CConstaterende datEnkhuizen
Koppel je AI →
Document · PDF

B4 - Wegwijzer gemeentelijk woonwagen-en standplaatsenbeleid

commissie Bestuur Openbare Orde en Veiligheid Erfgoed en Grondgebied 2 juni 2025, gemeente EnkhuizenBij agendapunt: Woonwagen- en standplaatsenbeleid en Toewijzingsverordening;29.950 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 4

Met name de positie van gemeenten zonder standplaatsen is daarbij belangrijk. Hierbij kan het gaan om gemeenten die nooit over standplaatsen hebben beschikt, maar ook om gemeenten die na afschaffing van de Woonwagenwet het aanbod aan standplaatsen volledig hebben afgebouwd. De kans dat bij deze gemeenten een grote behoefte naar standplaatsen zal zijn, is betrekkelijk klein. De vraag is echter of deze gemeenten daarmee ook geen enkele rol spelen bij het voorzien in standplaatsen en woonwagens. Hierbij kunnen Provincies en/of subregio’s een verbindende rol spelen om een gezamenlijke verantwoordelijkheid te creëren. Dit is echter niet afdwingbaar. Met het intrekken van de Woonwagenwet bestaat er immers geen taakstelling voor Provincies op het gebied van standplaatsen meer. Wel kunnen partijen met elkaar verkennen of gemeenten met veel bouwmogelijkheden een deel van de opgave van gemeenten met weinig tot geen fysieke bouwmogelijkheden over kunnen nemen, mits daarbij ook de woonwagenbewoners zelf worden betrokken. Daarom zal het gesprek hiervoor met de direct aangrenzende buurgemeenten gevoerd moeten worden. Daarbij is het ook goed om de mogelijkheden voor financiële compensatie voor gemeenten met een zeer grote opgave te verkennen. Met zo’n financieel compensatiefonds is bijvoorbeeld de aanleg en herstructurering van woonwagenlocatie Zeist mede mogelijk gemaakt.

64

Vereniging van Nederlandse Gemeenten

Praktijkvoorbeeld: Regionale samenwerking Regionaal handelingsperspectief Noordoost Brabant De 17 gemeenten in de regio Noordoost Brabant zijn tot een regionaal handelingsperspectief woonwagenbeleid gekomen. Doel hiervan is dat er meer transparantie komt voor standplaatszoekenden, dat gemeenten van elkaar kunnen leren. Daarnaast is de veronderstelling dat een groot deel van de behoefte regionaal georiënteerd is. Door voor een regionale aanpak te kiezen, kan een waterbedeffect tussen gemeenten worden voorkomen. Een goed voorbeeld hierbij is het procesvoorstel om tot uitbreiding van het aantal standplaatsen te komen. 1. Gemeenten brengen de behoefte aan standplaatsen in beeld (de wijze waarop dit gebeurt staat vrij). Op termijn streeft de regio naar één centraal inschrijfpunt om continu zicht te hebben op het aantal standplaatszoekenden. 2. Bij een behoefte aan extra standplaatsen zal een gemeente de mogelijkheid hiervoor in de eerste plaats binnen de eigen gemeente verkennen. 3. Lukt dat niet, dan wordt in regionaal verband gekeken naar gemeenten waar het aantal standplaatsen nu lager is dan gemiddeld in de regio (gebaseerd op een nulmeting die de regio heeft uitgevoerd); thans 1,3 staanplaatsen per 1.000 woningen. 4.

In regionaal overleg wordt de casus besproken en wordt gekeken welke gemeente(n) een deel van de behoefte over zouden kunnen nemen, waarbij ook rekening wordt gehouden met familieverbanden op huidige en toekomstige locaties. Het handelingsperspectief is voorgelegd aan de Vereniging Behoud Woonwagencultuur Nederland, die de regio van advies heeft voorzien.

Vereniging van Nederlandse Gemeenten

65

6 De belangrijkste aanbevelingen De vorige hoofdstukken bieden een basis om het Beleidskader concreet invulling te geven. Waarschijnlijk zal er op een aantal punten in de toekomst nog aandachtspunten ontstaan die opgelost moeten worden, maar op veel punten kunnen gemeenten, samen met corporaties, woonwagenbewoners en beheerorganisaties al aan de slag. De belangrijkste aanbevelingen worden hieronder kort weergeven: 1 Investeer in de relatie met woonwagenbewoners De belangrijkste aanbeveling van allemaal; ga als gemeente in gesprek met de woonwagenbewoners in de gemeente. Weet wat er speelt; of het nu gaat om de behoefte aan standplaatsen of het onderhoud van de openbare ruimte. Betrek de bewoners bij het opstellen van het beleid en zorg ook na het opstellen van het beleid voor een duidelijk aanspreekpunt binnen de gemeente. 2 Positieve verplichting voor gemeenten De uitspraken van het EHRM, het onderzoek van de Nationale Ombudsman en het Beleidskader vanuit het Ministerie zijn in hun aanbevelingen helder; gemeenten moeten hun woonwagen- en standplaatsenbeleid in lijn brengen met het mensenrechtelijk kader. Dit betekent niet dat woonwagenbewoners in alle gevallen recht hebben op een standplaats, wel dat gemeenten een positieve verplichting hebben om ervoor te zorgen dat woonwagenbewoners binnen afzienbare tijd kans maken op een standplaats indien daar behoefte naar is.

3 Ken de specifieke wooncultuur en de mensenrechten Een mensenrechten-proof woonwagen- en standplaatsenbeleid vergt een omslag in denken en doen van gemeenten en samenwerkingspartners. Om hier op een goede manier invulling aan te kunnen geven moeten gemeenten investeren in de bewustwording en erkenning van de woonwagencultuur, zowel binnen de eigen organisatie, alsook in de samenwerking met externe partijen (corporaties, beheerorganisaties, omwonenden) die betrokken zijn bij het woonwagenbeleid. Investeer in bewustwording over het belang en de waarde van het materiele gelijkheidsbeginsel en de mensenrechten van woonwagenbewoners. 4 Doe onderzoek naar de behoefte De basis voor een mensenrechten-proof woonwagen- en standplaatsenbeleid is een goed inzicht in vraag en aanbod naar standplaatsen en woonwagens. Zonder dit onderzoek kan je als gemeente niet stellen dat er wel of geen behoefte is aan (extra) standplaatsen.

66

Vereniging van Nederlandse Gemeenten

5 Weeg verschillende (ruimtelijke) belangen zorgvuldig af Veel gemeenten hebben -naast de opgave voor woonwagenstandplaatsen- de komende jaren te maken met een grote woningbouwopgave voor reguliere woningen, terwijl de ruimtelijke mogelijkheden beperkt zijn. Weeg al deze toekomstige ruimteclaims goed tegen elkaar af, waarbij terdege rekening wordt gehouden met het gegeven dat er vaak in voorgaande jaren weinig tot geen standplaatsen zijn toegevoegd. 6 Voer het gesprek over gewenste kwaliteit en haalbaarheid Het is belangrijk om rekening te houden met de specifieke woonbehoefte zoals het leven in familieverband en een woonwagen van houtskeletbouw. In de praktijk kan het soms lastig zijn om (zeker) op korte termijn aan deze wensen tegemoetkomen, door financiële of ruimtelijke beperkingen. Dit is een spanningsveld tussen enerzijds praktische uitvoerbaarheid en anderzijds de mensenrechten van woonwagenbewoners. Ga in dat geval hierover in gesprek met woonwagenbewoners. Bekijk samen of andere alternatieven sneller te realiseren zijn, zonder dat woonwagenbewoners gedwongen worden te verhuizen naar een woning die hen niet in staat stelt om volgens hun eigen woonwagencultuur te leven. 7 Toewijzen aan de doelgroep woonwagenbewoners Als er eenmaal standplaatsen zijn gerealiseerd, is het zaak dat deze ook in de toekomst weer ten goede komen aan de doelgroep woonwagenbewoners.

Pas bij toewijzing van huurstandplaatsen eventueel het afstammingsbeginsel toe. Bij koopstandplaatsen is een kettingbeding wenselijk om te voorkomen dat een standplaats aan een hoogste bieder − die niet tot de doelgroep behoort − wordt verkocht. 8 Creativiteit en innovatie gewenst Gemeenten, corporatie en beheerorganisaties constateren dat het lastig is om een betaalbare woonwagen te ontwikkelen die tevens voldoet aan alle kwaliteitseisen die vandaag de dag gelden (bijvoorbeeld op het vlak van duurzaamheid). Hiervoor is creativiteit en innovatie nodig. Start pilots om tot een haalbare businesscase voor aardgasloze woonwagens te komen, werk samen met regiopartners om tot een standaardproduct te komen, waardoor ontwikkelingskosten kunnen worden gedeeld. 9 Afspraken maken, maar ook daadkracht tonen In deze Wegwijzer is het proces geschetst om tot woonwagen- en standplaatsenbeleid te komen en hier uitvoering aan te geven. Hierbij zijn verschillende situaties geschetst die in de praktijk voor kunnen komen. Toch is het ook zaak om niet te verzanden in het maken van afspraken, het opstellen van kwaliteitseisen en behoeften te onderzoeken, maar ook daadkracht te tonen. Begin bij het laaghangend fruit; waar kunnen op korte termijn enkele standplaatsen gereed worden gemaakt, waar bewoners zelf een wagen kunnen plaatsen? Maak werk van het onderhoud van openbare ruimte.

Ook al zijn dit soms kleine stapjes; het zien dat er zaken in beweging komen, helpt bij het maken van goede werkafspraken voor de lange termijn.

Vereniging van Nederlandse Gemeenten

67

68

Vereniging van Nederlandse Gemeenten

Bijlagen

Vereniging van Nederlandse Gemeenten

69

1 Geraadpleegde bronnen Documenten • Woonwagenbewoners in Nederland 1880-2006, Primo-nh (2006) • Een meter boven het maaiveld; wonen in een energiezuinige wagen, Erik van der Hoeven, Het Wiel (2014) • Woonwagencultuur is erkend als immaterieel cultureel erfgoed, Vereniging Behoud Woonwagencultuur in Nederland (2015) • De cultuur van de woonwagenbewoner; behouden of laten uitsterven? Marcel Bergema (2015) • Woonwagenbewoner zoekt standplaats, De Nationale Ombudsman (2017) • Beleidskader gemeentelijk woonwagen- en standplaatsenbeleid, Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties (2018) • Woonwagencultuur mag toch blijven, Claire Loven, Leonie Huijbers (2018) • Advies inzake Woonwagen- en standplaatsenbeleid, College voor de Rechten van de Mens (2018) • Begeleidend advies bij uitvoering nieuw Gemeentelijk Woonwagen- en standplaatsenbeleid, Woonwagenbelangen Nederland / Vereniging Sint Roma Woonwagenbewoners Nederland (2018) • Advies gemeentelijk woonwagen- en standplaatsenbeleid, Vereniging Behoud Woonwagencultuur in Nederland (2019) • Investeren in mensen, investeren in communicatie; handreiking woonwagenzaken, Kay Thijssen (2019) • Pushing for political land legal change: Protecting the cultural identity of travellers in the Netherlands, Leonie Huijbers, Claire Loven (2019) • Advies woonwagen- en standplaatsenbeleid, Woonwagenbelangen Amsterdam / Vereniging Sint Roma

Woonwagenbewoners Nederland (2020) • Advies inzake Amsterdams woonwagen- en standplaatsenbeleid, Woonwagenbelangen Amsterdam / Vereniging Sint Roma Woonwagenbewoners Nederland (2020) Interviews • Piet van Assendorp, Cees Groenendaal (Vereniging behoud Woonwagencultuur Nederland) 9 januari en 11 september 2020 • Sabina Achterbergh (Vereniging Sinti Roma Woonwagenbewoners Nederland) 15 januari en 9 september 2020 • Michael Schmidt (Woonwagenbelangen Amsterdam) 15 januari en 9 september 2020 • Galit Brassem Weiss (Vereniging Woonwagenbewoners in Actie) 15 januari en 9 september 2020 • Paul Joppen (Paul Joppen Project en procesmanagement) 3 februari 2020 • Gerald Wiebing (Gemeente Apeldoorn) 20 februari 2020

70

Vereniging van Nederlandse Gemeenten

• • • • • • • • •

Jeroen van der Kamp (Gemeente Arnhem) 9 maart 2020 Peter Guijen (PIM Zuid) 10 maart 2020 Bülent Isik (Gemeente Zeist) 13 maart 2020 Marieke Ruitenburg, Frans Weerkamp (Nationale Ombudsman) 27 augustus 2020 Leonie Huijbers, Odile Verhaar (College voor de Rechten van de Mens) 4 september 2020 Paula Bloemers (Travellers United Nederland) 9 september 2020 Doet Kalkenkoot (Travellers United Nederland) 9 september 2020 Tonnie Bosvelt (huurdersvereniging Woonwagenbewoners Arnhem) 9 september 2020 Wendy Kraaikamp (Kraaikamp Chalet- en woonwagenbouw) 24 september 2020

Vereniging van Nederlandse Gemeenten

71

2 Overzicht historie woonwagen- en standplaatsenbeleid De huidige wetgeving en beleidskaders die van invloed zijn op woonwagens- en standplaatsen kunnen niet alleen worden begrepen door de woorden en de strekking daarvan, maar ook door de context te kennen waarin deze in het verleden tot stand zijn gekomen. Op deze manier wordt inzichtelijk gemaakt hoe wetgeving en beleid zich door de jaren heen tot elkaar hebben verhouden.72 1918 - Invoering Woonwagenwet: vergunningplicht standplaatsen In juli 1918 is de eerste landelijke Woonwagenwet ingevoerd.73 Deze wet bevatte voorwaarden waaraan woonwagens en woonwagenbewoners moesten voldoen om in aanmerking te komen voor een vergunning. Bij de inwerkingtreding van deze wet vervielen alle provinciale, gemeentelijke en waterschapverordeningen betreffende woonwagens en woonschepen.74 De gemeenteraden behielden echter wel hun bevoegdheid om aanvullende regels vast te stellen. Voordeel van de invoering van deze wet was dat woonwagenbewoners niet langer weggestuurd konden worden van de woonwagenlocaties. Een nadelig effect van de wet was de (verdere) segregatie van de woonwagenbewoners: de woonwagenlocaties waren doorgaans ver verwijderd van bestaande dorpen en steden.

Een ander nadelig effect van deze wet was de beperking van de trekvrijheid: in bepaalde gemeenten gold het verbod om met een woonwagen de openbare weg te betreden en/ of een algeheel verbod om met een woonwagen in gemeenten te verblijven.75 1957 – Aanpassing Woonwagenwet In 1957 volgde er een wijziging van de Woonwagenwet.76 De wetswijziging beoogde de woonwagenbewoners te concentreren op ruim vijftig grote regionale woonwagencentra, die door gemeenten gezamenlijk opgericht konden worden (‘het concentratiebeleid’). De woonwagenbevolking werd zodoende geconcentreerd gehuisvest op regionale centra met eigen voorzieningen op het terrein van wonen, werken, welzijn, recreatie en

72 Zie voor een uitgebreide omschrijving van de ontwikkeling van het woonwagenbeleid: VROM- inspectie, Eigentijds omgaan met woonwagenbewoners. Opmaat naar normalisatie. Maart 2009, p. 7. 73 Officieel heet deze Wet betreffende woonwagens en woonschepen (Staatsblad 1918, 492). 74 Artikel 31 van de Wet betreffende woonwagens en woonschepen. 75 Zie bijlage van de Memorie van toelichting inzake Regeling betreffende woonwagens en woonschepen 1912-1913 (194, nr. 4.) 76 Kamerstukken ll, 1955/56, 4363, nr. 2.

72

Vereniging van Nederlandse Gemeenten

onderwijs.77 Het concentratiebeleid had tot doel om met behoud van de eigen cultuur de woonwagenbewoners in staat te stellen om te functioneren in de samenleving.78 1968 – Nieuwe herziening Woonwagenwet: van grote regionale woonwagencentra naar kleinschalige locaties Uit de Regeringsnota Woonwagen- en standplaatsenbeleid bleek dat het concentratiebeleid tot allerlei onbedoelde en vooral ongewenste effecten had geleid.79 De Woonwagenwet werd in 1968 aangepast met als doel gelijke kansen voor woonwagenbewoners ten opzichte van bewoners van (on)zelfstandige woningen.80 Met de Regeringsnota woonwagen- en standplaatsenbeleid werd gekozen voor decategorisering, normalisatie en deconcentratie.81 Niet langer werd gestreefd naar grote regionale woonwagencentra, maar juist kleine centra met tien tot vijftien standplaatsen verdienden de voorkeur.

Aan iedere gemeente werd een verplichting opgelegd om op het eigen grondgebied en dichtbij de bebouwde kom een woonwagencentrum in stand te houden of aan te leggen.82 Voor de verdeling van het aantal centra en standplaatsen werd ook een provinciale planning noodzakelijk geacht.83 Het wonen in een wagen was uitsluitend voorbehouden aan twee groepen, te weten aan de trekkers (kermisexploitanten, circusmensen en wegenbouwers) en aan degenen die voor 1971 in een wagen woonden en hun nakomelingen.84 Deze laatste beperking is bekend geworden als het afstammingsbeginsel. 1999 – Afschaffing Woonwagenwet In 1991 werd vastgelegd dat alle aparte regels en wetten voor woonwagenbewoners gefaseerd afgeschaft moesten worden. De laatste stap hierin was de algehele afschaffing van de Woonwagenwet in 1999. In feite vormde dit een formele stap om gemeenten integraal verantwoordelijk te maken voor het volkshuisvestingsbeleid, waarvan de huisvesting van woonwagenbewoners onderdeel uitmaakt. Dit had mede het gevolg voor gemeenten dat zij werden ontslagen van hun verplichting om voor woonwagenbewoners een exclusief beleid te formuleren. Hierdoor zijn allerlei bijzondere maatregelen en voorzieningen die via de wet mogelijk waren, opgeheven. Wonen in een woonwagen is door deze ontwikkeling in feite ‘een woonwens geworden’.

77 Kamerstukken ll, 1993/1994, 23 443, nr. 3. 78 VROM- inspectie, Eigentijds omgaan met woonwagenbewoners. Opmaat naar normalisatie, maart 2009, p. 9. 79 In het jaar 1973 is besloten om een integraal plan voor het woonwagenbeleid te doen opstellen. Doel was om de kloof tussen de woonwagenbevolking en de samenleving te overbruggen; zie ook: Kamerstukken II, 1974/75, 13 471, nr. 2. 80 Kamerstukken II, 1974/75, 13 471, nr. 2; Rapport Staatscommissie Vervanging Armenwet, 1948. 81 Kamerstukken II, 1976/77, 14 250, nr. 2. 82 Beleidskader gemeentelijk woonwagen- en standplaatsenbeleid 2018, p. 10. 83 J. Overbekking, Woonwagenbeleid, 20 jaar later en halverwege: een evaluatie van het sinds 1975 gevoerde beleid, Ministerie van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur 1974, p. 119. 84 M.S. Rooker, ‘Woonwagenbewoners, wat nu? De afschaffing van artikel 18 Woonwagenwet,’ MR 1996/7, p. 155-160.

Vereniging van Nederlandse Gemeenten

73

2006 – Handreiking Ministerie Binnenlandse Zaken: afbouw van standplaatsen Na afschaffing van de Woonwagenwet bleven veel gemeenten in hun maag zitten met het beheer van woonwagenlocaties. De overdracht naar woningcorporaties slaagde maar ten dele. Vooral op het vlak van handhaving was vaak sprake van jarenlange gedoogsituaties. Een handreiking vanuit het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM) over beleid en handhaving van woonwagenlocaties moest daarover meer duidelijkheid bieden (2006). In deze handreiking zijn diverse beleidsopties voorgesteld over hoe om te gaan met het bieden van standplaatsen: de nuloptie, het afbouwbeleid, het woonvisiebeleid, het ‘vraag specifieke beleid’ en het ‘neutraal beleid’.85 In de praktijk hebben veel gemeenten in deze periode voor een afbouwbeleid (ook wel uitsterfbeleid) gekozen. Tot het uitkomen van het Beleidskader van het Ministerie (2018) is daardoor het aantal standplaatsen in Nederland fors teruggelopen. Na 2006 – toenemende aandacht woonwagencultuur en mensenrechten Na de publicatie van de handreiking in 2006 hebben zich vele ontwikkelingen voorgedaan.86 Diverse woonwagenorganisaties hebben aandacht gevraagd voor de afbouw van het aantal standplaatsen voor woonwagenbewoners in Nederland.

Het EHRM oordeelde dat Europese lidstaten een positieve verplichting hebben om de identiteit en levensstijl van de woonwagenbewoners te beschermen en te faciliteren. Het EHRM was niet de enige Europese instantie die zich uitsprak over de positie van de woonwagenbewoners in Europa. Zo hebben de Europese Commissie tegen Racisme en Intolerantie van de Raad van Europa (2008 en 2013) en het VN Comité tegen Rassendiscriminatie (2015) aanbevelingen gedaan aan de Nederlandse staat om de mensenrechtensituatie van woonwagenbewoners te verbeteren. In Nederland heeft het CRvdM sinds 2014 diverse zaken behandeld waarin woonwagenbewoners klagen over het zogenaamde ‘uitsterfbeleid’ van hun gemeente en woningcorporatie. Het CRvdM oordeelde dat het aanbod van woonruimte voor woonwagenbewoners (in de vorm van standplaatsen) voldoende gelijkwaardig moet zijn aan het aanbod van sociale huurwoningen.87 Ook oordeelde het in 2017 dat de Rijksoverheid met de Handreiking uit 2006 woonwagenbewoners discrimineerde door het zogeheten ‘uitsterfbeleid’ als beleidsoptie voor te stellen aan gemeenten.88 Daarmee legitimeerde het immers dit gemeentelijk beleid.

Eveneens in 2017 heeft de Nationale Ombudsman (op vraag van meerdere woonwagenbewoners en -organisaties) een rapport uitgebracht waaruit blijkt dat het huidige woonwagen- en standplaatsenbeleid niet houdbaar is ten aanzien van het mensenrechtelijk kader.89 Het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties heeft vervolgens een nulmeting gehouden om

85 VROM- inspectie 2006, Werken aan Woonwagenlocaties, Handreiking voor Gemeenten: Over Beleid en Handhaven, nr. 6374. 86 Zie voor uitgebreide weergave van deze ontwikkeling: L.M. Huijbers en C.M.S. Loven, Pushing for Political and Legal Change: Protecting the Cultural Identity of Travellers in the Netherlands 2019, Journal of Human Rights Practice. 87 College voor de rechten van de mens, oordeelnummers 2014-165, 2014-166, 2014-167, 2015-61, 2016-19, 2016-64, 2016-67, 2016-68, 2016-71, 2016-72, 2016-109, 2016-110, 2016-139, 2016-19, 2016-109 en 2016-139. 88 College voor de rechten van de mens, oordeelnummer 2017-55. 89 Nationale Ombudsman (2017), Woonwagenbewoner zoekt standplaats, Een onderzoek naar de betrouwbaarheid van de overheid voor woonwagenbewoners.

74

Vereniging van Nederlandse Gemeenten

het huidige aantal standplaatsen in kaart te brengen.90 Daarna is in 2018 het nieuwe Beleidskader uitgebracht. In deze periode zijn ook de eerste onderzoeken uitgevoerd naar de standplaatsbehoefte in verschillende Nederlandse gemeenten, waarbij in veel gevallen ook de expertise werd ingeroepen van organisaties als de Vereniging Sinti Roma woonwagenbewoners Nederland en de Vereniging behoud Woonwagencultuur Nederland. De historie van het woonwagen- en standplaatsenbeleid in Nederland (vanaf de invoering van de eerste Woonwagenwet in 1918 tot het uitkomen van het Beleidskader, honderd jaar later) laat een voortdurende verandering zien in het denken over het woonwagenleven en het wonen op woonwagenlocaties. Van beleid dat gericht is op het creëren van enkele grotere woonwagenlocaties met veel standplaatsen, naar een beleid dat gericht is op veel kleinere locaties. Het voortdurend wisselende beleid toont de worsteling aan die zowel Rijk als gemeenten hebben over hoe woonwagenbewoners een goede plek binnen de samenleving kunnen krijgen. Tegelijkertijd hebben sommige beleidsrichtingen in het verleden invloed gehad op de (versterking van) de identiteit van woonwagenbewoners, doordat men steeds meer gedwongen werd om op vaste woonwagenlocaties te gaan wonen. Hierdoor moest men weliswaar het reizigersbestaan nagenoeg volledig opgeven, maar werden de onderlinge banden juist versterkt.91

90 Companen in opdracht van Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties, 10 oktober 2020. Woonwagenstandplaatsen in Nederland (nulmeting). 91 Advies gemeentelijk woonwagen- en standplaatsenbeleid van Vereniging Behoud Woonwagencultuur in Nederland (2019), p. 22; ‘Woonwagenbewoners in Nederland (1880-2006), PRIMOnh (2006), p. 7.

Vereniging van Nederlandse Gemeenten

75

3 Voorbeeld vragenlijst (basis) Inwonende personen 1

Op welke woonwagenlocatie woont u nu?

2

Bent u van plan om binnen vijf jaar te verhuizen naar een eigen woning of een woonwagen(standplaats)? (één antwoord mogelijk) ‰ ja  ga naar vraag 3 ‰ misschien  ga naar vraag 3 ‰ nee  ga naar vraag 8 3 Binnen welke termijn wilt u verhuizen? (één antwoord mogelijk) ‰ binnen 1 jaar ‰ binnen 1 tot 2 jaar ‰ binnen 2 tot 5 jaar ‰ over meer dan 5 jaar ‰ weet niet 4

Wilt u verhuizen naar een woonwagen en/of woonwagenstandplaats? (één antwoord mogelijk) ‰ ja  ga naar vraag 5 ‰ misschien  ga naar vraag 5 ‰ nee  ga naar vraag 8 5 Waar gaat uw voorkeur naar uit? (één antwoord mogelijk) ‰ een koopwoonwagen op gekochte standplaats ‰ een koopwoonwagen op gehuurde standplaats ‰ een huurwoonwagen op gehuurde standplaats ‰ een huurwoonwagen op gekochte standplaats ‰ geen voorkeur 6 Waar wilt u het liefst naar toe verhuizen? (één antwoord mogelijk) ‰ naar een andere/nieuwe standplaats op mijn huidige woonwagenlocatie ‰ naar een andere woonwagenlocatie in de gemeente <naam> ‰ naar een woonwagenlocatie buiten de gemeente <naam> ‰ geen voorkeur

76

Vereniging van Nederlandse Gemeenten

7

Met hoeveel personen wilt u straks in de woonwagen gaan wonen? (één antwoord mogelijk) ‰ alleen ‰ met 2 personen ‰ met meer dan 2 personen ‰ weet ik niet 8

Wat is uw leeftijd?

9

Heeft u nog vragen of wilt u ons nog iets meegeven?

Vertrokken personen 1

Heeft u in het verleden op een standplaats in gemeente <naam> gewoond? (één antwoord mogelijk) ‰ ja  ga naar vraag 2 ‰ nee  u behoort niet tot de doelgroep en hoeft de vragenlijst niet in te vullen 2

Waarom bent u toen verhuisd?

3 Wilt u weer naar een woonwagen verhuizen? (één antwoord mogelijk) ‰ ja  ga naar vraag 4 ‰ misschien  ga naar vraag 4 ‰ nee  ga naar vraag 9 4

Waarom wilt u weer naar een woonwagen verhuizen?

5 Binnen welke termijn wilt u verhuizen? (één antwoord mogelijk) ‰ binnen 1 jaar ‰ binnen 1 tot 2 jaar ‰ binnen 2 tot 5 jaar ‰ over meer dan 5 jaar ‰ weet ik niet 6 Waar gaat uw voorkeur naar uit? (één antwoord mogelijk) ‰ koopwoonwagen op gekochte standplaats ‰ koopwoonwagen op gehuurde standplaats ‰ huurwoonwagen op gehuurde standplaats ‰ huurwoonwagen op gekochte standplaats ‰ geen voorkeur

Vereniging van Nederlandse Gemeenten

77

7 Waar wilt u het liefst naar toe verhuizen? (één antwoord mogelijk) ‰ naar een woonwagenlocatie in de gemeente <naam> ‰ naar een woonwagenlocatie buiten de gemeente <naam> ‰ geen voorkeur 8

Met hoeveel personen wilt u straks de nieuwe woonwagen betrekken? (één antwoord mogelijk) ‰ alleen ‰ met 2 personen ‰ met meer dan 2 personen ‰ weet ik niet 9 Hoe is uw huishouden samengesteld? (één antwoord mogelijk) ‰ alleenstaand ‰ (echt)paar zonder kinderen ‰ gezin met thuiswonende kinderen ‰ gezin met uitwonende kinderen ‰ alleenstaande ouder met thuiswonende kinderen ‰ alleenstaande ouder met uitwonende kinderen ‰ samengesteld gezin (grootouder(s), kinderen, kleinkind(eren)) ‰ anders, namelijk: 10 Wat is uw leeftijd? 11 Heeft u nog vragen of opmerkingen?

78

Vereniging van Nederlandse Gemeenten

Vereniging van Nederlandse Gemeenten

3

Vereniging van Nederlandse Gemeenten Nassaulaan 12 2514 JS Den Haag +31 70 373 83 93 info@vng.nl April 2021

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15576992/1