CConstaterende datenschede
Koppel je AI →
Document · PDF

3 TAM-omgevingsplan H22A Cromhoff_Motivering wijzigingsbesluit

Raadsvergadering 8 december 2025, gemeente enschedeBij agendapunt: Vaststellen wijziging omgevingsplan ‘TAM-omgevingsplan H22A Cromhoff’18.923 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Het BKP bevat richtlijnen voor de architectonische kwaliteit en de inrichting van de openbare ruimte in de verschillende deelgebieden. Het benadrukt het belang van natuurinclusieve maatregelen, duurzame materialen en het minimaliseren van lichtvervuiling. Het BKP dient als toetsingskader voor verdere bestemmingsplan TAM-omgevingsplan H22A Cromhoff (vastgesteld) 23

stedenbouwkundige uitwerking en de bouwplannen. Q-team Gelijktijdig met het vaststellen van het Omgevingsplan wordt door de gemeenteraad een 'Q-team' ingesteld. Het Q-team is een onafhankelijk kwaliteitsteam dat plannen voor de vastgoedontwikkeling en de inrichting van de openbare ruimte toetst. Daarbij is ook aandacht voor de samenhang van het project. Het team beoordeelt bouwplannen op aspecten, zoals architectonische kwaliteit, stedenbouwkundige inpassing en duurzaamheid. Op deze wijze wordt geborgd dat de plannen bijdragen aan een aantrekkelijke en leefbare omgeving. Dit gebeurt in een verplicht proces dat is vastgelegd in de beleidsregels "Beeldkwaliteit en concept Cromhoff". Het Q-team voert ook de formele rol van de welstandstoets bij vergunningen uit (tegenwoordig toets op 'het uiterlijk van bouwwerken'). Het BKP is daar het toetsingskader voor. Vanwege die formele rol is de stadsbouwmeester altijd onderdeel van het Q-team. Daarnaast worden nog twee leden aangewezen. Landschappelijke waarden Het noorden van het plangebied bestaat hoofdzakelijk uit braakliggend terrein en bestaande bebouwing. Dit deel van het gebied heeft in de huidige situatie geen relevante landschappelijke waarde (cultuurhistorische waarden komen aan bod in paragraaf 3.5.2). In het zuiden van het plangebied ligt een bos. Dit blijft behouden.

De landschappelijke waarde van het gebied als geheel wordt verbeterd met de voorgenomen ontwikkeling. Dit is uitgewerkt in het inrichtingsplan voor de openbare ruimte. Dit vormt een bijlage bij de beleidsregels "Beeldkwaliteit en concept Cromhoff". Onderstaand ter illustratie een indicatieve weergave van de beoogde beplantingstypen in het plangebied.

Afbeelding: indicatieve locatie b eplantingstypen

Beschermwaardige bomen De bescherming van bomen binnen is geregeld in de Verordening kwaliteit leefomgeving (VKL). Op het bij de VKL behorende bomenoverzicht zijn binnen de bebouwde kom de beschermde bomen en boomgroepen weergegeven, voor het vellen waarvan in ieder geval een omgevingsvergunning (kapvergunning) op grond van de VKL is vereist. Het bomenoverzicht is een interactieve bomenkaart die is te raadplegen op de website van

24 steld)

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan H22A Cromhoff (vastge

de gemeente Enschede. Hieronder is een uitsnede opgenomen voor het plangebied en directe omgeving.

Afbeelding: uitsnede b omenoverzicht VKL

In het gebied van deze wijziging van het Omgevingsplan zijn geen solitaire beschermwaardige bomen aanwezig (rode stip ligt buiten plangebied). Wel is het bos in het zuiden van het plangebied aangewezen als 'bechermwaardig boomgebied'. Ook liggen enkele zones op de rand van het plangebied, zoals een smalle zone tussen het bos en de Burgemeester van Veenlaan. Uitgangspunt van het plan is dat de meeste bomen in het plangebied behouden blijven. Hier is rekening mee gehouden in de planregels en de planverbeelding (werkingsgebieden). Het bos in het zuiden heeft een aanduiding in het omgevingsplan waardoor daar nagenoeg geen bebouwing mogelijk is en voor andere werkzaamheden vaak een omgevingsvergunning nodig is. Het behoud van bomen is ook van belang voor de fauna in het plangebied (zie ook paragraaf 3.5.9). 3.5.2

Cultuurhistorische waarden

Uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) volgt dat gemeenten voor cultureel erfgoed dat voor bescherming in aanmerking komt een toereikend beschermingsregime moeten opnemen in het omgevingsplan. Het Bkl bevat hiervoor instructieregels in artikel 5.130 (par 5.1.5.5; behoud cultureel erfgoed). Ook de Omgevingsverordening van de provincie bevat instructieregels voor cultureel erfgoed (artikel 4.12). Waarden en deze omgevingsplanwijziging Het gebied van deze wijziging van het omgevingsplan is onderzocht op cultuurhistorische waarden (M.A.B., 2021). In het onderzoek zijn objecten van voor circa 1990 gewaardeerd en ingedeeld in de categorieën 'basiswaarde', 'positieve waarde' en 'hoge waarde'. Op basis van het onderzoek is afgewogen welke objecten een bescherming krijgen in het omgevingsplan. Dat heeft geleid tot de bescherming van de objecten met een 'hoge waarde' en een object met een 'positieve waarde'. Deze objecten krijgen met deze omgevingsplanwijziging de aanduiding 'karakteristiek'. Deze aanduiding betekent dat deze panden niet zomaar aangepast of deels gesloopt mogen worden. Een omgevingsvergunning wordt alleen verleend na zorgvuldige afweging met verplicht advies van een cultuurhistorisch deskundige. Dit is vastgelegd in de planregels van het omgevingsplan. Het gaat om de objecten in onderstaande afbeelding.

Daarna volgt een korte omschrijving per object, gebaseerd op het onderzoek van M.A.B.. Objecten met een hoge waarden kunnen op basis van nader bestemmingsplan TAM-omgevingsplan H22A Cromhoff (vastgesteld) 25

onderzoek eventueel ook in aanmerking komen voor een status als gemeentelijk monument. Dat is nu niet aan de orde.

Afbeelding: als karakteristiek aangewezen objecten

1 en 2: Voormalig kantoor Tubantia en drukpershal Het onderzoek geeft aan dat delen van het voormalige Tubantia/Wegener-complex erfgoedwaarden bezitten. Het heeft cultuurhistorische betekenis als voormalige hoofdvestiging van dagblad Tubantia.

Afbeelding: voormalig kantoor Tubantia (b oven) en drukpershal (links) Het kantoor en drukpershal hebben betekenis voor het beeld van de omgeving. Het markante en beeldbepalende hoofdkantoor heeft ook architectuurhistorische waarde. Het is een gaaf bewaard pand: hoofdvorm, materialisering en detaillering van de gevels, inclusief de hoofdentree met trap en portaal. Het is ontworpen door een bekend architectenbureau (J.D. Koning en J.C. Rentjes), in functionalistische stijl uit 1964. Het gebouw is in opzet, vormgeving en materiaalgebruik kenmerkend voor de moderne kantoorbouw in de naoorlogse periode. Het kantoor heeft een 'hoge waarde'. De relatief jonge drukpershal (1993) is van beeldbepalende betekenis voor zijn omgeving door de imposante bouwmassa. Kenmerkend zijn het gesloten karakter en de opvallende, hoge vensters. Ook is er enige cultuurhistorische waarde vanwege de bijzondere oorspronkelijke functie, als belangrijkste bouwkundige onderdeel in het productieproces van het dagblad Tubantia. De drukpershal heeft een 'positieve waarde'.

26 steld)

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan H22A Cromhoff (vastge

3: Janninkshallen Deze hallen hebben cultuurhistorische waarde. Ze waren onderdeel van het grote fabrieksterrein van Jannink en hebben later gediend als atelierruimte van een kunstenaarscollectief. Er is bouwhistorische waarde vanwege de aanwezigheid van gelamineerde spanten uit 1960 (Nemaho). Ook is er architectuurhistorische waarde door de gaaf bewaarde hoofd- en dakvorm van de vijf hallen met een centrale hal die hoger is dan de rest. Ook zijn de dakbedekking en lichtkappen op de centrale hal, de betonnen wand met kolommen en de betonnen luifel van het kantoorgedeelte van 'hoge waarde'. Ook zijn er nog diverse eigenschappen met een 'positieve waarde', zoals de gevelopzet van de vijf hallen (incl. lichtpuien en schrotenbetimmering in de topgevels), de voormalige walsenloods aan de noordzijde en diverse bedrijfsdeuren.

Afbeelding: Janninkshallen

4 Oude muur stukververij Deze restanten (vooral een hoge muur) van de voormalige stukververij hebben cultuurhistorische waarde. De stukververij was onderdeel van het grote fabrieksterrein van Jannink. De muur heeft een 'hoge waarde' door de oorspronkelijke materialisering en detaillering van de gevel uit 1930-1940. Een aanbouw uit 1961 had ook enige waarde. Deze is echter nagenoeg geheel gesloopt. Allen de fundering en de onderkant van enkele muren resteren.

Afbeelding: oude fab rieksmuur stukververij

Overige historische elementen/structuren In het plangebied zijn naast bovenstaande objecten ook enkele andere (restanten van) historische elementen/structuren aanwezig. Voorbeelden zijn: Voormalige Zuiderstraat. Een vroeg negentiende-eeuwse oost-westgerichte laan met restanten van laanbeplanting (eiken)). bestemmingsplan TAM-omgevingsplan H22A Cromhoff (vastgesteld) 27

Een aantal waterlopen ten zuiden van de Zuiderstraat. Greppels ten behoeve van de bleekvelden, waar nu bos is ontstaan. Enkele wegen die zijn aangelegd tussen 1900 en 1940 ten behoeve van de fabriekscomplexen. Voormalige spoorlijn, waarvan het tracé nog enigszins te herkennen is door reliëf en beplanting. Het onderzoek doet aanbevelingen om de structuren en elementen zoveel mogelijk in te passen. Ook kunnen ze wellicht versterkt of beter zichtbaar gemaakt worden, bijvoorbeeld met informatieborden, wandelroutes en het terugbrengen van laanbeplanting en greppels/waterlopen. In het omgevingsplan en de beoogde inrichting van de openbare ruimte is hier rekening mee gehouden. De locaties van het gros van deze structuren/elementen heeft in het omgevingsplan de functie 'groen' gekregen. Op de locatie van enkele 'fabriekswegen' is (wederom) een ontsluitingsweg voorzien. De gronden waar (restanten van) historische structuren/elementen aanwezig zijn blijven na realisatie van het plan vrijwel geheel in eigendom van de gemeente. De gemeente heeft het behoud en eventuele versterking dus in eigen hand. Conclusie Cultuurhistorische waarden vormen geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de planwijziging. Cultuurhistorische waarden worden gerespecteerd en waar nodig beschermd. Daarmee wordt voldaan aan de instructieregels van het Rijk (Bkl) en de provincie (Omgevingsverordening). 3.5.3

Archeologische waarden

In de gemeente Enschede is een archeologisch beleidskaart opgesteld. Op basis van deze kaart valt het gebied van deze omgevingsplanwijziging nagenoeg helemaal onder de aanduiding 'archeologisch onderzoeksgebied b' en voor een klein deel onder een 'gebied met een lage verwachting'.

Afbeelding: Uitsnede archeologische b eleidskaart van Enschede (wijzigingsgebied indicatief in rood) In 'archeologisch onderzoeksgebied b' zijn nieuwe bouwwerken of andere werken die zorgen voor een bodemverstoring dieper dan 50 cm onder het maaiveld én een bodemverstoringsoppervlakte hebben van meer dan 2.500 m². Beleidskaart in relatie tot de planwijziging De geplande werkzaamheden leiden vrijwel zeker tot een verstoring van meer dan 2500 m 2 op een diepte van 50 cm of meer. Archeologische onderzoek is noodzakelijk. Er is een inventariserend veldonderzoek (incl. boringen) uitgevoerd. Dit is bijgevoegd als bijlage 1. Op basis

28 steld)

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan H22A Cromhoff (vastge

van het uitgevoerde onderzoek is de kans klein dat het plangebied archeologische sporen bevat, afgezien van mogelijke resten van diepere grondsporen. Het archeologisch belang hiervan is laag. De kans is klein dat bij de werkzaamheden een behoudenswaardige vindplaats wordt geschaad. Het advies is om geen vervolgonderzoek uit te voeren en het plangebied vrij te geven voor toekomstige ontwikkelingen. In het omgevingsplan zijn voor het plangebied dan ook geen regels meer opgenomen ter bescherming van archeologische waarden. Mochten er bij de graafwerkzaamheden tegen de verwachting in toch archeologische resten worden aangetroffen, dan geldt een meldingsplicht volgens de Erfgoedwet. Dit kan bij de gemeente, de regioarcheoloog of de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed. Conclusie Op basis van het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat de archeologische waarde(n) geen belemmering vormen voor de uitvoerbaarheid van de voorgestelde wijziging van het Omgevingsplan. De planwijziging voldoet aan de instructieregels van het Rijk in artikel 5.130 (par 5.1.5.5) van het Bkl (behoud cultureel erfgoed). 3.5.4

Verkeer en parkeren

Bereikbaarheid/ontsluiting De openbare ruimte in Cromhoff wordt waar mogelijk autoluw. Dit is kansrijk omdat stedelijke voorzieningen binnen tien minuten loop- of fietsafstand liggen. Daarnaast wordt ingezet op openbaar vervoer en deelmobiliteit. Het privé autobezit ligt zo naar verwachting lager dan in traditionele wijken. Om zo min mogelijk gemotoriseerd verkeer door het gebied te laten rijden wordt dit waar mogelijk vroegtijdig afgevangen aan de randen van het gebied met collectieve parkeervoorzieningen, zoals een 'mobiliteitshub' in de hallen. In het schetsontwerp inrichtingsplan zijn de routes en ontsluiting in de basis uitgewerkt. Zie onderstaande afbeelding. Er komt een doorgaande fietsroute (de 'allesbinder') door het gebied die het mogelijk maakt om op een ontspannen manier van zuid Enschede naar het centrum te fietsen via het park. Zie onderstaande oranje route van door het plangebied.

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan H22A Cromhoff (vastgesteld) 29

Afbeelding: schetsontwerp mobiliteit/ontsluiting

Mogelijke variant ontsluiting autoverkeer Houten eiland In eerste instantie wordt uitgegaan van bovenstaande ontsluiting, waarbij het verkeer op twee plekken aan de Getfertsingel en één plek aan de Burgemeester Van Veenlaan het plangebied in en uit kan rijden. Het verkeersonderzoek gaat hier ook van uit (zie hierna onder 'verkeersafwikkeling'). In de loop van de realisatie van het project kan het blijken dat een extra ontsluiting van het plangebied wenselijk is. Bijvoorbeeld omdat dit de voorkeur heeft vanuit de inrichting van de openbare ruimte of met het oog op een betere verdeling van het autoverkeer over de toegangswegen. In dat geval zien wij een mogelijkheid voor een extra ontsluitingspunt aan de oostzijde van het plangebied, waar in de huidige situatie ook een aansluiting ligt. Dit idee is ook naar voren gebracht in een ingediende zienswijze. Het verkeer van en naar het Houten eiland (naar huidig inzicht circa 110 woningen) wordt dan ontsloten via de parallelweg langs de Zuiderval en/of rechtstreeks via de Zuiderval en rijdt niet meer van en naar het ontsluitingspunt aan de Getfertsingel. In onderstaande afbeelding is dit concept weergegeven.

In de verbeelding van het omgevingsplan is de locatie rond deze bestaande ontsluiting ten opzichte van de ontwerp omgevingsplanwijziging omgezet van 'groen' naar 'verkeer', zodat deze ontsluiting behouden kan blijven/aangepast kan worden wanneer dat wenselijk is.

30 steld)

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan H22A Cromhoff (vastge

Afbeelding: variant ontsluiting autoverkeer Houten eiland (indicatief)

Verkeersafwikkeling Er is een verkeersonderzoek uitgevoerd naar de verkeersafwikkeling in de omgeving als gevolg van ontwikkeling Cromhoff (zie bijlage 2). In het onderzoek zijn worst case aannames gemaakt door uit te gaan van een maximale invulling van de planmogelijkheden. De totale verkeersgeneratie van de ontwikkeling bedraagt ruim 4.000 motorvoertuigbewegingen per etmaal op een gemiddelde werkdag. Tijdens het drukste spitsuur (avondspits) is de verkeersgeneratie circa 360 motorvoertuigbewegingen. In het onderzoek is de verkeersafwikkeling onderzocht op de volgende kruispunten in de directe omgeving: De twee kruispunten waar het plangebied aansluit op de Getfertsingel (noordzijde plangebied). Hier is volgens het onderzoek in de toekomst sprake van een goede verkeersafwikkeling. De grenswaarden voor 'verliestijden' (tijd die een voertuig ‘verliest’ t.o.v. situatie zonder verkeer) en wachtrijlengtes (is de opstelruimte/-strook lang genoeg) worden niet overschreden. De aansluiting van het plangebied op de Burgemeester Van Veenlaan, aan de westzijde van het plangebied. Ook hier is er een goede verkeersafwikkeling, omdat de grenswaarden voor verliestijden en wachtrijlengtes niet overschreden worden. Kruispunt Zuiderval – Getfertsingel – Varviksingel. Hier blijft de cyclustijd acceptabel in de toekomstige situatie.

Dit is de tijd waarin alle verkeerslichten op een kruispunt minstens één keer groen zijn. Wel zijn op de twee rechtdoorgaande richtingen op de singel op dit kruispunt de wachtrijlengtes langer dan de lengte van de opstelstrook. Dit probleem is er in de referentiesituatie (2033, zonder ontwikkeling Cromhoff) ook al, met uitzondering van de ochtendspits op één van deze richtingen (rechtdoor, van Getfertsingel naar Varviksingel). In de projectsituatie overschrijdt op die richting ook in de ochtendspits de verwachte wachtrijlengte de beschikbare opstelruimte. Naar aanleiding van een verzoek in een zienswijze is aanvullend op het verkeersonderzoek ook de verkeersafwikkeling op het kruispunt Getfertsingel - Burgemeester van Veenlaan onderzocht. De resultaten daarvan zijn opgenomen in een aanvulling op het verkeersonderzoek (toegevoegd aan het rapport in bijlage 2). Uit deze aanvullende analyse, gebaseerd op worst case aannames over de verkeersverdeling, blijkt dat er genoeg capaciteit is op het kruispunt voor het extra verkeer als gevolg van de ontwikkeling. De invloed van de ontwikkeling Cromhoff op dit kruispunt is aanvaardbaar. Het is een feit dat het verkeer op en rond de singel al druk is en dat dit project extra verkeer toevoegt. Dat blijkt ook uit het verkeersonderzoek.

Tegelijkertijd achten wij deze toename aanvaardbaar in verhouding tot het maatschappelijk belang van het toevoegen van nieuwe woningen. De keuze om woningbouw mogelijk te maken weegt in dit geval zwaarder dan de beperkte extra verkeersbelasting die dit met zich meebrengt. Ook op andere locaties in en rond de binnenstad wordt, binnen redelijke grenzen, ruimte geboden aan

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan H22A Cromhoff (vastgesteld) 31

woningbouw ondanks bestaande verkeersdrukte. Verkeersveiligheid De belangrijkste ontsluitingsweg van het plangebied is de Getfertsingel. De weg heeft een breed profiel met rijstroken die zijn gescheiden door een brede middenberm. Hierdoor is het bij kruispunten makkelijker om de Getfertsingel over te steken, omdat de oversteek in twee delen kan worden gemaakt. Langs de weg liggen fietsstroken. Het is niet toegestaan om te stoppen/parkeren op de fietsstrook die daarmee altijd vrij te berijden is voor fietsers. Mede door deze eigenschappen van de weg worden geen problemen verwacht voor de verkeersveiligheid als gevolg van de ontwikkeling. De toename van verkeer op de Burgemeester Van Veenlaan zal beperkt zijn. Alleen het plandeel 'Parkwonen' sluit hier rechtstreeks op aan. Dit zorgt worstcase (als al het verkeer eenzelfde richting op gaat) voor een toename van circa 4% motorvoertuigen per etmaal. Dit zal niet leiden tot een waarneembare verslechtering van de verkeersveiligheid. Zoals hiervoor toegelicht wordt er op ingezet om zo min mogelijk gemotoriseerd verkeer door het gebied te laten rijden en eerder 'af te vangen'. De maximumsnelheid bedraagt 30 km/h op alle wegen. Het inrichtingsplan (bijlage bij de beleidsregels 'Beeldkwaliteit en concept Cromhoff') geeft aan dat de auto zoveel mogelijk ondergeschikt wordt gemaakt.

De straten, paden en pleinen zijn er om elkaar te ontmoeten, veilig buiten te spelen en beweging te stimuleren. Dit geheel zorgt naar verwachting voor een goede verkeersveiligheid binnen het plangebied.

Parkeren Parkeervraag Zoals hiervoor aangegeven is de verwachting dat het privé autobezit naar verwachting lager ligt dan in traditionele wijken buiten de singel. Voor Cromhoff wordt daarom uitgegaan van de parkeernormen voor 'Schilwijken/binnensingelgebied' uit de 'Nota Parkeernormen Enschede 2017' (zoals die gold tijdens de ter inzage legging van het ontwerp van deze omgevingsplanwijziging) en niet van de normen voor de bebouwde kom buiten de singel. Hierna gaan we daar op in. Het plangebied ligt net buiten het binnensingelgebied op relatief korte afstand van de binnenstad met haar voorzieningen. Met name de fietsontsluiting van de wijk is goed ('doorfietsroute') en zorgt ervoor dat de combinatie fiets-trein voor langere ritten een aantrekkelijke optie is. In de Mobiliteitsvisie van Enschede (recenter dan de Nota Parkeernormen 2017) is nadrukkelijk het streven naar minder auto's op straat opgenomen, onder andere om meer ruimte voor groen en klimaatadaptatie te creëren. Dit realiseren we onder andere door de aanleg van een fijnmazig langzaamverkeernetwerk, het bundelen van parkeervoorzieningen (dus meer op afstand van de woningen en kansen voor dubbel gebruik) in bijvoorbeeld mobiliteitshubs en inzet op deelmobiliteit. Plan Cromhoff heeft al deze elementen in zich.

Het gemiddelde autobezit in het binnensingelgebied bedraagt gemiddeld 0,6 auto's per huishouden (bron: CBS in uw buurt), ongeacht inkomen en woningtype. Het plangebied Cromhoff is onderdeel van het gebied Boswinkel-Stadsveld. Hier ligt het gemiddelde autobezit iets hoger, namelijk 0,8 auto's per huishouden. Dit feitelijke aantal ligt fors lager dan de gemiddelde parkeernormen voor woningen in de bebouwde kom buiten de singel. Daar komt nog bij dat het plan zich richt op een aantal specifieke doelgroepen waarbij autobezit minder relevant is. Het hanteren van lagere normen per type huishouden sluit dan ook goed aan bij het daadwerkelijke autobezit in de omgeving én de te verwachten typen huishoudens. Dit betekent dat voor woningen in principe de volgende normen worden aangehouden:

Tabel: Parkeernormen woningen voor 'Schilwijken/binnensingelgebied'

32 steld)

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan H22A Cromhoff (vastge

Toegepast op het nu beoogde woningbouwprogramma betekent dit het volgende:

Tabel: Parkeervraag woningen o.b.v. naar huidig inzicht te realiseren programma

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan H22A Cromhoff (vastgesteld) 33

Voor de overige functies in het gebied (maximaal 3.600 m 2 o.b.v. de planregels) sluiten we ook aan bij de parkeernormen voor 'Schilwijken/binnensingelgebied' uit de 'Nota Parkeernormen Enschede 2017', zoals die gold tijdens de ter inzage legging van het ontwerp van deze omgevingsplanwijziging. Dat leidt tot de volgende parkeervraag, op basis van het verwachte (hoofd)gebruik van de diverse locaties:

Tabel: Parkeervraag overige functies o.b.v. parkeernormen 'Schilwijken/binnensingelgebied'

Op basis van het nu beoogde programma van woningen en overige functies is de totale parkeervraag daarmee 576 plaatsen. In de 'Nota Parkeernormen Enschede 2017' is aangegeven dat bijvoorbeeld bij gebiedsontwikkelingen sprake kan zijn van dubbelgebruik van parkeervoorzieningen, zodat er geen onnodige overcapaciteit ontstaat. Dit is vooral het geval als meerdere functies worden gecombineerd, zoals in de ontwikkeling Cromhoff. Daarbij wordt rekening gehouden met de CROW 'aanwezigheidspercentages' die als bijlage bij de 'Nota Parkeernormen Enschede 2017' zijn gevoegd. Uitgaande van dubbelgebruik op basis van deze uitgangspunten leidt de parkeervraag van 576 tot een benodigd aantal parkeerplaatsen van 505. Nota Parkeernormen gemeente Enschede 2025 Na de ter inzage legging van het ontwerp en voorafgaand aan de vaststelling van deze omgevingsplanwijziging is de 'Nota Parkeernormen gemeente Enschede 2025' vastgesteld. In deze Nota zijn de parkeernormen aangepast ten opzichte van de Nota van 2017. Als we de nieuwe parkeernormen voor auto's voor het 'Binnensingelgebied' zouden toepassen op voorliggend plan Cromhoff, dan zou dit tot een fors lagere parkeervraag voor auto's leiden. Deze nieuwe normen achten wij voor dit specifieke gebied Cromhoff, dat net buiten het Binnensingelgebied ligt, aan de lage kant.

Voor de zekerheid en in lijn met het voorafgaande traject (gehanteerde normen bij eerdere besluiten over het project), blijven wij voor dit plan uitgaan van de auto-parkeernormen voor 'Schilwijken/binnensingelgebied', zoals deze zijn opgenomen in de voorgaande Nota Parkeernormen (2017). Als blijkt dat de daadwerkelijke parkeervraag van (een deel van) de ontwikkeling lager uitpakt, dan kan van de omgevingsplanregels afgeweken worden met een vergunning voor een Buitenplanse Omgevingsplanactiviteit. Op voorhand voorziet het omgevingsplan hier dus nog niet in. Parkeerlocaties Bovenstaande parkeerplaatsen zullen zoveel mogelijk binnen het plangebied gerealiseerd worden. Per deelgebied zijn er verschillende parkeeroplossingen bedacht. In onderstaande afbeelding zijn deze indicatief weergegeven. Het parkeren wordt zoveel mogelijk binnen gebouwen of uit het zicht opgelost. Zo vindt het parkeren in het Industriekwartier vooral plaats in de hallen geparkeerd in een gemeenschappelijke parkeergarage en komt er naar huidig inzicht een parkeergarage onder het Houten eiland. Binnen het Parkwonen is het parkeren voorzien aan binnenzijde van de 'hofjes'. Het parkeren van de Drukpershal en het Wegenergebouw vindt wel buiten op maaiveld plaats, ten zuiden van het Wegenergebouw.

34 steld)

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan H22A Cromhoff (vastge

Afbeelding: parkeerlocaties (indicatief)

De uiteindelijke parkeeroplossingen worden later nader uitgewerkt en afgestemd op de behoefte die volgt uit het daadwerkelijke te realiseren programma. Dit kan ertoe leiden dat een parkeeroplossing uitgebreid wordt (bijv. een extra verdiepingslaag) of dat een aantal parkeerplaatsen buiten het plangebied gerealiseerd wordt. Als dat laatste het geval is, dan moet voldaan worden aan de beoordelingsregels die zijn opgenomen in artikel 25 van het omgevingsplan. Dat betekent onder andere dat geen onevenredige aantasting mag plaatsvinden van de parkeersituatie in de openbare ruimte. Naar huidig inzicht gaat dit mogelijk om enkele tientallen parkeerplaatsen. Fietsparkeren Ook zullen er voldoende fietsplekken gerealiseerd moeten worden. Bewoners parkeren hun fietsen zoveel als mogelijk in hun eigen collectieve of private berging. Bezoekers parkeren hun fietsen waarschijnlijk in centraal gelegen fietsparkeervoorzieningen in de openbare ruimte. Het aantal fietsparkeerplaatsen zal moeten voldoen aan de normen voor 'Binnensingelgebied' uit de geldende 'Nota Parkeernormen gemeente Enschede 2025' (of diens opvolger). Zoals hiervoor aangegeven ligt het plangebied net buiten het Binnensingelgebied. De fietsparkeernormen voor 'Rest bebouwde kom' liggen vooral voor een aantal niet-woonfuncties echter wat lager dan voor het Binnensingelgebied.

Gezien de aard van het plan (meer fietsen, minder auto's; zie ook onder kopje 'Parkeervraag') achten wij de wat hogere fietsparkeernormen beter passend. Borging in omgevingsplan Om voldoende parkeerplaatsen en fietsplekken juridisch te borgen zijn regels opgenomen in artikel 25 van het omgevingsplan met bovenstaande parkeernormen voor parkeerplaatsen en fietsen. Instructieregels Rijk en provincie Artikel 5.163 Bkl (afdeling 5.2) bevat instructieregels voor het voorkomen van belemmeringen van het gebruik en beheer van de hoofdspoorwegen en de rijkswegen. Artikel 5.160/5.161 van het Bkl (par 5.1.7) bevatten instructieregels voor het voorkomen van belemmeringen voor de scheepvaart. In Afdeling 7.1 van de Omgevingsverordening van Overijssel zijn regels opgenomen ten aanzien van Luchthavenbesluit Twente Airport. In paragraaf 4.10.3 van de Omgevingsverordening Overijssel staan instructieregels over het bovenlokale netwerk van fietsroutes en wandelroutes. Het plangebied van deze omgevingsplanwijziging ligt niet nabij bovenstaande wegen, spoorwegen, vaarwegen, luchthaven en fiets- en wandelroutes. De omgevingsplanwijziging voldoet dan ook aan deze instructieregels.

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan H22A Cromhoff (vastgesteld) 35

3.5.5

Bodem- en grondwaterkwaliteit

Deze wijziging van het Omgevingsplan maakt het mogelijk om het plangebied te (her)ontwikkelen van (groetendeels) een voormalig bedrijventerrein naar een gemengd woongebied. Gezien de veelheid aan bestaande onderzoeksgegevens voor (delen van) het plangebied, diverse uitgevoerde saneringen en de complexe historie van het terrein (veel verschillende bedrijfsactiviteiten sinds 1923) is eerst een inventariserend onderzoek naar de (water)bodemkwaliteit uitgevoerd op basis van deze beschikbare gegevens (Geofoxx, februari 2023). Daaruit blijkt dat er (water)bodemverontreinigingen zijn waar een sanering voor nodig is. Om de bodemsanering goed voor te kunnen bereiden is het van belang om de actuele verontreinigingsgraad en de civieltechnische geschiktheid van de uitkomende verontreinigde grond vast te stellen. Op basis van de resultaten van het inventariserend onderzoek is daarom een milieukundig bodemonderzoek uitgevoerd om het inzicht over de aangetoonde bodemverontreinigingen te actualiseren (Geofoxx, juni 2023). Daarbij is ook gekeken naar asbest en PFAS. Vervolgens is op basis van al deze informatie een saneringsonderzoek uitgevoerd (Geofoxx, juni 2023) om te bepalen hoe gesaneerd kan worden en welke kosten daarmee gepaard gaan. Dit is uitgewerkt in twee functiegerichte saneringsvarianten met saneringsmaatregelen en bijbehorende kosten.

Tot slot is een saneringsplan opgesteld met een voorstel voor de uit te voeren saneringsmaatregelen. Dit is bijgevoegd in bijlage 3. Het bevoegd gezag (gemeente Enschede) heeft ingestemd met het saneringsplan. In het rapport zijn ook de eerdere onderzoeksresultaten samengevat. Daarin is onder andere het onderzoek naar PFAS beschreven en zijn overzichten opgenomen van de verontreinigingen en eerder uitgevoerde saneringen. Het saneringsplan geeft aan dat voorafgaand aan het uitvoeren van de daadwerkelijke sanering een plan van aanpak per bouwfase moet worden gemaakt. Dit kan zodra de bouwplannen en het grondverzet definitief bekend zijn. Het bevoegd gezag (gemeente) moet hier mee instemmen. Voor enkele terreindelen is nog nader bodemonderzoek nodig als input voor het plan van aanpak. Het uitvoeren van de benodigde saneringen belemmeren de financiële uitvoerbaarheid van het plan niet. Conclusie Op basis van het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat de (water)bodemkwaliteit geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van de wijziging van het Omgevingsplan. De ontwikkeling die deze wijziging van het Omgevingsplan mogelijk maakt voldoet aan beleid en regelgeving van het Rijk en provincie, zoals benoemd in de instructieregels voor omgevingsplannen in hoofdstuk 5 Bkl (paragraaf 5.1.4.5) en de instructieregels van de provincie voor omgevingsplannen. 3.5.6

Waterhuishouding en klimaatadaptatie

Gemeente Enschede en waterschap Vechtstromen hanteren het principe om water en bodem sturend te maken bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Dit principe is opgenomen in de omgevingsvisie van de gemeente (vaststelling verwacht in 2025) en de Watervisie 2050 van het waterschap (vastgesteld 14 april 2021). Ruimtelijke ontwikkelingen worden getoetst op de gevolgen voor de waterhuishouding en de waterkwaliteit en dienen klimaatrobuust te worden ontworpen. De gemeenteraad heeft op 25 oktober 2021 het Water- en Klimaatadaptatieplan 2022-2026 (WEK) vastgesteld. Dit beleidsplan beschrijft hoe Enschede toewerkt naar een waterrobuuste en klimaatbestendige gemeente in 2050. Enschede wordt nog 'groener' en 'blauwer' om goed voorbereid te zijn op een nattere, hetere en drogere toekomst. Water de ruimte geven en stenen vervangen door planten en bomen gaan wateroverlast, hittestress en verdroging tegen. Zo werkt Enschede verder aan een aantrekkelijke 'duurzame en groene stad' waar mensen graag wonen, leven en werken. Het waterschap heeft op 15 december 2021 het Waterbeheerprogramma 2022-2027 vastgesteld. In het waterbeheerprogramma staan de uitgangspunten die het waterschap hanteert voor de inrichting en het beheer van het watersysteem en de afvalwaterzuivering, rekening houdend met een veranderend klimaat. Deze uitgangspunten zijn ingebracht in het WEK van de gemeente Enschede.

36 steld)

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan H22A Cromhoff (vastge

Hemelwater Uitgangspunt in het beleid van zowel gemeente als waterschap is het voorkomen van wateroverlast, ook bij hevige buiten. Hemelwater moet zo min mogelijk afgevoerd worden via de riolering (en in het buitengebied niet via riolering). Bij nieuwbouwplannen worden eisen gesteld aan de hoeveelheid regenwater die op eigen terrein moet worden geborgen. Volgend uit het WEK is de waterbergingseis voor alle situaties 55 mm (ofwel 55 liter) per vierkante meter verharding (daken en overige verharding). Waterberging en deze planwijziging In het verleden was het grootste deel van het noorden van het plangebied (waar de ontwikkelingen plaatsvinden) verhard of bebouwd. Een groot deel van deze eerdere verhardingen en gebouwen zijn verwijderd/gesloopt. Een groot deel ligt nu braak. In de beoogde nieuwe situatie is het verhard oppervlak in het plangebied naar huidig inzicht in totaal een kleine 42.000 m², inclusief de te behouden/vernieuwen bebouwing en verharding. Hierbij zijn de doorlatende verhardingen (zoals bij de binnenterreinen en bij een aantal parkeerplaatsen) voor 50% meegerekend voor wat betreft het verhard/afwaterende oppervlak. Om een goede waterhuishouding te borgen is het uitgangspunt voor de zekerheid dat alle bebouwing (nieuwbouw en verbouw) en alle overige verharding in het plangebied voldoet aan de eis van 55 mm waterberging per m 2.

Dit betekent een bergingsopgave van circa 2.300 m 3 ten behoeve van de beoogde ontwikkeling in het plangebied. Met het oog op de toekomst wil men bij de inrichting van het watersysteem alvast wat extra buffer inbouwen voor bijvoorbeeld een mogelijke nabijgelegen ontwikkeling ten zuidoosten van het plangebied (aan de Zuiderval). Dit leidt naar schatting tot een extra opgave van circa 500 m 3. Tot slot ligt al een bestaande waterberging in het plangebied die, wat hoeveelheid betreft, moet blijven bestaan (circa 1.200 m 3). Deze heeft namelijk een functie voor berging van hemelwater van buiten het plangebied. De nieuw te realiseren bergingsopgave komt dus bovenop de bestaande waterberging. Dit zorgt al met al voor een waterbergingsopgave van circa 4.000 m 3. In het schetsontwerp van het Inrichtingsplan is het watersysteem met de beoogde locaties voor waterberging in concept uitgewerkt. Zie onderstaande afbeelding.

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan H22A Cromhoff (vastgesteld) 37

Afbeelding: watersysteem

In het gebied zijn twee centrale bergingslocaties beoogd in bovenstaand 'beekdal' aan de oost-/zuidzijde van het plangebied. Dit gebied rond een bestaande watergang wordt daarvoor heringericht. Deze zijn groot genoeg om al het hemelwater centraal te bergen. Het heeft echter niet de voorkeur om al het water direct daarnaartoe af te voeren. Bij voorkeur vindt ook eerst waterberging plaats nabij het oppervlak waar het hemelwater van afstroomt. Dus in de verschillende deelgebieden. Dit is bovenstaand geïllustreerd met wadi's/laagtes verspreid in het plangebied. Het regenwater wordt eerst hier zoveel mogelijk opgevangen en geïnfiltreerd. Het surplus zal via wadi’s en/of duikers richting het 'moerasgebied' met de centrale bergingslocaties stromen. Conclusie hemelwaterb erging In het plangebied is ruim voldoende bergings- en infiltratiecapaciteit aanwezig om te voldoen aan de bergingsopgave van 55 millimeter over het verharde oppervlak. Oppervlaktewater Uitgangspunt in het gemeentelijk beleid voor de waterhuishouding bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen is dat bestaand oppervlaktewater (sloten en vijvers) gehandhaafd blijft. Bij de herinrichting van het oppervlaktewatersysteem zijn de benodigde afvoercapaciteit, de streefbeelden en de kwaliteitsdoelstellingen van het waterschap Vechtstromen leidend.

Wijzigingen aan het bestaande watersysteem en de aanleg van nieuwe waterpartijen worden altijd afgestemd met gemeente en waterschap. Nieuw en bestaand oppervlaktewater wordt geïntegreerd in het stedenbouwkundig plan, zodanig dat het water beleefd kan worden en goed te beheren is. Zoals hierboven aangegeven wordt het gebied heringericht. Ook qua watersysteem. In 2015 is een afvoersloot en waterberging aangelegd. Deze functies blijven behouden, maar worden anders vormgegeven. Ze gaan op in het nieuwe ontwerp van een moerasgebied/beekdal met waar mogelijk flauwe taluds en een grotere waterbergingscapaciteit. Het 'beekdal' zal afwateren op de huidige locatie, aan de zuidkant van het plangebied via duikers onder de Wethouder Beverstraat richting Enschede Zuid. Een nieuwe regenwateroverstort op het beekdal aan de noordoostzijde van het plangebied.

Afvalwater Uitgangspunt in het gemeentelijk beleid voor de waterhuishouding is dat het ontstaan van afvalwater wordt beperkt. In nieuwe situaties (nieuwbouw, herontwikkeling) wordt afvalwater gescheiden van het hemelwater aangeboden en afgevoerd. In principe zorgt de gemeente er voor dat het afvalwater vanaf de perceelsgrens wordt getransporteerd naar de rioolwaterzuiveringsinstallatie van het waterschap Vechtstromen. Niet overal in de openbare ruimte is een systeem aanwezig voor de afvoer van afvalwater. In dat geval moet op eigen terrein een individuele behandeling van afvalwater (IBA) worden ingericht. Voor deze omgevingsplanwijziging geldt dat het afvalwater kan worden afgevoerd naar het openbaar rioolstelsel. Regenwater wordt in principe afgekoppeld, geïnfiltreerd en deels bovengronds, deels ondergronds afgevoerd. In het plangebied wordt een vuilwaterstelsel aangelegd om het vuilwater af te voeren naar de riolering aan de rand van het gebied. Er is een globaal ontwerp gemaakt voor de hoofdstructuur. Naar huidig inzicht wateren de deelgebieden Parkwonen en Industriekwartier af naar het riool in de Wethouder Elshorststraat aan de westzijde en wateren de overige deelgebieden af naar het bestaande vuilwaterriool in de Industriestraat. Dit wordt later exact uitgewerkt worden.

Grondwater, ontwateringsdiepte en ondergronds bouwen In de Waterwet is vastgelegd dat perceeleigenaren zelf verantwoordelijk zijn voor het grondwater op het eigen perceel. De ontwatering van een perceel is afhankelijk van gebruik/toegestane functie van de grond. Onder ontwatering wordt verstaan: het verschil tussen het peil van de weg of van de bebouwing en de gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG). Om ongewenste effecten van hoge grondwaterstanden te voorkomen wordt geadviseerd de in onderstaande tabel genoemde ontwateringsdieptes aan te houden: Functie/gebruik

38 steld)

Ontwatering in m t.o.v. GHG

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan H22A Cromhoff (vastge

Primaire wegen

0,7

Secundaire wegen en erfontsluiting

0,5

Bouwwerken met kruipruimten

0,7

Bouwwerken zonder kruipruimten

0,5

Groen

0,5

Tabel: Minimale ontwateringsdieptes (gerelateerd aan de Gemiddeld Hoogste Grondwaterstand (GHG))

De grondwaterstanden staan in een groot deel van het gebied relatief hoog. Met name in het oosten van het plangebied. Het beoogde uitzetten van een pomp in het Wegenergebouw (noordoosten plangebied) lijkt op basis van een proef waarin deze is uitgezet geen grote gevolgen te hebben, met uitzondering van de directe omgeving van de pomp (met name de kelder van het Wegenergebouw). Het is in ieder geval noodzakelijk om maatregelen te treffen om de ontwateringsdieptes in het plangebied te verbeteren. De grondwaterstand mag niet structureel worden verlaagd (water en bodem sturend; functie volgt peil). Er moet één of een combinatie van de volgende maatregelen toegepast worden: Ophoging maaiveld Doorbreken eventueel aanwezige slecht doorlatende lagen Verbetering ontwatering (drainage, oppervlaktewater) Kruipruimteloos bouwen Het grondwater wordt gemonitord. De exacte maatregelen zijn nog niet uitgewerkt. Dat gebeurt in het vervolgproces. Naar huidig inzicht zal een deel van het plangebied wel opgehoogd worden.

Afwatering Om op perceelniveau te kunnen voorkomen dat afstromend regenwater problemen veroorzaakt, gelden de volgende adviezen: Het vloerpeil minimaal 0,20 m boven straatpeil (kruin van de weg t.o.v. toegang ter plaatse). De maaiveldpeilen en vloerpeilen van de verschillende percelen op elkaar afstemmen. Het perceel vlak of richting de weg af laten lopen. Zo kan water oppervlakkig afstromen zonder schade of overlast te veroorzaken aan aangrenzende percelen. In de verdere uitwerking wordt rekening gehouden met deze uitgangspunten. Hittestress Omdat het bestaande groen in het gebied zoveel mogelijk blijft behouden en nieuw groen en water/moerasgebied wordt toegevoegd, is er naar verwachting geen sprake van (ernstige) hittestress in het gebied. Plekken waar veel bebouwing wordt gecombineerd met verharding zonder groen/schaduw worden zoveel mogelijk voorkomen. Ook is het een doel om te werken met natuurinclusieve gevels wat kan bijdragen aan verkoeling. Conclusie Op basis van het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat in voldoende mate rekening wordt gehouden met voor de toekomst noodzakelijke waterhuishouding. De genoemde waterbergingseis is vastgelegd in de planregels. De waterhuishouding vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de voorgestelde wijziging van het Omgevingsplan.

De planwijziging voldoet ook aan de instructieregels van het Rijk uit paragraaf 5.1.3 van het Bkl (Waarborgen van de veiligheid). Voor Enschede betekent dat dat rekening moet worden gehouden met de gevolgen van de ontwikkeling voor het watersysteem en dat het (belang van het) waterschap wordt betrokken (artikel 5.37; weging van het waterbelang). De overige instructieregels in paragraaf 5.1.3 van het Bkl zien op primaire waterkeringen, de kust, de grote rivieren en het IJsselmeer. Deze zijn niet gelegen op Enschedees grondgebied. Er wordt ook voldaan aan de instructieregels van de provincie ten aanzien van 'Sturen op water en bodem

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan H22A Cromhoff (vastgesteld) 39

(behouden en versterken van een klimaatrobuust water- en bodemsysteem) in afdeling 4.4 van de provinciale verordening en de uitgangspunten voor water en bodem sturend uit de omgevingsvisie van de gemeente Enschede. 3.5.7

Natura 2000-gebieden

Het gebied van deze wijziging van het Omgevingsplan ligt niet binnen of in de nabijheid van een gebied dat is aangewezen als Natura 2000-gebied of bijzonder nationaal natuurgebied. De dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden met stikstofgevoelige habitattypen zijn "Aamsveen" en "Witte Veen". Deze liggen op respectievelijk circa 4,3 kilometer ten zuidoosten en 5,7 kilometer ten zuiden van het gebied van de planwijziging. Gelet op de aard van de ontwikkeling en de afstand tussen het plangebied en de Natura 2000-gebieden, kunnen significant negatieve gevolgen voor de realisatie van instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000 gebieden op voorhand worden uitgesloten voor zover het gaat om andere mogelijke verstoringsfactoren dan stikstofdepositie. Verstoringsfactoren als oppervlakteverlies, versnippering, verontreiniging, verdroging, optische verstoring en verstoring door mechanische effecten kunnen alleen aan de orde zijn bij ruimtelijke ontwikkelingen in of in de directe nabijheid van een Natura 2000-gebied. Hierna gaan we daarom alleen in op stikstofdepositie. Stikstofdepositie Voor de beoogde ontwikkeling is voor de aanlegfase en de gebruiksfase een Aeriusberekening uitgevoerd. Het rapport van het stikstofdepositie-onderzoek is opgenomen in bijlage 4. Uit het onderzoek blijkt dat stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden niet hoger zal zijn dan 0,00 mol/hectare/jaar.

Dit geldt zowel voor de aanlegfase als voor de gebruiksfase. Daarom kan met voldoende zekerheid worden geconcludeerd dat de omgevingsplanwijizging geen significant negatieve effecten op het realiseren van de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden zal hebben. 3.5.8

Natuurnetwerk Nederland (NNN)

Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is een samenhangend netwerk van natuurgebieden en landbouwgebieden met veel natuurwaarden. Het NNN heeft als doel het behouden, beschermen en versterken van de rijkdom aan plant- en diersoorten (biodiversiteit) en beoogt een bijdrage te leveren aan het realiseren en in stand houden van een (inter-)nationaal vitaal stelsel van natuurgebieden. Het gebied van de wijziging van het Omgevingsplan ligt niet in of nabij NNN. Een verdere toetsing aan het NNN kan daarom achterwege blijven. 3.5.9

Beschermde planten- en diersoorten

De wijziging van het Omgevingsplan maakt de (her)ontwikkeling mogelijk van een binnenstedelijk gebied. Om te bepalen of de realisatie van deze ontwikkeling mogelijk negatieve gevolgen heeft voor de functionele leefomgeving en/of de gunstige staat van instandhouding van beschermde soorten is ecologisch onderzoek uitgevoerd. In 2019 is en verkennend onderzoek uitgevoerd naar de natuurwaarden. Uit dit onderzoek bleek dat negatieve effecten op beschermde soorten op voorhand niet uitgesloten kunnen worden en dat nader onderzoek noodzakelijk is. Vervolgens is in 2020-2021 nader onderzoek uitgevoerd (zie bijlage 5). Op basis van vele veldbezoeken is het plangebied onderzocht. Hieruit bleek dat ontheffing van de (toenmalige) Wet natuurbescherming noodzakelijk was voor meerdere beschermde soorten. Vervolgens is het onderzoek geactualiseerd, vanwege de omgevingswet en de houdbaarheid van het onderzoek. Daarbij zijn wederom meerdere veldbezoeken uitgevoerd (laatste in juli 2024). Het rapport van dit onderzoek is bijgevoegd in bijlage 6 ('quickscan Flora- en fauna-activiteit'). Conclusie is (mede o.b.v. het eerdere nader onderzoek) dat beschermde functies van het gebied zijn aangetoond of te verwachten.

Mitigatie en omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit op basis van de onderzoeksresultaten geldt voor de ontwikkeling een omgevingsvergunningplicht voor een flora- en fauna-activiteit. Om deze vergunning te kunnen krijgen zijn maatregelen nodig om effecten te mitigeren. Deze maatregelen moeten voorgelegd worden aan het bevoegd gezag (de provincie) met een

40 steld)

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan H22A Cromhoff (vastge

projectplan waarin de concrete maatregelen zijn uitgewerkt. Dat is inmiddels gebeurd. Na opstelling van het projectplan (zie bijlage 7) is een aanvraag ingediend voor de flora- en fauna-activiteiten. Na een aanvulling op het projectplan heeft de provincie (het bevoegd gezag) in oktober 2024 de omgevingsvergunning verleend. De benodigde maatregelen vinden plaats in de openbare ruimte. Deze blijft na realisatie in eigendom van de gemeente, waardoor de gemeente de instandhouding van de maatregelen in eigen hand heeft. Conclusie Het plan is uitvoerbaar ten aanzien van beschermde flora en fauna. De omgevingsvergunning voor een floraen fauna-activiteit is al verleend op basis van het ingediende projectplan. 3.5.10

Activiteiten en milieuzonering

Voor ruimtelijke ontwikkelingen in de omgeving van bedrijvigheid en andere activiteiten die hinder kunnen veroorzaken, kan gebruik gemaakt worden van de 'VNG handreiking activiteiten en milieuzonering', zoals gepubliceerd in oktober 2024. Hiermee kan worden gemotiveerd dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat op een locatie en/of dat nabijgelegen bedrijven niet beperkt worden door deze ontwikkeling. Hinder en hulpmiddel handreiking De handreiking gaat niet (meer) uit van vaste richtafstanden, maar van daadwerkelijke hinder ten aanzien van alleen de aspecten geluid en geur. Wel bevat de notitie een hulpmiddel voor het inschatten of een activiteit past binnen de 'milieugebruiksruimte' voor geur en geluid. Er is een indicatieve lijst gemaakt met 'posities', oplopend van lichte activiteiten die in principe geschikt zijn voor functiemenging ('FM') tot zware activiteiten die in principe op een industrieterrein horen ('IT'). Daar tussenin liggen 'posities 1, 2, 3 en 4. Activiteiten met positie 1 kunnen potentie hebben voor functiemenging. Ook dat is aangegeven in de lijst. De lijst is nadrukkelijk indicatief. Met een geluid- of geuronderzoek kan de daadwerkelijke hinder/inpasbaarheid nauwkeuriger bepaald worden.

Daarnaast moet uiteraard ook nog rekening gehouden worden met bestaande situaties van percelen in de omgeving waar op basis van een nog geldend bestemmingsplan (tijdelijk deel omgevingsplan) bijvoorbeeld bepaalde bedrijvigheid mogelijk is op basis van een milieucategorie. Twee typen woongebied De handreiking maakt onderscheid in twee typen woongebied waartussen onderscheid gemaakt kan worden in de mate van bescherming tegen hinder van geluid en geur: 'Rustig woongebied': Dit is een gebruikelijke woonwijk/-buurt. Hier staat een prettig, rustig woongenot als doel centraal. Incidenteel komen ook niet-woonactiviteiten voor, zoals een buurtsuper en een school. Maar deze zijn beperkt in aantal, passen zich aan naar de rustige woonomgeving en veroorzaken doorgaans geen wezenlijke hinder voor de omwonenden. Verder gaat het vooral om beroepen en bedrijven aan huis. 'Gemengd gebied met wonen': Hier is een menging van milieugevoelige en milieuhinderlijke activiteiten aanwezig of beoogd. Wonen (of ander milieugevoelig gebruik) is toegelaten, samen met activiteiten die geschikt zijn om te mengen met wonen, zoals detailhandel, horeca, onderwijs, zorg, dienstverlening, cultuur en lichte bedrijvigheid. Het zijn vaak levendige gebieden, zoals een centrumgebied met horeca en detailhandel op de begane grond en woningen op de verdiepingen. Andere voorbeelden die hieronder kunnen vallen: 1.

Randen van gebieden die “verkleuren” van winkelgebied naar vooral woongebied. 2. Een voormalig bedrijventerrein zijn, dat tot gemengd woon-werkgebied is of wordt getransformeerd. 3. Lintbebouwing in het buitengebied met een menging van wonen met agrarische en andere bedrijvigheid. 4. Woongebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen. Hoe gemeenten hier precies mee omgaan komt voort uit eigen beleid. Gemeente Enschede is bezig met een actualisatie van het geluidbeleid. Voor het bepalen van de aanvaardbaarheid van mogelijke hinder sluiten wij aan bij de gedachte dat in een gemengd gebied gemiddeld minder streng wordt omgegaan met (lichte) effecten van geluid en geur dan in een rustig woongebied. Voor een gemengd gebied geldt in de basis de standaardwaarde van 50 dB(A) op gevels van gevoelige functies uit het Bkl (art. 5.65). Voor een rustig woongebied raadt de handreiking 45 dB(A) aan. Voor geur wordt geen onderscheid gemaakt tussen een rustig woongebied en een gemengd gebied.

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan H22A Cromhoff (vastgesteld) 41

Milieuzonering en deze wijziging van het Omgevingsplan De voorgenomen ontwikkeling betreft de realisatie van maximaal 500 woningen. Daarnaast is een aantal andere functies mogelijk, zoals lichte bedrijvigheid en culturele activiteiten. De beoogde woningen zijn milieugevoelige functies in het kader van activiteiten en milieuzonering. Het is daarom relevant om te kijken of er bedrijven en andere mogelijk relevante activiteiten in de omgeving aanwezig zijn. Deze kunnen invloed hebben op de beoogde ontwikkeling van de woningen en vice versa. Het plangebied is te beschouwen als een 'gemengd gebied met wonen'. Enerzijds vanwege de omgeving waarin het gebied ligt, met drukke wegen aan drie zijden en een diversteit aan functies in de omgeving. Anderzijds vanwege het karakter van de beoogde ontwikkeling van een gemengd woonmilieu. Zoals hiervoor aangegeven kan in een gemengd gebied iets minder 'streng' worden omgegaan met de aanvaardbaarheid van geluid- en geurniveaus. Activiteiten in de omgeving van het plangeb ied In de omgeving van het plangebied liggen enkele bedrijven en andere functies. Ten (zuid)oosten van het plangebied liggen een autobedrijf en een tankstation (zonder LPG). Een benzine servicestation (tankstation) valt volgens de indicatieve lijst bij de VNG-handreiking onder 'positie 1' voor zowel geluid als geur.

Dit betekent dat het lichte bedrijvigheid is op gebied van geluid en geur. Het tankstation ligt op ruim voldoende afstand van beoogde woningen (> 50 meter), waardoor een relevante invloed van dit type activiteiten op het woonmilieu niet zal optreden. Op het perceel van het autobedrijf was voorheen een tuincentrum gevestigd. Vanwege woningbouwplannen is de invulling met het autobedrijf waarschijnlijk tijdelijk. Het autobedrijf voert lichte werkzaamheden uit. Het gaat vooral om stalling van te verkopen en/of te verhuren auto's. In de indicatieve lijst vallen handel in auto's en verhuur van auto's onder 'positie 1' voor geluid en onder 'FM' (functiemenging) voor geur. Ook is aangegeven dat deze activiteiten beide potentie hebben voor functiemenging. De activiteiten liggen op circa 30 meter en verder van de mogelijke woonfuncties in het plangebied. Een relevante invloed van de activiteiten op het woonmilieu en vice versa is niet te verwachten. Verder gaat het om enkele maatschappelijke functies in de omgeving. Deze functies liggen ver genoeg van het plangebied (onderwijs ROC; ten zuidoosten van gebied) of kennen geen relevant risico op potentiële hinder voor de woningen in het plangebied (zorgcomplexen; ten zuidwesten van het gebied). Activiteiten binnen het plangeb ied Binnen het plangebied zijn ook niet-woonfuncties mogelijk.

Op basis van de planregels zijn alleen functies toegestaan die ter verenigen zijn met het wonen, zoals kantoren, lichte bedrijvigheid en lichte horeca. Gezien het beoogde gemengde woonmilieu, achten wij dit aanvaardbaar. Op basis van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) is in ieder geval gezekerd dat de geluidbelasting van bedrijvigheid op woningen niet hoger is dan de grenswaarden in het Bkl (langtijdgemiddeld beoordelingsniveau en en maximale geluidniveaus op de gevel). Waar nodig zijn aanvullend ook regels gesteld in het omgevingsplan, zoals bedrijfstijden, openingstijden van de horeca en regels voor geluid, in lijn met het advies uit het akoestisch onderzoek (zie ook paragraaf 3.5.12). Voor de zekerheid is ook een algemeen verbod in de planregels opgenomen voor alle vergunningplichtige milieubelastende activiteiten in de zin van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Conclusie Het aspect 'activiteiten en milieuzonering' vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. 3.5.11

Luchtkwaliteit

Een toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor luchtkwaliteit is niet nodig als een project of activiteit maar weinig bijdraagt aan luchtverontreiniging. In juridische termen heet dat: niet in betekenende mate (NIBM). Artikel 5.54 van het Bkl bevat een aantal standaardgevallen waarbij er sprake is van NIBM. Het gaat onder andere om een ontwikkeling van gebouwen met woonfunctie en nevengebruiksfuncties met: 1 ontsluitingsweg en ten hoogste 1.500 woningen of 2 ontsluitingswegen en ten hoogste 3.000 woningen. Het plan heeft betrekking op maximaal 500 woningen en heeft naar verwachting 3 ontsluitingswegen. Daarnaast is er nog ruimte voor maximaal 3.600 m 2 aan overige functies. Dit betekent dat er nagenoeg zeker sprake is van NIBM. 42 steld)

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan H22A Cromhoff (vastge

Ter controle is de 'NIBM-tool' ingevuld. Daarbij is gebruik gemaakt van de verkeersgeneratie uit het uitgevoerde verkeersonderzoek (weekdaggemiddeld; zie bijlage 2) en een aandeel vrachtverkeer van 1,66% in lijn met de gegevens voor het geluid- en stikstofonderzoek. Volledige realisatie is op zijn vroegst in 2034 aan de orde. Uit de berekening blijkt dat de ontwikkeling ruim onder de grenswaarde blijft. Zie onderstaande tabel.

Tabel: resultaat NIBM-tool (https://iplo.nl/thema/lucht/betekenende-mate-bijdragen/nibm-tool/)

Conclusie Het plan draagt niet in betekende mate bij aan verslechtering van de luchtkwaliteit. De planwijziging voldoet aan de instructieregels in paragraaf 5.1.4.1 van het Bkl. Het aspect luchtkwaliteit vormt daarmee geen belemmering voor deze wijziging van het Omgevingsplan. 3.5.12

Geluidhinder

Bij het toelaten van een activiteit, (spoor)weg, industrieterrein of geluidgevoelig gebouw moet het bevoegd gezag het geluid op geluidgevoelige gebouwen beoordelen. Ieder bevoegd gezag heeft de algemene taak 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties' (artikel 4.2, Omgevingswet) bij de belangenafweging over beschermen en benutten. Instructieregels die deze algemene taak invullen staan in hoofdstuk 5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Voor het beoordelen van geluid zijn deze regels bedoeld voor de bescherming van de gezondheid en het milieu. De centrale regels voor beoordeling van geluid door activiteiten, lokale (spoor)wegen en op geluidgevoelige gebouwen staan in de artikelen 5.59, 5.78l en 5.78s van het Bkl. Het vaststellen van het omgevingsplan die deze toelaten, moet aan twee eisen voldoen: houd rekening met geluid; voorziet in aanvaardbaar geluid.

Wegverkeerslawaai Geluid van bestaande wegen op nieuwe woningen Met de realisatie van de voorgenomen ontwikkeling worden er geluidsgevoelige gebouwen aan de omgeving toegevoegd. Het Besluit kwaliteit leefomgeving bevat standaardwaarden en grenswaarden voor geluid door een geluidbronsoort op een geluidgevoelig gebouw. Deze waarden zijn van toepassing op het geluid door alle geluidbronnen van een geluidbronsoort. In en rond het plangebied liggen diverse wegen die het nodig maken om een akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai te doen. Daarin is bepaald wat het effect van wegverkeerslawaai is op de beoogde geluidgevoelige gebouwen. Het volledige rapport is als bijlage 8 bij de motivering opgenomen. Uit het akoestisch onderzoek volgt dat voor een deel van de woningen sprake is van een geluidbelasting die hoger is dan de standaardwaarde (53 dB) uit het Bkl, maar niet hoger is dan de grenswaarde (70 dB). De geluidbelasting bedraagt ten hoogste: bestemmingsplan TAM-omgevingsplan H22A Cromhoff (vastgesteld) 43

62 dB in deelgebied Parkwonen; 57 dB in deelgebied Industriekwartier; 63 dB in deelgebied Stadsbalkon/Houten eiland. Ter hoogte van de woningen die direct aan de locatie met aanduiding 'terras' in het omgevingsplan liggen is sprake van cumulatie van de geluidbronsoort gemeentelijke wegen met stemgeluid. Hier bedraagt het gecumuleerde geluidniveau (geluid van alle geluidbronsoorten en andere bronnen samen, inclusief weging voor onderlinge verschil in hinderlijkheid) ten hoogste 67 dB Lden. Het gezamenlijke geluid (geluid van alle geluidbronsoorten en andere bronnen samen, zonder weging) bedraagt ten hoogste 65 dB. Voor de overige woningen wordt de geluidbelasting volledig bepaald door gemeentelijke wegen en is er geen verschil tussen de geluidbelasting vanwege wegverkeer en het gecumuleerde dan wel gezamenlijke geluid. De vastgestelde geluidniveaus achten we (o.b.v. de Geluidnota Enschede) aanvaardbaar onder de voorwaarde dat grondgebonden woningen een geluidluwe gevel hebben (gevel met geluidbelasting niet hoger dan de standaardwaarde) en dat een aanwezige buitenruimte zoveel mogelijk wordt gesitueerd aan de geluidluwe gevel. Voor appartementen en overige geluidgevoelige gebouwen dient voor zover haalbaar (gezien kosten, technische uitvoerbaarheid en /of stedenbouwkundige inpassing) sprake te zijn van een geluidluwe gevel.

Deze voorwaarden zijn vastgelegd in het omgevingsplan (artikel 27.1). Daarnaast is het gezamenlijke geluid vastgelegd, waarmee in samenhang met de regels in het Bkl is gezekerd dat het geluidniveau in de beoogde woningen tot een aanvaardbaar niveau wordt beperkt (ten hoogste 33 dB). Geluid van nieuw aan te leggen ontsluitingswegen op nieuwe en bestaande woningen Een indicatie van het geluid vanwege de nieuw aan te leggen wegen, op naastgelegen bestaande woningen, is opgenomen in het akoestisch onderzoek. De precieze geluidbelasting op omliggende bestaande en geprojecteerde geluidgevoelige gebouwen kan worden bepaald zodra het precieze wegontwerp bekend is. Uit de indicatieve geluidinvloed op naastgelegen bestaande woningen volgt dat niet op voorhand zeker is, dat wordt voldaan aan de beoordelingscriteria die volgen uit het Bkl. Daarom is in het omgevingsplan met een vergunningplicht voor onsluitingswegen (artikel 27.2), en daaraan verbonden beoordelingsregels (artikel 27.3) en indieningsvereisten (artikel 6.3), geregeld dat akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd naar de geluidbelasting op omliggende (binnen aandachtsgebied gelegen) bestaande en geprojecteerde geluidgevoelige gebouwen.

Afhankelijk van de uitkomst van het onderzoek kan het nodig zijn om maatregelen in te zetten om de geluidbelasting te reduceren en/of het geluidniveau in de woningen te beperken (gevelwering). Geluidseffect van extra verkeer op b estaande wegen Door de voorgenomen ontwikkeling ontstaat meer verkeer op omliggende bestaande wegen. Uit het akoestisch onderzoek volgt dat de geluidbelasting door deze verkeerstoename met ten hoogste 0,5 dB toeneemt. Dit is lager dan het beoordelingscriterium in artikel 5.78af lid 1 van het Bkl (niet meer dan 1,5 dB toename) en is daarmee aanvaardbaar. Industrielawaai/geluid door activiteiten Zoals vastgesteld in paragraaf 3.5.10 liggen er in de omgeving van het plangebied geen bedrijven of andere functies die mogelijk voor relevante geluidhinder ter plekke van de beoogde woningen zorgen. Binnen het plangebied zijn alleen lichte milieubelastende activiteiten voorzien (zie ook paragraaf 3.5.10), waarvoor specifieke gebruiksregels gelden in het omgevingsplan (artikelen 17, 18 en 19). Hiervan is het, in samenhang met de algemene regels die in het tijdelijke deel van het omgevingsplan (bruidschatregels) zijn opgenomen, voldoende aannemelijk dat deze niet leiden tot een verhoogde kans op geluidhinder op omliggende bestaande en geprojecteerde geluidgevoelige gebouwen. Ter hoogte van de aanduiding "overige zone- terras" kan sprake zijn van stemgeluid.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=enschede&id=d7f33cc3-9084-495d-9653-30ee6c6ef5a2