B4 - Wegwijzer gemeentelijk woonwagen-en standplaatsenbeleid
Tekst van het document
Het is in de praktijk nagenoeg onmogelijk om sommige woonwagenbewoners een voorrangspositie op de inschrijflijst te bieden en anderen niet aan de hand van keuzes en afwegingen die woningzoekenden hebben gemaakt om zich wel of niet in te schrijven en de invloed van gemeentelijk woonwagen- en standplaatsenbeleid uit het verleden.
62 In lijn met EHRM zou het afstammingsbeginsel gebruikt kunnen worden als een handvat bij de invulling van voldoende en voortdurende band hebben met bepaalde standplaats, en dat om die reden voorrang wordt gegeven aan deze personen binnen de groep woonwagenbewoners.
44
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
•
Huisvestingsvergunning: toewijzing van een standplaats op basis van een huisvestingsverordening kan alleen door middel van een huisvestingsvergunning. Bij sociale huurstandplaatsen moet daarbij wel de inkomenstoets gedaan worden, ten behoeve van passend toewijzen en toewijzen aan de doelgroep. Wanneer er een standplaats vrijkomt zoekt de eigenaar (meestal een corporatie of de gemeente) een nieuwe huurder. De gemeente kan – in geval van schaarste – huurstandplaatsen onder de werking van de huisvestingsverordening brengen. Dan mag een standplaats alleen worden verhuurd aan een huishouden dat een huisvestingsvergunning heeft. Tegelijk met deze Wegwijzer wordt een hoofdstuk over toewijzing van standplaatsen aan de modelhuisvestingsverordening toegevoegd. In dat model wordt uitgegaan van een gemeentelijke registratie van standplaatszoekenden. De geregistreerde standplaatszoekenden worden geattendeerd op een vrijkomende standplaats. De gemeente kiest op basis van de vastgelegde urgenties en voorrangsregels wie de huisvestingsvergunning krijgt. Vervolgens sluit de eigenaar een huurovereenkomst met de woonwagenbewoner.
De eigenaar kan – binnen de kaders van het woningwaarderingsstelsel – een differentiatie in de huurprijs aanbrengen: een sociale huurprijs voor een huishouden dat tot de doelgroep van de woningcorporaties behoort of een marktconforme (hogere) huurprijs voor een huishouden dat daar niet toe behoort. De eigenaar geeft gelijk met de melding van een vrijkomende standplaats aan de gemeente door welke huurprijs of huurprijzen van toepassing zijn. Daarnaast zijn er twee mogelijkheden voor de plaatsing van een woonwagen. Indien de bewoner een eigen wagen plaatst, sluit hij een opstalovereenkomst met de eigenaar. Indien de bewoner gebruik wil maken van een huurwoonwagen, kan de eigenaar (indien de bewoner voor een huurwagen in aanmerking komt) een huurwagen beschikbaar stellen. Hiervoor wordt eveneens een huurcontract gesloten.
Toepassing afstammingsbeginsel Met de intrekking van de Woonwagenwet is enkele jaren nadien ook het afstammingsbeginsel komen te vervallen.63 Dit betekende in de praktijk dat de toewijzing van standplaatsen bij veel gemeenten in de jaren daarna vaak via de reguliere toewijzingscriteria verliep. Als gevolg van de uitspraken van het EHRM en het uitkomen van het Beleidskader houden gemeenten en corporaties de laatste jaren steeds meer rekening met het afstammingsbeginsel alsmede het leven in familieverband bij de toewijzing. Het Beleidskader geeft hierover aan: Toewijzing standplaatsen en/of woonwagens (Beleidskader) Het is te overwegen om voorrang te verlenen aan (in volgorde): volwassen kinderen (op volgorde van leeftijd) van dezelfde locatie die nog bij hun ouders wonen en eerstegraads familieleden van bewoners van de locatie. Bij de toewijzing kan overwogen worden een ingestelde bewonerscommissie te laten adviseren.
63 Tot 1 januari 2003 is het afstammingsbeginsel nog opgenomen in de Huisvestingswet om woonwagenbewoners voorrang te geven bij het toewijzen van standplaats.
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
45
Het afstammingsbeginsel is daardoor bij veel gemeenten en corporaties geherintroduceerd. Dit houdt in dat bij toewijzing van vrijgekomen standplaatsen voorrang wordt gegeven aan de eerste graads- (ouders, kinderen) en tweedegraadsfamilieleden (broers, zussen, kleinkinderen, grootouders) van woonwagenbewoners. In veel gevallen dienen beoogde huurders van een standplaats de afstamming van woonwagenbewoners aan te tonen middels een uittreksel bevolkingsregister met woongeschiedenis en geboorteakte. Het komt voor dat een woonwagenbewoner gaat samenwonen met een niet-woonwagenbewoner (burgers) in een woonwagen. Echter, op het moment dat er onverhoopt een einde aan het samenwonen komt, kan de partner (die voor het samenwonen in een stenen woning woonde) niet zonder meer aanspraak maken op voorrang voor een nieuwe standplaats op basis van het afstammingsbeginsel. Dat kan als de partner voorouders had die van generatie op generatie wel in een woonwagen woonden. Als dat niet het geval is, behoort een partner die voorheen samenwoonde met een woonwagenbewoner dus niet tot de doelgroep woonwagenbewoners.64 Wel zal hier ook de gezinssituatie in ogenschouw genomen moeten worden (zijn er bijvoorbeeld kinderen in het spel, waar de partner dichtbij in de buurt wil wonen?).
Diverse gemeenten hebben in hun huisvestingsverordening opgenomen dat ook mensen zonder aantoonbare connectie met het woonwagenleven kunnen reageren op vrijkomende standplaatsen. Daarbij geldt doorgaans dat aan deze doelgroep pas een standplaats wordt toegewezen als mensen die tot de woonwagendoelgroep behoren geen interesse hebben. In de praktijk is het de vraag in hoeverre deze situatie zich veel zal voordoen. De vraag naar standplaats onder woonwagenbewoners is doorgaans groot, terwijl reguliere woningzoekenden voornamelijk op zoek zijn naar een stenen woning. Toch bestaat de kans dat incidenteel een niet-woonwagenbewoner een standplaats krijgt aangeboden. In dat geval is het goed om als corporatie eerst een intakegesprek met een potentiële huurder te hebben; past hij of zij op deze woonplek? Daarnaast kan nagedacht worden om in zo’n situatie een tijdelijk huurcontract (van bijvoorbeeld 1 of 2 jaar af te geven) aan een niet-woonwagenbewoner. Na deze periode kan bezien worden of er inmiddels wel behoefte is aan een standplaats onder de doelgroep woonwagenbewoners. Op die manier kan voorkomen worden dat een standplaats voor langere tijd leeg blijft, terwijl er wel (onder meerdere doelgroepen) behoefte naar woonruimte is.
Bindingseisen Het uitgangspunt van de Huisvestingswet 2014 is dat in de basis iedereen in Nederland het recht heeft om zich te kunnen vestigen waar hij/zij dat wil (vrije vestiging). Gemeenten kunnen in een huisvestingsverordening slechts in beperkte mate bindingseisen opnemen voor mensen met maatschappelijke en/of economische binding (maximaal 50% van de toe te wijzen woningen) aan een woonplaats of gemeente. Het bij voorrang toewijzen van woonruimte aan mensen met maatschappelijke en/of economische binding mag er bovendien niet toe leiden dat mensen die geen lokale binding hebben, geen kans meer op woonruimte in een gemeente hebben. Voor het toewijzen van standplaatsen kan het principe van vrije vestiging op gespannen voet staan met het rechtdoen aan de
64 College voor de Rechten van de Mens: oordeelnummer 2016-22.
46
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
familiebanden. Immers: als gevolg van de vrije vestiging kan bij het toewijzen van een standplaats maar beperkt voorrang worden gegeven aan een familielid op de betreffende woonwagenlocatie. In de praktijk wordt hiermee door gemeenten en woningcorporaties verschillend omgegaan. Sommige gemeenten hanteren enkel toewijzingscriteria voor standplaatsen die betrekking hebben op de familiebanden. Maar er zijn ook voorbeelden waarbij voorrangscriteria zijn opgenomen over de herkomstgemeente van een beoogde huurder. Positie van spijtoptanten bij toewijzing De omstandigheden waardoor spijtoptanten in het verleden naar een ‘stenen woning’ zijn verhuisd, kunnen sterk verschillen. Sommige mensen zijn vrijwillig vertrokken, sommigen hadden geen andere optie, omdat het aantal standplaatsen werd afgebouwd. Het komt ook voor dat mensen in het verleden een vertrekpremie hebben ontvangen ter compensatie van de verhuizing. Het is niet mogelijk om deze mensen bij voorbaat een bepaalde periode uit te sluiten van inschrijving op een standplaats. De omstandigheden waardoor in het verleden een vertrekpremie werd afgegeven spelen hierin een cruciale rol. Als een woonwagenbewoner destijds aantoonbaar niet uit vrije wil is vertrokken van een woonwagenlocatie (ook al heeft men een vertrekpremie ontvangen), dan zou (tijdelijke) uitsluiting van inschrijving in strijd zijn met de mensenrechten.
Als een gemeente ten tijde van de vertrekpremie bijvoorbeeld een strikt afbouwbeleid hanteerde, is het redelijk om deze spijtoptanten ondanks een ontvangen vertrekpremie, de gelegenheid te geven zich in te schrijven op een standplaats, zonder daarmee de ontvangen vertrekpremie een rol te laten spelen bij de voorrangscriteria bij toewijzing. Praktijkvoorbeelden: toewijzingscriteria standplaatsen: Huisvestingsverordening Regio Utrecht (2019) Voor het toewijzen van een standplaats of andere woonruimte op een woonwagenlocatie hanteert de gemeente een wachtlijst, gebaseerd op een woongroepmodel met voordrachtregeling. Deze wachtlijst wordt beheerd door een van de woningcorporaties. Voor de toewijzing geldt de volgende rangvolgorde: 1. kinderen of kleinkinderen van degene die de plaats huurde voordat deze leeg kwam; 2. woningzoekende die een standplaats huurt op de betreffende woonwagenlocatie en wil doorschuiven naar een vrijkomende standplaats op dezelfde locatie, onder voorwaarde dat de eigen standplaats vrijkomt; 3. een kind, inwonend bij familie in de eerste graad op de locatie waar een standplaats vrijkomt; 4. woningzoekende die in de afgelopen tien jaar minimaal zes jaar aaneengesloten op de locatie heeft gewoond; 5. woningzoekende die in de afgelopen tien jaar minimaal zes jaar aaneengesloten op een woonwagenlocatie elders in Nederland heeft gewoond; 6.
overige woningzoekenden. Op basis van inschrijfduur op de wachtlijst; Vervolgens adviseert een adviescommissie van bewoners van de betreffende woonwagenlocatie de woningcorporatie/beheerder over de toewijzing. Bij dit advies wordt de bovengenoemde
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
47
rangvolgorde aangehouden. Burgemeester en wethouders behouden het recht om in te grijpen in het toewijzingsproces of af te wijken van deze regeling. In dat geval dient het college woningcorporatie / beheerder om advies te vragen. Huisvestingsverordening Amsterdam (2020) Burgemeester en wethouders houden een register bij van standplaatszoekenden. Bij toewijzing van een te verhuren standplaats wordt de rangorde als volgt bepaald: 1. de woningzoekende die een standplaats huurt en wil doorschuiven naar een vrijkomende standplaats op dezelfde locatie. Voorwaarde is dat de standplaats van waar men vertrekt, vrijkomt. 2. urgente woningzoekenden: a. woningzoekende die een standplaats huurt en deze moet ontruimen vanwege opheffing of verkleining van die locatie. b. woningzoekenden die moeten verhuizen buiten hun eigen schuld om. c. woningzoekende die behoort tot de traditionele doelgroep en van wie de sociale omstandigheden van zodanig ernstige aard zijn, dat verhuizing van de huidige standplaats/ woning naar een (andere) standplaats geboden is. 3. kind dat bij familie in de eerste graad woont op de locatie in Amsterdam waar de standplaats vrijkomt. 4. woningzoekende die elders in de gemeente een standplaats huurt en wil doorschuiven naar een vrijkomende standplaats op een andere locatie. Voorwaarde is dat de standplaats van waar men vertrekt, vrijkomt. 5.
kind dat woont bij familie in de eerste graad op een andere locatie in Amsterdam. 6. woningzoekende die in Amsterdam in een woonwagen heeft gewoond, maar die graag weer op een standplaats wil wonen. Voorwaarde is dat men niet langer dan 3 jaar geleden is weggegaan van een woonwagenlocatie. 7. overige woningzoekenden: degene die niet tot bovenstaande categorieën behoren en ingeschreven staan op de wachtlijst. Beleidsregels toewijzing woonwagenstandplaatsen Rijssen-Holten (2020) Om in aanmerking te komen voor een standplaats dient men ingeschreven te staan in het belangstellingsregister; Vrijkomende standplaatsen worden toegewezen aan de hand van de volgende voorrangsregels en volgorde: 1. woonwagenbewoner(s) die op een woonwagenlocatie in Rijssen-Holten woont dan wel wonen, in het bezit is/zijn van een huurcontract en de standplaats moet ontruimen vanwege opheffing of verkleining van die locatie; 2. jongeren van 18 tot 30 jaar die nog bij hun ouders in de woonwagen op de woonwagenlocatie in Rijssen-Holten wonen; 3. eerste- en tweedegraads bloedverwanten van de zittende huurder(s) die ten tijde van het beschikbaar komen van de standplaats al ten minste zes jaar op de betreffende locatie woont 4. voormalige bewoner die ten tijde van het beschikbaar komen van de standplaats niet (meer) op de betreffende locatie verblijft, echter daar in het verleden wel heeft gewoond; 5.
overige, nu in een woning wonende, woonwagenbewoners in Rijssen-Holten, die voor een standplaats in aanmerking komen; 6. overige belangstellenden voor een woonwagenstandplaats 7. bij gelijke geschiktheid vindt toewijzing in eerste instantie plaats op basis van datum inschrijving. Is de datum van inschrijving gelijk dan toewijzing op basis van loting. De gemeente Rijssen-Holten kan in gevallen, waarin deze beleidsregels naar hun oordeel tot een bijzondere hardheid leiden, ten gunste van een belanghebbende van deze beleidsregels afwijken.
48
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
2 Toewijzing van huurstandplaatsen zonder huisvestingsverordening Als er geen huisvestingsverordening is, maar er zijn wel huurstandplaatsen aanwezig in de betreffende gemeente, dan is het toewijzen van standplaatsen een verantwoordelijkheid van de eigenaar, meestal de woningcorporatie. Veel woningcorporaties hebben in zo’n situatie zelf regels opgesteld voor de toewijzing van vrijkomende standplaatsen. Voorwaarde daarbij is dat corporaties zich houden aan de wettelijke toewijzingsregels met betrekking tot inkomenseisen uit de Woningwet. Er mogen daarnaast voorrangsregels gesteld worden ten aanzien van woonwagenbewoners die afkomstig zijn van de woonwagenlocatie of de gemeente waar de standplaats beschikbaar komt, zolang hierdoor geen verdringing van overige woningzoekenden ontstaat. Praktijkvoorbeelden: toewijzingscriteria standplaatsen (zonder huisvestingsverordening): Toewijzingsregels Woonwagenbeleid Wonen Limburg (2019) 1. volwassen eerstegraads familieleden van bewoners (kinderen of ouders) van de locatie waar de standplaats en/of woonwagen vrijkomt, op volgorde van leeftijd (van oud naar jong). 2. volwassen tweedegraads familieleden van bewoners (bv. broers of zussen) van de locatie waar de standplaats en/of woonwagen vrijkomt, op volgorde van leeftijd (van oud naar jong). 3.
woningzoekenden die wel voldoen aan het afstammingsbeginsel, geen familie zijn van bewoners van de locatie waar de standplaats en/of woonwagen vrijkomt, maar wel inwoner van de betreffende gemeente op volgorde van leeftijd (van oud naar jong). 4. overige woningzoekenden aan de beurt op volgorde van het aanbodmodel (inschrijfduur).
Huurstandplaats en eigen wagen Het voorgaande gaat uit van de relatief eenvoudige situatie waarin sprake is van een huurstandplaats en huurwoonwagen, of een koopstandplaats met koopwoonwagen. Op veel plekken in Nederland bestaat de situatie waarin een koopwoonwagen op een huurstandplaats is gevestigd. In dat geval kan een vrijkomende huurstandplaats alsnog volgens de gebruikelijke (beleids)regels worden toegewezen. De verantwoordelijkheid voor het overnemen van de koopwoonwagen is een verantwoordelijkheid van de persoon die de standplaats krijgt toegewezen. Dit vraagt vaak enige onderhandeling over de prijs. Er zijn situaties bekend waarin gemeente of woningcorporatie de woonwagen bij het opzeggen van de standplaats opkoopt en dan standplaats en woonwagen samen opnieuw verhuurt. De praktische uitwerking van deze optie vergt wel de nodige aandacht. De corporatie (of eventueel de gemeente) zal hiervoor investeringsruimte moeten reserveren. De hoogte hiervan is afhankelijk van de conditie van de woonwagen. Ook zal gekeken moeten worden of de huidige woonwagen voldoet aan alle bouwtechnische en brandveiligheidsvoorschriften en of de plaatsing conform het bestemmingsplan is. Bovendien kan de omzetting van een koop- naar een huurwoonwagen alleen met instemming van de woonwagenbewoner.
Als de nieuwe bewoner een voorkeur heeft voor een koopwagen moet hij/zij in de gelegenheid gesteld worden om een woonwagen te kopen. De aankoop van de woonwagen zelf (en het beheer) is dan de verantwoordelijkheid van de nieuwe bewoner.
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
49
Het komt ook voor dat woonwagenbewoners zelf de wens hebben om een bestaande huurwoonwagen te kopen van de verhuurder (bijvoorbeeld de gemeente of woningcorporatie). De verhuurder kan (maar is niet verplicht) hieraan mee te werken, op voorwaarde dat hij daarbij geen onderscheid maakt op basis van ras (bijvoorbeeld als wel in alle omstandigheden aan verkoop van reguliere huurwoningen zou worden meegewerkt en niet bij de verkoop van woonwagens).65 3 Toewijzing koopstandplaatsen Indien er in een gemeente sprake is van vrijkomende koopstandplaatsen is het aan de eigenaar van de standplaats zelf om dit te organiseren. Een huisvestingsverordening is hierop dus niet van toepassing. De standplaats is immers eigendom van de huidige bewoner en hij /zij kan in de basis zelf bepalen aan wie men de standplaats wil verkopen. Hier zit echter een risico aan waardoor veel gemeenten terughoudend zijn om koopstandplaatsen te ontwikkelen. De verkopende partij kan ervoor kiezen om de standplaats te verkopen aan de hoogste bieder, ook als dat geen familielid is of zelfs geen woonwagenbewoner. Zo kan een langjarige inzet om extra standplaatsen te creëren voor de doelgroep woonwagenbewoners in korte tijd weer teniet worden gedaan. Alleen koopstandplaatsen; nog steeds huisvestingstaak gemeente In diverse gemeenten zijn er enkel koopstandplaatsen en -woonwagens aanwezig.
Dit betekent echter niet dat de betreffende gemeente daarmee het voorzien in de woonwagenbehoefte geheel aan de vrije sector kan overlaten. Ook in deze situatie heeft de gemeente een positieve verplichting om goede voorwaarden te scheppen zodat woningzoekenden binnen afzienbare tijd kans maken op een standplaats. Daarvoor moeten woningzoekenden hun behoefte voor een standplaats kenbaar kunnen maken en moet de wachttijd enigszins te vergelijken zijn met de wachttijd voor een sociale huurwoning (of een logische afgeleide daarvan; zie paragraaf 4.6).66 4 Toewijzing nieuwe woonwagens De toewijzing van nieuwe standplaatsen / woonwagens kan grotendeels op dezelfde wijze verlopen als vrijkomende bestaande standplaatsen, zowel bij huur als koop. Toewijzing kan plaatsvinden op het moment dat de woonwagens gereed zijn, of eerder op het moment dat deze in ontwikkeling komen. Het laatste heeft de voorkeur, zodat er een directe relatie is tussen realisatie en afname. Dit vraagt ook potentieel minder voorinvesteringen. 5.2 Beheer woonwagens, standplaatsen en openbare ruimte De verantwoordelijkheid voor het onderhoud en beheer van woonwagens en standplaatsen ligt primair bij de eigenaren. Vaak is dit een woningcorporatie of de eigenaar-bewoner. In sommige gevallen is de gemeente nog eigenaar van woonwagens en/of
65 College voor de Rechten van de Mens: oordeelnummer 2019-11. 66 College voor de Rechten van de Mens: oordeelnummers 2018-90 en 2020-108.
50
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
standplaatsen. Daarnaast hebben verschillende gemeenten en corporaties het beheer overgedragen aan een beheerorganisatie. Herkenbaar en zichtbaar contactpersoon Al te vaak is de ervaring van woonwagenbewoners dat de gemeente alleen in beeld komt als het om handhaving gaat. In deze verschillende eigendoms- en beheersituaties blijft het ook belangrijk dat er vanuit de gemeente zowel ambtelijk als bestuurlijk een contactpersoon voor woonwagenbewoners is. Essentieel voor deze contactpersonen is herkenbaarheid en aanspreekbaarheid. Een reden te meer om deze functie niet uit te besteden. Alleen door zichtbaar aanwezig te zijn kan vertrouwen gewonnen worden en ontstaat een volwassen relatie tussen gemeente en woonwagenbewoners. Dit komt het beheer van woonwagenlocaties ten goede. Ervaringen van gemeenten en woonwagenbewoners zijn hierbij wel dat deze functie bepaalde competenties van de beoogde contactpersoon vraagt: • Directheid en duidelijkheid in de communicatie richting woonwagenbewoners: ja is ja en nee is nee. • Leg mondeling gemaakte afspraken vast; bijvoorbeeld door een schriftelijke of mailbevestiging aan de contactpersoon vanuit de woonwagenbewoners. • Iemand die de verbinding zoekt: voorkomen van wij – zij verhouding. • Wees bewust van de woordkeuze: door een deel van de woonwagenbewoners worden termen als ‘zigeuners’ en ‘kamp’ niet op prijs gesteld.
• Onderhoud het netwerk met woonwagenbewoners: treed niet alleen in contact als er een directe aanleiding is. Ook vanuit het college van B&W is het waardevol een contactpersoon (wethouder) aan te wijzen. Dit is niet de burgemeester, omdat hij/zij in de eerste plaats verantwoordelijk is voor openbare orde en veiligheid. De contactpersonen gaan vooral over dagelijks (normaal) beheer. Deze directe lijnen zorgen ervoor dat zaken snel afgehandeld kunnen worden. Rollen moeten hierbij duidelijk gescheiden zijn. De contactpersonen werken in het algemeen belang voor een goed woon- en leefklimaat op de woonwagenlocaties. Daarbij hebben zij geen handhavingsrol. Wel is het hun verantwoordelijkheid signalen op te kunnen vangen en naar bevinding van zaken daarbij te kunnen handelen. Essentieel is dat ongewenste situaties worden gesignaleerd en ook meteen aangepakt worden. Ook als alle standplaatsen in bezit zijn van de woningcorporatie is het van belang dat er een contactpersoon is binnen de gemeente. In die situatie blijft de gemeente deels verantwoordelijk voor het onderhoud van woonwagenlocaties, namelijk de openbare ruimte. De rol van beheerorganisaties In verschillende gemeenten is het beheer en onderhoud van standplaatsen en woonwagens uitbesteed aan een beheerorganisatie.
Dit gebeurt bijvoorbeeld als gemeenten en/ of woningcorporaties zelf onvoldoende capaciteit in huis hebben om zelf het beheer en onderhoud uit te voeren. Het vergt namelijk enige specifieke vaardigheden en kennis om het beheer goed uit te voeren. Een gespecialiseerde beheerorganisatie kan in zulke situaties de aandacht geven aan passend beheer. Het komt ook voor dat een
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
51
beheerorganisatie is ingeschakeld omdat de relaties tussen gemeenten en bewoners teveel verstoord zijn. In den lande zijn goede en minder goede ervaringen met de inzet van beheerorganisaties. Woonwagenbewoners geven soms aan dat met de uitbesteding aan beheerorganisaties het directe contact met de gemeente en/of corporatie zo bewust wordt afgeschermd, terwijl dat rechtstreekse contact met deze partijen wel noodzakelijk is. Ook zijn beheerorganisaties volgens woonwagenbewoners in het verleden soms betrokken geweest bij handhavingsacties, waarbij het niet altijd enkel reguliere onderhouds- en beheertaken betrof. Gemeenten en woningcorporaties dienen daarom een eventuele uitbesteding van het beheer aan een beheerorganisaties zeer zorgvuldig af te wegen en dit ook te bespreken met een vertegenwoordiging van de woonwagenbewoners (al blijft de eigenaar van de standplaatsen, hetzij de gemeente of corporatie, eindverantwoordelijk voor de keuze om al dan niet een beheerorganisatie in te schakelen). Bij een selectie van mogelijke beheerorganisaties is het raadzaam om ervaringen over de betreffende beheerorganisatie bij andere gemeenten, woningcorporaties en woonwagenbewoners in te winnen.
Bovendien is het van belang om ook bij uitbesteding van het beheer een direct aanspreekpunt binnen de gemeente te behouden en betrokken te blijven bij de gang van zaken rondom het beheer van woonwagenlocaties. Bij het opstellen van het contract met de beheerorganisatie is het wenselijk om afspraken te maken over het contact met de woonwagenbewoners en periodieke klanttevredenheidsmetingen. En ook organisatie op locatie Niet alleen vanuit de gemeente is een vaste contactpersoon waardevol, ook vanuit de verschillende woonwagenlocaties. Bijvoorbeeld door het oprichten van een bewonerscommissie of huurdersbelangenvereniging (op grond van de Wet overleg huurders verhuurder, kort aangeduid als overlegwet). Het is zinvol om hierbij ook de inbreng van eigenaren van woonwagens een plek te geven. Hiermee kan bovendien een stem verkregen worden in de prestatieafspraken tussen gemeente, corporatie en huurdersvertegenwoordiging. Meestal zal dat indirect zijn door als bewonerscommissie van een woonwagenlocatie via de huurdersvereniging het belang van de bewoners voor het voetlicht te brengen. Deze verdeling past ook binnen de ordening van de Overlegwet. Het houdt bovendien ook het toch vaak al complexe proces van het maken van prestatieafspraken overzichtelijk. Dit helpt bij snelle en effectieve communicatie tussen gemeente en woonwagenbewoners.
De gemeentelijk contactpersoon kan helpen bij het vormgeven aan deze vertegenwoordiging vanuit de verschillende locaties.
52
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
Praktijkvoorbeelden: Organiseren van lokale woonwagenbelangen: Woonwagenbelangen Amsterdam: netwerkorganisatie met aanspreekpunt op elke woonwagenlocatie in de gemeente De verenging Sinti Roma Woonwagenbewoners Nederland heeft ook in 2009 het initiatief genomen om tot een belangenorganisatie van woonwagenbewoners in Amsterdam (Woonwagenbelangen Amsterdam) te komen. Woonwagenbelangen Amsterdam vormt nu een netwerkorganisatie met een aanspreekpunt op elke woonwagenlocatie in de gemeente. De belangenorganisatie heeft haar standpunten op papier gezet en treedt periodiek in overleg met de gemeente. Zo heeft Woonwagenbelangen Amsterdam onder andere meebeslist over de opzet van het woonbehoeftenonderzoek – van de opzet van de vragenlijst tot de keuze voor het onderzoeksbureau. Ook praat Woonwagenbelangen Amsterdam mee over het gemeentelijke beleidsstuk over woonwagenbeleid, dat begin 2020 is gepubliceerd.
Technisch beheer van woonwagens en standplaatsen De eigenaar van de woonwagen en standplaats is verantwoordelijk voor goed onderhoud en beheer, ongeacht of dit is uitbesteed of in eigen beheer wordt gedaan. Via een zakelijke samenwerking kan dit handen en voeten krijgen. Hierbij gaat het om de volgende activiteiten die dit kunnen ondersteunen: • De gemeente of corporatie doet voor de standplaatsen en eigen woonwagens periodiek (eens in de tien jaar) een conditiemeting, waarbij de bouwkundige kwaliteit van de woonwagen objectief wordt vastgesteld. Hierbij kan ook worden gekeken of er sprake is van illegale bebouwingen. Hierbij is het belangrijk om vooraf met bewoners ook vast te stellen aan welke kwaliteitscriteria de conditiemeting wordt getoetst. Hanteer hiervoor de gebruikelijke methodiek die ook voor reguliere stenen woningen wordt toegepast (o.a. garantiebepalingen met betrekking tot schilderwerk, daken, etc.). • Daarbij is het ook goed om specifiek aandacht te hebben voor de levensloopbestendigheid van woonwagens daar waar het oudere of zorgbehoevende woonwagenbewoners betreft. • Na vaststelling van de conditiemeting maakt de eigenaar / beheerder samen met de bewoners een meerjarenonderhoudsplanning.
• Vervolgens wordt de onderhoudsplanning uitgevoerd, waarbij periodiek de voortgang wordt gemonitord: liggen we op schema, waarom wel / niet? Hierbij is het ook waardevol om afspraken te maken over tussentijds calamiteitenonderhoud, eigen verantwoordelijkheid hierbij en snelheid van oplossen. • Het is waardevol om de processturing van voorgaande stappen door de contactambtenaar te laten doen, waarbij hij geen inhoudelijke maar vooral een procesmatige rol heeft (iedereen aan het woord laten). Indien de gemeente werkt met een beheerorganisatie, is het wel waardevol om ook dan als gemeente zichtbaar te blijven, zodat in geval van calamiteiten er een aanspreekpunt is. Zichtbaarheid en aanspreekbaarheid blijven ook dan belangrijk. Dit vraagt goede werkafspraken tussen: bewoners-gemeente-beheerorganisatie-eigenaren (soms dus ook de gemeente). Voor koopwagens is dit complexer, omdat de verantwoordelijkheid voor goed
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
53
onderhoud bij de individuele eigenaar ligt. Bij achterstallig onderhoud kan de gemeente in uiterste situatie handhavend optreden, vanuit Bouw- en Woningtoezicht (zoals dat ook bij reguliere woningen geldt). Voordat het zover komt is de wagen al in zeer slechte staat. Eerder ingrijpen is nodig. Maar als de eigenaren hiervoor de financiële ruimte mist, heb je hiervoor weinig middelen om in te grijpen. De volgende wegen kunnen overwogen worden: • Beïnvloeding en informatievoorziening over noodzakelijk onderhoud; • Via abonnementsconstructie / inkoop mee laten liften met beheer door de beheerorganisatie; • Verstrekken van laagrentende lening (naar analogie van de verduurzamingslening) voor opknappen van de wagen; • Het overnemen van de woonwagen. Aandachtspunt bij koopwagens is ook het verzekeren van de wagen. De gemeente kan hieraan een bijdrage leveren door de mogelijkheid van een collectieve verzekering mogelijk te maken. Dat is vaak voordeliger. In het geval dat eigendom van standplaats en woonwagen bij verschillende partijen liggen (bijvoorbeeld standplaats wordt verhuurd door een woningcorporatie, woonwagen is in eigendom van de bewoner), geldt nog steeds dat de eigenaar verantwoordelijk is voor zijn eigen deel binnen de combinatie standplaats-woonwagen.
In het genoemde voorbeeld is de woonwagenbewoner verantwoordelijk voor het onderhoud aan zijn of haar woonwagen, de woningcorporatie is verantwoordelijk voor het onderhoud aan de standplaats. Brandveiligheid Een belangrijk aspect aan de woonwagen is de brandveiligheid, maar tegelijkertijd ook gecompliceerd zowel bij bestaande locaties als de aanleg van nieuwe standplaatsen. De brandveiligheid van woonwagens en woonwagenlocaties dient te voldoen aan de bouwtechnische eisen zoals geformuleerd in het Bouwbesluit (2012). Zowel voor nieuwbouw als bestaande bouw geldt dat er maximaal vier woonwagens en nevenfuncties met een totale gebruiksoppervlakte van maximaal 1.000 m² in een brandcompartiment mogen liggen. Daarnaast mag een brandcompartiment zich over niet meer dan een perceel uitstrekken. Als het gaat om de branddoorslag en brandoverslag zit er veel verschil tussen nieuwbouw en bestaande bouw. Voor nieuwbouw geldt dat de weerstand tegen branddoorslag en -overslag van een brandcompartiment naar (1) een ander brandcompartiment, (2) een vluchtroute (al dan niet besloten) minimaal 60 minuten dient te zijn. Bij bestaande bouw is dat minimaal 20 minuten (ofwel een afstand van minimaal 5 meter). Op veel woonwagenlocaties zijn woonwagens op bestaande standplaatsen in de loop de jaren vergroot of vervangen door grotere chalets.
Hierdoor wordt lang niet altijd de benodigde afstand tussen woonwagens behouden. Het is daarom belangrijk om de brandveiligheid bij regulier beheer, maar zeker ook bij herstructurering en aanleg van nieuwe standplaatsen een belangrijke plek te geven. Daarbij is het raadzaam om zeer terughoudend om te gaan met de mogelijkheid om meerdere woonwagens binnen een compartiment te clusteren (bij reguliere woningen bestaat deze optie niet). Dit lijkt in eerste instantie een eenvoudige manier om meer standplaatsen en woonwagens binnen
54
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
dezelfde locatie te realiseren, maar vergroot in hoge mate het risico op brandoverslag. Een dergelijke clustering van woonwagens is enkel een reële optie als ter compensatie extra aandacht is voor brandveiligheidsmaatregelen (bijvoorbeeld het gebruik van brandwerend materiaal, opstellen zorgvuldig brandbestrijdingsplan en ontruimingsplan). Hoe omgaan met caravans? Een veelgehoord aandachtspunt bij het beheer van standplaatsen is de aanwezigheid van illegale bebouwing, zoals bergingen, tuinhuisjes en caravans. Zoals benoemd in hoofdstuk 1 woont een deel van de woonwagenbewoners in een toercaravan. Er kan daarbij sprake zijn van een gedoogsituatie (bijvoorbeeld als er sprake is van een mantelzorgrelatie of als het niet mogelijk is om binnen afzienbare tijd extra standplaatsen te creëren, terwijl woonwagenbewoners al lang staan ingeschreven), maar dat is niet altijd het geval. Zeker als caravans tegen andere woonwagens geplaatst zijn, kan dit tot mogelijk extra brandveiligheidsrisico’s leiden. In de basis is het aan gemeenten om te toetsen of de invulling van een standplaats voldoet aan het bestemmingsplan, ook als daar een caravan op staat.
De gemeente zal de behoefte aan het wonen in een toercaravan moeten afwegen tegen andere belangen, bijvoorbeeld het waarborgen van de bouwtechnische kwaliteit van een woonruimte (Bouwbesluit), de openbare veiligheid, bescherming van de gezondheid en het al dan niet toestaan van vergelijkbare woonvormen (zoals Tiny Houses op wielen). Belangrijk daarbij is dat er een zorgvuldige afweging is gemaakt tussen de belangen van het individu (in dit geval de bewoner van de toercaravan) enerzijds en de belangen van de maatschappij anderzijds. Bij handhaving van een situatie waarbij sprake is van strijdigheid met de APV geldt dat het bestuursorgaan onder meer een redelijke belangenafweging moet verrichten. Dat houdt in dat bij de vraag of bevoegdheid tot handhaving bestaat er ook wordt gekeken of het bestuursorgaan in algemene zin inspanningen verricht om standplaatsen te creëren.67 Beheer openbare ruimte Het beheer en onderhoud aan de openbare ruimte bij woonwagenlocaties is een primaire verantwoordelijkheid van de gemeente. Omdat op veel locaties privéruimte van de woonwagens overloopt in de openbare ruimte, kunnen onduidelijke situaties ontstaan; dat moet worden voorkomen. Bovendien zijn woonwagenlocaties niet altijd opgenomen in de ‘routes’ van beheer openbare ruimte. Het is belangrijk om hierop de routes aan te passen.
Ontsluiting en bereikbaarheid Problemen op het vlak van beheer ontstaan soms op woonwagenlocaties gelegen aan een doodlopende weg. Dit maakt het lastiger voor vuilniswagens en andere grote vrachtwagens om te keren. Daarnaast kan een doodlopende weg voor medewerkers van
67 Zie in dit verband onder meer: ABRvS 15 juli 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1618, m.nt. T.N. Sanders. In dit geval acht de Afdeling de inspanningen van gemeente Amsterdam toereikend waardoor gehandhaafd mocht worden.
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
55
gemeente het gevoel geven van een afgesloten terrein, waardoor zij er soms niet willen komen. In de eerste plaats is het dan zaak om mogelijke vooroordelen weg te nemen en gemeenteambtenaren ervan te overtuigen net als elders in de gemeente op een zorgvuldige en frequente wijze het onderhoud aan de openbare ruimte te verrichten. In de tweede plaats kan worden gekeken hoe de inrichting en de bereikbaarheid van woonwagenlocaties zodanig kan worden ingericht, zodat het voor vuilniswagens, vrachtwagens, maar zeker ook hulpdiensten eenvoudiger wordt om de woonwagenlocatie te bereiken en ook weer te keren. Door woonwagenbewoners zelf wordt hierbij vaak de voorkeur gegeven aan een cirkelvormige of u-vormige ontsluitingsweg (hofje).68 5.3 Nieuwe standplaatsen ontwikkelen Het ontwikkelen van nieuwe standplaatsen komt nauw. De behoefte hieraan moet blijken uit het behoeftenonderzoek. Vervolgens is samenwerking met woonwagenbewoners noodzakelijk om te komen tot een juiste locatiekeuze, kwaliteit, eigendom en exploitatie van de te realiseren woonwagens.
Stappen om te komen tot nieuwe standplaatsen De uitwerking hiervan naar toevoegingen is afhankelijk van een aantal relevante afwegingen: • Onder welke groepen is er een uitbreidingsbehoefte: Roma, Sinti, reizigers, kermisexploitanten en circusreizigers? Voordat gekeken wordt naar nieuwe locaties is het goed om vast te stellen of achtergrond en wonen in familieverband een doorslaggevende rol speelt bij het vinden van een woonwagen. Dit vraagt overleg met de direct betrokkenen, waarbij het niet alleen gaat over ‘woonwensen’, maar ook over de haalbaarheid hiervan. Met de betrokken woonwagenbewoners kan deze afweging gemaakt worden op zoek naar een optimum tussen hun wensen en een haalbare locatieontwikkeling. • Met woonwagenbewoners kan door de beoogde exploitant (woningcorporatie) een programma van eisen opgesteld worden. De gemeentelijke contactpersoon kan hierbij fungeren als procesbegeleider. Een extern deskundige procesbegeleider kan ook, vanuit kennis van de materie. Keerzijde is wel dat daarmee niet aan de directe (waardevolle) relatie met de woonwagenbewoners wordt gewerkt.
• Ook bij het bepalen van het programma van eisen zal een optimum gevonden moeten worden tussen wensen (kwaliteit, grootte, ruimtelijke inpassing, relatie met bedrijvigheid, huurprijs, realisatie van aparte berging met sanitair) en haalbaarheid (op locatie en naar een sluitende exploitatie, inclusief aandacht voor financiering bij woonwagens in eigendom). • Een belangrijk punt is de inrichting van de woonwagenlocatie. Belangrijke aandachtspunten daarbij zijn: voldoende parkeergelegenheid, voldoende ruimte tussen woonwagens en standplaatsen (in het kader van brandveiligheid en het
68 Woonwagenbelangen Nederland; Begeleidend advies bij uitvoering gemeentelijk woonwagen en standplaatsenbeleid (2018).
56
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
•
•
•
onderhoud aan woonwagens). Ook is het goed om oog te hebben voor de mogelijkheden van voorzieningen zoals openbaar groen, speelplekken voor kinderen, bedrijfsruimte aan huis, ontmoetingsruimten. • Bij het programma van eisen is ook aandacht nodig voor de exploitatie. Voor de sociale huurwoonwagens is de corporatie in beginsel de aangewezen partij (mits de potentiële bewoner behoort tot de doelgroep). Voor duurdere huurwoonwagen of koopwoonwagens is een andere investeerder nodig. Voor de standplaats is de gemeente investeerder. De investering in een dergelijke woonwagen past niet bij de taak van de corporaties en doorgaans ook niet in een eventuele niet-DAEB tak, gelet op de risico’s en waarschijnlijk beperkte rendementen (hoge investering tot € 175.000 voor een standplaats met woonwagen en korte afschrijvingstermijn). Vraag is of de toekomstige bewoner een hypotheek kan krijgen. Dit betekent wel dat de wagen pas gerealiseerd kan worden als de bewoner het geld hiervoor beschikbaar heeft. De gemeente kan eventueel voorinvesteren. Parallel aan de vorige stappen kan een planinventarisatie plaatsvinden: op welke locaties is er ruimte voor uitbreiding, binnen de locaties of direct aangrenzend eraan. Maar ook kan naar nieuwe locaties gekeken worden.
Selectie van kansrijke locaties gebeurt niet anders dan bij andere bouwplannen, waarbij een goede ruimtelijke ordening randvoorwaardelijk is. Vervolgens moet dit verankerd worden in een bestemmingsplan of omgevingsplan. Betrek in deze inventarisatie ook de wensen van de woonwagenbewoners. Zij hebben vaak een voorkeur voor een locatie aan de rand van een woonplaats, in een groene omgeving waarbij het ook mogelijk is om bedrijvigheid / werkruimte bij huis te hebben. Daarnaast is het goed om rekening te houden met de cultuur van veel buitenleven en muziek maken. Het aanleggen van een woonwagenlocatie direct grenzend aan een reguliere woonwijk kan daardoor tot een botsing van leefstijlen leiden.69 Betrek bij de aanleg van nieuwe standplaatsen ook omwonenden (van stenen woningen) in de directe omgeving van de beoogde locatie. De ervaring leert dat er bij veel burgers een (bevooroordeeld) negatief beeld bestaat van woonwagenbewoners. Uitbreiding van het aantal standplaatsen kan daardoor op weerstand van omwonenden stuiten, waarbij omwonenden mogelijk een verzoek om planschade zullen aanvragen bij de gemeente vanwege waardevermindering van hun woning als gevolg van uitbreiding van het aantal standplaatsen in hun omgeving. Hierna volgt de concrete realisatie van de standplaatsen en woonwagens.
In overweging geven we om in deze fase ook via een bouwteam een vertegenwoordiging van woonwagenbewoners en de gemeentelijke contactpersoon hierbij te betrekken.
Wie draait op voor eventuele planschade? Een nieuw planologisch plan of besluit, bijvoorbeeld een bestemmingsplanwijziging, kan tot gevolg hebben dat er sprake is van een ongunstige planologische ontwikkeling. Op basis van de huidige Wet ruimtelijke ordening kan een belanghebbende een
69 Vereniging Sinti Roma Woonwagenbewoners Nederland, Team Woonwagen Belangen Nederland.
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
57
planschadeverzoek indienen wanneer degene meent in een nadeligere positie te verkeren door een ongunstige planologische ontwikkeling in de naaste omgeving. Schade die behoort tot het normaal maatschappelijk risico blijft voor rekening van een aanvrager. In de wet is bepaald dat bij planschade als gevolg van een planologische ontwikkeling buiten het eigen perceel van de aanvrager (indirecte planschade) in ieder geval 2% van de schade voor rekening van een aanvrager komt.70 Uit vaste jurisprudentie volgt dat de vraag of een planologische ontwikkeling behoort tot het normaal maatschappelijk risico, moet worden beantwoord met inachtneming van alle van belang zijnde omstandigheden van het geval.71 Van belang is onder meer of de planologische ontwikkeling als een normale maatschappelijke ontwikkeling kan worden beschouwd waarmee de aanvrager rekening had kunnen houden in die zin dat die ontwikkeling in de lijn van de verwachtingen lag. Bij waardevermindering van een onroerende zaak als gevolg van een normale maatschappelijke ontwikkeling, waarbij die woningbouw in de lijn der verwachtingen lag, is een waardevermindering tot vijf procent van de waarde van de onroerende zaak, in verhouding tot de waarde van de onroerende zaak onmiddellijk vóór het ontstaan van de schade, substantieel, maar niet zodanig zwaar dat deze schade niet voor rekening van de aanvrager kan worden gelaten.
Dit betekent dat een waardevermindering tot vijf procent van de waarde van de onroerende zaak in deze categorie gevallen in beginsel ook tot het normaal maatschappelijke risico van de aanvrager behoort. Planschade die niet behoort tot het normaal maatschappelijk risico wordt in beginsel door de initiatiefnemende partij van de planologische ontwikkeling (meestal de gemeente) betaald. Het is wel mogelijk om de verantwoordelijkheid voor het uitkeren van de planschade (deels of geheel) over te hevelen naar de ontwikkelende partij. Een gemeente dient afspraken hierover vast te leggen in de anterieure overeenkomst met de ontwikkelaar. Energiezuinige woonwagens: Bijna Energieneutraal en aardgasloos Net als stenen woningen dienen ook woonwagens aan een duurzaamheidsnorm te voldoen. Lange tijd gold hiervoor een EnergiePrestatieNorm (EPC). Ten tijde van de aanpassing van het Bouwbesluit 2012 was deze norm voor woonwagens 1,3. Daarmee was de norm voor woonwagens aanzienlijk lager dan voor nieuwbouw van stenen woningen (destijds 0,6).
70 Bij directe planschade leidt de eigenaar van een onroerende zaak schade, doordat de mogelijkheden op zijn eigen perceel worden beperkt. Ten aanzien van omwonenden van stenen woningen geldt deze vorm van planschade niet, maar de indirecte planschade. Om die reden wordt alleen deze vorm van planschade benoemd. 71 Zie onder meer overzichtuitspraak: ABRvS 28 september 2016, ECLI:NL:RVS:RVS:2016:2582 en ABRvS 21 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1653.
58
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
Per 1 januari 2021 wordt de EPC-norm vervangen door de norm ‘Bijna Energieneutraal’ (BENG). Deze energienorm is opgesplitst in drie indicatoren voor woonwagens: • BENG 1: Energiebehoefte voor verwarming en koeling van de woonruimte (< 140 kWh/m²) • BENG 2: Primair fossiele brandstofgebruik van de woonruimte (< 60 kWh/m²) • BENG 3: Aandeel hernieuwbare energie in de woonruimte (> 50% % van totaal fossiele brandstofgebruik) Daarnaast geldt dat sinds 1 juli 2018 nieuwe woningen in principe geen aansluiting meer krijgen op het aardgasnetwerk. Dit geldt ook voor nieuwe woonwagens. Slechts bij hoge uitzondering kan een gemeente aansluiting van nieuwbouw op het aardgas toestaan. In de praktijk gebeurt het meestal dat bij vervanging van een oude woonwagen een nieuwe woonwagen vooralsnog op het gasnetwerk wordt aangesloten, vanwege de aanwezigheid van de gasleidingen. Bij geheel nieuwe standplaatsen ontbreekt dat leidingnetwerk vaak en wordt eerder voor aardgasloze woonwagens gekozen. De energievoorziening vindt dan vaak via een warmtepomp plaats. Daarnaast wordt hierbij vaak een warmteterugwinningventilatie geïnstalleerd. Diverse gemeenten, corporaties en bouwbedrijven zijn al aan de slag gegaan met de bouw van energiezuinige en zelfs aardgasloze woonwagens. Dit brengt echter de nodige kosten met zich mee.
Kosten die (zeker als het sociale huurwoonwagens betreft) niet volledig kunnen worden doorberekend aan de woonwagenbewoners. Hierbij zal gezocht moeten worden naar een evenredige verdeling van de kosten. Anderzijds staan de ontwikkelingen op het gebied van verduurzaming van woonwagens niet stil en is de verwachting dat er op termijn steeds meer mogelijkheden komen voor een duurzame, gasloze woonwagen tegen een aanvaardbare prijs-kwaliteitverhouding. Hierbij is het wel zaak dat gemeenten en corporaties het gesprek aan gaan met woonwagenbewoners, zodat zij kunnen aangeven wat hun woonwensen zijn en in welke mate het programma van eisen van de woonwagenbouwer hieraan kan voldoen. Financiering van nieuwe standplaatsen en woonwagens Een veelgehoord knelpunt bij de realisatie van nieuwe woonwagens is de financiering. Zowel de aanleg van een standplaats als de bouw van een woonwagen vraagt de nodige financiële investeringsruimte. Realisatie van standplaatsen verminderen de grondopbrengsten ten opzichte van exploitatie van reguliere woningen (op minder m2, of in een hoger segment). Dit zet de grondexploitatie onder druk. Op eigen gemeentegrond kan dit als verlies genomen worden. Op grond van derden heeft dit verlies direct effect op het te behalen rendement. Dit wordt door de grondeigenaar gewogen met andere maatschappelijke opgaven die de gemeente wil bereiken.
Dit zet daarmee de haalbaarheid van andere ‘woondoelen’ direct onder druk. Bij de afweging van locaties is het belangrijk dit element vooraf af te wegen. Bij de exploitatie zitten de extra kosten vooral in de afschrijftermijn. Een standplaats kan na oplevering in principe tot in lengte van jaren verhuurd worden met betrekkelijk weinig onderhoud. Daarmee behoudt een standplaats haar waarde. Voor een woonwagen ligt dat anders. Voor veel woonwagenbewoners vormt een woonwagen op basis van
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
59
houtskeletbouw een fundamenteel onderdeel van hun levenswijze. Veel gemeenten en corporaties hanteren een kortere afschrijvingstermijn voor woonwagens van houtskeletbouw dan voor stenen woningen. Niettemin is de levensduur van een woonruimte op basis van houtskeletbouw in de loop der jaren sterk verbeterd. De verwachte levensduur ligt inmiddels op ongeveer 50 jaar. Het is lastig om exacte kosten aan te geven voor de realisatie van een nieuwe huurstandplaats. Dit hangt mede af van de inzet die nodig is om de grond bouwrijp te maken: Is bodemsanering aan de orde? Moeten bestaande functies uitgeplaatst te worden? Gaat het om een nieuwe locatie waar riolering en energieleidingen nog moeten worden aangelegd of gaat het om extra plaatsen bij een bestaande locatie? Voor het realiseren van een nieuwe huurwoonwagen (uitgaande van houtskeletbouw) liggen de kosten op ongeveer €100.000 tot €115.000. Om een woonwagen in overeenstemming te brengen met de geldende duurzaamheidseisen voor nieuwbouw, dat wil zeggen bijna energieneutraal (BENG) en aardgasloos, dient per woonwagen rekening te worden gehouden met een extra investering van ongeveer €30.000. Daarmee zijn de kosten voor bouw en verhuur van standplaatsen en woonwagens voor een woningcorporatie aanzienlijk hoger dan voor reguliere sociale huurwoningen.
Woningcorporaties nemen dit financiële aspect mee in het bepalen van hun bod op de volkshuisvestelijke opgave die de gemeente vanuit de woonvisie bij hen neerlegt. Zij staan voor een moeilijke keuze om de beperkte financiële mogelijkheden te verdelen over de bouw van reguliere sociale huurwoningen en de relatief dure aanleg van standplaatsen en woonwagens. Er zijn voorbeelden bekend (zie onderstaand kader) waarbij het Rijk via ISV-gelden of Provincie een financiële bijdrage heeft geleverd om de herstructurering of aanleg van standplaatsen financieel haalbaar te maken. Daarmee wordt een financiële stimulans afgegeven om voldoende standplaatsen voor woonwagenbewoners te realiseren. Het zou wenselijk zijn dat het Rijk, wellicht in combinatie met Provincie een subsidieregeling beschikbaar stelt voor het realiseren van nieuwe, kwalitatieve duurzame woonwagens en standplaatsen. Daarnaast is het van belang om bij het ontwerp goed te kijken of er besparingsmogelijkheden zijn. Zo is de bouw en plaatsing van een woonwagen met afzonderlijk klompenhokje aanzienlijk duurder dan de bouw van een woonwagen die even groot is als woonwagen met aangebouwd klompenhok.
60
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
Praktijkvoorbeelden: Financiering van standplaatsen en woonwagens Herstructurering woonwagenlocatie Beukbergen (Zeist) In de gemeente Zeist staat met ongeveer 220 standplaatsen de grootste woonwagenlocatie van het land. In de afgelopen jaren heeft een grootschalige herstructurering plaatsgevonden. Hierbij zijn ongeveer 50 extra standplaatsen gecreëerd. Daarnaast is de locatie heringericht; woonwagens zijn op ruimere, brandveilige afstand van elkaar geplaatst en de openbare ruimte is opgeknapt. Het totale project kostte 24 miljoen euro. Een belangrijk deel van de financiering kwam voort uit het gegeven dat Beukbergen voor een belangrijk deel in de regionale behoefte aan standplaatsen voorzag. Daarvoor stortten zowel de gemeente Zeist als andere regiogemeenten jarenlang een bedrag in een gemeenschappelijk fonds; het Woonwagenschap. Door opheffing van het Woonwagenschap zijn de resterende financiële middelen naar de herstructurering gegaan. De gemeente Zeist heeft haar aandeel opgehoogd omdat er sprake was van achterstallig onderhoud (waardoor het gereserveerde gemeentelijke budget hiervoor nog beschikbaar was). Daarnaast heeft het Rijk via ISV-gelden een bijdrage geleverd. De Provincie Utrecht heeft een bijdrage geleverd voor de aanpak van de openbare ruimte. Tenslotte hebben ook bewoners zelf bijgedragen aan de herstructurering.
De huur is verhoogd en diverse standplaatsen zijn verkocht. Eerste gasloze woonwagenlocatie van Nederland (Bergen op Zoom) Langs de Lijn in Bergen op Zoom de het eerste gasloze woonwagenlocatie van Nederland. Aan de rand van een nieuwbouwwijk is een nieuwe locatie bestaande uit acht standplaatsen met woonwagens gerealiseerd door Nijbod Consultancy in samenwerking met Kraaijkamp BV en de betrokken corporaties. Alle acht woonwagens zijn nul-op-de-meter, voorzien van 28 zonnepanelen. De zonnepanelen moeten de energie opwekken die wordt gebruikt voor onder meer een infraroodvloerverwarming. De aanleg van de standplaatsen met woonwagens en bergingen was begroot op 1,3 miljoen euro. Voor de huurders komt de maandelijkse huur van de standplaats met woonwagen uit op €640. Daarnaast betalen huurders maandelijks €78 voor de energie om de investering terug te verdienen.
Hypotheekmogelijkheden woonwagenbewoners Voor veel woonwagenbewoners die een woonwagen willen kopen is het lastig om een hypotheek te verkrijgen. Een hypotheekverstrekker is bereid om een kavel te financieren tegen de norm van reguliere woningen, maar als men daar en woonwagen op wil plaatsen kan de woonwagenbewoner doorgaans een hypotheek voor maximaal €50.000 verkrijgen, terwijl de aanschaf van een nieuwe woonwagen doorgaans aanzienlijk hoger uitvalt. Het risico bestaat dat woonwagenbewoners op die manier opteren om een goedkope, tweedehandswagen aan te schaffen (soms in combinatie met achterstallig onderhoud). De combinatie van beperkte financiële mogelijkheden en de keuze voor een verouderde woonwagen kan ertoe leiden dat de woonwagen na verloop van tijd vervangen moet worden, wat vaak niet financieel op te brengen is door de bewoner. Er zijn echter ook starters die een voordelige bestaande woonwagen aanschaffen om zodoende een start te kunnen maken en tegelijkertijd te sparen voor een nieuwe woonwagen of het verbeteren van de bestaande wagen. Er zijn voorbeelden bekend van gemeenten die als intermediair tussen woonwagenbewoners en hypotheekverstrekkers hebben opgetreden om op deze wijze alsnog een
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
61
hypotheek voor een woonwagen te verkrijgen. Daarnaast is het mogelijk om voor woonwagens een hypotheek met Nationale Hypotheek Garantie (NHG) af te sluiten. Per 1 januari 2020 ligt de grens voor een woonwagen op €140.000, voor standplaatsen op €51.000. Als ook de standplaats te koop wordt aangeboden, kan een gemeente ervoor kiezen om deze in erfpacht uit te geven, waardoor het financieel gezien eenvoudiger wordt voor woonwagenbewoners om een koopstandplaats te kunnen betalen. Het is vooralsnog niet mogelijk om als starter in aanmerking te komen voor een starterslening voor een woonwagen. De reden is dat een woonwagen geen registergoed betreft (waardoor een hypotheek lastig is af te sluiten). In plaats daarvan zal er een pandrecht op de woonwagen gevestigd moeten worden, wat niet past bij de voorwaarden van het product Starterslening. 5.4 Overdracht van standplaatsen van gemeente aan corporatie De afgelopen jaren hebben veel gemeenten en corporaties met elkaar gezocht naar de mogelijke overdracht van standplaatsen en woonwagens. Het idee hierachter was dat veel gemeenten vonden dat corporaties beter zijn toegerust voor het beheer en onderhoud van woongelegenheden. De overdracht van woonwagenstandplaatsen is de afgelopen decennia onderwerp geweest van veel prestatieafspraken.
Deze prestatieafspraken kunnen tussen gemeenten en/of woningcorporaties worden gemaakt voor zover deze geen elementen bevatten die zien op woonruimteverdeling. Veelal lukt het tussen deze partijen niet om tot definitieve overdracht te komen. Om tot een succesvolle overdracht te komen is een aantal minimale voorwaarden noodzakelijk: • Bij de overdracht zijn drie partijen minimaal betrokken: de bewoners, de gemeente en de corporatie. Dit vraagt een goede basale verstandhouding. Laat het proces tussen deze drie partijen begeleiden door een ervaren (onafhankelijke) procesmanager, zodat stappen zorgvuldig gezet en belangen goed gewogen kunnen worden. Hiervoor moet een duidelijk gezamenlijk stappenplan vastgesteld worden, waarin voldoende tijd is om ieders inbreng tot z’n recht te laten komen. Hierbij moet ook duidelijk naar voren komen wat de meerwaarde is voor elke partij van de overdracht, en wat de risico’s zijn. • De vertreksituatie moet in orde zijn: standplaats en woonwagen zijn goed onderhouden, er moet een goede verstandhouding zijn met de bewoners. • Er moet duidelijkheid zijn over aanstaande ontwikkelingen ten aanzien van onderhoud en noodzakelijke investeringen in verbeteringen. In het gesprek met de corporatie moet een afweging gemaakt worden of achterstallig onderhoud eerst wordt opgelost of dat een bruidsschat wordt meegegeven.
• Afspraken over eventuele verborgen gebreken moeten duidelijk zijn. Vervolgens is het ook belangrijk om goede afspraken te maken over de nieuwe situatie. Hoe is dan beheer geregeld voor de standplaatsen, de woonwagens en de locatie. Doet de corporatie dit zelf? Of schakelt zij een beheerorganisatie in? Hoe gaat de nieuwe eigenaar om met huuraanpassingen en met toewijzing. Ook deze aspecten moeten onder de nieuwe situatie duidelijk geregeld zijn. Daarbij kan de gemeente zich niet geheel
62
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
terugtrekken. Inzet blijft nodig van de contactpersonen (ambtelijk en bestuurlijk) vanuit de gemeente, zodat contact op een goed niveau blijft. 5.5 Rol van het Rijk, Provincies en regio’s Het voorzien in voldoende woonwagens en standplaatsen is niet alleen een taak van lokale partijen. Ook de landelijke overheid en Provincie hebben hierin een rol te vervullen. Rijk: Informeren, stimuleren en monitoren Veel gemeenten en woningcorporaties lopen tegen de lastige financierbaarheid van de aanleg van standplaatsen en woonwagens aan. Vooral de korte afschrijftermijn en de technische eisen (bijvoorbeeld met betrekking tot duurzaamheid) maken financierbaarheid van huurwoonwagens lastig. Praktijkvoorbeelden zoals bij de locatie Beukbergen in Zeist laten zien dat financiële stimulering vanuit het Rijk of Provincie een substantiële bijdrage kan leveren in het realiseren van meer standplaatsen. Ook kan er gekeken worden of er mogelijkheden kunnen worden gecreëerd om de Starterslening ook mogelijk te maken voor woonwagens. Hierbij kan ook gedacht worden aan een expliciete uitzonderingspositie voor woonwagens als het gaat om de Wet voortgang energietransitie, zodat woonwagens niet verplicht gasloos hoeven te zijn. Het aardgasloos maken van woonwagens (van houtskeletbouw) is al wel mogelijk, maar tot nu toe zeer kostbaar, mede vanwege de korte afschrijftermijn.
Het ligt voor de hand om voor de energietransitie voor woonwagens een iets minder ambitieus tijdspad te kiezen dan voor reguliere woningen die aanzienlijk langer meegaan. Dat betekent overigens niet dat houtskeletbouw structureel ontzien moeten worden in de energietransitie. Ook bij deze woonvorm moeten we streven naar energieneutrale woningen. Daarnaast vormt deze Wegwijzer niet het definitieve antwoord op alle vragen die bij gemeenten leven. Er is een enorm verscheidenheid aan lokale situaties, afspraken die gemaakt zijn, visies van gemeenten, corporaties en woonwagenbewoners, waardoor er ook in de toekomst nieuwe vraagstukken ontstaan. Dat is ook goed, want het laat zien dat partijen continu nadenken over hoe men het woonwagen- en standplaatsenbeleid lokaal zo goed mogelijk kan invullen en uitvoeren. Maar het betekent ook dat er behoefte is aan kennisuitwisseling; een plek waar gemeenten praktische punten kunnen inbrengen en nawoord kunnen krijgen op basis van praktijkervaringen elders of denkkracht van experts. Het Rijk zou hierin een rol kunnen vervullen om tot een landelijk kenniscentrum op het vlak van woonwagen- en standplaatsenbeleid te komen.
In haar Beleidskader geeft het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties aan dat voor het Rijk vooral een taak is weggelegd om vinger aan de pols te houden als het gaat om het nakomen van internationale (mensenrechten-)verdragen. Hiervoor heeft het Rijk toegezegd om de ontwikkeling van het aanbod aan standplaatsen in Nederland te monitoren. In 2018 is hiervoor reeds een nulmeting gehouden. Het is nu zaak dat deze
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
63
nulmeting opvolging krijgt, zodat ook de voortgang sinds 2018 in beeld komt. Als er in de komende jaren te weinig voortgang wordt geboekt in het in evenwicht brengen van vraag en aanbod naar standplaatsen, zullen mogelijk ook meer sturende maatregelen moeten worden overwogen, zoals het herintroduceren van een gemeentelijke taakstelling voor standplaatsen. De lidstaat is (eind)verantwoordelijk voor het in overeenstemming brengen van het woonwagen- en standplaatsenbeleid met de mensenrechten. Provincies en regio’s: creëren gezamenlijke verantwoordelijkheid, financiering Vooral Provincies en (sub)regio’s kunnen een belangrijke rol vervullen bij het creëren van meer samenwerking en een gezamenlijke verantwoordelijkheid onder gemeenten. Een goed voorbeeld hierin is de Provincie Limburg die het initiatief heeft genomen tot een provinciaal behoeftenonderzoek naar standplaatsen en woonwagens onder alle Limburgse gemeenten. Deze gezamenlijke aanpak vergroot de vergelijkbaarheid van de onderzoeksresultaten tussen de gemeenten en voorkomt dat individuele gemeenten op dit punt hun verantwoordelijkheid ontlopen. Toch blijft er verschil in de behoefte aan standplaatsen bestaan tussen onderlinge gemeenten. Bij gemeenten met van oudsher een groot aantal standplaatsen, is de kans groter dat er een grote uitbreidingsvraag zal zijn, dan bij gemeenten met slechts enkele standplaatsen.