamen. Met ‘plangebied Noord’ wordt het plangebied van het bestemmingsplan Noord bedoeld.
Met ‘plangebied Midden’ wordt het plangebied van het bestemmingsplan Midden gedoeld. Figuur 2.1 toont de begrenzing van het plangebied. De voormalige militaire luchtmachtbasis Twenthe is gelegen in het hart van het stedelijk gebied van Twente en is over de weg goed bereikbaar. Het ligt ten noorden van Enschede, ten oosten van Hengelo en ten zuiden van Oldenzaal op de grens van de gemeenten Dinkelland en Enschede. De Duitse grens ligt op een afstand van circa 8 kilometer ten oosten van de voormalige luchtmachtbasis. Ten noorden van het gebied ligt het treinspoor van Hengelo naar Duitsland en daarboven de snelweg A1.
13
14
Figuur 2.1
Ligging van het plangebied (rood omlijnd) ondergrond: Data by OpenStreetMap.org contributors under CC BY-SA 2.0 license).
Figuur 2.2
Het NNN en Natura 2000-gebieden in en rond het plangebied (bron: Arcadis 2016).
Figuur 2.3
De verschillende onderdelen van de gebiedsontwikkeling Luchthaven Twente (bron: Arcadis 2016).
Het landschap tussen het plangebied en de drie steden is een afwisseling van natuurgebieden (vooral bos) en een agrarisch cultuurlandschap. Kenmerkend voor het landschap is het contrast tussen cultuur en natuur. Het gaat daarbij bijvoorbeeld om het contrast tussen het natuurlijke reliëf en natuurlijke beken en het nadrukkelijk ontworpen landschap van landgoederen met lanen, zichtassen en kunstmatige vijvers. Veel van het omringende landschap is onderdeel van het Natuurnetwerk Nederland (voorheen EHS, thans NNN, figuur 2.2). De totale gebiedsontwikkeling Luchthaven Twente e.o. omvat naast de plangebieden Noord en Midden die in deze natuurtoets wordt behandeld (figuur 2.3), nog een aantal deelgebieden. Voor de deelgebieden Fokkerweg, Prins Bernhardpark, Overmaat en ’t Vaneker (Zuidkamp / ’t Vaneker-Schil) zijn al bestemmingsplannen vastgesteld; deze blijven hier verder buiten beschouwing. De beleidsmatig op Dinkellands grondgebied voorziene bedrijvigheid maakt niet langer onderdeel uit van het plangebied Noord. Voor de noordelijke ontsluiting is al een omgevingsvergunning verleend (en onherroepelijk) en de gronden voor bedrijvigheid in Dinkelland worden pas in een later stadium ontwikkeld. Deze gebieden zijn in de bestemmingsplannen die nu voorliggen dan ook niet opgenomen.
2.2
Beschrijving plangebied Het plangebied is circa 415 hectare groot en bestaat (voor wat betreft het toestaan van ruimtelijke ontwikkelingen) uit plangebied Noord en plangebied Midden. Plangebied Noord
15
is circa 210 hectare groot met daarbinnen de start- en landingsbaan met een verhard oppervlak van 3.000 meter lengte en 45 meter breedte (figuur 2.4). Het gebied heeft 42 gebouwen met een bebouwd vloeroppervlak (bvo) van ruim 26.000 m2 met circa 95.000 m3 inhoud. De drie grootste gebouwen zijn hangars met samen 11.500 m2 bvo. Daarnaast bevinden zich in dit gebied 13 voormalige F16 shelters. Buiten de verharde start- en landingsbaan is nog circa 15 hectare oppervlakte verhard. Rond de start- en landingsbaan bevinden zich bloemrijke graslanden. Langs de noordwestrand van het plangebied Noord bestaat het plangebied uit meer gesloten gebied met bos, bosschages en ruigten. Het gebied kent vanwege het voormalig gebruik als luchtmachtbasis veel infrastructuur (wegen).
Figuur 2.4
Plangebied Noord (bron: gemeente Enschede).
Plangebied Midden is gelegen ten zuidoosten van de start- en landingsbaan (figuur 2.5). Hier is een groot deel van het gebied, circa 137 hectare (bruto), als onderdeel van de gebiedsontwikkeling inmiddels ingericht als natuur in aansluiting op het Natuurnetwerk Nederland (NNN; voorheen de Ecologische Hoofdstructuur). Daarnaast bevinden zich in plangebied Midden de werkparken De Strip en Oostkamp, de Parkeerplaats Deventerpoort (het deels verharde terrein ten noorden van de oude terminal binnen Deventerpoort) en deelgebied Deventerpoort, tezamen een gebied van circa 59 hectare groot. Het natuurontwikkelingsgebied is open van structuur. Op de werkparken is sprake van een meer gesloten gebied met bos, bosschages en ruigten.
16
Lubbers & Haamberg (2013a: hoofdstuk 3) geven een uitgebreide beschrijving van het plangebied en de deelgebieden daarbinnen. Ten Cate et al. (2014) beschrijven het ontwerp voor het nieuwe NNN; uitgevoerd in 2015 (bijlage 3). In bijlage 4 staat een beschrijving van het beheer zoals dat sinds 1989/1990 in het open gebied van het plangebied is uitgevoerd. Het beheer was tot medio 2010 gericht op het weren van grotere vogels in verband met de vliegveiligheid. Sinds medio 2010 is het beheer ook gericht op het ontwikkelen en in stand houden van natuurwaarden, met name insecten en kleine weidevogels zoals veldleeuwerik en graspieper.
Figuur 2.5
2.3
Plangebied Midden (bron: gemeente Enschede).
Voorgenomen ontwikkelingen De ontwikkeling van de plangebieden Noord en Midden is organisch van karakter. Organische ontwikkeling is op te vatten als een proces. Er is geen gedetailleerd, vooraf vastgesteld eindbeeld of werkvolgorde. Daarmee is de ontwikkeling minder gericht op het realiseren van specifieke projecten. Dit betekent voor de effectbeoordeling dat nog niet bekend is waar exact gebouwd gaat worden en dus uitgegaan moet worden van de maximale planologische mogelijkheden van de bestemmingsplannen Noord en Midden en de effecten die hierdoor, worst case, kunnen optreden. Bij de totstandkoming van de bestemmingsplannen is, mede in het kader van de MERprocedure, gezocht naar een zorgvuldige balans tussen economische ontwikkeling en
17
bescherming van natuurwaarden. Dit heeft geleid tot de volgende gebruiks- en bouwmogelijkheden in de bestemmingsplannen: Noord Circa 13% van het uit te geven terrein voor bedrijvigheid mag voor gebouwen worden gebruikt (124.000 m2 footprint). Alle bedrijvigheid wordt gereguleerd via een 50 dB(A) zone industrielawaai. Hierbij zijn de volgende uitganspunten gehanteerd: o Maximaal 1x per dag testen van vliegtuigmotoren (op een klein gebied toegestaan). o Maximaal milieucategorie 4.2, deels 4.1 en 3.2. o Groenbestemmingen aan delen van de randen van het terrein. Toegestane activiteiten zijn op hoofdlijnen een luchthaven met bedrijvigheid (op het gebied van Safety & Security, Advanced Materials and Manufacturing (HTSM/AMM), luchthavengebonden bedrijvigheid en bedrijvigheid rondom drones; Van de bunkers B9 (baardvleermuis, franjestaart en gewone grootoorvleermuis) en B9A (gewone grootoorvleermuis) is al enkele jaren bekend dat hierin vleermuizen verblijven (overwinteren). In het bestemmingsplan Noord is een groenbestemming opgenomen, zodat deze verblijfplaatsen en de directe omgeving eromheen behouden blijven (figuur 2.6).
Figuur 2.6 Te beschermen gebied met en rond bunkers B9 en B9A
18
Bunker B3 is een zomerverblijfplaats van de gewone grootoorvleermuis. Deze bunker blijft gehandhaafd. In het bestemmingsplan Noord is hiervoor een regeling opgenomen.
Midden Als compensatie voor de rode ontwikkelingen is op grond van het geldende bestemmingsplan al een deel van de gebiedsontwikkeling heringericht voor natuur (circa 137 hectare, in eigendom van de provincie Overijssel). In het nieuwe bestemmingsplan krijgen deze gronden ook de bestemming Natuur. Hierdoor is alleen extensief recreatief medegebruik op de bestaande paden en op bestaande verhardingen mogelijk (fietsen, wandelen e.d.). Omdat het terrein al volledig is ingericht, is het definitieve ontwerp als kader gebruikt voor deze effectbeoordeling. De werkparken Oostkamp en De Strip (met bijbehorende parkeerplaats boven Deventerpoort) zijn bestemd als leisure- en evenemententerrein. De maximale milieucategorie is 4.2 (deels lager) en de cumulatie van de activiteiten wordt gereguleerd via een geluidzone – industrie. Hierdoor is op de in het bestemmingsplan vastgelegde grens maximaal 50 dB(A) toegestaan. Er mag maximaal 63.000 m2 aan oppervlakte voor gebouwen aanwezig zijn, flexibel te verdelen over het ruimere bouwvlak. Voor de leisure en evenementen zijn jaarlijks maximaal 500.000 bezoekers toegestaan. Het effect van het verkeer hierdoor mag maximaal 65 dB(A) op de gevels van omliggende woningen bedragen.
Het afsteken van vuurwerk is in de periode van 15 maart tot 15 mei niet toegestaan; buiten deze periode is het maximaal 12 dagen per jaar toegestaan met een maximum van 15 minuten per dag, zij het dat in de periode van 15 mei tot en met 1 juli maximaal tweemaal vuurwerk is toegestaan. Maximaal 12 speciale evenementdagen per kalenderjaar mag worden afgeweken van de 50 dB(A) industriezone rondom het terrein, onder de volgende voorwaarden: o De geluidsbelasting op de gevel van de dichtstbijzijnde woningen door het evenement zelf bedraagt maximaal 70 dB(A). o Voor de relevante octaafbanden voor aanwezige vogels en vleermuizen gelden aanvullende eisen qua geluid (zie Reimerink & Van Hooff 2017). o Deze evenementdagen zijn niet toegestaan van 15 maart tot 15 mei. o In de periode van 15 mei tot 1 juli zijn maximaal 2 evenementdagen toegestaan. o In de periode van 1 juli tot 15 juli zijn maximaal 2 evenementen toegestaan met een tussenliggende periode van minimaal 7 dagen, waarbij een evenement uit maximaal 3 aaneengesloten evenementdagen mag bestaan.
o Verlichting zoals podiumverlichting mag op de Lonnekerberg ten oosten van de Grefteberghoekweg en op het NNN-gebied geen verlichtingssterkte groter dan 0,5 lux veroorzaken Voor de panden in plangebied Midden waarin zomer- en kraamverblijfplaatsen van gewone dwergvleermuizen zijn aangetroffen, is een regeling in het bestemmingsplan Voormalige vliegbasis Twente-Midden opgenomen, zodat deze verblijfplaatsen behouden blijven. Met deze maatregel worden ook eventuele verblijfplaatsen van steenmarters veiliggesteld. Het gaat om de panden Bunkerstraat C103, Oostkamp H15, C95 en C101 en De Strip C99, C20, C22, C23 en C25.
19
2.4
In het poortgebouw bij Deventerpoort (gebouw C13) broeden al enige jaren huismussen. In het bestemmingsplan Midden is een regeling opgenomen, zodat de nestplaatsen en het opgaande groen rond dit gebouw niet door sloop/kap of renovatie worden vernield of beschadigd. In een huismuskast opgehangen aan het terminalgebouw (gebouw 333) broedt een huismussenpaar. In het bestemmingsplan Midden is een regeling opgenomen, zodat de nestkasten niet door sloop of renovatie worden vernield of beschadigd. Datzelfde geldt voor het bijbehorende groen, dat is gesitueerd rond het gebouw 335. Een strook aan de oostzijde van De Strip en grote delen van de randen van Oostkamp hebben een Groenbestemming om een natuurlijke overgang naar de omgeving te borgen en effecten op de omgeving te beperken. ten oosten van de Grefteberghoekweg en op het NNN-gebied geen verlichtingssterkte groter dan 0,5 lux veroorzaken. Het bestaande bedrijvencluster Deventerpoort wordt conserverend bestemd (maximaal milieucategorie 3.2 en bestaande bebouwing).
Reeds uitgevoerde maatregelen Op basis van de inventarisatie in 2010 (Lubbers 2011) en het daaruit voortvloeiende soortmanagementplan (Lubbers & Haamberg 2013a) zijn reeds meerdere maatregelen getroffen ten gunste van de natuur in en rondom het plangebied. De eerder genoemde inrichting van het (nieuwe) NNN is daar één van. Bij het treffen van deze maatregelen is ook gebruik gemaakt van de verleende generieke ontheffing op grond waarvan deze maatregelen getroffen konden worden. Aangezien aan deze maatregelen in het vervolg van de effectbeoordeling wordt gerefereerd, volgt hierna een opsomming van deze maatregelen: In de winter van 2013-2014 zijn in het nieuwe NNN 2 vleermuisbunkers gerealiseerd (Lubbers 2015b). In de winter van 2013-2014 zijn in het nieuwe NNN 85 vogelnestkasten en 36 vleermuiskasten opgehangen (Lubbers 2015b). In de winter van 2013-2014 zijn in het nieuwe NNN 5 poelen aangelegd en/of verbeterd (Lubbers 2015b). In februari 2017 is een buizerdnest na inspectie door de begeleidend ecoloog in plangebied Noord verwijderd. Het verwijderen was onderdeel van de generieke ontheffing die ADT in 2014 heeft gekregen (ontheffing FF/75C/2013/0434). In de winter van 2017-2018 wordt ook een tweede buizerdnest na inspectie door de begeleidend ecoloog verwijderd. Het verwijderen gebeurt ook op basis van de hiervoor genoemde generieke ontheffing.
In plangebied Noord is onder begeleiding van een ecoloog het trafogebouwtje TRB7 verwijderd. Dit was een winterverblijfplaats van een gewone grootoorvleermuis. Het verwijderen was onderdeel van de generieke ontheffing die ADT in 2014 heeft gekregen (ontheffing FF/75C/2013/0434). In gebouw 339 is een nestplaats van de huismus aangetroffen. Dit gebouw zal op termijn (buiten het broedseizoen) worden verwijderd. Het verwijderen vindt plaats op basis van de generieke ontheffing.
20
Langs de noordwestrand van plangebied Noord bevond zich een dassenburcht in een dijklichaam met zes pijpen. Uit monitoring van het gebruik van de burcht gedurende 1,5 jaar bleek dat deze gedurende die hele periode niet door dassen werd gebruikt (Lubbers 2017e). Geconcludeerd werd dat de burcht een functie heeft als onregelmatig gebruikte bijburcht of vluchtburcht, waarvan naar verwachting één of enkele dassen voor korte tijd gebruik van maken (Lubbers 2015a). Middels egaliseren van het dijklichaam is onder toezicht van een ecoloog en na uitgebreide monitoring van eventueel gebruik van de burcht in 2017 het gebruik van de burcht door dassen ontmoedigd. In de omgeving van de hoofdburcht bij de voormalige schietbaan is in 2015 een kunstburcht aangelegd (Lubbers 2015a). In 2016 zijn binnen het raster rondom de kunstburcht 4 jonge dassen uitgezet door Stichting Das&Boom (bron: ADT). In de omgeving van de hoofdburcht is een raster geplaatst met dassenpoortjes om ongewenste inloop van honden in deze omgeving te voorkomen (Lubbers 2015a). Onder de Oude Vliegveldweg/straat (die de toegangsweg vormt voor plangebied Noord) en die aansluit op de provinciale doorgaande weg N737, is een faunatunnel in combinatie met faunarasters aangebracht. In het open gebied van het NNN bevinden zich restanten van een start- en taxibaan. Deze zijn toegankelijk voor publiek.
In het broedseizoen (van de graspieper en de veldleeuwerik) zullen deze door de eigenaar, de provincie Overijssel, voor het publiek worden afgesloten. Bij de uitvoering van werkzaamheden in de bossen wordt de Gedragscode Bosbeheer van VBNE gehanteerd. Bij het natuurbeheer in het nieuwe NNN wordt de Gedragscode Natuurbeheer van VBNE gehanteerd. Hiermee worden negatieve effecten op beschermde soorten in bossen en natuurterreinen geminimaliseerd.
21
22
3 Toetsingskader 3.1
Wet- en regelgeving
3.1.1
Inleiding Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) van kracht. Deze wet regelt de bescherming van gebieden, van soorten en van houtopstanden, hout en houtproducten. De voorliggende natuurtoets gaat alleen in op soorten. De soortbescherming was voorheen opgenomen in de Flora- en faunawet. Uitgangspunten toetsing Wnb In dit rapport zijn de volgende uitgangspunten aangehouden. Op basis hiervan en met inachtneming van het gestelde in paragraaf 2.3 is bepaald of er mogelijk sprake is van een overtreding van de Wnb:
3.1.2
De 12 evenementdagen worden buiten beschouwing gelaten (zijn in een separaat rapport door Tauw onderzocht; Reimerink & Van Hooff 2017). Voor het plangebied Midden geldt dat realisatie van de bestemming mogelijk is zonder dat verblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuizen (behoeven te) worden beschadigd of vernield. In het open gebied van het NNN bevinden zich restanten van een start- en landingsbaan. Deze zijn toegankelijk voor publiek. In het broedseizoen (van de graspieper en de veldleeuwerik) zullen deze door de eigenaar, de provincie Overijssel, voor het publiek worden afgesloten Een deel van de Grefteberghoekweg wordt permanent of tenminste tijdens het migratieseizoen met amfibieschermen afgezet: 100 meter aan weerzijde van de poel met kamsalamander (200 meter in totaal). Tijdens het broedseizoen wordt voorafgaand aan buitenevenementen een broedvogelcheck uitgevoerd om nesten te lokaliseren en zodoende passende maatregelen te kunnen nemen. Een broedvogelcheck wordt maximaal 10 dagen voorafgaand aan de opbouw uitgevoerd. Hierdoor kan een broedvogelcheck voor meerdere evenementen geldig zijn. Per jaar kan aan de hand van de agenda worden bepaald hoe vaak een broedvogelcheck noodzakelijk is.
Uit onderzoek en monitoring tijdens evenementen is gebleken dat effecten eenvoudig te voorkomen zijn door het plaatsen van hekken of op andere wijze ontoegankelijk maken van gebieden met nesten van gevoelige soorten. Dit zijn bewezen effectieve maatregelen die uitvoering van buitenevenementen niet in de weg staan. De evenementen- en leisurelocatie wordt daar waar ecologisch relevant verplicht afgeschermd van de omliggende natuur om optische verstoring te voorkomen.
Wnb – onderdeel Soorten De Wnb zelf verplicht niet dat (voorgenomen) bestemmingsplannen aan het soortenbeschermingsrecht worden getoetst. De Wet ruimtelijke ordening brengt mee dat moet
23
worden getoetst of het soortenbeschermingsrecht uit de Wnb de uitvoerbaarheid van de bestemmingsplannen in de weg staat. Daartoe moeten de effecten van de in de bestemmingsplannen maximaal mogelijk gemaakte ontwikkelingen op de beschermde dier- en plantensoorten worden beschreven en beoordeeld. Voorts moet worden getoetst of deze ontwikkelingen kunnen leiden tot overtreding van een verbodsbepaling. Als blijkt dat een verbodsbepaling wordt overtreden, dan moet worden nagegaan of een vrijstelling geldt. Als geen vrijstelling geldt, dan moet worden nagegaan of het aannemelijk is dat een ontheffing van de verbodsbepaling kan worden verkregen. Bekeken moet worden of het aannemelijk is dat aan de criteria voor ontheffingsverlening kan worden voldaan. De Wnb kent een apart beschermingsregime voor: soorten van de Vogelrichtlijn (§ 3.1 van de Wnb), soorten van de Habitatrichtlijn (§ 3.2 van de Wnb)2, andere soorten, die vanuit nationaal oogpunt worden beschermd (§ 3.3 van de Wnb). Elk van deze beschermingsregimes kent zijn eigen verbodsbepalingen en vereisten voor vrijstelling of ontheffing van de verboden (tabellen 3.1 en 3.2). Tabel 3.1
Beschermingsregimes soorten Wnb
Vogels
Soorten Habitatrichtlijn
Andere soorten
Art. 3.1
Art. 3.5
Art. 3.10
Opzettelijk doden en vangen.
Opzettelijk doden en vangen.
Opzettelijk doden en vangen
Opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren beschadigen of vernielen of nesten weg te nemen.
Opzettelijk dieren verstoren.
Opzettelijk beschadigen of vernielen vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen
Eieren rapen en onder zich hebben.
Beschadigen of vernielen voortplantingsplaatsen of rustplaatsen.
Opzettelijk vogels te storen als van wezenlijke invloed op de Staat van Instandhouding.
2
Opzettelijk eieren rapen of vernielen.
Opzettelijk planten plukken, vernielen e.d.
Opzettelijk planten plukken, vernielen e.d.
NB geen verbod op opzettelijk verstoren!
Dit betreft soorten van de Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn met uitzondering van vogels. Vogels vallen onder Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn. Brochure: Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen. Ministerie van EZ, versie 1.3 december 2016.
24
Tabel 3.2
Ontheffingsvoorwaarden soorten Wnb.
Vogels
Soorten Habitatrichtlijn
Andere soorten
Art. 3.3
Art. 3.8
Art. 3.10
Ontheffing of vrijstelling mogelijk mits:
Ontheffing of vrijstelling mogelijk mits:
Ontheffing of vrijstelling mogelijk mits: Belang art. 16 Hrl + aanvullende belangen (incl. algemeen belang)
Belang art. 9 Vrl
Belang art. 16 Hrl
Geen andere bevredigende oplossing.
Geen andere bevredigende oplossing
Geen verslechtering van de staat van instandhouding.
Geen afbreuk gedaan aan streven populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan
Geen andere bevredigende oplossing Geen afbreuk gedaan aan streven populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan
Art. 3.11 Vrijstelling bij ministeriële regeling met meldingsplicht aan provincie.
Vogelsoorten met jaarrond beschermde nestplaats Voor vogels beschermd onder de Vogelrichtlijn geldt de bescherming als bedoeld in artikel 3.1 lid 2 Wnb van het nest in de periode dat de vogel broedt en het nest nodig heeft om jongen groot te brengen. Van enkele vogelsoorten is het nest jaarrond beschermd; dus ook buiten het broedseizoen. In 2009 heeft de Dienst Regelingen (nadien: de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO)) de “Aangepaste lijst jaarrond beschermde vogelnesten ontheffing Flora- en faunawet ruimtelijke ingreep” opgesteld met de vogelsoorten waarvan het nest jaarronde bescherming toekomt (zie bijlage 4). In de praktijk wordt deze lijst breed toegepast. Vooralsnog hanteren ook Gedeputeerde Staten van Overijssel de lijst als leidraad bij ontheffingsverlening en handhaving. In de lijst wordt onderscheid gemaakt in 5 categorieën: 1. vogelsoorten met nesten die buiten het broedseizoen in gebruik zijn als vast rust- of verblijfplaats; 2. vogels die in kolonies broeden die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing of biotoop; 3. vogelsoorten, geen koloniebroeders, die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar; 4.
vogelsoorten die jaar in jaar uit gebruik maken van hetzelfde nest en niet of nauwelijks in staat zijn een nest te bouwen; 5. vogelsoorten die weliswaar vaak terugkeren naar waar zij het jaar ervoor hebben gebroed of de directe omgeving daarvan, maar die wel over voldoende flexibiliteit beschikken om, als de broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen.
25
Nesten van vogelsoorten in categorie 1, 2, 3 en 4 beschouwen Gedeputeerde Staten van Overijssel in principe als jaarrond beschermd. In het vervolg worden deze soorten aangeduid als ‘JR-soorten’. Nesten van soorten in categorie 5 worden in eerste instantie niet als jaarrond beschermd beschouwd, maar kunnen dit in specifieke gevallen wel zijn, indien blijkt dat er zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden gelden. Voor deze soorten is een omgevingsscan noodzakelijk. Zij worden in het vervolg aangeduid als ‘Cat. 5-soorten’. Provinciale vrijstelling beschermingsregime ‘andere soorten’ Voor soorten vallend onder ‘Beschermingsregime andere soorten (§ 3.3)’ kan de Provincie een vrijstelling verlenen voor handelingen in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden (Wnb Art 3.10 lid 2a; bijvoorbeeld een bestemmingsplan). Provinciale Staten van Overijssel hebben op 7 december 2016 de genoemde vrijstelling verleend. Vrijstelling is verleend van artikel 3.10 lid 1 onder a Wnb en artikel 3.10 lid 1 onder b Wnb, en wel voor de volgende soorten: ondergrondse woelmuis gewone pad aardmuis ree haas bosmuis rosse woelmuis hermelijn bruine kikker tweekleurige bosspitsmuis huisspitsmuis bunzing veldmuis kleine watersalamander dwergmuis vos konijn dwergspitsmuis wezel meerkikker egel woelrat.
bastaardkikker gewone bosspitsmuis Zorgplicht Naast de bescherming van specifieke soorten kent de Wnb een algemene zorgplicht (artikel 1.11). Of dier- en plantensoorten nu wettelijk beschermd zijn of niet, iedereen moet voldoende rekening houden met in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. De zorg houdt in elk geval in dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten: a. dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel, b. indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of c. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt. Wettelijke belangen Ontheffing voor het overtreden van verbodsbepalingen kan worden verkregen als de activiteit die wordt getoetst een wettelijke belang dient. De belangen verschillen per beschermingsregime. Voor vogels beschermd onder de Vogelrichtlijn kan ontheffing of vrijstelling worden verleend op grond van de volgende belangen (art. 3.3, lid 4 onder b): 1. in het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid;
26
2. in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer; 3. ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren; 4. ter bescherming van flora of fauna; 5. voor onderzoek of onderwijs, het uitzetten of herinvoeren van soorten, of voor de daarmee samenhangende teelt, 6. om het vangen, het onder zich hebben of elke andere wijze van verstandig gebruik van bepaalde vogels in kleine hoeveelheden selectief en onder strikt gecontroleerde omstandigheden toe te staan; Voor soorten beschermd onder de Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern of het Verdrag van Bonn kan ontheffing of vrijstelling worden verleend op grond van de volgende belangen (art. 3.8, lid 5 onder b): 1. in het belang van de bescherming van de wilde flora of fauna, of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats; 2. ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom; 3. in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten; 4. voor onderzoek en onderwijs, re-populatie of herintroductie van deze soorten, of voor de daartoe benodigde kweek, met inbegrip van de kunstmatige vermeerdering van planten, of 5.
om het onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt, bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde dieren van de aangewezen soort te vangen of onder zich te hebben, onderscheidenlijk een beperkt bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde planten van de aangewezen soort te plukken of onder zich te hebben. Voor andere, 'nationaal' beschermde soorten kan, naast de belangen die gelden voor soorten van de Habitatrichtlijn zoals hierboven genoemd, ontheffing of vrijstelling worden verleend op grond van de volgende belangen (art. 3.10, lid 2): 1. in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied; 2. ter voorkoming van schade of overlast, met inbegrip van schade aan sportvelden, schietterreinen, industrieterreinen, kazernes, of begraafplaatsen; 3. ter beperking van de omvang van de populatie van dieren, in verband met door deze dieren ter plaatse en in het omringende gebied veelvuldig veroorzaakte schade of in verband met de maximale draagkracht van het gebied waarin de dieren zich bevinden; 4. ter voorkoming of bestrijding van onnodig lijden van zieke of gebrekkige dieren; 5. in het kader van bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw;
22
6. in het kader van bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer; 7. in het kader van bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied, 8. in het algemeen belang van de betreffende soort. Met de realisatie van de ruimtelijke ontwikkelingen die in de voorgenomen bestemmingsplannen zijn voorzien, is sprake van handelingen in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden zoals bedoeld in artikel 3.10 lid 2 onder a Wnb. Daarnaast zijn dwingende redenen van groot openbaar belang gemoeid zoals bedoeld in artikel 3.8 lid 5 onder b sub 3 Wnb. Dit is nader onderbouwd in de plantoelichting van de bestemmingsplannen, waarbij aangesloten is op de onderbouwing van de al verleende generieke ontheffing door RVO. Andere bevredigende oplossing Indien door een handeling verbodsbepalingen worden overtreden, moet door de initiatiefnemer aangetoond worden dat er geen andere bevredigende oplossingen (alternatieven) zijn voor de geplande handeling, waarmee minder of geen verbodsbepalingen worden overtreden (zoals bedoeld in de artikelen 3.3 lid 4 sub a, 3.8 lid 4 onder a en 3.10 lid 2 Wnb).
Bij alternatieven kan gedacht worden aan een andere uitvoeringstermijn, andere invulling van de handeling of alternatieve locaties. In de plantoelichting van de bestemmingsplannen is, mede op basis van de alternatieven die zijn afgewogen in de MER en de organische invulling, onderbouwd waarom voor de soorten waarvoor ontheffing aangevraagd moet worden redelijkerwijs er geen andere bevredigende oplossing is
3.2
Beoordelingskader De ontwikkelingen in de bestemmingsplangebieden hebben mogelijk gevolgen voor de in het gebied aanwezige natuurwaarden. De toetsing van de effecten vindt kwalitatief, aan de hand van expert judgement of, waar nodig en mogelijk, kwantitatief plaats. Onderscheid wordt gemaakt tussen effecten in de aanlegfase en in de gebruiksfase. Effecten kunnen beperkt blijven tot de bestemmingsplangebieden, bijvoorbeeld als gevolg van veranderend ruimtegebruik, of ook tot buiten de bestemmingsplangebieden reiken, bijvoorbeeld als gevolg van een toename van de geluidsbelasting.
3.2.1
Vogels met jaarrond beschermde nestplaats In de eerder genoemde lijst van de Dienst Regelingen zijn de braamsluiper, geelgors, graspieper en kneu niet aangemerkt als een ‘JR-soort’. Ook zijn ze niet aangemerkt als een ‘Cat. 5-soort’. In de begeleidende en toelichtende brief bij de generieke ontheffing (niet in de ontheffing zelf) inzake artikel 75 van de Flora- en faunawet voor de realisatie van het project ‘Gebiedsontwikkeling Luchthaven Twente’ (nummer FF/75C/2013/0434 zijnde een beschikking die aan de aanvrager Area Development Twente (ADT) is verleend en ook alleen
23
voor deze aanvrager geldt) is evenwel aangegeven dat de nesten van de braamsluiper, geelgors, graspieper, kneu en veldleeuwerik als een jaarrond beschermde nestplaats moesten worden beschouwd. Dit is indertijd zo door het Bevoegd Gezag aangegeven, omdat in het plangebied voor deze vijf soorten bijzondere ecologische omstandigheden golden. Het plangebied was op regionaal niveau van belang voor de aanwezige populaties. In vergelijking met omringende (natuur)terreinen waren in het plangebied hoge aantallen aanwezig. Voor braamsluiper, graspieper, kneu en veldleeuwerik was bovendien sprake van een landelijk negatieve trend. Negatieve effecten als gevolg van de geplande ontwikkelingen in het plangebied zouden een groot effect kunnen hebben op de lokale en regionale populaties van de vijf soorten. Omdat uitgebreide preventieve maatregelen werden genomen, i.c. de inrichting van het nieuwe NNN, werden geen negatieve effecten op de gunstige staat van instandhouding van de vijf soorten verwacht en is ontheffing voor de ontwikkelingen in het plangebied afgegeven. In ecologisch opzicht maken braamsluiper, geelgors, graspieper, kneu en veldleeuwerik geen jaarrond gebruik van hetzelfde nest, zowel niet als broed- en niet als rustplaats. Deze vogelsoorten broeden in de open lucht en rusten buiten het broedseizoen op andere plekken, verscholen in vegetatie.
Hun verlaten nesten vergaan in de regel jaarlijks door omgevingsfactoren (zoals weersinvloeden en terreinbeheer). De vijf genoemde soorten keren ook niet ieder jaar naar precies hetzelfde nest terug. Verder maken deze vogels ieder jaar een nieuw nest op een andere plek dan het jaar daar voor. Dit blijkt ook uit de (jaarlijkse) ecologische monitoring. Zie de verspreidingskaarten in Lubbers 2011, 2015b, 2016a en b, 2017d). Voor veldleeuwerik en graspieper geldt bovendien dat het gebruik van hetzelfde nest per definitie nooit mogelijk is. Voor het in stand houden van het optimale biotoop van deze twee soorten moet hun leefgebied jaarlijks – buiten de broedtijd – worden gemaaid. Daarbij worden de nesten – nadat is vastgesteld dat ze op dat moment niet in gebruik zijn – vernietigd. Omdat in ecologisch opzicht de vijf vogelsoorten geen jaarrond gebruik maken van hetzelfde nest en ook niet ieder jaar naar precies hetzelfde nest terugkeren en er geen juridische verplichting is om de status uit de beschikking c.q. de generieke ontheffing over te nemen, is er ook geen juridische of ecologische verplichting om nog altijd in deze rapportage van een jaarronde neststatus voor deze vijf vogelsoorten uit te gaan. Dat thans niet langer van een ‘soort met een jaarrond beschermde nestplaats’ wordt uitgegaan, wordt later nader in dit rapport toegelicht (zie hoofdstuk 6).
Voor de ‘JR-soorten’ geldt het volgende. Het feit dat een vogelsoort is aangemerkt als een categorie 1, 2, 3 of 4-vogelsoort op de eerder genoemde lijst van de Dienst Regelingen, wil niet zeggen dat aan een nest in kwestie van deze vogelsoort per definitie een jaarrond bescherming dient toe te komen. In specifieke gevallen kan op basis van een gedegen ecologische onderbouwing worden aangetoond dat een nest in kwestie geen jaarronde bescherming behoeft toe te komen. Bij die ecologische onderbouwing is – mede gelet op Vz. ABRS 21 februari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:288 – het volgende van belang. Uit een ecologische onderbouwing – aan de hand van het specifieke gedrag van de betreffende vogelsoort en de eisen die de soort stelt aan nestbouw, nestgebruik en
24
bijbehorend biotoop – moet blijken dat de vogel in het specifieke geval niet ieder jaar naar precies hetzelfde nest terugkeert c.q. ieder jaar zijn eigen nest (op een andere plek) bouwt. Meerjarig onderzoek naar het gebruik van een nest door een soort. Er is zekerheid nodig dat een nest niet meer in gebruik is dan wel dat gebruik wordt gemaakt van alternatieve nestgelegenheid voordat niet langer wordt uitgegaan van een jaarrond beschermd nest. Bij de uitvoerbaarheidstoets van bestemmingsplannen kan gelet op jurisprudentie worden volstaan met onderzoek gedurende twee jaren3.
Als vaststaat dat door de in de bestemmingsplannen voorziene ontwikkelingen een nestplaats van een ‘JR-soort’ zou kunnen worden beschadigd of vernield, dan wordt nader bezien of het betreffende nest al dan niet een jaarronde bescherming dient toe te komen. Voor ‘Cat. 5-soorten’ wordt in dit onderzoek nagegaan of er zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden gelden om de nesten jaarrond te beschermen. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn als in de bestemmingsplangebieden een belangrijk deel van de regionale populatie broedt en/of als geen of onvoldoende alternatieve geschikte nestplaatsen in de omgeving aanwezig zijn. 3.2.2
Voorwaardelijke opzet Met uitzondering van het rapen en onder zich hebben van eieren van soorten vallend onder het beschermingsregime ‘soorten van Vogelrichtlijn’ en het vernielen en beschadigen van voortplantingsplaatsen en rustplaatsen van soorten vallend onder beschermingsregime ‘soorten van de Habitatrichtlijn’ wordt een verbodsbepaling alleen overtreden als er sprake is van opzet. In de meeste gevallen is duidelijk wanneer opzet in het spel is, bijvoorbeeld bij stroperij. Echter, ook bij voorwaardelijke opzet, waarbij iemand een handeling verricht en daarbij bewust de aanmerkelijke kans aanvaardt dat zijn gedragingen schadelijke gevolgen hebben voor de betreffende soort, is er juridisch sprake van opzet. Dit zou bijvoorbeeld aan de orde kunnen zijn als een winterverblijfplaats van vleermuizen in de winter zou worden gesloopt en de kans aannemelijk is dat hierin ook vleermuizen verblijven. Met het verwijderen van die verblijfplaats kan dan ook sprake zijn van het doden van de vleermuizen.
3.2.3
Verstoren van dieren Volgens de vaste ABRS-jurisprudentie over artikel 10 Flora- en faunawet (Ffw) geldt dat niet iedere opzettelijke verontrusting moet worden aangemerkt als verontrusting in de zin van artikel 10 Ffw. Deze jurisprudentielijn houdt in dat niet ieder plan dat of activiteit die tot gevolg heeft dat een beschermde diersoort zich moet aanpassen aan de veranderde omgeving (zoals elders foerageren), moet worden aangemerkt als een opzettelijke verontrusting.
3
25
ABRS 5 augustus 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2505 (uitwerkingsplan Kenniskwartier Noord).
De Provincie Overijssel gaat ervan uit dat deze jurisprudentie onder de Wnb onverkort van toepassing is4. De relevante aspecten uit deze jurisprudentie zijn: beoordeling per soort; een goede ecologische onderbouwing, waarbij het hele project en de activiteiten worden betrokken; aannemelijk maken dat voldoende foerageer- of leefgebied in het plangebied of de omgeving daarvan overblijft en dat de essentiële vliegroutes functioneel blijven; bij voorkeur handelen buiten de kwetsbare periode van de soort. 3.2.4
Essentiële foerageergebieden en vliegroutes Bij de beoordeling of sprake is van effecten op voortplantings- of rustplaatsen moeten ook effecten op essentiële foerageergebieden en essentiële vliegroutes in ogenschouw worden genomen. Jurisprudentie (weliswaar gewezen onder de Flora- en faunawet maar ook relevant in het licht van de Wnb) maakt duidelijk dat het beschadigen of vernielen van essentiële foerageergebieden of van essentiële vliegroutes, ertoe leidt dat de soort om die reden zijn voortplantings- of rustplaatsen zal verlaten ook als de overtreding van dit verbodsartikel wordt beschouwd. Dat deze jurisprudentie ook gehandhaafd blijft onder vigeur van de Wnb blijkt inmiddels uit nieuwe jurisprudentie.5 De achterliggende redenering is dat bij een dergelijke beschadiging of vernieling de ecologische functionaliteit van de voortplantings- of rustplaatsen niet meer gegarandeerd is. Het gaat dan alleen om foerageergebieden en vliegroutes die een essentiële functie vervullen. Zijn binnen het leefgebied van de soort meerdere foerageergebieden en/of vliegroutes aanwezig, waardoor bij het wegvallen van één of enkele de ecologische functionaliteit van de voortplantings- of rustplaatsen behouden blijft, dan is geen sprake van een overtreding.