B-03 Toelichting Westeinde 107
Tekst van het document
228000-241209-SZ-RW-Toelichting.docx
27
Figuur 4.2.2.1: De locatie van het plangebied op de Beleidskaart Archeologie van de gemeente Enkhuizen. (bron: Archeologie West-Friesland)
CONCLUSIE De archeologische waarden worden overgenomen in de planregels en verbeelding. Het aspect archeologie vormt hierdoor geen belemmering voor de ontwikkeling van dit plan.
CULTUURHISTORIE WET- EN REGELGEVING Rijk Goede ruimtelijke ordening betekent dat er een integrale afweging plaatsvindt van alle belangen die effect hebben op de kwaliteit van de ruimte. Eén van die belangen is de cultuurhistorie. Per 1 januari 2012 is in het kader van de modernisering van de monumentenzorg (MOMO) in het Besluit ruimtelijke ordening van het rijk opgenomen dat gemeenten bij het maken van ruimtelijke plannen rekening moeten houden met cultuurhistorische waarden. Provincie De Cultuurhistorische Hoofdstructuur (CHS) van de provincie Noord-Holland zet karakteristieke landschappelijke kenmerken ‘op de kaart’. Het bevordert de beleving door aan te geven waar cultuurhistorische waardevolle aspecten van het landschap gevonden kunnen worden. Gemeente 228000-241209-SZ-RW-Toelichting.docx
28
Op 2 december 2009 is de Stadsvisie Enkhuizen 2030 vastgesteld. De visie geeft richting aan de gewenste ruimtelijke inrichting van een gebied waardoor voor eenieder in algemene zin duidelijk is of bepaalde initiatieven daarbinnen passen.
ONDERZOEK De provincie Noord-Holland heeft de Leidraad landschap en cultuurhistorie 2018 als online handreiking beschikbaar gesteld. Het plangebied valt binnen ensemble Westfriesland (figuur 3.2.3.1). Uit het leidraad blijkt dat er geen waardevolle monumenten in het plangebied aanwezig zijn. De cultuurhistorische en landschappelijke kenmerken die de leidraad noemt en van belang zijn voor dit plangebied zijn als volgt: - de landschappelijke karakteristiek: de landschapstypen en de belangrijkste kenmerken van deze landschappen. - openheid en ruimtebeleving: de beleving van de vrije open ruimte, de horizon en de oriëntatiepunten. - de ruimtelijke dragers: de driedimensionale structuren en lijnen die in het (vlakke) landschap het beeld bepalen en begrenzen. Denk hierbij aan bebouwingslinten, bomenlanen en dijken. De genoemde kenmerken zijn bij de planvorming meegenomen in het opstellen van de notitie ‘Landschappelijk inpassing Incotec’ voor dit bestemmingsplan. Deze kenmerken hebben in de uitwerking van het planvoornemen, voor zover mogelijk, een passende invulling gekregen.
CONCLUSIE De voorgenomen ontwikkeling van Incotec leidt niet tot aantasting van de cultuurhistorische waarden. In het plangebied komen geen monumenten voor. In de realisatie worden de ontwerprichtlijnen uit het Leidraad landschap en cultuurhistorie meegenomen. Het project is op het gebied van cultuurhistorie uitvoerbaar.
BODEM WET- REGELGEVING In het Besluit ruimtelijke ordening is bepaald dat in de toelichting op een ruimtelijk plan inzicht verkregen moet worden in de uitvoerbaarheid van het plan. Dit betekent dat er onder meer inzicht verkregen moet worden in de noodzakelijke financiële investering in een (mogelijk noodzakelijke) bodemsanering. Een onderzoek naar de milieu hygiënische kwaliteit van de bodem (grond en grondwater) is daarom onderdeel van de onderzoek verplichting bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan. Daarnaast geldt in het kader van een goede ruimtelijke ordening in relatie tot de volksgezondheid dat het bestemmen van gronden met een (water)bodem van onvoldoende milieu hygiënische kwaliteit met een hiervoor gevoelige bestemming, zoals wonen, in beginsel moet worden voorkomen. De Wet bodembescherming ziet, vanuit een goed milieubeheer, op de bodembescherming en bodemsanering. Met deze wet moet rekening worden gehouden met het ontwikkelen en realiseren van ruimtelijke plannen. In een bestemmingsplan dat voorziet in ruimtelijke 228000-241209-SZ-RW-Toelichting.docx
29
ontwikkeling, moet verantwoord zijn dat het bestemmingsplan uitvoerbaar is op grond van de bodemkwaliteit voor die ruimtelijke ontwikkeling. Met het oog op een goede ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening te worden gehouden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de betreffende functiewijziging. Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. De provincie hanteert de richtlijn dat bij de beoordeling van ruimtelijke plannen ten minste het eerste deel van het verkennend bodemonderzoek, het historisch onderzoek, moet worden verricht. Indien uit historisch onderzoek wordt geconcludeerd dat op de betreffende locatie sprake is geweest van activiteiten met een verhoogd risico op verontreiniging dan dient het volledig verkennend bodemonderzoek te worden verricht.
ONDERZOEK Op 16 augustus is een verkennend (water)bodemonderzoek opgesteld door Landview BV. Het onderzoek is als aparte bijlage toegevoegd. Hieronder zijn de conclusies en aanbevelingen aangegeven. In het mengmonsters van de bovengrond uit de boringen 14, 19, 20, 21, 48 en 51 is een sterk verhoogd gehalte aan som PAK geconstateerd. Daarnaast zijn lichte verhogingen aan minerale olie, zink, kwik, lood en DDD geconstateerd. De zes grondmonsters uit het mengmonster zijn individueel onderzocht op som PAK. In de onderzochte enkelvoudige monsters uit de boringen 19 en 21 zijn licht verhoogde gehalten aan som PAK geconstateerd. In de overige grondmonsters zijn geen verhoogde gehalten aan som PAK aangetroffen. Het in eerste instantie gemeten sterk verhoogde gehalte kon niet worden gereproduceerd. De resultaten van de 6 individuele monsters worden als representatief gezien. In de overige onderzochte (meng)monsters van de boven- en ondergrond zijn lichte verhogingen aan diverse zware metalen, som PAK en/of diverse OCB’s geconstateerd. Op basis van de resultaten van het waterbodemonderzoek is het slib vrij toepasbaar op het aangrenzend perceel. Het slib is altijd toepasbaar bij toepassing in een oppervlaktewater. Het slib valt in de klasse “wonen”, wanneer het wordt getoetst aan het besluit bodemkwaliteit. In het grondwater zijn lichte verhogingen van arseen en molybdeen aangetroffen.
De overige onderzochte stoffen zijn niet in verhoogde concentraties aangetroffen. De hypothese dat in de grond licht verhoogde gehalten verontreinigende stoffen aanwezig zijn, wordt in het onderzoek bevestigd. De hypothese dat in het grondwater geen verhoogde concentraties aanwezig zijn, behalve mogelijk van nature verhoogde concentraties, wordt in het onderzoek niet geheel bevestigd. De licht verhoogde gehalten van zware metalen en PAK in de grond kunnen gedeeltelijk worden verklaard door de aanwezigheid van baksteen en (metsel)puin in de grond. In baksteen en (metsel)puin houdende grond worden regelmatig verhoogde gehalten aan dergelijke stoffen 228000-241209-SZ-RW-Toelichting.docx
30
aangetroffen, de verontreinigingen kunnen eveneens zijn veroorzaakt door de menselijke activiteiten die op de locatie hebben plaatsgevonden. De licht verhoogde gehalten met bestrijdingsmiddelen kunnen worden verklaard door het agrarische verleden van locatie. De geconstateerde gehalten voldoen aan de te verwachte kwaliteit in vergelijkbare omstandigheden en zijn vergelijkbaar met de in 2011 en 2013 aangetroffen verhogingen. Voor het instellen van een vervolgonderzoek wordt daarom geen aanleiding gezien. De licht verhoogde concentratie van molybdeen in het grondwater kan mogelijk worden verklaard door de aanwezigheid van zwevende fijne stofdeeltjes in het grondwater, zonder dat daadwerkelijk sprake is van verontreiniging. Dit is mogelijk ondanks het volgen van de vereiste procedures, zoals de filtratie van het bemonsterde grondwater. Waarschijnlijk is het bodemchemisch evenwicht bij de plaatsing van de peilbuis dusdanig verstoord, dat de gestelde standaard wachttijd van één week onvoldoende is geweest. De gemeten verhoogde troebelheidswaarde staaft deze veronderstelling. In (delen van) Nederland worden in het grondwater veelvuldig verhoogde concentraties arseen geconstateerd, waarvoor een natuurlijke oorzaak wordt verondersteld. In het kader van verkennend bodemonderzoek wordt aan een vervolgonderzoek geen hoge prioriteit gegeven.
De aangetroffen verontreinigingen zijn dusdanig gering of verklaarbaar uit omgevingsfactoren, dat voor het instellen van een vervolgonderzoek geen aanleiding wordt gezien. Op de locatie bestaan, op grond van de resultaten van dit onderzoek, geen risico's voor de volksgezondheid of de ecologie bij het beoogde, bedrijfsmatige, gebruik. Bij graafwerkzaamheden op het terrein kunnen er beperkingen in de mogelijkheid tot hergebruik van eventueel vrijkomende grond buiten de locatie bestaan. Voor hergebruik van grond buiten de locatie nis het Besluit Bodemkwaliteit van toepassing. Indicatief getoetst valt de grond op de locatie over het algemeen in de klasse “industrie”. Indien vrijkomende grond niet op de locatie zelf hergebruikt kan worden en afgevoerd dient te worden, kan het noodzakelijk zijn om de grond aanvullend te onderzoeken op de gehalten aan PFAS. Voor grotere partijen grond kan een partijkeuring AP04 (inclusief PFAS) nodig zijn. Graafwerkzaamheden kunnen volgens de CROW400 worden uitgevoerd, zonder dat er een veiligheidsklasse van toepassing is. De uiteindelijke klasse dient bepaald te worden door een veiligheidsdeskundige. Tijdens het onderzoek is zintuiglijk op het maaiveld en in de bodem geen asbestverdacht materiaal aangetroffen. Tijdens een verkennend bodemonderzoek (NEN 5740) wordt de bodem niet specifiek op asbest onderzocht.
Om cijfermatig uit te sluiten of er asbest in de bodem aanwezig is, is uitvoering van een asbestonderzoek conform NEN 5707 noodzakelijk. Indien het bodemonderzoek voorafgaand aan eventuele sloop van opstallen, waar asbest in is verwerkt, is uitgevoerd, kan het bevoegd gezag eisen dat na sloop een verkennend asbestonderzoek wordt uitgevoerd.
228000-241209-SZ-RW-Toelichting.docx
31
De uiteindelijke toetsende en handhavende taak ligt bij het bevoegd gezag, zijnde de gemeente/ OD NHN.
CONCLUSIE Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de ontwikkeling van dit plan.
ECOLOGIE WET- EN REGELGEVING Wet natuurbescherming Vanaf 1 januari 2017 vervangt de Wet natuurbescherming een drietal wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. Het doel van deze wet is de bescherming van de biodiversiteit in Nederland, decentralisatie van verantwoordelijkheden en een vereenvoudiging van regels. De wet gaat in op gebiedsbescherming (Natura 2000-gebieden of Nationaal Natuurnetwerk) en op soortbescherming. De Wet natuurbescherming heeft de verbodsbepaling uit de Flora- en faunawet overgenomen dat activiteiten die schadelijk zijn voor beschermde dier- en plantsoorten, verboden zijn. De verboden activiteiten zijn het op enige wijze verwijderen van beschermde inheemse planten van hun groeiplaats, een beschermde inheemse diersoort opzettelijk te verontrusten en/of nesten, holen of andere vaste rusten verblijfplaatsen van deze dieren te verstoren. Met de nieuwe Wet natuurbescherming is onopzettelijk verstoren niet meer strafbaar en is opzettelijk verstoren in sommige situaties wel toegestaan. Verstoren zonder dat tevoren goed onderzoek naar beschermde soorten is uitgevoerd, blijft strafbaar.
ONDERZOEK FLORA EN FAUNA Ecologische quickscan Blom Ecologie heeft op 26 juli 2023 een Quickscan Wet natuurbescherming opgesteld. De planlocatie is bezocht. De rapportage is in de bijlagen van deze toelichting opgenomen. Hieronder volgt de conclusie en het advies. Conclusie De sloop en realisatie van bedrijfsgebouwen waarbij een watergang wordt gedempt en meerdere bomen worden gekapt, is uitvoerbaar in het kader van de Wet natuurbescherming. Uitvoerbaarheid De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot overtreding van verbodsbepalingen omtrent gebiedsbescherming en houtopstanden in het kader van de Wet natuurbescherming. Er dienen enkele algemene maatregelen worden getroffen ten aanzien van de algemene zorgplicht, foeragerende vleermuizen en algemene broedvogels. Voorafgaand aan de werkzaamheden dient met aanvullend onderzoek te worden vastgesteld of de te slopen bebouwing een relevante functie heeft voor huismussen en gebouw bewonende vleermuizen (soortenbescherming) en de planlocatie een functie heeft voor kleine marterachtigen (bunzing, hermelijn en wezel). Indien er sprake is van overtreding van verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming kan bevoegd gezag onder voorwaarden een ontheffing verlenen. De 228000-241209-SZ-RW-Toelichting.docx
32
voorwaarden betreffen: er is geen andere bevredigende oplossing, er is sprake van een wettelijk belang (marterachtigen: in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, vleermuizen: er is sprake van een reden van sociale of economische aard, huismus: er zijn belangen vanuit volksgezondheid en/of openbare veiligheid - aan te voeren) en er wordt geen afbreuk gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de soort (een robuust en ruim maatregelenpakket van tijdelijke en permanente voorzieningen wordt hiertoe voorgesteld en uitgevoerd). Wegens het voorgaande onderzoek is er geen reden om aan te nemen dat eventueel benodigde ontheffingen, mits de juiste maatregelen worden getroffen, er sprake is van een gedegen alternatievenafweging en een wettelijk belang kan worden aangevoerd, niet verkregen zouden kunnen worden. AAB Nederland voert bij ieder project preventief een AERIUS-berekening uit om inzichtelijk te krijgen of de ontwikkeling resulteert in een verhoging van de stikstofdepositie binnen stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden van Natura 2000-gebieden. Derhalve wordt ten aanzien van stikstof verwezen naar een separaat opgestelde rapportage. Vervolgstappen - Voor de beoogde ruimtelijke ingreep dient aanvullend onderzoek naar huismus uitgevoerd te worden.
Een aanvullend onderzoek naar huismus wordt uitgevoerd middels twee gerichte veldbezoeken in de periode 1 april t/m 15 mei, conform het Kennisdocument Huismus (BIJ12, 2023). - Voor de beoogde ruimtelijke ingreep dient aanvullend onderzoek naar vleermuizen uitgevoerd te worden. Een aanvullend onderzoek naar vleermuizen wordt uitgevoerd middels minimaal vijf gerichte veldbezoeken in de periode 15 april t/m 30 september, conform het meest actuele Vleermuisprotocol (NGB). Hiervan dienen drie rondes in het voorjaar en twee rondes in het najaar plaats te vinden. De potentie van de planlocatie voor verschillende typen verblijfplaatsen en vleermuissoorten wordt in tabel 3.1 en 3.2 uiteengezet. Er is geen sprake van aantasting van een mogelijk essentieel foerageergebied of essentiële vliegroute. - Voor de beoogde ruimtelijke ingreep dient aanvullend onderzoek naar de bunzing, hermelijn en wezel uitgevoerd te worden. Een aanvullend onderzoek naar deze marterachtigen wordt uitgevoerd middels het plaatsen van cameravallen en marterboxen gedurende 6 weken in de actieve periode (maart – augustus). De exacte onderzoeksinspanning betreft maatwerk.
- AAB Nederland voert bij ieder project preventief een AERIUS-berekening uit om inzichtelijk te krijgen of de ontwikkeling resulteert in een verhoging van de stikstofdepositie binnen stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden van Natura 2000-gebieden. Derhalve wordt ten aanzien van stikstof verwezen naar een separaat opgestelde rapportage Te treffen maatregelen Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (algemene zorgplicht). Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige.
228000-241209-SZ-RW-Toelichting.docx
33
-
-
-
-
-
-
Eventueel aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) voorafgaand aan de werkzaamheden gefaseerd verwijderen. Dit om grondgebonden dieren de kans te bieden zelfstandig de planlocatie te verlaten. Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel). Mogelijke overwinteringslocaties van algemene amfibieën (vorstvrije structuren als stenenstapels, houtwallen, dichte struwelen etc.) dienen verwijderd of ongeschikt gemaakt te worden buiten de overwinteringsperiode oktober – april. De beoogde dempwerkzaamheden leiden niet tot aantasting van functioneel leefgebied van beschermde vissoorten. Tijdens de werkzaamheden dient rekening gehouden te worden met de Algemene zorgplicht. De dempwerkzaamheden dienen in één werkrichting worden uitgevoerd om aanwezige vissen voldoende uitwijkmogelijkheden te bieden.
De kap- en sloopwerkzaamheden opstarten of uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (indicatief medio maart t/m medio juli). Als dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties van algemene broedvogels ruim voorafgaand aan het broedseizoen ongeschikt of ontoegankelijk gemaakt te worden. E.e.a. op aanwijzing van deskundige. Als werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd die mogelijk resulteren in het wegnemen of verstoren van broedgevallen dient voor aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn.
Vervolgonderzoeken Met betrekking tot de vervolgonderzoeken de volgende aanvulling. Deze procedure betreft een bestemmingsplanwijziging die bewust is ingezet voor de omgevingswet uit. De initiatiefnemer heeft nog geen concreet bouwplan gerealiseerd. Het onderzoek voor de vleermuis en huismuis heeft voornamelijk betrekking op de sloop van opstallen. Incotec weet nog niet precies welke opstallen gesloopt worden en wanneer dit zal gebeuren. De mogelijke toekomstige nieuwbouw vindt plaats op het zuidelijk deel van het terrein waar tijdelijk bebouwing, water en grasland is gelegen. Hier kunnen marterachtigen voorkomen. Voor de nieuwbouw is ook nog niet duidelijk wat er precies gebouwd gaat worden en wanneer dit plaats gaat vinden. De vervolgonderzoeken worden uitgevoerd als er concrete sloop- of bouwplannen gemaakt zijn. Uiteraard moet het onderzoek op tijd worden ingezet i.v.m. de actieve periode. Binnen het plangebied zijn er voldoende mogelijkheden om eventuele mitigerende maatregelen (zoals een verblijfsplaats of kasten) te realiseren. Hier is ook rekening mee gehouden in het landschappelijke inpassingsplan. Stikstofdepositie In het kader van de Omgevingswet dient de invloed van dit plan ter plaatse van (nabijgelegen) stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden te worden beoordeeld. AAB heeft 25 november 2024 een voortoets WNB opgesteld.
De voortoets is in de bijlagen van deze toelichting opgenomen. Binnenlandse gebieden 228000-241209-SZ-RW-Toelichting.docx
34
Uit de berekeningen middels AERIUS Calculator komt naar voren dat de netto depositie van het plan 0,00 mol/ha/jaar bedraagt. Derhalve kan worden geconcludeerd dat het plan geen stikstofdepositie veroorzaakt op nabijgelegen stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden en dus niet leidt tot significante effecten. Verdere vervolgacties zijn niet noodzakelijk. Opgemerkt wordt dat, ten behoeve van de aan te vragen omgevingsvergunning, de stikstofdepositie van het project separaat dient te worden vastgesteld. De insteek hiervoor is wezenlijk anders dan nu voor het beoogd plan is gebeurd. Zo geldt voor projecten een andere referentiesituatie. Buitenlandse gebieden Gezien de afstand van de plan-/projectlocatie tot de dichtstbijzijnde buitenlandse Natura 2000gebieden (> 25 km) zijn deze niet relevant in het kader van de stikstofdepositie.
CONCLUSIE Het project is op het gebied van ecologie uitvoerbaar.
EXTERNE VEILIGHEID WET- EN REGELGEVING Externe veiligheid gaat over het beheersen van de risico’s voor de omgeving bij gebruik, opslag en vervoer van gevaarlijke stoffen, zoals vuurwerk, aardgas of LPG. De externe veiligheid richt zich op zowel inrichtingen (bedrijven) waar gevaarlijke stoffen aanwezig zijn als het transport van gevaarlijke stoffen. Dit vervoer kan plaatsvinden over weg, water, spoor en door buisleidingen. Het uitgangspunt van het beleid is dat burgers voor de veiligheid van hun omgeving mogen rekenen op een minimum beschermingsniveau (plaatsgebonden risico). Daarnaast moet de kans op een groot ongeluk met meerdere slachtoffers (groepsrisico) worden afgewogen en verantwoord bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen binnen het invloedsgebied van een risicobron. Voor (de omgeving van) de meest risicovolle bedrijven is het ‘Besluit externe veiligheid inrichtingen’ (Bevi) van belang. Aanvullend zijn in het Vuurwerkbesluit en Activiteitenbesluit (Besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer) veiligheidsafstanden genoemd die rond minder risicovolle inrichtingen moeten worden aangehouden. Daarnaast is het toetsingskader voor de omgeving van transportassen en buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen vastgelegd in de ‘Circulaire risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen’ en het ‘Besluit externe veiligheid buisleidingen’ (Bevb).
ONDERZOEK Risicovolle inrichtingen Uit de risicokaart (figuur 4.6.2.1) blijkt dat het plangebied is gesitueerd in de omgeving van drie Bevi-bedrijf. Echter licht het plangebied buiten het invloed gebied van deze inrichtingen. Hierdoor is geen verantwoording van het groepsrisico nodig.
228000-241209-SZ-RW-Toelichting.docx
35
Figuur 4.6.2.1: Uitsnede risicokaart externe veiligheid. Blauw omkaderd het plangebied (bron: Atlas leefomgeving)
Vervoer van gevaarlijke stoffen Om de omgeving van het plangebied bevinden zich de N302 en de N506, waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Het plangebied ligt buiten de 200 meterzone van deze transportroutes. Er zijn geen spoorwegen of vaarwegen waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt binnen 200 meter van het plangebied. Daarom is er geen verantwoording nodig van het groepsrisico betreft vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, water of spoor. Hoogspanningslijn Over het plangebied loopt een hoogspanningslijn Enkhuizen-Medemblik welke een indicatieve zone van 60 meter (30 meter aan weerszijden van de leiding) heeft. De risicocontour van deze lijn is meegenomen in de bouwregels en aanduidingen in voorgaande bestemmingsplan en worden overgenomen in het nieuwe bestemmingsplan. Hogedruk aardgastransportleiding Antea Group heeft 18 juli 2023 een onderzoek externe veiligheid opgesteld in verband met de hogedruk aardgastransportleiding die ten zuiden van het plangebied is gelegen. Het onderzoek is als aparte bijlage bij deze toelichting toegevoegd. Hieronder volgt de conclusie. Conclusies Deze rapportage beschouwt het voornemen uit te breiden op de locatie aan het Westeinde 107 te Enkhuizen. In het kader van de aanvraag is voor het plangebied het aspect externe veiligheid beschouwd.
Risicobeschouwing Hogedruk aardgastransportleiding - De leiding heeft geen 10-6 plaatsgebonden risicocontour. Het plaatsgebonden risico levert daarmee geen belemmeringen op; 228000-241209-SZ-RW-Toelichting.docx
36
-
-
De hoogte van het groepsrisico van de hogedruk aardgastransportleiding bevindt zich in zowel de huidige als de toekomstige situatie onder de oriëntatiewaarde. Het groepsrisico van deze leiding neemt in de toekomstige situatie niet toe; Verantwoording van het groepsrisico is conform artikel 12 van het Besluit externe veiligheid buisleidingen van toepassing.
Verantwoording groepsrisico Verantwoording van het groepsrisico is voor de hogedruk aardgastransportleiding verplicht. In deze rapportage is een aanzet gedaan voor de verantwoording van het groepsrisico. Het bevoegd gezag, de gemeenteraad van Enkhuizen, kan deze elementen betrekken bij de besluitvorming ten aanzien van de ruimtelijke procedure. Ten aanzien van de verantwoording van het groepsrisico stelt de gemeente Enkhuizen in het kader van de ruimtelijke procedure de Veiligheidsregio Noord-Holland Noord in de gelegenheid advies uit te brengen. De hogedruk aardgastransportleiding ligt 20 meter ten zuiden van het plangebied. De veiligheidszone en aangepaste bouwregels worden overgenomen in het nieuwe bestemmingsplan. Zelfredzaamheid Verwacht wordt dat de aanwezige personen vergelijkbaar zelfredzaam zullen zijn vergeleken met de doorsnede van de Nederlandse samenleving. Het scenario fakkelbrand kan zorgen voor (dodelijke) slachtoffers. Het handelingsperspectief voor personen buiten is vluchten (uit het zicht van de brand, onder dekking van objecten zoals muren). Daar waar gebouwen niet ontbranden of instorten is het handelingsperspectief binnen blijven. Bereikbaarheid en bluswatervoorziening Bij toekomstig nader uit te werken uitbreidingen worden de wegbreedte en eventuele obstructies getoetst aan de handreiking bluswatervoorziening en bereikbaarheid VRNHN 2021.
Ook gaat de voorkeur uit naar het realiseren van blusvoorzieningen aan de oostzijde van het plangebied. De bereikbaarheid voor de hulpdiensten en beschikbaarheid van bluswatervoorzieningen zullen in de plannen worden gewaarborgd. Waar nodig wordt de VRNHN betrokken bij de toekomstige uitwerkingen. Graafwerkzaamheden Voorafgaand aan eventuele graafwerkzaamheden wordt bij het KLIC gemeld waar en wanneer wordt gegraven.
CONCLUSIE Het project is op het gebied van externe veiligheid uitvoerbaar.
GELUID WET- EN REGELGEVING De Wet geluidhinder (Wgh) is erop gericht om de geluidhinder vanwege onder andere wegverkeerslawaai, spoorweglawaai en industrielawaai te voorkomen en te beperken. De Wgh 228000-241209-SZ-RW-Toelichting.docx
37
bepaalt dat de ‘geluidsbelasting’ op gevels van woningen en andere geluidsgevoelige objecten niet hoger mag zijn dan een in de wet bepaalde norm die als voorkeursgrenswaarde wordt aangeduid.
ONDERZOEK Op 24 juli 2024 is er een geluidsrapportage opgesteld door Ardea. Het gehele rapport is als afzonderlijk bijlage bij de toelichting opgenomen. Hieronder is de conclusie weergegeven. LAr,LT Op basis van de uitgangspunten voor het geluid van de installaties is het mogelijk om bij alle (bestaand én nieuw) woningen aan de streefwaarde voor de gemiddelde geluidsniveaus te voldoen. LAmax Voor de piekgeluidsniveaus wordt bij de meeste woningen (bestaand/nieuw) ook voldaan aan de streefwaarden. Alleen bij de bestaande woningen Westeinde 92, 105 en 121 is sprake van een overschrijding van de streefwaarde. Er wordt bij deze woningen wel voldaan aan de streefwaarden van de VNG voor een gemengd gebied én ook aan de grenswaarden volgens het Activiteitenbesluit. Dat betekent dat in de huidige en toekomstige situatie wel voldaan kan worden aan vigerende regelgeving. Voor de woning Westeinde 92 zal het piekgeluid significant afnemen als gebruik gemaakt kan worden van de zuidelijke ontsluitingsweg door het vrachtverkeer en eventueel ook het verkeer van de ploegendienst. Voor de woningen Westeinde 105 en 121 gaat het om een beperkte overschrijding vanwege het geluid van parkeren bij beoordeling op 5 m hoogte. Als deze woningen blijvend voorzien zijn van een goede schutting dan zal op begane grond niveau voldaan worden aan de streefwaarde.
Indirect De berekeningen voor de indirecte hinder laten zien dat bij de meeste woningen voldaan wordt aan de streefwaarde van de Circulaire indirecte hinder. In de dagperiode is bij een aantal woningen sprake van een kleine overschrijding van de streefwaarde van 1 à 2 dB(A). Dit is op basis van de Circulaire toelaatbaar. Als het vrachtverkeer uit het straatbeeld verdwijnt dan neemt eventuele trillingshinder af. De geluidsbelasting neemt met 1.4 dB af. De geluidsbelasting in de dagperiode is dan niet meer dan 50.7 dB(A). Conclusie Het bouwplan kan voldoen aan de streefwaarden volgens de VNG indien rekening wordt gehouden met de uitgangspunten zoals omschreven in paragraaf 3.3 van het akoestisch onderzoek. Een verbetering treedt op als het vrachtverkeer gebruik kan maken van de nieuwe zuidelijke ontsluitingsweg. In de tussenliggende periode tot aan gereedkomen ontsluitingsweg kan bij de bestaande woningen voldaan worden aan de vigerende wet- en regelgeving.
CONCLUSIE Vanuit akoestisch oogpunt zijn er geen belemmeringen voor de planvorming.
228000-241209-SZ-RW-Toelichting.docx
38
LUCHTKWALITEIT WET- EN REGELGEVING De normen voor luchtkwaliteit zijn geregeld in paragraaf 5.2 van de Wet milieubeheer. Deze paragraaf staat bekend als de ‘Wet Luchtkwaliteit’. Deze wet heeft tot doel de volksgezondheid te beschermen door luchtverontreiniging terug te dringen. Hiervoor zijn bepaalde maximumstandaarden voor vervuiling in het leven geroepen. De Wet luchtkwaliteit introduceert het onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de luchtkwaliteit. Zeer grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen). Het komt er in grote lijnen op neer dat projecten die tot gevolg hebben dat de jaargemiddelde norm van fijnstof (PM10) en stikstofdioxide (NO2) met meer dan 3% stijgen, worden aangemerkt als een groot project. Kleine projecten die minder dan 3% bijdragen hoeven niet getoetst te worden. De grenswaarden van stikstofdioxide en fijnstof zijn de volgende: stof
toetsing van
stikstofdioxide (NO2) jaargemiddelde concentratie
fijnstof (PM10)
grenswaarde 40 µg / m³
uurgemiddelde concentratie
Max. 18 keer p.j. meer dan 200 µg/m³
jaargemiddelde concentratie
40 µg / m³
24-uurgemiddelde concentratie
max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg / m³
Het Rijk, de provincies en de gemeenten werken samen in het Nationale Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Dit programma heeft tot doel de Europese luchtkwaliteitseisen te realiseren. NSL werpt geen belemmeringen op voor ruimtelijke ordening projecten wanneer: - er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; - een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt; - een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL); - een project ‘niet in betekende mate’ bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Er moet in kaart worden gebracht of met de huidige luchtkwaliteit de ontwikkeling kan plaatsvinden. En of door de uitvoering van het project de luchtkwaliteit niet dusdanig zal verslechteren dat het wordt gezien als een NIBM-project.
ONDERZOEK Bestaande situatie De luchtkwaliteit van plangebied is opgenomen in de Atlas Leefomgeving, (www.atlasleefomgeving.nl). De gegevens uit deze atlas zijn afkomstig van het Nationaal
228000-241209-SZ-RW-Toelichting.docx
39
Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Gekeken is naar de stikstof- en fijnstofdioxideconcentraties op regionaal niveau, zie figuur 4.8.2.1 en 4.8.2.2.
Figuur 4.8.2.1: Stikstof gehaltes (bron: Atlas leefomgeving, stikstofdioxide 2020 (NO2)).
Figuur 4.8.2.2: Fijnstof gehaltes (bron: Atlas leefomgeving, Fijnstof 2020 (PM10)).
Ten aanzien van stikstofdioxide (NO2) blijkt dat de berekende jaargemiddelde concentraties NO2 10-12 μg/m3 bedraagt. De concentraties liggen onder de per 2015 van kracht zijnde grenswaarde voor de jaargemiddelde NO2 van 40 μg/m3. Ten aanzien van fijnstof (PM10) blijkt dat de berekende jaargemiddelde concentraties PM10 1314 μg/m3 bedraagt. Deze concentratie ligt onder de per 2015 van kracht zijnde grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie PM10 van 40 μg/m3. Uit de gegevens blijkt dat er ter plaatse van het plangebied geen overschrijding van de normen plaatsvindt.
228000-241209-SZ-RW-Toelichting.docx
40
Nieuwe situatie Het CROW (Centrum voor Regelgeving en Onderzoek in de Grond- Water- en Wegenbouw in de Verkeerstechniek) heeft geen kengetallen betreffende de verkeersgeneratie van zaadteelt gerelateerde bedrijven. Deze zijn daarom berekend in de rapportage parkeerbehoefte en op basis van ervaringsgetallen. Om uit te gaan de worst-case-scenario is in de berekening uitgegaan van één bouwfase. Er worden niet meer processen naar de locatie aan het Westeinde gebracht. Wel worden productielijnen gesplitst zodat aan de strenge regelgeving en hygiëne protocollen kan worden blijven voldaan. Het is de verwachting dat in de toekomst niet meer mensen benodigd zijn dan nu al werkzaam zijn bij het bedrijf. Echter wordt er wel een verschuiving van werkzaamheden verwacht. In de toekomstige situatie ter plaatse van het Westeinde zullen circa 20 auto’s minder, 4 bestelwagens minder en 7 vrachtauto’s meer per week rijden. De afname van het autoverkeer en de bestelwagens is te wijten aan de centralisatie van de processen op de hoofdvestiging waardoor tussen andere vestigingen geen verkeer meer noodzakelijk is.
Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit, GCN2022 Jaar van planrealisatie
2024
Extra voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde)
14
Aandeel vrachtverkeer
100,0%
NO2 in μg/m
3
0,16
PM10 in μg/m
3
0,01
Extra verkeer als gevolg van het plan
Maximale bijdrage extra verkeer Grens voor "Niet In Betekenende Mate" in μg/m
3
1,2
Conclusie De bijdrage van het extra verkeer is niet-in-betekenende-mate; geen nader onderzoek nodig
Figuur 4.8.2.3: Berekening NIBM-tool 2022 voor bouwfase 2024 (bron: Kenniscentrum InfoMil, 2023).
Voor het planvoornemen ligt de hoeveelheid extra stikstof en fijnstof ruim onder het maximum van 1,2 µg/ m³. De ontwikkeling kan dus worden bestempeld als NIBM en hoeft niet aan de grenswaarden luchtkwaliteit te worden getoetst.
CONCLUSIE Het project is op het gebied van luchtkwaliteit uitvoerbaar.
WATER WET- EN REGELGEVING Europese Kaderrichtlijn Water De Europese Kaderrichtlijn Water is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. 228000-241209-SZ-RW-Toelichting.docx
41
De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren, kustwateren en grondwater. Voor elk (deel)stroomgebied wordt een beheersplan opgesteld waarin de ambities en maatregelen worden beschreven. Nationaal Waterplan (NWP) 2022-2027 Het Nationaal Water Programma 2022-2027 is vastgesteld op 18 maart 2022 door de Rijksoverheid en beschrijft de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en de uitvoering ervan in de rijkswateren en -vaarwegen. Daarnaast geeft het een overzicht van de ontwikkelingen binnen het waterdomein en legt nieuw ontwikkeld beleid vast. De doelstelling van het document is schoon, veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Watervisie 2021 (provincie Noord-Holland) In de Watervisie 2021 worden kaders gesteld voor wateropgaven in Noord-Holland op basis van de thema's veilig en schoon & voldoende. In het waterveiligheidsbeleid wordt op landelijk niveau een risicobenadering gemaakt, waarbij ook het effect van een overstroming op het achterland wordt meegewogen. De provincie en waterpartners willen zorgen voor veilige dijken en keringen, een waterrobuuste inrichting van de omgeving en goede evacuatiemogelijkheden om effecten van eventuele overstromingen te beperken.
De provincie zorgt ervoor dat het grond- en oppervlaktewater duurzaam kan worden gebruikt en dat voorraden zorgvuldig worden beheerd, zonder uitputting of verontreiniging. Diepe, watervoerende lagen kunnen worden gebruikt voor energieopslag. Waterbeheer en watertoets Sinds 1 november 2003 is de toepassing van de watertoets wettelijk verplicht door de verankering in het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985. De watertoets heeft betrekking op alle grond- en oppervlaktewateren en behandelt alle van belang zijn de waterhuishoudkundige aspecten (naast veiligheid en wateroverlast ook bijvoorbeeld waterkwaliteit en verdroging). De watertoets is een belangrijk procesinstrument om het belang van water een evenwichtige plaats te geven in de ruimtelijke ordening. Uit de waterparagraaf blijkt de betrokkenheid van de waterbeheerder in het planproces en de wijze waarop het wateradvies van de waterbeheerder is meegenomen in de uitwerking van het plan. Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier Het projectgebied ligt binnen het beheersgebied van het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier (HHNK), verantwoordelijk voor het waterkwantiteitsen waterkwaliteitsbeheer. Het waterschap geeft bij ruimtelijke ontwikkelingen advies over de waterhuishoudkundige situatie.
Legger en keur In de legger en keur van het hoogheemraadschap wordt het belang van verschillende watergangen weergegeven en voor waterkeringen bepaald waar de beschermingszones liggen. In figuur 4.9.1.1 is te zien dat de watergangen in het plangebied secundaire watergangen zijn. Het plangebied ligt niet in de omgeving van een waterkering of beschermingszone van een waterkering. 228000-241209-SZ-RW-Toelichting.docx
42
Figuur 4.9.1.1: Watergangen met beschermingszone (bron: Legger wateren 2022 HHNK).
Waterplan HHNK (2022-2027) Het waterplan (of waterbeheerprogramma) is wettelijk verplicht volgens de Waterwet (die straks opgaat in de Omgevingswet) en het Bestuursakkoord Water. Het Waterplan HHNK werkt de doelen en ambities op het gebied van waterbeheer en maatschappelijke opgaves uit. Het legt uit hoe de projecten van het HHNK bijdragen aan het halen van de doelstellingen en hoe deze gekoppeld zijn aan de langetermijnvisie.
ONDERZOEK Doel van het watertoetsproces is dat waterhuishoudkundige doelstellingen zichtbaar en evenwichtig worden meegenomen bij ruimtelijke plannen of besluiten. De watertoets van het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier richt zich op vijf thema’s. Deze thema’s worden hieronder doorlopen. Waterkwantiteit Voor het wateraspect 'waterkwantiteit' geldt dat moet worden aangegeven hoe rekening is gehouden met de compensatie van gedempt oppervlaktewater, de compensatie van de toename van verharding en de verbetering van de waterhuishouding door realisatie van extra waterberging (eventueel in combinatie met andere functies). Voor het plangebied zijn de te dempen watergangen, de nieuw te graven watergangen en de verhardingen met watercompensatie in beeld gebracht, zie tabel 4.9.2.1 en figuur 4.9.2.1.
228000-241209-SZ-RW-Toelichting.docx
43
Oppervlakten bebouwing Bebouwing huidig Spits Gebouw 2 (Bloei) Gebouw 3 (David Dirkshal) Gebouw 4 (Uitbreiding DD hal) Innovatie centrum Hoogspanning Kantoor - Onder t Dak Schuur Afvalverwerking Fietsenstallingen
Oppervlak 2.668 m² 2.171 m² 2.308 m² 474 m² 1.532 m² 507 m² 110 m² 432 m² 102 m² 92 m²
Totale bebouwing
10.395 m²
Bebouwing toekomstig Gebouw 1 Gebouw 2 (Bloei) Gebouw 3 (David Dirkshal) Gebouw 4 (Uitbreiding DD hal) Gebouw 5 (Mengerij) Gebouw 6 Kantoor - Onder 't Dak Afvalverwerking Corridor Fietsenstalling Object entree Totale bebouwing
Oppervlak 2.751 m² 2.171 m² 2.308 m² 474 m² 4.200 m² 2.469 m² 110 m² 102 m² 436 m² 207 m² 253 m² 15.480 m²
Oppervlakten (half)verharding Parkeren verhard huidig Wegen PP Entree oost (hoogspanning) PP Gebouw 3 (DD) Parkeerterrein Westeinde Rond innovatiecentrum Corridor Overige verharding Totaal verhard
Oppervlak 5.187 m² 25 m² 1.063 m² 526 m² 559 m² 422 m² 397 m² 8.178 m²
Parkeren verhard toekomstig Wegen Vijver Steiger entreeplein Ontsluiting zuid Ten zuide van gebouw 2 (bloei) Laadkuilen Overige verharding Totaal verhard
Oppervlak 6.040 m² 396 m² 77 m² 220 m² 120 m² 300 m² m² 7.152 m²
Parkeren halfverhard huidig PP Entree Westeinde
Oppervlak 500 m²
Parkeren halfverhard toekomstig Oppervlak PP Entree Westeinde 725 m² PP Entree oost 450 m² PP Entree zuid 400 m² Onderhoudsstrook Gebouw 2 en 5 989 m² Totaal halfverhard 2.564 m²
Totaal halfverhard
500 m²
Vervangend water Toenamens Totale toename bebouwing Totale toename verharding Totale toename halfverharding
Oppervlak 5.085 m² -1.026 m² 2.064 m²
Compensatie verharding Bebouwing en verharding (13%) Halfverharding (13%) Totale compensatie
Oppervlak 528 m² 188 m² 716 m²
Watercompensatie Huidig wateroppervlak Te dempen water Te graven water Toekomstig wateroppervlak
Oppervlak 2.926 m² 1.238 m² 1.954 m² 3.642 m²
Tabel 4.9.2.1: Overzicht oppervlakte verharding en watercompensatie.
228000-241209-SZ-RW-Toelichting.docx
44
Ten opzichte van de bestaande situatie kan het verhard oppervlakte in het plangebied in de toekomst toenemen met 6.123 m² waarvan circa 2.564 m² halfverharding is. Op de locatie waar halfverharding wordt aangelegd wordt ook grondverbetering gedaan. De gedempte watergang van circa 1.238 m² wordt 1 op 1 terug gegraven binnen het plangebied. De oppervlakte van de nieuw te graven watergang is 1.954 m². In totaal wordt is er binnen het plangebied 3.642 m² water voorzien waarvan circa 716 m² water bedoeld is t.b.v. de watercompensatie voor de verhard oppervlakte (13%).
Figuur 4.9.2.1: Weergaven te graven en dempen water
Het hemelwater dat op de onverharde terreindelen valt, wordt geïnfiltreerd in de bodem en/of loopt oppervlakkig af naar de watergangen. Het hemelwater dat op het verhard oppervlakte valt, wordt afgevoerd naar de watergangen. Het hemelwater wat valt op de daken van de gebouwen wordt afgevoerd naar het oppervlaktewater in en rond het plangebied. De watergangen en watercompensatie worden in de verbeelding aangeduid als bestemming ‘Water’. De watercompensatie wordt per toekomstige nader in te vullen uitbreiding bepaald en gerealiseerd. Waterkwaliteit De nieuwe watergang staat in verbinding met bestaande watergangen om een doorspoelbaar watersysteem te waarborgen. Alleen waar noodzakelijk worden dammen met duikers of bruggen aangelegd. Ten noorden van de nieuwe watergang wordt een natuurlijke oever aangelegd.
228000-241209-SZ-RW-Toelichting.docx
45
Op plekken waar eventueel met chemische middelen gewerkt wordt zijn waterdichte bakken aangelegd om te voorkomen dat de chemische middelen in aanraking komen met oppervlakteof grondwater. Om verontreiniging van afstromend hemelwater, oppervlaktewater en grondwater te voorkomen wordt geadviseerd duurzaam te bouwen. Het gebruik van uitlogende materialen wordt zoveel mogelijk voorkomen. Waterkering Er zijn geen waterkeringen aanwezig bij het plangebied. Afvalwaterketen Incotec verwacht met deze uitbreiding een toename aan afval- en proceswater van circa 4.000 liter per week. Per toekomstige nader in te vullen uitbreiding zal worden bepaald hoeveel de extra afvoer wordt, zodat de gemeente hier met haar prognoses rekening mee kan houden. Binnen het plangebied wordt een gescheiden riolering aangelegd. Het afvalwater (zoals toiletten, douches en gootstenen) van de bedrijfsgebouwen wordt aangesloten op het bestaande rioolstelsel binnen het plangebied en vervolgens op het gemeentelijke rioolstelsel. Hetzelfde geldt voor het hemelwater welke op termijn apart kan worden aangesloten. Incotec gaat onderzoeken of het mogelijk is het proceswater her te gebruiken zodat het rioolstelsel ontlast wordt. Beheer en onderhoud nieuw oppervlaktewater Het nieuwe water wordt gerealiseerd op het perceel welke in eigendom is van de initiatiefnemer.
De initiatiefnemer is daarom ook verplicht het droog onderhoud van de oever te verrichten. Ter plaatse van de secundaire watergang is de initiatiefnemer ook verplicht het gewoon nat onderhoud te verrichten. Dit zal periodiek gebeuren. Het oppervlaktewaterlichaam en onderhoudsstrook wordt vrijgehouden van feitelijke belemmeringen voor het uitvoeren van onderhoud en inspectie. De waterkanten bestaan uit een natuurlijke oever of een beschoeiing met grastalud.
CONCLUSIE Het project is op het gebied van water uitvoerbaar.
MER-BEOORDELING WET- EN REGELGEVING Op 1 april 2011 is het nieuwe Besluit milieueffectrapportage (m.e.r.) in werking getreden. Een belangrijke wijziging die daarin is aangebracht, is dat voor de vraag of een m.e.r.beoordelingsprocedure moet worden doorlopen, toetsing aan de drempelwaarden in de D-lijst niet toereikend is. Indien een activiteit een omvang heeft die onder de grenswaarden ligt, dient op grond van de selectiecriteria in de Europese richtlijn milieu-effectbeoordeling te worden vastgesteld of belangrijke nadelige gevolgen van de activiteit voor het milieu kunnen worden uitgesloten. Pas als dat het geval is, is de activiteit niet m.e.r.-(beoordelings)plichtig. 228000-241209-SZ-RW-Toelichting.docx
46
Uit deze toets kunnen twee conclusies volgen: belangrijke nadelige milieueffecten zijn uitgesloten of belangrijke nadelige milieueffecten zijn niet uitgesloten. In het eerste geval is de activiteit niet m.e.r. (-beoordelings) -plichtig in het andere geval dient een M.e.r.-beoordeling te worden uitgevoerd en de bijbehorende procedure te worden gevolgd. De toetsing in het kader van de vormvrije m.e.r.-beoordeling dient te geschieden aan de hand van de selectiecriteria in bijlage III van de Europese richtlijn milieu-effectbeoordeling (kenmerk en plaats van het project, kenmerk van potentieel effect).
ONDERZOEK Gezien de omvang van de bedrijvigheid in het plangebied en gezien de aard van de bedrijfsactiviteiten in relatie tot glastuinbouw, zouden de volgende onderdelen uit kolom 1 van de D-lijst van het Besluit m.e.r van toepassing kunnen worden verklaard, te weten: - D 9: ‘een landinrichtingsproject dan wel een wijziging of uitbreiding daarvan‘. Het planvoornemen leidt niet tot een overschrijding van drempelwaarden als genoemd in kolom 2 van de D-lijst, te weten gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op: - Vestiging van een glastuinbouwgebied of bloembollenteeltgebied van 50 ha of meer (betreffende D 9). Alleen de vormvrije m.e.r.-beoordeling is gezien voorgaande van toepassing. Gesteld mag worden dat de milieueffecten van de voorgenomen ontwikkeling in het plangebied reeds op voldoende wijze in voorgaande paragrafen zijn beschreven. Gelet op de kenmerken van deze bebouwing, de plaats en de kenmerken van de potentiële effecten zullen geen significante negatieve milieugevolgen optreden.
CONCLUSIE Voor het project is dan ook geen mer-procedure of mer-beoordelingsprocedure noodzakelijk conform het Besluit m.e.r.
DUURZAAMHEID WET- EN REGELGEVING RES Noord-Holland noord De regionale energiestrategie vormt de visie van de regio voor de energietransitie. In het document worden doelstellingen uitgewerkt en potentiële gebieden aangewezen voor verduurzaming van energie. Het plangebied van Incotec wordt aangeduid als gebied met potentie voor zon op grote daken. Beleidskader wind- en zonne-energie Westfriesland Binnen regio Westfriesland geldt het beleidskader wind- en zonne-energie Westfriesland. In het document wordt duidelijk waar en onder welke voorwaarden windturbines en zonne-energie mogelijk zijn. Het plangebied valt binnen het Westfriese landschap met fruitteelt.
ONDERZOEK Mission Zero 228000-241209-SZ-RW-Toelichting.docx
47
Voor Incotec is de koers voor de komende jaren gericht op substantieel verder verduurzamen. Zaadbehandeling op zich draagt al bij aan de verduurzaming van de land- en tuinbouw en maakt dat het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen tot 90% kan worden teruggedrongen. Daarnaast zet Incotec zich actief in voor het verduurzamen van de zaadbehandeling zelf, het creëren van alternatieven voor microplastics in coatings, het aanzienlijk uitbreiden van het assortiment voor de biologische markt, het werken aan technieken voor het succesvol toepassen van biologicals en het onderzoeken van de mogelijkheden voor afbreekbare coatings. Al deze inspanningen komen samen onder de strategische richting van Incotec: Mission Zero – sustainable to the max! Happy Incotec Werkgeluk is enorm belangrijk en daarom besteedt Incotec hier aandacht aan. Het draagt bij aan vitaliteit en duurzame inzetbaarheid van medewerkers. Gelukkige mensen leven langer, ervaren minder stress, zijn minder vaak ziek en beleven meer plezier. Incotec onderkent dit en is daarom hiermee aan de slag gegaan. Duurzame energie Incotec maakt gebruik van elektrische auto’s en gaat de mogelijkheid voor het toepassen van zon op grote daken onderzoeken welke onderdeel is van het energiemasterplan.
CONCLUSIE Vanuit het aspect duurzaamheid gelden geen belemmeringen voor dit plan.
VERKEER EN PARKEREN VERKEER Incotec heeft het verkeer in kaart gebracht voor de locatie Westeinde en de locatie van de Mengerij gevestigd in Zwaagdijk. De Mengerij zal op termijn verhuizen naar de locatie Westeinde. Er is gekeken naar het aantal voertuigen per week. Hierbij wordt uitgegaan van een week met 5 werkdagen. De overige 2 dagen kunnen er wel onderhoudswerkzaamheden plaatsvinden. Locatie Westeinde Omschrijving
Vanaf
Via
Naar
Frequentie
Aan-/afvoer product
Mengerij -Zwaagdijk
Westeinde
Bedrijfslocatie
Aanvoer product
Klant/ leveranciers
Westeinde
Bedrijfslocatie
Woon-werkverkeer
Huis/ bedrijf (WE107)
Woon-werkverkeer
Aantal motorvoertuigen Auto Bestelw.
Vrachtw.
Week
20
6
4
Week
60
10
8
Westeinde
Bedrijfslocatie/ huis Week
600
Huis/ bedrijf (Mengerij) Zwaagdijk
Bedrijfslocatie/ huis Week
50
Totaal
Week
Naar
Frequentie
730
16
12
Locatie Mengerij Omschrijving
Vanaf
Via
Aan-/afvoer product
Westeinde 107
Mengerij -Zwaagdijk Bedrijfslocatie
Woon-werkverkeer
Huis/ bedrijf (Mengerij) Zwaagdijk
Aanvoer product
Klant/ leveranciers
Mengerij -Zwaagdijk Bedrijfslocatie
Week
Aan-/afvoer product
Mengerij -Zwaagdijk
Mengerij -Zwaagdijk Klant
Week
Aantal motorvoertuigen Auto Bestelw.
Vrachtw.
Week
10
2
2
Bedrijfslocatie/ huis Week
50 2
4
Totaal
Week
7
60
4
13
Tabel 4.12.1.1: Aantal motorvoertuigen bestaande situatie. 228000-241209-SZ-RW-Toelichting.docx
48
Er wordt gebruik gemaakt van auto’s, bestelwagens en vrachtwagens. Tussen de twee locaties is er verkeer benodigd welke vervalt indien de Mengerij verhuist naar het Westeinde. Het gaat hierbij om 6 vrachtwagens, 8 bestelwagens en 30 personenauto’s. Hieronder is een inschatting van de nieuwe situatie aangegeven. Locatie Westeinde Omschrijving
Vanaf
Via
Naar
Frequentie
Aanvoer product
Klant/ leveranciers
Westeinde
Bedrijfslocatie
Woon-werkverkeer
Huis/ bedrijf (WE107)
Westeinde
Aantal motorvoertuigen Auto Bestelw.
Vrachtw.
Week
60
19
Bedrijfslocatie/ huis Week
650
Totaal
Week
710
12
12
19
Tabel 4.12.1.2: Aantal motorvoertuigen nieuwe situatie.
Uiteindelijk zullen er in de nieuwe toekomstige situatie ter plaatse van het Westeinde circa 20 auto’s minder, 4 bestelwagens minder en 7 vrachtauto’s meer per week rijden. Indien de tweede ontsluitingsweg langs het spoor wordt gerealiseerd is het de wens van Incotec om het vrachtverkeer via deze route te laten rijden waardoor de vrachtwagens gescheiden zijn van het autoverkeer en niet meer over het Westeinde hoeven te rijden. Op het terrein van Incotec is het verkeer dan ook gescheiden; aan de noordzijde de hoofdentree met parkeren voor personeel en bezoekers en aan de zuidzijde de entree voor vrachtverkeer met de expedities. Het scheiden van verkeersstromen komt de veiligheid ten goede, zeker indien vrachtverkeer niet meer gebruik hoeft te maken van het Westeinde.
PARKEREN Incotec heeft een parkeerbehoefte. CROW (Centrum voor Regeling en Onderzoek in de Grond, water- en wegenbouw en de verkeerstechniek) heeft normen voor diverse functies opgesteld waaruit de parkeerbehoefte kan worden afgeleid. Deze normen voorzien niet geheel in zaadteelt gerelateerde bedrijven, zoals Incotec. Aan de hand van de personeelsbezetting en ervaringscijfers is de bedrijfsspecifieke parkeerbehoefte in kaart gebracht. Bestaande situatie Aan het Westeinde 107 zijn in de bestaande situatie 134 parkeerplaatsen aanwezig verspreid op eigen terrein. Daaronder vallen circa 10 bezoekersparkeerplaatsen en 2 invalide parkeerplekken. Er werken circa 175 mensen en 6 uitzendkrachten en stagiaires. Op de locatie zijn fietsenstallingen aanwezig. Gemiddeld komen er circa 80 mensen op de fiets naar het werk. Bij de andere locatie (de Mengerij) die naar het Westeinde gaat verhuizen zijn in de bestaande situatie 7 parkeerplaatsen aanwezig. Er zijn hier 8 mensen werkzaam en gemiddeld 2 uitzendkrachten.
228000-241209-SZ-RW-Toelichting.docx
49
Figuur 4.12.2.1: Tekening bestaande situatie met in het rood de parkeerplaatsen aangegeven.
Nieuwe situatie In het bestemmingsplan wordt het mogelijk gemaakt om meer bebouwing te realiseren. Daardoor is het mogelijk de Mengerij te verhuizen naar het Westeinde 107. Tevens kan er meer opslag plaatsvinden. Er worden niet meer processen naar de locatie aan het Westeinde gebracht. Wel worden productielijnen gesplitst zodat aan de strenge regelgeving en hygiëne protocollen kan worden blijven voldaan. Het is de verwachting dat in de toekomst niet meer mensen benodigd zijn dan nu al werkzaam zijn bij het bedrijf. Echter wordt er wel een verschuiving van werkzaamheden verwacht en rekening gehouden met het ‘nieuwe’ werken. In de nieuwe situatie worden er 138 parkeerplaatsen op eigen terrein gerealiseerd. Bijna alle parkeerplaatsen zijn gelegen aan de voorzijde van het perceel aan het Westeinde. Zeven parkeerplaatsen zijn voorzien bij de nieuwe bedrijfsruimten voor onderhoudspersoneel. 32 zijn gelegen aan de zuidzijde van het perceel. Uitgangspunt is dat bezoekers en personeel zo min mogelijk per auto of fiets het terrein bij de bedrijfsruimten op gaan. Deze zone is bestemd voor vrachtwagens t.b.v. de expeditie. Er wordt een overdekte corridor gerealiseerd waardoor het personeel de verschillende gebouwen kan bereiken. Het gebruik van de fiets wordt gestimuleerd.
Er wordt een overdekte fietsenstalling centraal bij de entree geplaatst, zodat de mensen minimale loopafstanden hebben tot hun werkplek. In de fietsenstalling kunnen circa 100 fietsen worden geplaatst.
228000-241209-SZ-RW-Toelichting.docx
50
Figuur 4.12.2.1: Tekening nieuwe situatie met in het rood de parkeerplaatsen aangegeven.
CONCLUSIE Er gelden vanuit het aspect verkeer en parkeren geen belemmeringen voor het voorliggende plan.
228000-241209-SZ-RW-Toelichting.docx
51
Juridische planbeschrijving ALGEMEEN Het bestemmingsplan is opgesteld conform de Wet ruimtelijke ordening (Wro), het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) en de RO-standaarden, in werking getreden sinds 1 juli 2013. De ROstandaarden bestaan uit: de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP2012), de Standaard Toegankelijkheid Ruimtelijke instrumenten 2012 (STRI2012) en de Praktijkrichtlijn bestemmingsplannen 2012 (PRBP2012). Tevens zijn de regels afgestemd op de op 1 oktober 2010 in werking getreden Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en het Besluit omgevingsrecht (Bor).
BESTEMMINGSPLAN Het bestemmingsplan is zowel analoog als digitaal beschikbaar. Het digitale bestemmingsplan bestaat uit een GML-bestand met bijbehorende regels en toelichting. De koppeling van de kaart, toelichting en regels (het bestemmingsplan) wordt de verbeelding genoemd. De verbeelding is vervat in een GML-bestand (GML-bestand NL.IMRO.0388.BPIncotecWesteinde107-VA01). De analoge verbeelding van het voorliggende bestemmingsplan is getekend op een schaal 1:2.000 en omvat 1 kaartblad (genummerd 228000-A-241209-SZ-VGN-Bestemmingsplan-01Verbeelding.pdf). Het kaartblad geeft de bestemming van de gronden aan. Waar nodig zijn aanduidingen op de kaart opgenomen waarvan de betekenis in de regels wordt verklaard.
PLANSYSTEMATIEK Het plangebied heeft een rechtstreekse bouwtitel, omdat is gekozen voor een gedetailleerde plansystematiek. De bestemmingsvlakken maken een flexibele invulling van het plangebied mogelijk, zodat ingespeeld kan worden op toekomstige invullingen. In de regels zijn bouw- en gebruiksregels opgenomen die de bebouwings-, gebruiks- en inrichtings-mogelijkheden van het plangebied inkaderen. In het plan hoeft zodoende niet meer geregeld te worden dan noodzakelijk is voor het functioneren van het gebied. Dit betekent een flexibele regeling die enerzijds de individuele vrijheid van de initiatiefnemer waarborgt en er anderzijds voor zorgt dat algemene belangen, als de ruimtelijke kwaliteit, niet worden aangetast.
BESTEMMINGSPLANPROCEDURE In de Wro en het Bro zijn regelingen opgenomen voor de bestemmingsplanprocedure. In deze procedure zijn de onderstaande fases onderscheiden.
VOORBEREIDINGSPROCEDURE Indien de gemeente voornemens is een bestemmingsplan voor te bereiden waarvoor geen milieueffectrapport wordt opgesteld, geeft zij kennis op grond artikel 1.3.1 Bro van dat voornemen in een of meer dag-, nieuws- of huis-aan-huisbladen of op een andere geschikte manier. De kennisgeving vermeldt of en waar en wanneer er stukken van het voornemen ter inzage worden gelegd, of er gelegenheid wordt geboden om zienswijzen op het voornemen naar voren te brengen en door wie, op welke manier en binnen welke termijn en of een 228000-241209-SZ-RW-Toelichting.docx
52
onafhankelijke instantie in de gelegenheid wordt gesteld advies uit te brengen over het voornemen. De gemeente voert onderzoek uit bij het opstellen van een voorontwerpbestemmingsplan naar de bestaande situatie, de ruimtelijke ontwikkelingen en naar mogelijke en wenselijke ontwikkelingen in de gemeente. De gemeente stelt het voorontwerpbestemmingsplan voor het overleg op grond van artikel 3.1.1 van het Bro beschikbaar aan de betreffende besturen en diensten. Ook wordt op het voorontwerp inspraak geboden conform de gemeentelijke inspraakverordening. In de toelichting van het bestemmingsplan wordt de reactie van de gemeente op de open aanmerkingen uit overlegreacties opgenomen en op de ingekomen inspraakreacties.
VASTSTELLINGSPROCEDURE Het ontwerpbestemmingsplan wordt voor een periode van zes weken ter inzage gelegd, na een aankondiging in de Staatcourant, één of meer plaatselijke dag-, nieuws- of huis-aan-huisbladen en op de gemeentelijke internetpagina. Dit gebeurt zowel digitaal via omgevingswet.overheid.nl als in analoge vorm op daarvoor aangewezen plaatsen. Tijdens deze periode kan eenieder zienswijzen indienen. Hierna stelt de gemeenteraad binnen twaalf weken na de periode van terinzagelegging het bestemmingsplan, gezamenlijk met een oordeel over de zienswijzen, vast. Wanneer noodzakelijk kan de gemeenteraad het bestemmingsplan gewijzigd vaststellen.
BEROEPSPROCEDURE Het vaststellingsbesluit waarin het bestemmingsplan is vastgesteld wordt door de gemeenteraad bekend gemaakt, zowel digitaal als analoog. Het vastgestelde bestemmingsplan wordt ter inzage gelegd. Wanneer door de Inspectie Leefomgeving en Transport of Gedeputeerde Staten een zienswijze is ingediend die niet volledig is overgenomen of wanneer het bestemmingsplan door de gemeenteraad gewijzigd is vastgesteld, moet het vaststellingsbesluit binnen zes weken na het besluit bekend worden gemaakt en moet het vastgestelde bestemmingsplan ter inzage worden gelegd. Binnen zes weken na het bekendmaken van het vaststellingsbesluit kan er beroep worden ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Beroep kan worden ingesteld door belanghebbenden die tijdig hun zienswijze over het ontwerpbestemmingsplan bij de gemeenteraad hebben ingediend en belanghebbenden aan wie redelijkerwijs niet kan worden verweten dat zij geen zienswijze tegen het ontwerp hebben ingediend. Als de gemeenteraad bij de vaststelling wijzigingen heeft aangebracht in het bestemmingsplan kan iedere belanghebbende hiertegen binnen de beroepstermijn eveneens beroep instellen.
Indien het bestemmingsplan ongewijzigd is vastgesteld of gewijzigd is vastgesteld om gehoor te geven aan zienswijzen van Gedeputeerde Staten en/of de Inspectie Leefomgeving en Transport, wordt het vaststellingsbesluit door de gemeenteraad uiterlijk 2 weken na vaststelling bekend gemaakt. Het bestemmingsplan wordt tevens uiterlijk 2 weken na vaststelling ter inzage gelegd.
REGELS De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: - Hoofdstuk 1: Inleidende regels; - Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels; - Hoofdstuk 3: Algemene regels; - Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregels. 228000-241209-SZ-RW-Toelichting.docx
53
INLEIDENDE REGELS Artikel 1 Begrippen De in de regels gebruikte begrippen worden hierin omschreven ter voorkoming van misverstanden of verschil in interpretatie. Artikel 2 Wijze van meten Dit betreft een omschrijving van de wijze waarop het meten dient plaats te vinden.