Analyserapport - Jeugdzorg waar staan we
Tekst van het document
De aanwezigheid op school zorgt voor kortere lijnen. Zorg kan snel op- en afgeschaald worden. De kleinschaligheid van een schoollocatie maakt dat er gemakkelijk contacten gelegd kunnen worden met het voorliggend veld. In veldgesprekken wordt de samenwerking met het onderwijs belangrijk gevonden en positief beoordeeld.
27
4. SITUATIESCHETS: JEUGDZORGGEBRUIK Hieronder beschrijven we hoe het gebruik van Jeugdzorg in Enschede er uit ziet in cijfers. Het biedt aanknopingspunten waar kansen liggen om het met elkaar beter te doen en waar dat misschien lastiger wordt. Aan bod komt hoeveel jeugdigen jaarlijks nieuw instromen, wat hen kenmerkt en via welke verwijzer ze instromen, welke zorg er wordt geboden, hoe intensief deze is en hoe lang deze duurt en hoe tevreden jeugdigen en ouders hierover zijn.
4.1 INSTROOM Om het aantal jeugdigen in jeugdzorg te verminderen is één van de mogelijkheden om de instroom in jeugdzorg te beperken. Van alle jeugdzorgtrajecten in 2022 is ruim eenderde (36 procent) een nieuw begonnen traject. Dit betekent dat de jeugdige in de voorgaande vijf jaar geen jeugdzorg kreeg. Ongeveer een op de negen trajecten was een begonnen traject waarbij een jeugdige een herhaald beroep op jeugdzorg deed (figuur 4.1a). Al met al vormen nieuwe trajecten een aanzienlijk deel van het totaal en loont het de moeite hier inzet op te plegen.
Figuur 4.1a Totaal aantal jeugdzorgtrajecten in natura in Enschede in 2022* (CBS) 25
* exclusief pgb, voorlopige cijfers 2022
Van de begonnen trajecten (nieuw en herhaald beroep samen) is verreweg het grootste deel (89 procent) een traject jeugdzorg zonder verblijf. Van de in 2022 begonnen ambulante trajecten startte maar een klein deel vanuit crisis. Het aantal in 2022 gestartte verblijfstrajecten begon in Enschede in een op de drie gevallen met een crisis. Dit was vaker dan gemiddeld in de G40, waar een op de vijf gevallen met een crisis startte. De G40 is een groep van 41 stedelijke gemeenten in Nederland26.
Figuur 4.1b Totaal aantal begonnen trajecten jeugdzorg
Figuur 4.1c Totaal aantal begonnen trajecten
2022, naar type (CBS)27
jeugdzorg 2022, naar wel of geen crisis (CBS)
25 26
CBS Open data (geraadpleegd September 2023). Jeugdhulptrajecten in natura; verwijzer, regio, gemeente De 41 steden die tot de G40 behoren zijn terug te vinden op de website van G40 stedennetwerk. https://www.g40stedennetwerk.nl/
28
Het dashboard in- en uitstroomanalyse van Kennispunt Twente laat zien dat in Enschede tussen 2018 en 2021 de instroom in jeugdzorg zonder verblijf relatief lager was dan gemiddeld in 41 grote steden (G40). In 2021 stroomde in Enschede 2,4% van alle jeugdigen in in jeugdzorg zonder verblijf versus 2,7% gemiddeld in de G40 (figuur 4.1d). De nieuwe instroom in jeugdzorg met verblijf en in jeugdbescherming en reclassering (niet in figuur) ligt in Enschede iets hoger dan gemiddeld in de G40. In deze cijfers is voor instroom als definitie uitgegaan van jeugdigen die in het betreffende jaar jeugdzorg kregen en het hele voorgaande jaar niet.
Tussen 2019 en 2021 is het aandeel jeugdigen dat nieuwe instroomt (voorgaande kalenderjaar geen jeugdzorg) in jeugdzorg zonder verblijf stabiel. In absolute zin is het aantal nieuwe instromers afgenomen, maar het totaal aantal jeugdigen in Enschede daalde ook met ruim 2 procent tussen 2019 en 2021.
De nieuwe instroom in jeugdzorg met verblijf in Enschede is schommelend stabiel. Het schommelende beeld kan ook met kleine aantallen te maken hebben. In G40 is een daling in de instroom van jeugdzorg met verblijf en deze blijft ook in 2021 doorzetten. In G40 daalt het aandeel jeugdigen in jeugdzorg met verblijf. Vanuit de veldgesprekken zijn verschillende verklaringen genoemd waarom we in Enschede relatief veel instroom hebben in verblijf. Zo is genoemd dat de achtergrond van onze inwoners bijdraagt aan een grotere hulpvraag (zie volgende paragraaf), daarnaast is er in de regio voldoende aanbod van verblijfszorg en ontbreken soms nog ambulante alternatieven; niet altijd wordt tijdig genoeg specialistische hulp ingezet; bij multi-problematiek in een gezin is er niet altijd voldoende samenhang in geboden hulp en soms ontbreekt het aan praktische hulp voor een gezin bij het dagelijkse leven. Deze laatste drie verklaringen kunnen er voor zorgen dat verblijfshulp nodig is die mogelijk voorkómen had kunnen worden.
Al met al komt het toenemend aantal jeugdigen in jeugdzorg, dus niet door een toenemende instroom. Dit is een landelijke trend die ook naar voren kwam in onderzoek van AEF in opdracht van het Rijk en VNG 28.
Figuur 4.1d Trend percentage nieuwe instromers in jeugdzorg tussen 2018-2021 (Kennispunt Twente, bewerkt)29
Met verblijf (schaal 0% - 0,4%)
Zonder verblijf (schaal 0% - 4%)
28
AEF (2020). Stelsel in groei. Een onderzoek naar financiële tekorten in de jeugdzorg Kennispunt Twente (2022). Verdiepende analyse in- en uitstroom in jeugdzorg in Enschede. Gebaseerd op CBS microdata. Definitie nieuwe instroom: in betreffende jaar in (type) jeugdhulp en hele kalenderjaar daarvoor niet. 29
29
4.2 JEUGDZORGGEBRUIKERS Wat kenmerkt de jeugdigen die instromen in jeugdzorg en waarin wijken ze af van de gemiddelde Enschedese jeugdige? Instroom is hier gedefinieerd als een jeugdige die in een bepaald jaar jeugdzorg krijgt en het hele voorgaande kalenderjaar deze jeugdzorg (met- of zonder verblijf) niet kreeg. GEZINSINKOMEN Inkomen is ingedeeld in drie groepen: laag, midden en hoog. Laag is gedefinieerd als een inkomen dat valt binnen de 40 procent laagste besteedbare huishoudensinkomens in Nederland, hoog betreft een inkomen dat valt binnen de 30 procent hoogste besteedbare huishoudensinkomens in Nederland en midden betreft de inkomens tussen de hoogste en laagste groep in. Instromers in jeugdzorg zonder verblijf zijn wat betreft gezinsinkomen een redelijke doorsnee van de Enschedese populatie (figuur 4.2b). Jeugdigen vanuit alle inkomensgroepen die instromen in jeugdzorg zonder verblijf worden het vaakst doorverwezen door de medisch verwijzer. Hoge en middeninkomens stromen in vergelijking met lage inkomens nog iets vaker via een verwijzing van de huisarts in jeugdzorg zonder verblijf3.
Van de instromers in jeugdzorg met verblijf heeft driekwart van de ouders een laag inkomen. Jeugd uit lage inkomensgezinnen hebben aanzienlijk meer kans om in jeugdzorg met verblijf te komen dan jeugdigen uit gezinnen met een midden of hoog inkomen. In Enschede zijn er relatief meer ouders met een laag inkomen dan gemiddeld in G40. Het relatief hogere aandeel gezinnen met lage inkomens in Enschede hangt samen met het hogere aandeel jeugdzorg met verblijf. Uit de in- en uitstroomanalyse van Kennispunt Twente komt namelijk naar voren dat jeugdigen uit lage inkomensgezinnen in Enschede even vaak in jeugdzorg met verblijf stromen, dan jeugdigen uit lage inkomensgezinnen in G40.
Figuur 4.2b Nieuwe instromers in 2020 in jeugdzorg, uitgesplitst naar inkomens ouders
Landelijk onderzoek van AEF toont een beweging aan richting meer jeugdzorg zonder verblijf voor jeugdigen uit huishoudens met hogere inkomens30. Kennispunt Twente herhaalde onderdelen uit dit onderzoek voor gemeente Enschede. Tussen 2017 en 2020 neemt het aantal kinderen met jeugdzorg vanuit gezinnen met een middel en hoog inkomen toe. En van die jeugdigen uit de hoge inkomensgroep, is het inkomen ook steeds hoger. Het gaat hierbij met name om jeugdzorg zonder verblijf met een medische verwijzer31.
30
AEF (2020). Stelsel in groei. Een onderzoek naar financiële tekorten in de jeugdzorg. Kennispunt Twente (2023). Duidingssessie. Presentatie bij de bijeenkomst over de in- en uitstroomanalyse jeugdzorg Enschede op 17 mei 2023. 31
30
EENOUDERGEZIN
Eenoudergezinnen versus kinderen van
De inkomenssituatie is nauwelijks van invloed op de instroom in
gescheiden ouders
jeugdzorg zonder verblijf. Waar wel een verschil is, is bij de
In de data van CBS kun je niet eenvoudig
gezinssituatie. Kinderen die uit eenoudergezinnen komen, hebben
kinderen van gescheiden ouders traceren als
ongeveer 1,5 keer zoveel kans dat om gebruik te maken van jeugdzorg
je ook rekening wilt houden met ongehuwde
zonder verblijf dan kinderen uit gezinnen met meer dan één ouder.
ouders die uit elkaar gaan. Eenoudergezinnen
Landelijk onderzoek toont een sterke samenhang tussen scheidingen
zijn een benadering hiervan. Het betreft alle
tussen ouders en jeugdzorggebruik bij de kinderen32.
kinderen die opgroeien in een gezin met één ouder. Hier hoeft niet altijd een scheiding aan
Jeugdigen die uit eenoudergezinnen komen, hebben ongeveer 3 keer
vooraf te zijn gegaan. Er kan ook bewust
zoveel kans om gebruik te gaan maken van jeugdzorg met verblijf dan
gekozen zijn voor eenouderschap of een van
jeugdigen uit gezinnen met meer dan één ouder.
de ouders is overleden. Kinderen van wie de
Van de jeugdigen die instromen in jeugdzorg zonder verblijf, komt
ouders gescheiden zijn en die met een van
ongeveer drie op de tien uit een eenoudergezin. Van de jeugdigen die
hun ouders en een stiefouder wonen, vallen
instromen in instroom met verblijf is dit meer dan de helft (figuur 4.2c). In
niet onder een eenoudergezin.
Enschede zijn ongeveer net zoveel eenouder gezinnen als gemiddeld in G40.
Figuur 4.2c Nieuwe instromers in 2021 in jeugdzorg, uitgesplitst naar gezinssituatie (Kennispunt Twente, 2022)33
Naar verwachting is er ook sterke samenhang tussen eenouderschap en gezinsinkomen. Deze factoren zijn in de analyse niet in combinatie bekeken.
4.3 VERWIJZERS Binnen de Jeugdwet zijn er verschillende partijen die jeugdigen en hun ouders mogen verwijzen naar jeugdzorg. Dit zijn de gemeente (in Enschede de wijkteams), huisartsen, jeugdartsen, medisch specialisten, gecertificeerde instellingen die dit doen in het kader van de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering en in sommige gevallen een rechter, officier van Justitie of functionaris justitiële jeugdinrichting. Bij het toewijzen van jeugdigen naar bepaalde jeugdzorg is de gemeente dus maar één van de partijen die dit uitvoert. Afhankelijk van de gemeentelijke verordening is het ook mogelijk dat jeugdzorg gestart wordt zonder een verleningbeslissing of een verwijzing; dit dan vrij toegankelijke jeugdzorg. Deze hulp komt niet terug in de cijfers die we hieronder tonen, omdat hierbij wordt uitgegaan van geïndiceerde hulp.
32
Significant Public (2022). Relatie tussen Scheidingen, GGZ-gebruik en jeugdzorggebruik. Kennispunt Twente (2022). Verdiepende analyse in- en uitstroom in jeugdzorg in Enschede. Gebaseerd op CBS microdata. Definitie nieuwe instroom: in betreffende jaar in (type) jeugdhulp en hele kalenderjaar daarvoor niet. 33
31
JEUGDZORG ZONDER VERBLIJF Van jeugdigen die in 2022 een traject begonnen zonder verblijf (alle begonnen trajecten, niet alleen nieuwe instroom sinds langere tijd) is ongeveer driekwart via de huisarts of de gemeente verwezen. Beide verwijzers namen van de begonnen trajecten zonder verblijf een bijna evengroot deel voor hun rekening.
Tussen 2021 en 2022 neemt de rol van de verwijzer huisarts toe bij begonnen trajecten jeugdzorg zonder verblijf. De GI is minder vaak de verwijzer.
Figuur 4.3a Verwijzers bij begonnen trajecten in jeugdzorg zonder verblijf tussen 2021-2022 in jeugdzorg (bron:CBS)34
De meest recente cijfers vanuit het Programmabureau Sociaal van de gemeente Enschede bevestigen dit beeld voor 2023. Te zien is dat de toename in jeugdzorgtrajecten (verschil tussen in- en uitstroom) in de eerste helft van 2023 vooral via de verwijzer huisarts ontstaat (figuur 4.3b) .
Figuur 4.3b Saldo van nieuwe en beëindigde trajecten (zowel met als zonder verblijf) uitgevoerd t/m juli 2023 per verwijzer (bron: programmabureau sociaal, gemeente Enschede)
In Enschede zijn de gemeente, de GI, jeugdartsen en medisch specialisten relatief vaker en de huisarts minder vaak verwijzers voor jeugdzorg zonder verblijf dan gemiddeld in 41 steden in Nederland, oftewel G40 (figuur 4.3c). De huisarts neemt in Enschede niet alleen ten opzichte van de andere verwijzers een beperktere rol in dan elders in G40. Ook in absolute zin (aantal verwijzingen per 100 jeugdigen) is het aandeel verwijzingen naar jeugdzorg zonder verblijf vanuit huisartsen in Enschede in 2021 lager dan gemiddeld in de G40 (1,2% versus 1,6%) 35.
34 35
CBS Open data (geraadpleegd September 2023). Jeugdhulptrajecten in natura; verwijzer, regio, gemeente Kennispunt Twente (2022). Verdiepende analyse in- en uitstroom in jeugdzorg in Enschede. Gebaseerd op CBS microdata.
32
Figuur 4.3c Verwijzers bij begonnen trajecten in jeugdzorg zonder verblijf in 2022, vergelijking G40 (CBS)36
Waarom verwijzen in onze gemeente in vergelijking met elders huisartsen minder vaak naar jeugdzorg? Een mogelijke verklaring is dat er in onze gemeente relatief veel praktijkondersteuners jeugd (poh-j) aan de slag zijn. In Enschede heeft zo’n 90 procent van de huisartsen een poh-j in zijn of haar praktijk. Voor zover bekend zijn er procentueel gezien nergens zo veel praktijken met een praktijkondersteuner jeugd als in onze gemeente. Een poh-j ondersteunt huisartsen in de zorg voor jeugdigen die (vermoedelijk) psychische problemen hebben. Na een probleemverkenning bepalen praktijkondersteuners welke zorg jeugdigen nodig hebben, of deze in de huisartsenpraktijk geboden kan worden of dat een verwijzing nodig is. Eventueel bieden zij kortdurende behandeling, overbruggingszorg of consultatie. Praktijkondersteuners stemmen zo nodig af met de school, het wijkteam en andere betrokken zorgverleners. Een recente evaluatie in Enschede leert dat de poh-j’s ruim 65 procent van de jeugdigen en ouders die bij hen kwamen afdoende ondersteuning konden bieden. De inzet van de poh-j bij de huisarts kan dus geïndiceerde hulp voorkomen. Een mogelijke verklaring waarom in Enschede de gemeente zelf vaker verwijzer is van jeugdzorg, is dat in Enschede al jaren wordt gewerkt met wijkteams dichtbij de mensen.
De wijkteams werken volgens de presentiebenadering, waarbij teams streven om aanwezig te zijn op de plekken waar de vraag zich voordoet op het moment dat de vraag zich voordoet37. Zijn er verschillen tussen de huisarts en de wijkteams in het type hulp waar naartoe zij verwijzen? Om deze vraag te beantwoorden hebben we gebruik gemaakt van de Twentse Monitor Sociaal Domein. Deze monitor toont per verwijzer van indicaties naar welke tien zorgaanbieders zij het vaakst verwijzen. De tien aanbieders waar huisartsen in Enschede het meest naar verwijzen voor jeugdzorg zonder verblijf, ontvangen samen 75 procent van alle huisartsverwijzingen. Onder deze tien aanbieders zijn zes GGZ-aanbieders (samen 58 procent van de huisartsindicaties). De tien aanbieders waar wijkteams het meest naar verwijzen voor ambulante hulp ontvangen samen 54 procent van alle wijkteamindicaties. Hieronder is geen enkele GGZ-aanbieder, maar zijn vier aanbieders van zorg voor inwoners met een verstandelijke beperking, vier aanbieders van brede jeugdzorg en twee aanbieders van dagbesteding38.
CBS Open data (geraadpleegd September 2023). Jeugdhulptrajecten in natura; verwijzer, regio, gemeente. Categorie “Geen verwijzer” buiten beschouwing gelaten in de vergelijking, omdat dit in Enschede niet geregistreerd wordt. Alleen gekeken naar geïndiceerde hulp. 37 Stichting Maatschappelijke Dienstverlening (2023). Activiteitenverslag 2022. 38 Twentse Monitor Sociaal Domein (versie 31 augustus 2023). Aanbieders/ verwijzers. 36
33
Kortom de huisarts lijkt relatief vaker dan wijkteams de jeugd met psychische problematiek in de spreekkamer te zien, terwijl via wijkteams vaker jeugd met andere problematiek instroomt. JEUGDZORG MET VERBLIJF
Nieuw woonplaatsbeginsel Per 1 januari 2022 is de Wet wijziging
Naar jeugdzorg met verblijf wordt alleen verwezen via de wijkteams of de gecertificeerde instelling (GI). In 2021 waren de wijkteams het meest de verwijzer, in 2022 was dit de GI (figuur 4.3d). Dit heeft te maken met het nieuwe woonplaatsbeginsel dat in januari 2022 is ingegaan (zie kader). Enschede heeft er hierdoor netto zorg voor jeugdigen met een voogdijregeling bij gekregen. Dit loopt via de GI’s als verwijzer. De trend van in 2022 meer verwijzingen via de GI dan in 2021 is ook in de G40 terug te zien. Veel grote stedelijke gemeenten hebben netto meer jongeren onder hun hoede gekregen door de wijziging van het woonplaatsbeginsel.
woonplaatsbeginsel Jeugdwet van kracht. Het woonplaatsbeginsel in de Jeugdwet regelt welke gemeente (financieel) verantwoordelijk wordt voor de jeugdhulp. Het oude woonplaatsbeginsel is gebaseerd op de woonplaats van de gezagsdrager van een jeugdige. Het nieuwe woonplaatsbeginsel gaat uit van de woonplaats waar de jeugdige staat ingeschreven op het moment van de zorgvraag.
Bij zowel wijkteams als GI beginnen de trajecten ongeveer even vaak met crisis (GI 29%,wijkteams 32%).
Figuur 4.3d Verwijzers bij begonnen trajecten in jeugdzorg met verblijf tussen 2021-2022 (CBS)39
De GI verwijst in Enschede relatief vaker naar verblijf dan gemiddeld in G40 (figuur 4.3e). Van alle begonnen trajecten telt Enschede relatief veel jeugdbeschermingsmaatregelen ten opzichte van gemiddeld in Nederland.
Figuur 4.3e Verwijzers bij begonnen trajecten in jeugdzorg met verblijf in 2022, vergelijking G40 (CBS)
VERWIJZERS NAAR JEUGDZORGKOSTEN Hierboven beschreven we per verwijzer voor welk deel van de verwezen trajecten zij verantwoordelijk waren, uitgesplitst naar jeugdzorg met en zonder verblijf. Figuur 4.3f toont de verwijzingen als totaal. De gemeente verwijst ruim een derde van de jeugdigen die met een jeugdzorgtraject start, de huisarts verwijst ook ruim een derde en de GI verwijst ongeveer een op de zeven kinderen en is daarmee de derde grootste verwijzer.
39
CBS Open data (geraadpleegd September 2023). Jeugdhulptrajecten in natura; verwijzer, regio, gemeente
34
Figuur 4.3f Verwijzers bij begonnen trajecten in jeugdzorg totaal in 2022, vergelijking G40 (CBS)40
Maar wat als we gaan kijken naar de kosten? Dus welke financiële verplichtingen brengen de verwijzingen via de verschillende verwijzers met zich mee? In dat geval speelt de huisarts een veel kleinere rol. Samen met de medisch specialist is de huisarts verantwoordelijk voor 20 procent van de actieve verplichtingen dit jaar (t/m juli 2023). De rol van de GI is veel groter als je naar het kostenaspect kijkt. Dit is ook goed te verklaren doordat de GI vooral verwijzer is van jeugdzorg met verblijf (zie figuur 4.3d). Jeugdzorg met verblijf is duurdere hulp dan jeugdzorg zonder verblijf.
Figuur 4.3g Verdeling van financiële verplichtingen per verwijzer t/m juli-23 (Programmabureau Sociaal) NB: het gaat hier ook om verplichtingen die al ontstaan zijn vanuit eerdere jaren.
Als we de eerste 7 maanden van de afgelopen drie jaar vergelijken, dan zien we dat de ontstane kosten vanuit verwijzingen van wijkteams, GI en justitie zijn toegenomen. Stijgingen tussen 2021 en 2022 bij wijkteams en GI zijn voor belangrijk deel ook toe te wijzen aan extra zorg waar de gemeente verantwoordelijk voor is, door het nieuwe woonplaatsbeginsel. Bij huisartsen is de trend stabiel.
40
CBS Open data (geraadpleegd September 2023). Jeugdhulptrajecten in natura; verwijzer, regio, gemeente
35
Figuur 4.3h Financiële verplichtingen per verwijzer eerste 7 maanden van het jaar (Programmabureau Sociaal) NB: het gaat hier ook om verplichtingen die al ontstaan zijn vanuit eerdere jaren.
SCHOOL ALS VINDPLAATS In Enschede is er al jaren een goede samenwerking tussen onderwijs en jeugdzorg, denk aan de inzet van schoolwijkcoaches, de samenwerking op OJA-scholen. Vanuit de wet op passend onderwijs hebben scholen en samenwerkingsverbanden een opdracht om kinderen naar het regulier onderwijs te laten gaan als dat kan en onderwijsondersteuning op maat te bieden. Speciaal onderwijs is er als er intensieve begeleiding nodig is. De opdracht voor het onderwijs komt daarmee overeen met die van de Jeugdwet waarin we in onze visie ook streven naar zo licht als mogelijk, zo zwaar als nodig. Onderwijs en gemeente hebben hierin een vergelijkbare opdracht.
Jeugdigen in het speciaal onderwijs en praktijkonderwijs hebben relatief vaker Jeugdzorg nodig dan jeugdigen in het regulier onderwijs41. In Enschede neemt vanaf schooljaar 2020-2021 het aandeel leerlingen dat naar het speciaal basisonderwijs of speciaal (voortgezet) onderwijs gaat toe. Het gaat hierbij om kinderen die in Enschede wonen. Deze trend is in Enschede sterker dan gemiddeld in de G40. Het is niet alleen een toename in relatieve zin, maar ook in absolute zin. In schooljaar 2022-2023 zitten 1.263 Enschedese jeugdigen op het speciaal basisonderwijs of het (voortgezet) speciaal onderwijs. Dit zijn er 141 meer dan in schooljaar 2019-2020. De toename is er zowel op sbo als op (v)so, maar de toename op het (v)so is groter.
Het speciaal onderwijs in Twente herkent deze toegenomen instroom in het speciaal onderwijs en geeft hiervoor als oorzaken: maatschappelijke trends zoals verharding, meer (vecht)scheidingen en jeugdcriminaliteit. Maar ook het ontbreken van algemene randvoorwaarden in het onderwijs zelf, zoals grote klassen, het lerarentekort, het curriculum van de lerarenopleidingen en de toename van uitdagingen in de jeugdzorgverlening worden in het veldgesprek met het speciaal onderwijs genoemd als mogelijke aanleidingen voor meer instroom in het speciaal onderwijs. Door de grotere groei in speciaal onderwijs nemen de ondersteuningsmiddelen af voor passend onderwijs op gewone basisscholen en zo ontstaat een vicieuze cirkel. Het speciaal onderwijs heeft besloten tot het strikter hanteren van haar plaatsingsbeleid42.
41
NJI (geraadpleegd oktober 2023). Monitor Aansluiting Onderwijs Jeugdhulp.
42
Attendiz (28 juni 2023). Aanscherping plaatsingsbeleid Attendiz (brief aan bestuurders van scholen, gemeenten en jeugdhulpinstellingen in Twente).
36
Figuur 4.3i Aandeel leerlingen in sbo en (v)so tov alle leerlingen in regulier basisonderwijs, sbo of (v)so (CBS) 43
4.4 SOORTEN ZORG Hieronder kijken we naar alle jeugdigen die in een bepaald jaar jeugdhulp hebben gehad, dus niet zoals eerder alleen naar nieuwe instromers. In 2022 krijgen in Enschede 4.505 unieke jeugdigen jeugdzorg. Tussen 2019 en 2022 neemt het aantal jeugdigen gestaag toe (figuur 4.4a). Dit terwijl het aantal jeugdigen tussen 0 en 17 jaar juist afneemt (figuur 4.4b). Dit betekent dat het aandeel jeugdigen dat jeugdzorg gebruikt nog extra toeneemt.
Figuur 4.4a Totaal aantal unieke jeugdigen in
Figuur 4.4b Ontwikkeling aantal jeugdzorggebruikers
zorg per jaar tussen 2019 en 2022
en inwoners tussen 2019 (index=100) en 2022 (Programmabureau Enschede,2023)
43
Bewerking van CBS maatwerktabellen van leerlingen naar gemeenten. Tabellen opgesteld in opdracht van VNG voor verschillende schooljaren, muv schooljaar 2018-2019. Geraadpleegd via: https://www.cbs.nl/nl-nl/maatwerk/2023/13/leerlingennaar-gemeenten-schooljaar-2022-23
37
Figuur 4.4c Jeugdzorggebruik naar type jeugdzorg in 2022 *Kennispunt Twente, TMSD, indicaties)44
Het aantal unieke gebruikers van jeugdzorg zonder verblijf stijgt vanaf 2019 licht (figuur 4.4d). Eerder bij de instroom in jeugdzorg zonder verblijf zagen we een licht dalende trend (zie 4.1). Dat het aantal cliënten in jeugdzorg zonder verblijf toeneemt, komt dan ook door stagnerende uitstroom (zie 4.6). Het aantal unieke gebruikers van jeugdzorg met verblijf daalt tussen 2019 en 2021 en neemt vanaf 2022 weer toe. De verklaring hiervoor is het nieuwe woonplaatsbeginsel dat vanaf 1 januari 2022 is ingegaan (zie kader blz. 34). Ook het aantal unieke jeugdigen met een maatregel jeugdbescherming of jeugdreclassering daalt tussen 2019 en 2021. Ook hier is vanaf 2022 weer een toename te zien, waarbij ook het woonplaatsbeginsel een verklaring is.
Figuur 4.4d Trend in jeugdzorggebruikers 2018-2022 (Kennispunt Twente, TMSD)
Jeugdhulp zonder verblijf
Jeugdhulp met verblijf
Jeugdbescherming en -reclassering
44
Kennispunt Twente (versie 31 augustus 2023). Twentse Monitor Sociaal Domein. Trends en ontwikkelingen. Ontwikkeling cliëntaantallen.
38
JEUGDZORG ZONDER VERBLIJF Als we inzoomen op soorten jeugdzorg zonder verblijf, dan is behandeling (OB4) de meest voorkomende vorm van jeugdzorg. Alle GGZ hulp valt onder behandeling. Jeugdigen kunnen meerdere vormen van jeugdzorg tegelijk krijgen. In figuur 4.4e worden ze dan voor beide vormen van jeugdzorg meegenomen.
Figuur 4.4e Aantal gebruikers van jeugdzorg zonder verblijf, uitgesplitst naar type 2022 (Kennispunt Twente, TMSD)45
Door de tijd heen daalt het aantal gebruikers van behandeling (OB4) licht en is er een toename van gebruikers van therapie (OB3).
Figuur 4.4f Trend van aantal gebruikers van jeugdzorg zonder verblijf 2019-2022 (Kennispunt Twente, TMSD)
Enschede is in vergelijking met 41 andere grotere gemeenten (G40) een middenmoter wat betreft het aandeel jeugdigen in jeugdzorg zonder verblijf. Een mogelijke verklaring is dat de beweging van verblijfszorg naar thuis met
45
Twentse Monitor Sociaal Domein (versie 31 augustus 2023). Trends en ontwikkelingen – Ontwikkeling cliëntaantallen
39
hulp hier nog minder gemaakt is. Almelo en Hengelo zijn wat betreft het aandeel kinderen in jeugdzorg zonder verblijf ook middenmoters (figuur 4.4g).
Figuur 4.4g Percentage jeugd (0-18 jaar) in 2022 in jeugdzorg zonder verblijf, de G40 gemeenten vergeleken (Waarstaatjegemeente, 2022) 46
JEUGDZORG MET VERBLIJF Binnen jeugdzorg met verblijf is pleegzorg de grootste categorie met 381 jeugdigen in 2022 (figuur 5.4h).
Figuur 4.4h Aantal gebruikers van jeugdzorg met verblijf, uitgesplitst naar type 2022 (Kennispunt Twente, TMSD)47
Zoals figuur 4.4d eerder al liet zien is er tussen 2021 en 2022 een trendbreuk in het aantal gebruikers van jeugdzorg met verblijf. Deze trendbreuk komt door het veranderde woonplaatsbeginsel (zie kader blz. 34). Als we inzoomen op de verschillende verblijfssoorten, dan is deze trendbreuk vooral te zien bij pleegzorg en gezinshuizen. Ook in het verblijf in groepen (dakjes) is een toename te zien tussen 2021 en 2022, maar deze lijkt al eerder dan 2021 ingezet. De wat specifiekere en zwaardere woonvormen: LTA, JeugdzorgPlus en WVHS (Weinig Voorkomend, Hoog Specialistisch) zijn vrij stabiel. Het aantal gebruikers van kortdurend verblijf is dalend.
46 47
Waarstaatjegemeente.nl (2023). Jongeren met jeugdhulp gemeenten. Twentse Monitor Sociaal Domein (versie 31 augustus 2023). Trends en ontwikkelingen – Ontwikkeling cliëntaantallen
40
Diepteanalyses op Enschedese data door het Programmabureau Sociaal hebben uitgewezen dat naast de effecten van het woonplaatsbeginsel er ook nog een zelfstandige groei is van het aantal jeugdigen met verblijfshulp tussen 2021 en 2022.
Figuur 4.4i Trend van aantal gebruikers van jeugdzorg met verblijf 2019-2022 (Kennispunt Twente, TMSD)
In Enschede maken in vergelijking met 41 andere grotere gemeenten (G40) jeugdigen relatief vaker gebruik van jeugdzorg met verblijf. Enschede staat hierbij op plek 4. Almelo kent nog een groter aandeel jeugdigen in verblijf. Hengelo volgt net na Enschede. Het lijkt hiermee een regionaal aandachtspunt. Op plek 1 staat overigens Heerlen (figuur 4.4j).
Figuur 4.4j Percentage jeugd (0-18 jaar) in 2022 in jeugdzorg met verblijf, de G40 gemeenten vergeleken (WaarStaatJeGemeente, 2022) 48
48
Waarstaatjegemeente.nl (2023). Jongeren met jeugdhulp gemeenten.
41
CRISISZORG Crisissituaties wil je liever voorkómen. In Enschede waren er in de eerste helft van 2023 87 crisismeldingen bij het Coördinatiepunt Spoedhulp Jeugd Twente (figuur 4.4k). Enschede heeft relatief (naar inwonertal) meer crisismeldingen dan Almelo, maar minder dan Hengelo. Alleen in 2021, tijdens de coronacrisis, waren er ook relatief meer crisismeldingen dan in Almelo.
Figuur 4.4k Jeugdigen waarvoor crisismelding is gedaan bij het Coördinatiepunt Spoedhulp Jeugd Twente in het eerste half jaar van 2020 tot 2023 (OZJT)49 In absoluut aantal crisismeldingen
Als percentage van alle 0 t/m 17 jarigen op 1-1-2021
COMPLEXE ZORG (RET) De Regionale Expertteams (RETs) van IJsselland en Twente zijn onderdeel van het Expertisenetwerk Jeugd Overijssel. Het Regionale Expert team kan worden ingeschakeld als casuïstiek niet oplosbaar is vanuit de gemeentelijke toegang of externe verwijzers. In dat geval kan een casus ingediend worden bij het RET. Het uitgangspunt van het RET is dat casuïstiek die hier wordt ingediend, hoe complex ook, wordt besproken en opgelost50. In het jaar 2022 zijn er vanuit Enschede 12 aanmeldingen gedaan bij het RET. Voor het jaar 2023 staat de teller begin september op 17 aanmeldingen. De belangrijkste vragen die binnen komen zijn een combinatie van inhoud van de casus duiden en het vinden van een geschikte plek voor een jeugdige51. Die plekken variëren van: ▪ Jongere kinderen die onder de 12 jaar zijn en nergens goed tussen passen ▪ Combinatie plekken van doordeweeks elders en in het weekend thuis om thuissituatie te ontlasten. ▪ Lange termijn plekken voor LVB-jongeren als ze ‘bijna’ 18 jaar zijn. ▪ Plekken voor na een gesloten plaatsing. ▪ Plekken voor na een behandelsetting. Vaak zijn er contra indicaties zoals ASS, trauma, PTSS, suïcide, externaliserend gedrag.
49
OZJT (2023) Kwartaalrapportage Coördinatiepunt Spoedhulp Jeugd Twente Q1 en Kwartaalrapportage Q2 (concept) Expertisenetwerk Jeugd Overijssel (geraadpleegd september 2023). RET. Via https://expertisenetwerkjeugdoverijssel.nl/ret 51 Informatie-uitwisseling met voorzitter RET Twente per mail (september 2023) 50
42
4.5 ZORGINTENSITEIT – KOSTEN PER CLIËNT Naast het type zorg is ook de zorgintensiteit een belangrijke factor. Zorgintensiteit is een combinatie van het type zorg (met bepaald tarief), hoe vaak deze zorg plaats vindt (bijv. 1 keer per maand) en de trajectduur. Een manier om zorgintensiteit uit te drukken is door te kijken naar de gemiddelde kosten per gebruiker per jaar. In 2022 waren de gemiddelde gedeclareerde kosten per jeugdige per jaar ruim €15k. Voor 2023 is de prognose dat dit uitkomt op ruim €17k.
Figuur 4.5a laat zien dat beschikbaarheidsvoorzieningen en LTA de hoogste gemiddelde kosten per persoon kennen, gevolgd door wonen en verblijf. LTA heeft zoals we eerder zagen relatief weinig gebruikers. Het aantal gebruikers van beschikbaarheidsvoorzieningen is iets groter. Bij wonen en verblijf speelt dat voor jeugdigen die hier gebruik van maken vaak ook aanvullende begeleiding of therapie wordt geboden. Daarmee worden de kosten per jeugdige nog hoger. Verdiepende analyses vanuit het Programmabureau Sociaal op ontwikkelingen tussen 2021 en 2022 laten zien dat er steeds meer begeleiding en therapie wordt ingezet naast verblijf.
Tussen 2021 en 2023 stijgen de kosten per cliënt voor bijna alle zorgsoorten met meer dan 20 procent. Hiervan is een deel van de verklaring indexatie en tariefproblematiek, daarnaast is er sprake van een complexere hulpvraag. Voor LTA en begeleiding (OB1) nemen de kosten per gebruiker juist af.
Figuur 4.5a Gemiddelde kosten per cliënt per type
Figuur 4.5b Ontwikkeling gemiddelde kosten per cliënt
jeugdzorg in 2022 (Programmabureau Sociaal)
tussen 2021 en 2023 (Programmabureau Sociaal)
Ook in totaliteit nemen de gemiddelde gedeclareerde kosten per cliënt per jaar vanaf 2018 jaarlijks iets toe (figuur 4.5c). In 2018 en 2019 is de kostenstijging lager dan de prijsindexatie. In 2020 en 2021 is de stijging gelijk aan de prijsindexatie en in 2022 en 2023 is de stijging hoger dan de prijsindexatie. In 2023 lopen de gemiddelde kosten met ruim 12 procent op waarvan 6,5 procent tariefstijging is. De kostenstijging door tariefproblematiek (zie paragraaf 3) is hier niet in meegenomen.
43
De stijging van de kosten per cliënt is in Enschede sterker dan in Almelo en Hengelo (figuur 4.5d). In absolute zin zijn de kosten per cliënt in Almelo (€15,9k in 2022)52 nog steeds iets hoger dan in Enschede, maar de verschillen worden kleiner. In Hengelo liggen de kosten per cliënt lager (€13k in 2022).
Figuur 4.5c Gemiddelde gedeclareerde kosten
Figuur 4.5d Ontwikkeling kosten per cliënt per jaar
per cliënt per jaar 2017-2023 (Programmabureau
tussen 2019 (index=100) en 2022 (Kennispunt
Sociaal) 53. Cijfers 2023 is prognose van juli ’23.
Twente) 54
In Enschede, Almelo en Hengelo zijn procentueel de kosten voor ambulante zorg tussen 2019 en 2022 in elk van de gemeenten even veel toegenomen (tussen 23 en 29 procent). De kosten voor ambulante jeugdhulp per cliënt zijn in Almelo wel hoger dan in Enschede en Hengelo (figuur 4.5e)55.
De gemiddelde kosten per jeugdige voor jeugdzorg met verblijf zijn in Enschede tussen 2019 en 2021 vergelijkbaar met Hengelo. Tussen 2021 en 2022 verandert dit en nemen de gemiddelde verblijfskosten per cliënt in Enschede sterk toe en in Hengelo af. In Almelo is tussen 2021 en 2022 is juist dezelfde stijging van de kosten per cliënt zichtbaar als in Enschede. In absolute zin zijn in Enschede de kosten per cliënt voor verblijfszorg het grootst. Aandachtspunt bij de cijfers is wel dat Almelo een ander inkoopmodel heeft dan Enschede en Hengelo. Hierdoor zijn de cijfers niet helemaal één op één vergelijkbaar (figuur 4.5f)56.
Dat in Enschede tussen 2019 en 2022 de totale kosten per cliënt sterker stijgen dan in Almelo en Hengelo lijkt dus vooral te komen door de sterke kostenstijging per cliënt bij verblijfshulp. Almelo en Enschede hebben vanaf 2022 relatief meer dan Hengelo extra jeugdigen met verblijfszorg onder hun hoede gekregen door het nieuwe woonplaatsbeginsel. De zorg voor deze groep jeugdigen overgedragen vanuit elders door het nieuwe woonplaatsbeginsel is gemiddeld duurder dan de zorg voor de overige jeugdigen met verblijfshulp. Daarnaast is de uitstroom onder deze groep vrij laag (Programmabureau Sociaal, 2023).
Twentse Monitor Sociaal Domein (versie 16 november 2023). Trends en ontwikkelingen – declaraties Programmabureau Sociaal (2023). Kwartaalrapportage financiën sociaal domein, tweede kwartaal 2023. Twentse Monitor Sociaal Domein (versie 31 augustus 2023). Trends en ontwikkelingen – declaraties 55 Er is hier gekeken naar puur ambulante zorg, dus ambulante zorg in combinatie met verblijf is hierin niet meegenomen. 56 Er is voor Hengelo en Enschede gekeken naar de kosten voor verblijfszorg (dakjes) en alle gelijktijdig hiermee geleverde vormen van ambulante jeugdhulp om de vergelijkbaarheid met Almelo (ander inkoopmodel) te vergroten. Eventuele aanvullende subsidies buiten berichtenverkeer zijn niet meegenomen. 52 53 54
44
Figuur 4.5e
Figuur 4.5f
Gemiddelde kosten per cliënt voor jeugdzorg zonder
Gemiddelde kosten per cliënt voor jeugdzorg met
verblijf tussen 2019 en 2022 in duizenden euro’s
verblijf tussen 2019 en 2022 in duizenden euro’s
(TMSD, nov 2023)57
(TMSD, nov 2023)
Verklaringen voor de sterke kostenstijging per jeugdige met jeugdzorg in Enschede: ▪
Er zijn sinds 2022 in verhouding meer jeugdigen die verblijfshulp krijgen. Dit komt vooral door het nieuwe woonplaatsbeginsel, maar ook door een reguliere groei. Verblijfshulp is duurder dan jeugdzorg zonder verblijf.
▪
De hulp die jeugdigen krijgen duurt steeds langer.
▪
De zorgfrequentie van ambulante trajecten neemt toe (dus meer uur per maand)
▪
Er wordt iets meer zorg gestapeld (als er gestapeld wordt).
Geen verklaringen voor de sterke kostenstijging per jeugdige met jeugdzorg zijn: ▪
Er wordt zwaardere zorg geboden per type zorg, dit is niet het geval
▪
Er wordt meer verlengde jeugdzorg in gezet, dit is niet het geval
▪
Er wordt meer duurdere crisiszorg in gezet, dit is niet het geval
Verklaringen voor verschillen in kostenontwikkeling per jeugdige met Almelo en Hengelo ▪
In Enschede is bovenop het effect van het woonplaatsbeginsel tussen 2021 en 2022 een toename van het aantal jeugdigen in verblijf. In Almelo lijkt hier juist een afname te zijn.
4.6 ZORGZWAARTE EN ZORGSTAPELING ZORGZWAARTE Eén van de factoren die de kosten per cliënt bepaalt, is wat voor soort zorg cliënten krijgen. Als relatief veel cliënten zwaardere (en duurdere) zorg krijgen, dan draagt dit bij aan hogere gemiddelde kosten per cliënt. Jeugdzorg met verblijf is zo’n zwaardere vorm van jeugdzorg. In Enschede neemt vanaf 2021 het aandeel van alle cliënten dat verblijfshulp krijgt toe. In Almelo en Hengelo daalt dit aandeel licht. In Almelo daalt dit aandeel doordat er minder kinderen verblijfshulp krijgen, in Hengelo daalt het aandeel verblijf nog iets sterker omdat er én minder kinderen verblijfshulp krijgen én er meer kinderen ambulante hulp krijgen. In Enschede is er een sterke toename
57
Kennispunt Twente (2023). Maatwerkuitdraai geleverd vanuit de Twentse monitor Sociaal Domein.
45
door de extra kinderen in verblijfshulp. Dit wordt iets gedempt doordat er ook meer kinderen ambulante hulp krijgen net als in Hengelo. Enschede zit in 2022 op het zelfde aandeel verblijfshulp als Almelo.
Kennispunt Twente heeft een inschatting gemaakt van de omvang van het effect van het woonplaatsbeginsel in Almelo en in Enschede. Deze inschatting laat zien dat het effect van het woonplaatsbeginsel in beide gemeenten relatief even groot is58. In Almelo bleef in 2022 het totale aandeel jeugdigen in verblijfshulp dalen. Dit ondanks dat er extra jeugdigen in verblijf onder de verantwoordelijkheid van Almelo vielen door het nieuwe woonplaatsbeginsel. In Enschede zagen we eerder, was er naast een toename van jeugdigen in verblijf door het nieuwe woonplaatsbeginsel ook nog een zelfstandige toename. Hier zijn dus verschillen.
Figuur 4.6a Ontwikkeling van het aandeel jeugdigen met verblijfshulp t.o.v. alle jeugdigen met jeugdzorg (Kennispunt Twente, 2023)59
58
Infovraag gesteld over omvang effect woonplaatsbeginsel bij Kennispunt Twente Kennispunt Twente (2023). Aangeleverde maatwerktabellen op basis van declaratiegegevens uit de Twentse Monitor Sociaal Domein 59
46
Binnen jeugdzorg met verblijf en jeugdzorg zonder verblijf zijn er verschillende varianten van hulp. Deze zijn door het gemeentelijk programmabureau sociaal domein ingedeeld in licht, middel en zwaar. Als er relatief vaker zwaardere vormen van bepaalde typen jeugdzorg worden geïndiceerd, dan zullen de gemiddelde kosten per cliënt toenemen. Figuur 4.6b laat zien dat dat niet het geval is. In verhouding worden er juist steeds minder zware varianten ingezet en meer middelzware.
Figuur 4.6b Ontwikkeling mix in zwaarte van jeugdzorg in unieke cliënten (Programmabureau, 2023)
ZORGSTAPELING Een andere factor die ervoor kan zorgen dat de kosten per cliënt toenemen is ‘zorgstapeling’. Hiermee bedoelen we dat een jeugdige tegelijkertijd (in dezelfde maand) meerdere jeugdzorgvoorzieningen krijgt. Figuur 4.6c laat zien dat als er gestapeld wordt hierbij gemiddeld steeds meer gestapeld wordt. In deze figuur is voor de jaren 2021,2022 en 2023 is per maand gekeken naar jeugdigen waarvoor zorg gestapeld is. Jeugdigen met één jeugdzorgvoorziening per maand zijn buiten beschouwing gelaten. Per maand is bepaald voor de jeugdigen met gestapelde zorg wat het gemiddeld aantal voorzieningen is waarvan zij gelijktijdig gebruik hebben gemaakt. Overigens is de toename in stapeling in absolute zin beperkt. Zo varieert het gemiddeld aantal voorziening waarvan gelijktijdig gebruik is gemaakrt tussen de 2,5 en 2,7.
47
Figuur 4.6c Ontwikkeling gemiddeld aantal gelijktijdig ingezette voorzieningen jeugdzorg per jeugdige (Programmabureau, 2023) Let op! Betreft alleen jeugdigen met gestapelde zorg, jeugdigen met één voorziening per maand zijn buiten beschouwing gelaten.
In een veldgesprek met de leerkring jeugd van de wijkteams (hierin zitten ca 10-15 wijkteammedewerkers met aandachtsgebied jeugd) hebben we gevraagd of zorgstapeling in de praktijk herkend werd en of de medewerkers van de wijkteams hierin ook een toename zagen. De medewerkers herkenden deze toename en gaven drie verklaringen: 1.
De complexiteit van de problematiek in gezinnen neemt toe, waardoor je verschillende inzet naast elkaar doet
2.
Er komen steeds vaker verzoeken van aanbieders voor zorgstapeling (mogelijk vanwege financiële druk bij aanbieders).
3.
Soms wordt zorg gestapeld bij verschillende verwijzers. Als een gezin bijvoorbeeld eerst via het wijkteam hulp zoekt en daarna via de huisarts. De medewerkers weten niet of dit nu zo zeer toeneemt.
We hebben Kennispunt Twente gevraagd of zij vanuit de Twentse Monitor Sociaal Domein konden nagaan of er in Enschede relatief meer zorg gestapeld wordt dan in Almelo of Hengelo. Dit blijkt niet het geval. Kennispunt Twente gaat voor stapeling uit van een langere periode. Zij kijkt naar hoeveel voorzieningen jeugdzorg per jeugdige in hetzelfde jaar zijn afgenomen. Deze analyse toont aan dat in 2022 in Enschede 44 procent van de jeugdigen die jeugdzorg kreeg zorg gestapeld heeft (dus meer dan 1 voorziening jeugdzorg gekregen in een jaar). In Hengelo en Almelo was dit 47 procent. Voor de jeugdigen die wel meerdere voorzieningen jeugdzorg in één jaar kregen, was het aantal voorzieningen vergelijkbaar tussen de drie gemeenten.
Al met al lijkt er wel meer zorg gestapeld te worden, maar is de toename beperkt. Enschede wijkt qua stapeling niet af van Almelo en Hengelo. Verklaringen voor stapeling zijn complexere problematiek en meer stapelingsverzoeken vanuit aanbieders.
48
4.7 ZORGDUUR EN ZORGFREQUENTIE De gemiddelde kosten per cliënt kunnen ook toenemen doordat jeugdigen langer zorg krijgen. Programmabureau Sociaal van gemeente Enschede heeft hier extra analyses voor uitgevoerd. Zorgduur gaat over het aantal dagen tussen de start- en einddatum van een jeugdzorgtraject. In deze analyse hebben we zorgduur uitgedrukt in gemiddeld aantal zorgdagen per jaar per jeugdzorggebruiker. Dit kan dus tussen 1 of 365 liggen. Bij een gemiddelde van 365 dagen hebben alle kinderen alle dagen van het jaar zorg gehad en is er dus niemand gedurende het jaar ingestroomd of uitgestroomd. De gegevens voor 2023 zijn gebaseerd op een prognose. JEUGDZORG ZONDER VERBLIJF Het gemiddeld aantal zorgdagen voor jeugdzorg zonder verblijf is het hoogst bij begeleiding (OB2). Deze vorm wordt net als therapie (OB3) regelmatig gecombineerd met verblijfszorg. Trajecten diagnostiek & consultatie kennen relatief de kortste duur.
Voor begeleiding, therapie en behandeling (OB1 t/m 4) neemt het aantal dagen in zorg toe (figuur 5.7a). Een verklaring hierbij vanuit de praktijk is dat de complexiteit van de hulpvraag bij jeugdigen toeneemt. Enerzijds als gevolg van een periode van "lock down" gedurende 2020 als gevolg van Corona, maar anderzijds ontstaat er ook meer druk in gezinnen als gevolg van financiële problemen en complexe echtscheidingen. Deze toenemende complexiteit kan een toenemende zorgduur veroorzaken.
Figuur 4.7a Gemiddeld aantal dagen zorg per jaar naar type jeugdzorg zonder verblijf 2020-2023 (Programmabureau Sociaal). Aantal dagen in 2023 is een prognose van juli ’23.
Jeugdzorg zonder verblijf heeft niet alleen een duur, maar kent ook een bepaalde hoeveelheid zorginzet per tijdseenheid, bijvoorbeeld 1 of 2 uur per week therapie. Hoe hoger de frequentie van zorg, hoe hoger de kosten per cliënt bij een gelijkblijvende zorgduur. In figuur 5.7b is de zorgfrequentie per type jeugdzorg zonder verblijf uitgedrukt in het gemiddeld aantal uren zorg per jeugdige per jaar.
49
De figuur laat zien dat het aantal zorguren per jaar het laagst is bij behandeling en het hoogst bij begeleiding. Verdere verdieping wijst uit dat voor begeleiding (OB2) en therapie (OB3) de frequentie nog wat hoger is als de jeugdige gelijktijdig ook verblijfshulp krijgt. Er is tussen 2020 en 2023 een toename van het aantal zorguren per jaar voor alle vormen van jeugdzorg zonder verblijf. De zorgfrequentie voor 2023 is een prognose van juli 2023. Procentueel is de toename tussen 2020 en 2023 voor alle vormen ongeveer even groot. Opvallend is de sterke toename van de zorgfrequentie voor therapie tussen 2022 en 2023. Bij behandeling (OB4) is er een relatief sterke toename van het aantal behandeluren per jaar tussen 2020 en 2021. Dit is onder andere een gevolg van problematiek ontstaan in de "lock down" tijdens de coronacrisis. Met name psychische problematiek is daardoor toegenomen. Alle GGZ behandeling valt onder OB4. Deze stijging loopt nog door in 2022 en 2023, maar wordt daarbij wel minder sterk.
Figuur 4.7b Gemiddeld aantal gedeclareerde uren jeugdzorg zonder verblijf per cliënt, per jaar 2020-2023 (Programmabureau Sociaal, 2023). De uren over 2023 zijn een prognose van juli ’23.
JEUGDZORG MET VERBLIJF Jeugdzorg met verblijf via pleegzorg en gezinshuizen telt gemiddeld de meeste zorgdagen per jaar. Dit is een indicator voor een lange zorgduur. Dit is ook logisch omdat pleegzorg en gezinshuizen bedoeld zijn als woonvoorzieningen, een alternatief thuis. Terwijl de andere verblijfsvoorzieningen bedoeld zijn voor behandeling en per definitie tijdelijk zijn. Voor pleegzorg en gezinshuizen is het gemiddeld aantal dagen tussen 2021 en 2022 toegenomen. Dit is precies ten tijde van de overgang naar het nieuwe woonplaatsbeginsel (zie kader blz. 25). Mogelijk is hiermee een samenhang en zijn de trajecten die er in 2022 bij zijn gekomen langdurigere trajecten.
Voor wonen en verblijf (in groepen) is een doorlopende stijging te zien in verblijfsduur, dus niet alleen tussen 2021 en 2022. De gemiddelde duur in jeugdzorg voor Jeugdzorg plus schommelt meer. Dit is te verklaren doordat het aantal jeugdigen in Jeugdzorg plus relatief klein is, waardoor extra in- of uitstroom van enkele kinderen al snel impact heeft op het gemiddeld aantal dagen zorg per jaar (figuur 4.7c).
50
Figuur 4.7c Gemiddeld aantal dagen zorg per jaar naar type jeugdzorg met verblijf, 2020-2023 (Programmabureau Sociaal). Aantal dagen in 2023 is een prognose van juli ’23.
We hebben Kennispunt Twente gevraagd of zij vanuit de Twentse Monitor Sociaal Domein konden nagaan of de toenemende zorgduur ook in Almelo en Hengelo speelt en in welke mate. In Almelo en Hengelo neemt net als in Enschede de zorgduur toe. Uitgesplitst naar type zorg zijn er veel schommelingen en is er geen duidelijk andere trend zichtbaar in Almelo en Hengelo dan in Enschede. WACHTTIJDEN Wachttijden in de jeugdzorg kunnen van invloed zijn op de zorgduur. Hier is landelijk en ook regionaal een programma voor opgestart. Hoewel bekend is dat er wachttijden zijn, is er op dit moment landelijk en regionaal geen goed bruikbaar inzicht in wat de wachttijden zijn en hoe die zich ontwikkelen60. In het regionale project ‘Aanpak wachttijden’ wordt wel gewerkt aan een regionale monitor wachttijden. UITSTROOM UIT ZORG De in- en uitstroomanalyse van Kennispunt Twente laat zien dat er in 2020 in Enschede ongeveer 1,2 keer meer jeugdigen instroomden in jeugdzorg in dan dat er uitstroomden. Instroom is hier het aantal jeugdigen dat in een jaar jeugdzorg krijgt en in het hele kalenderjaar daarvoor niet. Uitstroom is het aantal jeugdigen dat in een jaar jeugdzorg krijgt en het hele kalenderjaar daarna niet. De kloof tussen in- en uitstroom wordt tussen 2018 en 2020 ook steeds groter (figuur 5.6d).
Tussen 2018 en 2020 stagneert de uitstroom met name bij jeugdzorg zonder verblijf en in het bijzonder bij ambulante hulp op locatie aanbieder en in het netwerk van de jeugdigen en bij jeugdigen van middelbaar- en hoger opgeleide ouders61. In Nederland en gemiddeld in de G40 is er eveneens een stagnerende uitstroom zichtbaar en eveneens een toenemende kloof tussen in- en uitstroom. Het beeld in Enschede is daarmee niet uniek. De toenemende zorgduur en de stagnerende uitstroom zijn ontwikkelingen die hand in hand gaan.
60
Pries et al (2022). Een functionele kijk op wachttijden. Wachttijden in de jeugdzorg begrijpen. VNG Kennispunt Twente (2023). Duidingssessie. Presentatie bij de bijeenkomst over de in- en uitstroomanalyse jeugdzorg Enschede op 17 mei 2023. 61
51
Figuur 4.7d Aantal jeugdigen dat nieuw instroomt en dat uitstroomt uit jeugdzorg in Enschede (Kennispunt Twente, bewerkt, 2022)62
Een positieve trend is dat de jeugdigen die uitstromen steeds vaker duurzaam uitstromen, dat wil zeggen dat ze na het uitstromen minimaal zes maanden uit zorg blijven. Uit de kwartaalanalyse van het Programmabureau komt naar voren dat iets minder dan driekwart van de beëindigde trajecten in 2022 een duurzame zorgoplossing kent. Dit betekent dat een cliënt niet terugkeert binnen 6 maanden63.
Figuur 4.7e Percentage duurzame uitstromers tussen 2021 en 2023 (Programmabureau Sociaal, 2023) 9. De uitstroom van 2023 is een cijfer van juli ‘23
VERLENGDE JEUGDZORG Vertaalt een stagnerende uitstroom zich ook in relatief meer verlengde jeugdzorg? Verlengde jeugdzorg is hulp aan jeugdigen tussen de 18 en 23 jaar. Bijvoorbeeld als nog hulp nodig is en die hulp niet vanuit een andere wet kan worden geleverd. Figuur 4.7f laat zien dat 229 jeugdigen in 2022 verlengde jeugdzorg. Het aantal jeugdigen in verlengde jeugdzorg neemt toe, vooral door de jeugdigen waarvoor de jeugdzorg vanaf 2022 onder de verantwoordelijkheid van gemeente Enschede is gekomen. Relatief veel van deze jeugdigen ontvangen pleegzorg. Pleegzorg loopt standaard door tot 21 jaar. De kosten voor verlengde jeugdzorg liggen in 2022 rond de 3 miljoen euro. Dit is ruim 4 procent van de totale kosten voor jeugdzorg. De prognose voor 2023 is dat de kosten voor verlengde jeugdzorg uitkomen op circa 4
62 63
Kennispunt Twente (2022). Verdiepende analyse in- en uitstroom in jeugdzorg in Enschede. Gebaseerd op CBS microdata. Programmabureau Sociaal (2023). Financieel kwartaaloverzicht Q2.
52
miljoen euro. Een groot deel van de verlengde jeugdzorg (in kosten) is gerelateerd aan verblijfszorg of een maatregel. In Enschede lijken verhoudingsgewijs iets meer jeugdigen verlengde jeugdzorg te krijgen dan in Hengelo en iets minder dan in Almelo, in ieder geval tussen 2020 en 2022. In Almelo en Hengelo blijft het aantal jeugdigen met verlengde jeugdzorg tamelijk stabiel, terwijl dit in Enschede toeneemt (Kennispunt Twente, 2023).
Figuur 4.7f Aantal jeugdigen tussen 18 en 23 jaar
Figuur 4.7g Kosten voor verlengde jeugdzorg,
met verlengde jeugdzorg (Programmabureau Sociaal, 2023) uitgesplitst naar type (programmabureau sociaal, 2023)
4.8 JEUGDZORGGEBRUIKERS PER WIJKTEAM Enschede telt 9 wijkteams met ieder een eigen werkgebied. Figuur 4.8a laat zien hoe jeugdzorggebruik in de werkgebieden van verschillende wijkteams zich ontwikkelt door de tijd. Voor vrijwel alle wijkteams geldt dat het jeugdzorggebruik toeneemt door de jaren heen. Wesselerbrink is hierin een uitzondering. Het jeugdzorggebruik blijft hier stabiel en komt hiermee in 2022 onder het stedelijk gemiddelde. Dit is opvallend omdat Wesselerbrink wel een wijk is met bovengemiddeld veel jeugdigen uit lage inkomens-gezinnen en eenoudergezinnen. Als we inzoomen wordt maatregelhulp en verblijfshulp hier vaker dan gemiddeld ingezet, maar ambulante behandeling minder vaak. Verder valt op dat door de jaren heen het verschil in jeugdzorggebruik tussen de wijken groter wordt. In PathmosStadsveld, Oost Binnen en Stroinkslanden Helmerhoek nam het jeugdzorggebruik de laatste jaren het sterkst toe. In Pathmos nam het jeugdzorggebruik in absolute zin niet zo sterk toe, maar wel in relatieve zin door een daling van het aantal inwoners (0-17). In Oost Binnen en Stroinkslanden-Helmerhoek was er wel een sterke stijging van het aantal jeugdzorggebruikers. Oost-Binnen kent in 2022 een relatief hoog jeugdzorggebruik. StroinkslandenHelmerhoek scoort ondanks de relatief sterke toename nog benedengemiddeld in 2022.
Al met al tonen de cijfers aan dat de werkgebieden van de wijkteams van elkaar verschillen en dat het zinvol kan zijn om accentverschillen te leggen in de aanpak. In sommige wijken speelt de huisarts een relatief grotere rol en is er relatief veel vraag naar behandeling (onder behandeling valt ook vrijwel alle ggz hulp zonder verblijf). In andere wijken is het de vraag of de gezinnen die hulp nodig hebben voldoende bereikt worden en sommige wijken tellen relatief veel lage inkomens en eenoudergezinnen.
53
Figuur 4.8a Aandeel jeugdzorggebruikers onder de 0-17 jarigen per werkgebied van de wijkteam tussen 2017 en 2022 (Programmabureau, 2023)64
Tabel 4.8a
Wijkteams ↓ Boswinkel-Boekelo
Aandeel jeugdigen (0-17) uit gezinnen met laagste inkomens (2020)65
Aandeel jeugdigen (0-17) uit eenoudergezin (2021)
Aandeel jeugdigen (0-17) met een vorm van jeugdzorg totaal (2022)66
Aandeel jeugdigen (0-17) met jeugdzorg met verblijf (2022)
Aandeel jeugdigen (0-17) met maatregelhulp (2022)
Aandeel jeugdigen (0-17) met ambulante behandeling, OB4 (2022)
Aandeel van alle jeugdzorg waarvan wijkteams verwijzer zijn (2022)
Aandeel van alle jeugdzorg waarvan huisarts verwijzer is (2022)
Gemiddelde kosten per jeugdzorggebruiker (2022)
Kenmerken van de populatie en van jeugdzorggebruik en verwijzer per wijkteam
31%
13%
12%
0,8%
1,0%
6,2%
31%
42%
€ 6.908
Centrum
49%
15%
16%
2,2%
2,6%
7,2%
36%
29%
€ 12.256
Noord Noord
34%
15%
14%
1,5%
1,4%
7,7%
30%
40%
€ 11.148
Oost Binnen
35%
21%
17%
2,2%
2,4%
9,0%
32%
36%
€ 11.735
Oost Buiten
30%
20%
14%
1,0%
1,2%
7,2%
32%
31%
€ 9.939
Pathmos Stadsveld
47%
23%
18%
2,9%
3,4%
8,5%
35%
26%
€ 14.599
Stroinkslanden Helmerhoek
33%
15%
14%
1,1%
1,5%
7,3%
31%
33%
€ 8.768
Twekkelerveld
60%
11%
17%
1,7%
2,2%
8,1%
37%
29%
€ 10.288
Wesselerbrink
47%
24%
14%
1,8%
2,3%
6,4%
39%
22%
€ 14.318
Gemiddelde
41%
17%
15%
1,7%
2,0%
7,5%
34%
32%
€ 11.106
Wijkteams met een bovengemiddelde score per kenmerk 64
Programmabureau Enschede (2023). Maatwerkanalyse jeugdhulpgebruik per wijkteam Kennispunt Twente (2022). Verdiepende analyse in- en uitstroom in jeugdzorg in Enschede. Gebaseerd op CBS microdata. 66 Gemeente Enschede (2024) Corsa. Wijkteams. Geraadpleegd op 3-1-2024 65
54
4.9 SAMENLOOP MET BIJSTAND EN WMO Bij ruim zeven op de tien huishoudens waar jeugdzorg (JW) wordt geboden is dit de enige hulp vanuit het sociaal domein. Bij drie op de tien huishoudens met jeugdzorg is er ook hulp vanuit de participatiewet (PW) en/of de wet maatschappelijke ondersteuning (WMO). In de afgelopen jaren is de samenloop van gezinnen die hulp krijgen vanuit de Jeugdwet (JW) en óók te maken hebben met de participatiewet (PW) en/of de WMO stabiel gebleven. Dit is niet toe- of afgenomen (figuur 5.9a)
Figuur 5.9a Huishoudens met jeugdzorg en gebruik van andere voorzieningen sociaal domein, tussen 2019 en 2022 voorlopige cijfers (CBS)67
4.10 CLIËNTTEVREDENHEID Jaarlijks wordt een cliëntervaringsonderzoek uitgevoerd. Hiervoor vullen ouders en/of jeugdigen een vragenlijst in 68. Ouders en jeugdigen zijn wat betreft de hulpvraag voor de gemeten zaken het meest positief over de bejegening (87% voelt zich serieus genomen en 80% geeft aan samen naar oplossing te hebben gezocht in gesprek).
Voor wat betreft de zorg zelf, zijn ouders en/of jeugdigen van de zaken die gemeten zijn, ook hier het meest positief over de bejegening (91% respectvol behandeld, 83% serieus genomen). Het meest kritisch is men over de snelheid van de hulp (25% vindt dit niet snel) en over de samenwerking tussen organisaties (21% vindt geen goede samenwerking) Van de gemeten punten is het vaakst behaalde resultaat dat de cliënt zich beter voelt (77%) en het gedrag verbeterd is (66%).
De cliënttevredenheid wordt jaarlijks gemeten en is tamelijk stabiel tussen 2017 en 2022. Wat opvalt is dat het samenwerken van verschillende organisaties tussen 2017 en 2020 verbeterde (van 46% in 2017 die vond dat dit goed ging naar 59% in 2020). Sinds 2020 is dit gedaald naar 52%. Verder valt op dat sinds 2022 cliënten het vaker oneens en minder vaak eens zijn met de stellingen ‘goed geholpen bij vragen en problemen’ en ‘hulpverleners weten genoeg’. Overigens is nog steeds driekwart hier positief over.
67 68
CBS Open data (geraadpleegd September 2023). Gebruik voorzieningen sociaal domein; aantal voorzieningen wijken, 2022 I&O Research (2023) Cliëntervaringsonderzoek Jeugd Enschede 2022
55
Samengevat: In deze paragraaf zijn we ingegaan op het gebruik van jeugdzorg in Enschede. Onderzoeksvragen hierbij: Wat kenmerkt in Enschede de gebruikers van jeugdzorg en waar zien we een toename in het gebruik van jeugdzorg?
In Enschede ontvangen in verhouding meer jeugdigen verblijfshulp dan in andere grote steden (G40). Verblijfshulp is hulp waarbij de jeugdige tijdelijk ook op de plek van de hulpverlening woont. Deze verblijfshulp is intensiever dan de meeste andere vormen van hulp. Het uit huis plaatsen van jeugdigen brengt ook schadelijke effecten met zich mee (Hervormingsagenda en NJI). Daarom is het algemene beeld dat een uithuisplaatsing zo veel mogelijk voorkomen moet worden. In Enschede daalt het aantal jeugdigen in verblijf relatief minder hard dan elders.
De gemiddelde kosten voor een jeugdige met jeugdzorg lopen op. Het zijn relatief vaak jeugdigen uit gezinnen bestaande uit één ouder die jeugdzorg krijgen. Jeugdigen uit gezinnen met een laag inkomen krijgen vaker dan gemiddeld jeugdzorg met verblijf. Enschede telt in vergelijking met 40 andere grote steden in Nederland (G40) relatief veel gezinnen die rond moeten komen van een laag inkomen. Het aantal jeugdigen dat opgroeit in een eenoudergezin is relatief vergelijkbaar met het gemiddelde in de G40. In de ene Enschedese wijk wonen relatief meer gezinnen die rond moeten komen van een laag inkomen dan in de andere wijk. Dit geldt ook voor eenoudergezinnen. Ook de mate waarin gebruik wordt gemaakt van jeugdzorg is per wijk verschillend. Deze verschillen tussen wijken zijn toegenomen in de afgelopen jaren. Het lijkt zinvol om accentverschillen te leggen in de aanpak per wijk. Wat overeenkomt, is dat in vrijwel alle wijken in de afgelopen jaren het jeugdzorggebruik is toegenomen.
Net als elders in Nederland is de toename van het aantal jeugdigen in jeugdzorg niet primair het gevolg van een toenemende instroom, maar is het juist de uitstroom die stagneert. Jeugdigen zitten steeds langer in jeugdzorg, zowel in ambulante als verblijfszorg. De ambulante zorg die wordt geleverd is steeds intensiever. In Enschede zijn er net als elders in Nederland steeds meer jeugdigen uit gezinnen met hoge inkomens die gebruik maken van ambulante jeugdhulp, veelal komen zij via de huisarts in jeugdhulp terecht en vooral voor specialistische behandeling van psychische problematiek.
56
5. OORZAKEN & VERKLARINGEN In dit hoofdstuk gaan we in op verklaringen voor het toenemend jeugdzorggebruik en toenemende kosten. Wat is hierover bekend vanuit deskresearch en wat hebben de verschillende betrokkenen bij het Enschedese jeugdzorgbeleid hierover gezegd? Er lijken meerdere samenhangende verklaringen zijn en een beperkt sturend vermogen bij gemeenten. De situatie rondom jeugdzorg lijkt een complex probleem.
5.1 VANUIT DESKRESEARCH Er is veel onderzoek gedaan naar de ontwikkelingen in de jeugdzorg en er zijn verschillende visiestukken hierover verschenen. Uit de brede reeks van beschikbare stukken hebben we onderstaande vier documenten nader bekeken om de belangrijkste verklaringen voor de toenemende vraag naar jeugdzorg en de toenemende kosten in beeld te krijgen: 1)
Jeugdautoriteit (2023). Stand van de jeugdzorg. In dit rapport worden de resultaten van veel verschillende onderzoeken gebundeld.
2)
Stuurgroep maatregelen financiële beheersbaarheid Jeugdwet (2021) Maatregelen financiële beheersbaarheid Jeugdwet
3)
Yperen, T. van, K. Hofstede, R. Hageraats en A. van de Maat (2023) Andere kijk op groeiend jeugdzorggebruik. Voor een hoopvolle wereld om in op te groeien Utrecht: Nederlands Jeugdinstituut
REDENEN VOOR FINANCIËLE TEKORTEN ▪
Niet onderbouwde en reëel gebleken aannames over preventie Het Rijk zou te gunstige financiële effecten van de decentralisatie hebben ingeboekt, die onvoldoende onderbouwd waren en ook niet reëel bleken (1). Een brede inzet op preventie kan bijdragen aan het welzijn van kinderen, maar leidt tot nu toe niet tot lagere kosten (2).
▪
Gemeenten hebben beperkt sturend vermogen op kosten doordat afspraken niet uitputtend omschreven zijn, aanbieders slechts indirect op kostenbeheersing aangesproken kunnen worden, gemeenten geen goed zicht hebben op de vraag naar jeugdzorg en de gemeente weinig invloed hebben op andere toegangspoorten naar jeugdzorg, waaronder GI en huisartsen (1)
REDENEN VOOR TOENEMEND JEUGDZORGGEBRUIK ▪
Er is al decennialang een groei Het gebruik van jeugdzorg neemt al twee decennia lang toe. Verwacht wordt dat bij ongewijzigd beleid het gebruik van jeugdzorg verder zal toenemen (1).
▪
Aanbod creëert vraag Het verwachte effect van de Jeugdwet: een verschuiving van zware naar lichte vormen van zorg is (nog) niet opgetreden. Vanaf 2015 zijn vooral ambulante vormen van zorg toegenomen. Een laagdrempelige toegang kan ook een aanzuigende werking hebben en een breed aanbod van jeugdzorg creëert ook vraag en leidt tot meer gebruik omdat aanbieders zich profileren (1).