CConstaterende datEnkhuizen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 3 Toelichting bestemmingsplan Enza Zaden

gemeenteraad 22 oktober 2024, gemeente EnkhuizenBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan Enza Zaden (akkoordstuk)17.883 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

28

archeologische verwachtingswaarde. Voor het overige plangebied geldt een middelhoge of lage verwachting. Hieruit volgt dat er vervolgonderzoek nodig is in de vorm van proefsleuven onderzoek.

Figuur 4.2.2.1: De Archeologische Monumentenkaart en Indicatieve Kaart Archeologische Waarden ter plaatse van het plangebied (bron: Aanvullend archeologisch advies Enza Zaden, Archeologie Westfriesland)

Het veldwerk voor het proefsleuvenonderzoek is uitgevoerd door BAAC. Het eindrapport zal nog enige tijd op zich laten wachten vanwege de uitvoering van specialistisch onderzoek. Daarom is een vrijgavedocument opgesteld door Archeologie West-Friesland op basis van het evaluatierapport. Zo kunnen de bevindingen worden verwerkt in de bestemmingsplanwijziging. Het vrijgavedocument is als separate bijlage bij deze toelichting toegevoegd. Hieronder is het advies weergegeven. Archeologie West-Friesland neemt het advies van BAAC over en adviseert de onderzochte delen binnen het plangebied vrij te geven met betrekking tot het aspect archeologie. Voor de niet onderzochte delen wordt geadviseerd de vrijstellingsgrenzen van de beleidskaart archeologie over te nemen in de vorm van dubbelbestemmingen. De bedrijfsgebouwen en waterpartijen zijn voldoende onderzocht door middel van het proefsleuvenonderzoek en kunnen worden vrijgegeven. Een gebruikelijke lichte kasfundering classificeert als archeologie-vriendelijk. De eventuele aanwezige archeologische resten kunnen daarmee ter plaatse van de kassen in de bodem behouden blijven.

077500-240423-SZ-RW-Toelichting.docx

29

Voor de zones met een middelhoge verwachting voor bewoning uit de prehistorie wordt voorgesteld om de vrijstellingsgrens te wijzigen van 15.000 naar 2.500 m². Uit archeologische onderzoek van de afgelopen 10 jaar binnen deze zones blijkt dat hier wel degelijk (grootschalige) bewoning uit de Bronstijd aanwezig kan zijn.

CONCLUSIE Op basis van het uitgevoerde archeologisch onderzoek zijn de archeologische waarde in het plangebied aangepast naar het advies van Archeologie West-Friesland. In figuur 4.2.3.1 is te zien welke gebieden vrijgegeven zijn en welke vrijstellingsgrenzen in de rest van het plangebied aangehouden worden. De aangepaste vrijstellingsgrenzen worden overgenomen in de planregels en verbeelding.

Figuur 4.2.3.1: Vrijgavekaart plangebied. (bron: Vrijgavedocument Enza Zaden, Archeologie Westfriesland)

Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor de ontwikkeling van dit plan.

CULTUURHISTORIE WET- EN REGELGEVING Rijk Goede ruimtelijke ordening betekent dat er een integrale afweging plaatsvindt van alle belangen die effect hebben op de kwaliteit van de ruimte. Eén van die belangen is de cultuurhistorie. Per 1 januari 2012 is in het kader van de modernisering van de monumentenzorg (MOMO) in het

077500-240423-SZ-RW-Toelichting.docx

30

Besluit ruimtelijke ordening van het rijk opgenomen dat gemeenten bij het maken van ruimtelijke plannen rekening moeten houden met cultuurhistorische waarden. Provincie De Cultuurhistorische Hoofdstructuur (CHS) van de provincie Noord-Holland zet karakteristieke landschappelijke kenmerken ‘op de kaart’. Het bevordert de beleving door aan te geven waar cultuurhistorische waardevolle aspecten van het landschap gevonden kunnen worden. Gemeente Op 2 december 2009 is de Stadsvisie Enkhuizen 2030 vastgesteld. De visie geeft richting aan de gewenste ruimtelijke inrichting van een gebied waardoor voor eenieder in algemene zin duidelijk is of bepaalde initiatieven daarbinnen passen.

ONDERZOEK De provincie Noord-Holland heeft de Leidraad landschap en cultuurhistorie 2018 als online handreiking beschikbaar gesteld. Het plangebied valt binnen ensemble Westfriesland. Uit het leidraad blijkt dat er geen waardevolle monumenten in het plangebied aanwezig zijn. De cultuurhistorische en landschappelijke kenmerken die de leidraad noemt en van belang zijn voor dit plangebied zijn als volgt: - Archeologische waarden verbonden aan restanten van het getijdelandschap (kreekvlakten en -ruggen); - De Westfriese Omringdijk (provinciaal monument) als het geheel van het dijklichaam, de wielen, de buitendijkse landen, het oude tracé van de dijk en een open zone aan weerszijden van de dijk, alsmede een bredere panoramazone landinwaarts; - De openheid van het Westfriese landschap daarbij inbegrepen stilte en duisternis; - Het karakter van een overwegend vlak gebied met tuinbouw, gras- en bouwland. De genoemde kenmerken zijn bij de planvorming meegenomen in het opstellen van het beeldkwaliteitsplan voor dit bestemmingsplan. Deze kenmerken hebben in de uitwerking van het planvoornemen, voor zover mogelijk, een passende invulling gekregen.

077500-240423-SZ-RW-Toelichting.docx

31

Figuur 4.3.2.1: De Cultuurhistorische kaart geeft bij historisch landschap de kenmerken ‘Kassen’ en ‘Zeekleilandschap’ aan ter plaatse van het plangebied (bron: provincie Noord-Holland).

CONCLUSIE De uitbreiding van Enza Zaden leidt niet tot aantasting van de cultuurhistorische waarden. In het plangebied komen geen monumenten voor. In de realisatie worden de ontwerprichtlijnen uit het Leidraad landschap en cultuurhistorie meegenomen. Het project is op het gebied van cultuurhistorie uitvoerbaar.

WATER WET- EN REGELGEVING Waterbeheer en watertoets Sinds 1 november 2003 is de toepassing van de watertoets wettelijk verplicht door de verankering in het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985. De watertoets heeft betrekking op alle grond- en oppervlaktewateren en behandelt alle van belang zijn de waterhuishoudkundige aspecten (naast veiligheid en wateroverlast ook bijvoorbeeld waterkwaliteit en verdroging). De watertoets is een belangrijk procesinstrument om het belang van water een evenwichtige plaats te geven in de ruimtelijke ordening. Uit de waterparagraaf blijkt de betrokkenheid van de waterbeheerder in het planproces en de wijze waarop het wateradvies van de waterbeheerder is meegenomen in de uitwerking van het plan. Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier Het projectgebied ligt binnen het beheersgebied van het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier (HHNK), verantwoordelijk voor het waterkwantiteitsen 077500-240423-SZ-RW-Toelichting.docx

32

waterkwaliteitsbeheer. Het waterschap geeft bij ruimtelijke ontwikkelingen advies over de waterhuishoudkundige situatie. Legger en keur In de legger en keur van het hoogheemraadschap wordt het belang van verschillende watergangen weergegeven en voor waterkeringen bepaald waar de beschermingszones liggen. In figuur 4.4.1.1 is te zien dat in het plangebied een primaire watergang loopt. De andere watergangen zijn secundaire watergangen. In figuur 4.4.1.2 is de beschermingszone van de Oosterdijk te zien. Deze wordt meegenomen in het bestemmingsplan.

Figuur 4.4.1.1: Watergangen met beschermingszone (bron: Legger wateren 2022 HHNK).

077500-240423-SZ-RW-Toelichting.docx

33

Figuur 4.4.1.2: Waterkeringen met beschermingszone (bron: Legger waterveiligheid 2022 HHNK).

Waterplan HHNK (2022-2027) Het waterplan (of waterbeheerprogramma) is wettelijk verplicht volgens de Waterwet (die straks opgaat in de Omgevingswet) en het Bestuursakkoord Water. Het Waterplan HHNK werkt de doelen en ambities op het gebied van waterbeheer en maatschappelijke opgaves uit. Het legt uit hoe de projecten van het HHNK bijdragen aan het halen van de doelstellingen en hoe deze gekoppeld zijn aan de langetermijnvisie.

ONDERZOEK Doel van het Watertoets proces is dat waterhuishoudkundige doelstellingen zichtbaar en evenwichtig worden meegenomen bij ruimtelijke plannen of besluiten. De Watertoets van het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier richt zich op vijf thema’s. Deze thema’s worden hieronder doorlopen. Waterkwantiteit Voor het wateraspect 'waterkwantiteit' geldt dat moet worden aangegeven hoe rekening is gehouden met de compensatie van gedempt oppervlaktewater, de compensatie van de toename van verharding en de verbetering van de waterhuishouding door realisatie van extra waterberging (eventueel in combinatie met andere functies). Voor het plangebied zijn de te dempen watergangen, de nieuw te graven watergangen, gietwaterbassins en de verhardingen met watercompensatie in beeld gebracht, zie tabel 4.4.2.1. 077500-240423-SZ-RW-Toelichting.docx

34

Oppervlaktes Bestaand & Nieuw | Bestemmingsplan Enza Zaden Onderdelen bestaand Onderdelen nieuw Gebouwen Gebouwen Bio Scope gebouw 8525 m² Fytopathologie SSG gebouw 12130 m² Gebouw 1 Haling gebouw 9554 m² Gebouw 2 ODG gebouw 1742 m² Gebouw 3 Innova gebouw (Fase 3) 4954 m² Gebouw 4 PMV gebouw 761 m² Gebouw 5 Schuur 4900 m² Gebouw 6 Overig 2531 m² Overig Kassen Fase 1 Fase 2 + 6 Fase 4 + 5 Fase 7 + 8 Fase 9 +10

7640 12191 14400 22650 20770

m² m² m² m² m²

Gietwaterbassin Gietwaterbassin 1 Gietwaterbassin 2

13.400 13.650

m³ m³

7857 3400 3400 4640 13122 6236 4875 500

m² m² m² m² m² m² m² m²

Kassen Kas Fytopathologie Fase 11 Fase 12 Fase 13 Fase 14 Fase 15 Fase 16 Corridor Fase 17

11903 9150 9150 9150 9150 9150 9150 5571 7385

m² m² m² m² m² m² m² m² m²

Gietwaterbassin Gietwaterbassin 3 Gietwaterbassin 4

7700 19750

m³ m³

22540 10495

m² m²

4730 62 235 552 200

m² m² m² m² m²

Water graven Water 1 Water 2 Water 3 Water 4 Water 5 Water 6 Water 7 Water 8 Water 9

1490 6160 939 537 583 377 125 605 214

m² m² m² m² m² m² m² m² m²

Totaal Nieuw gebouwen Nieuw kassen Nieuw gietwaterbassin Water dempen Water graven Nieuw verharding Nieuw grasbetontegels

44030 79759 27450 5779 11030 22540 10495

m² m² m³ m² m² m² m²

Verharding Wegen Grasbetontegels (70%) Water dempen Water A Water B Water C Water D Water E

Totaal Bestaande gebouwen Bestaande kassen Bestaande gietwaterbassin

Minder verharding Parkeerp. 477st (30%) Parkzone gebouw 3 Totaal Minder verharding

077500-240423-SZ-RW-Toelichting.docx

45097 77651 27050

m² m² m³

1.788 3.634

m² m²

5.422

m²

35

Vervangend water Compensatie verharding Toename verharding Compensatie 13% eis hoogheemraadschap Watercompensatie Te dempen water Te graven water Toename water Nog op te lossen in gietwaterbassin bij 13% compensatie

148254 19273

m² m²

5779 11030 5251 14022

m² m² m² m² m²

m³

Omgerekend in m³ bij een piekbui van 69mm

7442

m³

Tabel 4.4.2.1: Overzicht oppervlakte verharding en watercompensatie.

Ten opzichte van de bestaande situatie kan het verhard oppervlakte in het plangebied in de toekomst toenemen met 153.676 m². Daarnaast worden de bestaande parkeerplaatsen welke nu zijn verhard met betonklinkers vervangen met grasbetontegels waardoor de verharding afneemt. Voor de grasbetontegels wordt uitgegaan van een verhardingspercentage van 70% waarbij een zandbed onder de grasbetontegels wordt voorzien. Tevens komt een deel van de verharding en parkeerplaatsen te vervallen achter de Haling ter plaatse van toekomstig gebouw 3. In totaal gaat het om mindering van de onderstaande verharding: - parkeerplaatsen grasbetontegels: 477stuks x 12,5 m² x 30% = 1.788 m² - parkzone ter plaatse van gebouw 3 en minder parkeerplaatsen: 3.634 m² In totaal wordt er 5.422 m² minder verharding gemaakt, waardoor de totale toegenomen verharding 153.676 m² - 5.422 m² = 148.254 m².

Figuur 4.4.2.2: Tekening mogelijk toekomstige situatie. In het rood gearceerd de aan te passen bestaande verharding in parkzone. 077500-240423-SZ-RW-Toelichting.docx

36

De gedempte watergangen van circa 5.779 m² worden 1 op 1 terug gegraven binnen het plangebied. De oppervlakte van de nieuw te graven watergangen is 11.030 m². De toename van de verharding ter plaatse van het maaiveld i.v.m. erfverhardingen van 27.613 m² wordt volledig gecompenseerd in de nieuw te graven watergangen (13% van het verhard oppervlak = 3.590 m²). De toename van de verharding i.v.m. de daken wordt deels gecompenseerd in de nieuw te graven watergangen en deels in de gietwaterbassins. In totaal wordt er 11.030 m² water gegraven en circa 5.779 m² water gedempt. Hierdoor is er nog 5.251 m² water ter beschikking voor de watercompensatie van verharding. De overige benodigde watercompensatie wordt in het gietwaterbassin voorzien. Daarbij wordt aangehouden dat voor elke vierkante meter verhardingstoename 69 mm (of 0.069 m) berging ter beschikking is, oftewel 7.442 m³. Het gietwaterbassin is een alternatieve vorm van waterberging. Om ervoor te zorgen dat de waterberging ook voldoende snel leeg is, moet water vanuit de waterberging worden afgevoerd naar het oppervlaktewater. De afvoer naar het oppervlaktewater is 8 m³/min/100 ha waardoor het watersysteem niet te sterk belast wordt en is geborgd dat de voorziening tijdig leegloopt voor een mogelijke volgende bui.

Het hemelwater dat op de onverharde terreindelen valt, wordt geïnfiltreerd in de bodem en/of loopt oppervlakkig af naar de watergangen. Het hemelwater dat op het verhard oppervlakte valt, wordt afgevoerd naar de watergangen. Het hemelwater wat valt op de daken van de gebouwen en kassen worden opgevangen en afgevoerd naar de gietwaterbassins. Vervolgens wordt het water uit het gietwaterbassin gebruikt voor de teelt. De watergangen en watercompensatie worden per toekomstige nader in te vullen uitbreiding bepaald en gerealiseerd. Waterkwaliteit De nieuwe watergangen staan in verbinding met bestaande watergangen om een doorspoelbaar watersysteem te waarborgen. Alleen waar noodzakelijk worden dammen met duikers aangelegd. Ten westen en noorden van het plangebied loopt een ecologische verbindingszone. Deze zone en de watergang de Zandsloot (tussen het huidige bedrijf en de uitbreiding in), worden voorzien van natuurlijke oevers d.m.v. een flauw talud en plasbermen. Hierin wordt het advies van Blom Ecologie in de ‘Notitie advies natuurvriendelijke oever Haling 1-E te Enkhuizen’ overgenomen, zie paragraaf 4.5.2 ‘Onderzoek flora en fauna’. Nieuw aan te planten bomen worden zoveel mogelijk niet direct langs de waterkant geplaatst om bladval in het oppervlaktewater te voorkomen.

Op plekken waar eventueel met chemische middelen gewerkt wordt zijn waterdichte bakken aangelegd om te voorkomen dat de chemische middelen in aanraking komen met oppervlakteof grondwater. Vervuild regenwater (bijvoorbeeld condenswater) wordt door een aparte leiding afgevoerd en hergebruikt. Om verontreiniging van afstromend hemelwater, oppervlaktewater en grondwater te voorkomen wordt geadviseerd duurzaam te bouwen. Het gebruik van uitlogende materialen wordt zoveel mogelijk voorkomen.

077500-240423-SZ-RW-Toelichting.docx

37

Waterkering Ten oosten van het plangebied ligt de Oosterdijk. Dit is een primaire waterkering. De beschermingszone van de waterkering valt binnen het plangebied. De dubbelbestemming ‘gebiedsaanduiding vrijwaringszone-dijk’ wordt overgenomen in het nieuwe bestemmingsplan. Afvalwaterketen Per toekomstige nader in te vullen uitbreiding zal worden bepaald hoeveel de extra afvoer wordt, zodat de gemeente hier met haar prognoses rekening mee kan houden. Binnen het plangebied wordt een gescheiden riolering aangelegd. Het afvalwater (zoals toiletten, douches en gootstenen) van de bedrijfsgebouwen wordt aangesloten op het bestaande rioolstelsel binnen het plangebied en vervolgens op het gemeentelijke rioolstelsel. Het hemelwater, afkomstig van de daken en schone verharde oppervlakken, zal worden afgekoppeld. Het hemelwater van de daken wordt geloosd in de gietwaterbassins en gebruikt als gietwater voor de teelt. Het hemelwater van de schone verharde oppervlakken wordt rechtstreeks geloosd op het oppervlaktewater. Beheer en onderhoud nieuw oppervlaktewater De nieuwe watergangen in het plangebied worden minimaal 10 meter breed. De nieuwe en aan te passen dammen worden voorzien van een duiker die doorvaarbaar is. Varend onderhoud is in het hele plangebied mogelijk. Het nieuwe benodigde oppervlaktewater wordt gerealiseerd op het perceel welke in eigendom is van de initiatiefnemer.

De initiatiefnemer is daarom ook verplicht het droog onderhoud van de oever te verrichten. Ter plaatse van de secundaire watergang is de initiatiefnemer ook verplicht het gewoon nat onderhoud te verrichten. Dit zal periodiek gebeuren. Het oppervlaktewaterlichaam en onderhoudsstrook wordt vrijgehouden van feitelijke belemmeringen voor het uitvoeren van onderhoud en inspectie. De waterkanten bestaan uit een natuurlijke oever of een beschoeiing met grastalud. Vergunningen en ontheffingen Voor werkzaamheden in, langs, op, bij of aan open water, waterkeringen, alsmede voor het doen van lozingen op het oppervlaktewater en het realiseren van verhardingstoenames groter dan 800 m² is een watervergunning nodig. Indien nodig zal de initiatiefnemer een vergunning of ontheffing aanvragen. Dit zal mogelijk gefaseerd plaatsvinden.

CONCLUSIE Het project is op het gebied van water uitvoerbaar.

ECOLOGIE WET- EN REGELGEVING Wet natuurbescherming Vanaf 1 januari 2017 vervangt de Wet natuurbescherming een drietal wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. Het doel van deze wet is de bescherming van de biodiversiteit in Nederland, decentralisatie van verantwoordelijkheden en een vereenvoudiging van regels. De wet gaat in op gebiedsbescherming (Natura 2000077500-240423-SZ-RW-Toelichting.docx

38

gebieden of Nationaal Natuurnetwerk) en op soortbescherming. De Wet natuurbescherming heeft de verbodsbepaling uit de Flora- en faunawet overgenomen dat activiteiten die schadelijk zijn voor beschermde dier- en plantsoorten, verboden zijn. De verboden activiteiten zijn het op enige wijze verwijderen van beschermde inheemse planten van hun groeiplaats, een beschermde inheemse diersoort opzettelijk te verontrusten en/of nesten, holen of andere vaste rusten verblijfplaatsen van deze dieren te verstoren. Met de nieuwe Wet natuurbescherming is onopzettelijk verstoren niet meer strafbaar en is opzettelijk verstoren in sommige situaties wel toegestaan. Verstoren zonder dat tevoren goed onderzoek naar beschermde soorten is uitgevoerd, blijft strafbaar.

ONDERZOEK FLORA EN FAUNA Ecologische quickscan Blom ecologie heeft op 12 oktober 2022 een ecologische quickscan opgesteld en op 12 december 2023 herzien. De planlocatie is een aantal keer bezocht. De rapportage is in de bijlagen van deze toelichting opgenomen. Hieronder volgt de conclusie en het advies. Soortenbescherming Er is aanvullend onderzoek uitgevoerd naar de mogelijke functie van de ruigtestrook op en de aangrenzende percelen binnen de planlocatie voor hermelijnen en wezels. De conclusie van dit onderzoek staat in de paragraaf ‘aanvullend marteronderzoek’. De planlocatie is tevens mogelijk geschikt leefgebied voor soorten welke niet beschermd zijn (behoudens de algemene zorgplicht) en/of waarvoor een vrijstelling geldt. Voor broedvogels geldt dat de nesten van alle soorten beschermd zijn tijdens het broedseizoen (indicatief 15 maart – 15 juli). Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied of provinciaal aangewezen beschermde gebieden. Gelet op de aard van de ontwikkeling is het raadzaam een AERIUS-stikstofberekening uit te voeren. AAB Nederland heeft reeds in een separaat rapport de stikstofuitstoot van dit project doorgerekend. Hieruit zijn geen significante negatieve effecten op beschermde natuurwaarden berekend.

Houtopstanden Op de planlocatie zijn geen houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een meldingsplicht geldt in het kader van de Wet natuurbescherming. Te treffen maatregelen - Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (algemene zorgplicht). - Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. - Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. 077500-240423-SZ-RW-Toelichting.docx

39

-

-

-

De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel). De beoogde dempwerkzaamheden leiden niet tot aantasting van functioneel leefgebied van beschermde vissoorten. Tijdens de werkzaamheden dient rekening gehouden te worden met de Algemene zorgplicht. De dempwerkzaamheden dienen in één werkrichting richting de te behouden sloten uitgevoerd te worden om aanwezige vissen voldoende uitwijkmogelijkheden te bieden. Voor rugstreeppad dient het terrein gedurende de ontwikkeling ongeschikt gehouden te worden (bijv. aanbrengen puinbed, voorkomen ontstaan puinhopen, egaliseren terrein e.d.) en/of ontoegankelijk gemaakt te worden voor de soort gedurende de bouwwerkzaamheden. Het ontoegankelijk maken dient bij voorkeur voor de migratieen voortplantingsperiode plaats te vinden. Dit kan bijvoorbeeld door het plaatsen van schermen van stevig plastic of worteldoek van 50 centimeter hoog en minimaal 10 centimeter ingegraven in de grond.

De voorzieningen die getroffen zijn om het gebied ontoegankelijk te maken moeten zodanig geplaatst en beheerd worden dat ze hun functie ten allen tijden kunnen vervullen.

Aanvullend marteronderzoek Naar aanleiding van de conclusies in de ecologische quickscan (oktober 2022) heeft Blom Ecologie op 30 juni 2023 een aanvullend marteronderzoek opgesteld. Deze rapportage is in de bijlagen van deze toelichting opgenomen. In de periode mei - juni 2023 is onderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van kleine marterachtigen (bunzing, hermelijn en wezel) in het plangebied. Het onderzoek is uitgevoerd conform de bepalingen in ‘handreiking: wezel, hermelijn en bunzing’ (Provincie Noord-Holland, 2021) Tijdens het onderzoek zijn geen individuen en/of sporen van kleine marterachtigen aangetroffen binnen het plangebied. De beoogde ruimtelijke ontwikkeling leidt niet tot overtreding van een verbodsbepaling van de Wet natuurbescherming art. 3.10, lid 1. Een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming is derhalve niet benodigd. Het onderzoek beperkte zich in beginsel tot kleine marterachtigen. Tijdens het onderzoek is tevens gelet op individuen, nesten en/of verblijflocaties van andere soorten in het plangebied. Gezien de waarneming van een scholekster met een jong is het zeer aannemelijk dat op de planlocatie mogelijk nesten aanwezig zijn van broedvogels. Met betrekking tot de overige waargenomen soorten is geen sprake van overtreding, mits de Algemene zorgplicht in acht wordt genomen.

Voor de uitvoering van de beoogde ruimtelijke ingreep is geen ontheffing Wnb nodig. Er gelden in het kader van de Wnb geen verdere vervolgstappen. Natuurvriendelijke oever In verband met de ecologische verbindingszone van het Natuurnetwerk Nederland aan de noord- en westzijde van het plangebied heeft Blom ecologie 22 juni 2023 een notitie opgesteld 077500-240423-SZ-RW-Toelichting.docx

40

voor het aanleggen van natuurvriendelijke oevers. Deze notitie is in de bijlage van deze toelichting opgenomen. In onderstaand figuur 4.5.2.1 zijn vier gebieden te zien waar advies is gegeven over de aanleg van natuurvriendelijke oevers bij de watergangen. In deelgebied 1 (Hoeksloot) is onderdeel van de ecologische verbindingszone van Natuurnetwerk Nederland. Aan beide zijden van de watergang wordt, in afstemming met de eigenaar en het Hoogheemraadschap, een natuurvriendelijke oever gerealiseerd. Voor beide oevers wordt een hellingratio van 1:3 aangehouden waar verschillende types aan water-, oeveren bermplanten zich kunnen vestigen. Deelgebied 2 wordt onderdeel van de ecologische verbindingszone. Hier wordt een nieuwe watergang gegraven met een vergelijkbare hellingratio als deelgebied 1. Het onderhoud van het noordelijk talud dient te worden afgestemd met het Hoogheemraadschap en aanliggende eigenaar. Deelgebied 3 heeft momenteel weinig ecologische waarde, maar maakt wel onderdeel uit van de ecologische verbindingszone. Om meer ecologische waarde te creëren wordt de watergang verbreed en een plasberm aangelegd. Deelgebied 4 (Zandsloot) is een reeds aanwezige watergang met deels houten beschoeiing (oostzijde) en deels steil talud (westzijde).

Aan de oostzijde zullen er 2 rijen met beschoeiing blijven bestaan, maar zal de beschoeiing onder water natuurvriendelijker worden ingericht. Hierdoor zal het opvangen en afvoeren van water niet minder worden (voornaamste functie van de watergang), maar zal de ecologische waarden verhoogd worden.

077500-240423-SZ-RW-Toelichting.docx

41

Figuur 4.5.2.1: Deelgebieden inrichting natuurvriendelijke oevers (notitie natuurvriendelijke oevers, Blom ecologie, 22 juni 2023) Stikstofdepositie Voor de totale locatie van Enza Zaden is beoordeeld of er een Natuurbeschermingswet vergunning nodig is. Deze onderbouwing is onderdeel van de verslechteringstoets die als bijlage is toegevoegd. De stikstofemissies worden veroorzaakt door: - Het verstoken van aardgas - De vervoersbewegingen Voor het verstoken van het aardgas wordt gebruik gemaakt van 3 WKK’s. Hiernaast zijn de mobiele werktuigen voor het terreinonderhoud relevant. De overige aanwezige mobiele werktuigen (heftrucks) zijn volledig elektrisch aangedreven en stoten derhalve geen stikstof uit. Volledigheidshalve is het periodiek testen van de noodstroomaggregaten en sprinklerpomp meegenomen. De vervoersbewegingen hebben betrekking op zowel vrachtverkeer als personenverkeer. Uit de berekeningen middels AERIUS Calculator komt naar voren dat de netto depositie van het plan 0,01 mol/ha/jaar bedraagt. Dit wordt echter veroorzaakt door een randeffect en betreft derhalve geen feitelijke toename. Derhalve kan worden geconcludeerd dat het project geen stikstofdepositie veroorzaakt op nabijgelegen stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden en dus niet leidt tot significante effecten. Verdere vervolgacties zijn niet noodzakelijk.

Opgemerkt wordt dat, ten behoeve van de aan te vragen omgevingsvergunning, de stikstofdepositie van het project separaat dient te worden vastgesteld. De insteek hiervoor is 077500-240423-SZ-RW-Toelichting.docx

42

wezenlijk anders dan nu voor het beoogd plan is gebeurd. Hiernaast geldt voor projecten een andere referentiesituatie.

CONCLUSIE Het project is op het gebied van ecologie uitvoerbaar.

GELUID ONDERZOEK Op 8 november 2023 is er een geluidsrapportage opgesteld door AAB. Het gehele rapport is als afzonderlijk bijlage bij de toelichting opgenomen. Hieronder is de conclusie weergegeven. Langtijdgemiddeld beoordelingsniveaus Met uitzondering van de Lange Deelsloot 44 zijn de langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus op de gevels van de overige woonhuizen 1 à 2 dB hoger dan de voorschriften zoals opgenomen in de vigerende milieuvergunning. Dit betreffen met name de avond- en nachtperiode. De geluidniveaus voldoen allemaal wel aan de richtwaardes vanuit de Handreiking Industrielawaai en Vergunningverlening en zijn hiermee vergunbaar. Op basis van het bovenstaande moet de milieuvergunning mogelijk worden aangepast. Nu is echter uitgegaan van de beoogde eindsituatie die na 2030 wordt gerealiseerd. Om te beoordelen of de milieuvergunning daadwerkelijk dient te worden aangepast, dienen de ontwikkelingsfases te zijner tijd separaat te worden onderzocht. Hierbij speelt ook mee dat per 1 januari 2024 de Omgevingswet in werking treedt. Hiermee komt de milieuvergunning waarschijnlijk te vervallen. Op het moment is nog niet duidelijk hoe zal worden omgegaan met de vigerende voorschriften uit de milieuvergunning. Maximale geluidniveaus Met uitzondering van de Haling 3 voldoen de maximale geluidniveaus aan de voorschriften vanuit de milieuvergunning.

Ter plaatse van de Haling 3 voldoet het maximale geluidniveau overdag wel aan de richtwaarde vanuit de Handreiking Industrielawaai en Vergunningverlening. Voor de avond- en nachtperiode liggen deze niveaus boven de richtwaarde, maar ruimschoots onder de maximaal te vergunnen niveaus. Ook hierbij dient per ontwikkelingsfase te worden bezien of een wijziging van de milieuvergunning nodig is (zie ook § 8.1.1). Indirecte hinder De maximale etmaalwaarde met betrekking tot de indirecte hinder blijft binnen de gestelde voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A). Stiltegebied De maximale etmaalwaarde op 50 meter afstand van de grens van de inrichting ligt hoger dan de eis van 35 dB(A). In de milieuvergunning is hiervoor een ontheffing opgenomen. Hier wordt ruimschoots aan voldaan. 077500-240423-SZ-RW-Toelichting.docx

43

Best beschikbare techniek (bbt) BBT heeft met name betrekking op de wkk’s (inclusief ventilatie- en rookgaskanalen) en de vrachtwagens. Op de techniek van de vrachtwagens heeft het bedrijf geen invloed aangezien deze van derden zijn. Voor wat betreft de wkk’s waren deze op het moment van plaatsing uitgevoerd conform de BBT. De nieuwe WKK zal hieraan voldoen. Algemeen Onderhavig geluidonderzoek betreft de eindsituatie van de uitbreiding van Enza die gefaseerd wordt gerealiseerd. De eindsituatie is na 2030 gereed. In onderhavige berekeningen is geen rekening gehouden met technologische ontwikkelingen en wijzigingen in de wet-/regelgeving die leiden tot lagere bronvermogens van installaties, voertuigen, etc. Uit het onderzoek komt naar voren dat mogelijk de geluidvoorschriften vanuit de vigerende milieuvergunning dienen te worden gewijzigd. Dit dient echter per ontwikkelingsfase, in het kader van de desbetreffende omgevingsvergunning, te worden beoordeeld. Hierbij wijzigt mogelijk ook het toetsingskader naar aanleiding van de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

CONCLUSIE Vanuit akoestisch oogpunt zijn er geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.

LUCHTKWALITEIT WET- EN REGELGEVING De normen voor luchtkwaliteit zijn geregeld in paragraaf 5.2 van de Wet milieubeheer. Deze paragraaf staat bekend als de ‘Wet Luchtkwaliteit’. Deze wet heeft tot doel de volksgezondheid te beschermen door luchtverontreiniging terug te dringen. Hiervoor zijn bepaalde maximumstandaarden voor vervuiling in het leven geroepen. De Wet luchtkwaliteit introduceert het onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de luchtkwaliteit. Zeer grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen). Het komt er in grote lijnen op neer dat projecten die tot gevolg hebben dat de jaargemiddelde norm van fijnstof (PM10) en stikstofdioxide (NO2) met meer dan 3% stijgen, worden aangemerkt als een groot project. Kleine projecten die minder dan 3% bijdragen hoeven niet getoetst te worden. De grenswaarden van stikstofdioxide en fijnstof zijn de volgende: stof

toetsing van

grenswaarde

stikstofdioxide (NO2)

jaargemiddelde concentratie

40 µg / m³

uurgemiddelde concentratie

Max. 18 keer p.j. meer dan 200 µg/m³

jaargemiddelde concentratie

40 µg / m³

24-uurgemiddelde concentratie

max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg / m³

fijnstof (PM10)

077500-240423-SZ-RW-Toelichting.docx

44

Het Rijk, de provincies en de gemeenten werken samen in het Nationale Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Dit programma heeft tot doel de Europese luchtkwaliteitseisen te realiseren. NSL werpt geen belemmeringen op voor ruimtelijke ordening projecten wanneer: - er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; - een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt; - een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL); - een project ‘niet in betekende mate’ bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Er moet in kaart worden gebracht of met de huidige luchtkwaliteit de ontwikkeling kan plaatsvinden. En of door de uitvoering van het project de luchtkwaliteit niet dusdanig zal verslechteren dat het wordt gezien als een NIBM-project.

ONDERZOEK Bestaande situatie De luchtkwaliteit van plangebied is opgenomen in de Atlas Leefomgeving, (www.atlasleefomgeving.nl). De gegevens uit deze atlas zijn afkomstig van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Gekeken is naar de stikstof- en fijnstofdioxideconcentraties op regionaal niveau, zie figuur 4.7.2.1 en 4.7.2.2.

Figuur 4.7.2.1: Stikstof gehaltes (bron: Atlas leefomgeving, stikstofdioxide 2020 (NO2)).

077500-240423-SZ-RW-Toelichting.docx

45

Figuur 4.7.2.2: Fijnstof gehaltes (bron: Atlas leefomgeving, Fijnstof 2020 (PM10)).

Ten aanzien van stikstofdioxide (NO2) blijkt dat de berekende jaargemiddelde concentraties NO2 8-10 μg/m3 bedraagt. De concentraties liggen onder de per 2015 van kracht zijnde grenswaarde voor de jaargemiddelde NO2 van 40 μg/m3. Ten aanzien van fijnstof (PM10) blijkt dat de berekende jaargemiddelde concentraties PM10 1315 μg/m3 bedraagt. Deze concentratie ligt onder de per 2015 van kracht zijnde grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie PM10 van 40 μg/m3. Uit de gegevens blijkt dat er ter plaatse van het plangebied geen overschrijding van de normen plaatsvindt. Nieuwe situatie Het CROW (Centrum voor Regelgeving en Onderzoek in de Grond- Water- en Wegenbouw in de Verkeerstechniek) heeft geen kengetallen betreffende de verkeersgeneratie van zaadverdelingsbedrijven. Deze zijn daarom berekend in de rapportage parkeerbehoefte en op basis van ervaringsgetallen. Om uit te gaan de worst-case-scenario is in de berekening uitgegaan van verschillende bouwfasen. De NIBM-tool rekent tot 2030, dus de uitbreidingen van 2030 en later zijn in de laatste fase meegenomen. In de onderstaande tabellen zijn naast de drie aangehouden bouwfasen uitgewerkt. De NIBM-tool werkt met het weekdaggemiddelde van de vervoersbewegingen per etmaal. Een werkdag moet daarom omgerekend worden naar een weekdag. Voor werkgebied zonder detailhandel wordt de weekdagfactor 0,75 aangehouden.

De formule voor het weekdaggemiddelde van vervoersbewegingen is als volgt: (Aantal vrachtwagens + aantal overige voertuigen)*2 = Aantal vervoersbewegingen per etmaal Aantal vervoersbewegingen * 0,75 = weekdaggemiddelde van vervoersbewegingen

077500-240423-SZ-RW-Toelichting.docx

46

Toename bouwfase 2024 Toename 2024 Uitrit

Vrachtwagen

Route A: Oosterdijk Route F: Gebouw 5 Totaal

4 7 11

Overige voertuigen 148 119 267

Weekdaggemiddelde vervoersbewegingen

Aandeel vrachtverkeer

417

4%

Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit, GCN2022 Jaar van planrealisatie

2024

Extra voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde)

417

Aandeel vrachtverkeer

4,0%

NO2 in μg/m

3

0,39

PM10 in μg/m

3

0,07

Extra verkeer als gevolg van het plan

Maximale bijdrage extra verkeer Grens voor "Niet In Betekenende Mate" in μg/m

3

1,2

Conclusie De bijdrage van het extra verkeer is niet-in-betekenende-mate; geen nader onderzoek nodig

Figuur 4.7.2.3: Berekening NIBM-tool 2022 voor bouwfase 2024 (bron: Kenniscentrum InfoMil, 2023).

Toename bouwfase 2027 Toename 2027 Uitrit

Vrachtwagen

Route G: Fytopathologie Totaal

6 6

077500-240423-SZ-RW-Toelichting.docx

Overige voertuigen 50 50

Weekdaggemiddelde vervoersbewegingen

Aandeel vrachtverkeer

84

12%

47

Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit, GCN2022 Jaar van planrealisatie

2027

Extra voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde)

84

Aandeel vrachtverkeer

12,0%

NO2 in μg/m

3

0,14

PM10 in μg/m

3

0,02

Extra verkeer als gevolg van het plan

Maximale bijdrage extra verkeer Grens voor "Niet In Betekenende Mate" in μg/m

3

1,2

Conclusie De bijdrage van het extra verkeer is niet-in-betekenende-mate; geen nader onderzoek nodig

Figuur 4.7.2.4: Berekening NIBM-tool 2022 voor bouwfase 2027 (bron: Kenniscentrum InfoMil, 2023).

Toename bouwfase 2030 en later Toename 2030 en later Uitrit

Vrachtwagen

Route E: Gebouw 1 en 2 Route H: Gebouw 6 Route I: Gebouw 4 Totaal

0 6 9 15

Overige voertuigen 211 50 12 273

Weekdaggemiddelde vervoersbewegingen

Aandeel vrachtverkeer

432

5%

Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit, GCN2022 Jaar van planrealisatie

2030

Extra voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde)

432

Aandeel vrachtverkeer

5,0%

NO2 in μg/m

3

0,35

PM10 in μg/m

3

0,07

Extra verkeer als gevolg van het plan

Maximale bijdrage extra verkeer Grens voor "Niet In Betekenende Mate" in μg/m

3

1,2

Conclusie De bijdrage van het extra verkeer is niet-in-betekenende-mate; geen nader onderzoek nodig

Figuur 4.7.2.5: Berekening NIBM-tool 2022 voor bouwfase 2030 en later (bron: Kenniscentrum InfoMil, 2023). 077500-240423-SZ-RW-Toelichting.docx

48

In alle drie de bouwfasen ligt de hoeveelheid extra stikstof en fijnstof ruim onder het maximum van 1,2 µg/ m³. De ontwikkeling kan dus worden bestempeld als NIBM en hoeft niet aan de grenswaarden luchtkwaliteit te worden getoetst.

CONCLUSIE Het project is op het gebied van luchtkwaliteit uitvoerbaar.

EXTERNE VEILIGHEID WET- EN REGELGEVING Externe veiligheid gaat over het beheersen van de risico’s voor de omgeving bij gebruik, opslag en vervoer van gevaarlijke stoffen, zoals vuurwerk, aardgas of LPG. De externe veiligheid richt zich op zowel inrichtingen (bedrijven) waar gevaarlijke stoffen aanwezig zijn als het transport van gevaarlijke stoffen. Dit vervoer kan plaatsvinden over weg, water, spoor en door buisleidingen. Het uitgangspunt van het beleid is dat burgers voor de veiligheid van hun omgeving mogen rekenen op een minimum beschermingsniveau (plaatsgebonden risico). Daarnaast moet de kans op een groot ongeluk met meerdere slachtoffers (groepsrisico) worden afgewogen en verantwoord bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen binnen het invloedsgebied van een risicobron. Voor (de omgeving van) de meest risicovolle bedrijven is het ‘Besluit externe veiligheid inrichtingen’ (Bevi) van belang. Aanvullend zijn in het Vuurwerkbesluit en Activiteitenbesluit (Besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer) veiligheidsafstanden genoemd die rond minder risicovolle inrichtingen moeten worden aangehouden. Daarnaast is het toetsingskader voor de omgeving van transportassen en buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen vastgelegd in de ‘Circulaire risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen’ en het ‘Besluit externe veiligheid buisleidingen’ (Bevb).

ONDERZOEK Risicovolle inrichtingen Uit de risicokaart van de desbetreffende gemeente blijkt dat het plangebied niet is gesitueerd in de omgeving van een Bevi-bedrijf, zie figuur 4.8.2.1. Het plangebied ligt ruim buiten het invloed gebied van Bevi-bedrijven. Hierdoor is geen verantwoording van het groepsrisico nodig. Vervoer van gevaarlijke stoffen In de omgeving van het plangebied bevinden zich geen ondergrondse of bovengrondse routes voor transport van gevaarlijke stoffen. Daarnaast ligt het plangebied ruimschoots buiten de 200 m-zone vanaf rijkswegen en spoorwegen in het kader van de basisnetroute voor gevaarlijke stoffen. Hierdoor is er geen verantwoording van het groepsrisico nodig vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen. Kabels en Leidingen Het bedrijf ligt ruimschoots buiten de risicocontouren. Daarom kan worden geconcludeerd dat het aspect kabels en leidingen geen belemmering oplevert voor de uitbreiding van het bedrijf. 077500-240423-SZ-RW-Toelichting.docx

49

Voorafgaand aan eventuele graafwerkzaamheden wordt bij het KLIC gemeld waar en wanneer wordt gegraven.

Figuur 4.8.2.1: Uitsnede risicokaart externe veiligheid. Rood omkaderd het plangebied (bron: Atlas leefomgeving)

CONCLUSIE Het project is op het gebied van externe veiligheid uitvoerbaar.

MILIEUZONERING WET- EN REGELGEVING De Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat overheden bij het vaststellen van bestemmingsplannen moeten aantonen dat sprake is van een goede ruimtelijke onderbouwing (Wro artikel 3.1 lid 1). Onderdeel hiervan is het zorgen voor een goede milieuzonering: de overheid dient er op toe te zien dat er voldoende afstand in acht wordt genomen tussen enerzijds functies die hinder of gevaar veroorzaken en anderzijds functies die daar last van hebben. Die afstand moet ook weer niet onnodig groot zijn, omwille van een efficiënt ruimtegebruik. De VNG-publicatie “Bedrijven en milieuzonering” uit 2009 wordt onder andere bij bestemmingsplanprocedures als handreiking gebruikt voor het toetsen van ruimtelijke ontwikkelingen. In deze publicatie worden per bedrijfstype minimale richtafstanden aangegeven voor wat betreft geur, stof, gevaar en geluid die bij voorkeur dienen te worden aangehouden tot hindergevoelige functies (gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht, of een gedeelte daarvan) om hinder en schade aan mensen binnen aanvaardbare normen te houden. Als aan de richtafstanden wordt voldaan, is op die punten sprake van een goede ruimtelijke ordening. De 077500-240423-SZ-RW-Toelichting.docx

50

richtafstanden zijn enerzijds gekoppeld aan de milieucategorie van de te beoordelen inrichting en anderzijds de karakterisering van de omgeving waarin de inrichting is gelegen.

ONDERZOEK In de omgeving van het plangebied zijn voornamelijk landbouwbedrijven en woningen aanwezig. De VNG-publicatie “Bedrijven en milieuzonering” geeft aan dat voor een tuinbouwbedrijf, zowel een bedrijfsgebouw als kas, een grootste afstand aangehouden moet worden van 30 meter (bij een rustige woonwijk). De dichtstbijzijnde woning is gelegen aan de Elsenburg 8E en ligt op circa 84 meter afstand ten opzichte van bedrijfsgebouw 6. Deze afstand is voldoende om geen belemmering te vormen. Derhalve is geen nader onderzoek noodzakelijk. Adres Functie Afstand (m) Dichtstbijzijnde gebouw en activiteit Elsenburg 6E Schuur 73,5 Fytopathologie, bedrijfsgebouw E Elsenburg 8 Woonhuis 83,5 Uitbreiding gebouw 6, bedrijfsgebouw Elsenburg 9E Woonhuis 90,5 Uitbreiding gebouw 6, bedrijfsgebouw E Elsenburg 9 Schuur 55,5 Uitbreiding gebouw 6, bedrijfsgebouw Haling 3 & 3E Woonhuis 157,5 Uitbreiding gebouw 4, bedrijfsgebouw Tentsloot 2 Woonhuis 159 Uitbreiding gebouw 4, bedrijfsgebouw Lange Deelesloot 44 Woonhuis 151,5 Bio-Scope Tabel 4.9.2.1: Afstanden van bebouwing in het plangebied tot bebouwing in de omgeving

CONCLUSIE Er gelden vanuit het aspect milieuzonering geen belemmeringen voor het voorliggende plan.

LICHTHINDER WET- EN REGELGEVING Ten aanzien van het aspect lichthinder geldt in de ruimtelijke ordening geen wettelijk toetsingskader. Wel is het streven erop gericht om lichthinder voor omwonenden tot een minimum te beperken. Ook uit oogpunt van ecologie en landschapswaarden (beschermen van duisternis en het donkere landschap) is het wenselijk om lichthinder te voorkomen. Dit geldt met name in gebieden waar het nog relatief donker wordt. Activiteitenbesluit Het Besluit glastuinbouw is per 1 januari 2013 in het Activiteitenbesluit geïntegreerd. Het Activiteitenbesluit is daarmee het kader geworden die eisen stelt aan assimilatiebelichting (de kunstmatige belichting bij het telen van gewassen in kassen om het groei- en bloeiproces te bevorderen) gedurende de donkerteperiode en de nanacht. De huidige regelgeving is geldt sinds 2017.

ONDERZOEK Bij de uitbreiding van Enza Zaden wordt gebruik gemaakt van assimilatielampen, nood- en veiligheidsverlichting. In de verslechteringstoets is onderzocht of de nieuwe situatie verslechtert ten opzichte van vergunde situatie in 2014 (referentiesituatie). De verslechteringstoets is als aparte bijlage toegevoegd. 077500-240423-SZ-RW-Toelichting.docx

51

Om te bepalen of de lichthinder binnen het natura 2000 gebied verslechterd zijn de 19 mcd/m² contouren van de referentie en beoogde situatie vergeleken binnen de grenzen van natura 2000 gebied IJsselmeer. In figuur 4.10.2.1 is te zien dat de contour van de beoogde situatie deels de contour van de referentiesituatie overschrijdt (Gebied A: ca. 2,0 ha) en deels binnen de contour blijft (Gebied B: ca. 2,9 ha). Daarom is te concluderen dat in de beoogde situatie de lichthinder binnen het natura 2000 gebied zal afnemen ten opzichte van de referentiesituatie. Er is dus geen sprake van verslechtering.

077500-240423-SZ-RW-Toelichting.docx

52

Referentiesituatie Beoogde situatie

Gebied A

Gebied B

Figuur 4.10.2.1: Vergelijking lichthinder over het IJsselmeer in referentiesituatie (rode lijn) t.o.v. de beoogde situatie (roze lijn) en de natura 2000 grens (bruine lijn). (Bron: Verslechteringstoets, Enza Zaden, AAB Nederland, 2023)

077500-240423-SZ-RW-Toelichting.docx

53

CONCLUSIE Er gelden vanuit het aspect lichthinder geen belemmeringen voor het voorliggende plan.

MER-BEOORDELING WET- EN REGELGEVING Op 1 april 2011 is het nieuwe Besluit milieueffectrapportage (m.e.r.) in werking getreden. Een belangrijke wijziging die daarin is aangebracht, is dat voor de vraag of een m.e.r.beoordelingsprocedure moet worden doorlopen, toetsing aan de drempelwaarden in de D-lijst niet toereikend is. Indien een activiteit een omvang heeft die onder de grenswaarden ligt, dient op grond van de selectiecriteria in de Europese richtlijn milieu-effectbeoordeling te worden vastgesteld of belangrijke nadelige gevolgen van de activiteit voor het milieu kunnen worden uitgesloten. Pas als dat het geval is, is de activiteit niet m.e.r.-(beoordelings)plichtig. Uit deze toets kunnen twee conclusies volgen: belangrijke nadelige milieueffecten zijn uitgesloten of belangrijke nadelige milieueffecten zijn niet uitgesloten. In het eerste geval is de activiteit niet m.e.r. (-beoordelings) -plichtig in het andere geval dient een M.e.r.-beoordeling te worden uitgevoerd en de bijbehorende procedure te worden gevolgd. De toetsing in het kader van de vormvrije m.e.r.-beoordeling dient te geschieden aan de hand van de selectiecriteria in bijlage III van de Europese richtlijn milieu-effectbeoordeling (kenmerk en plaats van het project, kenmerk van potentieel effect).

ONDERZOEK Gezien de omvang van de bedrijvigheid in het plangebied en gezien de aard van de bedrijfsactiviteiten in relatie tot glastuinbouw, zouden de volgende onderdelen uit kolom 1 van de D-lijst van het Besluit m.e.r van toepassing kunnen worden verklaard, te weten: - D 9: ‘een landinrichtingsproject dan wel een wijziging of uitbreiding daarvan‘. Het planvoornemen leidt niet tot een overschrijding van drempelwaarden als genoemd in kolom 2 van de D-lijst, te weten gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op: - Vestiging van een glastuinbouwgebied of bloembollenteeltgebied van 50 ha of meer (betreffende D 9). Alleen de vormvrije m.e.r.-beoordeling is gezien voorgaande van toepassing. Gesteld mag worden dat de milieueffecten van de voorgenomen ontwikkeling in het plangebied reeds op voldoende wijze in voorgaande paragrafen zijn beschreven. Gelet op de kenmerken van deze bebouwing, de plaats en de kenmerken van de potentiële effecten zullen geen significante negatieve milieugevolgen optreden.

CONCLUSIE Voor het project is dan ook geen mer-procedure of mer-beoordelingsprocedure noodzakelijk conform het Besluit m.e.r.

077500-240423-SZ-RW-Toelichting.docx

54

VERKEER EN PARKEREN ONTSLUITING Het plangebied wordt ontsloten via de Haling, Oosterdijk en Elsenburg.

WET- EN REGELGEVING Enza Zaden heeft een parkeerbehoefte. CROW (Centrum voor Regeling en Onderzoek in de Grond-, water- en wegenbouw en de verkeerstechniek) heeft normen voor diverse functies opgesteld waaruit de parkeerbehoefte kan worden afgeleid. Deze normen voorzien echter niet in de specialistische bedrijfstak van Enza Zaden. Bovendien ligt Enza Zaden dicht bij Enkhuizen waar veel medewerkers wonen waardoor veel medewerkers niet met de auto komen.

ONDERZOEK Parkeerbehoefte De toekomstige parkeerbehoefte van Enza Zaden is vastgesteld in de rapportage parkeerbehoefte en bijgevoegd als afzonderlijke bijlage. Hieronder is kort de conclusie aangegeven. Door verkeerstellingen bij Enza Zaden is de huidige parkeerbehoefte in beeld gebracht. Er is een relatie tussen het bruto vloeroppervlak en de parkeerbehoefte. Door deze relatie voor de huidige situatie in beeld te brengen, kan de toekomstige parkeerbehoefte worden bepaald aan de hand van de toename van het bruto vloeroppervlak. In de nieuwe situatie (na benutting van bestemmingsplanmogelijkheden) kan het bruto vloeroppervlak met 111,76% toenemen (van 139.688 m² naar 295.791 m²). De huidige feitelijke parkeerbehoefte bedraagt 462 parkeerplaatsen. Een toename van 111,76% betekent dat de toekomstige behoefte 979 parkeerplaatsen voor de auto bedraagt. Enza Zaden zal niet direct gebruik maken van alle extra bouwmogelijkheden die het nieuwe bestemmingsplan zal bieden. De verschillende nieuwe gebouwen en bijbehorende parkeervoorzieningen zullen in fases gerealiseerd worden. Na elke fase zal na worden gegaan of nog steeds aan de parkeerbehoefte wordt voldaan. Mobiliteitsonderzoek Roelofs heeft op 6 november 2023 een mobiliteitsonderzoek opgesteld om te onderzoeken welk effect de gewenste uitbreiding heeft op de toekomstige verkeersafwikkeling op de wegen rondom Enza Zaden.

Het onderzoek is als separate bijlage toegevoegd bij deze toelichting. Als basis van het verkeersonderzoek zijn verkeerstellingen uitgevoerd. De belangrijkste resultaten zijn in de notitie weergegeven en in de bijlage zijn de gedetailleerde gegevens te vinden. Vervolgens zijn deze gegevens, in combinatie met een groeiprognose, gebruikt om te toetsen of de toekomstige verkeersafwikkeling voldoende is op de wegen rondom Enza Zaden. Hieronder is de conclusie weergegeven. De uitbreiding van Enza Zaden zorgt voor een verkeerstoename van circa 1.200 verkeersbewegingen per etmaal. De intensiteiten op de omliggende wegen zijn echter laag, 077500-240423-SZ-RW-Toelichting.docx

55

waardoor de verkeerstoename niet tot afwikkelingsproblemen leidt. De berekeningen zijn uitgevoerd met worst-case aannames en ook in die situatie voldoet de afwikkeling ruimschoots.

CONCLUSIE Er gelden vanuit het aspect verkeer en parkeren geen belemmeringen voor het voorliggende plan.

DUURZAAMHEID WET- EN REGELGEVING RES Noord-Holland noord De regionale energiestrategie vormt de visie van de regio voor de energietransitie. In het document worden doelstellingen uitgewerkt en potentiële gebieden aangewezen voor verduurzaming van energie. Het plangebied van Enza Zaden wordt in de RES aangeduid als gebied met potentie voor zon op grote daken. Ook wordt de parkeerruimte op het perceel aangeduid als potentieel voor ‘park the sun parkeerplaatsen’. Beleidskader wind- en zonne-energie Westfriesland Binnen regio Westfriesland geldt het beleidskader wind- en zonne-energie Westfriesland. In het document wordt duidelijk waar en onder welke voorwaarden windturbines en zonne-energie mogelijk zijn. Het plangebied valt onder Experimenteerlandschap.

ONDERZOEK MVO-beleid Enza Zaden investeert een deel van haar omzet in onderzoek, kennisontwikkeling van medewerkers en samenwerking met andere partijen. Enza Zaden heeft een internationaal MVObeleid gebaseerd op 3 pijlers. 1. Om de voedselbeschikbaarheid en -veiligheid te bevorderen richt de veredeling van Enza Zaden sterk op productiviteit en resistentie tegen ziekten. 2. Enza Zaden wil haar impact op het milieu beperken. Men heeft beleid ontwikkeld voor afvalreductie, energieopwekking op eigen locatie, duurzaam bouwen en inkopen. Om een groot deel van de eigen energiebehoefte te voorzien liggen op daken van de bedrijfsgebouwen in Enkhuizen zonnepanelen. 3. Enza Zaden verbeterd de levensstandaard door kleine en middelgrote projecten te steunen. Bijvoorbeeld Fair Planet in Ethiopië en Yayasan Foundation in Indonesië. De projecten leren boeren met betere zaden een betere oogst te realiseren. Door kennis en technologie te delen, wordt het levensonderhoud van duizenden boerengezinnen verbeterd. (Bron: Enzazaden.com, 2023) Duurzame energie In de bestaande situatie maakt Enza Zaden o.a. gebruik van ketels en wkk als stookinstallaties, warmte-koude opslag, koudeopslagtank, warmteopslagtanks en warmtepompen. Op een tweetal bedrijfsgebouwen zijn zonnepanelen op het dak gesitueerd. Daarnaast wordt er gebruik gemaakt van elektrische auto’s. 077500-240423-SZ-RW-Toelichting.docx

56

Het hemelwater wat op de daken valt wordt opgeslagen in de gietwaterbassins wat vervolgens als gietwater voor de teelt in de kassen wordt gebruikt. Naast de huidige zonnepanelen op de daken wil Enza Zaden onderzoeken of daar waar mogelijk zonnepanelen op de overige daken, in de gietwaterbassins en ter plaatse van parkeerplaatsen d.m.v. een carport toegepast kunnen worden. Dit komt overeen met de doelstelling van de RES Noord-Holland Noord en het beleidskader van Westfriesland. In de nieuwe kassen wordt daar waar mogelijk gebruik gemaakt van LED-verlichting om energie te besparen. Voor toekomstige energietoepassingen is Enza Zaden aan het onderzoeken of aardwarmte en windmolens toegepast kunnen worden. Hier is nog niet concreet invulling aan gegeven.

CONCLUSIE Vanuit het aspect duurzaamheid gelden geen belemmeringen voor dit plan.

077500-240423-SZ-RW-Toelichting.docx

57

Juridische planbeschrijving ALGEMEEN Het bestemmingsplan is opgesteld conform de Wet ruimtelijke ordening (Wro), het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) en de RO-standaarden, in werking getreden sinds 1 juli 2013. De ROstandaarden bestaan uit: de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP2012), de Standaard Toegankelijkheid Ruimtelijke instrumenten 2012 (STRI2012) en de Praktijkrichtlijn bestemmingsplannen 2012 (PRBP2012). Tevens zijn de regels afgestemd op de op 1 oktober 2010 in werking getreden Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en het Besluit omgevingsrecht (Bor).

BESTEMMINGSPLAN Het bestemmingsplan is zowel analoog als digitaal beschikbaar. Het digitale bestemmingsplan bestaat uit een GML-bestand met bijbehorende regels en toelichting. De koppeling van de kaart, toelichting en regels (het bestemmingsplan) wordt de verbeelding genoemd. De verbeelding is vervat in een GML-bestand (GML-bestand NL.IMRO.0388.BPEnzaZadenHaling1E-VA01). De analoge verbeelding van het voorliggende bestemmingsplan is getekend op een schaal 1:2.000 en omvat 1 kaartblad (genummerd 077500-C-240423-SZ-Bestemmingsplan-Verbeelding.pdf). Het kaartblad geeft de bestemming van de gronden aan. Waar nodig zijn aanduidingen op de kaart opgenomen waarvan de betekenis in de regels wordt verklaard.

PLANSYSTEMATIEK Het plangebied heeft een rechtstreekse bouwtitel, omdat is gekozen voor een gedetailleerde plansystematiek. De bestemmingsvlakken maken een flexibele invulling van het plangebied mogelijk, zodat ingespeeld kan worden op toekomstige invullingen. In de regels zijn bouw- en gebruiksregels opgenomen die de bebouwings-, gebruiks- en inrichtings-mogelijkheden van het plangebied inkaderen. In het plan hoeft zodoende niet meer geregeld te worden dan noodzakelijk is voor het functioneren van het gebied. Dit betekent een flexibele regeling die enerzijds de individuele vrijheid van de initiatiefnemer waarborgt en er anderzijds voor zorgt dat algemene belangen, als de ruimtelijke kwaliteit, niet worden aangetast.

BESTEMMINGSPLANPROCEDURE In de Wro en het Bro zijn regelingen opgenomen voor de bestemmingsplanprocedure. In deze procedure zijn de onderstaande fases onderscheiden.

VOORBEREIDINGSPROCEDURE Indien de gemeente voornemens is een bestemmingsplan voor te bereiden waarvoor geen milieueffectrapport wordt opgesteld, geeft zij kennis op grond artikel 1.3.1 Bro van dat voornemen in een of meer dag-, nieuws- of huis-aan-huisbladen of op een andere geschikte manier. De kennisgeving vermeldt of en waar en wanneer er stukken van het voornemen ter inzage worden gelegd, of er gelegenheid wordt geboden om zienswijzen op het voornemen naar voren te brengen en door wie, op welke manier en binnen welke termijn en of een 077500-240423-SZ-RW-Toelichting.docx

58

onafhankelijke instantie in de gelegenheid wordt gesteld advies uit te brengen over het voornemen. De gemeente voert onderzoek uit bij het opstellen van een voorontwerpbestemmingsplan naar de bestaande situatie, de ruimtelijke ontwikkelingen en naar mogelijke en wenselijke ontwikkelingen in de gemeente. De gemeente stelt het voorontwerpbestemmingsplan voor het overleg op grond van artikel 3.1.1 van het Bro beschikbaar aan de betreffende besturen en diensten. Ook wordt op het voorontwerp inspraak geboden conform de gemeentelijke inspraakverordening. In de toelichting van het bestemmingsplan wordt de reactie van de gemeente op de open aanmerkingen uit overlegreacties opgenomen en op de ingekomen inspraakreacties.

VASTSTELLINGSPROCEDURE Het ontwerpbestemmingsplan wordt voor een periode van zes weken ter inzage gelegd. Dit wordt gepubliceerd in het gemeenteblad (officiële bekendmakingen). Dit gebeurt zowel digitaal via ruimtelijkeplannen.nl als in analoge vorm op daarvoor aangewezen plaatsen. Tijdens deze periode kan eenieder zienswijzen indienen. Hierna stelt de gemeenteraad binnen twaalf weken na de periode van terinzagelegging het bestemmingsplan, gezamenlijk met een oordeel over de zienswijzen, vast. Wanneer noodzakelijk kan de gemeenteraad het bestemmingsplan gewijzigd vaststellen.

BEROEPSPROCEDURE Het vaststellingsbesluit waarin het bestemmingsplan is vastgesteld wordt door de gemeenteraad bekend gemaakt, zowel digitaal als analoog. Het vastgestelde bestemmingsplan wordt ter inzage gelegd. Wanneer door de Inspectie Leefomgeving en Transport of Gedeputeerde Staten een zienswijze is ingediend die niet volledig is overgenomen of wanneer het bestemmingsplan door de gemeenteraad gewijzigd is vastgesteld, moet het vaststellingsbesluit binnen zes weken na het besluit bekend worden gemaakt en moet het vastgestelde bestemmingsplan ter inzage worden gelegd. Binnen zes weken na het bekendmaken van het vaststellingsbesluit kan er beroep worden ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Ook als de gemeenteraad bij de vaststelling wijzigingen heeft aangebracht in het bestemmingsplan kan iedereen hiertegen beroep instellen, maar dit dient binnen de beroepstermijn te gebeuren. Indien het bestemmingsplan ongewijzigd is vastgesteld of gewijzigd is vastgesteld om gehoor te geven aan zienswijzen van Gedeputeerde Staten en/of de Inspectie Leefomgeving en Transport, wordt het vaststellingsbesluit door de gemeenteraad uiterlijk 2 weken na vaststelling bekend gemaakt. Het bestemmingsplan wordt tevens uiterlijk 2 weken na vaststelling ter inzage gelegd.

REGELS De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: - Hoofdstuk 1: Inleidende regels; - Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels; - Hoofdstuk 3: Algemene regels; - Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregels.

077500-240423-SZ-RW-Toelichting.docx

59

INLEIDENDE REGELS Artikel 1 Begrippen De in de regels gebruikte begrippen worden hierin omschreven ter voorkoming van misverstanden of verschil in interpretatie. Artikel 2 Wijze van meten Dit betreft een omschrijving van de wijze waarop het meten dient plaats te vinden.

BESTEMMINGSREGELS Artikel 3 t/m 8 de bestemmingen De bestemmingen zijn opgebouwd uit de volgende onderdelen: - een bestemmingsomschrijving; - bouwregels; - afwijking van de bouwregels; - specifieke gebruiksregels; - afwijking van de gebruiksregels; - omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden; - wijzigingsbevoegdheid.

ALGEMENE REGELS Artikel 9 Antidubbeltelregel In dit artikel is een regel opgenomen die voorkomt dat een al verleende omgevingsvergunning meegenomen wordt bij de beoordeling van latere bouwplannen. Artikel 10 Algemene bouwregels De algemene bouwregels hebben betrekking op de bestaande situaties en op de uitsluiting van de aanvullende werking van de stedenbouwkundige bepalingen van de gemeentelijke Bouwverordening. Artikel 11 Algemene aanduidingsregels In dit artikel is bijvoorbeeld de bescherming van de dijk geregeld. Artikel 12 Algemene afwijkingsregels De algemene afwijkingsregels bieden enige flexibiliteit als het gaat om het afwijken van in het plan opgenomen maten en overschrijding van bouwgrenzen en bieden ruimte om bepaalde voorzieningen te kunnen realiseren Artikel 13 Algemene wijzigingsregels De algemene wijzigingsregels zien erop toe dat burgemeester en wethouders het plan kunnen wijzigen indien wordt verwezen naar bepalingen in wettelijke regelingen, indien deze wettelijke regelingen na het tijdstip van de tervisielegging van het ontwerp bestemmingsplan worden gewijzigd.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14571751/1